Tag: ijs

  • Ook deze Duitse journalist droomt al twintig jaar van een Elfstedentocht

    Ook deze Duitse journalist droomt al twintig jaar van een Elfstedentocht

    Als negenjarige jongen zag de Duitse journalist Johannes Böhme de Elfstedentocht op televisie. Sindsdien koestert hij elke winter dezelfde hoop als wij: gaat het eindelijk weer gebeuren?’

    Dit artikel verscheen eerder in #131.

    De horizon in Friesland loopt zo recht boven het vlakke landschap dat het lijkt alsof een reus met een liniaal een lijn heeft getrokken. Een scherpe grens, die het fletse blauw van de winterhemel en het groenbruin van de velden van elkaar scheidt. De enige hobbels zijn reusachtige boerderijen, met riet gedekt, als piramiden in een woestijn van gras. En over dit alles fluit onophoudelijk de wind. Het is een landschap voor mensen van weinig woorden en met grote verlangens. Die zonder morren regen en duisternis doorstaan en hun dromen decennialang met zich meevoeren.

    Dromen zoals die waar het hier om gaat. Met elke dag vorst komt hij meer tot leven. Het is de droom van het dichtvriezen van rivieren, vaarten en sloten die hier in het Noord-Nederlandse Friesland als een vroegmodern internet alles met elkaar verbinden – velden met dorpen, dorpen met andere dorpen, steden met steden. De droom dat je dan op schaatsen door dit vlakke landschap kunt glijden als een Maserati over de snelweg; moeiteloos, haast gewichtloos, alleen te overtreffen door vliegen. Het is de droom van de Elfstedentocht, een schaatswedstrijd met start en finish in Leeuwarden over een 200 kilometer lang parcours, door elf Friese steden, met meer dan 30.000 deelnemers en een miljoen toeschouwers.

    Screen Shot 2021 02 10 at 9.25.41 AM
    1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH

    De Elfstedentocht is de grootste schaatswedstrijd ter wereld – als hij tenminste weer eens zou plaatsvinden. De laatste keer dat hij werd verreden, weet ik nog, zat ik bij mijn oma voor de televisie. Ik was negen jaar. De dag: 4 januari 1997. Het was een van die bezoekjes aan oma waarbij ik me stierlijk verveelde, en op een gegeven moment werd ik voor de stokoude televisie met eikenhouten bekleding geplant, die maar drie zenders had. Op een ervan schaatsten mannen in bonte pakken als gekken door een winterlandschap, met erachter een motor met zijspan van de Nederlandse televisie. En wanneer een van die mannen in een scheur bleef haken, maakte hij een doodsmak op het ijs.

    Ik had net leren schaatsen en kon me absoluut niet voorstellen dat je in zo’n tempo op die dingen kon rijden. Langs het parcours stonden destijds tienduizenden mensen in typische winterjassen uit de jaren negentig, met groen, lila en rood. De vijf koplopers zetten bij de finish in Leeuwarden een lange sprint in. Winnaar Henk Angenent werd de ‘held der helden’ genoemd en bijna platgedrukt door de juichende menigte. En op een of andere manier was zelfs voor mij als negenjarige duidelijk dat er zojuist iets buitengewoons was gebeurd.

    Sindsdien zijn er twintig jaren verstreken. Twintig jaren waarin de wedstrijd niet door kon gaan omdat het te warm was of het ijs te dun. Twintig jaren waarin de Nederlanders steeds weer opnieuw tegen elkaar zeiden dat de volgende winter vast weer koud genoeg zou zijn. Er is zelfs een woord voor de irrationele hoop die veel mensen in Nederland vanaf december koesteren: Elfstedenkoorts. Bij mij leidt dat tot vragen. Hoe hou je iets levend wat decennialang niet plaatsvindt? Hoelang kan zo’n pauze duren voordat ook de laatste schaatsliefhebber gefrustreerd afhaakt? Hoe train je voor zo’n wedstrijd?

    Wanneer ik in februari ’s nachts in de auto stap naar Friesland is het nog min tien, nu is het min twee. Het is een ochtend die zo koud is dat hij euforisch stemt. Nog twaalf, dertien van dit soort dagen, denk ik.

    Als eerste wil ik me laten uitleggen waarom dat weer zo’n complicerende factor is geworden. Vroeger vond de tocht namelijk een stuk vaker plaats. In 1909, 108 jaar geleden, werd de eerste Elfstedentocht verreden. Er verschenen tweeëntwintig deelnemers aan de start, van wie negen de finish haalden. Sindsdien vond de tocht vijftien keer plaats – maar slechts drie keer in de afgelopen vijftig jaar. De juiste persoon voor het onderwerp weer is Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut in De Bilt.

