Tag: indianen

  • Marichuy geeft stem aan Mexicaanse indianen

    Marichuy geeft stem aan Mexicaanse indianen

    María de Jesús Patricio, ofwel Marichuy, wil president van Mexico worden. De kans dat dat lukt is vrij klein. Belangrijker is dat zij de inheemse bevolking van Mexico weer een stem geeft en de draad oppakt van Subcomandante Marcos en zijn Zapatistische Bevrijdingsleger.

    Evenals dat van de oorspronkelijke bewoners, van voor de Spaanse overheersing, is het leven van Marichuy (Chuy voor familie en vrienden) begonnen tussen het maïs. ‘Mijn vader was boer. Overdag werkte ik met hem op het land, ’s middags studeerde ik en ’s avonds hielp ik mijn moeder met de kleintjes.’ We spreken elkaar op het kantoor van de Concejo Indígena del Gobierno (Indiaanse Raad van de Regering) in Colonia Doctores, een wijk in Mexico-Stad. Om ons heen zitten raadsleden te ontbijten voordat de algemene vergadering begint. ’s Middags zal Marichuy haar intensieve rondgang langs de indiaanse gemeenschappen vervolgen, deze keer vertrekt ze richting de Golf van Mexico. Haar man, de advocaat Carlos González, die zich sterk maakt voor het behoud van indiaanse gemeenschapsgrond, luistert respectvol naar haar en komt alleen tussenbeide als zij hem naar een datum of de naam van een organisatie vraagt. Als Marichuys mobiel gaat kijkt ze naar het nummer op haar scherm en vraagt haar man welke deelstaat er belt. ‘Guerrero,’ antwoordt hij zonder blikken of blozen.

    Met een natuurlijke vanzelfsprekendheid pareert ze grappen en beantwoordt ze vragen zonder zich te verliezen in een web van woorden. Ik heb haar zien discussiëren tijdens een etentje met intellectuelen, zaken zien regelen bij een notaris, een massabijeenkomst zien bijwonen, ik heb haar zien terugkomen van een lange reis of op het punt staan te vertrekken. Haar natuurlijkheid valt lastig te rijmen met de politiek.

    Indiaanse Mexicanen

    Marichuy is geboren in Jalisco, geboortegrond van de grote Mexicaanse vertellers Juan Rulfo en Juan José Arreola. Ze spreekt zorgvuldig en zonder omhaal van woorden. Vaak zijn haar toespraken het kortst van alle toespraken tijdens haar campagne, zonder uitzondering door vrouwen gehouden. Ze heeft weinig woorden nodig om uit te leggen dat ze strijdt tegen de onderdrukking van de vrouw en de indiaanse bevolking; en tegen het kapitalisme, dat ervoor zorgde dat de indiaanse gemeenschapsgrond in handen kwam van een handjevol mensen.

    Kan een land van onderaf worden veranderd door de allerarmsten, over wie gezwegen wordt in de vaderlandse geschiedenis? Op de lagere school geeft men hoog op van de slimme oorlogvoering van de Azteken en het wiskundig vernuft van de Maya’s, maar noch hun talen, noch hun ontstaansgeschiedenis of hun gewoontes is onderwerp van studie. Het is nog erger: in het moderne Mexico wordt met geen woord over hen gerept, terwijl er meer dan tien miljoen indiaanse Mexicanen zijn.

    Hier moet het Zapatistisch Nationale Bevrijdingsleger (EZLN) worden genoemd, dat de wapens oppakte toen de NAFTA van kracht werd, het vrijhandelsverdrag tussen Mexico, Canada en de Verenigde Staten. Op 1 januari 1994 lanceerde president Carlos Salinas het vooruitstrevende idee van belastingvrije handel. De inheemse erfenis werd gezien als een periode die voorafgaat aan de vaderlandse geschiedenis, die thuishoort in musea voor volkenkunde en winkels met ambachtelijke spullen. Maar de Zapatistas keerden het tij en lieten zien dat de indianen wel degelijk bij de moderne tijd horen. ‘Nooit meer een Mexico zonder ons’, was hun leus.

