Tag: ideologie

  • Vijftien ideeën voor de wereld na corona

    Vijftien ideeën voor de wereld na corona

    Het coronavirus heeft onze wereld (tijdelijk) fundamenteel veranderd. Nu is er eindelijk hoop dat we de pandemie onder controle krijgen. En dan? Willen we gewoon doorgaan zoals voorheen, of de kans grijpen dingen te heroverwegen? GEO vroeg 15 deskundigen welke verbeterpunten zij zien.

    1. Kunnen we de crisis als kans aangrijpen?

    Geschiedenis – Historicus Mischa Meier ziet de coronapandemie als perspectief voor de herinrichting van ons samenleven.

    De coronacrisis vertoont alle kenmerken van situaties waarin samenlevingen fundamenteel veranderen als gevolg van een dreiging die als existentieel wordt ervaren. Noch financiële crises, noch vluchtelingengolven, noch terroristische aanslagen noch milieurampen vertonen deze kenmerken. Het zijn eerder oorlogen, revoluties en epidemieën die een dergelijke ingrijpende verandering teweegbrengen.

    Kenmerken van zulke situaties: ze raken iedereen zonder uitzondering en maken iedereen onrustig. De vaste routines van een samenleving staan gedurende een langere periode onder druk. Mensen verliezen hun vertrouwen in het handelen van hun medemens en het geloof in een zekere toekomst. Er ontstaat een dominante vorm van communicatie, de taal is moreel geladen.

    Een voorbeeld van dat laatste waren de de foto’s van de doodskisten en vrachtwagens uit Bergamo in het voorjaar. De communicatie werd emotioneel en moreel, soms zelfs religieus. Ook dat is een kenmerk dat in de hele geschiedenis terugkomt.

    De dreiging verliest zijn kracht naarmate de samenleving effectieve manieren vindt om deze te bestrijden. Op deze manier krijgen mensen een nieuw gevoel van veiligheid en onderdrukken of vergeten ze de dreiging geleidelijk, ook al is die er misschien nog steeds.

    De pest brak voor het eerst uit in 541 na Christus en veranderde alles. Maar langzamerhand raakte de ziekte in de vergetelheid

    Een voorbeeld uit de geschiedenis: de pest brak voor het eerst uit in 541 na Christus en veranderde alles. Maar langzamerhand raakte de ziekte in de vergetelheid, hoewel er door de eeuwen heen regelmatig plaatselijke uitbraken waren. Iets soortgelijks gaan we met het coronavirus meemaken: pas als we leren accepteren dat het virus bedreigend is maar niet weggaat, kunnen we ons leven echt reorganiseren.

    Zoals in iedere crisis zijn er winnaars en verliezers, zoals we nu ook al zien als we kijken naar de economische gevolgen. Om kansen op verandering te benutten moeten wij – ook wij historici – heel bewust en zorgvuldig nadenken over hoe we individueel reageren – en wat voor gevolgen dat heeft voor onze toekomst.

    Wanneer mensen zich bedreigd voelen, wordt één ding plotseling buitengewoon relevant: identiteit. Mensen gaan als individu en als collectief nadenken over bij wie ze horen, en ook: bij wie niet. Dat kan leiden tot conflicten. In wezen gaat het om de herstructurering van sociale machtsverhoudingen. Dat is tegelijkertijd ook onze kans, daaraan moeten we actief helpen vorm te geven.

    2. Onze steden zullen bloeien

    Stedelijke planning – Meer ruimte voor voetgangers: de pandemie versnelt verandering, zegt Christoph Koch, die o.a. onderzoek deed naar de toekomst van mobiliteit in Amsterdam.

    Hoe minder mensen dagelijks naar de binnenstad gaan om te werken of te winkelen, hoe minder kantoorruimte er nodig is en hoe goedkoper de huren op de lange termijn zullen zijn. Nieuwe toepassingen in de binnensteden zijn dus niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk. De coronapandemie laat zien dat omwentelingen die ondenkbaar leken, ineens haalbaar zijn. Meer woonruimte in het stadscentrum, meer ruimte voor cultuur in plaats van warenhuisketens. Nu hebben we ideeën nodig die deze verandering vormgeven.

    Onze steden zijn nog steeds verdeeld: werken en winkelen in het centrum, wonen in de periferie. Als dit verandert, verandert ook het verkeer. De routes worden korter, wat het gebruik van fietsen en elektrische scooters bevordert. Speelstraten, meer fietspaden en 30km/uur-zones, zoals Parijs vanaf 2021 over de hele linie wil invoeren, krijgen een steeds breder draagvlak. Daarnaast neemt de behoefte aan groene recreatiegebieden in de steden toe.

    Als we deze gelegenheid goed aangrijpen, zullen onze binnensteden over een paar jaar vriendelijker, bewoonbaarder en drukker zijn.

    3. Een nieuw thuisgevoel

    Toerisme – Reizen over lange afstanden worden steeds zeldzamer, wat de klimaatbescherming ten goede komt, zegt reisverslaggever Gunnar Herbst.

    Corona heeft het over-the-toptoerisme tot stilstand gebracht en ons laten zien hoe het ook kan. Minder vaak reizen, langer ter plaatse blijven, naar bestemmingen in de buurt gaan, met de bus en trein reizen en korte vluchten vermijden.

    Geen goedkope hotels huren die hun personeel uitbuiten, geen all-inclusive ketens, maar restaurants, winkels en musea bezoeken om de lokale bevolking te ondersteunen. Dat alles helpt om reizen duurzamer te maken. De pandemie heeft aangetoond dat het mogelijk is. Nu moeten we doorzetten.

    4. Een groter gevoel van vrijheid

    Werkomgeving – Velen die tijdens de coronacrisis konden blijven werken, zijn thuiswerken als het nieuwe normaal gaan beschouwen – en als een model voor de toekomst.

    Kantoormeubelfabrikant Sedus Stoll merkt al jaren verandering. Het bedrijf bestaat al bijna 150 jaar. In het verleden bestonden bestellingen voor 85 procent uit tafels, stoelen en kasten. Rond de millenniumwisseling was dat 70 procent, nu 50.

    In plaats daarvan zorgt het voormalige stoelenbedrijf nu ook voor banken, akoestische elementen, spraakcellen: ‘communicatieapparatuur’. Sedus bouwt bijvoorbeeld ook sensoren in kantoorapparatuur. De app kan worden gebruikt om werkplekken te reserveren en na te gaan wie welke gebruikt. Perfect in tijden van corona.

    Series als The Office presenteren het kantoor als een soort kooi voor medewerkers.

    Zo ontstaat langzaam het ‘flexkantoor’. Wellicht wordt het straks normaal om ongeacht de locatie een aanvraag in te dienen: één keer per maand een paar honderd kilometer reizen is beter dan vijftig kilometer pendelen per dag.

    De historische redenen voor het kantoor zijn verdwenen, zegt ook de Londense auteur Philip Ross. ‘Het kantoor heeft een nieuwe bestemming nodig om te overleven.’

    5. Herwaardering van de natuur

    Milieubescherming – Mensen ontdekken hoe dicht ze bij de natuur kunnen zijn. Dat vraagt ook om extra bescherming van onze leefomgeving.

    De behoefte om de stad uit te gaan is tijdens corona bij de meesten toegenomen. ‘Het besef dat je voorlopig niet ver kunt reizen, biedt ruimte voor reflectie’, zegt Christian Buer van Heilbronn University. Hij spreekt van een nieuwe ‘ervaring van je eigen rust en stilte’ en is ervan overtuigd dat degenen die zich ‘gast’ gaan voelen van de natuur daar bevrediging van ondervinden.

    We moeten natuurbezoekers aanspreken, informeren, sturen – maar niet als indringers behandelen

    Maar waar mensen massaal naar het platteland trekken, zijn conflicten onvermijdelijk. Wordt de druk op de natuur te groot? Holger Belz, die het Archezentrum runt, maakt zich geen zorgen. ‘De natuur is kwetsbaar, maar dat betekent niet dat mensen buitengesloten moeten worden’, zegt hij. ‘We moeten bezoekers aanspreken, informeren, sturen – maar niet als indringers behandelen. We willen dat ze de natuur beleven.’

    6. Onze gezondheidssystemen zullen leren van de pandemie

    Zorg – Prof.dr. Monika Klinkhammer-Schalke, voorzitter van het Duitse netwerk voor gezondheidsonderzoek, ziet vier belangrijke verbeterpunten voor de branche.

    Beschikbaarheid van gegevens. De pandemie roept op medisch vlak vele vragen op: zijn er minder patiënten naar de dokter gegaan? Werd kanker later ontdekt, verminderde dat de overlevingskansen van de getroffenen? Wat is het effect van het uitstellen van operaties?

    Er zijn al veel gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in onderzoek, in kankerregisters of bij zorgverzekeraars. Nu moeten we een manier vinden om de verschillende bronnen snel en in overeenstemming met de gegevensbeschermingsregels met elkaar te verbinden en te evalueren.

    Netwerken. Daarnaast is het van belang dat medische professionals, gespecialiseerde verenigingen en verenigingen beter netwerken – nationaal en internationaal. Een positief voorbeeld: voor een anesthesieonderzoek staken aan het begin van de pandemie dertig universitaire ziekenhuizen over de hele wereld de koppen bij elkaar om ideeën uit te wisselen over de methode om covid 19-patiënten te intuberen. Het verliep vlot omdat alle betrokkenen vooraf waren verbonden.

    Betere samenwerkingen. Er wordt wel geroepen om minder ziekenhuizen: grote topcentra in plaats van kleine, regionaal georiënteerde klinieken. Maar Klinkhammer-Schalke deed veel onderzoek naar de kwaliteit van leven van kankerpatiënten en zag hoe belangrijk het voor patiënten is om vrienden en familie aan hun zijde te hebben. Om de kwaliteit van de behandeling in kleinere ziekenhuizen te waarborgen, moet de samenwerking met de topcentra worden versterkt.

    Betere betaling. Er zijn veel te weinig verplegers. Om knelpunten in het aanbod te voorkomen en meer mensen voor zorgberoepen te laten kiezen, moeten de salarissen omhoog. Daaraan moeten zowel de overheid als zorgverzekeraars bijdragen.

    7. We hechten meer waarde aan kwaliteit

    Economie – Groeiend bewustzijn van duurzaamheid: corona zal ons winkelgedrag blijvend veranderen, voorspelt econoom Thomas Straubhaar.

    De verkoop op onlineplatforms en bij bezorgdiensten neemt enorm toe. We zien ook dat veel mensen hun huis opnieuw inrichten. Dat leidt tot een toename van bestellingen van met name duurzame consumptiegoederen; kopers zijn meer geïnteresseerd in kwaliteit.

    Huidige en toekomstige generaties zullen steeds minder accepteren dat bepaalde producten in verband worden gebracht met kinderarbeid

    Online kopen wordt momenteel niet geassocieerd met milieuvriendelijk gedrag, maar daar zal verbetering in komen. Online winkelen maakt het gemakkelijker om producten te vergelijken. Er zullen minder verkeerde aankopen worden gedaan en retouren worden verzonden en er zullen intelligente, collectieve leveringen plaatsvinden bij knooppunten in de wijk en in de buurt.

    Big data helpt bovendien om meer overeenstemming te bereiken tussen wat klanten echt willen en wat providers kunnen leveren. Ook wat kwantiteit betreft leiden data-analyses tot een grotere nauwkeurigheid van vraag en aanbod.

    Op middellange en lange termijn zal duurzaamheid minder worden afgedwongen door het consumentengedrag van individuen en steeds meer door de algemene stemming. Huidige en toekomstige generaties zullen steeds minder accepteren dat bepaalde producten in verband worden gebracht met kinderarbeid of slecht zijn voor het klimaat en het milieu.

    En deze trend wordt versneld door corona.

    8. Achteraf zullen we dankbaar zijn

    Filosofie – Corona biedt kans op een zinvoller leven, zegt filosoof Wilhelm Schmid.

    Corona bood een remedie tegen het rusteloze leven dat velen van ons leidden. Inzichten werken immers het beste als we geen theorie volgen, maar leren uit de praktijk.

    We kregen de kans om na te denken over wat ‘leven’ eigenlijk is. Nu kunnen we onze ideeën hierover aanpassen aan het echte leven.

    Velen dachten dat het alleen om het ‘goede leven’ ging, waarin alles altijd positief is en naar wens verloopt

    Velen dachten dat het alleen om het ‘goede leven’ ging, waarin alles altijd positief is en naar wens verloopt. We moesten gelukkig zijn, wat er ook gebeurde. Zonodig offerden we er relaties voor op. Geen ruimte voor anderen die ons van ons geluk af dreigen te houden! Geen begrip ook voor onze eigen imperfecties.

    Deze ideologie van autonomie weerhield ons ervan een zinvol leven te leiden. Wat niet altijd hetzelfde is als een gelukkig en goed leven. Want in het echte leven moet je accepteren dat de dingen niet altijd gaan zoals we graag willen.

    Autonomie is een goede zaak; het maakt mensen zelfverzekerd en zelfvoorzienend. Ideologie is dat niet; het is blind

    Autonomie is een goede zaak; het maakt mensen zelfverzekerd en zelfvoorzienend. Ideologie is dat niet; het is blind. De ideologie van autonomie deed ons geloven dat er geen grenzen zijn aan onszelf. Niets mocht ooit ons ego beïnvloeden – anderen niet, de omstandigheden niet, de samenleving niet, zeker de staat niet of een virus dat onzichtbaar is en daarom niet lijkt te bestaan.

    Maar door corona moesten we inbinden – de een meer dan de ander. Dat doet denken aan de beoefening van ascese; het horrorconcept van de autonome levensgenieter die gewend is om op elk moment te nemen wat hij maar wil.

