Tag: horror

  • Hoe stemacteurs en geluidstechnici het horrorgenre vormgeven

    Hoe stemacteurs en geluidstechnici het horrorgenre vormgeven

    In de wereld van horrorfilms is geluid vaak net zo belangrijk als beeld. Geloofwaardig kreten nasynchroniseren die een film echt eng maken is daarom een vak apart.

    Een plekje in Hollywood bemachtigen valt niet mee, en zeker niet als geluidstechnicus. Maar Mitzi Ives, de hoofdpersoon in The Invention of Sound, het nieuwe boek van Chuck Palahniuk, lukt het dankzij de geheime – en lugubere – technieken die ze van haar vader heeft geleerd. De concurrentie bekijkt haar met afgunst. Alleen zij slaagt erin de acteurs in horrorfilms bloedstollende kreten te laten slaken die zo geloofwaardig en huiveringwekkend zijn dat ze voor echt kunnen doorgaan.

    Een hele prestatie, want voor elkaar krijgen dat een film angst aanjaagt is zo makkelijk nog niet. Er zijn veel factoren die ertoe bijdragen dat de kijker uiteindelijk met kippenvel in zijn stoel zit. De kreten, en de geloofwaardigheid ervan, zijn een voorbeeld. De vertolking is essentieel, maar als het gaat om een nagesynchroniseerde film komt er een stemacteur in actie. 

    Horrorfilms

    Oudgediende María Luisa Solá, die net 85 is geworden en dit beroep als sinds 1959 uitoefent, heeft aan diverse horrorfilms meegewerkt, ‘al is het niet mijn favoriete genre, ook niet als kijker’. De eerste was Psycho [van Alfred Hitchcock], waarin ze haar stem leende aan Janet Leigh, die in de beroemde douchescène werd vermoord door psychopaat Norman Bates.

    ‘Die film heeft ontzettend veel mensen diep geraakt. Bijna iedereen die een douchecel met een plastic gordijn instapt, maakt dat-ie snel weer weg komt,’ zegt ze lachend. Maar ze stelt vast dat het nadoen van Sigourney Weaver als luitenant Ripley in de Alien-films moeilijker was: ‘Steeds als dat monster, dat zich overal in mengt, opdook, gruwde ik. En niet zozeer van angst, als kijker word je bloednerveus.’

    ‘ik gil al zodra er zoiets in beeld komt, ik schrik me dan gewoon een ongeluk’

    Het kostte haar nooit moeite om een kreet te slaken bij een griezelige scène, want, zegt ze, ‘ik gil al zodra er zoiets in beeld komt, ik schrik me dan gewoon een ongeluk’. Maar, benadrukt ze, ‘als het om een heleboel gegil achter elkaar gaat, moet je zorgen dat je die scène pas aan het eind van de sessie doet, omdat je anders schor bent’. Curieus genoeg heeft Solá ook Jamie Lee Curtis, de dochter van Janet Leigh, ingesproken in alle Halloween-films. ‘Ik vind ze geweldig, het zijn er zo veel en toch zeg je na afloop: nog een, graag. Maar vraag me niet waarom ze zo aanspreken, dan blijft er niets van over.’

    Haar zoon, Sergio Zamora, doet hetzelfde werk. Hij ontfermt zich meestal over Colin Farrell, Bradley Cooper, Matthew McConaughey en Joaquin Phoenix. Zamora brengt gedetailleerd in herinnering hoe ‘angstaanjagend, theatraal en hysterisch’ de lach van Phoenix in Joker was, ook al ging het niet om horror. Hij geeft toe dat in horrorfilms ‘vrouwen over het algemeen meer gillen en mannen de kwade peer zijn’. Zo moest Zamora de schurk stem geven in de tv-animatiereeks Death Note en de film Cherry Falls. ‘Daar wordt eigenlijk weinig in gegild. Wij mannen krijgen meer oorlogskreten toebedeeld,’ geeft hij toe. Mark Ullod zit al vijfendertig jaar in het vak. 

    Binnensmonds praten

    Door zijn toedoen zijn personages als Don Price, de antagonist in het sprookjesachtige Big Fish van Tim Burton, tot leven gebracht. Of Punisher, een antiheld in de Marvel-films, ‘die mij dwong heel zacht en binnensmonds te praten, maar die dan ineens als een beest begon te krijsen. Hij ging ineens van 0 naar 100.’ Ullod legt uit dat een stemacteur normaal gesproken de kreten van zijn eigen personage voor zijn rekening neemt en het, als het niet meteen lukt, nog eens probeert.

    Het komt zelden voor dat een collega zich in de opname van een ander mengt

    Het komt zelden voor dat een collega zich in de opname van een ander mengt. ‘Maar soms gebeurt het toch, zij het niet zozeer voor kreten. Ik ben mijn carrière als stemacteur begonnen met een boer. Dat klinkt stug, maar het is echt waar. Ik werkte toen als productieassistent en ze waren bezig met de nasynchronisatie van One Flew over the Cuckoo’s Nest in het Catalaans. Op een gegeven moment moest Danny DeVito boeren en degene die hem naspeelde, de grote Joaquín Díaz, kreeg het niet voor elkaar. Mijn vader, die op dat moment de regisseur was, vroeg mij of ik die boer kon laten. Je kunt dus wel zeggen dat alles zo is begonnen.’

