Volgens historicus Yuval Noah Harari omvat onze identiteit zoveel meer dan tegenwoordig vaak wordt aangenomen. ‘Als je je richt op slechts één deel ervan en je inbeeldt dat dat het enige is wat telt, zul je niet begrijpen wie je werkelijk bent.’
Vraag je je af wie je bent, waar je vandaan komt en wat je identiteit is? Ieder mens waagt zich aan deze belangrijke en boeiende zoektocht. Maar het kan ook gevaarlijk zijn. Als ik mijn identiteit op een duidelijke manier probeer af te bakenen, sluit ik anderen mogelijk buiten. Ik zou tot de conclusie kunnen komen dat mijn identiteit wordt bepaald door het feit dat ik tot één specifieke groep mensen behoor, en daardoor alle aspecten van mijn leven negeren die niet te rijmen zijn met die indeling.
De mens is echter een ongelofelijk complex wezen. Als je je richt op slechts één deel van je identiteit en je inbeeldt dat dat het enige is wat telt, zul je niet begrijpen wie je werkelijk bent. Voor mij als Jood is het bijvoorbeeld duidelijk dat de Joodse geschiedenis en cultuur belangrijke onderdelen van mijn identiteit zijn. Maar de Joodse geschiedenis is lang niet genoeg om te verklaren wie ik ben. Ik ben opgebouwd uit allerlei elementen die overal vandaan komen.
Ik houd van voetbal, dat heb ik van de Britten. Zij hebben het spel uitgevonden. Dus als ik een bal in het doel schiet, ben ik een beetje Brits. ’s Ochtends drink ik graag koffie. Dat heb ik te danken aan de Ethiopiërs, die het drankje ontdekten, en de Arabieren en Turken, die het over de hele wereld verspreidden. Ik zoet mijn koffie graag met een lepel suiker, dankzij de Papoea’s, die meer dan achtduizend jaar geleden in Nieuw-Guinea suikerriet domesticeerden. Soms leuk ik mijn koffie op met een stuk chocolade, waardoor ik in verbinding sta met de tropische wouden van Midden-Amerika en het Amazonegebied, waar inheemse Amerikanen mogelijk vijfduizend jaar geleden al begonnen cacao te verbouwen.
Sommige Joden houden niet van voetbal, drinken geen koffie en mijden suiker en chocolade. Toch hebben ook zij veel te danken aan andere culturen. Het Hebreeuws, de heilige taal van het jodendom, heeft veel van zijn woorden, zinnen en basisstructuren ontleend aan andere talen, zoals het Fenicisch, Akkadisch, Grieks, Arabisch en vooral Aramees. Grote delen van het Oude Testament zijn niet in het Hebreeuws geschreven, maar in het Aramees, evenals grote delen van de Misjna, de Talmoed en andere belangrijke joodse teksten. De oude Arameeërs vereerden de god Haddad in plaats van Jehova en doodden verscheidene Joodse koningen. Maar Aramese elementen zijn moeilijk weg te denken uit de Hebreeuwse taal en de Joodse cultuur. Tijdens de rouw bidden orthodoxe joden het Kaddisj-gebed, dat uit Aramese klanken is opgebouwd. Zo’n vijfentwintighonderd jaar geleden verruilden de joden hun eigen Hebreeuwse schrift voor het Aramees, wat tot op de dag van vandaag wordt gebruikt in onder andere de Thora, de Talmoed en in dagbladen.
Code
Meer in het algemeen hebben we de uitvinding van het schrift niet te danken aan de Arameeërs, maar aan de oude Sumeriërs. Duizenden jaren voordat de eerste Jood leefde, verzonnen een paar Sumerische studiebollen iets slims: ze gebruikten een stok om tekens in een stuk klei te kerven. Voor deze tekens bedachten ze een code en ze creëerden de schrijftechnologie die ons uiteindelijk boeken, kranten en websites opleverde.
Het jodendom keek niet alleen voor de taal en het schrijfsysteem buiten de deur, maar ook voor een aantal centrale, religieuze vraagstukken. Zo staat bijvoorbeeld nergens in de Thora vermeld dat de mens een eeuwige ziel heeft die in het hiernamaals gestraft of beloond zal worden. Dat was duidelijk geen essentieel onderdeel van het bijbelse jodendom. De God van het Oude Testament belooft de mensen nergens dat ze, als ze zijn geboden gehoorzamen, eeuwige gelukzaligheid in de hemel zullen genieten, en dreigt nergens dat ze, als ze zondigen, voor eeuwig in de hel zullen branden. Dat het jodendom centrale, religieuze vraagstukken van externe bronnen heeft afgekeken, is dus eigenlijk te voorzichtig geformuleerd. In feite zijn centrale, religieuze overtuigingen ook buiten de eigen traditie ontstaan.
Het jodendom nam het geloof in het eeuwige leven voornamelijk over van de Griekse filosofie van Plato en de Perzische religie van het Zoroastrisme. Aan de Perzen ontleenden de joden ook het concept van de duivel en de Messias. Het merendeel van wat ons in leven houdt en alles de moeite waard maakt – van voeding tot filosofie, van geneeskunde tot kunst – is niet uitgevonden door een specifiek volk, maar door mensen van over de hele wereld. Dit geldt niet alleen voor Joden, maar voor alle mensen.
Iemand die Afrikaanse culturen wilde beschimpen, vroeg ooit laatdunkend: ‘Wie is de Tolstoj van de Zoeloes?’ Deze persoon leek te geloven dat geen enkele Afrikaanse cultuur – hetzij Zoeloe, hetzij welk Afrikaans volk dan ook – literaire werken heeft voortgebracht die vergelijkbaar zijn met Tolstojs Oorlog en Vrede of Anna Karenina. Ralph Wiley, een Afro-Amerikaanse journalist, had op deze uitdaging een eenvoudig antwoord. Hij kwam niet aanzetten met een lijst Zoeloe-auteurs, zoals Benedict Wallet Vilakazi, Mazisi Kunene of John Langalibalele Dube. Evenmin benadrukte hij dat Afrikaanse auteurs als Chinua Achebe, Chimamanda Ngozi Adichie of Ngũgĩ wa Thiong’o even goed waren als westerse. Wiley omzeilde de valstrik volledig: in zijn boek Dark Witness schreef hij dat ‘Tolstoj de Tolstoj van de Zoeloes is – tenzij je het nuttig vindt om je universele, menselijke kwaliteiten toe te eigenen en die als stambezit te beschouwen’.
Tolstoj spreekt over gevoelens, vragen en inzichten die even relevant zijn voor mensen in Durban en Johannesburg als voor die in Moskou en Sint-Petersburg
Tolstoj is in tegenstelling tot wat fanatieke racisten en hardcore muggenzifters van ‘culturele toe-eigening’ beweren, niet het exclusieve eigendom van de Russen. Hij is van alle mensen. Zelf is Tolstoj sterk beïnvloed door de ideeën van buitenlanders als de Fransman Victor Hugo en de Duitser Arthur Schopenhauer, om nog maar te zwijgen van Jezus en Boeddha. Tolstoj spreekt over gevoelens, vragen en inzichten die even relevant zijn voor mensen in Durban en Johannesburg als voor die in Moskou en Sint-Petersburg.
Tweeduizend jaar geleden schreef de Afrikaans-Romeinse toneelschrijver Terentius, een vrijgemaakte slaaf, iets vergelijkbaars: ‘Ik ben een mens, en niets menselijks is mij vreemd.’ Ieder mens is een erfgenaam van de hele menselijke schepping. Mensen die in hun zoektocht naar identiteit hun wereld reduceren tot de geschiedenis van één enkele natie keren hun menselijkheid de rug toe. Ze veronachtzamen wat ze delen met alle andere mensen. En ze veronachtzamen iets nog veel diepers. Alle uitvindingen en ideeën die de mens de laatste paar duizend jaar tot wasdom heeft gebracht, zijn slechts de bovenlaag van wie wij zijn. Onder die korst, in de diepten van je lichaam en je geest, bevinden zich vele lagen die zich in miljoenen jaren hebben ontwikkeld, lang voordat er überhaupt mensen waren. Dit diepe mysterie manifesteert zich in alles wat ik voel en denk. Om te begrijpen wie ik ben, moet ik me openstellen voor dit mysterie en het onderzoeken. Ik moet geen genoegen nemen met een verhaal dat me koppelt aan een stam die een paar duizend jaar op een paar heuvels bij een rivier heeft geleefd.
Vlinders
Denk bijvoorbeeld aan onze paringsrituelen. Wat voel je als je iemand ziet die je aantrekkelijk vindt, als je voor het eerst iemands hand vasthoudt, als je voor het eerst met iemand zoent? Denk aan die achtbaan van emoties, de hoop en de angst, de vlinders in de buik, de stijgende lichaamstemperatuur en de versnelde ademhaling. Wat zijn dat toch voor verschijnselen, waaraan schrijvers en zangers al eeuwenlang aandacht besteden?
Deze zijn niet uitgevonden door Joden, Arameeërs, Russen of Zoeloes. Sterker nog: ze zijn helemaal niet uitgevonden door mensen. De evolutie heeft ze in miljoenen jaren gevormd, en je deelt ze niet alleen met alle andere mensen, maar ook met chimpansees, dolfijnen, beren en vele andere dieren. Religieuze rituelen zoals de joodse bar mitswa of de christelijke eucharistie zijn hooguit tweeduizend jaar oud en verbinden de huidige generatie met ongeveer honderd generaties daarvoor. Rituelen bij zoogdieren zijn daarentegen tientallen miljoenen jaren oud en verbinden je met miljoenen voorgaande generaties zoogdieren en zelfs met voorouders vóór de zoogdieren.
Als ik mijn identiteit beperk tot een bepaalde groep mensen, dan ga ik aan dat alles voorbij. Dan laat ik weinig ruimte over voor voetbal en chocolade, voor Aramees en Tolstoj, of zelfs voor romantiek. Wat overblijft, is een bekrompen stamverhaal dat in de strijd om identiteitspolitiek een effectief wapen kan zijn, maar ook een hoge prijs heeft. Zolang ik me vasthoud aan dat bekrompen verhaal, zal ik nooit de waarheid over mezelf kennen.
De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams vindt dat we afstand moeten nemen van rassencategorieën die voortkomen uit ‘plantagelogica’. ‘We zullen racisme nooit helemaal overstijgen zolang we in deze categorieën geloven‘, aldus Chatterton Williams die zichzelf – als kind van een zwarte vader en een witte moeder –, als ‘ex-zwart’ beschouwt.
De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williamswordt in Parijs wel eens aangezien voor Algerijn. Hij woont er met zijn Franse vrouw en twee kinderen, die beide blonde krullen hebben.
De geboorte van zijn dochter Marlow, zes jaar geleden, veroorzaakte bij hem onverwachte paniek. Wat betekende het dat hij, die zichzelf destijds identificeerde alszwarte man die altijd de tweedeling zwart-wit had aanvaard, een kind had dat als wit zou worden gezien?
In eerste instantie betekende het dat hij camerafilters zou toepassen om haar huid donkerder te maken – zodat ze erbij hoorde, bij hem en bij het ras. Uiteindelijk betekende het dat hij zichzelf vragen ging stellen die diep genoeg gingen om de manier waarop hij zichzelf zag te veranderen. Wat betekent het om tot een ras te behoren dat voor zwarte mensen deels de ‘loyaliteit aan pijn’ met zich meebrengt? En hoezo zou zijn dochter zwarter zijn als hij deze erfenis aan haar doorgaf?
Hele opgave
In zijn tweede boek, Self-Portrait in Black and White, roept hij ons op om na te denken over waarom we rascategorieën handhaven die zijn gedefinieerd ‘met behulp van plantagelogica’ en moedigt hij ons aan om de willekeurige nomenclatuur helemaal af te schaffen. Hij stelt voor dat we ons ‘terugtrekken uit ras’, ‘ras overstijgen’, ‘ras afleren’ – wat weer iets anders is dan het stadium van ‘postracialiteit’ bereiken. Het is een hele opgave, geeft hij toe.