    Marichuy op campagne met een escorte aan gemaskerde vrouwen in het Zapatistisch bolwerk Oventic in de zuidelijke deelstaat Chiapas. – © Eduardo Verdugo/HH
    Marichuy op campagne met een escorte aan gemaskerde vrouwen in het Zapatistisch bolwerk Oventic in de zuidelijke deelstaat Chiapas. – © Eduardo Verdugo/HH

    Op 14 oktober 2017 begon Marichuy haar tocht langs de vijf caracoles (schelpen), de autonome regeringscentra van de Zapatistas, waar ze steun kreeg van de Maya’s, de Tzotziles, Choles, Zoques, Tzeltales en de Mames, en de nieuwsgierigheid wekte van indiaanse stammen die zich tot dan toe afzijdig hadden gehouden. In het regenachtige La Garricja, het zonnige Palenque en het mistige Oventic dromden bivakmutsen, strooien hoeden en baseballpetjes samen om naar de indiaanse vrouwen te luisteren. Omdat de Zapatistas ervan overtuigd zijn dat verandering zonder kunst niet bestaat, worden de bijeenkomsten afgesloten met dans, theater en muziekoptredens.

    Wat Marichuy doet is nooit eerder vertoond. Niet eerder reisde een indiaanse vrouw, gesteund door 153 gemeenteraadsleden uit 52 indiaanse dorpen, door Mexico. Het land zal nooit meer hetzelfde zijn. ‘De indiaanse stem bestond niet, ze zagen ons alleen als boeren,’ zegt Marichuy. ‘De opstand van de Zapatistas in 1994 en het Nationaal Indiaans Congres van 1996 heeft daar verandering in gebracht.’

    Het in 1996 met de Zedillo-regering gesloten Verdrag van San Andrés, dat de autonomie van de indiaanse bevolking zou waarborgen zonder de staatssoevereiniteit in gevaar te brengen, is nooit in wetgeving omgezet. Geen enkele politieke partij nam het voor de indiaanse bevolking op. In 2001 deden de Zapatistas een laatste poging om heel Mexico naar hen te laten luisteren en organiseerden ze een lange mars van Chiapas naar de hoofdstad. In het Mexicaanse Congres pleitte commandant Esther ervoor dat de indianen als deel van Mexico zouden worden beschouwd. Ook Marichuy was een van de spreeksters. Zij drong er eveneens op aan dat het sociale pact waarin alle Mexicanen als gelijken worden beschouwd nieuw leven in geblazen zou worden. Maar hun woorden ketsten af op congresleden die meer oog hadden voor het spekken van hun eigen zakken.

    Toen de Zapatistas beseften dat de regering nooit hun eisen zou inwilligen, trokken ze zich terug op hun land, waar ze knokten voor hun dagelijks bestaan. Vanaf dat moment zijn de Zapatistas ‘verdwenen’, zoals het heet. Maar die uitspraak doet tekort aan het werk van Las Juntas de Buen Gobierno (raden van goed bestuur). In de caracoles organiseren ze seminars – die ze zelf liever semilleros (kweekplaatsen) noemen – en festivals, en publiceren ze boeken waarin ze aantonen dat een andere wereld wel degelijk mogelijk is. Een andere wereld die gek genoeg al bestaat in onze wereld.

    ‘Waarom laat je me de papieren niet zien, misschien heeft de pachtbaas zich wel vergist’

    Marichuys strijd tegen onrechtvaardigheid begon toen ze op het platteland tot een aantal inzichten kwam. Haar vader was mediero (pachter die de helft van zijn oogst afstaat aan de landeigenaar). Tot aan de dag van vandaag wordt dit archaïsche systeem van uitbating in Mexico toegepast. ‘Het was een jaar dat de maïsoogst erg goed was. Mijn vader rekende af met de pachtbaas en moest duizend peso bijbetalen. Sowieso hield de landeigenaar zich nooit aan de officiële prijs, maar nu was er wel heel veel maïs geoogst. Ik vond dat oneerlijk,’ vertelt Marichuy, die toen twaalf jaar oud was.