    In het Hollywood van weleer was het wat gebruikelijker om voor bepaalde kreten terug te grijpen naar voorradige geluiden. Het bekendst is de ‘Wilhelmschreeuw’, die met succes verschillende producties werd binnengesmokkeld. Hij werd voor het eerst gebruikt in 1951, in de film Distant Drums, en al is de schreeuwer niet bekend, het vermoeden is dat het gaat om de stem van de Amerikaanse acteur Sheb Wooley, een van de hoofdrolspelers in de film.

    Kreet

    Zo’n kreet op een film afstemmen, en andere effecten toevoegen en creëren om de sfeer en de plot griezeliger te maken, is het werk van een geluidstechnicus zoals Byron Abadía. Die gaat niet alleen over de postproductie, maar heeft ook zijn eigen geluidsbibliotheek opgezet, waar iedereen die er voor zijn werk gebruik van wil maken toegang toe heeft. ‘Als je een bepaald geluid bij een verhaal zoekt, is creativiteit vereist,’ zegt Abadía.

    ‘Zo komt in horrorfilms veel regen voor. Ik word er vrolijk van als ik die bij het ontbijt kan oproepen: je hebt dat geluid al als je bacon in een koekenpan met genoeg olie legt. Houd de microfoon bij het gespetter en voilà. En om bijvoorbeeld iets te laten klinken als een botbreuk, gebruiken we kroppen sla of wortels. Sinaasappels zijn dan weer heel geschikt om een etende zombie te suggereren.’

    ‘Het draaiboek lezen ze pas in de studio. Alles om het spontaan te laten klinken en te voorkomen dat er te veel wordt geacteerd’

    Lorenzo Beteta is altijd even afhankelijk van de geluidsmensen als van de stem­acteurs. Hij is er zelf een, maar hij werkt ook al jaren als regisseur. ‘Ik geef de vertolkers nauwelijks informatie. Ik wil dat ze alleen het hoognodige weten, zodat ze, als het zover is, verrast zijn en schrikken, net als hun personages. Het draaiboek lezen ze pas in de studio, en ze nemen het niet mee naar huis. Alles om het spontaan te laten klinken en te voorkomen dat er te veel wordt geacteerd en het effect nep is.’

    Beteta heeft gezien hoe de branche in de tweeënveertig jaar dat hij in het vak zit op technisch gebied een opmerkelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Maar hij is terughoudend als het gaat om AI. ‘De sector is serieus met distributeurs in gesprek over clausules in de contracten die moeten voorkomen dat ons werk AI in de kaart speelt. Dus dat AI onze stemmen opslaat, onze intonaties uit het hoofd leert, en die stemmen vervolgens leert om vanuit het niets iets te creëren. Het zal niet lang meer duren of we zien een film met een hoofdrolspeler die wij normaal gesproken nasynchroniseren en we horen onze stem, zonder dat wij iets ermee te maken hebben gehad. Daarom is het zo belangrijk dat er nu wetgeving komt.’ 

    Vervanging door AI

    De beroepsgroep maakt zich wel degelijk zorgen over vervanging door AI. De technologie gaat sneller dan de wetgeving, reden waarom de filmbranche eist dat er eerst toestemming aan de professionals wordt gevraagd voordat hun stem ergens voor wordt gebruikt. Wat nu wordt vastgelegd, zal bepalend zijn voor de toekomst van de branche.

    Deze en andere kwesties, die losstaan van het nasynchroniseren, maken deel uit van wat Beteta bespreekt met zijn leerlingen aan de School voor Nasynchronisatie in Madrid, waar hij al jaren lesgeeft. ‘Het is belangrijk dat zij de huidige en de mogelijk toekomstige situatie kennen,’ en ook andere basiskwesties, zoals ‘het besef dat nasynchronisatie een vorm van nabootsen is, en niet van scheppen. Je doet iets na wat al bestaat en verwoordt het in de taal die aan de orde is. Daarom moeten we, al wint de beroepsgroep steeds meer aan zichtbaarheid, niet vergeten dat anoniem zijn in ons voordeel werkt; want dan kunnen we associaties met stemmen vermijden en het personage geloofwaardiger laten klinken. Dat is ons voornaamste doel en dat moeten we niet vergeten.’

