Tag: imperialisme

  • Het Engels, de wereldtaal met een slecht geweten

    Het Engels, de wereldtaal met een slecht geweten

    Is de meest gesproken taal op aarde een geschenk uit de hemel of een veelkoppig monster? Beide opvattingen leiden af van waar het werkelijk om draait. ‘Het zijn mensen, niet talen, die domineren en onderworpen worden’, schrijft universitair docent Engelse Taal en Cultuur Mario Saraceni.

    De afgelopen vierhonderd jaar groeide het Engels uit van een kleine taal die op de Britse eilanden werd gesproken tot een taal die de wereld domineert. In het jaar 1600, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth I, spraken vier miljoen mensen Engels. Tegen 2020, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth II, was dat aantal gestegen tot bijna twee miljard. Nu is Engels de voertaal in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland en de ‘intranationale’ taal in voormalig Britse koloniën als India, Singapore, Zuid-Afrika en Nigeria. Het is de lingua franca van onze planeet.

    Sommigen zien het Engels als het grootste ‘geschenk’ dat Groot-Brittannië de wereld ooit gaf. In mei 2022 zei Suella Braverman, nu de Britse minister van Binnenlandse Zaken, in een online interview met ConservativeHome dat ze trots was op het Britse Rijk, omdat het zijn koloniën had begiftigd met infrastructuur, rechtssystemen, het ambtenarenapparaat, militairen en ‘natuurlijk de Engelse taal’.

    Hetzelfde geluid klinkt aan de andere kant van het politieke spectrum: in 2008 hield toenmalig premier Gordon Brown een toespraak waarin hij verklaarde dat hij namens ‘Groot-Brittannië een nieuw geschenk aan de wereld’ wilde geven door steun te bieden aan iedereen die buiten het Verenigd Koninkrijk Engels wilde leren. In hetzelfde jaar kondigde The Times voorstellen aan voor een nieuw museum gewijd aan de taal, om ‘het omvangrijkste geschenk van Engeland aan de wereld te vieren’. Onlangs nog beschreef Mark Robson van de British Council het Engels als ‘het grootste geschenk van het Verenigd Koninkrijk aan de wereld’. Het idee van het Engels als een Brits geschenk is zo ingeburgerd dat het haast niet opvalt.

    Bullebak

    Het Engels mag dan wel universeel zijn geworden, toch beschouwt niet iedereen de taal als een geschenk. Sterker nog, veel mensen denken er totaal anders over. In 2018 beschreef journalist Jacob Mikanowski het Engels in The Guardian als een ‘behemoth, bully, loudmouth, thief’ (boeman, bullebak, schreeuwlelijk, dief). Hij benadrukte dat de dominantie van het Engels een bedreiging vormt voor lokale culturen en talen.

    Doordat het Engels wereldwijd terrein blijft winnen, worden veel talen steeds minder gesproken of sterven ze zelfs uit. Dit heeft niet alleen gevolgen voor relatief kleine talen als het Welsh of het Iers; ook grotere talen, zoals het Yoruba in Nigeria, moeten eraan geloven. In het bedrijfsleven, de handel, het onderwijs, de media en de technologie worden ze door het Engels overschaduwd.

    Sommige sociolinguïstische wetenschappers beschouwen het Engels daarom als een dodelijke taal. Ze zien het als een monster, vergelijkbaar met de dodelijke, veelkoppige Hydra uit de Griekse mythologie. Vanuit dit perspectief bezien is de wereldwijde invloed van het Engels een vorm van taalimperialisme. Het is een systeem van verregaande ongelijkheid, waarin andere talen worden verpletterd door de vuisten van de voormalige kolonist, Groot-Brittannië, en de huidige globale supermacht, de VS.

    In The Oxford Handbook of World Englishes uit 2017 merken sociolinguïsten Robert Phillipson en Tove Skutnabb-Kangas op dat ‘het internationale prestige en de instrumentele waarde van het Engels ertoe kunnen leiden dat taalgebieden verdwijnen, wat ten koste gaat van lokale talen en van de grote democratische rol die nationale talen spelen’.

    Dekolonisatie is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied

    De term ‘taalimperialisme’ laat zien dat de dominantie van het Engels het gevolg is van vier eeuwen Britse overheersing. Dat drukt zwaar op het geweten van de taal. Het Engels verspreidde zich tussen het einde van de zestiende eeuw en de tweede helft van de twintigste eeuw over het Britse imperium. Die imperialistische expansie ging gepaard met landroof, genocide, slavernij, hongersnood, onderwerping, plundering en uitbuiting.

    Deze geschiedenis zou centraal moeten staan in elke discussie over het Engels als wereldtaal. Niet alleen omdat het historisch correct is, maar ook omdat het Engels, zoals de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe in 1965 schreef, ‘onderdeel was van een reeks dubieuze transacties, waaronder de regelrechte gruwel van raciale arrogantie en andere vooroordelen’.