    Haar vader legde zich angstvallig neer bij wat de baas hem gaf en dronk zijn frustraties weg. Eenmaal dronken reageerde hij zich af op zijn kinderen (‘Hij leefde zich vooral uit op ons, de meisjes,’ aldus Marichuy). Maar toen ze twaalf was durfde ze voor het eerst tegen hem in te gaan: ‘Waarom laat je me de papieren niet zien, misschien heeft de pachtbaas zich wel vergist,’ zei ze tegen haar vader. Haar vader gaf haar de rekening en ze zag dat het de pachtbaas was die duizend peso moest betalen, niet andersom. ‘Ik zei tegen mijn vader: waarom vraagt u de baas niet of hij in maïs uitbetaalt zodat we te eten hebben?’ vertelt Marichuy. ‘De baas ging sputterend akkoord en gaf de maïs terug. Het was het laatste jaar dat mijn vader van hem mocht pachten. Toen realiseerde ik me dat hij zich niet had vergist, maar dat het opzet was geweest.’

    Haar vader vond dat ze moest trouwen en verbood haar na de lagere school verder te studeren. Met steun van haar moeder ging ze toch naar de middelbare school en bereidde zich stiekem voor op het toelatingsexamen van de universiteit.

    Haar kennismaking met het bisdom Antonio Andrade bleek doorslaggevend. De priester daar verkondigde de bevrijdingstheologie en zei in zijn preek: ‘Het evangelie verspreiden is werken.’ Zijn kerk stond in de maïsvelden en zijn preken strekten verder dan zieltjeswinnerij. ‘Organiseer je en kom op voor je rechten,’ hield hij zijn kerkgangers voor. Andrade werd niet de mond gesnoerd, maar wel overgeplaatst van het bisdom Guzmán naar San Gabriel.

    Zijn boodschap viel in vruchtbare aarde. ‘Ik realiseerde me dat we als stieren over de omheining moesten springen,’ glimlacht Marichuy. Haar eerste politieke beweging bestond uit twintig personen, van wie zij de jongste was. ‘We zetten een weg af om te protesteren tegen de maïsprijzen. Al snel groeide onze aanhang uit tot tweeduizend. Zelfs keuterboertjes wilden betere prijzen voor de maïs. Het leger kwam om ons weg te sturen. Een paar mensen wilden zich verzetten, maar wat konden we doen? De militairen waren gewapend. Ze stelden voor een afvaardiging mee te nemen in de helikopter, maar dat wilden we niet. We waren bang dat hen iets zou overkomen.’

    Als gevolg van het protest werden de prijzen iets aangepast, maar dat was niet genoeg. Hoe dan ook, het was een teken dat een gezamenlijke actie effect kon hebben.

    Boze oog

    Marichuy deed als enige van elf broertjes en zusjes toelatingsexamen op de universiteit en ging medicinale plantenkunde studeren. Haar tantes behandelden mensen met geneeskrachtige kruiden, en als kind zag ze hoe ze jonge zilverbladplantjes en munt gebruikten tegen diarree. In Juan Rulfo’s roman Pedro Páramo vindt Juan Preciado zijn moeders foto in een kom met wijnruit. Ik vraag Marichuy wat deze plant, die ik alleen van naam ken, geneest. ‘Mensen met het boze oog,’ zegt Marichuy. ‘De plant bevat veel elektrische lading,’ vult haar man aan. Ik denk aan de foto die het beroemdste personage van de Mexicaanse literatuur in zijn borstzakje draagt, dicht op zijn hart. De foto werd bewaard met planten die het boze oog bestrijden.

    ‘Veel mensen denken dat het boze oog bijgeloof is,’ aldus Carlos González, ‘maar het boze oog is een maagaandoening, vaak veroorzaakt door stress.’ De symptomen zijn een branderig gevoel in je maag, dat het ene oog kleiner wordt dan het andere, hoofdpijn, een warm hoofd, overgeven, diarree en duizeligheid. Wij stadsmensen, die de mond vol hebben van stress, denken dat het boze oog puur bijgeloof is.

    Decennialang heeft Marichuy mensen genezen van hun boze oog, angsten en indigestie. In het merendeel van de gevallen vraagt ze er niets voor. ‘Laat je je dan in natura betalen?’ vraag ik haar, ‘bijvoorbeeld met een kip?’ ‘Oei, nee,’ glimlacht ze, ‘dat is veel te veel! Soms een paar eieren, misschien.’