    Zijn uitleg begint natuurlijk met de klimaatverandering. Hij vertelt over het warmer geworden noordpoolgebied, het weer in Groenland en Siberië en eindigt met lagedruksystemen boven de Atlantische Oceaan en de Golfstroom. De essentie van zijn ingewikkelde betoog is dat het ideale weer voor de Elfstedentocht nauwelijks nog voorkomt: twee weken lang koude, droge wind uit Siberië, het liefst zonder sneeuw zodat het ijs overal op het parcours minstens 15 centimeter dik is. ‘De wind waait in de winter nu vaker dan vroeger uit het westen, van zee, met warmere lucht.’

    Maar dat is geen reden om de moed te verliezen, zegt Van Oldenborgh: ‘De kans op het juiste weer ligt momenteel elk jaar ergens tussen de vijf en tien procent. We moeten alleen wat meer geduld hebben dan vroeger.’

    Nu is de Elfstedentocht geen wedstrijd die je zomaar even zonder training schaatst. Profs doen er iets minder dan zeven uur over, de meeste amateurs ruim tien uur. De tocht is inspannender dan een marathon en wordt na aankondiging binnen drie à vier dagen verreden. Je moet er altijd klaar voor zijn. Het is al moeilijk om je voor te bereiden op de Olympische Spelen: dagelijks trainen voor een wedstrijd die maar eens in de vier jaar plaatsvindt. Hoeveel zwaarder moet het dan zijn om je decennialang in conditie te houden voor een wedstrijd waarvan je niet eens weet of en wanneer hij wordt gehouden?

    Maar bij de Nederlanders neemt met het jaar dat de Elfstedentocht niet doorgaat het verlangen, het fanatisme en – als een roulettespeler met een negatieve reeks – het optimisme toe.

    De gebroeders Mesu, 24 en 27 jaar oud, zeggen dingen als: “Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij”

    Zoals bij Niels en Erwin Mesu, 24 en 27 jaar oud, die dingen zeggen als: ‘Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij.’

    Ik ontmoet de twee in het beroemde Thialf, het grote ijsstadion in het Friese Heerenveen waar Olympische zeges en wereldtitels worden voorbereid. Aan de buitenkant lijkt het gebouw op een witte ufo, die hier tussen de sloten is geland.

    De broers, opgegroeid op een kaasboerderij, behoren tot de wereldtop op natuurijs en in Nederland tot een kleine kring van zo’n tien schaatsers die favoriet zouden zijn voor een zege in de Elfstedentocht. Elke winter nemen ze deel aan wedstrijden, van Zweden tot Oostenrijk.

    De broers Mesu hebben een lichaam dat gemaakt lijkt te zijn voor het schaatsen: een kromme rug, een haast anorectisch dunne torso en extreem gespierde benen. Erboven een open, kinderlijk gezicht met grote ogen. Ze steken hun blote voeten in de nauwsluitende schaatsen en persen zich in hun schaatspak van elastaan – zodra ze op het ijs staan oogt elke beweging moeiteloos, lijkt elke slag van een andere planeet. Met zes lange, krachtige slagen leggen de twee 150 meter af; met ruim 40 kilometer per uur suizen ze over de baan.

    Op het wedstrijdparcours buiten zouden ze langzamer gaan, maar niet heel veel. De tocht van 200 kilometer zouden ze met een gemiddelde van 30 kilometer per uur schaatsen. Je reinste waanzin als je bedenkt dat de wedstrijd om vijf uur ’s ochtends in het stikdonker begint, er scheuren in het ijs zitten en de schaatsers groepjes vormen waarin ze niet meer dan een armlengte afstand van elkaar houden.

    De elfstedentocht van 1997, die de auteur op de ouderwetse televisie van zijn oma zag.

    De twee broers trainen het hele jaar door vrijwel elke dag. Ze gaan niet naar feesten, zoals de studiegenoten van Niels aan een hogeschool in Leeuwarden, waar hij Dier- en Veehouderij studeert. Ze drinken ook geen alcohol, zelfs geen biertje op de vrijdagmiddagborrel, zoals de collega’s van Erwin bij het advies- en accountantskantoor waar hij halve dagen werkt.

    En ergens lijken ze er zeker van te zijn dat ze hun kans zullen krijgen. Dat in de niet al te verre toekomst de dag zal komen waarop ze kunnen laten zien dat ze harder, sterker en onvermoeibaarder zijn dan de rest van de naar schatting dertigduizend deelnemers, die allemaal lid moeten zijn van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. De vereniging die de wedstrijd organiseert laat namelijk alleen maar leden toe op het ijs, zodat het niet te druk wordt.