    Zijn leerlingen, de toekomstige stemacteurs, zijn zich bewust van deze en andere aspecten van het vak. Bijvoorbeeld ‘hoe essentieel het is dat ons lichaam amper beweegt, omdat de microfoon alles registreert,’ vertelt José Luís Prada. ‘Hijgen zonder te springen, huilen zonder verdrietig te zijn of gillen zonder je lichaam hoegenaamd te bewegen is heel lastig. Ik druk mijn handen tegen mijn borst om te voorkomen dat ze per ongeluk bewegen.’ Zijn klasgenoot Sara Ibancos doet iets soortgelijks, al is volgens haar ‘het moeilijkste niet om stil te zitten, maar om zó’n spanning op te roepen dat in je schreeuw ook echt angst doorklinkt’. 

  • Dark Tourism: waarom sommige mensen op vakantie gaan naar een oorlogsgebied

    Dark Tourism: waarom sommige mensen op vakantie gaan naar een oorlogsgebied

    Ground Zero in New York, Tsjernobyl, het Japanse zelfmoordbos, Dachau en Auschwitz zijn steeds populairdere hotspots. De ‘dark tourist’ reist graag naar bestemmingen die tragisch, morbide of zelfs gevaarlijk zijn. Zelfs toeristen zijn het beu om een gekuiste versie van de werkelijkheid voorgeschoteld te krijgen.

    Noord-Korea. Oost-Timor. Nagorno-Karabach, de bergachtige enclave waar al tientallen jaren een etnisch conflict tussen Armeniërs en Azerbeidzjanen sluimert. Ze staan niet in de top tien van toeristische bestemmingen. Maar laat Erik Faarlund dat niet horen. Deze beheerder van de website van een Noorse camerawinkel heeft ze alle drie al bezocht. Zijn volgende droomreis is een trip naar San Fernando in de Filipijnen met Pasen, als mensen zich daar vrijwillig aan het kruis laten nagelen ter ere van het lijden van Jezus – een gebruik dat de katholieke kerk ontmoedigt. Faarlunds vrouw gaat liever zonnen in de Mediterranée, dus hij reist vaak alleen. ‘Ze vraagt zich af waarom ik in godsnaam naar die plekken toe wil, en ik vraag me af waarom zij in godsnaam naar de plekken wil waar zij heen gaat,’ zegt hij. Faarlund (52) is naar bestemmingen gereisd die geassocieerd worden met dood, drama en macabere gebeurtenissen.

    Nu reizen weer mogelijk is, doen de meeste mensen dat om de bekende redenen: even weg uit de werkelijkheid van alledag, even ontspannen en jezelf opladen. Zo niet de liefhebbers van ‘dark tourism’: die zoeken in hun vakanties de meest sombere en zelfs gewelddadige uithoeken van de wereld op. Met zo’n reis naar een afgedankte kerncentrale of een land waar een genocide heeft plaatsgevonden denken ze meer vat te krijgen op de harde realiteit van de politieke onrust in onze tijd, de klimaatcatastrofe, oorlog en de groeiende dreiging van het autoritaire denken.

    GettyImages 931739604
    Het Japanse ‘zelfmoordbos’ Aokigahara is ook een gewilde bestemming voor zogeheten dark tourists. In 2010 maakten 200 mensen een einde aan hun leven in het dichte bos. Het aantal liep op naarmate het einde van het fiscale jaar in zicht kwam. Sindsdien worden de aantallen niet meer gepubliceerd, om Aokigahara niet met zelfmoord te associëren. – © Carl Court / Getty Images

    ‘Als de hele wereld in brand of onder water staat en niemand de energierekening nog kan betalen, voelt het gênant om in een vijfsterrenresort op het strand te liggen,’ zegt Jodie Joyce, accountmanager bij een Engels bedrijf in DNA-sequencing. Zij heeft al reizen gemaakt naar Tsjernobyl en Noord-Korea. Faarlund vindt niet dat zijn vakanties onder de noemer dark tourism vallen en zegt dat hij gewoon naar plaatsen wil ‘waar alles er heel anders aan toegaat dan thuis’. Maar wat hun motieven ook zijn, Faarlund en Joyce zijn lang niet de enigen. Volgens een in september gepubliceerde enquête onder meer dan negenhonderd mensen door Passport-photo.online zegt 82 procent van de Amerikaanse reizigers minstens één keer te zijn afgereisd naar zo’n bestemming met een rouwrandje. Meer dan de helft van de geënquêteerden zegt vooral graag naar ‘actieve’ of voormalige oorlogsgebieden te gaan. Zo’n 30 procent zegt na de beëindiging van de oorlog in Oekraïne de staalfabriek Azovstal te willen bezichtigen, waar Oekraïense soldaten maandenlang weerstand boden tegen de Russen.

    Groeiende populariteit

    De groeiende populariteit van dit ‘zwart omrand toerisme’ wijst erop dat steeds meer mensen escapisme verruilen voor de kans om zelf een kijkje te nemen in de omgeving van drama’s waarover ze alleen hebben kunnen lezen, denkt Gareth Johnson. Hij is een van de oprichters van Young Pioneer Tours, een reisorganisatie waarvan zowel Joyce als Faarlund gebruik heeft gemaakt. Toeristen zijn het beu om ‘een gekuiste versie van de werkelijkheid voorgeschoteld te krijgen’, zegt Johnson.