    Haar moeder was haar belangrijkste patiënt. Drie jaar lang was ze invalide, haar artsen hadden haar opgegeven. Marichuy behandelde haar met kompressen, tot ze weer kon lopen. Nu heeft ze zich voor de immense taak gesteld om het land weer op de been te helpen. Om zó’n zieke patiënt beter te maken zal er meer van stal moeten worden gehaald dan de blaadjes van de guamachilboom.


    ‘Wat ging er door je heen toen het Nationaal Indiaans Congres je verkoos tot woordvoerster?’ ‘Ik dacht dat het een grap was,’ antwoordt Marichuy. ‘Nou, ik niet,’ roept haar man uit.

    De vierenvijftigjarige Marichuy heeft veel verantwoordelijkheid op zich genomen. Een aantal maanden geleden zocht een groep Zapatista-vrouwen haar op in de Universidad de la Tierra in San Cristóbal de Las Casas. ‘We weten dat jij het kunt,’ zeiden ze tegen haar. ‘Veel van ons wisten niet eens hoe we moesten spreken, maar gaandeweg hebben we dat geleerd.’ Na deze steun in de rug sprak Marichuy met haar drie kinderen. ‘Dat kun je ons niet aandoen, mamma,’ was het eindoordeel. Ze waren bang dat haar iets zou worden aangedaan. ‘Ze zijn doodsbenauwd dat ik niet terugkom,’ zegt Marichuy, terwijl ze met neergeslagen ogen over haar onderarm krabt.

    Hun drie kinderen wonen nu bij familie in Estado de México. Haar man verdeelt zijn tijd tussen de campagnereizen van Marichuy, de bezoeken aan hun kinderen en de rechtszaken die hij voert in Nayarit, Jalisco, Michoacán en andere staten om gemeenschapsgronden terug te vorderen.

    Kun je hoop meten? Op 19 februari moet Marichuy 867.000 handtekeningen uit ten minste zeventien staten bij elkaar hebben verzameld, en uit elke staat moet dat 1 procent van de geregistreerde stemgerechtigden zijn. De politieke partijen hebben deze drempel opgeworpen voor onafhankelijke kandidaten. Feitelijk kunnen alleen kandidaten die logistiek hun zaakjes in orde hebben aan die voorwaarden voldoen, en zo krijgen alleen beroepspolitici een tweede kans.

    Op 9 november stond de teller bij Marichuy op 25.000 handtekeningen.

    In een land waar 81,7 procent van de bevolking slechts drie keer het minimumloon verdient, wil de Kiesraad dat er een maandsalaris naar het kopen van een mobiel gaat

    De Indiaanse Raad van de Regering, in wiens burelen het gesprek met Marichuy plaatsvond, werd opgericht om discriminatie tegen te gaan. De paradox is dat de indianen te maken krijgen met discriminerende regelgeving. De Kiesraad heeft een handtekeningenapp ontwikkeld die op een gangbare mobiel (kosten: vijfduizend peso; meer dan drie keer het minimumloon) moet worden gedownload. In een land waar 81,7 procent van de bevolking slechts drie keer het minimumloon verdient, wil de Kiesraad dat er een maandsalaris naar het kopen van een mobiel gaat.

    Bovendien gebeurt dit in een land waar niet elke regio beschikt over elektriciteit en een internetaansluiting. De app ‘Ciudadano’ (Burger) is ontwikkeld met technologie waar indianen geen toegang tot hebben. De meedingende partijen gingen akkoord met de voorwaarden, maar de app werkt niet naar behoren. Veel mobiels lopen vast en het duurt wel een half uur om een handtekening te registreren (in plaats van de beloofde vierenhalve minuut). Je hebt een bepaald soort licht nodig en de nummers en letters zijn niet nauwkeurig (de ‘S’ en de ‘5’ worden met elkaar verwisseld en moeten handmatig worden gecorrigeerd, wat weer vergissingen in de hand werkt).

    Deze democratie van ontregeling is uitgedacht door een heersende klasse die ver van het volk staat. Een aantal weken geleden zei minister van Onderwijs Aurelio Nuño, die zich voor de PRI (Partido Revolucionario Institucional, de Institutioneel Revolutionaire Partij) wil kandideren voor het presidentschap, dat hij zou willen dat Mexico Zuid-Korea was. Een andere PRI-aspirant-kandidaat, José Antonio Meade (ministerie van Financiën) presenteerde tijdens een lunch van het Colegio Nacional (Instituut voor Wetenschap, Letteren en Kunst) een model dat hij had afgekeken van de Amerikaanse National Football League.