Omdat we allebei een gemengde achtergrond hebben en opgroeiden met één zwarte ouder en één witte, denkt Chatterton Williams dat hij en ik een voorsprong hebben bij het wegnemen van de barrières die het concept ras met zich meebrengen. We herinneren ons allebei de eerste keer dat we door een vreemdeling werden ‘geracialiseerd’ en daarmee dus ook werden gescheiden van onze witte ouder, en hoe we vanaf dat moment constant nadachten over ras.Voor hem uitte dit zich vooral in het onderzoeken van het kunstmatige karakter ervan.
Op de campus van Bard College, een privé-universiteit in de staat New York, waar hij dit najaar de vierweekse cursus ‘Kunnen we ons terugtrekken uit ras?’ onderwees, bespraken we het voorrecht van witheid of wat daarbij in de buurt komt, ofhet te veel van zwarte mensen vergt om ras los te laten en toch trots te blijven op een identiteit die is ontstaan tegen een achtergrond van systematische onderdrukking en, ten slotte, waarom hij optimistisch is over de veranderingen in de toekomst.
Als u ex-zwart bent, wat bent u dan nu?
‘Ik probeer specifiekere manieren te vinden om mezelf te identificeren. Dus ik zou zeggen dat ik een Amerikaan ben. Ik stam af van zuidelijke slaven, en van moeders kant stam ik af van Noord-Europese protestantse immigranten. Ik bedoel niet te zeggen dat ik een witte man ben.’
U zegt dus dat u niet ex-zwart bent geworden omdat u genoeg had van wat ik heb geleerd ‘zwart’ te noemen, of omdat u wilde dat uw dochter deel zou uitmaken van wat ik heb geleerd ‘wit’ te noemen. U wilt haar waarschijnlijk niet dwingen zich als wit te identificeren.
‘Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen’
‘Dat zou het ergste scenario zijn. Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen: een mislukking van ons ouders, een mislukking voor het hele gezin.’
Dus u wijst de termen af omdat ze niet volledig weergeven wie u en uw dochter als persoon zijn. Maar dat wisten we toch al?
‘Nee. Niet iedereen.’
Misschien komt het doordat ik gemengd ben of omdat ik zo veel met ras bezig ben, maar als mensen zeggen dat ze zwart zijn, schrijf ik ze niet vanzelf bepaalde eigenschappen toe.
‘Ik denk dat u en ik waarschijnlijk buiten de norm vallen.
Tijdens het schrijven van het boek, terwijl ik ondertussen werkte aan een lang artikel voor The New Yorker en een aantal rasechte racisten interviewde, dacht ik: O God. Wat heb ik gedaan? Ik heb de zwartheid in mijn familie om zeep geholpen, en zelfs: Dit is verloren. Dit gaan we niet meer op kunnen lossen.
‘Zolang die categorieën als zwart of wit worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken’
Door mijn gesprekken met racisten realiseerde ik me dat we racisme nooit helemaal zullen overstijgen zolang we in deze categorieën geloven. Zolang die categorieën worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken die jij, Summer, er niet uit trekt.’
Denkt u dat lichtere zwarte mensen, en vooral gemengde mensen zoals wij, het voorrecht hebben om zelfs maar het idee te koesteren ras te kunnen ‘afleren’? Zou het moeilijker zijn voor zwarte mensen met een donkere huidskleur?
‘Ik denk dat het gemakkelijker is voor mensen die op de een of andere manier gemengd zijn, maar ik werd zeer geïnspireerd door een man, Kmele Foster, die zichzelf een rasafvallige noemt. Hij zei dat hij van alles is… Hij heeft een donkere huidskleur maar weigert zich te identificeren met de term ‘zwart’. Hij ziet er het nut niet van in. Ik ben het daarover met hem eens en anderen lachen hem erom uit. Hij heeft een soort zelfbewustheid die velen denk ik niet goed begrijpen.’
U hebt ook nogal een verleden met Ta-Nehisi Coates…
‘Ik heb veel over hem geschreven.’
En u hebt gezegd dat hij op witte suprematie aanstuurt.
‘Nee, hij stuurt er niet op aan, maar in mijn ogen ziet hij witheid als iets speciaals, waarmee hij patronen waarvan ik weet dat hij ze wil bestrijden, juist uitvergroot. Wat ik bedoel te zeggen is dat witte suprematisten ook vinden dat ze speciaal zijn. Ze zijn het daar niet mee oneens. Coates is bovendien ambivalent over de vraag of zwartheid iets essentieels is, of iets kunstmatig.’
In zijn boek Between the World and Me staat deze passage: ‘Misschien betekende “zwart” gewoon dat je je onderaan de ladder bevond… Er was niets nobels aan vallen, gebonden zijn, onderdrukt leven, zwart bloed had geen inherente betekenis.’ Dat lijkt overeen te komen met waar u het over hebt.
‘Helemaal mee eens. Maar hij beweegt twee kanten op. Zijn kritiek op Kanye West kwam er volgens mij op neer dat Kanye West een niet-authentieke, kunstmatige zwarte man is… Dat hij aan zwartheid heeft ingeboet, wat volgens mij zeer gevaarlijk is om te zeggen, omdat het in feite zegt…’
Dat er één manier is om zwart te zijn.
‘Ja. En dat er mensen zijn die dat beslissen en erover oordelen.’
U zegt in uw boek ook dat Coates een pessimistische blik heeft. U beschrijft een scène uit zijn boek waarin een witte vrouw zijn zoon een duw geeft en hij in de ogen van sommigen agressief reageert, zo van: ‘Dit is overduidelijk racistisch en…’
‘En hij zei dat hij dit voorval eeuwen geschiedenis met zich meedroeg.’
Precies. U schrijft dat hij overdreven reageerde en geen ruimte liet voor de mogelijkheid dat deze vrouw gewoon een slechte dag had. Komt dat dus door pessimisme? En is uw idee om van ras af te stappen dan optimistisch?
‘Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken’
‘Ik denk dat je optimist moet zijn. Ik durf te zeggen dat ik James Baldwin bijna letterlijk parafraseer als ik zeg dat je geen andere keus hebt dan optimist te zijn, zolang je leeft en schrijft en streeft naar een betere wereld. Ook als ouder zou ik zeggen dat ik geen andere keus heb dan optimist te zijn. In mijn boek gebruik ik het woord “naïef”. Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken. Als ik Marlow zou vragen om jou te beschrijven, zal ze zeggen: “Summer draagt een beige jasje. Dat is het belangrijkste verschil tussen haar en het meisje in het roze overhemd.”
Ik geloof dat ik die naïviteit wil terugwinnen en ik moet wel optimistisch zijn om te geloven dat die verandering mogelijk is. Als ik pessimistisch was, zie ik niet in hoe ik zou kunnen schrijven. Snapt u? Je moet erin geloven dat je iemand bereikt.’
U schrijft in het boek dat u aan de posts op Facebook van uw witte vrienden merkt dat het ze het vervelend vinden dat ze wit zijn…
‘Ja. Ze voelen zich bezwaard.’
Moeten ze dat om van ras af te stappen demonstratief uiten, of in het echt?
‘Witte mensen zijn in feite het grootste deel van de recente geschiedenis in Amerika aangemoedigd om zichzelf te beschouwen als losstaand van ras. Ook witte mensen hebben een ras. Ze moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen.
‘Ook witte mensen moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen’
Zwarte mensen hebben altijd met ras te maken gehad. We zijn er nooit los van gekomen, maar het is geen zwart onderwerp. Daarom raak ik gefrustreerd als mensen vragen: “Met wie wil je in het panel [over je boek] praten? Wie zou het moeten beoordelen?” Dit is geen zwart boek. Het is niet niet een zwart boek. Ik heb het hier over veel “zwarte” dingen, maar ik zou hierover met Aziatische mensen moeten praten, ik zou een Latino-gesprekspartner kunnen hebben, ik zou een witte gesprekspartner moeten kunnen hebben, want dit is geen onderwerp dat alleen mensen van kleur aangaat, terwijl de witten in het publiek zitten en toekijken.
Ik wil het hierover hebben met iedereen wiens ras oorsprong heeft in Amerika. Met iedereen dus.’
U gebruikt in het boek de metafoor van een vrouw die wordt aangereden door een auto. Wat de chauffeur ook kan doen om te helpen, haar medische rekeningen te betalen of wat dan ook, het is aan haar om zichzelf te genezen. Is dat wat zwarte mensen moeten doen om ras af te leren?
‘Ik denk dat het afleren van ras voor zwarte mensen erop neerkomt te zeggen dat zwartheid niet echt is, dat ras niet echt is. Ik word in Amerika als zwart beschouwd, een categorie die mijn familie al generaties lang pijn doet maar ook buitengewone culturele bijdragen heeft voortgebracht waar ik trots op ben. Maar het is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen.‘
Hoe houden we vast aan het gegeven dat, onder andere dankzij zulke bijdragen, de wereld zoveel saaier zou zijn als er geen zwarte mensen waren? Hoe kunnen we vasthouden aan dat idee, en tegelijkertijd ras loslaten?
‘Volgens mij doe ik dat voortdurend. Ik luister nog steeds naar Gunna of Lil Baby, en zij hebben een culturele relevantie voor mij. Ik luister naar John Coltrane. Zelfs in een zwarte Britse schrijver als Zadie Smith vind ik iets van herkenning, en als ik naar schilderijen van Kerry James Marshall kijk merk ik zijn zwartheid op. Maar ik denk niet dat ik daarvoor hoef te geloven dat het een biologische realiteit is. Het is een gemeenschap van mensen die in de loop van de tijd in de nieuwe wereld bepaalde ervaringen en omstandigheden hebben meegemaakt, en zij creëerden culturele tradities die door veel mensen die op hen leken, werden overgenomen.’
Wat is volgens u de belangrijkste kritiek die u op het boek zult krijgen, en met name van zwarte mensen?
‘De ergste kritiek zou stilte zijn, wat een absolute nachtmerrie is als je zo hard werkt en zo serieus nadenkt over een vraag. De angst van de schrijver is dat mensen het niet openslaan.
‘Zwartheid is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen’
Maar ik verwacht zeker kritiek en dat zal ongetwijfeld pittige zijn. Mensen denken dat nu ik “wit” ben getrouwd en comfortabel in Parijs woon niks te maken heb met zwarte problemen, ook al is de realiteit altijd gecompliceerder dan het lijkt. In zag reacties op een fragment van het boek in The New York Times. “Zijn kinderen zijn wit en hij is een heel lichte zwarte man met een witte vrouw. Hij nam de beslissing om een witte vrouw te trouwen.” Dat is een soort minachting die, denk ik, niet serieus neemt waar ik aan probeer te werken.’
Als ik dit boek zou schrijven, dan zou ik me zorgen maken dat ze me een verrader zouden noemen. Dat ze zouden denken dat ik witten hun gang laat gaan door te zeggen: ’Fuck dat allemaal. Laten we dit allemaal achterwege laten.’
‘Ja, daar speel ik in het boek een beetje op in. Ik probeer dit punt naar voren te brengen… Als je in een impasse zit als je elkaar wilt passeren maar je blijft allebei bewegen, dan moet één iemand als eerste bewegen, of juist niet bewegen. Dan kan de ander eromheen.
‘Ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen’
Ik denk dat we in een soort impasse zitten die ons volledig in beslag neemt. We kijken achteruit. Ik denk niet dat het verkeerd is om terug te kijken, maar ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen. Zwarte mensen zijn ook de mensen die…’
Vergeven.
‘Ja. Misschien is dat niet eerlijk, maar dat verandert mijn gedachten niet. Want ik denk dat iedereen helpt, ook de zwarten. En ik denk niet dat het idee dat ook witten er iets uit halen het voor zwarten verpest, zolang zij ook een betere toekomst krijgen. Begrijp je? Ik ben er niet voor de witten ter verantwoording te roepen, vergelding te vragen. Is herstel nodig? Waarschijnlijk wel. Is er sprake van herstel? Voor sommige zwarten wel. Is dat genoeg? Het meest overtuigend vond ik het werkelijk spectaculaire artikel van Ta-Nehisi Coates, The Case for Reparations.
Ik hou van dat artikel. Ik denk niet dat het in tegenspraak is met verder willen en het pessimisme kwijtraken. Ik denk dat witten heel veel zullen moeten doen, maar het is haast passend als zwarte daarin voorgaan. Sommigen zullen zeggen: “Wij hoeven hier niet het werk te doen of u te leren hoe u uw werk moet doen.” Maar waarvoor zijn we hier? We willen een betere wereld. En dit is eigenlijk juist bewonderenswaardig werk. Snapt u dat?’