    Waarom staat in debatten over dekolonisatie het Engels dan niet centraal? Dekolonisatie werd in het begin van de eenentwintigste eeuw vooral besproken in de context van musea of bejubelde historische figuren die banden hadden met het Britse imperium. Maar net als het British Museum of het standbeeld van Cecil Rhodes op een Oxford-gebouw, is het wereldwijde bereik van het Engels een uitvloeisel van het imperium.

    Wat bedoel ik precies met ‘dekolonisatie’? Ik heb het hier niet over het politieke proces waarmee koloniën in de tweede helft van de twintigste eeuw onafhankelijk werden. Dekolonisatie geldt tegenwoordig voornamelijk als alternatief voor een kennissysteem dat kolonisten in de tijd van het kolonialisme invoerden en systematisch afdwongen.

    Die manier van denken maakte een morele rechtvaardiging van het kolonisatieproces mogelijk en draaide om één centraal principe: aangezien de kolonist superieur was aan de gekoloniseerde, was overheersing niet alleen geoorloofd, maar zelfs moreel verantwoord. Op basis van dit principe werden de kolonist en de gekoloniseerde aan tegenovergestelde uiteinden van het beschavingsspectrum geplaatst:

    kolonist < – – – > gekoloniseerde

    beschaafd < – – – – > primitief

    religie < – – – > bijgeloof

    democratie < – – – – > absolute heerschappij

    naties < – – – > stammen

    literatuur < – – – > mondelinge overlevering

    talen < – – – – > dialecten

    In de twintigste eeuw vond politieke dekolonisatie plaats: koloniën werden onafhankelijk. Maar hiermee was het kennissysteem waarop kolonisatie was gebaseerd, zowel op het noordelijk als zuidelijk halfrond, niet automatisch verdwenen. Die mentaliteit heeft een erfenis achtergelaten en bepaalt nog steeds deels de manier waarop we de wereld zien en begrijpen. Hedendaagse dekolonisatie draait dus om wat de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o in 1986 ‘dekolonisatie van de geest’ noemde.

    Allereerst moeten we ons bewust worden van het nog levende kennissysteem van de kolonist en dat verwerpen. Vervolgens moeten we het vervangen door evenwichtige, diverse, complexe en lokaal relevante inzichten in menselijke samenlevingen en hun onderlinge relaties. En ten slotte moeten we op basis van die inzichten ons gedrag veranderen. Dit is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied.

    Vorm van censuur

    De Engelse taal, het British Museum en Cecil Rhodes delen een problematische koloniale erfenis. Ze staan voortdurend ter discussie, waarbij het de vraag is of ze ‘geschenken’ of ‘monsters’ zijn. In het British Museum worden de bronzen beelden uit Benin tentoongesteld: meer dan negenhonderd decoratieve sculpturen uit het Koninkrijk Benin in het huidige Zuid-Nigeria. Ze bieden mensen weliswaar de gelegenheid om historische kunstwerken te bewonderen, maar zijn ook een tastbaar bewijs van de systematische plundering die in de koloniale tijd plaatsvond.

    Het standbeeld van Rhodes dat op de Oxfordcampus staat mag dan een eerbetoon zijn vanwege de hoeveelheid geld die de politicus de universiteit heeft geschonken, het is ook een uitermate controversieel beeld van een staatsman die tijdens de Britse overheersing in Zuid-Afrika handelde vanuit de stellige overtuiging dat de ‘witten’ het ‘opperras’ waren.

    Kunstwerken en standbeelden van historische figuren zijn onderwerp geworden van een verhit debat omdat ze de problematische koloniale erfenis vertegenwoordigen. Musea worden steeds meer onder druk gezet om artefacten terug te sturen naar hun land van herkomst, vooral als die artefacten in kwestie aantoonbaar ‘verworven’ zijn met koloniale plundering. In dat opzicht zou het teruggeven van de geroofde bronzen beelden van Benin aan Nigeria niet alleen een fout rechtzetten. Het zou ook symbool komen te staan voor de bestrijding van het koloniale geloofssysteem dat de beeldenroof ooit mogelijk maakte. Met andere woorden: het zou een vorm van dekolonisatie zijn.

    Op eenzelfde manier vinden veel mensen het belangrijk dat het standbeeld van Rhodes verwijderd wordt. Alleen dan kunnen we in hun ogen ons wereldbeeld rechtzetten – een wereldbeeld dat lange tijd scheef is geweest door kolonisatie en haar voortdurende ideologische erfenis.

    Natuurlijk is er ook veel weerstand tegen dit idee. Mensen die sceptisch zijn over dekolonisatie interpreteren het voorvoegsel ‘de-’ veelal als een vorm van censuur. In hun ogen zou dekolonisatie elke band met het koloniale verleden uitwissen. In juni 2020 twitterde de toenmalige Britse premier Boris Johnson over het omverwerpen van het standbeeld van slavenhandelaar Edward Colston in Bristol: ‘We moeten niet proberen ons verleden te bewerken of te censureren.’

