Na een pandemie van meer dan een jaar die waarschijnlijk veroorzaakt is door de illegale handel in wilde dieren, lijkt deze handel nog steeds in blakende gezondheid te zijn. Niet alleen levende, ook dode tijgers en soortgenoten zijn zeer gewild.
De inbeslagname van goederen die onderweg waren van Nigeria naar Vietnam was alleen wat omvang betreft al schrikbarend. De Nigeriaanse douane onderschepte, in samenwerking met de Britse grenswacht, een lading van 10 ton slagtanden, botten en schubben die naar schatting afkomstig waren van 709 olifanten, 11 leeuwen en 10.658 schubdieren.
Na een pandemie van meer dan een jaar die waarschijnlijk veroorzaakt is door de illegale handel in wilde dieren – en die meer dan twee miljoen gemelde doden en biljoenen dollars heeft gekost – lijkt die handel nog steeds in blakende gezondheid te zijn.
Het opmerkelijkst aan de inbeslagname in januari 2021, afgezien van de onthutsende aantallen bedreigde dieren met een marktwaarde van meer dan 16 miljoen dollar, is de aanwezigheid van de leeuw. Natuurexperts denken dat Afrikaanse leeuwen slachtoffer zijn geworden van de schimmige handel in tijgers.
Gestimuleerd door de schijnbaar onverzadigbare vraag uit Vietnam en China en geleid door criminelen uit Laos en Thailand, is de druk op tijgerpopulaties zo ernstig dat delen van leeuwen, die in Afrika relatief makkelijker te krijgen zijn, gebruikt worden als vervanging om de markt te bedienen.
Zwakke rechtshandhaving en corruptie
Freeland, een antismokkel-ngo en partner van The Independent in de campagne ‘Stop de illegale handel in wilde dieren’, denkt dat de handel in tijgers, waarvan er nu wereldwijd minder dan vierduizend in het wild leven, geleid wordt door ‘Tiger Queens’ in heel Zuidoost-Azië.
Net als in de Netflix-serie Tiger King fokken die dealers hun eigen tijgers, zogenaamd voor toerisme en instandhouding, wat in Thailand en Laos is toegestaan. Maar veel van die fokkerijen, die geregistreerd staan en ‘dierentuinen’ worden genoemd, laten in werkelijkheid geen toeristen toe of doen dat alleen om hun echte winstoogmerk te verdoezelen: de verkoop en heling van tijgerdelen.
Volgens het Environmental Investigation Agency (EIA) zijn zo’n half dozijn onderkomens waar tijgers gevangenzitten betrokken bij de handel in tijgerproducten. Multinationale, criminele syndicaten maken misbruik van de zwakke rechtshandhaving en corruptie, terwijl ze profiteren van de hoge prijzen die betaald worden voor zeldzame en bedreigde dieren.
Steve Galster, de oprichter van Freeland, zei: ‘Vanwege het strengere toezicht en omdat er meer aandacht is voor de handel, besloten de tussenpersonen in Laos hun eigen infrastructuur voor het fokken van wilde dieren te ontwikkelen. Daarmee willen ze ten eerste witwaskanalen opzetten – van elk dier dat van Thailand naar Laos werd gesmokkeld, kon op papier worden aangetoond dat het afkomstig was uit fokkerijen in Laos. Ten tweede willen ze hun eigen dieren fokken en minder afhankelijk zijn van onbetrouwbare Thaise leveranciers, die óf als smokkelaars gepakt werden óf hun prijzen verhoogden als compensatie voor duurdere maatregelen om het verscherpte toezicht te omzeilen.’
Bij een politie-inval in december 2020 werden ter plekke zes tijgerkarkassen en een afgehakte tijgerkop aangetroffen
Volgens Freeland is de Mukda Tiger Park Farm, in Noordoost-Thailand aan de grens met Laos, zo’n tijgerfokkerij. Uit onderzoek dat Freeland aan The Independent heeft laten zien, blijkt dat de ‘dierentuin’ in de zomer van 2020 zo’n dertig tijgers bevatte en levende welpen en volwassen tijgers de grens over bracht. Bij een politie-inval in december 2020 werden ter plekke zes tijgerkarkassen en een afgehakte tijgerkop aangetroffen. Een DNA-analyse van de levende tijgers wees uit dat ze genetisch niet verwant waren aan de andere, wat erop duidt dat ze van elders het land in waren gesmokkeld.
Volgens Galster beweerden de eigenaren van de fokkerij dat ze de zes skeletten wilden opzetten, wat volgens de Thaise wet nog steeds legaal is. Dr. Mark Jones van de organisatie Born Free schat dat er in Zuidoost- en Oost-Azië meer dan 8300 tijgers in gevangenschap leven, vergeleken met 5000 in de VS.
Een andere organisatie, Vannaseng, is in verband gebracht met een tijgerfokkerij en een apenfokkerij in de buurt van Vientiane, de hoofdstad van Laos. Freeland meent dat de directeur ervan, Viengnasone Ounalom, de schoondochter is van de directeur-generaal van de Laotiaanse douane.
The Guardian schreef dat het bedrijf in 2014 van de Laotiaanse regering toestemming kreeg om 20 ton tijgervellen, botten en klauwen te verhandelen ter waarde van 1,2 miljoen dollar, in een land waarin 80 procent van de bevolking van minder dat 2,50 dollar per dag leeft. Vannaseng reageerde niet op een verzoek van The Independent om commentaar te geven op de activiteiten van het bedrijf en de staat van de dierenvoorzieningen.
De Convention on International Trade in Endangered Species (CITES), waar alle Aziatische landen behalve Noord-Korea en Turkmenistan aan deelnemen, roept al sinds 2007 op een eind te maken aan het fokken van tijgers om handel mee te drijven. Sommige leden van de pro-fokkerijlobby betogen dat het fokken van tijgers de druk op in het wild levende tijgerpopulaties vermindert, maar dat wordt gelogenstraft door het almaar afnemende aantal wilde tijgers.
Mazen in de wetten
Volgens het World Wildlife Fund ondermijnen de tijgerfokkerijen de pogingen om het verbod op de handel in tijgerproducten af te dwingen. Het meent ook dat tijgerfokkerijen ertoe bijdragen om ‘de vraag ernaar te laten voortduren en toenemen’, omdat hun bestaan ‘die producten legitimeert en normaliseert in een gebied dat momenteel een grote en duurzame groei van consumentenklassen doormaakt’.
In Laos en Thailand bestaan wetten die de landen dwingen zich te houden aan hun CITES-verplichtingen, maar veel mensen zeggen dat er onaanvaardbare mazen in die wetten zitten. Een rapport van de Environmental Investigation Agency uit 2019 wijst erop dat vergunningen om tijgers te fokken en te vervoeren vrij eenvoudig te krijgen zijn, en dat er ‘geen voorschrift’ bestaat om de handel in producten die delen van tijgers bevatten tegen te houden. Het rapport Op het slagersblok – de Mekong-route van de tijgerhandel richt zich vooral op de rol van de Speciale Economische Zones in de regio, zoals de Golden Triangle Speciale Economische Zone (GTSEZ), die in Laos ligt, maar feitelijk bestuurd wordt door een Chinees bedrijf.
De GTSEZ wordt, met een leaseovereenkomst van negenennegentig jaar met de Laotiaanse regering, bestuurd door het in Hong Kong geregistreerde bedrijf de Kings Roman Group, dat op de sanctielijst van het Amerikaanse ministerie van Financiën staat wegens betrokkenheid bij illegale activiteiten zoals het smokkelen van drugs, mensen en dierlijke producten.
Het ministerie verklaart dat miljardair Zhao Wei, die de controle heeft over de regio, en zijn vrouw Su Guiqin, directeur van het bedrijf die in een artikel in de South China Morning Post de ‘Koningin van de Speciale Economische Zone Golden Triangle’ wordt genoemd, ‘de GTSEZ uitbuiten om deel te nemen aan de smokkel van bedreigde en kwetsbare dieren, waaronder Aziatische zwarte beren, schubdieren, tijgers, neushoorns en olifanten’.
Het kroonjuweel van het gebied van 100.000 hectare is het Kings Roman Casino, dat zeer in trek is bij Vietnamese en Chinese bezoekers. De muntsoort die er wordt gebruikt, is de Renminbi en buiten patrouilleren vaak Chinese agenten.
Debbie Banks van de EIA noemt wat zich afspeelt in die speciale economische zones ‘door Chinezen geleide activiteiten die wetteloze gebieden opleveren waar misdaden tegen dieren kunnen worden gepleegd’. Ze suggereert ook dat er in het gebied minstens twee faciliteiten zijn met tientallen tijgers, waar producten als tijgerbotwijn makkelijk verkrijgbaar zijn.
Tijgerfokkerijen maken deel uit van een bredere tijgerhandel die al eeuwen bestaat en gevoed wordt door de vraag naar delen van tijgers in Zuidoost- en Oost-Azië. Die delen worden voornamelijk gebruikt voor medicijnen die gebaseerd zijn op de traditionele Chinese geneeskunde.
Debbie Banks legt uit: ‘Tijgerbotten worden in Vietnam tot een lijmachtige substantie gekookt waar ze tijgerlijm van maken. In China worden ze op twee manieren gebruikt: vermalen tot een poeder dat als ingrediënt wordt gebruikt binnen de traditionele geneeskunde of geweekt in rijstwijn om tijgerbotwijn te maken, die op de markt wordt gebracht als een gezondheidsproduct of als een prestigieus cadeau.’
Het eten van tijgervlees wordt door sommigen als luxueus beschouwd, net zoiets als een goede champagne, en de botten als een geneesmiddel
De groei van de middenklasse in die twee landen verklaart voor een groot deel de aanhoudende vraag naar tijgerproducten: het eten van tijgervlees wordt door sommigen als luxueus beschouwd, net zoiets als een goede champagne, en de botten als een geneesmiddel. ‘Sommigen geloven dat ze door een tijger te eten net als een tijger worden,’ zei Steve Galster.
Waar illegale handel wordt gedreven, komt onvermijdelijk fraude voor. Toen het moeilijker werd om tijgers te stropen, en landen als Thailand en China strengere beperkingen op de handel legden, begonnen natuurbeschermers delen van leeuwen te ontdekken in geconfisqueerde vrachten. Ze veronderstelden dat het substituten voor zeldzamer delen waren.
Leeuwenskeletten zijn in grote aantallen beschikbaar in Zuid-Afrika, vanwege de populariteit van de jacht op grote dieren aldaar. In een rapport uit 2017 van Born Free met als titel ‘Cash Before Conservation’ staat dat Zuid-Afrika de grootste exporteur van leeuwenbotten en -skeletten naar het Verre Oosten is. Het land heeft tussen 2008 en 2015 98 procent van de leeuwenkarkassen naar Vietnam of Laos gestuurd.
En dus hebben de Tiger Queens hun blik nu grotendeels op Afrika gericht. Freeland wijst erop dat er een onderzoek loopt naar een Laotiaanse tijgerfokkerij die een dochteronderneming in Zuid-Afrika heeft geopend. Intussen zijn mensen zoals Vixay Keosavang, een inwoner van Laos, nog op vrije voeten, ondanks het feit dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in 2013 een beloning van een miljoen dollar heeft uitgeloofd voor informatie over zijn netwerk voor het smokkelen van wilde dieren van Afrika naar Azië.
Monster in de hoek
Freeland heeft diverse autoriteiten ingelicht over Keosavangs netwerk, en dat leidde tot elf arrestaties, vier vervolgingen en miljoenen in beslag genomen dollars. Het lijkt er dus op dat Keosavangs netwerk niet meer bestaat, maar zelf blijft hij onvindbaar en de Tiger Queens zorgen dat de zaken doorgaan.
Galster legt uit: ‘De syndicaten die wilde dieren smokkelen en verbonden zijn met de fokkerijen in Laos en Thailand, sturen tussenpersonen naar Zuid-Afrika om voor duizend dollar leeuwenkarkassen te kopen, die ongeveer vijfentwintig keer goedkoper zijn dan karkassen van volwassen tijgers. Diezelfde personen zijn uiteindelijk overgestapt op hoorns van rhinocerossen.’ Natuurbeschermers luiden nu de noodklok over leeuwenpopulaties in Afrika, die sinds 1994 met de helft zouden zijn gekrompen.
Debbie Banks van de EIA vertelt nog dat verkopers en consumenten het verschil tussen tijger- en leeuwenbotten zonder een DNA-test niet kunnen zien. En vanwege de pandemie vindt de handel nu bijna helemaal online plaats.
De EIA ontdekte onlangs een Chinees bedrijf in Vientiane dat adverteerde met producten van tijgerbotten op WeChat, een berichten-app van het Chinese Tencent, dat vorig jaar een blog vrijgaf met als titel ‘Het is belangrijker dan ooit om een eind te maken aan de illegale handel in bedreigde diersoorten’.
Steve Galster: ‘Het is een grote, etterende wond, een monster dat we in een hoek hebben geplaatst. En het probleem is moeilijk aan te pakken omdat de fokkerijen geleid worden door zeer invloedrijke mensen en omdat het om grote hoeveelheden dieren gaat.’
In de Spaanse regio Galicië verdienen visstropers goud geld aan mosselen, scheermessen en coquilles. Hun buit vindt zijn weg naar restaurants, visafslagen en visverwerkingsbedrijven. ‘Ze zijn erger dan de drugshandelaren,’ zegt een kustwachter.