    Schaatsmuseum

    Wanneer ik in Hindeloopen arriveer, een stadje waar de schaatsers er ongeveer 80 kilometer zouden hebben opzitten, is het weer nog hoe het moet zijn. De zon schijnt, maar het is lekker koud, net onder het vriespunt. De weersvoorspelling belooft echter niet veel goeds: vanmiddag wordt het warmer. Plus vijf graden.

    Hindeloopen is een Friese idylle: vissersbootjes met zeilen, bakstenen huisjes achter de dijk en een supermarkt die zo klein is dat hij nog altijd de sfeer ademt van de buurtwinkel die hier ooit zat. In een van de huisjes midden in het stadje bevindt zich het Schaatsmuseum, dat alles verzamelt wat er zoal te verzamelen is over de Elfstedentocht. Zoals de zilveren kruisjes, die iedereen krijgt die de lijdensweg voor middernacht heeft voltooid. De neonkleurige pakken van de winnaars uit de jaren tachtig en negentig. En oude schaatsen: enkele waren al een eeuw geleden in gebruik bij boeren en op één paar heeft ooit een Nederlandse koningin over het ijs gezwierd.

    Om de paar jaar komt een oud-winnaar op bezoek, die een rondje langs de vitrines maakt en iets achterlaat voor de collectie in deze tempel. Het museum wordt beheerd door de 47-jarige Pieter Bootsma, een ongekunstelde, zelfs voor Friese begrippen weinig spraakzame man met dik roodblond haar. Praten hoeft Bootsma vandaag ook niet veel: op deze winterdag is er niemand gekomen, we zijn helemaal alleen. En dat vindt Bootsma voor dit moment niet erg: ‘Er wordt beweerd dat het een romantische dag zal worden wanneer de tocht eindelijk weer wordt gehouden, maar in werkelijkheid zal het een gekkenhuis worden. Iedereen wil erbij zijn, tienduizenden mensen zullen hiernaartoe komen om het mee te maken.’

    De grote angst is inderdaad niet dat er na twintig jaar niemand meer zal komen, maar dat er te veel mensen komen. Er liggen zelfs noodplannen klaar om de snelwegen naar Friesland af te sluiten en geen treinen meer te laten rijden naar de provincie wanneer er meer dan twee miljoen mensen op pad zouden gaan. ‘Dat wordt een hele mooie business,’ zegt Bootsma grijnzend.

    Honderd jaar Elfstedentocht.

    In Leeuwarden, de provinciehoofdstad, woont de 61-jarige Eddie Huitema, een heel gewone schaatsfanaat, zoals er in Nederland duizenden zijn. Ik ontmoet hem op de plek waar de tocht van start zou gaan: bij de ijshal van Leeuwarden. Over deze tamelijk kleurloze vierbaansweg zouden duizenden mannen en vrouwen, de schaatsen in de hand, in de duisternis van de vroege ochtend naar het ijs sprinten.

    Huitema is leraar, een lange, magere, haast tengere man met een zachte stem die doet denken aan die van een radiopresentator van een cultuurprogramma. Je ziet niet aan hem af hoe hard hij is. Hij was erbij in 1986 en 1997, heeft al vakanties afgezegd voor de Elfstedentocht en heeft die in jaren dat het ijs eigenlijk te dun was op eigen houtje met vrienden geschaatst.

    De Elfstedentocht, zegt hij, is een verraderlijke wedstrijd. Van de elf steden die je moet passeren, liggen de eerste vijf dicht bij elkaar. ‘Vaak heb je aan het begin de wind in de rug. Veel deelnemers denken dan dat ze er al bijna zijn.’ Maar dan moet het zwaarste deel nog komen: een meer dan vijftig kilometer lang traject waar de wind van voren blaast en het landschap meedogenloos vlak is, ‘als een ijswoestijn’. Bovendien is het ijs op dat deel vaak bijzonder slecht, omdat het in de smalle wateren is opgedrukt tot bergjes. ‘Tweehonderd kilometer schaatsen doet pijn,’ zegt hij, ‘maar niet meedoen doet nog meer pijn.’

    Twee jaar geleden kreeg Huitema een hartinfarct. Zijn vrouw heeft hem verboden ook nog maar te peinzen over meedoen, maar evengoed lijkt hij te overwegen of het dat niet waard zou zijn: zijn leven te riskeren voor de meest grandioze wedstrijd ter wereld. Nog één keer langs de mensenmassa’s te glijden die met een borrel of glühwein in de hand schreeuwen, zingen en dansen op de muziek van blaaskapellen. Nog één keer in het middelpunt van deze tweehonderd kilometer lange Friese Mardi Gras te staan.