In het neoliberale kapitalisme wordt flexibiliteit, het vermogen je aan te passen, hoog gewaardeerd. De slasher voert dat tot in het extreme door.
Mariana Cáceres is illustrator/tatoeëerder en Gonçalo Vicente noemt zich personal trainer/osteopaat/opleider. Soraia Tomás is verpleegkundige/dj en Filipa Costa is logopedist/danseres. Ze zijn rond de dertig en hebben meer dan één professionele identiteit. Wie behoort tot de zogenaamde slash-generatie – in China een waar fenomeen – vindt ervaringen belangrijker dan carrière of kijkt eerder naar een bedrijfsmissie dan naar status. Maar in tijden van crisis kan het ook een alternatief bieden.
Ze tekende altijd al graag. Mariana Cáceres (28) overwoog om architectuur of design te gaan studeren en volgde zelfs een cursus restauratie, maar koos uiteindelijk voor de designopleiding aan de faculteit voor beeldende kunst van de Universiteit van Lissabon, terwijl ze in diezelfde tijd bij instituut Ar.Co het illustreren en striptekenen ontdekte. Tatoeëren kwam er later bij. Illustrator/tatoeëerder worden was niet haar ambitie, het gebeurde gewoon. Via een vriend kwam ze in een tatoeagestudio. ‘Je maakt leuke tekeningen, wil je leren tatoeëren?’ werd haar gevraagd. ‘Zo is het begonnen, uit het niets.’
‘Ik had het niet verwacht, nu nog denk ik weleens: wat tatoeëer ik veel!’ vertelt ze. Ze heeft een eigen stijl, een lijnvoering die haar onderscheidt, of het nu op een poster, in een krant of met het menselijk lichaam als ondergrond is. Vier jaar geleden stopte ze met het parttimewerk in cafés en restaurants dat ze had om haar rekeningen te kunnen betalen. Ze is echter niet van plan om te kiezen tussen illustratie en tatoeage. Ze maakt deel uit van een generatie voor wie het verlangen om ‘meerdere dingen te doen’ en ‘te experimenteren’ bij het leven hoort – maar financiële onzekerheid ook.
Plan B
‘We hebben bijna allemaal wel een slash. Het is heel moeilijk om alleen van het illustreren of tatoeëren te leven,’ legt Cáceres uit. Als je geen vaste baan of contract hebt, geeft een tweede professionele identiteit een beetje vrijheid en een mogelijk plan B om op terug te vallen. De afgelopen jaren kon ze dankzij het tatoeëren veel reizen en werken in steden als Berlijn – uitwisselingen tussen tatoeagestudio’s komen veel voor – maar in 2020 was het al een hele uitdaging om de lockdown te overleven. ‘Vanwege de pandemie gingen de studio’s dicht. In die tijd ben ik weer meer gaan illustreren,’ vertelt ze.
De term ‘slasher’ werd ruim tien jaar geleden voor het eerst gebruikt in de context van meervoudige professionele identiteiten: het begrip werd in de Verenigde Staten gemunt, in een artikel uit 2007 van New York Times-columnist Marci Alboher. Toch is de zogenoemde ‘slash-generatie’ – beschreven in Susan Kuangs gelijknamige boek uit 2016 – nog steeds een actueel verschijnsel, en in China een populair fenomeen. Daar bestaat volgens de krant JingDaily zelfs een Slasher Festival.
De benaming wordt gebruikt voor millennials, jongvolwassenen die nu in de twintig of dertig zijn, met een goede opleiding en werkzaam als zelfstandige, en met meer dan één professionele identiteit. In het Westen denk je dan aan freelancers – een al langer bestaand begrip dat niet precies hetzelfde betekent (maar daar komen we nog op terug) – terwijl het in communistisch China verwijst naar een homogenere, stedelijke elite die ervoor kiest om als zelfstandige te werken en het belangrijk vindt om ervaringen op te doen zonder zich te hoeven beperken tot één enkele professionele carrière.
‘Het freelancebestaan is een verschijnsel dat in de westerse context veel normaler is. In China is het veel baanbrekender,’ aldus marketingspecialist Carolina Afonso, die lesgeeft aan het hoger instituut voor economie en management van de Universiteit van Lissabon.
Voor deze generatie geldt: ‘The coolest identity today is to have more than one’, zoals het in JingDaily heet. Oftewel: meerdere identiteiten hebben is synoniem met succes. Er zijn intussen al rond de tachtig miljoen Chinese slashers, van wie de overgrote meerderheid hoogopgeleid is en in de grote steden woont. Een groep in opkomst, die zich ook in zijn keuzes als consument onderscheidt en een uitdaging vormt voor de grote merken.
Zoals de meeste millennials worden ze ‘gedreven door goede doelen’ en streven ze naar ‘nieuwe ervaringen’, zodat ‘de daad van het kopen voor hen een daad van kiezen is, iets wat zinvol moet zijn; ze halen hun neus op voor de vulgariteit van mainstreamluxe’, aldus Afonso.
Levensstijl
Alvorens gedetailleerder in te gaan op het verschijnsel slash-generatie, benadrukt Afonso dat ‘er niet eens consensus is’ over de begrenzing van de millennialgeneratie. ‘Jongeren staan meer open voor verandering. Maar millennial zijn is geen kwestie van leeftijd, het heeft veel meer te maken met een levensstijl,’ legt ze uit. Het kan ook inhouden dat je steeds meer verschillende functies opstapelt. ‘Ze laten zich niet definiëren door hun beroep. Vandaar die slash, omdat ze meer dan één beroep kunnen hebben.’ Het zijn jongeren ‘die veel belang hechten aan persoonlijke ontwikkeling en soft skills, die hun geld meer op waarde schatten en geïnteresseerd zijn in cultuur, milieukwesties, de doelstellingen van merken; dat telt voor hen meer dan status,’ aldus Afonso.
Dat beeld wordt bevestigd door wat de 27-jarige slasher Gonçalo Vicente vertelt. ‘De laatste tijd koop ik liever wat minder en doelbewuster. Neem bijvoorbeeld mijn schoenen: ik let niet meer zo op de esthetische kant of op wat in de mode is, ik kies niet voor het bekendste merk, maar voor het merk dat schoenen maakt die echt een goede pasvorm hebben en gezonder zijn voor mijn voeten,’ zegt hij. Vicente is personal trainer/osteopaat/opleider – en niet zo lang geleden was hij ook nog ondernemer. ‘Ik ben afgestudeerd in de sportwetenschappen aan de faculteit menselijke bewegingsleer van de Universiteit van Lissabon, en personal trainer worden is altijd mijn ware passie geweest, maar ik wil niet stil blijven staan.’
In de afgelopen drie jaar was het toerisme een ‘side business’ voor Vicente. De fitnessroutes in Lissabon brachten hem in aanraking met een bedrijf dat tuktuks verhuurde en dat nu is gesloten vanwege covid-19. Zijn eigenlijke drijfveer is zijn onuitputtelijke belangstelling voor het menselijk lichaam. In de osteopathie zocht hij therapeutische kennis die hij als aanvulling kon gebruiken bij de persoonlijke trainingen die hij binnen en buiten de sportschool geeft. Hij geeft ook cursussen aan de Fitness Academy Portugal, op het hoogste niveau, waarna je je officieel personal trainer mag noemen. Zich onderscheiden is een van zijn doelen, meer dan het verzamelen van identiteiten of beroepen. Uiteindelijk streeft hij ernaar zich ‘bewegingstherapeut’ te mogen noemen – een benaming die in Portugal nog niet zo gebruikelijk is – en zodoende weer een slash in zijn beroepsomschrijving te kunnen wegstrepen. Osteopathie en personal training ‘zijn gebieden die elkaar aanvullen’, aldus Vicente.
Neokapitalisme
Volgens Vítor Sérgio Ferreira, onderzoeker aan het instituut voor sociale wetenschappen van de Universiteit van Lissabon, is het vanuit sociologisch gezichtspunt niet zinvol het woord ‘generatie’ te gebruiken, ‘alsof alle jongeren hetzelfde zouden zijn’. Bovendien, waarschuwt hij, ‘is dat soort categorieën – de millennials, generatie X, generatie Y, generatie Z enzovoort – bijna altijd afkomstig uit buitenlandse literatuur, en niet alles gebeurt overal ter wereld tegelijkertijd op dezelfde manier’. Een voorbeeld? De zogenaamde babyboomers. ‘In Portugal had de Tweede Wereldoorlog minder ingrijpende gevolgen en deed die generationele verandering zich pas voor in de nasleep van 25 april’ [1974, de Anjerrevolutie].
Toch wil de socioloog daarmee niet zeggen dat de slash geen relevante kwestie is. De tendens is volgens hem ‘feitelijk waarneembaar en is een sociaal gevolg van het neokapitalisme’. In een wereld die berust op voortdurende technologische veranderingen is het wenselijk dat werknemers ‘zo flexibel en wendbaar mogelijk zijn’.
‘De slasher voert flexibiliteit tot in het extreme door’
‘Het fenomeen “slash” is niet meer dan wat vroeger in de arbeidssociologie werd omschreven als ‘pluriactiviteit’ – een begrip dat sterk verbonden was met precaire sociale omstandigheden,’ aldus Ferreira. Dat in Portugal 16,5 procent van de werkzame bevolking zzp’er is, berust veelal eerder op noodzaak dan op vrije wil, en datzelfde geldt voor het hoge percentage mensen met een dubbele baan in de cijfers van het Portugese nationaal statistisch instituut. Door de pandemie is dat cijfer in het tweede trimester van 2020 gedaald tot 154.300, maar in 2019 hadden nog bijna 226.000 Portugezen, oftewel 4,6 procent van de werkzame bevolking, twee banen.
Binnen de groep met een freelanceleefstijl wijst Ferreira op een subgroep die meer aansluit bij de definitie van de slash-generatie uit het boek van Susan Kuang: de jongeren in de kunstsector die hij tijdens zijn onderzoek naar ‘nieuwe droomberoepen’ de hele tijd tegenkwam. ‘In de tattoomarkt, bijvoorbeeld, waren de oudste professionals alleen tatoeëerder, maar dat is veranderd. Nu zijn het jongeren die een kunstopleiding hebben gevolgd en die tevens designer enzovoort zijn. Het idee heerst dat er een competentie is – namelijk: tekenen – die toepasbaar is in verschillende beroepsactiviteiten,’ aldus Ferreira. ‘Ambachtelijk werk krijgt steeds meer esthetische waardering en stijgt daarmee in aanzien. Als je tegenwoordig zegt dat je kok bent, of bierbrouwer, is dat niet meer hetzelfde als twintig jaar geleden; het houdt nu ook in dat je creatief bent.’
Flexibiliteit
Desondanks houdt een leven als slasher, waarin je verschillende dingen tegelijk doet, ook al is het misschien een keuze, ‘altijd verband met je leefomstandigheden’, benadrukt Ferreira. ‘Het neoliberale kapitalisme heeft flexibele mensen nodig. Er is een heel discours over ondernemerschap en soft skills, ook wel transversale competenties. Tegenwoordig wordt flexibiliteit, het vermogen om je aan te passen, hoog gewaardeerd en de slasher voert dat tot in het extreme door.’
Of dat positief of negatief is, of het in tijden van crisis meer zekerheid biedt of niet, dat zijn volgens Ferreira moeilijk te beantwoorden vragen. ‘De mensen zijn kinderen van hun tijd. Dit is een actueel discours dat uiteindelijk voldoet aan de behoeften van het neoliberale kapitalisme. Voor sommigen is het goed, voor anderen slecht. Het hangt altijd af van je uitgangspositie. Als je uit een bemiddelde familie komt, zul je het zien als een kans om nieuwe dingen te ervaren. Zo niet, dan zul je die flexibiliteit zien als iets wat onzekerheid geeft. De sociale context is bepalend.’
Los van de sociale omgeving is het algemeen bekend dat een bestaan als slasher makkelijker is geworden door internet. De 27-jarige Soraia Tomás woont in Coimbra, is verpleegkundige/techno-dj en wijdt zich binnen de organisatie Portugal Medical Cannabis aan het bestuderen en verbreiden van therapeutische toepassingen van cannabis. In het verleden verkocht ze vegetarische hamburgers; ze had zelfs een eigen merk. Ze ziet zichzelf als een jonge slasher in een geglobaliseerde en technologische wereld die dat mogelijk maakt, maar denkt niet dat het vermogen tot multitasken van de huidige jongeren een eigenschap van hun generatie is. ‘Ik denk zelfs dat de mensen vroeger harder werkten.’