‘Mijn strandvilla heb ik betaald van de opbrengst van de verkoop van scheermessen.’ Aan het woord is Ramón (pseudoniem), een van de grote jongens van de illegale visvangst aan de kust van Galicië. Ooit heeft hij in één nacht wel 140 kilo scheermessen buitgemaakt, aldus Ramón, geboren en getogen in Rías Baixas, waar hij nog steeds woont. We zitten te praten op het terras van een bar waar de regen hard op de overkapping klettert. ‘Op mijn achtste ben ik begonnen. Mijn vader is zeeman, als kind werd ik op zee aan het werk gezet.’ Het verschil is dat Ramón besloot te vissen zonder vergunning: hij vist illegaal en verkoopt zijn vangsten in het zwarte circuit. Ramón is zeevruchtenstroper.
Behalve op scheermessen vist hij op coquilles en zwemkrabben. Hij duikt met en zonder zuurstoffles. ‘Terwijl ik naar de bodem zwem houdt een auto de omgeving in de gaten en post er iemand bij het water. In vier à vijf uur halen we gemiddeld zo’n zestig kilo op. Mijn record is zes uur achter elkaar duiken zonder zuurstoffles.’
Halverwege de jaren negentig heeft Ramón miljoenen verdiend met illegale visserij. Hij kocht er een villa, een appartement in la Coruña en een in Santiago de Compostela van. ‘Alert zijn, dát is de truc. Ik kijk voortdurend in mijn achteruitkijkspiegel. Als ik drie keer achter elkaar dezelfde auto zie, smeer ik hem. En ik duik bijna altijd ’s nachts om een uur of drie. We zijn standaard met vier of vijf man. We hebben de boel strak georganiseerd.’
Dat de zeevruchtenstropers hun zaakjes goed geregeld hebben blijkt uit het feit dat de Guardia Civil en de Servizo de la Xunta de Galicia, de kustwacht van Galicië, de laatste jaren strijd voeren (soms al te letterlijk) tegen wat steeds meer gaat lijken op georganiseerde misdaad: de nieuwe maffia van de Galicische kust.
Gegevens van de Consellería do Mar de la Xunta de Galicia, het Departement Visserij Galicië, laten zien dat er in 2016 73.140 kilo illegale visvangst werd onderschept. Vorig jaar liep dat cijfer op naar 175.074 kilo.
‘Dat we in Galicië een probleem hebben kunnen we niet ontkennen, maar de situatie is niet dramatisch,’ zegt Lino Sexto, onderdirecteur van de kustwacht van Galicië. ‘We hebben vooruitgang geboekt in de strijd tegen een oud probleem waartegen het moeilijk optreden is. Visstroperij is pas sinds de wetsherziening van 2015 een misdaad waar gevangenisstraf op staat. Tot nu toe is nog geen enkele stroper achter de tralies beland. Ze betalen liever een boete. Sommigen voelen zich onaantastbaar,’ aldus Lino.
In Muxía, een vissersdorpje aan de Costa da Morte, vertelt de gepensioneerde eendenmosselvisser Moncho do Pesco dat de stropers in speedboten met zware motoren aan komen varen. ‘Ze duiken naar de rotsen die onder het wateroppervlak liggen en plukken ze kaal. In één nacht kunnen ze zesduizend euro verdienen en ze gaan een derde van het jaar op pad. Tel uit je winst!’
Moncho legt uit dat ze over land en over zee komen. Ze posten, soms zelfs gewapend met stokken en knuppels, op strategische plekken, waarna ze weer vertrekken met kratten vol eendenmossels. ‘Net als die lui die smokkelen.’
‘Ze zitten overal, maar hoeven dit niet te doen. De georganiseerde visstroperij levert veel meer geld op dan de tabaks- en drugssmokkel’
Suso is controleur van de vissersgilde San Telmo de Pontevedra. De vissersgildes in Galicië zijn verplicht om om de beurt de kust te inspecteren op illegale vispraktijken. Op veel kustplekken wordt die afspraak niet nageleefd, en waar men dat wel doet maken de controleurs geen schijn van kans tegen de stropers. ‘Maffiosi zijn het, schrijf dat maar op: maffiosi!’ schreeuwt Suso boos, terwijl hij in de haven van Campelo een touw van zijn vissersboot losgooit. ‘Vorige maand hebben ze mijn auto in de fik gestoken en vorige week moesten de koplampen van mijn andere auto het ontgelden. Gisteren werd ik aangevallen en zijn mijn brillenglazen gebroken. Ze zijn nog erger dan drugshandelaren!’ schreeuwt Suso, ons gesprek afkappend.
In Galicië heb je zeevruchtenstropers die illegaal een paar kilo eendenmosselen en zwemkrabben vangen om te overleven. Het is kruimelwerk vergeleken met de tonnen zeevruchten die de grote jongens zwart verkopen en de duizenden euro’s die ze ermee omzetten. Ze verkopen vooral venusschelpen, coquilles en scheermessen, want die worden het hele jaar door gegeten en leveren het meeste geld op.
‘Ze zijn goed georganiseerd, verdienen tonnen en lopen er gewoon mee te koop. Ze rijden in dikke auto’s, varen in zware boten en schaffen appartementen aan. Ze gedragen zich als drugshandelaren,’ vertelt een lid van een vissersgilde. ‘En een paar zijn dat ook. Ze houden zich bezig met drugshandel, tabaksmokkel en visstroperij. De Os Fanchos-clan, bijvoorbeeld, van die kerel die Diana Quer heeft vermoord. Ze zitten overal, maar hoeven dit niet te doen. De georganiseerde visstroperij levert veel meer geld op dan de tabaks- en drugssmokkel.’
‘Het probleem is dat bijna iedereen weet wie ze zijn,’ zegt Lino Sexto. ‘Stropen is de normaalste zaak van de wereld, het wordt in Galicië geaccepteerd. Die lui werken niet in de luwte, integendeel, ze houden van machtsvertoon. Door de storm lag een paar dagen geleden het hele strand bezaaid met coquilles. De mensen wisten er wel raad mee. Maar zelfs de burgemeester beweerde dat zoiets normaal was. En hij is nog wel bioloog! De mensen beseffen niet hoeveel schade illegale visvangst aanricht,’ aldus Lino.
Ook in Muxia zegt Moncho heel goed te weten wie zich bezighoudt met de illegale vangst van eendenmosselen. ‘Wat kan ik doen? Ruziemaken met die lui? Dat is mijn werk niet.’ In de stad la Coruña hoort de clandestiene verkoop van coquilles tot het straatbeeld. In een halve ochtend hebben de stropers hun buit op straat verkocht.
Onder controle
‘Een paar jaar geleden hadden we veel problemen op de O Burgo, de riviermond die vlak bij la Coruña ligt,’ vertelt kustwachter Enrique Rodríguez. Verschillende families jatten daar venusschelpen en gebruikten hun kinderen als schild tegen ons. Ik kreeg klappen en hield er een kapotte wenkbrauw aan over. Een tijdje geleden was er zelfs een vuurgevecht met de Guardia Civil.’
Ook Javier – hij wil evenmin met zijn echte naam in de krant – stroopt zeevruchten. Maar hij maakt geen grote omzet, zoals Ramón. ‘Ik doe dit om een boterham te verdienen. Wat doe ik verkeerd? Ik werk alleen maar. Wat heeft de kustwacht met mij te schaften? Een paar van ons zijn gewelddadig, voor het overgrote deel zijn we eerlijke mensen die de kost willen verdienen voor onze gezinnen.’
In de haven van Marín, vlakbij Pontevedra, nodigt Enrique ons uit voor een tochtje op de Irmáns García Nodal, een van de vaartuigen die de kustwacht inzet op zijn kruistocht tegen de illegale visserij. Stuiterend over de golven van de rivier legt Enrique uit dat de kustwacht acht uitvalbases heeft langs de hele kust. ‘Ze verlinken elkaar om de haverklap. We krijgen aan één stuk door informatie doorgespeeld. Dat gaat van: hé, die gaan vanavond op stap, en die hebben geen vergunning. We hebben onze informanten.’
Volgens Ramón gaat de informatie beide kanten op. ‘Ik weet precies op welke dagen en om hoe laat de kustwacht uitvaart. Wij hebben daar onze mannetjes zitten. De boel is onder controle,’ vertelt Ramón glimlachend. En als de kustwacht toch onverwacht komt, dan krijgen ze hen nooit te pakken. De stropers hebben de krachtigste motoren van de hele riviermond.
‘We moeten ons richten op de handelsstromen, daar draait het om,’ verzekert Lino Sexto me. De stropers raken hun handel probleemloos kwijt. ‘Ik verkoop mijn visvangst aan de beste restaurants in la Coruña en Santiago. Als ik namen noem dan val je van je stoel,’ vertelt Ramón. ‘Ik lever wat ze bestellen, de rekening gaat op naam van een collega beroepsvisser en klaar is Kees.’
Onderdeel van het probleem is dat de illegale vangst wordt afgezet bij kwekerijen, visverwerkingsbedrijven en visafslagen. Veel zeevruchtenstropers hebben een vergunning, en anders heeft iemand anders uit de groep er wel een. De vangst zit overal en nergens. ‘Wee de dag dat er serieus onderzoek wordt gedaan naar de visverwerkingsbedrijven in Galicië,’ zegt Ramón.
Hij doet zijn verhaal in een restaurant in Rías Baixas. Als ons gesprek is afgelopen staat hij op en wijst naar een leeg aquarium waar zeevruchten in horen te zwemmen. ‘Weet je waarom dat ding leeg is?’ Niet Ramón zelf maar de ober van het restaurant geeft uitleg: ‘Je hebt ons al een maand niets gebracht!’ Iedereen schiet in de lach.
‘Niemand geeft elkaar aan en iedereen laat het gebeuren, omdat iedereen boter op zijn hoofd heeft’
Niemand van de vele leden van de vissersgilde Costa da Morte is bereid te praten. Een voor een weigeren ze een interview als ze horen dat het over de illegale visvangst gaat. Nadat meer dan een dozijn mannen heeft bedankt, komt er een die ook anoniem wil blijven. Hij fluistert: ‘Weet je waarom niemand wil praten? Omdat de meeste vissers zich niet aan de regels houden, ze hebben allemaal boter op hun hoofd. Zij stropen net zo goed.’
‘De meeste, zeg je?’ vraagt Ramón, de zeevruchtenstroper uit Rías Baixas. ‘Het is honderd procent, dat weet ik zeker. Zij zijn de echte maffia.’
‘Vijfennegentig procent van de overtredingen en van het probleem komt daar vandaan,’ zegt Lino Sexto. ‘De vangst, het volume, de quota vormen een groot probleem.’ De visser van de Costa de Morte gaat verder waar hij gebleven was: ‘Iedereen belazert hier de boel en trekt zijn eigen plan. Er is geen commitment, geen eensgezindheid. Zo gaat dat in Galicië. Niemand geeft elkaar aan en iedereen laat het gebeuren, omdat iedereen boter op zijn hoofd heeft.’
‘Er is geen werkelijk besef van wat het probleem behelst,’ vult Lino aan. Ramón de stroper maakt het fijntjes af: ‘Nooit heeft men een serieuze poging gedaan om zich daar bewust van te zijn. Als men het echt goed zou doen, als de zeevruchtenvissers een goede opleiding zouden krijgen, dan was dit probleem in twee dagen opgelost.’
Door de hoge vanilleprijs beleeft Madagaskar, de grootste producent ter wereld, gouden tijden. Maar de handel leidt ook tot veel criminaliteit, en gaat ten koste van het regenwoud.
‘Het is big business,’ zegt Dominique Rakotoson, een vanillehandelaar van de oude stempel uit Sambava, de uitdijende ‘vanillehoofdstad’ in het noordoosten van Madagaskar. Het drukke verkeer doet stofwolken en dunne plastic zakjes opwaaien, spiksplinternieuwe SUV’s razen voorbij, uit speakers dreunt Malagassische popmuziek. Maar nergens is er een vleugje vanille te bespeuren in deze tropische stad – alleen de geur van afval, en van geld. ‘Deze quatre-quatres [fourwheeldrives] zijn allemaal betaald van het “zwarte goud”,’ zegt Rakotoson met een gepijnigde glimlach. Veel inwoners hebben de afgelopen jaren goede zaken gedaan in vanille. ‘Mijn broer, een boer die nog niet eens zijn lagere school heeft afgemaakt, is in een mum van tijd miljardair geworden [in ariary, de lokale munteenheid]. Ik heb jarenlang in de hoofdstad gestudeerd terwijl anderen hier een fortuin vergaarden.’
Dankzij de snel groeiende vraag in China en kritische westerlingen die hun neus ophalen voor kunstmatige smaakstoffen lijkt er een onstilbare honger te zijn ontstaan naar de aromatische specerij uit deze contreien. Madagaskar exporteert jaarlijks zo’n tweeduizend ton vanille, die wordt verwerkt in bakproducten, ijs en parfum. Naar verluidt zou vanille een van de geheime ingrediënten van Coca-Cola zijn. De prijzen zijn omhooggeschoten: de peulen van de oogst van vorig jaar werden voor 500 euro per kilo aan internationale levensmiddelenproducenten verkocht, het tienvoudige van de kiloprijs in 2013. In een land waar meer dan 80 procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft, is deze vanillekoorts voor de telers een geschenk uit de hemel. Of niet?