    Toch is ascese ook bevorderlijk voor de volgende extase: hoe heerlijk smaakt de wijn dan, hoe fantastisch is de seks! Vandaar dat we dankbaar mogen zijn voor de periode die weldra achter ons ligt. We hebben een idee gekregen van wat de zin van het leven zou kunnen zijn.

    9. Wetenschap stijgt in aanzien

    Wetenschap – Ondanks alle gevolgen van de huidige situatie biedt de coronapandemie de wetenschap een enorme kans. GEO-hoofdredacteur Jens Schröder ziet nu al een toenemende waardering voor onderzoek.

    Zelden is er een situatie geweest waarin zoveel mensen het werk van wetenschappers zo nauwlettend hebben gevolgd.

    Vooraanstaande onderzoekers bereiken een miljoenenpubliek met podcasts waarin ze de voortgang van kennis becommentariëren. Talkshow kunnen nauwelijks nog zonder wetenschappelijk geschoolde gasten. Media worstelen zich een ​​weg door de nieuwste onderzoeksresultaten, waarbij ze op de vaak dunne lijn tussen noodzakelijke vereenvoudiging en ontoelaatbare versimpeling balanceren. Meningsverschillen worden zichtbaar, over de betekenis van onderzoeken en over hoe nieuwe bevindingen worden vertaald in regels die voor iedereen zouden moeten gelden, al loopt niet iedereen evenveel risico.

    Voor veel mensen is het de eerste keer dat ze een wetenschappelijk proces zo diepgaand meemaken. Ze zien het risico op fouten en doodlopende wegen, maar ook dat fouten worden ontdekt door een constructieve discussie tussen de experts.

    Corrigeer elkaar, maak ruzie, stel veel vragen, maak fouten

    Het is zeker niet gebruikelijk dat wetenschappelijke bevindingen zo serieus worden genomen. Neem bijvoorbeeld de risico’s van opwarming van de aarde door CO2-emissies. Waarschuwingen van de jongere generatie over klimaatbescherming zijn vaak niet serieus genomen. Maar wie heeft gezien hoe de curve van coronabesmettingen kan worden afgevlakt, kan zich dat wellicht ook beter voorstellen voor de curve van CO2-emissies.

    Een extreme situatie als de coronapandemie kan de weg bereiden voor nieuwe inzichten. Alle betrokkenen bewegen zich op niet eerder gebaande paden. Corrigeer elkaar, maak ruzie, stel veel vragen, maak fouten. Ruzie is in de wetenschap – als het goed is – geen twist. Het is als het ware een vorm van kwaliteitsborging. Ook dat is een les die we dit jaar konden leren.

    10. De pandemie verscherpt ons realiteitsbesef

    Cultuur – Nieuwe vormen, nieuwe ideeën: corona zet aan tot creativiteit. Toch ziet theaterregisseur Karin Beier weinig reden tot optimisme.

    Als de pandemie ons iets kan leren, is het een aangescherpt realiteitsbesef: nederigheid ten opzichte van de immense kwetsbaarheid van onze samenleving, kennis van onze eigen verantwoordelijkheid, het in twijfel trekken van alles wat normaal is.

    Dat geldt ook voor de microkosmos van het theater. We zitten midden in de crisisbeheersing, we moeten leven van ons werk, alle medewerkers veiligstellen en blijven improviseren. Dat maakt de nodige creativiteit los.

    We hebben oplossingen ontwikkeld voor problemen, die ook in de toekomst bepaalde mogelijkheden bieden: we veranderen minder vaak van repertoire, zodat de technologie niet constant opnieuw hoeft te worden opgebouwd. We zochten het publiek steeds vaker op via digitale kanalen.

    Maar digitale formats kunnen alleen overbruggen en aanvullen. Theater behoeft direct contact. Het is een van de weinige openbare ruimtes waarin maatschappelijk relevante vraagstukken – inclusief het destructieve en utopische potentieel van de pandemie – gethematiseerd worden en op artistieke wijze tastbaar gemaakt. Live en met toeschouwers.

    En is dit verlangen om zo snel mogelijk terug te keren naar pre-corona-omstandigheden niet even goed voelbaar in de politiek, in het bedrijfsleven, in de hele samenleving?

    11. Onze kijk op jongeren verandert

    Samenleving – ‘We maken deel uit van een radicale verandering, veroorzaakt door een natuurramp’, zegt socioloog en sociaal psycholoog Harald Welzer. In deze omwenteling legt het virus kwetsbaarheden bloot die al aanwezig waren. Maar de pandemie laat ook nieuwe ontwikkelingen zien.

    We hebben gezien dat onze democratie werkt en stabiel is, zelfs in tijden van crisis. De overgrote meerderheid van de burgers bleek open te staan ​​voor feitelijke argumenten. De bereidheid om samen te werken met de regering is een krachtig hulpmiddel voor democratie.

    En hierin is een speciale rol weggelegd voor de jeugd. Jongeren werden tijdens de pandemie ten onrechte als onverantwoordelijk weggezet. In plaats daarvan hebben ze een hoge mate van solidariteit getoond met de risicogroepen, ook al behoren ze daardoor tot degenen die het hardst door de pandemie worden getroffen.

    Vóór Corona veranderde de oudere generatie nauwelijks hun consumptie- en reisgedrag, maar van de jongeren werd automatisch verwacht dat ze de ouderen beschermden

    Vóór Corona veranderde de oudere generatie nauwelijks hun consumptie- en reisgedrag, al liggen alle feiten over klimaatverandering op tafel. Maar van de jongeren werd automatisch verwacht dat ze de ouderen beschermden – wat ze ook deden.

    Nu is het tijd om solidair terug te zijn, bijvoorbeeld door af ​​te zien van onnodig consumentisme, ten gunste van de mogelijkheid tot leven en overleven in de eenentwintigste eeuw.

    12 Corona helpt ons in de strijd tegen klimaatverandering

    Wereldwijde opwarming – Corona is een uitdaging die ons zou kunnen leren hoe we die nog grotere uitdaging – klimaatverandering – kunnen aangaan, zegt politicoloog Kira Vinke.

    Onze aanpak van de pandemie onthult op indrukwekkende wijze dat we in staat zijn om te handelen, als individuen en als collectief. Dat we profiteren van het implementeren van de aanbevelingen van de wetenschap. En dat individueel gedrag direct invloed heeft op het verloop van een mondiale dreiging.

    De dreiging van een virus is concreet, terwijl velen klimaatverandering niet als onmiddellijke dreiging zien. Toch kan op sommige plekken al worden waargenomen dat mensen sterven door toenemende hittegolven, overstromingen en stormen. Om dergelijke noodsituaties te voorkomen – zo leert de coronacrisis ons – kunnen we niet wachten tot het probleem bij ons op de stoep staat.

    Het goede nieuws is dat er nog zoveel ongerepte wildernis en zo veel bedreigde gebieden zijn die we effectief kunnen beschermen

    Het is essentieel om preventief te handelen.

    Het goede nieuws is dat er nog zoveel ongerepte wildernis en zo veel bedreigde gebieden zijn die we effectief kunnen beschermen. De financiële middelen en ook de technische oplossingen zijn beschikbaar. Maar de belangrijkste vereiste blijft een drastische vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

    Zowel corona- als de klimaatcrisis zijn vooral gebaat bij een principe dat elke functionerende samenleving bijeenhoudt: solidariteit.

    13. Eindelijk digitaal onderwijs op school

    Onderwijs – Afstandsonderwijs in lockdown: voor onderwijsonderzoeker Nele Hirsch was dit slechts een voorproefje van de school van de toekomst.

    Corona heeft geleid tot meer openheid voor digitalisering. Leraren die er nog nooit mee in aanraking waren geweest, kregen bijscholing. Dit biedt de mogelijkheid om modern onderwijs te bevorderen en te verankeren in scholen.

    Het gaat niet alleen om de overgang van analoog naar digitaal, maar van geïsoleerd tot verbonden: welke ervaringen hebben docenten, studenten en scholen gehad? Wat werkte wel en niet? Waar moet het heen? Hoe moeten de lessen er concreet uit komen te zien?

    Deze ontwikkeling maakt docenten allesbehalve overbodig

    Deze ontwikkeling maakt docenten allesbehalve overbodig. Ze moeten veel meer concepten ontwikkelen, ze moeten leeromgevingen ontwerpen. Leerlingen moeten individueel worden begeleid. Dat is tijdrovend. We hebben meer leraren nodig, meer tijd om bij te scholen, meer ruimte om kinderen individueel te ondersteunen. Up-to-date onderwijs kost geld.

    Als de politiek daar niet op reageert, is dat fataal.

    14. De verplichte onderbreking helpt om prioriteiten te stellen

    Ervaring – Stephan Adelmund verloor de facto zijn baan door corona – en ontdekte de luxe van plotseling tijd hebben.

    ‘Ik had een evenementenbureau, een muziekschool, een strandclub en een online winkel.

    Als zanger van de band Knallfrosch Elektro speelde ik 100 concerten per jaar. Ik racete zo snel dat ik niet meer wist hoe het was om niet onder druk te staan.

    Toen kwam de pandemie. Alles viel plat. Ik had bang kunnen zijn. In plaats daarvan voelde ik opluchting. Ik kon afwegen welke dingen goed voor me waren en welke ballast. Ik stelde mezelf de vraag: welke materiële luxe heb ik echt nodig, en waar is de grotere luxe van gewoon tijd?

    Muziek maken is goed voor mij, dat moest blijven. Maar ik heb mijn evenementenbureau ontbonden. Mijn grote huis voelde als een last. Ik heb het vakantiehuis van mijn ouders gerenoveerd en ben verhuisd naar 30 vierkante meter.

    Nu weet ik: het waren de kleine dingen die mijn leven onnodig moeilijk maakten. Misschien lijkt het makkelijk om ergens afstand van te doen. Voor mij was de hindernis dat ik patronen moest doorbreken waar ik al decennia lang aan gewend was. Ik was verrast dat mijn nieuwe leven in alle opzichten gezonder aanvoelde.’

    15. Europa komt sterker uit de crisis

    Politiek – De pandemie heeft veel mensen in hun levensonderhoud gestoord. Maar de economie is overeind gebleven en de EU heeft bewezen te kunnen handelen.

    Deze crisis is ingewikkelder dan eerdere economische crises. In dergelijke noodsituaties grijpt meestal de staat in, zodat de cyclus gaande blijft. Hij staat garant voor leningen, deelt geld uit zodat mensen blijven consumeren, zodat bedrijven nieuwe machines kunnen kopen et cetera. Maar nooit in de geschiedenis van de moderne industriële samenleving was de staat gedwongen om delen van de economie stil te leggen.

    Sinds het begin van de crisis is het doel geweest om de economie, dus de oude wereld, weer zo snel mogelijk op gang te krijgen en de schade te beperken. Het gaat niet om minder of duurzamer, maar om überhaupt verder te kunnen.

    The Economist omschreef de wereld tijdens de pandemie als ‘90 procent-economie’: een economie zonder luchtvaart en toerisme, zonder evenementen, cultuur en gastronomie. Tien procent minder klinkt niet eens zo erg, maar er zitten miljoenen banen in deze tien procent – in restaurants, bioscopen, theaters, muzikanten, fitnesstrainers, obers en koks.

    Hier wordt een blauwdruk gecreëerd voor toekomstige crises. Europa is machtiger geworden

    Veel landen hebben hun reddingspakketten zo ontworpen dat grote sommen geld naar nieuwe technologieën, digitalisering en klimaatbescherming stromen. Een derde van het pact van 1,8 miljard euro is bestemd voor klimaatbescherming. Hiervan maakt 750 miljard euro deel uit van het ‘corona-reddingspakket’: een historische prestatie die, ook al blijft het een omstreden beslissing, de EU op lange termijn zal veranderen. Hier wordt een blauwdruk gecreëerd voor toekomstige crises. Europa is machtiger geworden.

    Elders hebben zich drie belangrijke veranderingen voorgedaan, of ze doen zich momenteel voor: enerzijds komt het land waarin de pandemie begon naar voren als de winnaar – de economie in China is allang hersteld. Ten tweede: de krachtige technologieplatforms (Google, Facebook, Amazon) zijn nog krachtiger geworden.

    De derde grote verschuiving betreft de rol van de staat: in deze crisis treedt de staat niet alleen op als redder, maar als actor die steeds dieper doordringt in industrieën en bedrijven door middel van leningen en investeringen.

  • 1. Bondgenootschappen à la carte

    1. Bondgenootschappen à la carte

    NAVO, Comecon, Europese Unie, Warschaupact: het zijn straks begrippen uit het verleden. De allianties die vandaag de dag worden gesmeed, berusten niet meer op politieke ideologieën, maar op commerciële belangen.

    ‘Het anti-Sovjetcement dat ons tijdens de Koude Oorlog bij elkaar hield is allang verdwenen. Momenteel hebben we een liefdeloos huwelijk waarin de twee partijen onder hetzelfde dak blijven wonen zonder dat er nog sprake is van een werkelijke band.’ Zo beschreef Richard Haass, voorzitter van de Amerikaanse denktank Council on Foreign Relations en belangrijk beschouwer van de buitenlandse politiek van Amerika, in een recent artikel op de website van Project Syndicate de relatie tussen Turkije en de Verenigde Staten. Een beeld dat gemakkelijk valt te veralgemeniseren. De aard en het doel van bondgenootschappen, partnerschappen en belangengroeperingen zijn bepalend geworden voor de toekomst van het internationale systeem. Daaruit zullen de principes voortvloeien waarop het buitenlands beleid van grote mogendheden is gebaseerd.