Tomás’ werk in de gezondheidssector kwam goed van pas in tijden van pandemie, nu er geen feesten zijn waar ze achter de draaitafel kan staan
Haar wisseldiensten als verpleegkundige lieten haar altijd genoeg ruimte om technofeesten bij te wonen – en de tatoeages en piercings die horen bij haar imago als dj zijn tegenwoordig geen probleem meer, je kunt zijn wie je bent, ook binnen de context van een ziekenhuis. Haar werk in de gezondheidssector kwam goed van pas in tijden van pandemie, nu er geen feesten zijn waar ze achter de draaitafel kan staan. ‘Nadat ik mijn specialisatie had afgerond, besloot ik ontslag te nemen en alleen nog parttime te gaan werken. Ik dacht er zelfs over als verpleegkundige op een cruise mee te gaan om serieus geld te verdienen,’ vertelt ze. Corona gooide roet in het eten, maar ze klaagt niet. Ze heeft geen gebrek aan werk en in haar passie voor het onderzoek naar therapeutische cannabis heeft ze de motivatie gevonden waaraan het haar voorheen ontbrak.
Ook het leven van slasher Filipa Costa uit Guimarães werd overhoop gegooid door de pandemie. De dertigjarige logopedist/danseres was gewend haar tijd te verdelen tussen de kliniek en de showwereld, maar sinds maart is haar werk als danseres bij concerten met populaire Portugese muziek bijna opgedroogd. ‘Ik heb alleen aan een paar televisieprogramma’s meegedaan,’ vertelt ze.
Costa, die al sinds haar twaalfde danst, heeft verschillende opleidingen gevolgd en maakt deel uit van een dansgezelschap dat Midden-Oosterse dansen uitvoert en veel optreedt bij evenementen. Ze wilde kinderarts worden maar koos voor de logopedie en vertelt dat haar universitaire opleiding altijd ‘plan A’ is geweest. Evengoed is ze er trots op te hebben bijgedragen aan het doorbreken van het cliché dat muziek en volksdansen uit de Arabische wereld gelijkstaan met schaarsgeklede vrouwen. Het was niet gepland, maar wat aanvankelijk een betaalde hobby was, werd een tweede professionele identiteit. Ze ziet zichzelf als slasher en wil dat blijven ook. ‘Ik zie mezelf op dit moment niet kiezen.’
De Amerikaanse sweater met capuchon is al langer het uniform van de tegencultuur. Maar verschijnt Mark Zuckerberg of Trayvon Martin erin, dan heeft de hoody weer een andere politieke zeggingskracht.
Een doodgewone katoenen stof, soms met wat polyester erdoorheen, een eenvoudige snit met weinig naden, en eventueel als enig opvallend detail een buidelzak of ritssluiting. Er is weinig luxueus of protserigs aan de sweater met capuchon, ook wel hoody: het goedkope kledingstuk dat populair is bij alle seksen en maatschappelijke klassen.
Op het eerste gezicht lijkt het een basic kledingstuk, dat nauwelijks opvalt omdat iedereen erin loopt. Maar aan het lijf van Mohamed Ali, Mark Zuckerberg of Trayvon Martin heeft de hoody opeens een complexe betekenis gekregen – zo niet een radicale politieke zeggingskracht.
Sweatshirts werden in de jaren twintig en dertig aan de Amerikaanse oostkust gedragen door magazijnbedienden in de immense loodsen in New York, als bescherming tegen de bijtende kou in de winter. Eerst werden ze populair in de sportwereld: een sweater houdt je warm, is comfortabel en je kunt er vrij in bewegen.
Later werd het sweatshirt algauw opgepikt door de Ivy League-universiteiten, bolwerken van de amateursport. Leden van hun prestigieuze roei- en footballteams gingen sweatshirts met ronde hals en later ook hoody’s dragen. Op deze sweatshirts werden in grote letters de namen van de universiteiten, teams of studentencorpsen gedrukt, zodat de drager zich ermee kon onderscheiden. De preppy look van de sportieve elitestudenten aan de Amerikaanse oostkust groeide uit tot een onvervalste Amerikaanse esthetiek, en zo bevond het van oorsprong proletarische sweatshirt zich ineens in betere kringen.
Tegenwoordig loopt zowel de elitejeugd als de arbeidersklasse erin en daarmee is het sweatshirt als verbindend element in de Amerikaanse cultuur nu even belangrijk geworden als het volkslied. Mark Zuckerberg, die zich graag associeert met de ambitieuze, innovatieve startupondernemers van Silicon Valley en Wall Street-maatpakken van 15.000 dollar verafschuwt, heeft dat goed begrepen.
Tegelijkertijd heeft de hoody echter ook een ander maatschappelijk domein bereikt: dat van de grootsteedse tegencultuur. Eerst adopteerden de skaters aan de westkust het in de jaren zeventig als must-have, in de jaren tachtig volgden de graffitikunstenaars en rappers aan de oostkust.
In deze subculturen wordt het kledingstuk vooral gewaardeerd omdat de drager er anoniem mee kan blijven. En uiteraard is ook de volkse, anti-elitaire connotatie ervan een pre. De hoody werd een signaal waarmee je kon laten zien dat je tot een subversieve subcultuur behoorde, en je kon er ook als dat nodig was je gezicht mee verbergen. Dat laatste was erg aantrekkelijk voor skaters die zich stiekem uitleefden in de lege zwembaden van de betere buurten van Californië, en voor graffitikunstenaars die ’s nachts in metroremises binnendrongen om treinen te verfraaien.
Mettertijd, en dankzij de kracht van symboliek, groeide de hoody aan weerszijden van de Atlantische oceaan uit tot een embleem van de kansloze jeugd uit ‘kwetsbare’ buurten. En een maatschappelijk fenomeen: sinds 2007 is de hoody verboden in een winkelcentrum in het Engelse Kent, met als reden dat de drager ervan alleen maar slechte bedoelingen kan hebben.
Universitair hoofddocent Frédéric Godart van de HEC in Parijs, specialist in de sociologie van de mode, vertelt dat de wens om anoniem te blijven een tweesnijdend zwaard kan worden. Nergens werd dat zo duidelijk als bij het tragische einde van de zwarte Amerikaanse tiener Trayvon Martin.
De ongewapende 17-jarige werd op 26 februari 2012 in Sanford (Florida) gedood door George Zimmerman, op wie de jongen een verdachte indruk maakte louter en alleen omdat hij een zwarte hoody droeg. Godart: ‘Dat kan je niet los zien van de centrale plek die de hoody in de hiphopcultuur heeft. Je drukt ermee uit dat je je wilt afsluiten’, zowel van het geweld in de buurt als van de maatschappij die jou uitsluit.
‘Na de dood van Trayvon Martin groeide de hoody voor zwarte Amerikanen uit tot politiek symbool tegen het politiegeweld en de vooroordelen jegens mensen uit sommige bevolkingsgroepen, die automatisch als misdadig of gevaarlijk worden gezien’, zegt Godart. Van sociaal embleem, beschermend omhulsel en middel om anoniem te blijven, werd de hoody na Martins dood meer en meer een militant symbool van een bevolkingsgroep die niet alleen aan zijn lot werd overgelaten, maar ook tot doelwit werd bestempeld.
Het is een van de eerste signalen die we naar anderen uitzenden. Onze kledingkeuzes lijken misschien triviaal, maar in werkelijkheid hebben ze veel betekenis. ‘Door een simpel T-shirt van een rockband aan te treken van niet meer dan twintig dollar, druk je al zo veel uit. Niet alleen geef je daarmee aan dat je deel uitmaakt van een bepaalde sociale klasse, van een culturele groep, maar je zegt ook welk soort mensen je leuk vindt, enzovoorts,’ vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia in de Verenigde Staten.
Met elk van die signalen geef je, onbewust of niet, zonder woorden iets prijs over je identiteit. Denk maar aan het portret van Che Guevara dat zo vaak op T-shirts van tieners prijkt. Een kledingstuk kan ons op de sociale ladder situeren, maar ook een politiek statement zijn, zonder dat we eventuele slogans nu meteen in de praktijk willen brengen.
Door de keuze voor een bepaalde stof, flanel, een snit, een sweater, of een merk, zoals Fred Perry, dat de laatste jaren een sterke politieke lading heeft gekregen, drukken we zo veel uit met onze stijl. Onze tweede huid is allesbehalve onschuldig.
Het Zwarte Blok
In het uniform van de militanten van het Zwarte Blok kreeg de capuchonsweater een nog radicalere ideologische betekenis. Het Zwarte Blok kwam in de jaren zeventig op in West-Duitsland. De naam staat voor een demonstratietactiek, waarbij groepen in het zwart geklede demonstranten met verhulde gezichten de confrontatie met de politie opzoeken.
Beeldcultuuronderzoeker Maxime Boidy van de universiteit van Straatsburg vertelt hoe de hoody, nadat sportkleding ook in Europa een rage werd, in de uitrusting van het Zwarte Blok terechtkwam. Daar waren vooral praktische redenen voor. ‘De katoenen hoody is een stuk minder stevig dan de leren jasjes die de militanten hadden geadopteerd uit de punktraditie. Maar de capuchon beschermt de nek beter tegen klappen en bovendien biedt die bescherming tegen traangas en pepperspray.’
Naast dit praktische en defensieve aspect speelt ook de symbolische lading mee: hij is zwart, de kleur van het Europese anarchisme. Onderzoeker Francis Dupuis-Déri van de universiteit van Montréal beschreef het Zwarte Blok ooit als ‘een reusachtige zwarte vlag van lichamen die bij demonstraties wordt uitgespreid’, maar Boidy benadrukt het verband tussen deze symbolische lading van kleding en politieke theorieën over zichtbaarheid.
‘De idee van anonimiteit gaat veel verder dan de simpele wens om de eigen identiteit niet prijs te geven’, zegt hij. ‘Ze weerspiegelt een veel algemenere, bijna filosofische opvatting van subjectiviteit, een wijdverspreide manier om dingen anders te zien.’ De massaal gedragen capuchonsweater geeft vorm aan die gedachte.
De hoody is in de Amerikaanse cultuur even belangrijk geworden als het volkslied
Boidy ziet dezelfde relatie tussen kledingstijl en politieke theorie in de manier waarop feministen en LGBT’ers anonimiteit gebruiken om hun punt te maken. ‘De stijl van het Zwarte Blok wordt meestal gezien als expliciet gewelddadig, een militair tenue als het ware. Maar door onder je kleding te verdwijnen en je gezicht te verhullen, verhul je ook je geslacht. Dan ben je niet meer herkenbaar als man of vrouw, omdat je een standaardsilhouet krijgt. Daarmee wijs je de identiteit af die de maatschappij je oplegt.’
Een hoody, die tegenwoordig overigens ook wel wordt vervangen voor een zwarte K-Way [een sportief jack met rits], creëert zo een alternatief beeld van de samenleving door de individuen in die samenleving te onttrekken aan de codes van de heersende hokjes. Het is een even krachtige politieke boodschap als de naaktheid van de Femen-demonstranten, al gaat het in beide gevallen maar om een klein aantal, sterk geëngageerde personen.
Hoewel, terwijl ik deze regels schrijf, zit tegenover mij aan tafel een jonge studente haar scheikundeopgaven te maken. Op haar pastelblauwe sweater met capuchon staat de waarschuwing: ‘Please don’t forget to wash your hands after killing your enemies’. (Denk eraan uw handen te wassen nadat u uw vijanden heeft gedood.) Zo groot is de macht van een trui die nog altijd uitersten in zich verenigt, van nonchalance en zeggingskracht tot onschuld en rebellie.
De nieuwe kleren van extreemrechts Polo’s en pantalons maken de nationalist
Tijdens een besloten verkoop van kledingmerk Fred Perry in Parijs werd in juni 2013 de extreemlinkse actievoerder Clément Méric gedood. Er was ruzie ontstaan tussen twee rivaliserende groepen, skinheads en antifascisten, die beide hun look kwamen perfectioneren. Later werden twee van de drie betrokkenen bij een proces veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Uit dit proces kwam naar voren hoe absurd de trieste gebeurtenis was: Clément Méric zou nog in leven zijn geweest als twee groepen die in alles van elkaar verschillen behalve een voorkeur voor hetzelfde kledingmerk, niet allebei zo dolgraag een shirt van Fred Perry hadden willen kopen.