Boeren zijn als de dood om al hun harde werk in rook te zien opgaan, en ze zijn bang om slachtoffer te worden van een van de vele “vanillemoorden”
‘Hier ben ik nu mee getrouwd.’ Moira, een zeventigjarige weduwe uit het dorp Anjiamangotroka, prikt haar machete in de aarde waar ze pas geleden vanille-orchideeën heeft geplant. Met haar eerste oogst – het duurt drie tot vier jaar voordat de tropische slingerplant vruchten draagt – hoopt ze genoeg geld te verdienen ‘om een fatsoenlijk huis te kopen’. Ze is niet in de veronderstelling dat ze slapend rijk zal worden. ‘De teelt is erg arbeidsintensief.’ Het draait allemaal om handwerk. De delicate vanillebloemen bloeien maar één dag per jaar en moeten handmatig worden bevrucht. De plant komt oorspronkelijk uit Midden-Amerika en wordt alleen bevrucht door een lokale bijensoort die niet in Madagaskar gedijt. Na de bestuiving duurt het negen maanden voordat de groene vanillepeulen rijp zijn. Vervolgens worden ze geplukt en gefermenteerd. Ze moeten wekenlang in de zon drogen voordat ze hun aroma, en daarmee hun waarde, ontwikkelen. Het zonnige, vochtige klimaat in de regio Sava is perfect voor de kwetsbare, kostbare orchidee – zo perfect zelfs dat driekwart van de wereldproductie hiervandaan komt, meestal van kleine familiebedrijfjes zoals dat van Moira. Maar de afgelopen tien jaar is de teelt steeds riskanter geworden.
‘Het regent minder en het gewas groeit minder goed,’ legt Moira uit. De grootste kwaaddoeners zijn de cyclonen die tijdens de zomermaanden over het eiland razen. Vorig jaar werd de regio getroffen door de hevigste storm van de afgelopen tien jaar. Cycloon Enawo veroorzaakte landverschuivingen en overstromingen. Er vielen 81 doden, 250.000 huizen raakten verwoest. De cycloon vernielde een vijfde van alle oogsten en een derde van de vanilleoogst, waardoor de vanilleprijs nog verder omhoogschoot.
‘Dankzij Enawo is vanille peperduur geworden,’ zegt Charles Rambolarson, uitvoerend secretaris van het Nationaal Bureau voor Rampenbestrijding. ‘En alle andere levensmiddelen ook: de prijzen rijzen de pan uit. Bevolkingsgroepen die al kwetsbaar waren, lijden nu honger.’ Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt: na een verwoestende cycloon in 2004 steeg de vanilleprijs van 20 euro naar meer dan 400 euro per kilo. Na de oorspronkelijke stijging zakte de kiloprijs terug naar 40 euro. ‘Het zal ook zeker niet de laatste keer zijn,’ benadrukt Rambolarson. ‘Door de klimaatverandering zijn de tropische stormen in kracht toegenomen.’
Met de stijgende vanilleprijs is ook de vanilleroof gegroeid. ‘Het overkomt ons allemaal,’ zegt Emmanuel Zafihavama, een 55-jarige boer die een kleine vanilleplantage langs de weg naar Andapa beheert. ‘Hoe hoger de kiloprijs, des te vroeger in het jaar duiken dieven op om de peulen van de planten te grissen.’ Boeren zijn als de dood om al hun harde werk in rook te zien opgaan, vertelt hij, en ze zijn bang om slachtoffer te worden van een van de vele ‘vanillemoorden’. In zijn lommerrijke tuin, waar honderden helgroene vanilleplanten groeien, vertelt Zafihavama dat de boeren in zijn dorp de handen ineen hebben geslagen. ‘We hebben een burgerwacht opgericht om onze velden tijdens de vier maanden vóór de oogst dag en nacht te bewaken. We gaan op patrouille en slapen tussen de planten. Het is gevaarlijk en vermoeiend,’ zegt hij. ‘Het heeft totaal geen zin om bij de politie aangifte te doen. Ze spelen allemaal onder één hoedje.’ Boeren klagen dat dieven die ze in de kraag vatten en aan de politie overdragen zichzelf meteen vrijkopen.
In de afgelopen jaren is de markt overspoeld met gestolen, onrijpe peulen, waardoor de gemiddelde kwaliteit van vanille uit Madagaskar is verslechterd. Om boeren ervan te weerhouden de vanillepeulen uit angst voor roof vroeg te plukken, heeft de regering voor elk dorp een oogstdatum vastgesteld. Van boeren die zich niet aan de regels houden wordt de oogst in beslag genomen of zelfs verbrand. Maar velen nemen dat risico op de koop toe.
In Sambava wachten vanilledealers op de beruchte Rue Ambudimanga op klandizie. Het zijn jongemannen in gekleurde T-shirts, met spiegelzonnebrillen en gouden kettingen. De kleine koningen van deze morsige achterafstraat genieten zichtbaar van het geld en de roem die de handel hen oplevert. Een van hen, een twintiger die Prisco à l’Appareil [aan de telefoon] heet, veert op en trekt een bundeltje vanillestokjes uit zijn broekzak. ‘Topkwaliteit, slechts 1,5 miljoen ariary [ca. 390 euro] per kilo.’ Andere vanilledealers hebben vacuümverpakte pakketjes in hun tassen of lopen openlijk met kleine hoeveelheden in plastic zakjes rond. ‘De verkoop van vanille is niet zo relaxed als de jongens doen voorkomen,’ zegt Julio, een vader van vier. ‘Je moet uitkijken dat de vanillestokjes niet onder je neus vandaan worden gestolen. De baas weegt aan het einde van de dag de onverkochte waar. Als je een deel bent verloren, draai je er zelf voor op.’ ‘Niet iedereen is er geschikt voor,’ beaamt een groepje dealers eensgezind. Maar in Sambava, waar veel werkloosheid heerst, grijpen gelukszoekers hun kans. ‘Als je geen vanille verkoopt,’ zegt Prisco, ‘wacht je een zwaar leven. Hier is geen werk voor mannen.’ Er zijn alleen slecht betaalde baantjes in de bouw waarmee ze zich geen gouden horloges kunnen veroorloven.
Ins en outs
Max, een 21-jarige chauffeur, kent de ins en outs van de vanillehandel. ‘Je moet ten eerste de juiste mensen kennen.’ Hij voelt zich er te jong voor, haast hij zich te zeggen. ‘Voor mij is het op dit moment te riskant.’ Met een blik over zijn schouder leidt hij ons naar een magasin de vanilla; een vanillepakhuis. Van buiten ziet het eruit als een doodgewoon woonhuis: een roze villa met balkons, twee verdiepingen hoog, tussen de bescheiden houten huisjes. Omdat de patron weg is mogen we even een kijkje nemen. Binnen zitten ongeveer zestig vrouwen met haarnetjes en lichtgroene schorten aan lange tafels. Ze sorteren de zongedroogde vanille en bundelen ze in kleine pakketjes ter waarde van tienduizenden dollars, die in de hal worden ingepakt in grote dozen. Max is erg nerveus en loodst ons snel weer naar buiten. ‘De mensen zijn bang,’ zegt hij. Het is overduidelijk dat achter die roze muren iets illegaals plaatsvindt. Het is nu januari, en de laatste oogst was in juni. Als deze vanille niet meteen na de oogst is verwerkt en verkocht, is het dan gegarandeerd gestolen waar? Of heeft de baas de peulen meteen na de oogst vacuüm verpakt om ermee te speculeren?
Dominique Rakotoson, de handelaar van de oude stempel, schuimbekt over de vanillespeculanten die grote hoeveelheden onrijpe en veelal gestolen peulen vacuüm verpakken om ze te conserveren. ‘Die gasten doen de peulen in Chinese plastic zakken en zuigen met een gewone stofzuiger de lucht eruit,’ zegt Rakotoson met overslaande stem. ‘En dan wachten ze rustig af tot de prijzen stijgen.’ Speculeren met onrijpe vanille is slecht voor de reputatie van de regio als producent van de hooggewaardeerde bourbonvanille, het neusje van de zalm, geprezen voor de zoete, intense smaak. Vacuüm verpakte groene peulen leveren een product op met een lager vanillinegehalte, en soms zelfs met een muffe smaak. Volgens Rakotoson wordt speculatie in de hand gewerkt door het gebrek aan overheidscontrole en welig tierende corruptie. ‘En het zijn niet alleen straatdealers in Sava die snel geld verdienen, er gaat een veel grotere handel achter schuil. Ga maar eens kijken in Antalaha,’ zegt hij. ‘Dan kun je het met eigen ogen zien.’
Met haar door palmbomen omzoomde lanen, de witte stranden en de grote villa’s die over de Indische Ocean uitkijken, ademt Antalaha, de tweede vanillestad in de regio Sava, een koloniale sfeer. Vanillemagnaten als Henri Fraise en Ramandriabe maken hier al decennia de dienst uit. Om hun marktaandeel te behouden moeten deze grote exporteurs concurreren met kapers op de kust, vooral uit China, India en Pakistan. De stad is schoon, chic en erg rustig. Toch is ons op het hart gedrukt hier niet de nacht door te brengen. Achter de zonnige façade gaat een duister geheim schuil: Antalaha staat bekend als het hart van de illegale handel in rozenhout. Driekwart van het resterende regenwoud van Madagaskar bevindt zich in deze regio. De drie nationale parken Marojejy, Macolline en Masoala hebben stuk voor stuk te maken met leegroof van beschermde tropische houtsoorten als palissander, ebben en rozenhout. De bomen worden illegaal naar China verscheept en verwerkt tot traditionele meubels die gretig aftrek vinden onder de groeiende middenklasse. Volgens schattingen uit recent onderzoek is in de illegale rozenhouthandel in de afgelopen twintig jaar bijna 1 miljard euro omgezet. Om deze enorme bedragen wit te wassen hebben de houtbaronnen volop in vanille geïnvesteerd; ze kopen de peulen tegen elke prijs op, waardoor de kiloprijs nog verder wordt opgejaagd. ‘Geld werd niet meer geteld maar gewogen, in stapels biljetten van 500 kilo,’ vertelt Rakotoson. ‘Het maakte hen niet uit hoeveel het koste. Krankzinnig. De boeren profiteerden ervan. De lokale speculanten profiteerden ervan. Elke dag dreven ze de prijzen iets verder op.’
Als we Solfi, het jonge dorpshoofd van Ambohimanarina, een klein dorpje naast nationaal park Marojejy, naar de handel in rozenhout vragen, schiet hij overeind. Zijn ogen spuwen vuur. ‘Dat gebeurt hier niet meer,’ zegt hij. Deze reactie krijgen we vaker. De vraag wordt ongemakkelijk weggewuifd, men kijkt liever de andere kant op. Een dorpsbewoner die graag anoniem wil blijven schetst een ander beeld wanneer hij ons vertelt dat de illegale handel in rozenhout een van de bekendste ‘geheimen’ van de regio is. ‘Het hele dorp weet ervan maar omdat iedereen ervan profiteert, doet niemand zijn mond open. Je hoort hier vaak midden in de nacht vrachtwagens rondrijden. Wat hebben die hier om drie uur ‘s nachts te zoeken als er geen rozenhout wordt verhandeld?’
Vorig jaar kwamen het Environmental Investigation Agency en Global Witness, twee internationale organisaties die tegen milieucriminaliteit strijden, met bewijzen dat er nog steeds illegale houtkap plaatsvindt. Ondanks eerdere intentieverklaringen van de regering om de illegale handel te bestrijden is er, zo stellen deze ngo’s, nog nooit een houtbaron door een rechtbank veroordeeld. Milieuactivisten die de rozenhoutmafia in de wielen rijden belanden daarentegen geregeld achter de tralies, of worden met de dood bedreigd. De woordvoerder van het ministerie van Milieu, Ecologie en Regenwouden begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven wanneer we hem de vraag voorleggen wie de vermaarde houtbaronnen achter de georganiseerde criminaliteit en de vanille-investeringen zijn. ‘Het is een politiek probleem, begrijpt u.’ Hij verwijst ons naar de minister-president.
‘Vorig jaar was voor mij een topjaar. Al mijn kinderen kunnen nu naar school’
Naar verluidt bezitten de regering en particuliere eigenaren tussen de 500 miljoen en 4 miljard euro aan rozenhout. Maar aangezien de export van rozenhout illegaal is onder het CITES-verdrag, de overeenkomst inzake de internationale handel in beschermde planten en dieren, kan de elite weinig aanvangen met hun spaarpotje. Dit jaar zal de regering het hervatten van de houtexport heroverwegen. Het feit dat dit vlak voor de aankomende presidentsverkiezingen is gepland, is ‘puur toeval,’ stamelt een nerveuze regeringsfunctionaris.
Voor kleine boeren heeft de vanilleteelt in de afgelopen jaren eindelijk iets opgeleverd. ‘Vorig jaar was voor mij een topjaar. Al mijn kinderen kunnen nu naar school,’ zegt Zafihavama. ‘En het wordt alleen maar beter, als ik tenminste niet wordt bestolen.’ Glimmend van trots laat hij me zijn huisje zien, een kleine houten hut met één bed. In de eenvoudige ruimte staan zijn nieuwe aanwinsten: vijf gloednieuwe plastic stoelen, twee vitrinekasten en een computer met een aanzienlijke dvd-verzameling, vrijwel alle populaire kungfu-films.