    Naar aanleiding van het voorstel om het Victoria and Albert Museum te dekoloniseren, zei directeur Tristram Hunt in februari 2020 iets vergelijkbaars: ‘De oorsprong van het Victoria and Albert Museum is ingebed in Britse imperiale en koloniale verhalen.’ Daarom ‘heeft het in veel opzichten geen zin om het V&A te dekoloniseren, het is simpelweg niet mogelijk’.

    Als dekolonisatie gezien wordt als uitwissen, lijkt het al snel een onmogelijke of zelfs onwenselijke opgave. Maar deze interpretatie gaat totaal voorbij aan wat dekolonisatie nu echt betekent. Zoals ik hierboven heb uitgelegd, houdt dekolonisatie in de eerste plaats een diepgaand en kritisch engagement met het koloniale verleden in. Dat is iets heel anders dan het verleden uitwissen.

    We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn

    Hoe zit dat met de Engelse taal? Hoe zou dekolonisatie van het Engels eruitzien? Er zijn wat dat betreft twee belangrijke denkstromingen geweest. De ene beschouwt het Engels als een ‘ongewenst geschenk’: omdat het nu eenmaal een wereldtaal is, kan het uit pragmatische overwegingen maar met tegenzin worden aanvaard – zolang het wordt aangepast, omgesmeed en in nieuwe vormen gebogen. Het Engels zou dan ‘gede-angliseerd’ worden en veranderen in een Afrikaanse en Aziatische taal. Het is niet langer het exclusieve eigendom van de Britten en de Amerikanen maar wordt op andere plekken in de wereld eigen gemaakt.

    Verschillende Afrikaanse en Aziatische schrijvers hebben zich fervent voorstander van dit idee getoond: van Achebe in de jaren zestig tot Salman Rushdie in de jaren tachtig en, recenter nog, Chimamanda Ngozi Adichi. Het standpunt krijgt echter ook kritiek. Het zou te optimistisch zijn en alleen relevant voor een beperkte en nogal bevoorrechte elite, waartoe de internationaal bekende Engelstalige romanschrijvers behoren. Volgens critici is het de-angliseren en toe-eigenen van het Engels een privilege voor slechts een paar mensen. Alle anderen blijven lijden aan de erosie van hun taal, cultuur en identiteit.

    De tweede stroming is radicaler. Vanuit dit perspectief is het Engels als wereldtaal niet alleen maar het toevallige resultaat van het kolonialisme, maar blijft het een inherent en onvermijdelijk imperialistische taal. Het toe-eigenen van de taal is volgens aanhangers hiervan slechts een illusie die afleidt van het echte probleem: dat het Engels het leven van honderden miljoenen mensen blijft beïnvloeden, hun samenleving binnendringt en lokale talen uit het onderwijs, de media en de algemene cultuur verdrijft. Dekolonisatie zou moeten betekenen dat er een groter en gezonder evenwicht tussen het Engels en lokale talen ontstaat. Lokale talen komen weer tot bloei en krijgen de status en rol terug die ze door het Engelse monster zijn kwijtgeraakt.

    Er zijn er ook die geen relevant verband zien tussen het Engels en dekolonisatie. Gordon Brown beschrijft het Engels in zijn eerdergenoemde toespraak als ‘het medium dat wereldwijde communicatie en wereldwijde toegang tot kennis mogelijk maakt’; ‘een middel waarmee honderden miljoenen mensen uit alle landen met elkaar in contact komen’; ‘een brug tussen grenzen en culturen’ en ‘een bron van eenheid in een snel veranderende wereld’. Volgens Brown mag het Engels geen onderdeel worden van dekolonisatie.

    Het is veelzeggend dat hij de verspreiding van het Engels beschrijft als het resultaat van een ‘historische toevalligheid’. The English Effect, een publicatie van de British Council uit 2013, beschrijft de taal eveneens als een die ‘groei en internationale ontwikkeling aanstuurt’ en ‘levens verandert’. En als het Engels een ‘geschenk’ is, moet het worden gevierd en niet ter discussie gesteld.

    Metaforen

    Dekoloniseren of niet dekoloniseren? Dat is de vraag, en om daar genuanceerd op in te gaan, helpt het misschien om te weten dat beide partijen in het debat iets fundamenteels gemeen hebben. Wanneer ze over het Engels praten of nadenken, gebruiken ze metaforen. Een ‘geschenk’, een ‘monster’, ‘bullebak’, ‘medium’, ga zo maar door… Woorden die in principe niets met een taal te maken hebben. Want dat is de essentie van de metafoor: spreken over X alsof het Y is.