    In een buitenwijk van Leeuwarden, tegen de achtergrond van enkele eengezinshuizen die stuk voor stuk zo uit een catalogus van prefabwoningen lijken te komen, is naast de vaart een paal in het gras geslagen. Hier zou de eindsprint eindigen, hier zouden helden worden gemaakt.

    Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen

    De vaart is op deze plek kaarsrecht, de volgende bocht ligt ergens achter de horizon. Een bleke ijslaag met luchtbelletjes bedekt het water. Zou het niet geweldig zijn om nu schaatsen aan te trekken en er gewoon vandoor te schaatsen, kilometer na kilometer?

    Ik laat een vuistgrote steen vallen om te controleren of het ijs stevig genoeg is. De steen kraakt er moeiteloos doorheen en verdwijnt in het donkere, troebele water. Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen.

    Tot de komende winter, wanneer er weer drie maanden hoop zijn.

  • Waarom ik al twintig jaar droom van een Elfstedentocht

    Waarom ik al twintig jaar droom van een Elfstedentocht

    Als negenjarige jongen zag de Duitse journalist Johannes Böhme de Elfstedentocht op televisie. Sindsdien koestert hij elke winter dezelfde hoop als wij: gaat het eindelijk weer gebeuren?’

    De horizon in Friesland loopt zo recht boven het vlakke landschap dat het lijkt alsof een reus met een liniaal een lijn heeft getrokken. Een scherpe grens, die het fletse blauw van de winterhemel en het groenbruin van de velden van elkaar scheidt. De enige hobbels zijn reusachtige boerderijen, met riet gedekt, als piramiden in een woestijn van gras. En over dit alles fluit onophoudelijk de wind. Het is een landschap voor mensen van weinig woorden en met grote verlangens. Die zonder morren regen en duisternis doorstaan en hun dromen decennialang met zich meevoeren.

    Dromen zoals die waar het hier om gaat. Met elke dag vorst komt hij meer tot leven. Het is de droom van het dichtvriezen van rivieren, vaarten en sloten die hier in het Noord-Nederlandse Friesland als een vroegmodern internet alles met elkaar verbinden – velden met dorpen, dorpen met andere dorpen, steden met steden. De droom dat je dan op schaatsen door dit vlakke landschap kunt glijden als een Maserati over de snelweg; moeiteloos, haast gewichtloos, alleen te overtreffen door vliegen. Het is de droom van de Elfstedentocht, een schaatswedstrijd met start en finish in Leeuwarden over een 200 kilometer lang parcours, door elf Friese steden, met meer dan 30.000 deelnemers en een miljoen toeschouwers.

    1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH
    1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH

    De Elfstedentocht is de grootste schaatswedstrijd ter wereld – als hij tenminste weer eens zou plaatsvinden. De laatste keer dat hij werd verreden, weet ik nog, zat ik bij mijn oma voor de televisie. Ik was negen jaar. De dag: 4 januari 1997. Het was een van die bezoekjes aan oma waarbij ik me stierlijk verveelde, en op een gegeven moment werd ik voor de stokoude televisie met eikenhouten bekleding geplant, die maar drie zenders had. Op een ervan schaatsten mannen in bonte pakken als gekken door een winterlandschap, met erachter een motor met zijspan van de Nederlandse televisie. En wanneer een van die mannen in een scheur bleef haken, maakte hij een doodsmak op het ijs.

    Ik had net leren schaatsen en kon me absoluut niet voorstellen dat je in zo’n tempo op die dingen kon rijden. Langs het parcours stonden destijds tienduizenden mensen in typische winterjassen uit de jaren negentig, met groen, lila en rood. De vijf koplopers zetten bij de finish in Leeuwarden een lange sprint in. Winnaar Henk Angenent werd de ‘held der helden’ genoemd en bijna platgedrukt door de juichende menigte. En op een of andere manier was zelfs voor mij als negenjarige duidelijk dat er zojuist iets buitengewoons was gebeurd.

    Sindsdien zijn er twintig jaren verstreken. Twintig jaren waarin de wedstrijd niet door kon gaan omdat het te warm was of het ijs te dun. Twintig jaren waarin de Nederlanders steeds weer opnieuw tegen elkaar zeiden dat de volgende winter vast weer koud genoeg zou zijn. Er is zelfs een woord voor de irrationele hoop die veel mensen in Nederland vanaf december koesteren: Elfstedenkoorts. Bij mij leidt dat tot vragen. Hoe hou je iets levend wat decennialang niet plaatsvindt? Hoelang kan zo’n pauze duren voordat ook de laatste schaatsliefhebber gefrustreerd afhaakt? Hoe train je voor zo’n wedstrijd?