    In feite hebben de Verenigde Staten geen reden om te klagen over de nieuwe werkelijkheid waarin de wereld zich bevindt. Het is juist Washington dat destijds twijfels uitte over de aard van de bondgenootschappen die als gevolg van de Koude Oorlog waren ontstaan. Tijdens een gesprek met tv-presentator Larry King in december 2001 zei de toenmalige minister van Defensie Donald Rumsfeld: ‘Er bestaat niet maar één coalitie. Er zijn verschillende coalities. Landen doen wat ze kunnen. Landen helpen zoveel ze kunnen. En dat is de benadering die omarmd zal moeten worden. Ik zal u zeggen waarom: het ergste wat je kunt doen is een coalitie over een missie laten beslissen. Het is de missie die de coalitie moet bepalen.’

    Rumsfeld sprak over de strijd tegen het terrorisme, een thema dat na 11 september 2001 alle andere issues van de Amerikaanse politieke agenda had gevaagd. Maar de commentatoren hadden zich onmiddellijk afgevraagd of het Pentagon niet van plan was de facto een eind te maken aan de relaties die werden bepaald door de NAVO en over te stappen op gelegenheidsbondgenootschappen. Hun ongerustheid was gegrond, want de minister van Defensie dacht inderdaad dat de tijd waarin men ‘als een verenigd front optrok’ voorbij was en dat de Verenigde Staten hun partners voortaan van geval tot geval zouden kiezen naargelang hun doelstellingen. De verdeeldheid die zich het jaar daarop in het Atlantisch bondgenootschap manifesteerde over de interventie in Irak (Frankrijk en Duitsland waren daar fel tegen gekant) hebben de door Rumsfeld geschetste tendens schijnbaar versterkt. Daarna verliep de inval in Irak zo rampzalig dat Rumsfeld moest aftreden en men weer van zijn ideeën over de relatie tussen de Verenigde Staten en hun bondgenoten is afgestapt.

    Trans-Atlantische retoriek

    George W. Bush heeft tijdens zijn tweede ambtsperiode de gebruikelijke trans-Atlantische retoriek, zoals gemeenschappelijke waarden, weer van stal gehaald, net als zijn opvolger Barack Obama. Toch is het zaadje dat Donald Rumsfeld had geplant ontkiemd, temeer omdat Washington steeds meer moeite had met de verdeling van de financiële lasten van de NAVO, die voor 75 procent door de Verenigde Staten werden gedragen. Onder Donald Trump, die niet de reputatie heeft zachtzinnig te werk te gaan, is het pas echt tot een uitbarsting gekomen: als bondgenoten hun steentje niet bijdragen, wat schiet je er dan mee op? Ook al kent de neiging om ‘in marmer gehouwen’ bondgenootschappen af te schaffen al een lange geschiedenis, ze is momenteel in een nieuw stadium beland. Rumsfeld bedoelde dat de Amerikanen weer de vrijheid moesten krijgen om de ‘menukaart’ te bestuderen en daarvan het gerecht te kiezen dat ze het liefste wilden. Maar wat Richard Haass beschrijft is de vrijheid om gerechten te kiezen die gisteren nog niet eens als garnituur werden beschouwd.

    Turkije is daarvan een goed voorbeeld. Recep Tayyip Erdogan gedraagt zich alsof de NAVO niet meer bestaat. De diepgaande meningsverschillen die Turkije heeft met zijn Europese bondgenoten en met Amerika zijn systematisch geworden. Het politieke model van Turkije beantwoordt niet langer, zelfs niet formeel, aan de criteria van moderne democratieën die voorwaarden zijn om tot een westers bondgenootschap te behoren. Het gevolg is dat Turkije vervangende partners zoekt, zoals Rusland, Iran en China, en overweegt zich aan te sluiten bij de Shanghai-samenwerkingsorganisatie [een veiligheidspact uit 2001 tussen Rusland, China, Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan en, sinds 2017, India en Pakistan] en de BRIC-landen [Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika, oftewel 40 procent van de wereldbevolking]. Het politieke model van ‘diversificatie’ dat Erdogan in het leven wil roepen, wordt momenteel zwaar op de proef gesteld. Turkije maakt een ernstige economische en financiële crisis door die het gevolg is van de sancties van Amerika. Op zoek naar steun heeft Turkije zich daarom tot Rusland en China gewend, verklaarde tegenstanders van Amerika, zoals Rusland tot voor kort ook een tegenstander van Turkije was. Duitsland heeft de internationale gemeenschap opgeroepen Turkije financieel te steunen, omdat Berlijn in het geval van een economische crisis een migratiegolf vreest. Duitsland is zelf bijna in een openlijke economische oorlog verwikkeld met de VS, zijn belangrijkste bondgenoot. En ga zo maar door.

    De presidenten Erdogan, Rouhani en Poetin houden een persconferentie na de drielandentop tussen Turkije, Iran en Rusland in Teheran, 7 september 2018. © Getty Images
    De presidenten Erdogan, Rouhani en Poetin houden een persconferentie na de drielandentop tussen Turkije, Iran en Rusland in Teheran, 7 september 2018. © Getty Images

    Het anti-Sovjetcement waarover Richard Haass schreef, had een sterk bindende werking. Het was niet alleen bedoeld om het hoofd te bieden aan een gemeenschappelijke militaire dreiging. De wereld was in ideologische en strategische blokken verdeeld, in twee systemen waarbinnen onenigheden tussen bondgenoten werden opgelost met een zekere doeltreffendheid, ook wel minnelijke schikking genoemd. De dreiging van buitenaf was te groot om de eenheid te laten verstoren door onderlinge conflicten.

    ‘Er bestaat niet maar één coalitie. Er zijn verschillende coalities. Die benadering moet omarmd worden’

    Toen het oude systeem verdween, kwamen er al gauw weer belangenconflicten aan de oppervlakte, vaak op zuiver economische gronden. Toen de globalisering in volle gang was, onder auspiciën van de Verenigde Staten, had vrijwel iedereen daar baat bij – niet in dezelfde mate, maar voldoende om meningsverschillen op een beschaafde manier op te lossen. Momenteel, nu een steeds groter aantal inwoners van westerse mogendheden niet langer genoegen neemt met de verdeling van de rijkdom, nu de ‘wereld zonder grenzen’ steeds gevaarlijker lijkt, worden de principes voor economische samenwerking opnieuw geëvalueerd.

    De slogan ‘America First’ is daar een perfect voorbeeld van. Het gaat in de eerste plaats om de economie, maar alles houdt ermee verband. De drastische sancties die aan concurrenten worden opgelegd (in sommige gevallen politieke bondgenoten), of om preciezer te zijn de nieuwe voorwaarden die hun voor een partnerschap worden opgelegd, verstoren het beeld van een evenwichtig bondgenootschap dat is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden.

    Stormram

    Trump speelt op dit nieuwe toneel de rol van stormram. Zijn opvolger, wie het ook zal zijn, zal alle fouten op zijn lompe voorganger kunnen afschuiven en de Europeanen kunnen verleiden met zijn verfijnde manieren. In wezen echter vindt de basale benadering van Trump veel weerklank in Amerikaanse politieke kringen: onze bondgenoten dienen geen voorrechten te genieten die alleen maar bestaan bij de gratie van door ons verstrekte garanties. Maar deze overwegend economische benadering tast de fundamenten van de NAVO aan.

    Het lot van de gaspijpleiding Nord Stream 2, waardoor Russisch gas via de Oostzee naar Europa zal worden gepompt en waarover momenteel gesteggeld wordt, zal aan de ene kant de toekomst van de trans-Atlantische gemeenschap bepalen, en aan de andere kant de relatie EU-Rusland. Tijdens een persconferentie in Helsinki, na afloop van zijn ontmoeting met Poetin, verklaarde Trump: ‘Wat die gaspijpleiding betreft, daar gaan we mee concurreren.

    Ik weet niet zeker of de belangen van Duitsland daarmee het best zijn gediend, maar dat moeten ze zelf maar beslissen. Wij verkopen ook vloeibaar gas, we moeten concurreren met die gaspijpleiding en dat zullen we doen ook, ook al hebben ze enkele voordelen. Ik heb Angela Merkel flink de waarheid gezegd over deze kwestie.’ Helderder kon het niet worden verwoord, zonder dat er gewezen werd op de gevaren van de afhankelijkheid van één leverancier, de energieveiligheid van Europa, de toekomst van de Oekraïne et cetera.

    We stevenen af op een impasse, vergelijkbaar met de situatie met Iran. De Europese Unie heeft het opzeggen door de VS van het nucleaire akkoord met Iran scherp veroordeeld en verklaard vastbesloten te zijn haar verplichtingen na te komen.
    Maar de grote ondernemingen beginnen zich al uit Iran terug te trekken vanwege hun afhankelijkheid van de Amerikaanse markt. In het geval van de Nord Stream 2 is de situatie hetzelfde. Alle partners van het project aan Europese zijde zijn multinationals met grote belangen in de Verenigde Staten.

    De VS kan zijn bondgenoten 
laten capituleren, maar dat zal 
de alliantie er niet sterker op 
maken

    Schijn van daadkracht

    Zaken zijn zaken, maar de politieke kant van de zaak is verbazingwekkender. Duitsland, de grootste partner van de VS in Europa, wordt openlijk onder politieke druk gezet om af te zien van een project waaraan het veel belang hecht, vooral in economisch opzicht. Bulgarije heeft vier jaar geleden hetzelfde meegemaakt toen de regering daar na een bezoek aan Sofia van een delegatie Amerikaanse senatoren onder leiding van John McCain aankondigde zich terug te trekken uit het gaspijpleidingproject South Stream. Maar Bulgarije is een klein en erg afhankelijk land, terwijl er in het huidige geval druk wordt uitgeoefend op een van de politieke en economische leiders van de EU.

    Wat doe je in zo’n geval? Dat is de vraag. De schuchtere verklaringen over het versterken van de Europese strategische autonomie, bepleit door Emmanuel Macron, of de aankondiging van de oprichting van alternatieve organisaties zoals een Europese pendant van het netwerk Swift, op aandringen van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas, lijken voorlopig alleen nog maar boodschappen die bij de Europese kiezer de schijn van daadkracht moeten wekken.
    De Verenigde Staten beschikken over de middelen om hun bondgenoten te laten capituleren, maar dat zal de alliantie er niet sterker op maken. Het idee dat je alleen maar op jezelf kunt rekenen is al een wezenlijk onderdeel van de Europese retoriek.

    De NAVO, en in bredere zin de trans-Atlantische gemeenschap, is destijds als overwinnaar uit de Koude Oorlog gekomen en lange tijd als een voorbeeldig blok gepresenteerd, dat model zou moeten staan voor de oprichting van andere bondgenootschappen. Als daar al een kloof in is ontstaan, terwijl het bestaat uit historisch en cultureel homogene landen, dan kun je je nog moeilijker voorstellen dat landen met een uiteenlopendere bagage stabielere bondgenootschappen zullen kunnen vormen.

    Het vredesproces Astana [een samenwerkingsverband van Rusland, Turkije en Iran dat bedoeld is om een uitweg te vinden uit het Syrische conflict] is een voorbeeld van een nieuw soort partnerschap dat vrijwel op het ideologische erfgoed van Rumsfeld is gebaseerd: namelijk niet op sinds lang bestaande gemeenschappelijke waarden en overeenkomstige belangen, maar op de noodzaak om een concreet probleem op te lossen. We hoeven niet de illusie te koesteren dat er sympathie en vertrouwen heersen tussen Turkije, Rusland en Iran, maar ze delen de overtuiging dat zonder hun interactie de situatie in Syrië nog erger zou zijn voor iedereen. Een basis die solide is gebleken.

    Ander voorbeeld: de Russisch-Chinese relaties. Nogal moeilijk te definiëren. Zeker is dat het niet om een bondgenootschap gaat: de twee partijen zijn te zeer aan hun vrijheid gehecht om zichzelf beperkingen op te leggen ter wille van een bondgenoot. Het is ook geen exclusieve relatie: Rusland en vooral China zou niet willen dat hun toenadering ten koste van andere verplichtingen zou gaan. Het is een partnerschap dat op een subtiele mengeling van relaties op verschillende gebieden berust, zonder een overeenkomstige kijk op waarden. Maar de logica van de ontwikkeling van de twee staten leidt ertoe dat ze hun acties steeds meer coördineren met het oog op hun belangen. Het gaat alleen maar om belangen, om pure berekening, en niet om sentimenten.

    Nabije toekomst

    Het analyseren van de verschillende vormen van interactie is niet alleen een speculatieve exercitie. De actuele gebeurtenissen zullen de bondgenootschapskaart drastisch veranderen. 
De beslissingen over de Nord Stream 2; de tussentijdse verkiezingen in de 
Verenigde Staten in de context van een verwoede politieke strijd om het verzet tegen Trump te testen (niet zozeer tegen zijn persoonlijkheid als wel 
zijn beleid, dat openlijk op handel is gericht); de laatste fase van het gewapende conflict in Syrië; de spanningen rond Idlib, het laatste Syrische bolwerk in handen van de rebellen, die alleen kunnen worden opgelost door een duidelijke herdefinitie van de aanwezige krachten; de ontwikkeling van een nieuwe boodschap aan het adres van de wereld door China; de herdefinitie van het politieke en partijenlandschap van Europa, in de eerste plaats veroorzaakt door de migrantencrisis; de onzekere positie van Groot-Brittannië na de Brexit… Deze kwesties spelen niet in een verre toekomst, maar ergens in de komende maanden.

    De nieuwe aard van de politieke 
partnerschappen ligt vooral gevoelig voor Rusland, dat zich in de voorhoede van deze veranderingen bevindt. Sinds de pijnlijke val van het Oostblok en de Sovjet-Unie gelooft Rusland niet echt meer in bondgenootschappen, ook al heeft het land zich lange tijd ingezet voor het herstel van de organisaties 
die onder zijn vlag opereerden.