    De dark tourist gaat meestal naar een plaats waar zich een tragedie heeft afgespeeld om zich daarin te kunnen inleven

    Het begrip dark tourism werd in 1996 door de twee Schotse wetenschappers J. John Lennon en Malcolm Foley geïntroduceerd in hun boek Dark Tourism: The Attraction of Death and Disaster. Maar al eeuwenlang is het kijken naar gruwelen een populaire vrijetijdsbesteding, zegt Craig Wight, universitair hoofddocent toerisme aan de Edinburgh Napier University. ‘Dat begint al met de gladiatorengevechten’ van het oude Rome, meent hij. ‘Mensen die naar een openbare ophanging kwamen kijken. Ook naar de slag bij Waterloo kwamen dagjesmensen toe om het spektakel vanuit hun rijtuig te bekijken.’ De dark tourist van tegenwoordig gaat volgens Wight meestal naar een plaats waar zich een tragedie heeft afgespeeld om zich daarin te kunnen inleven – wat moeilijker is als je er alleen over leest.

    Motieven variëren

    Zo bezien kan iedereen een dark tourist zijn. Op een weekendtrip naar New York kun je bij Ground Zero gaan kijken. Vanuit Boston kun je een uitstapje maken naar Salem om je licht op te steken over de zeventiende-eeuwse heksenjacht daar. Vakantie-gangers in Duitsland of Polen kunnen een bezoek brengen aan een concentratiekamp. De motieven kunnen variëren van een eerbetoon aan genocideslachtoffers tot verdieping van het historisch besef. Maar een dark tourist is over het algemeen iemand die er een gewoonte van maakt om naar plaatsen te reizen die tragisch, morbide of zelfs gevaarlijk zijn, of het nu vlak bij huis is of aan de andere kant van de wereld.

    Was hier sprake van een soort ramptoerisme, of is het een manier om mee te voelen met het verdriet en steun te betuigen?

    De laatste jaren komen er steeds meer touroperators bij die reizigers een kijkje op de locaties van recente catastrofes beloven, zodat ook de media-aandacht groeit en er vragen rijzen over de bedoelingen, zegt Dorina-Maria Buda, hoofd van de vakgroep toerisme aan de Nottingham Trent University. Verhalen over toeristen die zich kwamen vergapen aan de verwoestingen van de orkaan Katrina in New Orleans of die selfies maakten bij Dachau wekken weerzin en verontwaardiging. Was hier sprake van ‘een soort ramptoerisme, of is het een manier om mee te voelen met het verdriet en steun te betuigen?’ aldus Buda.

    Dark tourists zijn meestal geen ramptoeristen die selfies maken in Auschwitz, zegt Sian Staudinger. Zij is de eigenaar van het Oostenrijkse Dark Tourist Trips, dat rondleidingen verzorgt in onder meer het Verenigd Koninkrijk en andere Europese landen en de klanten daarbij op het hart drukt zich aan bepaalde regels te houden, waaronder ‘GEEN SELFIES!’ ‘Dark tourists stellen doorgaans inhoudelijke vragen,’ zegt Staudinger. ‘Ze praten niet te hard. Ze gaan niet lachen. Ze maken geen foto’s in een concentratiekamp.’

    Vraagtekens

    De Nieuw-Zeelandse journalist David Farrier heeft een jaar lang reizen gemaakt naar plaatsen zoals het Japanse ‘zelfmoordbos’ Aokigahara, de luxe gevangenis die Pablo Escobar voor zichzelf bouwde in Colombia en McKamey Manor in Tennessee, een spookhuis dat berucht is omdat mensen zich bij rondleidingen daar echt laten begraven of onderdompelen in koud water tot ze het gevoel krijgen dat ze stikken of verdrinken. Farriers reis was de basis voor een documentaire tv-serie die in 2018 op Netflix verscheen en door sommige critici als gruwelijk en ‘schunnig’ werd bestempeld.

    ‘Het is ethisch uiterst dubieus terrein’

    Farrier (39) zegt dat hij zelf ook vaak vraagtekens had bij de ethische kant van zijn reizen. ‘Het is ethisch uiterst dubieus terrein,’ zegt hij. Maar toch vond hij het de moeite waard om ‘de camera te laten draaien’ op plaatsen en bij rituelen waar mensen wel over willen weten, maar die ze nooit zelf zullen ervaren. Hij voelde zich klein als hij op plaatsen kwam waar zich vreselijke gruwelen hadden afgespeeld, en het hielp hem zijn eigen angst voor de dood onder ogen te zien. Meestal vond hij het een voorrecht om zo’n plek te mogen bezoeken, zegt hij, behalve McKamey Manor. ‘Dat was gestoord,’ zegt Farrier.

    Buda zegt dat reizigers haar in vraaggesprekken vertelden hoe bang en geschokt ze waren geweest bij het zien van gewapende militairen op straat in een dictatuur of een land waar een gewapend conflict woedt. ‘Als je deel uitmaak van een samenleving die min of meer stabiel is en je leeft in een soort sleur, dan krijg je op een reis naar zo’n plek weer het gevoel dat je leeft,’ zegt ze.