Maar de vanillehandel floreert ten koste van een van de waardevolste regenwouden ter wereld. Door de geografische isolatie van het eiland vind je hier een groot aantal planten en dieren die nergens anders voorkomen.
Dasy Ibrahim, projectmanager van CARE, een internationale ngo die boeren begeleidt bij de overstap op klimaatslimme landbouw, noemt de combinatie van hoge werkeloosheid en armoede en het witwassen van grote hoeveelheden tropischhardhoutgeld ‘funest’. ‘De situatie in de vanillesector dreigt volledig uit de hand te lopen.’ Hij trekt een pijnlijk gezicht. ‘De vanillehandel is nog erger dan de cocaïnehandel.’
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.
De paradijselijke Kalalau-vallei op Hawaii is al sinds de jaren zestig een toevluchtsoord voor hippies, new agers en backpackers. Maar na een halve eeuw wil de overheid van de illegale bewoners af.
De eerste mens die ik ontmoet in de Kalalau-vallei is een Irakveteraan zonder schoenen maar met een door de zon gebleekte REI-rugzak, die als een trofee over zijn getatoeëerde schouders hangt. Barca – zoals hij zichzelf noemt – had gehoord dat een kajakker de rugzak in een grot aan het strand had achtergelaten. Hij ging als een speer naar de rotsen omdat hij die rugzak wilde hebben.
Bezoekers laten hier van alles en nog wat achter. Ik zie een klapstoel met een kapotte armleuning. Ergens anders een halfvol brandstoftankje. En nu dan die rugzak – het is een heuse schat.
‘Weet je hoeveel zo’n ding kost?’ wil Barca van mij weten.
In dollars, bedoel je? Hooguit tien.
‘Veel!’ antwoordt hij voordat ik ook maar iets kan zeggen.
Barca is vierendertig en hij scharrelt zijn kostje bij elkaar diep in het Nāpali Coast State Park aan de westkust van Kauai. Het middelste gedeelte van het tweeënhalfduizend hectare grote natuurpark – de Kalalau-vallei – vormt een natuurlijk amfitheater dat aan de ene kant wordt begrensd door zee en niets dan zee. De steile, groene wanden van de vallei rijzen aan drie kanten op, als gordijnen die het afschermen van de rest van het eiland. Door alle kieren en spleten lopen glasachtige banen water, die naar beneden storten van een grotere hoogte dan bij de Yosemite Falls. Dit afgelegen paradijs, waar zich honderden jaren geleden Polynesische pioniers hebben gevestigd, is niet minder dan een wilde tuin, een hoorn des overvloeds die vrijwel alles biedt wat een vernuftig mens nodig heeft om in leven te blijven. ‘Als de mens ergens een paradijs heeft weten te creëren, dan is het hier,’ zegt Barca. ‘In het avocadoseizoen eten we avocado’s. En als het mangotijd is, eten we mango’s.’
Een soort kraker
Voor wie zich mocht afvragen of het is toegestaan om hier zo te leven: het antwoord is nee. In de ogen van de Hawaïaanse overheid is Barca een soort kraker. Hij doet het milieu geweld aan, hij overtreedt wetten en regels, hij moet verdwijnen. In Barca’s ogen is dit, niet verwonderlijk, laster. ‘Als je niet met je hele wezen van deze plek houdt, kun je hier niet leven,’ zegt hij. Hoewel hij er nog maar acht maanden woont, waarmee hij naar valleimaatstaven een betrekkelijke nieuwkomer is, is hij al hard op weg een expert te worden in wat hij ‘kalalaulogie’ noemt. Niet alleen is hij afvalrecylcer, hij is ook beschermer van het land, tuinier, botanist, cultureel tolk en anarcho-theoreticus. Hij heeft de gewoonte om tijdens het praten te grijnzen en met een hand over zijn sikje te strijken. Dat geeft hem een ondeugende uitstraling, die zijn anti-establishmentopvatting nog eens extra benadrukt. Hij heeft geen goed woord over voor het groepje toeristen dat op maagdelijke gore-tex-wandelschoenen een beekje oversteekt. ‘De meeste mensen die hier komen hebben geen idee hoe ze in het wild moeten overleven,’ zegt hij. ‘Ze begraven hun eigen poep niet eens!’
Ik word nogal overvallen door alle kritiek die hij spuit terwijl ik nog maar net vijf minuten in de vallei ben – en ik kan niet al te veel hebben aangezien ik voor dag en dauw ben opgestaan om de kleine dertig kilometer hiernaartoe te lopen. Ik heb even helemaal geen behoefte aan een feestmaal van mango’s of een gesprek over toiletgang in het wild. Het enige wat ik wil is een plek om mijn rugzak neer te zetten, een rugzak waar ik tweehonderd dollar voor heb neergeteld en die ik heb volgestouwd met gevriesdroogd eten voor een week – erger kan haast niet. Maar waar moet ik slapen? Er worden geen kampeervergunningen verstrekt in het paradijs en ik had er geen kunnen bemachtigen voordat ik op stel en sprong aan deze reis begon, dus of ik het nou wil of niet, ook ik ga de regels overtreden. Ik vraag Barca of hij een onopvallende plek weet om mijn tent op te zetten. ‘Kom maar mee,’ zegt hij. Hij wikkelt een keffiyeh [Arabische sjaal] om zijn hoofd tegen de zon. Hij haalt een oud gasje van een andere kampeerplek en zegt dat hij de ideale schuilplek voor me weet. Voor ik er goed en wel erg in heb is hij al op weg, springend op zijn blote voeten van de ene kei op de andere. Ik kijk rechts van me naar beneden: de duizelingwekkende aanblik van de golven die dertig meter in de diepte stukslaan op geërodeerde stenen. Dan lopen we om een grote kei en Barca wijst op een tunnel in de struiken, die uitkomt op een kampeerplek die onzichtbaar is voor de rangers die vanuit een helikopter op wildkampeerders jagen.
Nadat ik mijn spullen daar heb neergezet, ga ik met Barca naar het witte zandstrand, waar hij me zijn levensverhaal vertelt. Na tien jaar geleden in Irak te hebben gediend, kostte het hem grote moeite om in het reine te komen met het feit dat hij mensen had gedood, en dat hij ook bijna zelf het leven had gelaten. ‘Toen ik terugkwam uit Irak had ik behoorlijk wat issues,’ zegt hij.
Hij werkte als archeoloog in Noord-Californië, maar het was hem al snel duidelijk dat hij niet echt paste in de moderne samenleving. Hij had het gevoel dat zijn hoofd, dat door de oorlogsjaren flink in de war was geraakt, rust nodig had. Het stond hem geweldig tegen om zich in een huis in een buitenwijk te verschansen, afgeschermd van zijn buren door dikke muren, om belasting te betalen en zo een systeem in stand te houden waarin hij niet langer geloofde. Zelfs de gedachte om elke ochtend een koffie te gaan halen – bij die multinational met het zeemeerminlogo – kon hij niet aan. ‘Het was zwaar om terug te keren naar het echte leven en alle onbenulligheden van alledag serieus te nemen,’ zegt hij. Hij werd boos. Hij dronk en ging op de vuist. Van een vriend hoorde hij over deze droomachtige vallei in Hawaï, waar je in het eeuwige heden kon leven. Kalalau. Hij ging erheen. Hij ging niet meer weg. ‘Ik geloof niet dat ik me ooit eerder ergens zo thuis heb gevoeld,’ zegt hij, waarna hij zijn camouflageshorts uittrekt en in de golven duikt.
1. De afwezigheid van vrouwen leidt tot een overdaad aan testosteron; 2. Een zeldzaam luxe-item: een handgemaakt kastje. (Zie verder hieronder)
Barca is niet de enige die zich zo sterk met deze plek verbonden voelt. Sinds de jaren zestig, zo niet eerder, oefent de Kalalau-vallei een grote aantrekkingskracht uit op langharige hippies, new agers die kristallen strelen, backpackers die geen deo gebruiken en talloze anderen die op zoek zijn naar een spirituele wedergeboorte – of op zijn minst een mooie plek om naakt te zwemmen. Tijdens de Vietnamoorlog woonden er een paar dienstweigeraars en gedesillusioneerde veteranen in de boomhutten aan het einde van de verharde weg in het noorden, en zij realiseerden zich dat dit de ideale plek was om in de zomer marihuana te verbouwen.
Het waren de hoogtijdagen van de alternatieve beweging, maar met het verstrijken van de jaren liep het idealisme stuk op de wanordelijkheid van de gemeenschap. Het toevluchtsoord veranderde van een idyllische commune in een party zone voor millennials en zelfs een keer in een piratennest. Inmiddels begint het geduld een beetje op te raken. Nadat een jaar geleden een vrouw uit de buurt omkwam bij een auto-ongeluk met Coday Safagado, een voortvluchtige die dat voorjaar een tijdje in Kalalau doorbracht, besloot de overheid hard op te treden tegen de illegale bewoners. Vorig jaar zijn in totaal vierendertig mensen op de bon geslingerd en is in ieder geval één man geboeid afgevoerd. Barca is er zonder kleerscheuren van afgekomen. ‘Ik woon hier godverdomme, en ik weet waar ik naartoe moet vluchten,’ zegt hij. ‘Dit is mijn thuis en ik kan me sneller verplaatsen in mijn eigen huis dan jij.’
Op Kauai is echter weinig sympathie voor de illegale bewoners. Tijdens de invallen zijn foto’s gemaakt waarop de lokale bevolking duidelijk kan zien hoe goed geoutilleerd de kampen in de vallei inmiddels zijn. In een van de kampen staan een stenen pizzaoven en een tweepersoonsbed op een bamboe onderstel. Ook was er, zoals de overheid het enigszins overtrokken formuleert, sprake van een ‘professionele marihuanaplantage’, compleet met zonnepanelen en daarop aangesloten lampen. De vallei doet ook dienst als geheime bioscoop en bibliotheek – een bedompte tent vol klassiekers zoals The Joy of Partner Yoga en een boek met songteksten van Cat Stevens. Al met al heeft de overheid zo’n tweeënhalve ton afval afgevoerd. ‘Er leefde het idee dat ze bepaalde rechten hebben,’ zegt Curt Cottrell, hoofd van de staatsparken van Hawaï. ‘Er werd gepoept op archeologische vindplaatsen, of ze groeven als katten een gat in het strand.’
Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel
Alle stampei riep wezenlijke vragen op over ras, soevereiniteit en de toekomst van de natuur in het moderne, kapitalistische Hawaï. Hoe heeft de gemeenschap het meeste baat bij een plek als Kalalau, met zijn gecompliceerde geschiedenis? Wordt het eiland uitgeleverd aan rijke toeristen die al zes maanden van tevoren een vergunning aanvragen of aan mensen die tweehonderd dollar per persoon neertellen voor een helikoptertour van een uur? Of behoort het nog altijd toe aan de oorspronkelijke Hawaïanen die er zelden komen, maar wier voorouders als eersten het landschap hebben vormgegeven? En wat te doen met de haole (blanke) overtreders, zoals Barca, die, op hun eigen rommelige wijze, het hippieproject van de jaren zestig voortzetten en nog enige structuur aanbrengen in de vallei waar de overheid slechts sporadisch aanwezig is?
Voor mensen die vrijwel niets hebben is de vallei onmiskenbaar een van de meest begerenswaardige plekken op aarde om te ontsnappen aan de regels en de rituelen van het moderne bestaan, om een simpeler leven te leiden, om je eigen kostje bij elkaar te scharrelen. Barca noemt het een ‘Disney-woud’, een tropisch toevluchtsoord, maar dan zonder giftige slangen en hongerige tijgers, waar ook nog eens iedereen Engels praat en er min of meer hetzelfde uitziet. Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel, zoiets. Het enige wat ik weet is dat ik het een keer wil meemaken voor het te laat is.
Reputatie van wetteloosheid
Eind achttiende eeuw voer George Dixon, een Engelse bonthandelaar die ooit onder kapitein James Cook had gevaren, langs deze kust en stelde vast dat het gebied volkomen onontgonnen was. ‘De kust langs het water bestaat voor het grootste deel uit bergen en is moeilijk toegankelijk,’ schreef hij. ‘Ik zag nergens vlak terrein en ik zag ook niets waaruit bleek dat dit deel van het eiland bewoond was.’ Dixon had het natuurlijk mis. De rieten hutten gingen volkomen op in het groen. In Kalalau, dat zo’n tachtig hectare landbouwgrond heeft, woonden vermoedelijk enkele honderden mensen, afgaande op verschillende tellingen van missionarissen. De oudste menselijke nederzetting op Kauai dateert, voor zover we weten, uit de tiende eeuw, en was gelegen op Kēʻē Beach – het beginpunt van de Kalalau Trail.
Hoewel de Nāpali-kust meestal wordt omschreven als een ‘wildernis’, heeft het meer weg van een verlaten supermarkt te midden van adembenemend natuurschoon. De plek wordt doorsneden door stenen muurtjes, overblijfselen van de terrassen, ofwel de lo‘i, die de Hawaïanen honderden jaren geleden hebben aangelegd om taro te verbouwen, de zo belangrijke kanoplant die de Polynesiërs naar de andere kant van de Stille Zuidzee hebben gebracht. De mensen die zich hier vestigden hebben het oorspronkelijke kreupelbos geleidelijk vervangen door kukuinoten en gember, en pili voor hun rieten daken.