    Soms, zoals in de zojuist genoemde voorbeelden, is het duidelijk wanneer dit gebeurt. Maar meestal hebben we het niet eens door als taal metaforisch omschreven wordt. Dat komt doordat niet allee metaforen een duidelijke ‘X is Y’-vorm hebben – zoals bij ‘Engels is de weg naar succes’ – en doordat ze zodanig zijn ingeburgerd dat we ze vaak niet meer als metafoor of creatief taalgebruik herkennen.

    In gesprekken over taal gaat het vaak over ‘geboorte’, ‘leven’, ‘groei’, ‘ontwikkeling’ en ‘dood’ – alsof een taal een levend organisme is. Een uitdrukking als ‘taal ontwikkelt zich voortdurend’ komt niet direct over als een metafoor, omdat taal hier niet expliciet wordt beschreven als iets anders. We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

    We gebruiken voortdurend metaforen, vooral wanneer we complexe verschijnselen beschrijven met begrippen die simpeler, vertrouwder en eenvoudiger zijn. Taal is een complex, sociaal fenomeen dat onlosmakelijk met cultuur en maatschappij is verweven, en leent zich dus bij uitstek om te worden beschreven aan de hand van metaforen. Maar een metafoor is meer dan een retorisch middel dat complexe verschijnselen begrijpelijker maakt. Een metafoor beschrijft iets alsof het iets anders is en kan daardoor een krachtig ideologisch instrument zijn. Door het ‘iets anders’ in kwestie zorgvuldig uit te kiezen, kunnen we met metaforen verschillende ideologische standpunten uitdrukken.

    Wanneer we het Engels bijvoorbeeld een ‘geschenk’ noemen, impliceren we dat het uiterst waardevol is: een middel dat wereldwijde communicatie verbetert alsook de vooruitzichten van mensen. Door het te beschrijven als een ‘monster’ schilderen we de taal af als een bedreiging voor de culturele en taalkundige diversiteit: als een wapen dat de Anglo-Amerikaanse neo-imperialistische belangen dient.

    Het wordt nog interessanter als we kijken naar metaforen die sterk ingeburgerd en daarom minder zichtbaar zijn. Nogmaals, de British Council stelt dat Engels ‘groei en internationale ontwikkeling stimuleert’ en ‘levens verandert’. Om de metaforische essentie van deze stelling te ontleden, moeten we zorgvuldig letten op zowel de grammatica als de betekenis ervan.

    Wie zegt dat het Engels groei stimuleert en levens verandert, beschouwt het als een entiteit, die zelf in staat is om handelingen te verrichten. Hier is sprake van een grammaticale en semantische verschuiving: van het Engels als een object dat door mensen wordt geleerd, gesproken en gebruikt, naar het Engels als een doener die andere dingen of mensen zelfstandig kan beïnvloeden. De formule ‘X is Y’ is hier dus impliciet, maar kan wel degelijk worden ontleed. In dit geval impliceert ‘Engels verandert levens’ dat het Engels ‘een doener’ is. En als het Engels autonomie heeft, kan het zelfstandig handelen, onafhankelijk van mensen. Deze gedachtegang kan een groot ideologisch effect hebben.

    Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit

    De tweede editie van English as a Global Language werd gepubliceerd in 2003 en geldt nog steeds als een van de populairste beschrijvingen van het Engels als wereldtaal. Het boek is geschreven door de Britse taalkundige David Crystal, een van de bekendste anglicisten. In het boek staat een voorbeeld dat perfect illustreert wat voor ideologische implicaties een metafoor kan hebben. Crystal schrijft dat ‘een terugkerende opvallendheid die kan helpen om de opmerkelijke groei van deze taal te begrijpen’ is dat ze ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’. Op het eerste gezicht lijkt zo’n uitspraak misschien nietszeggend, maar er zit een complete ideologie in verscholen.

    Allereerst impliceert het woord ‘groei’ hier natuurlijk de metafoor van het ‘levend organisme’. Afgezien daarvan lijkt het Engels hier net een reiziger die tijdens zijn wereldreis compleet bij toeval op bepaalde plaatsen belandde. De metafoor van de reiziger schetst het Engels bovendien als iemand met mensachtige kwaliteiten en een eigen wil. Dit suggereert dat de taal zich wereldwijd heeft verspreid middels handelingen die het Engels op verschillende momenten in zijn ‘leven’ heeft ondernomen. Volgens de logica van deze metafoor werd het Engels verspreid door het Engels zelf, niet door het kolonialisme. Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit. Hoe kon het Engels zo groot worden? Gewoon, door ‘een historische toevalligheid’, aldus Brown.