    GettyImages 668328160
    In het Filipijnse San Fernando laten sommige mensen zich op Goede Vrijdag vrijwillig aan het kruis nagelen ter ere van het lijden van Jezus.  – © Dondi Tawatao/Getty Images

    Maar het is niet altijd zonder gevaar. Otto Warmbier, een eenentwintigjarige student uit Ohio die in 2015 met Young Pioneer Tours naar Noord-Korea was gereisd, werd daar gearresteerd omdat hij in het hotel een poster van de muur zou hebben ontvreemd. Hij zat zeventien maanden vast en lag in coma toen hij uiteindelijk vrijkwam. Zes dagen na zijn terugkomst in de VS in 2017 overleed hij. Volgens de Noord-Koreaanse overheid was de doodsoorzaak botulisme, maar volgens zijn familie had hij in Noord-Korea hersenbeschadiging opgelopen bij martelingen. Nu kunnen Amerikanen alleen nog naar Noord-Korea reizen met speciale toestemming van Buitenlandse Zaken.

    En zelfs bij griezelrondleidingen (dark tourism light) kun je als reisorganisator soms voor een dilemma staan, zegt Andrea Janes, de eigenaar van Boroughs of the Dead: Macabre New York City Walking Tours. In 2021 vroegen zij en haar mensen zich af of het wel kies was om weer met hun rondleidingen te beginnen in een stad waar kort tevoren nog koelwagens bij de haven hadden gestaan bij wijze van geïmproviseerd mortuarium. Maar toen de knoop eenmaal was doorgehakt, zaten ze tot hun eigen verrassing al snel weer volgeboekt. Mensen wilden vooral graag de spookverhalen horen over Roosevelt Island, met zijn ruïne van een negentiende-eeuwse kliniek voor pokkenpatiënten. ‘Als historici hadden we moeten beseffen dat mensen in tijden van een epidemie over de dood willen praten,’ zegt Janes.

    Kathy Biehl woont buiten New York, in Jefferson Township, en heeft zeker al zo’n tien rondleidingen van Janes’ bedrijf gevolgd. Vooral de Ghosts of the Titanic-wandeling langs de rivier de Hudson staat haar nog goed bij. Dat was rond 2017, toen het nieuws gedomineerd werd door Trumps harde opstelling tegen vluchtelingen en andere immigranten. Die nieuwsberichten sloten perfect aan op de verhalen over immigranten die honderd jaar geleden naar New York probeerden te komen op een schip dat zijn ondergang tegemoet voer, zegt Biehl. Het was voor veel van de deelnemers een emotionele ervaring. ‘De tranen sprongen hun zowat in de ogen bij die verhalen over migratie.’

    GettyImages 1240483451
    De grootste kernramp ooit gebeurde op 26 april 1986 vlak bij de Oekraïense (toen nog deel van de Sovjet-Unie) steden Tsjernobyl en Pripjat. – © Hennadii Minchenko /  Ukrinform / Future Publishing via Getty Images

    Een van de redenen voor de populariteit van dit gruweltoerisme is dat het mensen helpt met het verwerken van alles wat ze om zich heen zien ‘nu de wereld dreigender en somberder wordt’, zegt Jeffrey S. Podoshen, hoogleraar marketing aan het Amerikaanse Franklin and Marshall College en gespecialiseerd in deze vorm van toerisme. ‘Mensen proberen die duistere kanten te begrijpen, dingen zoals de realiteit van dood en geweld,’ zegt hij. ‘Ze zien deze vorm van toerisme als een manier om zich daarop voor te bereiden.’

    Emotionele ervaring

    De Noorse Faarlund moet denken aan een reis die hij met zijn vrouw en hun twee zonen heeft gemaakt: een reis door Cambodja, waarbij ze ook een bezoek brachten aan de killing fields, waar onder de Rode Khmer van 1975 tot 1979 meer dan 2 miljoen Cambodjanen werden gedood of omkwamen van honger en ziekte. Zijn tweelingzoons van 14 hoorden de harde en ongekuiste verhalen over het martel-centrum van de Rode Khmer aandachtig aan. Op een gegeven moment moesten ze even naar buiten, waar ze een hele tijd zwijgend bij elkaar zaten. ‘Ze moesten het even verwerken,’ zegt Faarlund. ‘Dat was heel volwassen van ze.’

    Daarna hadden ze nog een ontmoeting met twee overlevenden van de Rode Khmer, een breekbare tachtiger en een negentigjarige. De tieners vroegen of ze hun een knuffel mochten geven en dat mocht, zegt Faarlund. Het was een aangrijpende reis, waarbij ze ook tempels bezichtigden, zoals de beroemde Angkor Wat in Siem Reap, en kikkers, oesters en inktvis aten bij een eetstalletje. ‘Ze vonden het fantastisch,’ zegt Faarlund. Maar hij ziet ze niet zo snel meegaan om te kijken naar Filipijnen die de kruisiging naspelen; ‘Ik denk dat ze daar toch voor bedanken.’ 