    Wanneer ik in februari ’s nachts in de auto stap naar Friesland is het nog min tien, nu is het min twee. Het is een ochtend die zo koud is dat hij euforisch stemt. Nog twaalf, dertien van dit soort dagen, denk ik.

    Als eerste wil ik me laten uitleggen waarom dat weer zo’n complicerende factor is geworden. Vroeger vond de tocht namelijk een stuk vaker plaats. In 1909, 108 jaar geleden, werd de eerste Elfstedentocht verreden. Er verschenen tweeëntwintig deelnemers aan de start, van wie negen de finish haalden. Sindsdien vond de tocht vijftien keer plaats – maar slechts drie keer in de afgelopen vijftig jaar. De juiste persoon voor het onderwerp weer is Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut in De Bilt.

    Zijn uitleg begint natuurlijk met de klimaatverandering. Hij vertelt over het warmer geworden noordpoolgebied, het weer in Groenland en Siberië en eindigt met lagedruksystemen boven de Atlantische Oceaan en de Golfstroom. De essentie van zijn ingewikkelde betoog is dat het ideale weer voor de Elfstedentocht nauwelijks nog voorkomt: twee weken lang koude, droge wind uit Siberië, het liefst zonder sneeuw zodat het ijs overal op het parcours minstens 15 centimeter dik is. ‘De wind waait in de winter nu vaker dan vroeger uit het westen, van zee, met warmere lucht.’

    Maar dat is geen reden om de moed te verliezen, zegt Van Oldenborgh: ‘De kans op het juiste weer ligt momenteel elk jaar ergens tussen de vijf en tien procent. We moeten alleen wat meer geduld hebben dan vroeger.’

    Nu is de Elfstedentocht geen wedstrijd die je zomaar even zonder training schaatst. Profs doen er iets minder dan zeven uur over, de meeste amateurs ruim tien uur. De tocht is inspannender dan een marathon en wordt na aankondiging binnen drie à vier dagen verreden. Je moet er altijd klaar voor zijn. Het is al moeilijk om je voor te bereiden op de Olympische Spelen: dagelijks trainen voor een wedstrijd die maar eens in de vier jaar plaatsvindt. Hoeveel zwaarder moet het dan zijn om je decennialang in conditie te houden voor een wedstrijd waarvan je niet eens weet of en wanneer hij wordt gehouden?

    Maar bij de Nederlanders neemt met het jaar dat de Elfstedentocht niet doorgaat het verlangen, het fanatisme en – als een roulettespeler met een negatieve reeks – het optimisme toe.

    De gebroeders Mesu, 24 en 27 jaar oud, zeggen dingen als: “Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij”

    Zoals bij Niels en Erwin Mesu, 24 en 27 jaar oud, die dingen zeggen als: ‘Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij.’

    Ik ontmoet de twee in het beroemde Thialf, het grote ijsstadion in het Friese Heerenveen waar Olympische zeges en wereldtitels worden voorbereid. Aan de buitenkant lijkt het gebouw op een witte ufo, die hier tussen de sloten is geland.

    De broers, opgegroeid op een kaasboerderij, behoren tot de wereldtop op natuurijs en in Nederland tot een kleine kring van zo’n tien schaatsers die favoriet zouden zijn voor een zege in de Elfstedentocht. Elke winter nemen ze deel aan wedstrijden, van Zweden tot Oostenrijk.

    De broers Mesu hebben een lichaam dat gemaakt lijkt te zijn voor het schaatsen: een kromme rug, een haast anorectisch dunne torso en extreem gespierde benen. Erboven een open, kinderlijk gezicht met grote ogen. Ze steken hun blote voeten in de nauwsluitende schaatsen en persen zich in hun schaatspak van elastaan – zodra ze op het ijs staan oogt elke beweging moeiteloos, lijkt elke slag van een andere planeet. Met zes lange, krachtige slagen leggen de twee 150 meter af; met ruim 40 kilometer per uur suizen ze over de baan.

    Op het wedstrijdparcours buiten zouden ze langzamer gaan, maar niet heel veel. De tocht van 200 kilometer zouden ze met een gemiddelde van 30 kilometer per uur schaatsen. Je reinste waanzin als je bedenkt dat de wedstrijd om vijf uur ’s ochtends in het stikdonker begint, er scheuren in het ijs zitten en de schaatsers groepjes vormen waarin ze niet meer dan een armlengte afstand van elkaar houden.


    De twee broers trainen het hele jaar door vrijwel elke dag. Ze gaan niet naar feesten, zoals de studiegenoten van Niels aan een hogeschool in Leeuwarden, waar hij Dier- en Veehouderij studeert. Ze drinken ook geen alcohol, zelfs geen biertje op de vrijdagmiddagborrel, zoals de collega’s van Erwin bij het advies- en accountantskantoor waar hij halve dagen werkt.