    Wie het imperialisme buiten beschouwing laat, maakt de wereldwijde verspreiding van het Engels als het ware onschadelijk. Zo komt de nadruk te liggen op hoe bijzonder de expansie was, hoe heilzaam de wereldwijde aanwezigheid van het Engels is, enzovoort. Met andere woorden, het Engels kan als een ‘geschenk’ aan de wereld worden omschreven, waarbij de ongemakkelijke implicaties van dat geschenk achterwege worden gelaten. Critici als Robert Phillipson noemen Crystals beschrijving van het Engels als een wereldtaal die ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’ dan ook ‘eurocentrisch’ en ‘triomfalistisch’. Met andere woorden: een beschrijving die moet worden gedekoloniseerd.

    Aan de andere kant van het debat wordt het Engels eveneens beschreven met een metafoor. Een voorbeeld is de essaybundel English Language as Hydra uit 2012, die gaat over ‘de immense macht die het Engels wereldwijd uitoefent’. In deze bundel is het Engels geen geschenk, maar een dief, een bullebak, een monster, enzovoort. In de inleiding schrijven redacteuren Vaughan Rapatahana en Pauline Bunce:

    ‘Bepaalde structuren en vormen van discours zijn inherent aan het Engels. De taal neemt die overal waar ze opdruikt met zich mee, en op een schijnbaar heilzame manier. Zo worden de mensen die de taal leren opgescheept met een hele reeks aan inherente controles, verwachtingen, houdingen en overtuigingen die vaak tegengesteld zijn aan die van henzelf.

    Ook schrijven ze dat: ‘(…) de Hydra van het hedendaagse Engels erin is geslaagd haar geografische bereik uit te breiden tot de hele planeet. Het Engels heeft zich aangepast aan een breed scala van omgevingen door op verschillende plaatsen verschillende koppen te ontwikkelen en soms verschillende koppen op dezelfde plaats. De taal heeft specifieke, symbiotische relaties ontwikkeld met samenlevingen, bedrijven, regeringen en onderwijssystemen.’

    Entiteit

    Hoewel ik begrip heb voor het sentiment dat aan deze stelling ten grondslag ligt, denk ik dat deze weergave van het Engels niet volledig recht doet aan ons doel: de manier waarop we over het Engels praten dekoloniseren. Het Engels wordt nog steeds beschreven als een entiteit die in staat is zijn eigen beslissingen te nemen en onafhankelijk van mensen te handelen.

    In de bovenstaande citaten lijkt het Engels een reiziger en een soort bovennatuurlijk, verraderlijk wezen dat de hele wereld over gaat door zich op fenomenale wijze te transformeren. Net als de reiziger van Crystal, die toevallig op het juiste moment op de juiste plaats was, leidt deze weergave de aandacht af van het fundamentele probleem: een wereldorde die is gevormd en nog steeds sterk wordt bepaald door vierhonderd jaar Europees imperialisme.

    De metafoor van het geschenk is machtig. Maar als we dit idee proberen te bestrijden met monstermetaforen, belanden we in een retorische strijd waarvan de spelregels nog steeds door de tegenstander worden bepaald. Deze strategie kan hoogstens leiden tot een afgezaagde conclusie: dat de werkelijkheid complex is. Binnen dit referentiekader is het Engels noch geheel ‘slecht’ noch geheel ‘goed’. Maar het ideaal – dat het Engels een minder dominante rol krijgt en andere talen verloren terrein terugwinnen – blijft zo niets meer dan een theoretische wens zonder een geloofwaardig en uitvoerbaar actieplan.

    We moeten de dekolonisatie van het Engels radicaler aanpakken, door op een nieuwe manier over de taal na te denken en te praten. Taal is geen object of ding, zoals een artefact in een museum of een standbeeld in een stad. En het is al helemaal geen levend wezen dat in staat is ‘deuren te openen’, ‘levens te veranderen’ of ‘andere talen te doden’. Taal is onlosmakelijk verbonden met ons sociale gedrag: we gebruiken allemaal taal in ons dagelijks leven – vaak zelfs meerdere talen.

    ‘Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort’

    Geen enkele taal, ook het Engels niet, is inherent ‘goed’ of ‘slecht’, ‘rijk’, ‘machtig’ of ‘arrogant’. Geen enkele taal, ook het Engels niet, ‘doet’ iets. Ze breidt zich niet uit, past zich niet aan, evolueert niet, domineert niet. Die formuleringen zijn allemaal manieren om de relaties tussen mens en taal verdoezelen.

    Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort. Het zijn mensen, niet talen, die hun invloed uitbreiden, zich aanpassen aan situaties, hun gewoonten veranderen (inclusief hun taalgebruik), domineren, onderworpen worden, enzovoort.

    De wereldwijde ‘dominantie’ van het Engels en het daarmee gepaard gaande verlies van andere talen, identiteiten en culturen zijn directe gevolgen van de enorme ongelijkheid die er in de wereld nog altijd is. Die ongelijkheid is een rechtstreeks gevolg van de kolonisatie en de langdurige gevolgen die eruit voortkwamen. Het Engelse ‘monster’ is een symptoom van een ernstige ziekte, niet de oorzaak.