Latere bewoners en blanke boeren importeerden vee, zoals geiten, varkens en koeien. Ook plantten ze guave en jambolan, dat inmiddels een groot deel van de vegetatie uitmaakt. ‘Zoals voor veel laaggelegen gebieden in Hawaï geldt, hebben geïntroduceerde gewassen zich verspreid en overheersen grote delen van het park’, staat te lezen in een verslag van de Division of State Parks uit 1990. De Kalalau-vallei, de grootste vallei in het park, is een van de weinige plekken op Kauai waar je niet elke ochtend hanen hoort kraaien. In plaats daarvan wemelt het in de bossen van een andere immigrant, Erckels frankolijn – een fazantachtige uit Afrika.
Terwijl uit dit allegaartje geleidelijk het ecosysteem van de vallei vorm kreeg, ontstond ook langzaam de reputatie van wetteloosheid. In 1893, nadat een groep Amerikaanse zakenlieden de koningin van de troon hadden gestoten van wat destijds het Koninkrijk Hawaï was, besloten ze de oorspronkelijke Hawaïanen op te pakken – met als argument dat ze in quarantaine moesten vanwege lepragevaar. Sheriff Louis Stoltz en twee van zijn mannen gingen naar Kalalau om een bende leprozen weg te halen. Daar schoot een cowboy, die luisterde naar de naam Kaluaikoolau, or Ko’olau, de sheriff dood met twee kogels uit zijn geweer. Zo werd Ko’olau de held van het plaatselijke verzet. Een klopjacht eiste nog meer slachtoffers en Ko’olau bleef in de vallei zitten. Hij werd verder met rust gelaten en stierf twee jaar later een natuurlijke dood. ‘Hij had geleefd als een vrij man, en hij stierf als een vrij man’, schrijft auteur Jack London in een kort verhaal over het leven van Ko’olau.
Kameaoloha Hanohano-Smith, wiens overgrootvader deel uitmaakte van de laatste generatie die is opgegroeid in Kalalau, zegt dat het even duurde voordat het tot de Hawaïanen doordrong wat er met hun cultuur gebeurde. ‘De ene dag waren we nog een koninkrijk, de volgende dag maakten we deel uit van de Verenigde Staten,’ zegt hij.
In december 1959 plaatste het tijdschrift Ebony een artikel over de enige permanente bewoner van Kalalau: Bernard Wheatley, een zwarte arts (‘een zonderling, een heilige, een schizofreen en een genie’) die daar tien jaar lang in een grot woonde totdat de plek werd overspoeld door hippies. ‘Het langharige volk zoekt een plekje in de zon op Kauai’, luidde een kop uit die tijd. In 1974 kocht de Hawaïaanse overheid het gebied op en verdreef de illegale bewoners voordat de vallei in 1979 tot ‘state park’ werd bestempeld. Maar ze kwamen terug. Ze komen keer op keer terug.
‘Wij houden van onze vrijheid en zijn op zoek naar een betere plek om te leven, waar we niet door de maatschappij aan banden worden gelegd,’ aldus Billy Guy, die voor het eerst in de Kalalau-vallei kwam nadat hij als hospik had gediend in de Vietnamoorlog. Hij komt telkens weer terug, voor langere periodes. ‘Het is de verwezenlijking van een droom. Halverwege de jaren negentig dartelden er zo’n vijftig tot zestig haole in het paradijs dat de kanaka – de autochtone Hawaïanen – hadden geschapen.’
Op mijn tweede ochtend in Kalakau besluit ik op zoek te gaan naar de gemeenschappelijke moestuin. Vanaf het strand loopt er een officieel pad dat zo’n drie kilometer de vallei in voert om vervolgens door te lopen op de steile achterwand. Je kunt dat pad moeiteloos een paar keer op en neer lopen voordat je een klein spoor ziet, zonder bordje. Als je dat spoor een paar honderd meter volgt opent het bladerdak zich en hoor je water murmelen bij je voeten. Een tiental rechthoekige vijvers glinstert in de zon, metershoge taroplanten ontspruiten aan het water. Er lopen paadjes om de vijvers, met aan weerszijden papaja, bananen, broodvruchten, zuurzak en kastanje – voor wie maar wil. Ooit werd van alle illegale bewoners verwacht dat ze meehielpen als ze van de vruchten wilden plukken. Maar nu is alles anders. ‘Er gelden geen regels meer,’ zegt ene Mowgli, die aanbiedt om me rond te leiden.
Mowgli is slank en gespierd, en zijn lange bruine haar zit in een paardenstaart. Hij heeft geholpen deze ondergelopen terrassen weer te ontginnen en hij werkt misschien wel het hardst van iedereen in Kalalau. Zijn vorige kamp, op een plateau hier niet ver vandaan, hangt vol met schedels van de geiten en varkens die hij heeft geslacht, en ademt de sfeer van Lord of the Flies. De politieacties hebben hem geknakt. ‘Het is lastig om je in te zetten voor iets wat keer op keer wordt kapotgemaakt,’ licht hij toe. ‘Dit is een van de grootste toeristische trekpleisters in de vallei,’ zegt hij over de moestuin.
‘De mensen komen hierheen om ons te zien en om Kalalau-pizza te eten,’ zegt Mowgli’s vrouwelijke metgezel, wier enige kledingstuk een honkbalpetje is. Ze noemt zichzelf Joules. ‘Naar de eenheid van energie,’ legt ze uit.
Ik heb mezelf vijf dagen gegund om de vallei te onderzoeken en me onder te dompelen in de hippiesfeer. Het wordt me duidelijk dat vrouwen zoals Joules – een paar uitzonderingen daargelaten – zelden langer dan een paar weken in de vallei blijven, en dat het er om de een of andere reden een stuk minder zijn sinds de invallen. Gedurende de tijd dat ik er ben is er dan ook zo’n overdaad aan testosteron in de vallei dat het bepaald geen utopische kibboets lijkt, maar eerder een geheime boomhut in de achtertuin van je vriendje, waar niet echt sprake is van begrip of respect voor meisjes. Met als verschil dat deze mannen volwassen zijn.
In een van de lompe liedjes die ik op een avond hoor zingen, hebben ze het over ‘groupies’ die alleen maar willen profiteren en niet eens lang genoeg blijven om de afwas te doen. Toch snakken de mannen naar vrouwelijk gezelschap. ‘Als een vrouw wel besluit te blijven, zitten er elke dag wel tien mannen achter haar aan,’ aldus Stevie, een 68-jarige vrijgezel die kan bogen op 35 jaar ervaring in de vallei.
Kalalau – of het idee van Kalalau – mag dan nog zo veel betekenen voor de illegale bewoners, zij zijn niet de enige belanghebbenden bij de toekomst van de vallei.
Sabra Kauka, docente Hawaïaanse cultuur en voormalig voorzitter van Nā Pali Coast Ohana, een non-profitorganisatie die samenwerkt met de overheid om het natuurlijke en culturele erfgoed van de vallei te beschermen, zegt dat mensen als Barca en Mowgli niet in Kalalau zouden mogen wonen. Het is tegen de wet en het is een klap in het gezicht van de Hawaïaanse bevolking. Eind jaren tachtig nam Kauka deel aan de eerste pogingen om de vallei op te ruimen. Samen met een groep vrijwilligers zeulde ze al het afval naar het strand, waar het in stukken zeil werd geladen, die vervolgens door helikopters werden afgevoerd. ‘Ik vond het verbijsterend dat mensen die zo graag in de natuur wilden leven, er zo slordig mee omsprongen,’ zegt ze. Op een gegeven moment heeft ze de moed opgegeven. ‘Je moet geen vrijwilligerswerk doen waar je steeds kwaad van wordt.’
Alan Carpenter, een archeoloog die is verbonden aan de state parks, vertelt over Nualolo Kai, een veertiende-eeuwse nederzetting aan de kust – enkel toegankelijk per boot en omgeven door het grootste rif van de Nāpali-kust. De afgelopen vijfentwintig jaar heeft Nā Pali Coast Ohana vrijwel al haar activiteiten geconcentreerd op die plek. Er zijn hekken neergezet om de geiten buiten te houden en er is een kleine inheemse tuin aangelegd om iets van de biodiversiteit van de regio te behouden. Op grond van de Native American Graves Protection and Repatriation Act zijn zelfs de stoffelijk overschotten van voorouders teruggehaald, die tot dan toe werden bewaard in onder meer het Bishop Museum in Honolulu.
Momenteel worden er, onder leiding van Randy Wichman, een geschiedkundige en de huidige voorzitter van de organisatie, eindelijk plannen gemaakt om ook weer aan de slag te gaan in Kalalau. Het valt nog te bezien of ze nu zullen slagen waar ze in het verleden hebben gefaald. Wichman moet tegen wil en dank toegeven dat hij wel bewondering heeft voor de inventiviteit van de bewoners, als je ziet wat ze hebben gedaan op het gebied van de sanitaire voorzieningen, maar hij zegt ook dat ze vaak meer kwaad dan goed hebben gedaan. ‘Hun bedoelingen zijn goed, maar je vaagt de geschiedenis uit als je niet precies weet wat je in handen hebt,’ zegt hij tegen me. ‘De vallei zou adembenemend zijn als hij goed zou functioneren.’
De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois
Ik vraag me af welke rol de illegale bewoners zullen spelen in de geschiedenis van Kalalau als over honderd jaar hun doeken zijn weggerot en hun voetpaden overwoekerd. Hoewel ze door sommigen worden verguisd en er vraagtekens worden geplaatst bij hun idealistische opvattingen, heeft dit minirijkje de moderne wereld duidelijk gemaakt hoe krachtig de invloed van de omgeving kan zijn op de collectieve psyche. De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois. ‘We zijn apen met gereedschap,’ zegt Barca de eerste keer dat ik hem spreek. Deel uitmaken van een zelfvoorzienende gemeenschap appelleert aan een diepgeworteld oerverlangen. ‘Een biologische noodzaak,’ zegt hij zelf. Voor de een noodzakelijker dan voor de ander.
Curt Cottrell, die aan het hoofd staat van de state parks, vertelt me dat toen hij in 1983 als ‘bebaarde hippie’ naar Hawaï ging, de Kalalau Trail een van zijn twee voornaamste reisdoelen was. (Het andere doel was de top van de Mauna Loa halen.) Toen zijn vergunning was verlopen wist hij de rangers te ontlopen door een paar honderd meter te zwemmen naar Honopū, de dichtstbijzijnde baai. Ik vraag hem of er ooit een dag zal komen dat het park de hippiebewoners zal gedenken. Hij weegt zijn woorden met zorg. ‘Het is niet zo dat wij dit deel van de geschiedenis willen uitwissen,’ zegt hij. ‘Maar momenteel voelen we niet de behoefte aan enige vorm van viering. Eerst willen we orde op zaken stellen in de vallei.’
Dat kon nog wel eens lastig worden. De organisatie heeft 117 medewerkers, verspreid over de vijftig state parks in Hawaï. Kalalau geniet prioriteit, maar er zijn zo veel plekken waar de illegale bewoners zich kunnen verschuilen dat het ondoenlijk is om ze allemaal op te pakken. De dienst heeft gevraagd om extra budget zodat er permanent twee medewerkers in de vallei kunnen worden gestationeerd. Het verzoek is afgewezen.
Kalalau is nu al een heel andere plek dan een paar jaar geleden. Het is er zonder enige twijfel schoner dan in lange tijd. En los van de intieme bijeenkomsten waar ik in de vallei getuige van ben geweest, hangt er de sfeer van een spookstad. Ik dool van de ene plek naar de andere, via overwoekerde voetpaadjes, op zoek naar de overblijfselen van een kampvuur of andere sporen van menselijke bewoning. Zelfs de officiële kampeerplekken – waar meestal niet meer dan twintig tot dertig toeristen staan, terwijl de overheid een limiet heeft gesteld van zestig – zijn verlaten. Hoewel er ook Hawaïanen naar het park komen, bijvoorbeeld om te jagen, kom ik tijdens mijn bezoek alleen illegale bewoners tegen.
Hanohano-Smith, die zijn stamboom kan herleiden tot de vallei, zegt dat hij graag zou willen dat gewone Hawaïanen een grotere rol spelen in de toekomst van Kalalau – dat die niet alleen wordt bepaald door de overheid. Hij vindt dat zijn familie vrij toegang moet krijgen tot het gebied zonder te hoeven vechten om de schaarse vergunningen, en dat de banen, bijvoorbeeld als voorlichter of gids, naar de Hawaïanen zelf moeten gaan. ‘Het gaat niet alleen om duurzaamheid,’ zegt hij. ‘Het is ook een kwestie van trots – de trots om zorg te dragen voor de natuurlijke bronnen die mijn familie al duizend jaar geleden in leven hielden.’
Tijdens een van mijn laatste ochtenden in Kalalau zie ik twee mannen, Sticky Jesus en Stevie, op het strand bezig om hun spullen in een kajak te laden. Stevie, de oudste bewoner, is minder vaak is de vallei dan vroeger. Vijf jaar geleden kwam hij in aanmerking voor een goedkope huurwoning in Kehaka. Hij is dol op Kalalau maar hij realiseert zich dat hij op een bepaald moment te zwak zal zijn om de tocht naar de vallei te maken en om in zijn eigen onderhoud te voorzien.