Een Fred Perry-poloshirt met korte mouwen is een van de meest gewilde items in zowel de antifascistische als de extreemrechtse garderobe. ‘Als je teruggaat in de tijd zie je al dat Engelse mods [een culturele jongerenbeweging in Londen] in de jaren zestig veel prestige ontleenden aan het dragen van elitaire kleding, vooral tenniskleding van Fred Perry,’ legt universitair docent en onderzoeker Samuel Bouron van de universiteit Paris-Dauphine uit.
‘Uit die mod-cultuur kwam de skinheadbeweging voort, die eerst volstrekt apolitiek was. Later veranderde dat en splitste de beweging zich in twee kampen: de antifascistische redskins en de extreemrechtse boneheads. Hun politieke opvattingen zijn radicaal verschillend en je kunt ze niet over één kam scheren, maar voor beide groepen geldt dat ze zich door hun kleding willen laten gelden.’
De extreemrechtse skins gaven het Fred Perry-poloshirt een speciale betekenis door er een nieuwe symboliek aan op te hangen, vertelt Cynthia Miller-Idriss, professor in de sociologie en specialist in extreemrechtse bewegingen van de American University in Washington. ‘Sommige modellen hebben op de kraag drie fijne lijntjes, zwart, rood en wit. Voor de skinheads stonden die voor een nazivlag. Ook aan het Fred Perry-logo, een laurierkroon op borsthoogte, gaven ze een andere interpretatie. De tekening en vorm deden hun denken aan een nazi-insigne.’
‘Hun uiterlijk past helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’
De schare liefhebbers van het shirt heeft zich inmiddels vergroot en ook de Franse Identitaires [een Europese nationalistische beweging] hebben zich de Fred Perry-polo toegeëigend. ‘Zij hebben de extreemrechtse garderobe een update gegeven,’ zegt Samuel Bouron. ‘Ze hebben behouden wat ze elegant vonden, onder andere dit poloshirt, dat als bijkomend voordeel heeft dat het erg duur is. Maar omdat ze willen breken met alles wat aan de arbeidersklasse doet denken, hebben ze de bretels en de schoenen met de bolle neuzen van de skinheads weggedaan.
Ook de haardracht is anders: in plaats van een kale kop hebben ze liever een modieus kapsel.’ De viriele reflex is echter nooit ver weg: de Identitaires houden ook zo van de Fred Perry-shirts omdat die meestal strakker zitten dan andere modellen en de mouw, die tot aan de biceps komt, de spierballen goed laat uitkomen.
De Rudolf-spijkerbroek
Aandacht voor kledingstijl trekt zich van landsgrenzen niets aan. Het nieuwe extreemrechts is zich, overal waar het voet aan de grond krijgt, scherp bewust van kledingcodes. In 2017 hielden veel demonstranten in Charlottesville zich strikt aan de instructies die ze van hun alt-rightleiders hadden ontvangen: toon vooral geen tatoeages en draag in plaats van een spijkerbroek liever een beige pantalon – een klassieker in de garderobe van de Amerikaanse familievader – met daarboven een wit overhemd of poloshirt. ‘Deze jongemannen waren allemaal ongeveer hetzelfde gekleed, wat erg verwarrend was. Hun uiterlijk paste helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’, vertelt Cynthia Miller-Idriss.
De sociologe onderzocht ook de kleding van de opkomende extreemrechtse beweging in Duitsland. Deze groep houdt de kledingcodes veelal ambigu, om geen last te hebben van de strenge Duitse wetgeving tegen neonazistische symbolen. In haar boek The Extreme Gone Mainstream vertelt Miller-Idriss bijvoorbeeld dat sommige kledingmerken T-shirts verkopen met het woord ‘swastika’ erop, maar dan zonder klinkers. Iedereen begrijpt wat er bedoeld wordt, maar wettelijk is het gewoon toegestaan.
Op deze nichemarkt zijn allerlei kledingmerken actief, met namen als Thor Steinar, Ansgar Aryan en Phalanx Europa. Thor Steinar bracht de Rudolf-spijkerbroek op de markt, als ode aan de bekende nazi Rudolf Hess. Met deze – verder doodgewone – spijkerbroek kan de drager deel uitmaken van een, in zijn ogen, roemruchte geschiedenis. Phalanx Europa verkoopt T-shirts met obscure slogans, zoals ‘Versterk de grenzen, hijs de vlag, de vloedgolf komt’.
Rond de eeuwwisseling werden twee types populair. Ze vertegenwoordigden een liberale utopie en de hoop dat klassentegenstellingen voortaan tot het verleden zouden gaan behoren. [Het ene werd bobo genoemd, een samentrekking van bourgeois en bohemian; het andere was de hipster.] Ze woonden in volkswijken, en adopteerden ook de kledingstijl van de arbeidersklasse.
Zelf behoorden ze tot de ‘creatieve’ middenklasse. Ze presenteerden zichzelf als de bemiddelaars tussen de hogere en lagere klassen van de maatschappij. Hun project had zijn eigen esthetiek, waarin één stofje het bijzonder goed deed: flanel. ‘Voor de bobo staat ruwheid voor authenticiteit en deugd’, en daarom ‘draagt hij overhemden van flanel en niet van zijde’, legt de conservatieve columnist David Brooks van de New York Times uit in het boek Bobos in Paradise (2000), waarin hij de term bobo introduceerde. Hipsters, die iets later opkwamen, deelden met bobo’s deze voorkeur voor flanel. Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn.
Flanel is sindsdien hip. In een beetje garderobe mag een ruitjeshemd tegenwoordig niet ontbreken. [Met bijbehorend snobisme.] Het online merk voor duurzame kleding Asphalte gaat bijvoorbeeld prat op de superieure kwaliteit van het flanel dat het voor zijn hemden gebruikt. Het flanel is gemaakt in Oostenrijk en ‘houdt de pure traditie van geweven wol in ere’, staat vol trots vermeld op de website.
Deze hippe hang naar nostalgie past goed in een bredere tendens die sinds een jaar of tien in de mannenmode zichtbaar is. ‘De nieuwe kledingstijl voor mannen grijpt terug op ambacht. Kledingmerken leggen consumenten omstandig uit hoe elk element van het kledingstuk zorgvuldig geselecteerd is. Zo kan de klant met zijn kleding uitdrukken dat hij deel uitmaakt van een selecte groep die kwaliteit weet te waarderen.
Tegelijkertijd schuilt er een subtiele kritiek in op de huidige tijd: de moderne man heeft liever een goed jasje dat niet snel uit de mode raakt dan eentje van een snit en stof die hij een seizoen later al niet meer kan dragen’, vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia.
Tweed in de ban
Tegenover deze herwaardering van flanel staat de verguizing van tweed. Franse katholieken die strijden voor bescherming van de seksuele moraal willen ervan af. Dat lieten ze al zien in hun demonstraties tegen geregistreerd partnerschap in 1999, in hun strijd tegen het homohuwelijk, in hun steun voor de kandidatuur van Christine Boutin voor de presidentsverkiezingen van 2002 en in de Life Parade van 2005.
In 2013 gaf Frigide Barjot, een van de organisatoren van Manif pour Tous [de Franse katholieke progezinsbeweging die in 2012 spontaan ontstond in reactie op het voornemen van de Franse regering om het homohuwelijk in te voeren], zelfs strikte richtlijnen: geen tweed, geen ribfluwelen broeken, geen diademen, maar leer, jeans en push-upbeha’s. En vooral T-shirts in vrolijke kleuren.
‘Zelfs kleren als Barbour-waxjassen waren verboden. Niet zozeer omdat die voor conservatisme staan, maar omdat ze het moeilijk maken om de juiste boodschap te verkondigen door het stigma dat ze hebben gekregen’. vertelt Yann Raison du Cleuziou van de universiteit van Grenoble, die onderzoek doet naar de geschiedenis van het militante katholicisme.
Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn
De organisatoren van Manif pour Tous deden hun uiterste best om een dresscode te verzinnen die niet stond voor het cliché van het provinciale katholieke gezin, dat graag zeilt en jaagt en daarom parka’s en andere outdoorkleding draagt. ‘Hun kledingcodes zijn op zich niet religieus, maar omdat het antiabortusactivisme in dat milieu sterk vertegenwoordigd is, associeer je die manier van kleden natuurlijk snel met katholicisme.
Daarom kozen de organisatoren er juist voor om duidelijk te laten zien dat het doel waarvoor werd gestreden een zaak van iedereen was. Specifieke of onderscheidende kledingcodes dienden daarom te worden vermeden, om te laten zien dat de demonstranten uit alle gelederen van de samenleving kwamen,’ vertelt de politicoloog.
Deze strategie heeft boven verwachting goed gewerkt. Een beetje te goed misschien. Tegenwoordig herkennen veel katholieke jongeren zich niet meer in de traditionele look. Eugénie Bastié, journalist voor Le Figaro en medeoprichter en hoofdredacteur van kwartaalblad Limite, dat wordt gezien als het tijdschrift voor ultraconservatieve katholieke jongeren, draagt een leren bikerjack. En dat is geen strategische keuze.
Auteurs, resp.: Marion Dupont, Marc-Olivier Bherer
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan zijn naam (‘De Wereld’) onderhoudt Le Monde een groot netwerk van correspondenten.
Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.
Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.
Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een bijeenkomst aan Rutgers University, in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.
Gevaren
Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.
In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses bij de kop, maar ook verschillende politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.
Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.
Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement
Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is privacy een groot goed. Precies om deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.
Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.
Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat is wat veel van de hardwerkende Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk op Trump gestemd.
Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als je naar hun website kijkt, zegt Lilla. Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.
Mark Lila
Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.
De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.
De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en activistische bewegingen, en terug- keren naar de politiek van partijen en instellingen.
Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later de obsessie, met identiteit, bracht de uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits- politiek een verruiming, en geen vernauwing, van de sterk individualistische tendens.
Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. En hij sliep heel weinig
Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan Hispanics of dikke vrouwen. Of dat de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun volstrekt unieke zelfdefinitie.
Daaruit volgt dat er binnen deze kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.
Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. Hij voerde verhitte discussies met zijn klasgenoten en wilde hun het religieuze licht laten zien.
Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.
Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. En hij sliep heel weinig.
Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.
Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen uit, maar bepleitten realistische, concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de vijanden van de vijanden van de arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’
Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.
Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’
En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de Democraten echt iets mee kunnen.
Ontmanteling van coalities
Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.
Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.
De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote deel van de hoogopgeleide Amerikanen verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.
Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, ‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’
De Amerikaanse auteur Michael Chabon ging met zijn zoon naar de Paris Fashion Week: ‘Wat het me heeft opgeleverd is een diep besef van wie mijn zoon is, wat hij met zijn leven wil, en hoe het is om een volwassen man in een gele shaggy Muppetbroek over een catwalk te zien lopen.’
Een half uur te laat, maar nog net iets eerder dan zijn begeleider – hij is zijn stramme, oude begeleider altijd een stap voor – komt Abraham Chabon de ruimte binnen slenteren waar ontwerper Virgil Abloh in besloten kring een tipje van de sluier oplicht van zijn nieuwe Off-White voorjaars- en zomercollectie. De aanwezigen zijn journalisten, redacteuren en mode-inkopers. Abe is zelfverzekerd en hij heeft rode wangen. Zijn bewegingen zijn misschien een klein beetje krampachtig, maar onmiskenbaar sierlijk. Slenteren, er is geen ander woord voor.
‘Die jongen daar, dat is nou precies wat ik bedoel,’ zegt Abloh, die Abe glimlachend aankijkt vanuit het midden van de ruimte, een zolderverdieping van een voormalige fotostudio in Quartier Latin: stalen balken kriskras door de ruimte, brede grenen vloerplanken, alles smetteloos wit, op de schuine ramen met spijlen in het hoge dak na. Op de kapstoelen tegenover de atelierramen draaien alle inkopers en moderedacteuren zich om, benieuwd over wie Abloh het heeft. Ook de vier mannelijke modellen die artistiek slungelig voor de mensen op de klapstoelen staan, kijken om. Tegen de tijd dat zijn begeleider hem eindelijk heeft weten in te halen, lijken alle ogen gericht op Abe. Wie op tijd komt, maakt nooit een grootse entree.