    De dekolonisatie van het Engels houdt niet in dat een object wordt weggenomen of teruggegeven. Dekolonisatie betekent dat we op een nieuwe manier gaan nadenken over wat het Engels is en, belangrijker nog, wat het niet is.

    Lees ook:

  • Afrikanen leven niet alleen om te sterven. Een reactie op The New York Times

    Afrikanen leven niet alleen om te sterven. Een reactie op The New York Times

    Als de berichtgeving over Afrika alleen maar bedoeld is voor lezers die een glimp willen opvangen van ‘hoe anders de andere helft leeft’, schrijft Mamka Anyona voor African Arguments, verliezen we de kans op echt internationalisme.

    Als ik niet al bekend was met de notoire reductionistische berichtgeving van de westerse media over het Globale Zuiden, dan zou ik versteld hebben gestaan ​​van het artikel in The New York Times dat op 4 januari werd gepubliceerd onder de kop ‘Een continent waar de doden niet worden geteld’. De centrale stelling daarin is dat de lage sterftecijfers door covid-19 in ‘Afrika’ komen doordat Afrikanen hun doden niet rapporteren.

    Het artikel suggereert dat het werkelijke sterftecijfer in landen op het continent van alles kan zijn, van de officieel gerapporteerde cijfers tot de zeer hoge aantallen die Europa en de Verenigde Staten melden. Dit impliceert dat in ‘Afrika’ de dood zo gewoon is, dat als ongeveer 1 op de 1000 mensen – het huidige officiële sterftecijfer door covid-19 in de VS – binnen een paar maanden zou sterven aan een voorheen onbekende ziekte, dat onopgemerkt en ongeregistreerd zou kunnen blijven.

    Rapportage noch analyse

    Het uitgangspunt van het artikel is verbluffend. Het noch een rapportage noch een analyse, aangezien het bewijs overwegend anekdotisch is. De kop is bizar en hekelt een heel continent, terwijl in de tekst slechts 3 van de 54 Afrikaanse landen aan bod komen. De onderliggende veronderstelling is dat als rijke landen hebben geleden, Afrika erger moet hebben geleden. En als dat niet het geval is, dan moet dat komen doordat het lijden onzichtbaar is gemaakt door een voor Afrika kenmerkende incompetentie.

    Deze weergave van het continent zal ook velen verbazen die hebben gezien hoe landen in respectievelijk Afrika en het Westen op de pandemie hebben gereageerd. Toen ik bijvoorbeeld eind januari 2020 naar Kenia vloog, waren op de luchthaven al protocollen voor temperatuurcontrole en contactopsporing in werking gezet. Tot in maart 2020 opereerden luchthavens in Europa en de VS daarentegen nog grotendeels zoals normaal.

    Het artikel biedt geen enkel bewijs dat de melding van sterfgevallen in Afrika minder nauwkeurig zou zijn dan waar dan ook

    Ik had deze winter een soortgelijke reiservaring. Toen ik met mijn gezin van Nairobi naar Tanzania wilde reizen, hadden we een negatieve testuitslag nodig om toegang te krijgen. Ik belde het National Influenza Center en een paar uur later kwam een ​​professional naar mijn huis om, gehuld in een volledig beschermend pak, onze monsters te verzamelen.

    Dit stond in schril contrast met mijn ervaring toen ik een maand eerder van New York naar Kenia was gereisd. In de VS kostte het moeite de benodigde PCR-test te doen. Toen dat eindelijk lukte, werd ik geholpen door een verpleegkundige wier enige bescherming tegen de honderden mogelijk besmette personen die ze elke dag onderzocht een ​​chirurgisch mondkapje was.

    Hoewel deze ervaringen anekdotisch zijn, kunt u zich mijn ontsteltenis voorstellen bij het lezen van het artikel in The New York Times.

    In mijn eigen land, Kenia, is het niet mogelijk om ‘dierbaren thuis in de tuin te begraven’, zoals het artikel suggereert

    Gezien de nieuwigheid van het coronavirus is het een gegeven dat elk land wereldwijd met hetzelfde probleem wordt geconfronteerd: hoe spoor je sterfgevallen als gevolg van covid-19 op, hoe classificeer en registreer je ze? Er wordt algemeen aangenomen dat het werkelijke sterftecijfer overal hoger is dan momenteel wordt gerapporteerd. Hoewel het artikel in de NYT impliceert dat gegevens die zijn verzameld door landen in Afrika zonder het internationale stempel van goedkeuring onbetrouwbaar zijn, biedt het geen enkel bewijs dat de melding van sterfgevallen in Afrika minder nauwkeurig zou zijn dan waar dan ook.