Voor Sticky ligt het allemaal iets ingewikkelder. Hij gaat in een busje samenwonen met zijn nieuwe vriendin en hij wil proberen wat geld te verdienen. Ik betwijfel of hij ooit terug zal komen, en dat zeg ik min of meer. ‘Ik heb hier ook nog een stek,’ antwoord Sticky. ‘Het meeste is een paar weken geleden weggehaald, maar ik heb er wel een goed gevoel over.’ Hij vindt het wel prettig om te onthechten van zijn bezittingen.
‘Je hebt het er minder moeilijk mee dan Mowgli?’ zeg ik.
‘Mowgli heeft het overal moeilijker mee dan ik,’ zegt hij.
De twee mannen springen in de kajak en Carlton geeft hen een zetje in het kniediepe water. We blijven nog een paar minuten staan, zien ze verdwijnen om de rode rotsen in het zuiden. Dan loop ik terug over het paadje de vallei in. Ik ben er nog niet klaar voor te vertrekken. Ik ben er nog niet klaar voor om mijn portemonnee te pakken en te betalen voor voedingsmiddelen waar een prijsje op is geplakt terwijl hier het fruit gewoon uit de bomen valt en wegrot als er niemand is om het op te eten. Ik moet nog één dag in het wild leven, hier in de Kalalau-vallei. Of misschien twee.
Hakai Magazine is een onlinemagazine dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, British Columbia. Het magazine wordt gefinancierd door de Tula Foundation.
Binnen enkele maanden werden van meer dan zesduizend bedrijfjes die de Chinese hoofdstad zo charmant maakten, de deuren dichtgemetseld. Winkeliers en stedenbouwkundigen denken dat de autoriteiten dat doen om de grond weer in bezit te krijgen.
In een mum van tijd zijn in de straten van Beijing tal van bedrijfjes op slag verdwenen. Ontbijtzaakjes, makelaardijen, groente- en fruitkramen, bazaars, cafés, manicure-pedicures, masseurs, bloemisten… De uithangborden zijn verwijderd en de deuren geblokkeerd met dreigende muren van baksteen.
Bij de deur van een van mijn favoriete restaurants trof ik de eigenaar gehurkt aan langs de kant van de straat, terwijl hij een sigaret rookte om de verveling te verdrijven. ‘Wat doet u hier?’ vroeg ik. ‘Ik wacht op klanten om ze via de achterdeur binnen te laten,’ legde hij uit. Zijn restaurant is getroffen door een ‘herzieningsmaatregel’ en zijn hoofdingang is dichtgemetseld. Van buiten kun je onmogelijk nog zien wat zich afspeelt in het restaurant dat gespecialiseerd is in de keuken van Hunan, een provincie in het midden van het land, en pittig gekruid varkensvlees verkoopt. De klanten kunnen alleen nog maar binnenkomen via het achterdeurtje dat normaal voor leveranciers is bestemd. Dat scheelt natuurlijk omzet.
Maar liefst zesduizend bedrijfjes hebben in drie maanden tijd hetzelfde lot ondergaan als onze restaurateur, en dat is nog maar het begin! De stad Beijing heeft aangekondigd binnen een jaar zo’n zestienduizend kleine bedrijven te willen sluiten. Deze maatregel beperkt zich niet tot de hoofdstad: Shanghai, Guangzhou en Wuhan volgen op de voet. Shanghai heeft zich ten doel gesteld ‘minstens vijftig miljoen vierkante meter aan illegale bebouwing’ te saneren.
Deze opzienbarende campagne om weer orde te scheppen in het stedelijk landschap luistert naar de naam ‘Strijd tegen de illegale openingen in muren’. Inderdaad zijn er in het verleden talrijke bedrijfjes geopend in ruimtes op de begane grond en zijn in de muren aan de straatkant gaten gehakt voor ramen of glazen deuren. Tot nu toe tolereerden de autoriteiten dit soort zaakjes, die net als andere bedrijven gewoon gemeentelijke belastingen moesten betalen. Maar nu waait er een andere wind en worden ze als een ware stedelijke plaag beschouwd.
Volgens de commissie die is belast met huisvesting en planning in de stad Beijing ‘is het ongeoorloofd wijzigen van de oorspronkelijke constructie van een gebouw schadelijk voor de soliditeit en aardbevingsbestendigheid’. Daarom worden nu al die illegale gaten en openingen gedicht en verdwijnen de pal aan de straat gelegen bedrijfjes in rap tempo. Toen ik hem vroeg waar zo’n ingrijpende campagne voor nodig was, antwoordde de eigenaar van het restaurant zonder aarzelen: ‘Om de mensen weg te jagen die niet van hier zijn.’ Veel mensen denken dat deze ‘opschoningsoperatie’ een bewijs is dat de stad Beijing zijn centrum wil ontdoen van de onderste lagen van de bevolking om zo meer ruimte te creëren.
‘Het Algemeen Stedenbouwkundig Plan van Beijing (2016-2030)’ zegt ‘de bevolking van Beijing blijvend te willen beperken tot rond de 23 miljoen’. Maar volgens statistieken uit 2015 telde de hoofdstad in dat jaar al 21,5 miljoen permanente inwoners. Uit noodzaak om zijn inwonersaantal binnen te perken te houden is Beijing ‘voornemens een nieuwe poging te doen om de kleine niet-plaatselijke middenstand weg te saneren en her en der kleine lokale bedrijfjes te behouden’, nadat eerst al de groothandels in kleding en landbouwproducten tot verhuizing waren gedwongen. Veel Chinese media vinden dit een goede stap.
‘Wat Beijing zo waardevol maakt, is dat de stad zelfs onder extreme spanning in staat lijkt cultuur voort te brengen en een culturele specificiteit en vruchtbaarheid uit te dragen die zowel decent als mateloos is’
Een mooi voorbeeld van het fenomeen is de wijk Sanlitun in het noorden van Beijing, het centrum van het hoofdstedelijke nachtleven. Behalve dat zich hier de ambassades en winkelcentra bevinden en de bars die massa’s jongeren trekken en waar de hele nacht muziek wordt gedraaid, stond Sanlitun ook bekend om zijn ‘smerige straat’.
Het gaat daarbij om Sanlitun Nanjie, de Zuid-Sanlitunstraat. Op nummer 42 bood een woonblok van vijf etages van een jaar of vijftig oud plaats aan een amalgaam van winkeltjes die illegale dvd’s, gekruide soep, gepaneerde varkenslapjes, brochettes, sigaretten en ‘artikelen voor volwassenen’ (seksartikelen) verkochten, evenals aan tattooshops, bars et cetera, waarvoor te hooi en te gras gaten in de muren waren gehakt. Sommige middenstanders hadden zelfs dakterrassen of brandtrappen geïnstalleerd.
Zhu Qipeng, architect in Beijing, vergelijkt nummer 42 met de burcht Kowloon in Hongkong, een in 1994 afgebroken enclave die buiten Britse jurisdictie viel, of met de Chungking Mansions in diezelfde stad, die uitsluitend door bedrijven, hotels en restaurants worden bevolkt: een plek die, ‘hoe smerig en verouderd hij ook is, een andere vorm van menselijke cultuur laat zien’.
‘Achter de chaotische façade bood Sanlitun Nanjie 42 veel meer mogelijkheden dan andere plekken: het was een “republiek” die door diverse gemeenschappen was gesticht, waar iedereen bij gebaat was en die leerde samenleven dankzij de nauwe contacten,’ licht Zhu Qipeng toe, om eraan toe te voegen: ‘Wat Beijing zo waardevol maakt, is dat de stad zelfs onder extreme spanning in staat lijkt cultuur voort te brengen en een culturele specificiteit en vruchtbaarheid uit te dragen die zowel decent als mateloos is. Maar nu voel je een duidelijke tendens om daar een eind aan te maken.’
En inderdaad, op 24 april jongstleden is de ‘smerige straat’ gesaneerd. Wijkagenten hebben de gaten in de muren gedicht, drieëndertig middenstanders zijn beboet en bijna duizend vierkante meter aan illegale bebouwing is met de grond gelijk gemaakt. Het merendeel van de kleine zaakjes heeft zijn deuren moeten sluiten.
Begin 2017 lanceerde de stad Beijing een nieuw herinrichtingsbeleid om een eind te maken aan de ‘grootstedelijke kwalen’ en een aangename woonomgeving te creëren. Daarvoor werd een bedrag van tien miljard yuan (1,27 miljard euro) vrijgemaakt. Eind februari riep Xi Jinping de stad tijdens een inspectiebezoek op ‘de pogingen tot ordeherstel te intensiveren en de regels van de stedenbouwkundige plannen te doen naleven’.
Ware gezicht
Na deze interventie heeft de strijd tegen illegale muurgaten zich van Sanlitun naar de hele stad Beijing uitgebreid. Daarvoor had de operatie een nieuwe politieke rechtvaardiging nodig: ‘De oude hoofdstad zijn ware gezicht teruggeven.’
Momenteel is het oude Beijing in diverse zones verdeeld: allereerst de wijken die worden gedomineerd door moderne wolkenkrabbers, zoals rond de straten JinRong Jie (de financiële straat) in de westelijke wijk Xicheng of Jin Bao Jie in de oostelijke wijk Dongcheng; dan de wijken die beschermd zijn vanwege hun historische en culturele belang, zoals Dashala ten zuiden van het Tiananmenplein, waar vanouds tal van theaters, boekhandels en kunstwinkels gevestigd zijn, of Shichahai in het noordwesten van de Verboden Stad, met zijn straatjes vol traditionele gebouwen die rond de drie meren zijn gebouwd; en ten slotte de arme en vervuilde achterbuurten die hoewel ze zeer oud zijn niet als beschermenswaardig worden beschouwd maar eerder als reservegrond.
Een nieuwe campagne richt zich vooral op de tweede categorie, de beschermde wijken waar nog maar weinig straatjes over zijn die de culturele specificiteit van Beijing belichamen. De vaak conflictueuze uitzetting van de oude bewoners vanaf het jaar 2000 heeft tot de komst van een nieuwe garde geleid, waarvan sommigen winkeltjes hebben geopend die inspelen op de historische sfeer in deze oude wijken. Door de toegenomen reislust van de afgelopen jaren en het feit dat de jonge consumenten van Beijing volwassen zijn geworden, hebben deze winkeltjes de wind in de rug. Naast filialen van grote merken vind je er tal van onooglijke kleine winkeltjes en restaurantjes van soms maar enkele vierkante meters, waarvan de openingstijden onzeker zijn maar die dankzij een trouwe klantenkring heel goed draaien.
Volgens een onderzoeker die zich interesseert voor de stedenbouwkundige plannen van Beijing zijn de plaatselijke autoriteiten van mening dat de hutongs, de kleine straatjes waar de muren van de huizen meestal blind waren, weer de veilige havens van weleer moeten worden; daarom worden veel winkeltjes die direct aan de straat zijn gelegen als ‘onverenigbaar met het oude aanzicht van de hoofdstad’ aangemerkt. Of het nu gaat om kleine zaakjes, om panden die door beroemde architecten zijn gerestaureerd of zelfs om oude straatjes die met steun van de overheid zijn gerevitaliseerd, hun ramen en deuren zijn allemaal dichtgemetseld en sommige gebouwen die als ‘strijdig met het gezond verstand’ werden beschouwd zijn zelfs volledig afgebroken.
De huidige campagne om illegale constructies dicht te metselen richt zich rechtstreeks tegen de middenklasse
Degene die we meneer Chen zullen noemen, de Taiwanese eigenaar van een café in de Fangjia Hutong in de wijk Dongcheng, vertelt me dat hij vroeger in Taiwan werkzaam was in de stedenbouw en monumentenzorg; in 2012 besloot hij zich in Beijing te vestigen en er een café te openen omdat hij veel van de stad houdt. Maar half april heeft hij een ‘saneringsbevel’ ontvangen. Sindsdien hebben hij en zijn compagnon op alle mogelijke manieren geprobeerd de autoriteiten op andere gedachten te brengen door op het culturele belang van hun etablissement te wijzen, het belang voor het aanzien van het straatje, voor de economische dynamiek ervan, voor het gevoel van veiligheid dat vrouwen er ’s avonds aan ontlenen, voor de menselijke kant et cetera – maar ‘zonder veel resultaat’.
‘In het begin, toen we met het opknappen van de ruimte begonnen, hebben we overwogen een bouwvergunning aan te vragen, maar we wisten niet waar,’ zegt meneer Chen. ‘We zijn nu al zo veel jaren open zonder enig probleem… En nu wordt ons plotseling op brute wijze te verstaan gegeven dat we de stedenbouwkundige regels niet respecteren!’
Naarmate er meer privékapitaal kwam zijn veel kleine ondernemers zoals meneer Chen zich in Beijing komen vestigen, waar ze zo goed geaccepteerd werden dat ze zichzelf als blije en trotse burgers van de stad gingen beschouwen. Maar deze saneringscampagne laat hun duidelijk zien wie het echt voor het zeggen heeft in de stad.
Ten slotte heeft meneer Chen de handdoek in de ring moeten gooien: de hoofdingang van zijn café is dichtgemetseld, zijn toiletten zijn afgesloten en hij heeft nog maar de helft van zijn oorspronkelijke keuken over.