    De tijd heeft echter laten zien dat het creëren van multilaterale structuren om je prestige te behouden of gemeenschappelijke waarden te fabriceren, naar 
het voorbeeld van VS en NAVO, geen garantie is voor succes. En wat de onder druk bezegelde partnerschappen betreft met degenen die afhankelijk zijn van de baas (politiek of economisch), die leiden tot wankele 
constructies waarbij de ‘kleintjes’ voortdurend op zoek zijn naar een andere oplossing.

    De massale vlucht van vroegere politieke en militaire bondgenoten naar het kamp van de vroegere vijand heeft grote woede bij Rusland gewekt, maar de Russische kijk op dingen heeft zich ontwikkeld. De politicoloog Sergei Karaganov heeft dat mooi verwoord aan de hand van de hypothese dat de val van het Sovjetblok ‘Rusland onschatbare geostrategische voordelen heeft opgeleverd. Het verlies van onbetrouwbare en kostbare bondgenoten aan West-Europa heeft Rusland van een enorme last verlost. Het hoeft niet langer de republieken van de voormalige Unie te subsidiëren, waar de levensstandaard hoger was in de Sovjettijd en waarvan de inwoners inmiddels vaak naar Rusland emigreren om werk te vinden.’

    Het idee dat Rusland geen bondgenoten zou hebben, blijft rondzingen. Zelfs in Rusland zelf, maar dat is vooral een kwestie van onverschilligheid. Want op het moment dat de multilaterale organisaties en bondgenootschappen vrijwel overal vleugellam zijn, lijkt Rusland zich ‘psychologisch’ beter te gedragen dan andere landen. Een ongebruikelijke en oncomfortabele situatie voor de welvarendste spelers op het internationale toneel. Rusland is bereid relaties aan te knopen om direct overeenkomstige belangen te dienen en concrete problemen op te lossen zonder te pretenderen bondgenootschappen ‘voor het leven, tot de dood ons scheidt’ te sluiten. Dat is in de huidige wereld een voordeel.

    Auteur: Fjodor Loekjanov

    Fjodor Loekijanov (51), een Russische journalist en politicoloog, werkte jarenlang als buitenlandspecialist voor Russische kranten voordat hij in 2002 het blad Rossia v Globalnoï Politiké oprichtte. Hij is tevens voorzitter of bestuurslid van een aantal Russische denktanks en stichtingen op het gebied van de buitenlandse politiek.

    Rossia v Globalnoï Politiké
    Rusland | kwartaalblad | globalaffairs.ru

    In november 2002 opgericht door Fjodor Loekjanov, een Russische journalist en politicoloog die jarenlang werkte als buitenlandspecialist voor Russische kranten. Hij richtte het blad op om de Russische politieke en economische elite te laten meepraten op het wereldtoneel. De Engelse versie heet Russia in Global Affairs.

  • Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.

    Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het 
liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. 
De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van 
de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.

    Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een 
bijeenkomst aan Rutgers University, 
in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.

    Gevaren

    Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel 
die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.

    In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en 
kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het 
Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, 
verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat 
al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses 
bij de kop, maar ook verschillende 
politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante 
Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse 
theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.

    Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd 
op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij 
me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.

    Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement

    Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is 
privacy een groot goed. Precies om 
deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk 
opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.

    Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren 
we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.

    Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, 
en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld 
in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat 
is wat veel van de hardwerkende 
Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk 
op Trump gestemd.

    Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als 
je naar hun website kijkt, zegt Lilla. 
Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.

    Mark Lila
    Mark Lila

    Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.

    De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. 
De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet 
is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een 
destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.

    De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis 
en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en 
activistische bewegingen, en terug-
keren naar de politiek van partijen en instellingen.

    Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die 
de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later 
de obsessie, met identiteit, bracht de 
uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits-
politiek een verruiming, en geen 
vernauwing, van de sterk individualistische tendens.

    Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig

    Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets 
misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden 
dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het 
feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan 
Hispanics of dikke vrouwen. Of dat 
de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun 
volstrekt unieke zelfdefinitie.

    Daaruit volgt dat er binnen deze 
kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.

    Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in 
een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. 
Hij voerde verhitte discussies met 
zijn klasgenoten en wilde hun het 
religieuze licht laten zien.

    Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.

    Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de 
Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en 
kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig.

    Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit 
dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.

    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP
    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP

    Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen 
uit, maar bepleitten realistische, 
concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat 
er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de 
vijanden van de vijanden van de 
arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk 
veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’

    Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School 
of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.

    Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’

    En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de 
Democraten echt iets mee kunnen.

    Ontmanteling van coalities

    Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van 
Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet 
het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.

    Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van 
de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een 
paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.

    De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt 
van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was 
overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
    Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote 
deel van de hoogopgeleide Amerikanen 
verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.

    Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, 
‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’

    Auteur: Gadi Taub
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    ‘Sign of the Times: The struggle for Identity’.
    Stadsschouwburg, 2 juni, 20.30

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 
1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • 5. De Tsjechen zijn een geval apart

    5. De Tsjechen zijn een geval apart

    De landen van Midden-Europa proberen weliswaar hun gemeenschappelijke positie te verdedigen, maar vormen zeker geen ideologisch homogene groep.

    In een Hongaars dagblad poneerde historicus Márton Békés onlangs het idee dat Midden-Europa – natuurlijk met Hongarije aan het hoofd – Europa zou kunnen helpen om weer op het juiste pad te geraken, nu West-Europa de fundamentele waarden van zijn beschaving heeft verloren. Zijn collega Stefano Bottoni wees dit idee echter van de hand, en benadrukte zelfs dat waarden zoals religie, gezin en burgerlijke vrijheden tegenwoordig in de samenlevingen van Midden-Europa niet steviger verankerd zijn dan in het Westen.

    Het is goed om de herverkiezing in januari van Milos Zeman, de pro-Russische en eurosceptische president van Tsjechië, te bezien in de context van dit debat. Ook is het nodig dat deze discussie eindelijk breed wordt gevoerd, zoals dat al jaren gebeurt in Polen en Hongarije, waar ze een grote invloed heeft op de manier van denken van zowel de politici als de kiezers.

    In Slowakije is het debat uitgemond 
in een concrete conclusie: de meerderheid van de Slowaken is het erover eens dat ze zich liever verbinden aan wat het Westen hun te bieden heeft dan te proberen een alternatieve ideologie te vormen. Degenen die zich niet in die opstelling kunnen vinden, voelen zich aangetrokken tot de neonazi’s rond Marian Kotleba, de vroegere gouverneur van de regio Banská Bystrica (Centraal Slowakije) en leider van de Volkspartij Ons Slowakije.

    Migranten in een Tsjechisch detentiecentrum in september 2015. – © Getty Images
    Migranten in een Tsjechisch detentiecentrum in september 2015. – © Getty Images

    De Hongaarse premier werpt zich graag op als verdediger van de traditionele waarden, en heeft het over het gevaar dat de migranten met zich meebrengen, terwijl zijn eigen regering in het geheim asielverzoeken inwilligt. Ondanks de genegenheid 
die hij voelt voor Rusland en China heeft Victor Orbán de behoefte om een deur open te houden naar een Europa dat hij, samen met de Poolse conservatieven, wil veranderen in een Europa van sterke landen.

    Te midden van dat alles blijven de Tsjechen verbazingwekkend koersvast en nemen zij dus geen migranten op, ook niet in het geniep. Anders dan de Hongaren en de Polen, koesteren zij geen verlangen naar een nationale wederopstanding en luiden zij niet de noodklok in naam van zogenaamde verheven principes, net zomin als ze zich druk maken over de plek van hun land in Europa, zoals de Slowaken. Nee, de Tsjechen vertrouwen liever op ‘ervaren politici’, zoals Milos Zeman er een zou kunnen zijn, en op degenen die ‘in een team werken’, onder leiding van de populistische premier Andrej Babis.

    Deze afwezigheid van ideeën en het pragmatisme van de Tsjechen vormen een opvallend contrast met de debatten die in de omringende landen gaande zijn. Polen, bijvoorbeeld, begrijpen helemaal niets van het pragmatisme, dat voornamelijk voortkomt uit ervaringen in het verleden.

    Auteur: Martin Ehl
    Vertaler: Annemie de Vries

    Martin Ehl, een van de meest gerespecteerde kroniekschrijvers van de Tsjechische Republiek, is hoofd van de internationale sectie van het Tsjechische financieel-economische dagblad Hospodárské Noviny.Hij is gespecialiseerd in Midden-Europa, het Europese veiligheidsbeleid en trans-Atlantische verhoudingen. Voorheen werkte hij op het instituut voor internationale betrekkingen in Praag, en hij is auteur van een verzameling analyses en reportages onder de titel Het derde Decennium. Een essay over het leven, de politiek en de mensen tussen Brussel en Gazprom.

    Hospodárske Noviny
    Tsjechië | dagblad | oplage 68.000

    Deze kwaliteitskrant werd opgericht in 1957. Hij richt zich vooral op mensen uit de zakenwereld en biedt uitstekende politieke, economische en financiële berichtgeving. Er bestaat ook een Slowaakse versie van.

  • Bio voor de massa

    Bio voor de massa

    De Europese markt voor biologische producten is booming. Waren deze vroeger alleen te koop in kleine biowinkels, tegenwoordig storten zelfs prijsvechters als Aldi en Lidl zich op de lucratieve groeimarkt. Pure milieuwinst, of verkwanselt de sector zo zijn idealen? Het Brusselse tijdschrift Médor ging op onderzoek uit.

    ‘Ja tegen de diversiteit van lokale bioproducten, nee tegen de macht van het grootwinkelbedrijf.’ Onder die slogan werd afgelopen zomer geprotesteerd tegen de vestiging van een Bio-Planet-supermarkt in de Waals-Brabantse stad Korbeek. En die protesten kwamen uit de biowereld zelf! Onder andere van Archenterre, een kleine producent van biologische groenten en fruit en van Bi’Ok , een van de eerste biologische winkels in Wallonië. Een intern conflict tussen bio-bedrijven – gewoon een gevecht om marktaandeel? Niet alleen. Het protest kwam ook voort uit de angst dat deze brutale nieuwkomer, onderdeel van de Colruytgroep [Belgische multinational met een omzet van 9,5 miljard euro en honderden supermarkten in België, Luxemburg en Frankrijk], met zijn in plastic verpakte en op duizenden kilometers afstand geproduceerde biologische waren het einde zou betekenen van het bio-ideaal: langzame productieprocessen en bewuste consumptie met respect voor mens en milieu.

    ‘Biologische landbouw betekent niets anders dan: geen gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, geen toevoegingen aan bewerkte voedingsmiddelen en geen kunstmest,’ brengt François de Gaultier, landbouwdeskundige en assistent-hoogleraar aan de Hogeschool van de provincie Namen, in herinnering. ‘Dat is alles. Je kunt aan “biologisch” geen eisen stellen die de term zelf niet belooft.’

    Maar voor de activisten moet ‘biologisch’ aan meer criteria voldoen dan alleen aan de officiële. ‘Er zijn twee stromingen in de biowereld,’ zegt Pauline Henrion van Bi’OK, een keten van vier winkels in Waals-Brabant. ‘Aan de ene kant de mensen die gewoon beter willen eten, en aan de andere kant de mensen die het welzijn van de wereld beogen.’ Dat geldt niet alleen voor de klanten maar ook voor de winkeliers: sommigen willen alleen maar verkopen, anderen willen een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij.

    Aldi: ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment’

    In de wereld van het biologisch voedsel draait het tegenwoordig steeds meer om de detailhandel. Nieuwe spelers storten zich en masse op een aantrekkelijke groeimarkt. Claude Gruffat, auteur van 
Les dessous de l’alimentation bio (de achterkant van biologisch voedsel) ziet dat ook. ‘In Frankrijk staan we nu voor een verandering van schaal in de consumptie van biologische producten. De laatste tijd noemt iedereen het een markt. In Frankrijk beslaat die nu 
4 procent van de totale voedingswarenmarkt, en meestal is dat het punt waarop ook nieuwkomers zich ook in de niche willen begeven.’

    4 procent? Dat is precies het marktaandeel dat ‘bio’ heeft op de Belgische voedingsmiddelenmarkt. Een koek die steeds groter wordt, maar waarvoor zich steeds meer eters melden: Bi’OK (4 vestigingen) Bio-Planet (27), Färm (6), Al Binète (4), Sequioa Bio & Natural Market (6), Biocap (4), Biostory (3), Ekivrac (2), La Ruche qui dit oui (102) en ontelbare andere lokale winkels die we hier onmogelijk allemaal kunnen opnoemen…
    Om de schappen in al die nieuwe zaken te kunnen vullen breidt het landbouwaanbod zich uit. Sinds 2003 is het aantal biologische boeren in Wallonië vrijwel verviervoudigd: hun aantal is van 455 gecertificeerde boeren in 2003 gestegen naar 1493 in 2016, ofwel 12 procent van alle Waalse boerderijen. De hoeveelheid bouwland is meer dan verdrievoudigd: van 20.736 hectaren naar 71.289 hectaren, ofwel 10 procent van het Waalse boerenland.

    Ook de grote supermarkten nemen biologische producten nu serieus, en zelf ondervinden zij weer concurrentie van discounters als Aldi en Lidl, die nu 10 procent van de biologische producten verkopen, tegen 1,2 procent in 2008. En daarmee doen ook de prijzenoorlogen hun intrede.
    ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment,’ zegt Julien Wathieu, woordvoerder van de Lidl/Aldi-groep. Ondanks dat agressieve prijsbeleid zijn biologische producten in het algemeen nog steeds duurder dan gewone. En de winstmarges zijn hoger.