    Het verbeteren van bevolkingsregistratiesystemen is wereldwijd een grote uitdaging. Tussen landen bestaan echter enorme onderlinge verschillen. Sommige, zoals Egypte, Zuid-Afrika en de Seychellen, hebben een verplicht algemeen registratiesysteem; andere, zoals Nigeria en Niger, blijven achter, zoals het artikel terecht vermeldt.

    In mijn eigen land, Kenia, is het niet mogelijk om zonder een begrafenisvergunning ‘dierbaren thuis in de tuin te begraven’, zoals het artikel suggereert. Kenia bouwt bovendien aan een verplicht gedigitaliseerd systeem waarin de gegevens van alle inwoners worden vastgelegd, een project dat geavanceerder en ambitieuzer is dan dat van veel landen met een hoog inkomen.

    Dit laat ook zien dat officiële overlijdensregisters niet de enige manier zijn om ziekte​​uitbraken op te sporen. Overheidsfunctionarissen beschikken ook over andere middelen om afwijkende sterftepatronen te herkennen, waaronder bewakingssystemen die ongebruikelijke gebeurtenissen melden. Deze rapportage laat bijvoorbeeld zien hoe de ebola-uitbraak in 2014 werd getraceerd tot aan patiënt nul in het afgelegen dorp Gueckedou, in het zuidoosten van Guinee.

    Serieuze analyse

    Wat nog belangrijker is, is dat zelfs zonder adequate tests, diagnose en rapportage sterftecijfers als gevolg van covid-19 op een schaal zoals we die in westerse landen zagen, in elk van de 54 landen van Afrika reden tot ongerustheid zouden zijn. Afrikanen leven niet alleen om te sterven!

    De kwestie die in het artikel in The New York Times wordt aangesneden, vraagt om een serieuze analyse: welke factoren dragen bij aan de ziekte- en sterftecijfers als gevolg van covid-19 in Afrikaanse landen? Waarom verschillen die van eerdere voorspellingen? Er zal een genuanceerd antwoord komen, gebaseerd op bewijs dat steeds veelvuldiger uit vroege wetenschappelijke analyses naar voren komt.

    Demografie – de jeugdige bevolking van Afrika – speelt hierbij wellicht een grote rol, maar deze wordt in het artikel slechts terloops genoemd. Effectieve tegenmaatregelen van regeringen kunnen eveneens veel verklaren, maar die worden volledig buiten beschouwing gelaten.

    Veel landen hebben in een vroeg stadium strikte lockdowns ingevoerd. Innovaties op het gebied van detectie, beheer en toeleveringsketens hebben de reactie van landen verbeterd. Rwanda gebruikt robots om te helpen bij de diagnose. Andere landen maken gebruik van robuuste gezondheidszorgsystemen om de gemeenschap essentiële zorg te kunnen blijven bieden.

    Een ongekende samenwerking op het hele continent, onder leiding van de Afrikaanse Unie, heeft ook bijgedragen

    Een ongekende samenwerking op het hele continent, onder leiding van de Afrikaanse Unie, heeft ook bijgedragen aan het versterken van testen, ziektebeheer, bevoorrading en momenteel de voorbereiding op vaccinatie.

    Deze en vele andere positieve verhalen halen nauwelijks de krantenkoppen in de reguliere westerse berichtgeving. Zoals Nanjala Nyabola opmerkt in de Boston Review: ‘Misschien zorgt de schaduw die het westerse imperialisme nog altijd op het continent werpt, voor de luie neiging om Afrika te bezien door de lens van de rampzalige ervaringen van de Verenigde Staten en Europa, waardoor de aanname wordt versterkt dat Afrika het Westen nabootst (…) in plaats van dat het zijn eigen traject volgt, op basis van regionale en nationale omstandigheden.’

    Applaus

    Landen in Afrika blijven lijden onder de directe en indirecte gevolgen van de pandemie. Sommige leiders hebben slecht werk geleverd bij het beheersen van de epidemie en elk land heeft te maken met ernstige sociaal-economische beperkingen. Maar mocht je dan toch willen generaliseren, dan zou een applaus voor een goed uitgevoerde klus gepaster zijn.

    Zolang de berichtgeving over Afrika en andere delen van het Globale Zuiden zich richt op een publiek dat hunkert naar een glimp van hoe anders de andere helft leeft (of sterft), zullen dergelijke artikelen blijven verschijnen. Wat met deze imperialistische visie verloren gaat, is niet te overzien. De waardigheid van de mensen van een heel continent. Grondige analyse en de vergelijking van verschillende benaderingen om mondiale problemen op te lossen. Het vermogen om van elkaar te leren. De kans om onszelf te zien als onderdeel van een geheel, eerder soortgelijk in onze menselijkheid dan onderling verschillend. En de mogelijkheid tot echt internationalisme.

    Openingsbeeld: voertuigen staan op donderdag 7 januari 2020 in de rij bij een drive-thrutestlocatie in het Zuid-Afrikaanse Pretoria.