    Lees ook:

  • In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    Latijns-Amerikaanse schrijvers als Mónica Ojeda en Samantha Schweblin zijn belangrijke namen in een nieuw soort gothic literatuur. Hun ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ verbeeldt de terreur waar veel vrouwen van Mexico tot Argentinië dagelijks mee te maken hebben.

    ‘Ik ben een auteur van korte verhalen, dus ik ga het ook kort houden.’ Met deze woorden sprak de Argentijnse schrijver Samantha Schweblin afgelopen woensdag tegenover een New Yorks publiek haar dank uit bij de uitreiking van de National Book Award, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van de Verenigde Staten. Ze deelt haar prijs in de categorie vertaalde literatuur met Megan McDowell, die zorg droeg voor de Engelse vertaling van de winnende verhalenbundel Siete casas vacías (Seven Empty Houses, in het Nederlands vertaald als Zeven lege huizen).

    Het is al de derde prijs waarmee de schrijver zich dit jaar profileert. Bovendien is ze de eerste Argentijnse die de National Book Award wint sinds Cortázar dat in 1967 deed met Rayuela: een hinkelspel. Schweblin was echter niet de enige genomineerde Latijns-Amerikaanse schrijver: finaliste in dezelfde categorie was Mónica Ojeda uit Ecuador met haar roman Mandíbula (in het Engels vertaald als Jawbone). Al verschilt Schweblins stijl van die van Ojeda, Siete casas vacías en Mandíbula hebben veel gemeen: beide boeken ademen een ongewone sfeer waarin de horror flirt met het bovennatuurlijke maar ook deel uitmaakt van het verontrustende, gewelddadige dagelijkse leven van de personages. 

    GettyImages 846140432
    Voor de Calabiuza-parade tijdens de viering van de Dag van de Doden in San Salvador, El Salvador, schminken kinderen een doodshoofd op hun gezicht. Op deze feestdag worden precolumbiaanse tradities gecombineerd met de katholieke versie van Allerheiligen. – © Jan Sochor / Getty Images

    Schweblin en Ojeda zijn twee van de bekendere namen in een reeks Latijns-Amerikaanse schrijvers van wat Alejandra Amatto, onderzoeker aan de Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM) en coördinator van het Seminar over Fantastische Literatuur aan dezelfde instelling, typeert als niet-realistische literatuur. In het rijtje Latijns-Amerikaanse schrijvers met succes bij zowel de kritiek als het publiek en met speciale belangstelling voor ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ horen ook Mariana Enríquez, Liliana Colanza, María Fernanda Ampuero, Giovanna Rivero, Cecilia Eudave en Fernanda Trías thuis.

    Dagelijkse horror 

    ‘Sinds 2016 is niet alleen de belangstelling bij het lezerspubliek gegroeid, ook uitgeverijen publiceren en verspreiden inmiddels gretig het werk van diverse Latijns-Amerikaanse schrijvers,’ laat Alejandra Amatto aan elDiario.es weten. ‘In de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw vond een herijking van niet-realistische genres plaats die boven tafel brengen wat de ware dagelijkse vormen van terreur zijn voor ons als Latijns-Amerikaanse vrouwen,’ aldus de academica.

    Het gaat niet aan om zulke uiteenlopende schrijvers uit verschillende windstreken te reduceren tot een bepaalde generatie of een uitgeeffenomeen, maar Mónica Ojeda (Guayaquil, 1988) is het met Amatto en andere door elDario.es geïnterviewde schrijvers eens dat de laatste jaren een groter onthaal ten deel viel aan literatuur ‘waarin wordt gewerkt met angst’. ‘Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat we leven in een wereld die steeds angstaanjagender wordt en dat we die benaderen vanuit nieuwe invalshoeken, bijvoorbeeld vanuit de angst voor raciaal of seksueel geweld,’ licht ze telefonisch toe. Voor Ojeda zit het bijzondere van de Latijns-Amerikaanse schrijvers in het feit dat ze ‘de angst via de geografie belichten’. ‘Omdat onze geografie vanuit het globale noorden altijd als een perifere en marginale plek is gezien, brengen we de lezers iets nieuws waar ze tevoren geen weet van hadden. Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald, daarom levert de beschrijving ervan overal een andere filosofie van de angst op,’ benadrukt ze.

    Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald

    Deze geografische component van de angst krijgt zorgvuldig gestalte in uiteenlopende thematische interesses: Enríquez schrijft over vormen van staatsterreur die te maken hebben met de dictatuur in Chili, Argentinië en Uruguay, Colanzi behandelt de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de landonteigening die veel inheemse groeperingen treft in landen als Bolivia, en auteurs als Ojeda of Ampuero richten zich op patriarchale vormen van geweld in de intiemere, familiaire context, die niettemin verbonden is met de realiteit van Ecuador. ‘Het is niet alleen een thematisch maar ook een structureel perspectief, dat kan worden beschouwd vanuit de context van het genre en van de Latijns-Amerikaanse geografie, maar de reikwijdte is universeel: schrijvers als Enríquez zijn in meer dan vijftig landen vertaald,’ aldus Amatto. 