    Volgens een onderzoek uit augustus 2017 door de Franse consumentenorganisatie UFC-Que choisir, verdient het grootwinkelbedrijf aanzienlijke marges op de biologische producten. De organisatie vergeleek 24 soorten fruit en groenten en ontdekte dat het groene boodschappenmandje 79 procent duurder uitkwam dan het mandje met conventionele producten. Er zijn twee verklaringen voor die hogere vraagprijs: voor een deel heeft die te maken met de hogere productiekosten in de biosector en voor het andere deel is ze te wijten aan… de extra winstmarges die 
de grote winkelketens erop leggen. Die winst is met name mogelijk doordat deze bedrijven grootschalig kunnen inkopen bij bedrijven uit heel Europa.
    ‘De grootste concurrent, biologisch of niet-biologisch, is Spanje, omdat daar de sociale normen lager zijn,’ verklaart landbouwkundige François de Gaultier. ‘De concurrentie komt ook van Nederland, waar de productie heel sterk gemoderniseerd is, met hightechkassen en geautomatiseerde teelt.’

    Een bezoek aan de Lidl van Molenbeek biedt natuurlijk maar een momentopname, maar klopt precies met het verhaal van de landbouwkundige. Op de afdeling biologische groenten en fruit komen de cocktailtomaatjes uit België, maar de wortelen, courgettes, krielaardappeltjes en citroenen hebben een reis uit Nederland of Spanje achter de rug. Wat al deze producten gemeen hebben? De laagste prijs.

    Belgisch-Mexicaanse komkommers

    De eerste Bio-Planet in Brussel ligt in een chique buurt. Al op de besloten parkeerplaats maakt deze zaak in de Brusselse deelgemeente Ukkel je duidelijk dat je hier een duurzaam gebouw binnengaat, met zo min mogelijk CO2-uitstoot, een geheel geïsoleerd gebouw, ledverlichting. Met zijn ruwhouten planken die in de verte de sfeer van een Canadese blokhut oproepen, vertelt deze supermarkt dat hier alles puur natuur is. En gecertificeerd ‘bio’.

    Achter in de zaak doet een met glas afgescheiden gedeelte dienst als koelruimte. Even daarbuiten liggen uien (uit Nederland), sjalotjes (uit Frankrijk), zoete aardappelen (uit de VS en Spanje), afgeprijsde Boni-aardappelen (uit Italië), krielaardappeltjes (uit Engeland), avocado en gember (uit Peru), knoflook (uit Spanje). De losse wortelen komen uit Nederland en de ongewassen wortelen zijn regelrecht uit Spanje gekomen. Maar de frambozen, appels, peren, komkommers en raapjes zijn Belgisch. Net als de tomaten, pompoenen, paprika’s, pepers, kerstomaatjes, sla, spinazie, peterselie, jonge uien, boontjes, radijsjes, courgettes, champignons, venkel, selderie, aubergine en kool. Een van de belangrijkste leveranciers van deze groenten is EcoVeg, een bedrijf dat in 2000 is opgericht door Krist Hamerlinck en Cindy Declercq, op de grens tussen Nederland en België. EcoVeg had in 2016 een omzet van 10 miljoen euro. De familie Hamerlinck runt ook het Luxemburgse Organic Farming Invest, dat via een eigen bedrijf in Mexico levert aan de Amerikaanse markt. Dit bedrijf voorziet de New Yorkers dus van biologische komkommers, na een reis van 4000 kilometer.

    ‘In Wallonië bestaat nog het model van het familiebedrijf met een menselijke schaal, of dat nu biologisch of conventioneel is, terwijl Vlaanderen zich meer op de intensieve landbouw richt,’ zegt Pierre Wiliquet, woordvoerder van de Waalse minister van Landbouw René Collin (cdH). Het is dan ook in Vlaanderen dat BelOrta, de grootste groentekweker van Europa, met een half miljard omzet, groot is geworden. BelOrta is nu ook bezig met de ontwikkeling van een biologische tak.

    ‘We komen nu op een punt dat de gebruikelijke consumentenstandaarden gaan gelden, denkt Claude Gruffat, directeur van de Franse keten Biocoop. ‘Biologisch voedsel was ooit een maatschappijvisie, een gedeeld ideaal, waaraan men een Europees regelement had opgehangen. Nu hebben we alleen nog die Europese regelgeving.’ Anders gezegd: de enige norm die geldt om iets ‘biologisch’ te mogen noemen is die gemeenschappelijke regelgeving.

    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm
    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm

    Al brandt er nog wel ergens een ethisch lichtje in het duister van de massaconsumptie, de Europese biosector is inderdaad zijn glans kwijtgeraakt. Die sector doet nu meer dan het gebruik van pesticiden en kunstmest verbieden. Ze eist gewasrotatie, maar laat producten toe die voor 5 procent uit niet-biologische ingrediënten bestaan en tolereert producten met maximaal 0,9 procent besmetting door genetisch gemodificeerde organismen. Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid betreft biedt het label ‘bio’ geen enkele garantie. ‘We zien nu dat de oorspronkelijke waarden verdwijnen en dat er een oneerlijke concurrentie ontstaat tussen een systeem dat die waarden nog koestert en een systeem waarin alleen het geld telt. Als je het over de waarden van eerlijke landbouw hebt, van eerlijke handel, dat is allemaal verloren gegaan,’ volgens Claude Gruffat.

    De tomaten, komkommers, aubergines, courgettes van EcoVeg zijn te vinden in de schappen van Bio-Planet, maar ook bij supermarktketen Delhaize en bij verscheidene klanten van Interbio. En misschien wel bij iedereen. Want de Waalse kweker levert onder andere aan Färm, Sequoia, Bi’OK, Bio Fagnes, Biocap en aan veel biologische zaken en boerderijwinkels in Wallonië die zo hun assortiment compleet maken.

    Onder de detailhandels is Färm (met zes winkels, binnenkort zeven, in Brussel en Louvain-la-Neuve,) een geval apart. Dit bedrijf geldt als een afschrikwekkend voorbeeld in de sector, die altijd twijfelt aan de goede bedoelingen van mogelijke financiers. Färm is allereerst het verhaal van Baptiste Bataille en Alexis Descampe. Deze twee leerden elkaar kennen tijdens hun studie biologie, en openden vervolgens samen een winkeltje, The Peas, in het Brusselse Etterbeek. Hun ideaal is het verkopen van biologische, lokaal verbouwde producten. Met respect voor de gezondheid, het milieu, de mens.

    Een van hun klanten, een dertigjarige hipster op een fiets, geeft hun zijn visitekaartje. Dat leidt tot gesprekken, tot plannen en de uitvoering daarvan. Plannen om groter te worden. Heel groot. Heel héél groot. Want de fietser zit in de autobusiness. Hij heet Lionel Wauters en is lid van de familie Moorkens, een van de rijkste families van België, die haar fortuin heeft verdiend met de import en verkoop van auto’s, waaronder Mitsubishi en Toyota. Het familiebedrijf heet Alcopa en het is een zwaargewicht met meer dan 2300 medewerkers in 19 landen en een jaaromzet van 1,7 miljard. Tot 2015 was Lionel Wauters lid van de raad van aandeelhouders van het familiebedrijf, die de langetermijnvisie moest bewaken. Deze ingenieur en architect is ook CEO van Urbani, een vastgoedbedrijf dat gespecialiseerd is in ‘duurzaam en gebruiksvriendelijk vastgoed’. Het verhuurt meer dan 160 appartementen, voornamelijk in Brussel.

    De nieuwe partners laten er geen gras over groeien en praten over schaalvergroting. ‘We willen niet groeien om het groeien, maar om werkelijk gewicht in de schaal te kunnen leggen als het om maatschappelijke kwesties gaat,’ verklaarde Färm-oprichter Alexis Descampe. Maar geld telt, en Lionel Wauters wordt in 2015 bestuursvoorzitter van Färm.coop. In zijn kielzog komen zijn oom François Stoop en Olivier van Cauwelaert mee, die ook partner zijn bij Urbani en bij Scale Up, de tak van het bedrijf die duurzame projecten financiert (waaronder nu Färm en vooral Färm Louvain-la-Neuve, waarin Scale Up 750.000 euro heeft geïnvesteerd). Scale Up belooft zijn aandeelhouders een rendement van 7 procent per jaar. De drie mannen zitten nu in de raad van bestuur van Färm-coop en Alexis Descampe is CEO geworden.

    Het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger

    Baptiste Bataille is inmiddels weggewerkt. Een behoorlijke schok voor veel mensen in de biowereld. ‘Hij was de ziel van Färm,’ legt een leverancier uit. Nu echter een verdoemde ziel, die geen antwoord wilde geven op onze vragen. ‘Het vertrek van Baptiste, waarbij wij gezien werden als de schurken in het spel, heeft vooral te maken met een verandering van onze rollen bij het groter worden van Färm,’ verklaart Alexis Descampe. Directeur Olivier van Cauwelaert wijst op het verschil in ambities bij het uitbouwen van de onderneming. ‘Twee jongemannen van nog geen dertig, die een winkel hebben met zes medewerkers en een omzet van een miljoen. Nu is Färm een bedrijf met zes winkels en honderd medewerkers. De stijl van leidinggeven is veranderd. Je moet planmatiger werken, meer als management optreden. En in die ontwikkeling voelde Baptiste zich niet thuis.’ En de waarden van de biowereld, het vermenselijken van de handel, zullen die zich er wel thuis voelen? Want de uitbreiding is nog lang niet afgelopen. Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. Oftewel: een zaak per twee maanden.

    Afgelopen november kondigde de krant L’Echo aan dat de regio Brussel via de regionale investeringsmaatschappij SRIB vijfhonderdduizend euro in het Färm-avontuur zou stoppen, en de grootste aandeelhouder van het bedrijf zou worden. En de winkels zijn maar één aspect van de ontwikkeling van Färm, dat ook producent wil worden. Het idee daarachter? Investeren in de bewerking en de productie om zo een compleet bioplatform te hebben. ‘Als je niet wilt dat de klassieke grootwinkelbedrijven de biosector overnemen, moet je iets doen,’ verklaart Olivier Van Cauwelaert, de vertegenwoordiger van Scale Up. ‘We moeten onszelf niet voor de gek laten houden door het industriële bio-aanbod van Delhaize en Colruyt. Om dat soort volumes wortelen te leveren hebben ze 100 hectaren nodig. Onze producenten werken op tussen de 1 en 20 hectare, en daar verbouwen ze ook nog verschillende gewassen. Dat is een andere filosofie.’ Colruyt wordt dus afgewezen door Färm, dat zelf wordt afgewezen door de kleine biowinkels.

    Nu Färm voor zijn vleesproducten de hele keten in eigen hand heeft, kondigt Olivier Van Cauwelaert vier nieuwe productketens aan – eerlijke ketens waarvan elke schakel door Färm wordt gecertificeerd, wat meteen ook de mogelijkheid biedt om de prijs en de herkomst van de producten te controleren: groenten (met twaalf producenten in de buurt van Louvain-la-Neuve), zuivelproducten, oliehoudende producten en vis. Allemaal zullen ze worden verhandeld onder een andere merknaam dan Färm, zodat ook derden ze kunnen verkopen.

    De medewerkers van het bedrijf maken zich niet zozeer zorgen over de kwaliteit van de Färm-producten, want die staat niet ter discussie. Wel hebben ze hun twijfels over het profiel van de investeerders, hun managementmethoden, hun snelle uitbreidingsplannen en over het wegwerken van een van 
de oprichters. ‘Toen Baptiste eruit ging, hebben we vragen gesteld,’ verklaart een werknemer. ‘Hij stond meer op één lijn met ons, hij streefde naar transparantie. De bestuurders profiteren van het feit dat de medewerkers zich betrokken voelen bij biologische producten. Ze zeggen tegen ons “Jullie zijn de winkel”, hebben het over “färmers” in plaats van werknemers, over “het plan” in plaats van de onderneming. Allemaal nieuwe managementtaal. Maar het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger.’ Is Färm dus een onderneming als alle andere? ‘Nee,’ vindt de medewerker. ‘Je kunt nog wel rechtstreeks contact hebben met Alexis. Er zijn werkgroepen ingesteld. Er heerst wel de sfeer van een collectief.’

    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm
    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm

    Färm zou in een overgangsfase zitten. En dat geldt ook voor het personeel. Alexis Descampe geeft het toe: ‘Met de groei van het bedrijf hebben we een periode gehad waarin er nogal top-down werd gewerkt, maar dat was voor niemand houdbaar.’ Sindsdien zijn er werknemerscomités ingesteld (waar iedereen welkom is) waar gediscussieerd en beslist wordt over verschillende aspecten van Färm, zoals het verantwoord ondernemerschap, de uitbreiding van het plan Färm of de vraag of producten van anderen al dan niet via de website worden aangeboden. (Zo is het bier Ginette uitgesloten, sinds het is opgenomen door ABInBev). Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? En zonder de diversiteit van het huidige assortiment teniet te doen? De mensen uit de biosector die we ernaar hebben gevraagd staan argwanend tegenover alle ontwikkelingen. Wanneer de top van Färm spreekt over ‘samenwerken’ horen kleinere spelers ‘overname’ en ‘standaardisatie’.

    Strohoedje voor reclame

    In de strijd tussen Bio-Planet en Färm kun je als heel kleine speler de klappen ontwijken. Sterker nog, ‘kleine’ producenten worden het hof gemaakt door de nieuwe spelers in de sector. BioPlanet, Färm, e-Farmz, Sequoia, allemaal hebben ze geprobeerd Pia Monville, biologisch boerin uit Court-Saint-Etienne, aan boord te krijgen. Pia werkt samen met haar man al acht jaar op drie hectare grond. Sinds kort voelt ze dat er ‘iets broeit’. ‘Vroeger waren onze klanten heel trouw. Nu bestaat eenderde van onze klantenkring uit “sprokkelaars”, de rest is vast. Voor mij is dat het begin van een teruggang.’ Maar ze heeft elke samenwerking met de nieuwkomers geweigerd. ‘Als ik een deel van mijn zeggenschap kwijtraak, moet ik vast mijn productie verhogen of me gaan specialiseren. Dat zou het einde zijn van wat me altijd voor ogen heeft gestaan. Het kan me niet schelen of ze me aardig vinden of niet. Ik wil goed zijn in wat ik doe. Maar zij willen me vooral een strohoedje opzetten voor hun reclame…’
    Als zo’n samenwerking wel lukt, wordt daar inderdaad overvloedig aandacht aan besteed door de partnerwinkels, die maar al te graag hun landelijkheid en authenticiteit etaleren.