    En ergens lijken ze er zeker van te zijn dat ze hun kans zullen krijgen. Dat in de niet al te verre toekomst de dag zal komen waarop ze kunnen laten zien dat ze harder, sterker en onvermoeibaarder zijn dan de rest van de naar schatting dertigduizend deelnemers, die allemaal lid moeten zijn van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. De vereniging die de wedstrijd organiseert laat namelijk alleen maar leden toe op het ijs, zodat het niet te druk wordt.

    Schaatsmuseum

    Wanneer ik in Hindeloopen arriveer, een stadje waar de schaatsers er ongeveer 80 kilometer zouden hebben opzitten, is het weer nog hoe het moet zijn. De zon schijnt, maar het is lekker koud, net onder het vriespunt. De weersvoorspelling belooft echter niet veel goeds: vanmiddag wordt het warmer. Plus vijf graden.

    Hindeloopen is een Friese idylle: vissersbootjes met zeilen, bakstenen huisjes achter de dijk en een supermarkt die zo klein is dat hij nog altijd de sfeer ademt van de buurtwinkel die hier ooit zat. In een van de huisjes midden in het stadje bevindt zich het Schaatsmuseum, dat alles verzamelt wat er zoal te verzamelen is over de Elfstedentocht. Zoals de zilveren kruisjes, die iedereen krijgt die de lijdensweg voor middernacht heeft voltooid. De neonkleurige pakken van de winnaars uit de jaren tachtig en negentig. En oude schaatsen: enkele waren al een eeuw geleden in gebruik bij boeren en op één paar heeft ooit een Nederlandse koningin over het ijs gezwierd.

    Om de paar jaar komt een oud-winnaar op bezoek, die een rondje langs de vitrines maakt en iets achterlaat voor de collectie in deze tempel. Het museum wordt beheerd door de 47-jarige Pieter Bootsma, een ongekunstelde, zelfs voor Friese begrippen weinig spraakzame man met dik roodblond haar. Praten hoeft Bootsma vandaag ook niet veel: op deze winterdag is er niemand gekomen, we zijn helemaal alleen. En dat vindt Bootsma voor dit moment niet erg: ‘Er wordt beweerd dat het een romantische dag zal worden wanneer de tocht eindelijk weer wordt gehouden, maar in werkelijkheid zal het een gekkenhuis worden. Iedereen wil erbij zijn, tienduizenden mensen zullen hiernaartoe komen om het mee te maken.’

    De grote angst is inderdaad niet dat er na twintig jaar niemand meer zal komen, maar dat er te veel mensen komen. Er liggen zelfs noodplannen klaar om de snelwegen naar Friesland af te sluiten en geen treinen meer te laten rijden naar de provincie wanneer er meer dan twee miljoen mensen op pad zouden gaan. ‘Dat wordt een hele mooie business,’ zegt Bootsma grijnzend.


    In Leeuwarden, de provinciehoofdstad, woont de 61-jarige Eddie Huitema, een heel gewone schaatsfanaat, zoals er in Nederland duizenden zijn. Ik ontmoet hem op de plek waar de tocht van start zou gaan: bij de ijshal van Leeuwarden. Over deze tamelijk kleurloze vierbaansweg zouden duizenden mannen en vrouwen, de schaatsen in de hand, in de duisternis van de vroege ochtend naar het ijs sprinten.

    Huitema is leraar, een lange, magere, haast tengere man met een zachte stem die doet denken aan die van een radiopresentator van een cultuurprogramma. Je ziet niet aan hem af hoe hard hij is. Hij was erbij in 1986 en 1997, heeft al vakanties afgezegd voor de Elfstedentocht en heeft die in jaren dat het ijs eigenlijk te dun was op eigen houtje met vrienden geschaatst.

    De Elfstedentocht, zegt hij, is een verraderlijke wedstrijd. Van de elf steden die je moet passeren, liggen de eerste vijf dicht bij elkaar. ‘Vaak heb je aan het begin de wind in de rug. Veel deelnemers denken dan dat ze er al bijna zijn.’ Maar dan moet het zwaarste deel nog komen: een meer dan vijftig kilometer lang traject waar de wind van voren blaast en het landschap meedogenloos vlak is, ‘als een ijswoestijn’. Bovendien is het ijs op dat deel vaak bijzonder slecht, omdat het in de smalle wateren is opgedrukt tot bergjes. ‘Tweehonderd kilometer schaatsen doet pijn,’ zegt hij, ‘maar niet meedoen doet nog meer pijn.’