  • Saoedi-Arabië is ons vijgenblad

    Saoedi-Arabië is ons vijgenblad

    Saoedi-Arabië wordt vaak gezien als bron van alle kwaad in de islamitische wereld. Maar wie van het land een zondebok maakt, ontslaat moslims van zelfkritiek, vindt een Marokkaanse journalist.

    Terrorisme? IS? Vervolging van minderheden en cultureel conservatisme? Allemaal de schuld van Saoedi-Arabië. Het koninkrijk is de bron van alle kwaad, het kwaad dat we nog niet kennen inbegrepen, dat is welbekend. Je vraagt je bijna af hoe men het een eeuw geleden klaarspeelde om misstanden te verklaren, want in die tijd was Riyad [de hoofdstad] niet meer dan een door woestijn ingesloten vorstendom.

    Irrationele ‘saoedifobie’ en blinde ‘saoedifilie’ bestaan naast elkaar. Van dat laatste verschijnsel kennen we de oorzaak, of menen we die te kennen: oliedollars hebben Riyad wereldwijd trouwe volgelingen opgeleverd. Wat de haat betreft die alleen al het woord ‘Saoedi-Arabië’ opwekt: die zou voortkomen uit het bondgenootschap van de Saoedi’s met westerse imperialisten, en uit hun hardnekkige homofobie en onderdrukking van vrouwen.

    Islamitisch reveil

    Deze kijk op de wereld schiet op zijn zachtst gezegd ernstig tekort. Hoe rijk en ondernemend het koninkrijk ook is, niet alle gebreken van de huidige islamitische wereld kunnen eraan worden toegeschreven. Waarom wordt dat dan toch zo gretig te pas en te onpas gedaan?

    Omdat een zondebok ons vrijwaart van zelfkritiek. Wanneer we van het wahabisme de belangrijkste bron van neurotisch islamitisch hyperconservatisme maken, de Saoedische politiek als enige oorzaak opvoeren voor de depolitisering van omringende landen, het Saoedische geld als voornaamste reden noemen voor het succes van de politieke islam, dan kopen we ons voor een zacht prijsje vrij van alle schuld aan wat er mis met de huidige Arabisch-islamitische samenlevingen en hoeven we geen tijd te besteden aan pijnlijk zelfonderzoek.

    Het brede religieuze reveil en de daaropvolgende strijd om culturele en sociale hegemonie die de islamisten met overige politieke krachten uitvochten, staan los van Saoedi-Arabië. Want dat stelde In de negentiende eeuw, toen deze strijd grotendeels zijn beslag kreeg, nog bitter weinig voor. De islamitische heropleving voltrok zich in Caïro, Damascus, Tripoli, Libanon. Het wahabisme – de religieuze doctrine van Saoedi-Arabië – is dan alleen nog een primitief en aan de rand van de islamitische wereld werkzaam onderdeel van deze heropleving.

    Riyad, de hoofdstad van Saoedie-Arabië, was een eeuw geleden  nog een door woestijn ingesloten vorstendom. – © Wikimedia
    Riyad, de hoofdstad van Saoedie-Arabië, was een eeuw geleden nog een door woestijn ingesloten vorstendom. – © Wikimedia

    In de negentiende eeuw waren noch de Syrisch-Egyptische salafisten en hun volgelingen in de Maghreb en op het Indiase subcontinent, noch de politieke activisten van de Moslimbroederschap (in 1928 in Egypte opgericht) Riyad ook maar een beetje schatplichtig. Het pad was al lang en breed door anderen geëffend toen de Saoedi’s in de jaren tachtig op financieel, cultureel en diplomatiek gebied wat in de melk te brokkelen kregen. De Saoedische en Qatarese financiële steun aan conservatieve sociale bewegingen was welkom, maar de sterke invloed van de islamisten op de islamitische wereld bestond al, en dus veranderde er weinig. Als er van Saoedisch succes sprake is, dan komt dat door een reeds aanwezige rot in de landen die het koninkrijk probeert te beïnvloeden. Een diepe rot. Ja, onze samenlevingen zijn gecorrumpeerd door Saoedisch geld: niet alleen omdat ze corrumpeerbaar waren, ze waren reeds gecorrumpeerd. Conservatisme is een lokaal verschijnsel. Riyad bood alleen een helpende hand. Lang is Saoedi-Arabië gezien als de gewapende en rechtschapen arm van de islam tegen liberale of communistische machinaties. Nu vervult het een andere rol: dat van vijgenblad voor onze eigen ondeugden.

    Auteur: Omar Saghi
    Vertaler: Carl Stellweg

    TelQuel
    Marokko | weekblad | oplage 20.000

    Franstalig tijdschrift dat zich onderscheidt van zijn concurrenten door ruim baan te geven aan taboeonderwerpen als seksualiteit en door afstand te nemen van partijpolitiek.