‘Kom eens hier,’ zegt Abloh. Abloh is een grote man, stevig gebouwd. Hij heeft architectuur gestudeerd en is begin deze eeuw komen bovendrijven uit het bruisende intellectuele kringetje rond stadgenoot Kanye West – een derde hiphop, een derde hustle, een derde mclarenesque inside jokes. Abloh heeft naam gemaakt in de modewereld, vooral op het avant-gardeterrein van streetwear, zeefdruk, diagonale zebrastrepen en cryptische teksten op onbedrukte Champion-T-shirts, en vintage Rugby Ralph Lauren flanellen hemden die hij verkoopt voor een duizelingwekkend veelvoud van de oorspronkelijke prijs. In Abe’s ogen is Virgil Abloh ‘lit’ – het grootste compliment denkbaar. ‘Kom eens hier. Kijk hem nou.’
Abe loopt naar hem toe, opgerolde mouwen, handen in zijn zakken, de onderkant van zijn grijsgroene overhemd losjes in de band van zijn grijze keperbroek. Aan de voorkant is het overhemd strakgetrokken, al is het net iets te groot, en aan de achterkant bolt het op boven zijn smalle zwarte ceintuur. Het hemd is Maison Margiela, strak gesneden, met een smalle kraag en gestoffeerde knopen die het iets gesoigneerds geven. Abe heeft het de vorige dag gekocht, in de uitverkoop, bij Ton Greyhound, een winkeltje in de Marais. Hij draagt een paar zilverkleurige Adidas-schoenen van Raf Simons, die hij op adidas.com heeft gekocht voor 250 dollar in plaats van 400 dollar, met daarboven een stel Off-White-sportsokken. Hij heeft de sokken opgetrokken tot aan zijn knieën, waar ze de opgerolde pijpen raken van zijn broek – vintage krantenjongen. Het geld voor de ‘Rafs’ heeft Abe verdiend met bladeren harken voor de buren, overal in huis laden en kasten opruimen en allerlei andere klusjes. Het geld voor het Margiela-overhemd heeft hij van zijn ouders gekregen, vanwege zijn bar mitswa, en de broek hoorde oorspronkelijk bij het Appaman-pak dat hij met zijn bar mitswa droeg.
Abe is dertien jaar en drie maanden, en Virgil Abloh, of wie ook, hoeft hem niet te vertellen hoe hij eruitziet. Dat weet hij zelf als geen ander.
‘Hi,’ zegt Abe tegen Abloh, met zijn hese stem – die al van jongs af aan diep en schor is, en die nog altijd lager wordt, en tegenwoordig zelfs op willekeurige momenten breekt. ‘Ik ben Abe.’
Een aantal van de aanwezigen kent Abe – gewoonlijk uitgesproken als Ah-bay, zoals de achternaam van de Japanse premier, door de Franse medewerkers die zijn naam op de gastenlijst hebben gezet van de veertien shows die hij gedurende de Paris Men’s Fashion Week heeft bijgewoond. Ze hebben hem ontmoet of ze hebben hem ergens gezien. Hij is vrijwel altijd veruit de jongste, en alleen al daarom zou hij er overal zijn uitgesprongen, zelfs wanneer hij zijn kleren niet met zo veel zorg en schijnbare nonchalance bij elkaar zou hebben gezocht. Maar het zijn met name de kleren en de manier waarop hij ze draagt die de aandacht trekken van de aanwezige journalisten. Enkelen vonden hem interessant genoeg om hem een paar vragen te stellen, on the record. De vragen komen meestal op hetzelfde neer: wat vindt hij van die of die collectie? Waar komt zijn belangstelling voor kleren vandaan? Wil hij zelf ooit ontwerper worden? Wat komt hij doen op de Fashion Week?
Ik ben hier met mijn vader, het is een cadeau voor mijn bar mitswa, mijn vader is schrijver en hij schrijft een artikel over ons bezoek aan de Fashion Week voor GQ. Ik wil wel iets met mode doen maar ik weet nog niet wat, misschien iets met ontwerpen; ik maak schetsen, meestal streetwear, ik vind het leuk om patronen en stoffen te gebruiken die niet meteen voor de hand liggen, zoals, wat zal ik zeggen, een Japanse bewerkte stof voor een bomberjack, of een overall van Glen Urquhart-wol. Mijn belangstelling voor kleren is gewekt door mijn oudere broer, het is begonnen met sneakers en van daaruit werd het steeds groter, en inmiddels weet ik meer van mode dan hij. Ik vond de collectie boeiend of ik vond de collectie fantastisch of ik vond het een beetje saai, het sprong er niet echt uit, zeg maar, we hebben deze week al meer trench coats gezien of ik heb het idee dat de kwaliteit niet zo goed was of ik vond het waanzinnig of het was te gek of het was echt lit.
Het valt Abe’s begeleider op dat hij in vrijwel elk gesprek met journalisten een manier vindt om het bladeren harken en het kasten opruimen ter sprake te brengen, zich maar al te zeer bewust van het sfeertje van rijkdom en extravaganza dat de modewereld aankleeft. Hij weet heel goed dat voor veel van zijn leeftijdgenoten – onder wie enkele van zijn beste vrienden – de prijs van een paar te gekke sneakers een veel groter en wezenlijker offer is dan voor hem en zijn ouders. Maar hij begint nooit direct over de morele kwestie, over het feit dat hij een overhemd draagt dat hem 225 dollar heeft gekost, in de uitverkoop. Hij komt niet met diepzinnige theorieën over economische waarde of over de betekenis van stijl, als een soort Roland Barthes in de dop, die met de ene na de andere kritische beschouwing of paradox komt.
Vanaf het moment dat zijn persoonlijkheid zich uitkristalliseerde, onderscheidde hij zich voornamelijk van anderen – zijn broer en zussen, zijn klasgenoten, welke kinderen ook
Abe is gewoon een jongen die van kleren houdt. Hij kan uren over kleren praten, vindt het heerlijk om ernaar te kijken, om ze te dragen, en op het gebied van mannenmode, en dan met name het hippe terrein van streetwear, hoef je hem niets meer te vertellen. Hij kan zo carrière opsommen van Raf Simons, die van Raf is overgestapt naar Jil Sander en vervolgens naar Dior en die inmiddels bij Calvin Klein zit. Hij kan moeiteloos de ontwerpers noemen van ontelbare kledingstukken – sneakers, overhemden, jasjes, broeken – en als hij het niet zeker weet doet hij een weloverwogen gok, die blijk geeft van een grote kennis van zaken, en die vaak juist blijkt. Hij lijkt een gedetailleerde getijdenkaart in zijn hoofd te hebben zitten van alle modetrends die zijn opgekomen en weer afgezwakt. Achteloos doet hij iets op de catwalk af als ‘niet onaardig – voor 2014’ of hij merkt op: ‘Dat heeft vorig jaar eigenlijk al zijn beste tijd gehad.’ Zijn smaak, die wordt weerspiegeld in de kleren die hij draagt, is feilloos, interessant en in zekere zin onverschrokken.
De liefde voor kleding moet wel heel diep zitten, en je moet ook behoorlijk wat geluk hebben, wil je na een concert van Rush iemand tegen het lijf lopen die zin heeft in een gesprek over de nieuwste mannenmode. Maar Abe is erin geslaagd, een jaar voor zijn trip naar Parijs, om na afloop van het Rush-concert in Madison Square Garden aan de praat te raken met John Varvatos. Abe was die dag met zijn enigszins verdwaasde begeleider op een queeste geweest in SoHo, van Supreme naar Bape naar Saint Laurent naar Y-3, en met nog suizende oren van de Rush-toegift (‘Working Man’) bracht hij verslag uit van alles wat hij downtown aan mode had gezien, compleet met anekdotes en voorzien van persoonlijk commentaar. Toen hij klaar was wendde Varvatos zich tot Abe’s begeleider – een onvervalste Rush-fan, die natuurlijk ook Abe’s vader is – en zei: ‘Hoe kom je aan die jongen?’
‘Geen idee,’ zei ik.
Eigen plek
Abe heeft zich pas laat aangediend binnen het gezin, de laatste van vier kinderen, gezegend met een oudere broer en nog een zus daarboven en daaronder. Tegen de tijd dat het vierde kind ter wereld komt hebben de andere kinderen zich meestal al een scala aan eigenaardigheden, talenten, grillen, zwakke plekken, angsten en sterke punten toegeëigend. Voor een vierde kind kan het nog een hele uitdaging zijn om een eigen plek te veroveren.
Voor Abe leek dat echter geen probleem. En als het al een probleem was, dan was het tevens een zegen. Vanaf het moment dat zijn persoonlijkheid zich uitkristalliseerde, onderscheidde hij zich voornamelijk van anderen – zijn broer en zussen, zijn klasgenoten, welke kinderen ook – doordat hij er geen enkel probleem mee leek te hebben dat hij anders was. Iedereen wil zich onderscheiden, maar slechts weinigen hebben het in zich, en van die weinigen zijn er maar een paar die zijn opgewassen tegen de druk om zich te conformeren. Abe heeft altijd al over het uitzonderlijke vermogen beschikt om zich niet alleen te onderscheiden, en zich staande te houden, maar dat ook nog eens met verve te doen. De manier waarop hij het meest openlijk, en het meest gedreven, uiting gaf aan zijn anders-zijn, was door zich te verkleden.
Al toen hij heel klein was, stonden verkleedkleren voor hem – net al voor de meeste kleine jongens – gelijk aan ‘een superheld’. Op z’n derde was hij er heilig van overtuigd dat je je overal kon vertonen in een felgekleurd wolvenpak, geel met hemelsblauw, of een vleermuizenpak met hangende oren. Later was er sprake van een hartstochtelijke flirt met een ouderwetse, zingende cowboyachtige westernuitdossing – zwarte hoed, rood overhemd met wit borduursel, zwart gilet, leren beenstukken met chromen versiering, zwarte laarzen. Op de lagere school bleek het dragen van een dergelijke uitdossing niet alleen te worden ontmoedigd, of slechts op bepaalde dagen toegestaan, zoals op de kleuterschool – nee, het was domweg verboden. Hij zou er ook, zonder enige twijfel, verschrikkelijk mee zijn gepest. Abe’s oplossing was om, instinctief en in alle stilte, te werken aan een soort geheim kostuum, dat nog net binnen de grenzen viel van ‘normaal’ of wat op school betamelijk werd geacht. In de jaren die volgden ging hij steeds vaker naar school verkleed als man – een zeer stijlvolle man.
Hij had slechts een vage, enigszins karikaturale notie van hoe volwassen mannen zich kleden, opgehangen aan enkele kledingstukken. Daarbij ging hij voornamelijk af op enkele zeer specifieke items als gleufhoeden, vesten, overhemden, bretels en vlinderdasjes. Hij had een tweed blazertje waar hij ongekend veel kracht aan ontleende, vergelijkbaar met het harnas van Marvels IJzeren Man. Op het borstzakje was een wapen geborduurd en dat maakte hem domweg gelukkig. In groep drie ging hij vrijwel elke dag verkleed als man naar school. Hij werd er wel mee geplaagd; een van zijn twee jagershoedjes werd zo nu en dan van zijn hoofd getrokken en heen en weer gegooid over het schoolplein. Maar het pesten was nooit erger geworden dan Abe’s vermogen of bereidheid om het te verduren, en hij liet het plezier dat hij eraan ontleende om zich uit te leven in zijn kleren er niet door vergallen. Door zijn koppige volharding begon zich geleidelijk een patroon af te tekenen, dat zich zou herhalen naarmate zijn smaak verfijnder en modieuzer werd. Steeds vaker zag je ook bij de andere jongens in de klas ineens een gleufhoed opduiken, of een platte hoed, of een slappe vilthoed. Het was niet ongebruikelijk om een van Abe’s voormalige pestkoppen te zien rondlopen in een vest, of met een vlinderdasje.