    Voor Pia Monville is het duidelijk: ‘Je voelt gewoon dat de klassieke detailhandels de marketing overnemen, en zich voordoen als ons. Ze profiteren van ons imago.’

    De bio-mainstream wil alles voor zichzelf hebben, tot en met de boerin zelf. Bij de Biostory in Ottignies staan tien gezichten afgebeeld met de slogan: ‘Onze lokale producenten hebben talent’.

    ‘Die barbecue waarop ze zogenaamd hun producenten ontmoeten, is in werkelijkheid een barbecue met de groothandelaren,’ beweert Pia. Inderdaad zijn maar drie van die gezichten boeren die direct aan Biostory leveren. De anderen zijn groothandelaren uit België of Griekenland.

    Ook bij Bio-Planet schuiven ze graag de Belgische producenten naar voren. Die heten Steven Lauwers, uit Duffel (Herbio) of Lies Heyns (Provamel) en zijn te zien in het magazine of op de website van Bio-Planet. Volgens de supermarkt is het bedrijf Provamel gevestigd in het West-Vlaamse Welvegem. Maar volgens de LinkedIn-pagina van de sympathiek ogende producente Lies Heyns is zij eigenlijk ‘Senior Divisional Strategic Buyer’ bij Alpro. Dat bedrijf, dat producten op basis van soja maakt, is inderdaad gevestigd in Welvegem (maar het valt te betwijfelen of de soja uit België komt) en vermeldt een jaaromzet van 448 miljoen euro in 2016. Dat klinkt ineens heel wat minder landelijk.

    De strijd tegen de commercie is een ongelijke strijd. Maar toch kan ook een kleine producent wel uit die ruif mee-eten. ‘Wij vertellen onze klanten wat er allemaal gebeurt op het land,’ zegt Benoît Redant, van de boerderij ‘As veyou l’porê?’ in Jallet (1,5 hectare biologische groenten). ‘Op onze Facebookpagina zetten we geregeld foto’s van het leven op de boerderij, van de aardappeloogst met ons paard. We houden ook om de twee jaar een open dag, en dat is veel werk. Ik zou subsidie moeten vragen voor de voorlichting over biologisch voedsel die ik geef!’ Het resultaat: elke week komen er tweehonderd mensen boodschappen doen.

    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm
    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm

    Voor dit artikel heeft _Médor _zo’n twintig kleine producenten gesproken. Telers uit heel Wallonië die op kleine oppervlaktes (van 1 tot 10 hectare) hun groenten verbouwen. Hoe het verder zal gaan met deze onzekere bedrijfstak begint zich af te tekenen. De landbouwers die hadden gegokt op de logica van de ‘schappen’ hebben het moeilijker dan de anderen, en over de verwachting dat biologische sector een goede toekomst biedt, ook economisch gezien, zijn de meningen verdeeld. ‘De verkoopprijs van biologische producten blijft hoger,’ zegt Ariane Beaudelot van Biowallonie, een organisatie die producenten en detailhandelaren bij elkaar brengt. ‘De producenten krijgen een hogere marge, maar dat is niet de enige factor. De prijzen van biologische producten blijven hoog omdat de vraag altijd groter is dan het aanbod.’

    Wat niet wegneemt dat de ongerustheid over de komende jaren opkomt. Wat zal er gebeuren als het aanbod de vraag overstijgt? Zal met de komst van financiers van de ‘oude wereld’, van de Lidls en de Colruyts de werkwijze van de conventionele landbouw ook doordringen in de biologische landbouw? Voor de producenten is het van levensbelang dat ze zelf de baas blijven: zelf hun prijzen kunnen vaststellen, zelf bepalen hoe en aan wie ze verkopen, om zo macht te houden tegenover de detailhandelaren. Of om het zelfs zonder hen te doen.

    Een mogelijkheid daartoe is de vorming van coöperaties. Of gebruikmaken van een platform, mogelijk gemaakt door de internettechnologie die belooft consumenten en producenten met één klik bij elkaar te brengen.

    Dat is de koers die La ruche qui dit oui! volgt, de Franse start-up die in 2013 ook in België werd gelanceerd [sinds 2016 is er ook een Nederlandse tak: Boeren en Buren]. Dit bedrijf heeft een hoge vlucht genomen, met een jaaromzet van 3,5 miljoen euro en telt nu bij ons 102 ‘ruches’ (bijenkorven) waar voor 
5 miljoen euro per jaar wordt verkocht. Het principe is eenvoudig: een ‘abeille’ (bij) kan zelf een ruche beginnen waarin hij of zij consumenten en producenten probeert te verenigen; de ene groep kan er lokaal geproduceerde (niet per se biologische) producten kopen en de andere kan er zijn koopwaar verkopen. Deze mensen ontmoeten elkaar uiteindelijk fysiek, in een gezellige ambiance, om de koop te sluiten. Het doet denken aan Airbnb of BlaBlaCar: de site houdt zich vooral bezig met het betaalplatform en promotie en zorgt voor een zeer effectieve site. En verdient 8,35 procent per transactie. Degene die de ruche heeft georganiseerd, verdient ook 8,35 procent voor zijn dienstverlening. Dit is een prima idee voor kleine producenten die graag hun klantenkring willen uitbreiden, maar niet de financiële middelen hebben om in een webshop te investeren. En het is ook verleidelijk voor consumenten die belang hechten aan ‘korte ketens’. Want zij hoeven zich nergens aan te verbinden. Maar dat is ook meteen de beperking van dit idee.

    Bij dit systeem draait het om ‘vrijheid’ en de consequentie daarvan is de afwezigheid van regels. Er bestaat wel een overeenkomst van goed gedrag tussen de drie partijen, maar die heeft geen juridische waarde. Dat bevestigt ook Hannes Van den Eeckhout, de Belgische directeur van La ruche qui dit oui! ‘We voelen er niet voor om er een juridisch kader aan te geven. We streven naar zelfregulering; in het geval van een conflict stellen we ons op als bemiddelaars, en in 90 procent van de gevallen werkt dat goed.’

    Ze moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken

    Het bedrijf benadrukt wel dat het zich niet opstelt als overkoepelende organisatie, maar als dienstverlener en dat het de bijen dus ook niet in dienst heeft. Maar de bijen die een korf beginnen, verplichten zich wel voor een schijntje tot werk dat hen ‘minstens tien uur per verkoop’ kost, volgens de bijen die wij hebben gesproken. Zij moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken.

    In Frankrijk hebben enkele plaatselijke producenten al in 2014 alarm geslagen, en de organisatie bestempeld tot ‘die Parijse horzels’. Hun kritiek: Het zijn opportunisten. Ze willen meesurfen op een vraag uit de markt, door mensen op een onzekere basis voor zich te laten werken, zonder ze in dienst te nemen. La Ruche qui dit oui! rekent een marge terwijl de boeren en mensen die verantwoordelijk zijn voor de korven het werk doen. Het is gewoon de ‘UberPop van de landbouw’. Dit protest is inmiddels weggezakt, maar het toont wel aan dat de sector van het ‘bewust consumeren’, die bezig is de niche te verruilen voor de mainstream, moeite heeft om zijn oorspronkelijke waarden overeind te houden.

    Auteurs: Olivier Baily, Sandrine Warsztacki, Chloé Andries, Céline Gautier, m.m.v. Steven Vanden Bussche (Apache) en François Heinrich
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Alexis Descampe en Baptiste Bataille, de stichters van bioketen Färm, in 2013. Baptiste is intussen weg. – © HH

    Médor
    België | medor.coop

    Médor is een Belgisch Franstalig tijdschrift dat onderzoeksjournalistiek bedrijft, sinds 2014 online en vanaf eind 2015 ook op papier. Het wordt uitgegeven door een coöperatie van journalisten, waarin ook lezers kunnen participeren. Het verschijnen van het eerste nummer op papier werd vertraagd doordat het Belgische bedrijf Mithra Pharmaceuticals vooraf bezwaar maakte tegen de inhoud, die eerder online was verschenen, omdat ‘reputatieschade’ aan het bedrijf zou worden toegebracht. De rechter verwierp het gevraagde verschijningsverbod, omdat ‘dit neigt naar censuur’. Médor wisselt artikelen uit met het Nederlandstalige magazine Apache.be, dat eveneens vanuit Brussel wordt gemaakt door een groep voormalige journalisten van het dagblad De Morgen. ‘Médor is onafhankelijker dan een Vlaamse nationalist en vrijer dan een Waalse regionalist samen’, aldus een slogan.

  • 4. De onstuitbare opkomst van de ideeën van Erdogan

    4. De onstuitbare opkomst van de ideeën van Erdogan

    Volgens politicoloog Tanil Bora vertoont het regime van de Turkse president Erdogan veel overeenkomsten met dat van andere conservatieve nationalisten als Viktor Orbán en Vladimir Poetin.

    Gelooft u, in het licht van de huidige debatten over de grondwetsherziening, dat we na het kemalisme [de ideologie van Atatürk, stichter van het moderne Turkije] nu in het tijdperk van het erdoganisme zijn aangeland?

    Het erdoganisme is een concept van westerse politicologen, dat om die reden wordt bekritiseerd en bespot door Turkse conservatieven. Het erdoganisme als ideologie en manier van regeren is gebaseerd op een persoonlijkheidscultus en alleenheerschappij. Het is een concept dat de nadruk legt op de ideologische en intellectuele kneedbaarheid van het regime, in die mate dat alleen de zeggenschap en de willekeur van de machthebber werkelijk van belang zijn. Dit concept stelt ons in staat het huidige Turkse regime te vergelijken met dat van Orbán in Hongarije, Andrzej Duda in Polen of Poetin in Rusland, die evenzeer het product zijn van onze tijd. De meeste van deze leiders zijn conservatieve nationalisten, maar ook ‘sterke mannen’, populisten die de scheiding der machten ter discussie stellen en zich rechtstreeks tot het volk richten door de politieke partijen, de democratische regels en de traditionele reguleringsmechanismen te omzeilen; ze zetten de mechanismen van de representatieve democratie naar hun hand. Ze doen alsof ze hun legitimiteit rechtstreeks aan het volk ontlenen en weigeren de macht te delen, onder het voorwendsel dat de natie ondeelbaar is en de volkssoevereiniteit onvervreemdbaar.

    Anders dan autocratische regimes uit de twintigste eeuw handhaven deze regimes een parlement, een burgermaatschappij en een rechtsapparaat, die ze echter wel uitkleden…

    Ja. De instituties worden uitgekleed naargelang de omstandigheden. Ze verliezen hun onafhankelijkheid en worden instrumenten van de macht of ontwikkelen zich op zo’n manier dat ze hun naam niet langer waardig zijn. Dat is een zeer hedendaags kwaad. De eenentwintigste eeuw maakt een autoritaire ontwikkeling door die aan het fascisme herinnert. Het erdoganisme is de plaatselijke exponent van deze ontwikkeling.

    De geringste afwijkende mening wordt als een vorm van verraad gezien

    Hoe zou u de betrekkingen tussen het erdoganisme en het islamisme definiëren?

    Het islamisme speelt deels een rol in deze ratjetoe maar het is niet het enige element. Het erdoganisme steunt op een zeer uitgebreid nationalistisch repertoire dat zich uitstrekt van het onkerkelijke nationalisme tot het racistische nationalisme van extreem rechts. We treffen er ook een neo-Ottomaanse tendens in aan die verband houdt met het islamisme maar daar niet toe kan worden beperkt, evenals de gebruikelijke etatistische, op veiligheid gerichte ideologie die erg pregnant blijft. Maar het islamisme is natuurlijk een belangrijke en structurele factor.

    De scheiding der machten wordt opnieuw ter discussie gesteld. Hoe verhoudt het erdoganisme zich tot die scheiding?

    Het uiten van kritiek op maatschappij of politiek geldt momenteel in Turkije als een strafbaar feit en een oproep tot separatisme. De geringste afwijkende mening wordt als een vorm van verraad gezien, als een poging om zout in onze wonden te strooien of de publieke opinie te verdelen. De scheiding der machten wordt als een voorbeeld daarvan gezien. Als je hen mag geloven, betekent alleen het praten over die scheiding al dat je het land verdeelt en het terrorisme in de kaart speelt. De islamistische stroming in Turkije heeft altijd een probleem gehad met de scheiding der machten, maar er zijn twee verschillende tendensen te bespeuren.

    De eerste beschouwt de Turkse variant als veel te streng en pleit voor een ‘werkelijke scheiding’ met een universele strekking, geïnspireerd door de Angelsaksische landen waar men veel gematigder en respectvoller oordeelt over godsdiensten. De tweede tendens is van mening dat de scheiding der machten volstrekt onverenigbaar is met de islam. Deze laatste tendens wint terrein in Turkije maar ze heeft nog niet gewonnen. Naar mijn mening zijn beide richtingen vertegenwoordigd in de islamistische beweging en in de gelederen van de AKP. Hun gemeenschappelijke strategie bestaat erin dat ze de manoeuvreerruimte van de onkerkelijken willen beperken, zoals de laatsten hun best hebben gedaan de manoeuvreerruimte van de islamisten te beperken voordat de AKP aan de macht kwam.

    Streeft het erdoganisme ernaar een natie op te bouwen?