    Ojeda wijst er ook op dat veel van haar tijdgenoten ‘schrijven over angst en terreur maar niet per se vanuit het genre’. Amatto is het met haar eens en beaamt dat deze Latijns-Amerikaanse schrijvers uit de niet-realistische hoek de mechanismen van het kwaad doorgronden zonder de klassieke parameters van het genre te hoeven volgen, en zich bovendien laten inspireren door nationale en regionale esthetische tradities – de fantastische literatuur van Argentinië, de gothic van de Andes of de ‘zonderlinge’ literatuur van Uruguay – met thematische en esthetische overlappingen.

    GettyImages 1179293733
    © Jan Sochor/Getty Images

    ‘Deze schrijvers werken niet vanuit afgebakende genres en de kritiek moet altijd waken om niet alles over één kam te scheren; zo kunnen we in het geval van Mariana Enríquez denken aan fantastische, angstaanjagende teksten, en in dat van Lilianza Colanzi zie je een mix van Andes-elementen en sciencefiction,’ specificeert de onderzoekster van de UNAM.

    Herontdekt

    Elena Garro, Amparo Ávila, Inés Arredondo, Armonía Sommers en Silvina Ocampo zijn enkele van de Latijns-Amerikaanse schrijvers die zich in de twintigste eeuw bezighielden met horror en fantastische en speculatieve thema’s en nu worden herontdekt door nieuwe generaties schrijvers en vrouwelijke academici. ‘Het genre was vanaf het begin moeilijk in kaart te brengen en werd als minderwaardig beschouwd omdat daarin vanzelfsprekend de dominante maatschappelijke thema’s en codes worden gemeden of juist uit diverse hoeken en percepties worden bevraagd,’ zegt Lola Ancira (Querétaro, 1987), een van de schrijvers die in het Latijns-Amerikaanse panorama uitblinkt met boeken als Despojos of El vals de los monstruos. ‘Ik juich alles wat er rondom door vrouwen geschreven genrefictie gebeurt enorm toe, want die werd decennialang niet erkend of serieus genomen.’

    De Mexicaanse Laura Baeza (1988, Campeche), die in haar verhalenbundel Una grieta en la noche Mexico-Stad gebruikt als spookachtig decor, denkt dat het succes van de Latijns-Amerikaanse schrijvers met hun niet-realistische werk ‘verder gaat dan een historische rechtzetting of een uitgeeffenomeen, maar te maken heeft met hun kwaliteit. ‘Overigens,’ zegt ze, ‘juich ik het toe dat velen bij onafhankelijke uitgeverijen publiceren. Ook de migratie verbindt ons. Er is nog geen aanduiding voor de schrijvers van Midden-Amerika tot aan de grens met de Verenigde Staten, en we moeten het ook hebben over Guatemala, over Belize, over de grens vanuit het specifieke oogpunt van de terreur.’

    ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd’

    ‘Wij zijn de erfgenamen van een Latijns-Amerikaanse literatuur waarin het fantastische genre heel belangrijk was en groeiden op in een tijd waarin zich de democratisering van de film en de popcultuur voltrok, met alle gruwelverhalen van dien,’ verklaart María Fernanda Ampuero (Guayaquil, 1976), die in de verhalenbundels Pelea de gallos en Sacrificios humanos huiselijk geweld en vrouwenmoorden aankaart met een stijl die zowel bloederig als poëtisch kan zijn. ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd, sinds onheuglijke tijden is er die maatschappelijke bezorgdheid die niet te maken heeft met een satanische idee-fixe maar met wat ons in het echte leven overkomt, en ik gebruik dat mechanisme, dat ik goed ken, om over onze tijd te spreken.’

    Ojeda schrijft naar eigen zeggen niet om maatschappelijke thema’s aan te kaarten, want voor haar ‘is de literatuur geen middel maar een doel op zich’, wat niet betekent dat zij of andere schrijvers als zij hun ogen sluiten voor bepaalde misstanden in Latijns-Amerika, zoals de vrouwenmoorden, de verdwijningen en andere gewelddaden die in het bijzonder vrouwen treffen. ‘Ik voel dat ik veel gemeen heb met schrijvers die de angst, het geweld en de pijn voelbaar willen maken. Ik weet niet of je kunt spreken van een generatie, maar ik zie wel overeenkomsten qua interesses, al vind ik het vooral boeiend om de verschillen en het eigene van iedere blik binnen een collectief te herkennen,’ aldus Ojeda. ‘Het lijkt me niet goed om de eigenaardigheden van bepaalde schrijvers te verdoezelen om ze maar te laten passen in een bepaald frame.’