Ik stond weleens ’s avonds in de deuropening van zijn kamer, en zag hem dan met de grootst mogelijke zorg de outfit samenstellen die hij de volgende dag naar school wilde dragen. Hij drapeerde alle kledingstukken op de vloer van zijn kamer, in een soort tweedimensionaal zelfportret – Oxford-overhemd in een katoenen jackje gewurmd, extra smalle broek (met het verstelbare elastiek in de taille vastgezet op het allerlaatste knoopje), geruite sokken, en het geheel afgemaakt met de onmisbare hoed. Ik probeerde te begrijpen wat hem dreef om ’s ochtends de deur uit te gaan als een mini-uitvoering van Ronald Colman die eens lekker door de natuur gaat struinen. Ging het hem om de aandacht – al was het dan negatieve aandacht? Probeerde hij zich door middel van kleren te onderscheiden van de andere jongens, of waren die kleren voor hem de meest directe manier om duidelijk te maken dat hij anders in elkaar zat, domweg anders ter wereld was gekomen? Probeerde hij zich uit alle macht te onderscheiden, of onderscheidde hij zich tegen wil en dank?
Zo rond de tijd dat Abe naar groep zeven ging, was ook mijn oudste zoon veel met kleren bezig, en dan vooral met streetwear. Zijn interesse werd gevoed door een opkomende belangstelling voor hiphop, die hij deelde met Abe. Er was een gouden tijdperk in aantocht voor streetwear, met als vaandeldragers merken als Supreme, Palace en A Bathing Ape, en er tekenden zich samenwerkingsverbanden af tussen grote sneakerfabrikanten en eigenzinnige topontwerpers als Rick Owens en Raf Simons, voortgestuwd door hiphoptrendsetters als A$AP Rocky en de inmiddels in ongenade gevallen Ian Connor. Abe’s oudere broer had de deur opengezet naar die wereld (de wereld van Virgil Abloh) en Abe was zonder aarzeling naar binnen gestapt.
Maar hoewel hij zijn broer volgde in deze wereld, die werd gedreven door trends en die was geënt op iconen, deed Abe er alles aan om zijn eigenheid te behouden, om zich te onderscheiden. Hij maakte vrijelijk gebruik van bloemmotieven, vintage sjaaltjes en de kleur roze bij zijn kledingkeuze binnen de knellende, heteronormatieve greep van zijn klas. Omdat Abe klein van stuk was – mannenmaat XS was al bijna te groot – had hij veel moeite om iets van mannenmode te vinden dat ‘echt te gek’ was en dat hem paste. Zodoende struinde hij met een scherpe blik door de rekken met dameskleding: damesmaat XS, daar kon hij wel wat mee. Het Maison Margiela-overhemd dat hij bij de Off-White-preview draagt is een damesmodel, en een van zijn andere favoriete kledingstukken, een shirt van Tigran Avetisyan, heeft hij ook bij toeval gevonden terwijl hij bij Opening Ceremony in L.A. over de damesafdeling doolde.
Wanneer ik hem zo zag, terwijl hij met een vriendje op straat hing en zich volkomen op zijn gemak leek te voelen in zijn soepel vallende crème-zwart-en-grijs Avetisyan-hemd, met de brede rode banden bij de kraag en de manchetten, en met een druk grafisch patroon, realiseerde ik me dat ik vrijwel nooit jongens van zijn leeftijd zag die ook maar iets vergelijkbaars droegen – vrijwel alle jongens droegen een T-shirt of een sportshirtje, een hoodie of een flanellen hemd. De mantel van uniformiteit hing zwaar en onontkoombaar op de schouders van puberjongens (hoe zwaar en hoe onontkoombaar wist ik zelf nog maar al te goed).
Disneyland
Abe werd nog altijd – en zelfs nog erger dan voorheen – gesard en gepest met zijn kledingstijl en zijn belangstelling voor mode. Maar hij liet zich niet klein krijgen; hij zette nog een tandje bij. Hij voerde zijn Tigran Avetisyan freakvlag hoog in het vaandel. En hoewel ik niet helemaal kon doorgronden wat mijn zoon dreef om zich elke dag opnieuw bloot te stellen aan pesterijen en verbaal geweld, bewonderde ik hem erom dat hij zich niet klein liet krijgen. Gaandeweg begon ik te begrijpen wat mijn taak was als de vader van deze modieuze excentriekeling: ik hoefde Abe of zijn hartstocht voor mode helemaal niet te doorgronden; het enige wat ik hoefde te doen was hem laten gaan waar zijn hartstocht hem dreef en hem daarin te volgen, zo lang hij me nodig had.
In de week waarin Abe de Parijse modeshows afloopt is er wat hem betreft maar één probleem, en dat is zijn slome begeleider, door wiens schuld hij steeds te laat komt. De begeleider zelf heeft het veel minder naar zijn zin dan Abe. De begeleider heeft het warm, en hij verveelt zich. En het belangrijkste: de begeleider is au fond totaal niet geïnteresseerd in mode. Kleren, oké. De begeleider vindt het leuk om in tweedehandswinkels te zoeken naar mooie westernshirts, of naar een Hermès-das, hij voelt zich prettig in zijn lievelingspakken van Shipley & Halmos (grijze cashmere, bruine corduroy), hij is blij met zijn Paul Smith-overhemden en schoudertas. Hij geniet er misschien net iets minder van dan van lezen, muziek luisteren, lekker koken of met zijn vrouw naar oude films kijken, maar dat wil niet zeggen dat hij er geen plezier aan ontleent. Er is niets mis met kleren, in de beleving van Abe’s begeleider. Maar hij hangt er geen religie, hobby, of zelfs een heuse obsessie aan op.
Maar tijdens die warme week in juni, in Parijs, woont Abe’s begeleider zijn eerste Men’s Fashion Week bij, en daar dringt tot hem door dat hij er nog minder van begrijpt dan hij al dacht. Modeshows blijken een hoog freakshowgehalte te hebben, en als ze niet pompeus of excentriek zijn, dan zijn ze gewoon bizar. Je moet half Parijs doorkruisen om op de bewuste plek te komen – bij de planning lijkt een speciaal algoritme te worden gehanteerd om te zorgen dat elke show plaatsvindt op een zo groot mogelijke afstand van de show ervoor én de show erna – en dat alles in de zomerse hitte. Je arriveert steevast te laat en moet evengoed buiten wachten tot je er pijn in je voeten van krijgt, en je weet gelijk zeker dat je ook weer te laat zult zijn voor de volgende show. Vervolgens zit je nog eens twintig minuten te wachten in een donker, lawaaierig, heet, vol zaaltje. Dan gaat ineens het licht aan en begint de muziek te dreunen. Er doemt bijvoorbeeld een wand op van oude koplampen, en een geluidsmuur van elektronische dansmuziek, en een stel lange, knokige, norse jongemannen met de ingestudeerde blik van iemand die is verslaafd aan opiaten, lopen langs, maaiend met hun armen, als kleine jongens die vadertje en moedertje spelen. Deze manier van lopen is bedoeld als fierce, krijgt Abe’s begeleider uitgelegd. Hetzelfde geldt voor de blik van de modellen: een uitdrukkingsloos bleek gelaat, aangezet met rouge, waarop geen glimlach te zien mag zijn.
De looks die ze in beeld brengen variëren van bespottelijk tot functioneel tot opmerkelijk, meestal binnen het bestek van een en dezelfde show. Soms is de muziek geen EMD maar Neil Young of Leonard Cohen of de waanzinnige Japanse neopsychedelische band Kikagaku Moyo. Tijdens de Paul Smith-show lopen – of beter gezegd, slenteren – de modellen domweg over de catwalk als de knappe jongens die ze zijn, en wanneer ze een bekende in het publiek zien zitten, of wanneer ze zich gewoon fantastisch voelen in de prachtige pakken en overhemden waarin Paul Smith hen heeft gestoken, zie je – geheel tegen alle regels in – even een glimlach om hun lippen spelen. Issey Miyake geeft je een coldpack voor in je hals, waar het zweet op je huid parelt. Tijdens een van de shows – die van Y-3 – blijken de broeken opblaasbaar. De hele show moet tien minuten duren maar loopt toch uit, waarna we in een taxi duiken en algoritmisch de stad doorkruisen. Het is een soort Disneyland, maar dan met opblaasbare broeken in plaats van een drie minuten durende log fume of roller coaster.
Tegen het einde van een dag met maar liefst vier shows, een dag die Abe’s begeleider nogal slopend vindt, krijgt Abe lucht van nog een andere show waar hij dolgraag naartoe wil. Die begint om acht uur ’s avonds, en het is de laatste show van die dag. Maar Abe’s begeleider is er heel stellig in dat hij de laatste show van de dag al heeft bijgewoond.
‘Het is een show van Stéphane Ashpool – een heel interessante nieuwe ontwerper,’ zegt Abe. ‘Volgens iedereen was zijn show vorig jaar echt te gek. Ah toe, pap?’
Maar Abe’s begeleider laat zich niet vermurwen door Stéphane Ashpool. Abe heeft het geluk dat een paar redacteuren van dit blad, die met Abe in gesprek zijn geraakt over de Pigalle-show van vorig jaar en die meer in algemene zin, en met bevredigend resultaat, zijn kennis van de herenmode wilden testen, zeggen dat hij wel met hen mee mag. Er is nog een plekje over in de auto. Ze beloven hem weer over te dragen aan zijn begeleider, op een party in het Musée Picasso.
Naar later blijkt heeft Abe’s begeleider wellicht de verkeerde keuze gemaakt door niet mee te gaan naar de show van Pigalle. Een paar uur later komt Abe het Picasso-museum binnen, helemaal opgetogen over de kleren die hij heeft gezien, en al helemaal over de onconventionele manier waarop ze zijn geshowd. In plaats van het gebruikelijke duistere paleis of een donkere, kleine ruimte volgestouwd met elektronica, in plaats van de gebruikelijke catwalk, heeft de Pigalle-show buiten plaatsgevonden, in een tuin aan de achterkant van een museum. Er was een bruiloft geënsceneerd, compleet met muzikanten en een overkapping en kleine, ronde tafeltjes voor alle ‘gasten’. Er was eten geserveerd. Het was allemaal heel cool. Abe had bij de mensen van GQ gezeten en was volkomen opgegaan in de avond en het gezelschap en de prachtige kleren.
‘Het was net een toneelstuk,’ zegt hij. ‘Maar dan een stuk waarin je ook zelf meespeelt.’
‘Ga jij maar daar staan,’ zegt Virgil Abloh tegen Abe. Hij wijst naar de rij mannelijke modellen, die enigszins van hun stuk lijken gebracht door deze onverwachte wending. Maar ze schikken in om ruimte te maken voor Abe.
Abe lacht, en de blos op zijn wangen wordt dieper, maar hij doet wat hem wordt gevraagd, zo op het oog zonder enige aarzeling of schroom. Zijn lach en zijn rode wangen komen niet doordat hij zich opgelaten voelt: Abe is blij en opgetogen. Het feit dat hij Off-White-sokken draagt is geen toeval. Abe is niet zo iemand die naar een honkbalwedstrijd gaat met een honkbalhandschoen in zijn hand, in de hoop dat er een afgedwaalde bal zijn kant op komt, die hij in zijn fantasie dan zo vaardig uit de lucht plukt dat hem ter plekke een contract wordt aangeboden. Maar dat neemt niet weg dat op dit moment in zekere zin een droom wordt bewaarheid.
En één ding is zeker: hij hoeft zich nergens voor te schamen. Toegegeven, de modellen zijn bijna allemaal twee keer zo lang maar, met alle respect voor Virgil Abloh en zijn stilisten: geen van de modellen ziet er beter uit dan Abe, of lijkt zich meer op zijn gemak te voelen. De afgelopen twee dagen, waarin Abe samen met zijn begeleider vele shows heeft afgelopen, heeft hij aandachtig alles bekeken wat zich op de catwalk afspeelde. Maar daarnaast heeft hij niet minder aandachtig gekeken naar de kleren van de jongens die zich rond de shows ophouden, en die met hun ingewikkelde kaartjes in de rij staan te wachten totdat iemand met een klembord zegt dat ze naar binnen mogen. De modellen op de catwalk zijn zonder meer modieus gekleed – van de shaggy, gele Muppetbroek en de transparante, met een clown geblazoeneerde borststukken bij de Walter van Beirendonck-show tot de hyperwijde pijpen en de jasjes met franje chez Dries van Noten tot de Mœbius-meets-Logan’s Run, jaren zeventig, postapocalyptische outfit die is te zien bij Rick Owens, met modellen die zich zwaarmoedig zwalkend door de ondergrondse zaal bewegen, als jonge vrijwilligers die worden geofferd aan de robotgod, met zulke reusachtige sneakers dat sommigen over hun eigen voeten struikelden – maar deze jongens die buiten tussen de belangstellenden staan, steevast in groepjes van twee, of drie, of vier, hebben stijl. Zij dragen kleren die ze hebben gekozen, gepast en gecombineerd, die ze uit hun eigen laden en kasten hebben gehaald. De basis van hun look bestaat meestal uit één verpletterend, en ongetwijfeld extravagant, kledingstuk, bijvoorbeeld een verblindende tracksuit van dieppaarse zijde, met een paisleymotief in lichtblauw en perzikkleur, gecombineerd met een gele bandanna, die als sjaaltje om de hals is geknoopt.