    Twee jaar geleden kreeg Huitema een hartinfarct. Zijn vrouw heeft hem verboden ook nog maar te peinzen over meedoen, maar evengoed lijkt hij te overwegen of het dat niet waard zou zijn: zijn leven te riskeren voor de meest grandioze wedstrijd ter wereld. Nog één keer langs de mensenmassa’s te glijden die met een borrel of glühwein in de hand schreeuwen, zingen en dansen op de muziek van blaaskapellen. Nog één keer in het middelpunt van deze tweehonderd kilometer lange Friese Mardi Gras te staan.

    In een buitenwijk van Leeuwarden, tegen de achtergrond van enkele eengezinshuizen die stuk voor stuk zo uit een catalogus van prefabwoningen lijken te komen, is naast de vaart een paal in het gras geslagen. Hier zou de eindsprint eindigen, hier zouden helden worden gemaakt.

    Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen

    De vaart is op deze plek kaarsrecht, de volgende bocht ligt ergens achter de horizon. Een bleke ijslaag met luchtbelletjes bedekt het water. Zou het niet geweldig zijn om nu schaatsen aan te trekken en er gewoon vandoor te schaatsen, kilometer na kilometer?

    Ik laat een vuistgrote steen vallen om te controleren of het ijs stevig genoeg is. De steen kraakt er moeiteloos doorheen en verdwijnt in het donkere, troebele water. Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen.

    Tot de komende winter, wanneer er weer drie maanden hoop zijn.

    Auteur: Johannes Böhme
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Bij Antarctica zit een gat in 
het ijs zo groot als Nederland

    Bij Antarctica zit een gat in 
het ijs zo groot als Nederland

    Een Duitse expert ontdekte een enorm ijsvrij gebied in de Zuidelijke Oceaan, waar het nochtans extreem koud is. Wat is hier aan de hand?

    Voor de kust van Antarctica gaapt een gat in het normaal zo dikke pakijs van de Weddellzee. En Lars Kaleschke denkt dat hij het als eerste heeft gezien. De zee-ijsexpert van de Universiteit van Hamburg bestudeert elke dag de actuele meetgegevens van de Japanse GCOM-W1-satelliet – en wat daar onlangs op ongeveer 64 graden zuiderbreedte en 3 graden oosterlengte op de kaarten zichtbaar was, sloeg hem met stomheid: ‘Een gat met een oppervlak groter dan Nedersaksen.’

    Midden in de dikke ijslaag ten oosten van het Antarctische schiereiland was een zogeheten ‘polinia’ ontstaan. Het woord komt uit het Russisch en wordt gebruikt voor een ijsvrij of slechts met een heel dun laagje ijs bedekt wateroppervlak in een anders dichtgevroren omgeving – want de luchttemperatuur in deze streek ligt nog altijd in de dubbele cijfers onder nul.

    Op een recente maandag bereikte de Weddell-polinia met 49.111 km2 haar grootste omvang tot nu toe. De woensdag erna was ze met 39.111 km2 weer iets kleiner. ‘Hier komt diep water naar boven dat twee tot drie graden warmer is dan het oppervlaktewater,’ legt 
Kaleschke uit. Dit is een gevolg van een complex mechanisme, en van een onderzees gebergte. Zo’n 500 kilometer voor de Antarctische kust rijst de zogeheten Maud Rise op van de oceaanbodem. Deze circa 3500 meter hoge bergen komen niet boven het wateroppervlak uit omdat de zee hier ongeveer 5 kilometer diep is. Maar ze sturen de zeestromingen in dit gebied wel stevig in de war, geholpen door de krachtige winden die er voorkomen.

    Overdrukventiel

    Dat alles kan leiden tot een omkering in de gelaagdheid van de oceaan ten zuiden van de Antarctische ringstroom: normaliter ligt onderaan een laag van relatief warm, zoutrijk water. Daarboven ligt, als een deksel op een kookpot, een laag water die kouder is en zoutarmer.

    Maar in het gebied van de polinia die boven de Maud Rise is ontstaan, komen nu grote hoeveelheden relatief warm water naar de oppervlakte. Dit water geeft zijn warmte af aan de lucht, waarna zich opnieuw zee-ijs vormt. Maar dat bevat maar eenderde van het eerder in het water opgeloste zout. De rest van het zout wordt afgegeven aan de oceaan, waardoor de dichtheid van het water in de bovenlaag verandert. Dit wordt zwaarder en zakt naar beneden, en door dit zelfversterkende effect blijft de polinia open.

    Het is niet voor het eerst dat zich in 
de Weddellzee een polinia voordoet. Geowetenschappers houden zich nog altijd bezig met een exemplaar dat in de jaren zeventig drie winters voortduurde en in 1980 voor het eerst 
wetenschappelijk werd beschreven.