    Verwantschap

    Baeza zegt zich juist onderdeel te voelen van ‘een generatie die zich voedt met andere generaties’. Eerder heeft ze de roman Niebla ardiente gepubliceerd met de gruwelijke vrouwenmoorden in Mexico als uitgangspunt, maar de bundel Una grieta en la noche is haar eerste horrorboek. In een land waar iedere dag tien vrouwen worden vermoord blijft Baeza schrijven over femicide, want ‘dat is waarmee ik iedere dag wakker word’. ‘Maar,’ zegt ze, ‘ik moest daarvoor wel de werkelijkheid vervormen, en die vrijheid heb ik binnen dit genre en het korte verhaal, dat voor mij een onuitputtelijk laboratorium is.’

    ‘Ik voel verwantschap met een heleboel andere Latijns-Amerikaanse schrijvers wat hun zoektocht betreft, maar niet qua resultaat. Ieder van ons volgt een eigen weg, de een schrijft realistisch, de ander schept een complete kosmogonie,’ benadrukt María Fernanda Ampuero. Los van het strikt literaire voelt ze zich als vrouw met andere Latijns-Amerikaanse schrijfsters verbonden in de aanklacht: ‘Wij zijn bang, wij maken ons grote zorgen om het geweld tegen vrouwen en meisjes, tegen het ecosysteem, tegen de inheemse gemeenschappen die de strijd aangaan met grote ondernemingen, en dat komt vanzelfsprekend in de literatuur terecht.’

    La creacion de las aves Remedios Varo 2
    In La creación de las aves combineert de Mexicaanse surrealistische schilder Remedios Varo een hoge dosis surrealisme, symboliek en fantasie. Een vreemd wezen, een kruising tussen uil en mens, gebruikt wetenschap en magie om verschillende vogels te creëren. – © Museo de Arte Moderno de México

    Er is weliswaar een lange rij van in de jaren zestig, zeventig of begin tachtig geboren schrijvers die volledig door de kritiek en de lezers zijn omarmd, maar er zijn ook schrijvers die nu doorbreken en aandachtig naar de vorige lichting kijken. Alicia Mares (1996) en Andrea Chapela (1990), beiden uit Mexico, publiceerden onlangs in Spanje hun verhalenbundels Cocodrilario (uitgegeven door Horror Vacui) en Ansibles, perfiladores y máquinas de ingenio (uitgegeven door Almada). Mares gebruikt lijfelijke, brute horror die direct is terug te voeren op bijvoorbeeld Ojeda’s stijl, terwijl Chapela in verschillende van haar verhalen een apocalyptisch en hypertechnologisch Mexico oproept.

    ‘Al spelen mijn verhalen in Tlaxcala, Tijuana of Veracruz, wat ik beschrijf is een terreur die zich afspeelt in een intiem bestek, binnen de vier muren van een huis, in een gemeenschap,’ vertelt Mares, terwijl ze als haar grote voorbeelden onder andere de verhalenbundel Las voladoras van Mónica Ojeda noemt en meer schrijvers uit de Andes, zoals Giovanna Rivero. Mares maakt deel uit van een generatie die veel van haar literaire voorbeelden heeft leren kennen via sociale media, wat voor Amatto het succes verklaart van deze schrijvers, die met hun volgers in gesprek zijn en in real time berichten delen, een manier om literatuur buiten academische en specialistische kringen te verspreiden.

    Eigen stijlmiddelen

    Lola Ancira komt nog met namen als Viridiana Carrillo, Magdalena López en Yesenia Cabrera, ‘die het genre ieder voor zich benaderen vanuit eigen perspectieven en met eigen stijlmiddelen’. ‘De nauwste band die ik voel met andere schrijvers van mijn generatie betreft het onheilspellende en lichamelijke: linksom of rechtsom komt de vrouwelijke lichamelijkheid in ons werk aan bod,’ meent ze. ‘En ook het vraagstuk van het afwijkende moederschap. Thema’s die tot voor kort te intiem en onbeduidend werden gevonden, terwijl juist het intieme eigenlijk het publieke verandert.’

    De canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen

    Het is een feit: de canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen. Schweblin wilde het in haar dankwoord dan misschien kort houden, maar zowel zij als vele andere Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben nog een lange weg te gaan. ‘Wat ik belangrijk vind is dat we elkaars werk lezen, ik leer van degenen die er waren, die er zijn, en die net komen kijken,’ aldus Laura Baeza. En Ojeda acht de speculatieve, horror-gerelateerde literatuur niet alleen waardevol om ‘je eigen tijd goed te lezen, maar ook om te anticiperen op de toekomst’. ‘Interessant voor Latijns-Amerika is dat vele schrijvers zich via deze genres afwenden van de richtsnoeren van het globale noorden en naar binnen kijken, naar wat hen omringt: ze distantiëren zich van de canon die is geschreven door witte mannen en gaan nadenken over hoe het bij henzelf toegaat – speculatieve fictie op een andere plek, dat is het echt interessante,’ concludeert ze.