Meerdere stedenbouwkundigen die ik ontmoet onderstrepen dat Beijing al meer dan twintig jaar bezig is met de restauratie van zijn oude stad en dat de stad veel ernstiger afbraakprojecten heeft gekend dan deze strijd tegen illegale muuropeningen; het grootste deel van de hutongbuurten van de hoofdstad is afgebroken in aanloop naar de Olympische Spelen. Maar de vroegere afbraak betrof vooral wijken die meer aan de rand van de stad waren gelegen, waarvan de verjaagde bevolking bestond uit ‘overtallige inwoners’ met weinig inkomsten of ‘obstinate’ lieden die weigerden te vertrekken, terwijl de huidige campagne om illegale constructies dicht te metselen zich rechtstreeks tegen de middenklasse richt.
‘Deze zaak leert ons dat niemand veilig is,’ zegt een stedenbouwkundige die anoniem wil blijven.
Zo waande het beroemde Caihuoche, een restaurant annex bioscoop en een letterlijke Chinese vertaling van titel van de Engelse film Trainspotting, eveneens in de Fangjia Hutong gevestigd, vlak bij meneer Chen, zich onaantastbaar. Het was de bekendste bioscoop voor onafhankelijke films van de hoofdstad. Het hele jaar door werden er debatten over de cinema gehouden, waaraan beroemde regisseurs deelnamen als Lai Sgengchuan, Wu Yusen en Tian Zhuangzhuang. Op de socialemedia-app WeChat presenteerden de eigenaars van het restaurant hun etablissement als ‘het werk van de beroemde, van oorsprong Chinese architect James Wei Ke’, als ‘een centrum van creativiteit in de hutong, een tuin van literaire creatie die een erkende verrijking van de omgeving vormt, een cultureel baken dat zijn vruchten al heeft afgeworpen’. Desondanks werd hun te verstaan gegeven dat ze hun activiteiten op 31 mei 2017 moesten beëindigen.
Een andere verklaring voor deze campagne tegen inbreuk op de stedenbouwkundige regels is dat ze de autoriteiten in staat zou stellen het gebied bouwrijp te maken voor een reorganisatie van de oude stad. Elke campagne van dit genre betekent een verminderde interesse van privé-investeerders voor het onroerend goed in de oude wijken, zodat de autoriteiten het voor een aanzienlijk lagere prijs kunnen overnemen.
Onderhuur
Vóór het jaar 2000 bedroeg de huur van een oude ruimte in een hutong hooguit enkele honderden yuans. Maar sinds 2008, het jaar van de Olympische Spelen, zijn de prijzen de pan uit gerezen, en worden voor de meest gewilde locaties tienduizenden yuans gevraagd. Maar veel panden zijn eigendom van de staat. Degenen die ze huren, vaak al diverse generaties lang, betalen de staat elke maand een zeer bescheiden bedrag en verhuren de ruimtes onder voor een veel hogere prijs. De autoriteiten hebben geen enkel middel om deze praktijken een halt toe te roepen en kunnen evenmin belasting heffen, omdat de eigendomsrechten op deze panden in politiek woelige tijden van hand tot hand zijn gegaan en dus niet duidelijk omschreven zijn. Het geld van de onderhuur dient eveneens om ruimtes te renoveren en in te richten. De eigenaar van een bar van veertig vierkante meter vertrouwde me toe dat hij om alleen de mening van een binnenhuisarchitect te vragen al 270.000 yuan (bijna 35.000 euro) moest neertellen. ‘Een oud pand renoveren is niet makkelijk, vooral niet als je er iets karakteristieks van wilt maken.’ Bovendien zijn de mensen sinds het succes van realityseries als Mengxiang Gaizaojia (Droomrenovatie) gaan beseffen dat je oude huizen in iets heel moois kunt omtoveren, zodat de prijzen pijlsnel omhoog zijn gegaan.
‘Het “in de oude staat terugbrengen van de muren” heeft tot doel de marktprijs te drukken,’ zegt de eerder genoemde stedenbouwkundige; ‘door de commerciële activiteiten in de oude wijken te beteugelen worden de onroerendgoedprijzen weer op een acceptabel niveau gebracht. Het uiteindelijke doel is ervoor te zorgen dat de opbrengst van gewilde locaties, vooral als het publieke huisvesting betreft, weer in de buidel van staatsbedrijven belandt. Deze beschikken dan over de middelen om ze te renoveren en vervolgens weer te huur aan te bieden.’
Zoals eerder gezegd beperkt de campagne tegen illegale muuropeningen zich niet tot Beijing, maar strekt ze zich ook uit tot steden als Shanghai, Guangzhou en Wuhan; het gaat dus om een nationale actie. Het feit dat de beroemde horecastraat Yongkang Lu in Shanghai zijn panden weer in de oorspronkelijke staat moest terugbrengen omdat ze ‘schadelijk waren voor het historische en culturele karakter van de Hengshan- en Fuxinstraat’, heeft heel wat stof doen opwaaien.
Voor het renoveren van wijken is het een gouden regel dat je de werkzaamheden zo makkelijk mogelijk moet maken; dat heeft ertoe geleid dat van zo’n tienduizend bedrijfjes de deuren en ramen aan de straatkant zijn dichtgemetseld. Wil men daarmee afdwingen dat de regels worden nageleefd en dat de zwaarst getroffenen vertrekken, zodat de autoriteiten de panden weer in bezit kunnen nemen? Of gaat het om een arbitraire, onnadenkende beslissing van de hoogste instanties?
Duanchuanmei is een Chinese website, opgezet in 2015 door de advocaat Will Cai in Hongkong en gericht op Chinezen in zowel Hongkong als Taiwan en het Chinese vasteland én op de miljoenen Chinees sprekenden elders ter wereld. De naam betekent Het Begin en is afgeleid, zegt Cai, uit het werk van de Chinese filosoof Mencius, waarin dat begrip centraal staat. De site behoort tot het mediabedrijf dat dan ook The Initium heet en biedt een breed pakket aan programma’s: nieuws (gescheiden voor Hongkong, Taiwan en het vasteland), sport, cultuur et cetera.
Cai, die ook nog steeds in dienst is van Skadden Arps, het grootste internationale advocatenkantoor ter wereld, krijgt in Hongkong de kritiek dat hij wel erg aanschurkt tegen de Arbeiderspartij in de Chinese Volksrepubliek en op al te goede voet zou staan met partijleider en staatshoofd Xi Jingpin.
CONTEXT: Ook migranten moeten verhuizen
De Chinese autoriteiten begonnen eind november met een grote uitzettingscampagne.
Een grote brand in een buitenwijk van de hoofdstad is het excuus voor een grootscheepse uitzettingscampagne van migranten, die op een doeltreffende manier uit hun huizen worden verjaagd. Volgens het blad Apple Daily uit Hongkong ‘zijn meer dan 100.000 migranten hun woning kwijtgeraakt tijdens een ijzige kou van min vier tot min vijf graden’. De operatie begon op 21 november in diverse buitenwijken van Beijing. Foto’s van officiële affiches die een ‘dringende evacuatie’ aankondigden van huurders in de wijk Daxing, een buitenwijk ten zuiden van Beijing waar de brand plaatsvond, begonnen op de sociale netwerken te verschijnen, met als commentaar dat ‘water en elektriciteit [waren] afgesloten’. Dat veroorzaakte paniek bij deze bevolkingsgroep, die in officiële documenten van de stad Beijing vaak wordt omschreven als bestaande uit ‘laaggeschoolde arbeidskrachten’. Hetzelfde gold voor de wijk Fengtai, op zo’n twintig kilometer ten zuiden van Beijing. In het woonblok Jinglin ‘hebben binnen slechts twee dagen zo’n duizend mensen het verzoek gekregen hun woning te verlaten’, aldus Duanchuanmei, een nieuwssite uit Hongkong. Op 24 november ondertekende een honderdtal Chinese intellectuelen een petitie om te protesteren tegen de massale uitzetting van migranten uit buitenwijken van de hoofdstad. ‘In plaats van hun verantwoordelijkheid te nemen en met de slachtoffers te gaan praten, nemen de betrokken instanties van Beijing deze tragedie [de brand] te baat om een campagne te lanceren tegen eenvoudige en kwetsbare “migranten”,’ aldus de verontwaardigde intellectuelen.
Chinezen zijn dol op glimwormen. Ze worden losgelaten bij feesten en partijen, en er bestaan zelfs speciale themaparken rond de beestjes. Maar in de regio Jiangxi zijn ze aan het verdwijnen. De Chinese site Jiemian stelde een onderzoek in en legde een zeer winstgevende handel bloot.
Op de middag van het Drakenbootfeest, op 30 mei, heeft Xie Shunli* zijn motor genomen om een hoofdlamp te kopen bij de plaatselijke ijzerwinkel. Deze man, die de vijftig nadert, is een van de glimwormenjagers van Huangpu, een gemeente in de stadsprefectuur** Ganzhou in de provincie Jiangxi in het zuidwesten van China. Velen van hen komen bij dezelfde ijzerwinkel hoofdlampen en glimwormennetten kopen. De eigenaar verschaft ze vaak informatie over mogelijke kopers. Maar de laatste tijd krijgt Xie Shunli steeds minder telefonische bestellingen, sinds online verkoopplatformen als Taobao, eigendom van de Chinese gigant Alibaba, onder maatschappelijke druk accounts van verkopers van levende glimwormen sluiten.
Zoals voor de meeste insectenjagers is het voor Xie Shunli maar een nevenactiviteit. In 2003 liet hij een huis van twee verdiepingen bouwen van het geld dat hij had verdiend met zijn baan bij de provincie Guangdong, in het zuiden van het land. De afgelopen jaren is hij in zijn dorp gebleven om rijst te verbouwen en zich samen met vrienden aan de apicultuur te wijden. Ook is hij lid geworden van een toneelgezelschap van een stuk of tien mensen, dat caichaxi-stukken opvoert, een soort opera’s die typisch zijn voor de omgeving van Ganzhou en waarin de traditionele liederen figureren die worden gezongen tijdens de thé-oogst. Het gezelschap treedt op tijdens bruiloften en op markten, voor een dagelijkse gage van maximaal 5000 yuan (€ 627), oftewel 300 yuan (€ 37) per acteur. Dat is minder dan de glimwormenjacht oplevert. Als hij duizend insecten vangt en die voor minimaal dertig yuancent per stuk verkoopt, levert die activiteit hem meer dan 300 yuan per avond op.
Schatrijk
Vorig jaar is een neef van Xie Shunli tussenhandelaar in glimwormen geworden. Toen is Xie de avonden dat hij niet moet optreden op de insecten gaan jagen. Soms zou hij zelf ook wel tussenhandelaar willen worden, om meer te verdienen. De tussenhandelaren staan in contact met mogelijke klanten en sturen jagers op pad om glimwormen voor ze te vangen. Elke handelaar werkt met een bepaald aantal jagers die hij goed kent.
Omdat de kleine insecten met het lichtgevende achterwerk de laatste jaren erg in trek zijn, met name bij de ingebruikstelling van onroerendgoedprojecten, in themaparken en op bruiloften, is er een bloeiende handel in ontstaan. In de belangrijkste habitats van glimwormen hebben gespecialiseerde handelaren winkeltjes geopend. Alleen al het stadje Huangpu telt er drie, en in het dorp Heshu zijn er ook twee – waaronder een van de neef van Xie Shunli. En in het stadje Xiaobu, ongeveer tien kilometer verderop, geniet een handelaar genaamd He Jianming bijzondere bekendheid. Zelfs mensen uit Huangpu komen hem hun vangst verkopen. Een grote tussenhandelaar kan gemakkelijk een miljoen yuan (€ 127.300) per jaar opstrijken. In de regio weet iedereen dat He Jianming schatrijk is geworden met deze handel.
Deze tussenhandelaren hebben een gigantische markt op poten gezet. Volgens cijfers van Yue Hua, de oprichter van de vereniging ‘De Ecologische Glimwormenketen’, telde het online verkoopplatform Taobao eind juli 2016 96 verkopers van levende glimwormen, 58 meer dan een jaar ervoor. 29 van hen konden niet duidelijk aangeven waar hun waar vandaan kwam, maar 57 (85 procent) verhandelden glimwormen die afkomstig waren uit Ganzhou; de resterende tien verhandelden insecten uit de provincies Guanxi (in het zuiden van China), Yunnan (in het zuidwesten), Hubei (centraal-oosten) en Jiangsu (oosten).
In juni 2016 verkochten alleen twee platforms van Alibaba al 17.424.101 glimwormen. Uitgaande van ongeveer een yuan per verkochte glimworm komt dat neer op een maandomzet van meer dan zeventien miljoen yuan (€ 2,16 miljoen). Een verkoopvolume dat zo groot was dat verscheidene sites, waaronder Taobao, ervan beschuldigd werden ‘uitroeiers van glimwormen’ te zijn. Media en milieuverenigingen wonden zich hierover op en hebben aan de bel getrokken. De vereniging van Yue Hua schreef een open brief aan het Chinese Staatsbosbeheer om de activiteiten van deze cyberhandelaren aan de kaak te stellen en aan te dringen op de snelle invoering van een wet ter bescherming van glimwormen. Onder druk van de publieke opinie heeft Taobao zijn verkopers afgelopen mei te kennen gegeven dat de handel in wilde glimwormen voortaan verboden was op het platform. Ze werden gewaarschuwd dat Taobao de handel in deze insecten vanaf 24 mei 2017 nauwlettend zou volgen en zo nodig accounts zou sluiten.