    Natuurlijk. Alle nationalistische ideologieën proberen het volk het beeld op te leggen dat ze van dat volk hebben. Zowel Erdogan als de AKP heeft zijn eigen definitie van het volk, zoals iedereen weet gebaseerd op de praktiserende en conservatieve soennitische meerderheid, die als loyaal wordt gezien en als exponent van het ‘echte land’. Ook de Koerden werden tot op zekere hoogte als een integraal onderdeel van deze meerderheid beschouwd. Tegenwoordig blijven ze stilzwijgend deel uitmaken van het nationale pact, maar worden ze opnieuw gewantrouwd en als een probleem gezien. Kortom, aan de ene kant zou er een werkelijke natie ontstaan, een volk in de meest organische zin van het woord, en aan de andere kant zouden we ‘de anderen’ krijgen, degenen die alleen voor de vorm tot de natie behoren omdat ze daar toevallig staatsburger van zijn. Uitdrukkingen als ‘ons volk’, die op consensus lijken te berusten, hebben in werkelijkheid tot doel een scheiding aan te brengen tussen het ‘echte’ volk en de anderen.

    Tanil Bora.
    Tanil Bora.

    Gaat het erom een vijandbeeld te creëren?

    Absoluut. Als je het volk definieert door het tot deze wezenskenmerken terug te brengen, wordt iedereen die niet in de matrijs past gemarginaliseerd. Deze criminalisering houdt verband met dat nieuwe populistische autoritarisme waarover we het eerder hadden. Dat zit in het DNA van het populisme. Het volk en de natie worden teruggebracht tot een formule, tot een identiteitskenmerk. Deze globale identiteitsformule laat geen enkele plaats aan bloedgroepen, aan afkomst, aan alternatieve keuzes. Deze hartstocht voor uniformiteit en homogeniteit verhindert de opkomst van een reëel pluralisme.

    Dat doet me denken aan de islamistische leider Necmettin Erbakan, van wie de stichters van de AKP zich afscheidden om hun eigen partij te beginnen. Hij had altijd de mond vol van ‘ons volk’. De nationalisten op rechts wilden hem dwingen duidelijk te maken wat hij daarmee bedoelde en wezen erop dat hij nooit over het ‘Turkse volk’ sprak. In feite probeerde Erbakan onder bedekte termen onmin te zaaien in de moslimgemeenschap.

    Wat te denken van de houding van de AKP en Erdogan ten aanzien van het Koerdische probleem? We hebben gezien hoe de AKP bijeenkomsten organiseerde met Koerdische vlaggen en openlijk de term ‘Koerdistan’ gebruikte, maar op andere momenten gewoon ontkende dat er zoiets als een Koerdische kwestie bestond…

    Sinds haar ontstaan doet de AKP alsof ze in staat is de Koerdische kwestie te regelen en heeft ze inderdaad blijk gegeven van een gematigdheid en een souplesse die ongekend zijn voor een rechtse Turkse partij. Als we de vraag naar de juistheid en het democratische of antidemocratische karakter even buiten beschouwing laten, moeten we erkennen dat het aanbieden van een islamitische identiteit een bijdrage heeft geleverd aan de oplossing van de Koerdische kwestie. De AKP heeft blijk gegeven van een groot aanpassingsvermogen zonder zich in het islamitische kader te laten opsluiten. Het is een partij die veel kiezers in de Koerdische regio heeft weten aan te spreken. Maar sindsdien heeft er een complete ommekeer plaatsgevonden.

    We kunnen ons dus afvragen wat de echte AKP is. Is dat de AKP van voor of van na de ommekeer ten aanzien van de Koerdische kwestie?

    Ik zou er een lief ding voor over hebben om in het hoofd te kunnen kijken van al diegenen binnen de AKP die zich voorstander hebben verklaard van een oplossing van de Koerdische kwestie, of dat nu in naam van de islam was of van de democratie. Je zou ze graag over het onderwerp willen horen, maar ze doen er liever het zwijgen toe. Gaat het niet om het belangrijkste probleem in het huidige Turkije? Er is in dit land geen vrijheid van gedachte of publieke opinie meer. Om tal van redenen kunnen deze mensen zich niet langer uitspreken.

    Ik vind dat de HDP heeft blijk gegeven van een bewonderenswaardige hoeveelheid gezond verstand ondanks de pressie en de pogingen van het regime om haar monddood te maken

    Wat vindt u van de Democratische Volkspartij HDP [een linkse partij die is voortgekomen uit de Koerdische politieke beweging]?

    Ik vind dat de HDP heeft blijk gegeven van een bewonderenswaardige hoeveelheid gezond verstand ondanks de pressie en de pogingen van het regime om haar monddood te maken. De leden van de HDP zijn vorig jaar ernstig bekritiseerd omdat ze geen duidelijk standpunt innamen op het moment dat de onenigheden tussen het Turkse leger en de PKK weer begonnen. Ik begrijp die kritiek, maar hun hardnekkige pogingen om de Turkse politiek democratischer te maken ondanks de meedogenloze repressie, de voortdurende beschuldigingen en het isolement waarin ze zijn gedwongen vind ik absoluut opmerkelijk.

    En hoe denkt u over de Republikeinse [sociaaldemocratische] Volkspartij CHP? Daar is een probleem bij de partijleiding.

    Dat komt vooral doordat de partij het niet eens kan worden over fundamentele problemen. Omdat de CHP zich niet kan losmaken van haar etatistische cultuur, wordt ze in de richting van een bepaalde vorm van conservatisme geduwd. Iedereen op links houdt vast aan zijn eigen militante overtuigingen en heeft daarom moeite een ander publiek aan te spreken. Jullie bij Cumhuriyet weten als geen ander hoe treurig het is gesteld met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Elk standpunt kan binnen enkele secondes ongeloofwaardig worden gemaakt met een lawine van laster, beledigingen en pogingen tot intimidatie. De mensen staan enorm onder druk en zoeken hun heil bij elkaar. Ze leven van dag tot dag. Maar je kunt geen politiek bedrijven zonder dat je probeert andere bevolkingsgroepen aan te spreken en je thuishonk verlaat om andere terreinen te verkennen.

    Auteur: Kemal Göktas
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: De Bosnische basketballer Indira Kaljo kreeg van FIBA toestemming om tijdens de wedstrijden haar hoofddoek te dragen. De reguliere Turkse media besteedden uitgebreid aandacht aan haar. – © Elif Ozturk / Anadolu Agency / Getty

  • 2. Het einde van een utopie

    2. Het einde van een utopie

    Journalist Marc Saghié van Courrier International schetst de opmerkelijke ontwikkeling die Recep Tayyip Erdogan het afgelopen decennium doormaakte.

    In 2003 ontdekte de wereld tot haar verbijstering dat Recep Tayyip Erdogan, de nieuwe premier van Turkije, afkomstig was uit de islamistische beweging die sinds 11 september 2001 zo veel onrust had gebaard. Maar waar Osama bin Laden het Westen deed trillen door het zaaien van terreur, leek Erdogan een vredelievende islam voor te staan en de breuk tussen de twee werelden te kunnen helen. Want ook al lieten beide mannen zich inspireren door de islam, ze waren in alles elkaars tegendeel.

    De een was de zoon van een Saoedische miljardair, de ander verkocht op zijn dertiende broodjes in de straten van Istanboel. Bin Laden werd gespekt met oliedollars, Erdogan had als burgemeester van Istanboel in 1994 naam gemaakt als bestrijder van corruptie. Bin Laden was een vijand van burgerlijke vrijheden, Erdogan werd in 1998 tot tien maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens het voordragen van een gedicht. En waar Bin Laden uit was op de vernietiging van het Westen, steunde Erdogan de integratie van Turkije in de Europese Unie en nam hij een voorbeeld aan de christelijke democratie. Want het was in naam van de Europese integratie dat de Turkse pers, die nauwe banden onderhield met de nieuwe machthebbers, kritiek leverde op de verheerlijking van Atatürk en diens duizenden standbeelden overal in het land, op de alomtegenwoordigheid van het leger in het politieke leven en op het schenden van de rechten van de Koerden. De eerste maatregelen die Erdogan nam waren liberaal getint: vermindering van de gevangenisstraffen wegens belediging van het leger, culturele en politieke rechten voor de Koerden.

    Plotseling zag de premier zich gesteund door westerse ambassades en door verlichte moslims die zich sterk maakten voor een nieuw imago en nieuwe leiders. En de economische bloei van Turkije stond in schril contrast met de stagnatie in talrijke Europese landen. De Turkse stemmen die dit idyllische portret wilden nuanceren en wezen op de autoritaire trekken van Erdogan, op zijn wens het land te islamiseren en zijn afkeer van de kemalistische erfenis, werden niet langer gehoord.

    Klucht

    Maar binnen enkele jaren liep het plan om de politieke islam te verzoenen met de democratie, de mensenrechten en de moderniteit uit op een klucht. Nadat hij in 2014 president was geworden zag Erdogan zichzelf eerder als een nieuwe Ottomaanse sultan die de orde zou herstellen in een chaotische moslimwereld dan als leider van een Europese staat. In naam van de godsdienstvrijheid stond hij het dragen van religieuze symbolen – uitsluitend moslimsymbolen – toe in openbare functies en verklaarde hij dat het de taak van vrouwen was om kinderen te baren, terwijl zijn vrouw de lof zong van de harem.

    In 2008 stelde hij, in strijd met zijn Europese afspraken, dat de assimilatie van Turken in Duitsland een ‘misdaad tegen de menselijkheid’ was. De mislukte staatsgreep van 2016 leidde tot een nog autoritairder regime en tot een onderdrukking van alle maatschappelijke lagen die Turkije al decennia niet meer had meegemaakt. Het Turkije van Erdogan ontpopte zich als een vriend van Poetin en wonderlijk genoeg ook van Trump en nam steeds meer afstand van Europa, het oude continent dat nog maar weinigen kan bekoren. Mooie puinhoop.

    Auteur: Marc Saghié
    Vertaler: Peter Bergsma

    Beeld: Erdogan in 1994, in gesprek met activisten. – © Antoine Gyori / Sygma via Getty Images

    Courrier International
    Frankrijk | weekblad | oplage 205.000

    Courrier international, zusterblad van 360, is een begrip in Frankrijk. Het weekblad brengt al ruim twintig jaar ‘het beste uit de internationale pers’. In die twee decennia wisselde Courrier meerdere keren van eigenaar, om zich ten slotte in de armen te laten sluiten door de Groupe Le Monde, van het gelijknamige dagblad. Het Franse publiek blijft belangstelling houden voor het (verre) buitenland, maar net als alle printmedia worstelt Courrier met de overstap naar het digitale tijdperk en teruglopende advertentieinkomsten. Naast 360 heeft Courrier zusterbladen in Japan en Portugal.

  • 2. Links lullen, rechts vullen

    2. Links lullen, rechts vullen

    Het Zuid-Afrikaanse ANC onderhoudt steeds warmere ideologische banden met China, iets wat het Westen zorgen baart. Maar volgens waarnemers zullen economische belangen altijd voorgaan.

    De relatie tussen de Volksrepubliek China en Zuid-Afrika heeft zich de afgelopen jaren aanzienlijk verdiept, zoals wordt aangetoond door een aantal economische en politieke verklaringen. 2014 werd ‘het jaar van Zuid-Afrika in China’ genoemd. Dat werd vorig jaar gevolgd door ‘het jaar van China in Zuid-Afrika’. Nu is Zuid-Afrika opgewaardeerd tot China’s glorieuze ‘Alomvattende Strategische Partner’.

    Het regerende ANC maakt er geen geheim van hoe het daarover denkt. Een discussiedocument van de Nationale Algemene Raad uit 2015 repte van een nieuwe ‘Koude Oorlog’, waarin het collectieve leiderschap van de Chinese Communistische Partij een leidend lichtpunt voor onze eigen strijd moet zijn.

    Vanwege dergelijke verklaringen hebben waarnemers zich afgevraagd of de door het ANC geleide regering een geopolitieke draai naar China aan het maken is. Die gevoelens zijn versterkt doordat een bezoek van de Dalai Lama aan Zuid-Afrika tot drie keer toe vanwege bureaucratische rompslomp werd afgeblazen, en doordat de Chinese regering een ANC-opleidingsinstituut heeft gefinancierd.

    Sinds 2010 is China Zuid-Afrika’s grootste handelspartner

    De economische relatie van China met Zuid-Afrika bevestigt deze trend. Sinds 2010 is China Zuid-Afrika’s grootste handelspartner, met in 2013 een totale handelsomvang van 270 miljard rand [18 miljard euro]. De aankondiging tijdens de China-Afrika-top dat China nog eens 90 miljard rand [6 miljard euro] beschikbaar stelt voor Zuid-Afrika is opnieuw een bevestiging van de angst van sceptici dat het land zich telkens afhankelijker maakt van China.

    Maar reacties op China’s investeringsbeloften zien meestal één belangrijk feit over het hoofd. Hoewel de Zuid-Afrikaanse regering zich zo misschien ideologisch afzet tegen haar traditionele westerse partners, zijn in economisch opzicht multilaterale relaties de nieuwe werkelijkheid.

    Europa en de VS blijven belangrijke handelspartners. Directe buitenlandse investeringen uit die gebieden zijn veel groter dan die uit China. India is het enige BRICS-land – Brazilië, Rusland, India en China – dat in de top 5 van directe buitenlandse investeerders in Zuid-Afrika staat. Bovendien zijn inwoners van de VS, Groot-Brittannië en Duitsland nog altijd de belangrijkste buitenlandse bezoekers van het land.