    Het enorme gat was te zien op opnames van de Amerikaanse weersatelliet Nimbus 5 en bereikte zijn maximale omvang in september 1975. Toen was meer dan 310.000 km2 wateroppervlak ijsvrij. Er werd een expeditie naar het gebied gestuurd, maar die arriveerde pas toen de polinia alweer dicht was.

    Het ijsgat: rechts september 2017, links augustus 2016.
    Het ijsgat: rechts september 2017, links augustus 2016.

    Daarna deed het fenomeen zich veertig jaar lang niet voor, tot vorig jaar. Maar het gat dat in 2016 ontstond 
was volgens de berekeningen van Kaleschka met maximaal 19.072 km2 duidelijk kleiner dan in de jaren zeventig. En duidelijk kleiner dan dit jaar.

    Een polinia werkt als een soort 
overdrukventiel op een snelkookpan, 
waarmee de oceaan zich in korte tijd van grote hoeveelheden warmte kan ontdoen. De Zuidelijke Oceaan is als warmtereservoir voor de hele wereld van belang: hoewel hij maar 30 procent uitmaakt van het zeeoppervlak 
op aarde, neemt hij ongeveer de helft van de kooldioxide en driekwart van de warmte op die alle oceanen tezamen absorberen. Bovendien warmt de Zuidelijke Oceaan in vergelijking met andere wereldzeeën maar langzaam op. Computermodellen geven aan dat natuurlijke klimaatschommelingen regelmatig tot enorme gaten in het ijs zullen leiden. Recent presenteerden onderzoekers van het Instituut voor Zeeonderzoek in Barcelona in het vaktijdschrift Journal of Climate de resultaten van een modelberekening die aangeven dat deze warmtetransfer zelfs verreikende wereldwijde gevolgen kan hebben. Niet alleen de directe omgeving wordt namelijk opgewarmd, op het hele zuidelijk halfrond stijgen de temperaturen van water en lucht, zelfs het noordelijk halfrond ondervindt 
hiervan effecten.

    ‘In jaren en decennia met een grote polinia zien we verandering van winden op het zuidelijke halfrond. De 
tropische regengordel schuift in zuidwaartse richting op’, schrijft co-auteur Irina Marinov van de Universiteit van Pennsylvania. De verschuiving van de regengordel met een enkele graad naar het zuiden houdt volgens de modellen twintig tot dertig jaar aan, aldus de onderzoekers.

    Klimaatverandering

    Maar houdt de polinia ook verband 
met de klimaatverandering? Eerdere studies wezen uit dat bij een opwarmende aarde gaten in het ijs juist zeldzamer worden. Onderzoekers van de McGill-universiteit in het Canadese Montreal wierpen in 2014 in het vaktijdschrift Nature Climate Change de stelling op dat polinia’s in het verleden vaak in de Zuidelijke Oceaan voorkwamen.

    Pas door de invloed van de mens op 
het klimaat zijn de ijsgaten volgens 
de onderzoekers zeldzaam geworden – omdat het zee-ijs door de klimaatverandering sterker smelt en er daardoor meer zoutarm water aan het 
oceaanoppervlak voorkomt. Dat houdt in zekere zin de daaronder liggende warmere waterlagen in toom, en zorgt 
er zo voor dat vooral het diepe oceaanwater opwarmt.

    Maar van tijd tot tijd vindt die warmte kennelijk een weg naar boven en ontstaat er een gat in het ijs. Het afgelopen jaar, zo zegt onderzoeker Kaleschke, was er wereldwijd sprake van een minimum aan zee-ijs. Mogelijk werden deze lage waarden in het Antarctisch gebied mede veroorzaakt door de – destijds duidelijk kleinere – polinia. Ook vanwege dit vermoeden wil hij de cijfers voor dit jaar heel zorgvuldig bestuderen.

    Auteur: Christoph Seidler
    Vertaler: Marten de Vries

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Winterduik

    Winterduik

    Een zwemmer trekt een baantje in een wak in een bevroren meer in de Chinese stad Shenyang.

    Winterzwemmen is een populaire traditie in China. Alleen al in Shenyang (7,2 miljoen inwoners) trotseren jaarlijks duizenden sportievelingen de vrieskou. De stad gaat zelfs een ‘winterbasis’ openen om in te spelen op de groeiende belangstelling. In heel China zijn er 141 winterzwemorganisaties, met meer dan 200.000 leden. Bekend is het winterzwemfestival in de stad Jinan, met als hoogtepunt het overzwemmen van het Damingmeer, op 300 meter hoogte.

    
© Sheng Li / Reuters
    
© Sheng Li / Reuters