We zijn in Xiaobu. Deze stadsprefectuur ademt een sfeer van grote rijkdom met haar onberispelijk schone hoofdstraat, waar enkele gemotoriseerde gemeenteagenten op en neer rijden. Deze agglomeratie, bekend om haar revolutionaire communistische verleden, geldt ook als ‘glimwormenparadijs’. Het merendeel van de insecten die men tegenwoordig in de glimwormenparken in de grote steden van China aantreft zou hiervandaan komen.
De inwoners herinneren zich de tijd dat de bergen en het platteland tegen het vallen van de avond werden verlicht door een grote menigte glimwormen. Overal zag je ze, in de bossen, op de velden, op de rivieroevers… Maar inmiddels is er door op geld beluste lieden zo veel jacht op de schildvleugelige insecten gemaakt dat ze bezig zijn te verdwijnen. Hun aantal is fors gedaald, wat sommigen ertoe heeft gebracht hun jachtgebied te verleggen naar verder gelegen heuvels en bossen. De plaatselijke autoriteiten zijn de jacht op deze insecten de afgelopen twee jaar gaan verbieden, en nu ook de elektronische sites de verkoop ervan in de ban hebben gedaan neemt de eerst zo bloeiende glimwormenhandel langzaam maar zeker af. Als je ze ernaar vraagt zeggen de bewoners vrijwel unaniem: ‘Niemand hier handelt er nog in.’
Om er zeker van te zijn doe ik me voor als een koper van glimwormen die op zoek is naar een tussenhandelaar. Een meisje is bereid me naar Zhang Jiaming te brengen. Als we bij diens deur zijn gearriveerd, verzekert ze me: ‘Hier vindt u ze wel.’ De heer des huizes is net zijn binnenplaats aan het vegen. Terwijl hij naar ons opkijkt bromt hij: ‘Die verkoop ik al een hele tijd niet meer!’ Het meisje maakt verbluft rechtsomkeert. Vorig jaar is er inderdaad op een avond stiekem een foto bij Zhang Jiaming gemaakt door een lid van een ecologische vereniging. Daarop is een gehurkte glimwormenjager te zien die bij het licht van een lamp zijn gevangen glimwormen telt, met de bedoeling ze te verkopen. De publicatie van de foto had rampzalige gevolgen voor de plaatselijke handel in deze insecten, die sindsdien totaal is ingestort.
De man die deze foto in het geheim heeft gemaakt is niemand anders dan Yue Hua. De door hem opgerichte vereniging ‘De Ecologische Glimwormenketen’ omvat een groep vrijwilligers die zich inzetten voor de bescherming van glimwormen en hun habitat. De afgelopen jaren hebben ze op verschillende manieren geprobeerd het gebruik van deze insecten voor commerciële doeleinden te verhinderen. Volgens statistieken van de vereniging zouden van mei tot oktober 2015 in 65 steden, waaronder Beijing, Shenzhen en met name Xi’an, in totaal 72 keer glimwormen zijn vrijgelaten tijdens een commercieel evenement. Volgens gegevens in het prospectus van de organisatoren zouden op deze manier 2,987 miljoen insecten gedwongen zijn om weg te vliegen.
Gevolgen voor het ecosysteem
Op de avond van het Drakenbootfeest is Yue Hua dus naar het stadje Huangpu gegaan om onderzoek te doen. Hij verwachtte de glimwormenjagers op de rivieroever te kunnen bespieden, maar ‘het wordt moeilijk om ze te vinden, want de glimwormen zijn er zeldzaam geworden’, legt hij uit. Die avond heeft Yue Hua al met al maar één glimworm gezien. Door zijn ervaring kan hij de mannetjes en vrouwtjes van elkaar onderscheiden, en ook de soorten. Het is in de voortplantingstijd dat de glimwormen licht geven, aan het uiteinde van hun achterlijf. De mannetjes paraderen dan door de lucht, terwijl de vrouwtjes, die niet kunnen vliegen, zich schuilhouden in het kreupelhout. Wanneer een mannetje een vrouwtje van zijn eigen soort bespeurt, wisselt hij lichtsignalen met haar uit. Zo onderhouden ze zich met elkaar totdat het mannetje de exacte locatie van het vrouwtje heeft bepaald en naar haar toe vliegt om te paren.
Om vrouwelijke glimwormen te vangen, die vochtige plekken opzoeken om hun eitjes te leggen, moeten de jagers door de rijstvelden waden, waar ze zijn blootgesteld aan insecten- en slangenbeten. Mannetjes zijn makkelijker te vangen. Je hoeft alleen maar een knipperende lichtbron te hebben, met dezelfde frequentie als die van henzelf, om ze in je net te lokken.
Het gebeurt helaas vaak dat de glimwormen in de netten van de jagers belanden voordat ze hun paring zelfs maar hebben voltooid. Vervolgens worden ze door tussenhandelaren naar de kopers verstuurd, of dat nu beheerders van glimwormenparken in de grote steden zijn of organisatoren van commerciële evenementen. ‘Omdat ze niet in hun nieuwe omgeving kunnen integreren, sterven ze massaal,’ zegt Yue Hua spijtig terwijl hij in het holst van de nacht langs de rivier loopt. Aan de oever van deze rivier is hij opgegroeid, en hij kent het plaatselijke ecosysteem zeer goed. Om de glimwormen te beschermen is hij naar de plaatselijke overheden gegaan, maar die verschuilen zich achter het ontbreken van wetten en verordeningen op dit gebied.
‘Als je te veel exemplaren van een bepaalde soort aan de natuur onttrekt, heeft dat altijd gevolgen voor het ecosysteem,’ legt Yue Hua uit. Het kan zelfs fataal zijn voor de soort. Fu Xinhua, die als universitair docent verbonden is aan de School voor Botanische Wetenschap en Techniek van de Landbouwuniversiteit van Huazhong, in Wuhan in de provincie Hubei, en die door zijn collega’s als de ‘beste Chinese onderzoeker op het gebied van glimwormen’ wordt beschouwd en als ‘hun beste verdediger’, bevestigt de woorden van Hua en vraagt zelf ook al twee jaar aandacht voor de ernst van de situatie. De Chinese glimwormenpopulatie neemt in hoog tempo af en sommige soorten worden met uitsterving bedreigd.
De dag na het Drakenbootfeest heeft Yue Hua een motor gehuurd en zich naar Huangpu begeven om zich voor te doen als glimwormenkoper. Nadat hij een hele ochtend heeft rondgelopen is hij onverrichterzake teruggekeerd. Tussen de middag is hij in een restaurant gaan eten waar hij een gesprekje met de eigenaar heeft aangeknoopt. Ze mochten elkaar en de restauranteigenaar besloot hem in contact te brengen met Wang Dafu. Na een telefoontje toonde Wang, inkoper van glimwormen voor de befaamde handelaar He Jianming, zich meteen bereid om te komen.
Deze Wang was toevallig ook al eens op de foto gezet door Yue Hua, toen hij in 2016 op de binnenplaats van He Jianming insecten aan het tellen was die hij had gevangen. Toen Yue Hua hem het restaurant binnen zag stuiven was hij bang ontmaskerd te worden, maar Wang Dafu herkende hem niet: hij was destijds zo verdiept geweest in het tellen van zijn glimwormen dat hij niet op Yue had gelet.
De zaak werd snel beklonken en ze spraken af dat Wang Dafu Yue Hua nog diezelfde avond zou meenemen op glimwormenjacht. Toen de avond gevallen was vertrokken ze per motor, Wang Dafu en de eigenaar van het restaurant met een bouwvakkershelm op. Onderweg kwamen ze geen enkel ander voertuig tegen, je hoorde alleen maar het geronk van hun twee motoren. Aan de rand van een rijstveld stopten ze. Omdat daar maar weinig jagers kwamen dacht Wang Dafu dat ze er wel glimwormen zouden kunnen vinden. De knipperlichten van de motoren werden aangezet, waardoor inderdaad vliegende glimwormen werden aangetrokken. Terwijl hij al zwaaiend met zijn zelfgemaakte net om de motoren heen liep wist Wang Dafu in rap tempo een mooie insectenoogst binnen te halen.
Tegen negen uur ’s avonds reden ze terug. Het huis van Wang Dafu staat op het punt verkocht te worden, maar hij ontvangt zijn waar meestal niet thuis. Gebeurt dat wel, dan worden er zaken gedaan op het achterplaatsje. Het drietal ging binnen via de achterdeur, en Yue Hua zag op de binnenplaats heel wat glimwormenjagers die bezig waren hun vangst te tellen. Wang Dafu opende zijn net en begon zijn buit te inventariseren, met behulp van een ‘teller’ die uit twee aan elkaar gelijmde mineraalwaterflessen bestond. Toen hij klaar was met tellen stopte hij vijfhonderd glimwormen in een grote stopfles vol gingkgobladeren. Voordat hij de pot sloot deed hij er nog wat glimwormen bij, om degene te compenseren die zouden kunnen doodgaan tussen het moment van verzending en het moment dat ze in handen zouden komen van hun koper, de organisator van een evenement of een verliefde romanticus.
Een dubbele deur geeft aan de ene kant toegang tot een ruimte die is verhuurd aan een winkeltje, en aan de andere tot een zaal die de eigenaar als restaurant gebruikt en ook om glimwormen aan de man te brengen
Naast de enige groentemarkt van Huangpu bevindt zich een discreet verkooppunt van glimwormen, waarvan desondanks bijna alle inwoners het bestaan kennen. Het is gelegen aan de straatkant op de begane grond van een flatgebouw, en er is niets wat erop duidt dat er insecten worden verkocht. Een dubbele deur geeft aan de ene kant toegang tot een ruimte die is verhuurd aan een winkeltje, en aan de andere tot een zaal die de eigenaar als restaurant gebruikt en ook om glimwormen aan de man te brengen. Bij mijn aankomst staat de toegangsdeur wijdopen en is er niemand binnen. Na geruime tijd maken de vrouw en de schoondochter van de eigenaar hun opwachting.
De schoondochter, die erg wantrouwend staat tegenover een vreemdeling als ik, kapt het gesprek af met het excuus dat haar man er niet is en dat zijzelf van niets weet. Maar haar schoonmoeder vertrouwt me toe dat ze de laatste tijd nauwelijks nog bestellingen krijgen. ‘Als we weten dat we er klanten voor hebben, kopen we glimwormen in, maar zonder bestellingen kopen we niets.’ Toch staan er onder een tafel vijf plastic stopflessen van ongeveer 25 centimeter hoog en 15 centimeter breed die gevuld zijn met gingkgobladeren. ‘Die zetten we van tevoren klaar,’ legt de vrouw des huizes uit. Omdat ze me er niet van verdenkt dat ik journalist ben, voegt ze eraan toe dat ze bestemd zijn voor haar neef in de stad Xiaobu, die glimwormen vangt. ‘Als u wilt, kunt u rechtstreeks contact met hem opnemen,’ zegt ze.
De neef in kwestie is niemand anders dan de beroemde handelaar He Jianming, die de laatste tijd wat zorgen heeft. Volgens een artikel in de Beijing Qingnian Bao (‘Dagblad van de jeugd van Beijing’) geven de glimwormenverkopers op internet zich sinds dit jaar uit voor kwekers om niet de publieke opinie over zich heen te krijgen. Ze doen zelfs alsof ze daarvoor een vergunning hebben, maar de journalisten hebben ontdekt dat de plaatselijke overheid zulke documenten nooit heeft verstrekt. Bovendien hielden de cyberverkopers van Taobao en andere handelaren tot dat moment vol dat de op internet verkochte glimwormen in de natuur waren gevangen, en dat er geen kwekerijen bestonden.
Volgens het onderzoek van de Beijing Qingnian Bao had de stad Lianyungang, in de provincie Jiangsu, eind mei de organisatie van een ‘glimwormenontmoeting’ aangekondigd, waar tienduizenden insecten zouden worden vrijgelaten. Toen de betrokken verenigingen protesteerden, lieten de organisatoren hun een document zien, overgelegd door de leverancier, waaruit de herkomst van de glimwormen moest blijken en het feit dat ze wettig verkregen waren. Daarbij viel het de journalisten op dat als ‘eigenaar van de koopwaar’ een zekere He werd genoemd, directeur van het bedrijf ‘Glimwormen, liefdesdroom’ en zogenaamd in het bezit van een ‘vergunning voor het kweken van glimwormen’; de koopwaar was overigens afkomstig uit de prefectuur Ningdu, in de provincie Jiangxi.
Ter plaatse wordt het mij door heel wat inwoners bevestigd: ‘De eigenaar van “Glimwormen, liefdesdroom” is He Jianming.’ Als ik de laatste probeer te bellen, verschijnt op mijn schermpje: ‘Kwekerij en handelsonderneming Glimwormen, liefdesdroom.’ He verzekert me telefonisch dat al zijn glimwormen gekweekt zijn en dat hij nooit wilde glimwormen heeft verkocht…
Auteur: Liu Chengwei
Vertaler: Peter Bergsma
De namen van de geciteerde personen in dit artikel zijn veranderd, met uitzondering van die van He Jianming, Yue Hua en Fu Xinhua.
Een Chinese stadsprefectuur telt enkele tienduizenden inwoners. Xiabu heeft er bijvoorbeeld vijftienduizend.
Jiemian is een ‘nieuwsstart-up’ die onlangs in China werd opgericht voor de onafhankelijke denker. De nadruk ligt op de technologie- en zakenwereld.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.