Maar de looks waar Abe de meeste aandacht voor heeft zijn eclectisch, haast een allegaartje, een combinatie van meer betaalbare items die een verrassend geheel vormen. Waar Abe misschien wel het meest van onder de indruk is, zijn de kleren van een knappe zwarte jongen bij de Van Beirendonck-show. De jongen heeft een ruig baardje en draagt een vreemde, vilten hoed met een brede rand en brede diagonale strepen, een kruising van een amishattribuut en een Jell-O-vorm. Over een zwart gaatjeshemd draag hij een goud-met-groen geruite blazer, met op de voorkant zwarte draden geborduurd, in parallelle strepen, als gitaarsnaren. Hij heeft een hele reeks indianenarmbanden om zijn pols en zilverkleurige indianenringen in zijn oorlellen, en hij draagt een goudkleurig omabrilletje met ronde glazen. Zijn moonbootstyle sneakers zitten precies los genoeg, en zijn broek, met een smal zwart streepje, wordt om zijn middel gehouden door een stuk rood-wit springtouw, de pijpen opgerold tot aan de knieën. Het is een krankzinnig samenraapsel van kledingstukken, maar op de een of andere manier werkt het. Er spreekt een idee uit, en dat idee is niet afkomstig van Rick Owens of Juun.J – al die bij elkaar geraapte spullen vertellen het verhaal van degene die ze heeft aangetrokken.
De look die hij heeft uitgekozen voor de Off-White-preview is getest en bijgesteld, aangepast aan zowel zijn lichaam als zijn geest, en zegt alles over zijn diepste zielenroerselen
Abe heeft veel geleerd door goed te kijken hoe ze eruitzien, deze ene jongen en al die andere dandy’s – want dat zijn het, ze worden niet betaald, niet gesponsord, ze zijn er enkel om te kijken en bekeken te worden, om met hun kleren te pronken op die zwoele middag. Elke avond haalt hij zijn hele koffer overhoop, kijkt met een scherpe blik naar alles wat hij heeft meegenomen (plus enkele nieuwe items; het is de week van de soldes), maakt talloze combinaties, spreidt zijn bescheiden zelfportret uit op de vloer. Wanneer hij de volgende ochtend wakker wordt, heeft hij zich bedacht over het een of het ander, of heeft hij ineens nieuwe inspiratie. De look die hij heeft uitgekozen voor de Off-White-preview is getest en bijgesteld, aangepast aan zowel zijn lichaam als zijn geest, en zegt alles over zijn diepste zielenroerselen. Nou ja, alles – het zegt wat hij er maar over kán zeggen in deze vroege en nog niet helemaal uitgekristalliseerde fase van zijn ontwikkeling. Zijn look is opgewassen tegen kritische blikken. Hij is zelfs speciaal met dat doel uitgezocht. Sterker nog, hij is haast bedoeld om kritische blikken uit te lokken, en daarbij gaat het dan niet zozeer om de kleren zelf maar om degene die erin zit. Zijn kleren zitten niet óm zijn lijf; ze zíjn zijn lijf – in ieder geval nu. Ze zijn de uiterlijke verschijningsvorm van hoe hij heeft besloten zichzelf neer te zetten. Dat kunnen de slungelige modellen, met hun voeten stevig op de grond en met hun afhangende schouders, gehuld in jassen en slobberbroeken die een ander voor hen heeft uitgezocht en die vervolgens om hen heen zijn gedrapeerd als een tafelkleed over een eetkamerset, geen van allen zeggen. Zelfs Virgil Abloh, in zijn zwarte trainingsbroek en met zijn zwarte T-shirt, leek Off-White te dragen.
Virgil Abloh vraagt waar Abe vandaan komt. Abe zegt dat hij uit Oakland komt. Dat klopt niet helemaal; Abe woont in Berkeley, slechts een huizenblok verwijderd van de grens met Berkeley. Hij denkt duidelijk, en met redenen, dat het cooler klinkt, en ook ís, om in Oakland te wonen dan in Berkeley. Oakland staat voor de Black Panthers, voor de indrukwekkende cartoonmaskers die op muren langs de snelweg worden gespoten door de graffitikunstenaars GATS, voor de helden van de hiphop zoals Too Short, Marc Dre, Richie Rich en voor het Hieroglyphics-collectief. Berkeley staat voor mannen met een baard die in drug rugs en draw strings pants lopen en op zaterdagochtend met z’n allen trommelen bij het Ashby Bart-station.
‘Deze jongen begrijpt waar het om gaat,’ zegt Virgil Abloh tegen de verslaggevers, die met hun pen in de aanslag zitten. ‘Dit is precies wat ik wil bereiken.’ Abloh vraagt zijn gasten om Abe van top tot teen op te nemen. De modellen proberen een glimlach te onderdrukken, maar slagen daar niet allemaal in.
‘Om onderaan te beginnen,’ zegt Abloh, ‘zijn er allereerst de Adidas – wacht eens even!’ Hij komt wat dichterbij om Abe’s schoenen goed te kunnen bekijken. ‘Loop je op Rafs?’ Hij steekt Abe een triomfantelijke vuist toe. Abe gaat goedmoedig op het gebaar in. ‘Je hebt de sneakers, en de sportsokken – de júíste sportsokken.’ Hij grinnikt; Abe straalt. De mensen op de klapstoelen lachen. ‘Tot zo ver komt alles uit de streetwearcontext. Maar als je verder naar boven gaat, is het allemaal veel gekleder. De jonge jongens, die zijn groot geworden met streetwearmerken. Supreme, Bape… Daar begint het allemaal mee, toch?’
Hij kijkt even naar Abe, die braaf, en gemeend, knikt. ‘Maar dan denken ze, misschien kan ik wel een stap verdergaan, zonder dat het al te veel hoeft te kosten.’
‘Oké,’ zegt hij tegen Abe. ‘Dank je wel. Ga maar lekker zitten.’
Twee dagen en vijf shows later arriveert Abe, te laat, voor de Off-White-show. Hij heeft al de hele dag iets weemoedigs, en nu de show al voor de helft voorbij lijkt te zijn op het moment dat we binnenkomen, wordt hij nog gedrukter. Ik voel me schuldig; door mij zijn we lang bij de vorige show gebleven, die van Paul Smith.
Na afloop van de show ziet Abe Virgil Abloh achter de coulissen staan, maar de ontwerper wordt omgeven door fans en pers. Hij knikt Abe even toe, met een glimlach, maar ze zien geen kans elkaar nog te spreken. Fashion Week is achter de rug. Tijd om naar huis te gaan.
‘Ik wil niet naar huis,’ zegt Abe.
‘Ik snap het,’ zeg ik. ‘Het is veel te leuk in Parijs.’
‘Dat is het niet.’
‘Het was heel spannend voor je,’ opper ik. ‘Je vindt het jammer dat het voorbij is.’
‘Ja. Maar dat is het ook niet.’
‘Wat is er dan?’ zeg ik. ‘Vertel het me maar.’
Maar hij wil er niet over praten. We nemen een taxi naar het appartement dat we hebben gehuurd in het twaalfde arrondissement. Traag pakt Abe zijn kleren in en legt de spijkerbroek en het T-shirt klaar dat hij in het vliegtuig naar huis wil dragen. Hij wordt steeds stiller en het is duidelijk dat iets aan hem knaagt. Hij moet bijna huilen. We krijgen ruzie. Ik heb het inmiddels wel gehad met al die mode en al die modeshows. Het enige wat ik voel is dat het mooi is geweest en dat ik nu weer gewoon naar huis wil. Het kost me grote moeite er anders tegenaan te kijken.
‘We hebben het goed gehad,’ zeg ik. ‘Je hebt allemaal coole dingen gedaan en interessante mensen ontmoet. Je hebt een paar mooie nieuwe kleren. Je bent in Parijs geweest. Nu wordt het tijd om weer naar huis te gaan. Kom op nou.’
‘Ik wil niet naar huis,’ zegt hij.
‘We gaan nog wel een keertje naar Parijs. Als je groot bent, kun je hier gaan wonen.’
‘Het gaat me niet om Parijs. Het gaat me niet om de kleren.’
‘Wat is er dan?’
‘De Pigalle-show,’ zegt hij.
‘Die vond je het mooist. Zonde dat ik niet ben gegaan.’
Hij kijkt me aan, een merkwaardige blik in zijn ogen. Het begint me te dagen dat hij zo’n geweldige avond heeft gehad juist omdát ik er niet bij was. De afgelopen week was ik niet zijn vader, of zijn vriend. Ik was domweg zijn begeleider. Ik was een blok aan zijn been bij de modeshows, en omdat ik me er niet volledig aan kon overgeven, kon Abe dat ook niet. Hij maakte zich druk om mij, hield me in de gaten, vroeg zich af of ik het wel naar mijn zin had, vroeg zich bijvoorbeeld af of ik die shaggy Muppetbroek net zo stom vond als de blik in mijn ogen leek te suggereren.
‘Het gaat niet echt om de shows, hè?’ probeer ik, terwijl bij hem de tranen zie branden. ‘Toch? Het gaat om de mensen die je hebt ontmoet, de mensen van GQ, de inkopers, die gast van Wild Style.’
‘Zij snappen het,’ zegt hij. ‘Ze weten alles van de ontwerpers, en het huis, en ze vinden het belangrijk. Ze vinden het leuk om over kleren te praten. Ze houden van kleren.’
Je wordt geboren binnen een gezin. En dat zijn de mensen bij wie je hoort. Ze kennen je en ze houden van je en als je geluk hebt, zijn ze ook nog in staat om je deels te begrijpen. En dat zou voldoende moeten zijn. Maar dat is het niet, dat is het nooit. Al die jaren dat Abe zich heeft verkleed, zich met zorg een stijl heeft aangemeten, deed hij dat níét met de bedoeling zich te onderscheiden van anderen. Hij deed het in de hoop – ooit, ergens – de aandacht te trekken van iemand die net zo is als hij. Hij liep niet te paraderen met zijn freakvlag; hij schoot een vuurpijl af, in de hoop dat er redding zou zijn, een metgezel op het eenzame pad van zijn passie.
‘Die mensen en jij – jullie horen bij elkaar. Je hebt je zielsverwanten gevonden,’ zeg ik.
Hij knikt.
‘Dat is mooi,’ zeg ik. ‘Je bent er vroeg bij.’
Auteur: Michael Chabon
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
GQ kwam in 1931 in de VS op de markt als Apparel Arts, een kwartaalblad over herenmode dat werd verspreid onder wederverkopers van zaken waarin een man zich zoal hult. Het werd in de naoorlogse jaren een dermate groot succes dat de uitgever in 1957 besloot de markt te verbreden naar een algemeen (mannelijk) publiek onder de naam Gentlemen’s Quarterly, in 1967 afgekort tot GQ. Inmiddels verschijnt het wereldwijd, tot in India, China en Rusland, en in vele talen. De Amerikaanse oplage schommelt rond 600.000 exemplaren.
Herenmode is nog steeds een raison d’être, maar het aandachtsgebied is gegroeid, onder meer naar minder warm geklede jonge vrouwen, ook en vooral op het omslag. En voorts bevat GQ artikelen van algemene strekking, zoals in 2009 een verhaal waarin werd gesuggereerd dat Vladimir Poetin in 1999 aan de macht zou zijn gekomen door het ensceneren van een ‘terreuraanslag’ op een flatgebouw in Moskou, die aan 300 Moskovieten het leven kostte en in werkelijkheid was gepleegd door Poetins vrienden van de KGB.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.