    Chinese en Afrikaanse medewerkers van het bedrijf NFCA Mining in Zambia. – © Sven Torfinn / HH
    Chinese en Afrikaanse medewerkers van het bedrijf NFCA Mining in Zambia. – © Sven Torfinn / HH

    Mensen die economisch gezien pragmatisch zijn ingesteld, krabben zich misschien op het hoofd over de vraag waarom de Zuid-Afrikaanse regering zich met China moet inlaten ten koste van afspraken met westerse partners. Maar dat is eigenlijk helemaal niet aan de hand. Zuid-Afrika mag dan op ideologisch niveau een draai maken, als het gaat om internationaal economische beleid is er niets veranderd. Volgens politicoloog Patrick Bond van de universiteit van KwaZulu-Natal mag de Zuid-Afrikaanse regering dan soms ageren tegen ‘de westerse imperialistische hegemonie’, tegelijk heeft het land zich diep verplicht aan de logica van de mondiale markt.

    Trouwens, als het over internationale politieke economie gaat, is er niemand die ‘linkser lult en rechts vult’ dan de Chinezen zelf. De integratie van het land in het mondiale marktsysteem, de opkomst van een op consumptie gerichte middenklasse en de onophoudelijke jacht op buitenlandse grondstoffen om zowel de binnenlandse als de internationale consumptie op gang te houden, maken China tot een dominante speler in het wereldwijde kapitalisme. Het is ook veelzeggend dat de Chinese munteenheid, de renminbi, onlangs door het IMF is geaccepteerd als wereldmunt.

    Logisch gevolg

    China’s investeringen in Afrika zijn een logisch gevolg van dit proces, een feit dat veel Europeanen en Amerikanen, en zelfs Afrikanen, onverteerbaar schijnen te vinden. Niets maakt dit duidelijker dan de recente oprichting van de door Chinezen geleide Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB). Bij de nieuwe bank zijn de meeste grote mondiale spelers betrokken, inclusief Zuid-Afrika, maar opvallende afwezigen zijn Japan en de VS. De nieuwe bank overschaduwt nu al de BRICS Development Bank, die zich presenteerde als de grote verdediger van de belangen van het mondiale Zuiden.

    De ambities van Zuid-Afrika en China hebben veel gemeen, als we China zien als een formidabele, mondiale marktspeler in plaats van simpelweg als een autoritaire eenpartijstaat. Beide landen zijn in hoge mate geïntegreerd in wereldwijde markten, terwijl ze tegelijkertijd ideologieën aanhangen die in wezen vijandig staan tegenover die markten. In dat opzicht maken ze deel uit van een breder post-Koude Oorlog economisch pragmatisme, waarin binnenlands en zelfs buitenlands beleid – of dat nu links of rechts is – ondergeschikt is aan de eisen van de markt.

    Auteur: Ross Anthony
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Conversation
    Verenigd Koninkrijk | theconversation.com

    Het kleine Britse broertje van de Australische The Conversation, opgericht door een groep journalisten, verwierf in de drie jaar dat ze bestaat al groot aanzien. The Conversation werkt met ‘open bronnen’ en wil mede op deze manier een frisse en onafhankelijke blik op het nieuws bieden. Op de site komen vooral onderzoekers en academici aan het woord.

  • Een jubileum om niet te vieren

    Een jubileum om niet te vieren

    De Chinese partijtop besteedt er liever geen aandacht aan, maar het is vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie van Mao Zedong losbarstte. De ideologische starheid is nog te groot voor een heldere kijk op de zaak, zegt de Chinese historicus Ma Yong tegen Fenghuang Wang, een van de weinige tijdschriften die een kritisch geluid durven laten horen.

    Liu Yuhan: Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie begon. Daarop volgden tien verschrikkelijke jaren. Wie heeft volgens u de aanzet gegeven?

    Ma Yong, onderzoeker aan het Onderzoeksinstituut voor Moderne geschiedenis aan de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen:
    ‘De Culturele Revolutie kon in China plaatsvinden doordat het denken te uniform was geworden. Ware emancipatie van het denken kun je niet opleggen, die ontwikkelt zich vanuit een veelheid van stemmen. De Culturele Revolutie kon juist uitbreken en tot zulke ernstige uitwassen leiden doordat het ontbrak aan verschillende meningen, aan diversiteit. Want de mensen durfden zich niet te onderscheiden of ze konden het niet: binnen de Communistische Partij van China (CCP) had je vertrouwen in de leider, je volgde hem blindelings. En een reeks campagnes voor ‘ideologische hervormingen’ die vanaf 1951 werden gelanceerd, maakten onafhankelijk denken buiten de partij ook steeds moeilijker, met name voor intellectuelen, die toch bekendstaan om hun onafhankelijke geest.’

    Waarom gebeurde dit?

    ‘In de zeventien jaar voorafgaand aan de Culturele Revolutie [van het uitroepen van de Volksrepubliek China tot 1966] was er interne onenigheid in de Communistische Partij over de te volgen ideologische lijn. Er zijn binnen de 
partij altijd stromingen en krachten geweest die tegen Mao Zedong waren, maar die zijn gemuilkorfd. Wat bijzonder jammer is. Maar dat had wel 
te maken met de nationale en internationale context van vóór 1949. Het was een tijd van oorlog [acht jaar lang tegen Japan, van 1937 tot 1945, gevolgd door vier jaar burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten van de Kwomintang], dus we konden niet zonder de adviezen van de militaire staf en al helemaal niet zonder voortvarende besluiten van de leiders. De CCP had echt behoefte aan een leider als Mao Zedong, die in staat was beslissingen te nemen.

    Nadat China in 1945 Japan had verslagen, had niemand ter wereld gedacht dat de Kwomintang vier jaar later gedwongen zou worden het continentale deel van China prijs te geven aan Mao Zedong en de CCP [en de wijk te nemen naar Taiwan]. Door deze historische wapenfeiten wist 
Mao het vertrouwen van de bevolking te winnen en werd hij in het begin van de jaren vijftig als een ware god gezien, in ieder geval tot 1957 [toen hij de campagne Laat Honderd Bloemen Bloeien lanceerde waarbij de Chinezen werden aangemoedigd kritiek te leveren, meteen gevolgd door een campagne tegen rechtse elementen].’

    De geschiedenis moet weer het terrein worden van historici en niet een speelbal van politici

    En daardoor is hij ondanks zijn fouten een heilige geworden?

    ‘Precies. Achteraf gezien was het fout om Mao op een voetstuk te plaatsen. Dat past ook niet in de Chinese traditie van de macht. Voordat de Culturele Revolutie uitbrak, werden besluiten in theorie gemeenschappelijk genomen. Maar in feite legde Mao Zedong anderen zijn mening op. Als hij gelijk bleek te hebben, ging hij met de eer strijken, zo niet, dan kregen anderen de schuld. Later heeft Deng Xiaoping [die in 1978 aan de macht kwam] hier lering uit getrokken door te zorgen dat er altijd een vorm van onderlinge controle is bij besluiten van de partijleiding.’

    Sommigen zijn tegen al die bespiegelingen op de Culturele Revolutie, omdat daar volgens hen iets anders achter zit. Wat vindt u daarvan?

    ‘Onzin. De Culturele Revolutie was een bijzondere periode in onze geschiedenis, dus die horen we te onderzoeken, net als elke andere historische ramp. Het verleden is nooit afgesloten. Als je er niet over na wilt denken, kan het opnieuw opspelen. En volgens mij zijn er geen kwade bedoelingen in het spel bij degenen die erop terugkijken. Fouten blijven fouten, misdaden blijven misdaden en het is juist de bedoeling om die te voorkomen door je in het verleden te verdiepen.

    Ik twijfel niet aan de cijfers van maarschalk Ye Jianying (1896-1986), die zei dat de Culturele Revolutie twintig 
miljoen levens heeft geëist. [‘Twintig miljoen doden, honderd miljoen 
mensen slachtoffer van pesterijen 
en repressie.’] Bekijk je dat op familieniveau, dan heeft minstens de helft van de toenmalige bevolking daar tien jaar lang onder geleden. Natuurlijk moet je op zoiets dramatisch terugkijken. Daarnaast is het ook een historische gebeurtenis die als zodanig moet worden behandeld. De geschiedenis moet weer het terrein worden van historici en niet een speelbal van politici. Over heel wat zaken in onze recente geschiedenis hebben we nooit een consensus bereikt, en dat komt doordat we er nooit vrijelijk onderzoek naar konden doen. Het is nu vijftig jaar geleden, 
dus laten we nu, los van alle ideologie, de onderzoekers de ruimte geven.’

    © Zhang Yaxin, See+Gallery, Beijing.
    © Zhang Yaxin, See+Gallery, Beijing.

    Die tien jaar staan in ons geheugen gegrift, maar bijna niemand praat erover. Hoe kunnen we voorkomen dat wordt doodgezwegen wat er in 
die tijd gebeurd is?

    ‘Hoe meer je historische gebeurtenissen probeert te verhullen, hoe groter de problemen worden voor latere generaties. En nog extra als dat lange tijd is gebeurd. Deze periode is zowel in het onderzoek als in gesprekken vrijwel taboe. We moeten deze vijftigjarige herdenking aangrijpen om alle beperkingen op onderzoek op te heffen. 
Van een pluriform China hebben we niets te vrezen, wel van een China dat bang is voor pluriformiteit. Laten we het erover eens worden dat we nog geen echte democratie hebben, maar daar wel naar op weg zijn. Alleen dan kunnen we aan zelfonderzoek doen.

    De Culturele Revolutie was een ramp voor het hele volk. We moeten vaststellen wie daarvoor verantwoordelijk waren, niet vanuit wraakgevoelens of haat, maar simpel om daar helderheid over te krijgen. Op die manier kunnen we 
er lering uit trekken, tot een nationale verzoening komen en deze zware last van de geschiedenis afschudden. Daarbij moeten we wel bedenken dat de Culturele Revolutie voortkwam uit wat zich na de Eerste Opiumoorlog (1840) allemaal in ons land had afgespeeld. 
Je kunt de verantwoordelijkheid voor de Culturele Revolutie dus niet op het conto van één man schrijven.’

    © Zhang Yaxin, See+Gallery, Beijing.
    © Zhang Yaxin, See+Gallery, Beijing.

    Wat kunnen we hier volgens u vooral van leren?

    ‘We hebben het altijd over die roemrijke zeventig jaar [vanaf de stichting van de Volksrepubliek China] en dat is begrijpelijk als je propaganda wilt maken, maar historisch gezien is dat niet bevredigend. Wil China zich echt verder ontwikkelen, dan moet het zijn recente geschiedenis onder ogen zien met alles wat daarbij hoort, zoals de volkscommunes, de collectivisatie, de Grote Sprong Voorwaarts en ook de drie jaren met natuurrampen [de officiële benaming voor een drie jaar durende hongersnood die meestal wordt gezien als het gevolg van de Grote Sprong Voorwaarts]. Als vergissingen niet worden erkend, stapelen die zich op en dat heeft vreselijke gevolgen. Het huidige China moet het niet weer zo ver laten komen en zorgen dat het zich langzaam van de last van de geschiedenis bevrijdt.’

    Wat moeten we dan doen?

    ‘Een deel van de mensen die aan de Culturele Revolutie hebben meegedaan, leeft nog. Als het nu mogelijk wordt gemaakt om onderzoek te doen, krijgen deze mensen nog de kans zich te verantwoorden voor wat ze hebben gedaan en kan dankzij al hun verschillende meningen de waarheid aan het licht komen. Doen we niets, dan zal dat voor het bewind fatale gevolgen hebben en ziet het er slecht uit voor de toekomst van China.’

    ‘Ideologisch gezien zijn we wel ongeveer de lijn van de Culturele Revolutie blijven volgen’

    Veel jongeren kijken nu met nostalgie naar de Rode Gardisten die zich ‘met hart en ziel in de politiek stortten om hun ideaal van democratische rechten te verwezenlijken’. Wat vindt u daarvan?

    ‘Al vóór de communistische tijd werden arbeiders, boeren en studenten gemobiliseerd en dat gebeurde ook tijdens de Culturele Revolutie. En altijd werden ze door de politiek gemanipuleerd. Degenen die nu nog denken dat de mensen spontaan meededen, lopen achter. Al die Rode Gardisten die door het land trokken en die massabijeenkomsten op het Tiananmenplein [om Mao te zien] waren nooit mogelijk geweest zonder toestemming van de hoogste leiding.’

    Nu de economische groei stokt en het corruptieprobleem gevaarlijke vormen aanneemt, zijn steeds meer mensen bang dat we in een tweede Culturele Revolutie zijn beland en denken anderen dat de eerste nog steeds niet voorbij is. Hoe kijkt u hier tegenaan?

    ‘Daar zit wel iets in. Ideologisch gezien zijn we wel ongeveer de lijn van de Culturele Revolutie blijven volgen. En ideologische uitgangspunten zijn altijd een rem op de ontwikkeling van China geweest. In de jaren tachtig wilden de gematigden onder leiding van Deng Xiaoping echt een eind aan de Culturele Revolutie maken, maar de eerste tien jaar van hervormingen zorgden voor grote onrust binnen de Communistische Partij. Na invoering van de hervormingen en de Opendeurpolitiek is de Chinese economie enorm gegroeid, maar dat ging wel ten koste van hervormingen op andere gebieden. Dus ja, in zekere zin zijn we nog steeds niet van de invloed van de Culturele Revolutie bevrijd.’

    Auteur: Liu Yuhan
    Vertaler: Tess Visser

    Fenghuang Wang
    Hong Kong | news.ifeng.com
    De site van het Hongkongse tijdschrift Fenghuang (Phoenix Weekly) is sinds enkele jaren het uithangbord van de meest liberale media in de Chinese deelstaat. Zo dicht bij Beijing luistert het nog steeds nauw wat er over de Grote Baas wordt geschreven. Maar de relatieve persvrijheid en de geboden ruimte voor commentaar en analyse worden enorm geapprecieerd door journalisten en lezers.