    Het zoete vaderland

    Kan de toekomst bij de armen liggen? John Berger heeft ooit gezegd dat hoop doet leven voor wie niets heeft. Toen Gandhi protesteerde tegen de zoutbelasting wilde hij laten zien dat armoede hem kracht gaf: hij pakte een handvol zout en zei dat dit de fundamenten van het Brits imperium zou aantasten. Op die lijn zit het idee van de indianenbeweging dat hun zwakte hun kracht is.

    ‘Vaderland, verkoper van chiazaad’, schreef de dichter Ramón López Velarde. Het gedicht ‘La suave patria’ (Het zoete vaderland) is wonderbaarlijk genoeg uitgekomen: nu het uur van het volk heeft geslagen besluit Marichuy te laten zien wat het zaad waard is.

    Auteur: Juan Villoro
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    Villoro (Mexico, 1956) is een van de meest opvallende stemmen in de contemporaine Latijns-Amerikaanse literatuur. Hij schrijft met regelmaat opiniestukken voor Mexicaanse kranten en is vaste medewerker van El País.

    CONTEXT

    ‘De Mexicaanse Revolutie [die in 1910 begon met een opstand tegen het bewind van Porfirio Díaz (president van 1877-1880 en van 1884-1911 ) en eindigde met een nieuwe grondwet in 1917] heeft in het zuiden van Jalisco niet alles veranderd,’ zegt Carlos González. Hij is advocaat en heeft gegevens verzameld om meer inzicht te krijgen in de situatie op het platteland van de regio Guzmán. ‘De mediería is een feodaal systeem waar tijdens de grondwetdebatten in 1917 over werd gesproken. Onder het bewind van Porfirio Díaz kregen grootgrondbezitters de indiaanse gemeenschapslanden in handen. Na de Revolutie wilden de indianengemeenschappen hun land terug. Een deel ging naar de zogeheten ejidos (landbouwcoöperaties), maar een deel ook niet. Bijvoorbeeld het land van de Ayotitlán-indianen, zo’n 500.000 hectare waar ze sinds de landverdeling in 1595 en 1596 recht op hebben, zo staat in het Nationaal Archief. In 1921 werd een procedure gestart om het land terug te vorderen en in 1963 werd bepaald dat 50.000 hectare land van de indianen was en moest worden teruggegeven. Ze kregen slechts 30.000 hectare. De zaak loopt nog steeds en ligt nu bij de Hoge Raad.

    Over vier jaar is het honderd jaar geleden dat de zaak aanhangig werd gemaakt. Mexico is een roofstaat en Marichuy heeft zich voorgenomen dat te veranderen.

    CONTEXT: Verkiezingen

    Tot nog toe zijn er twee serieuze kandidaten voor de presidentsverkiezingen in Mexico op 1 juli. De verkiezingen mogen dan voor de vijfde keer op rij democratisch zijn, maar of het verloop dat ook zal zijn is volgens de meeste peilingen nog zeer de vraag. De reden is koploper Andrés Manuel López Obrador, linkse politicus en presidentskandidaat, beter bekend als AMLO, die met zijn onafhankelijke partij Morena een enorme achterban heeft.

    De kwestie is niet zozeer of López Obrador, de voormalige burgemeester van Mexico-Stad, zal winnen, maar veeleer of politieke rivalen en het bedrijfsleven en niet te vergeten de maffiabazen dat zullen toestaan. Het is de derde keer dat hij een gooi naar het presidentschap doet. Twee keer eerder aanvaardde hij de ‘frauduleuze resultaten’ niet.

    Proceso
    Mexico | weekblad | oplage 100.000

    Het Mexicaanse weekblad Proceso is in 1976 
ontstaan door journalistieke beknelling tijdens 
de regering van de omstreden president Luis 
Echeverría Álvarez. Echeverría zorgde ervoor dat de in 2015 overleden grand old man van de journalistiek Julio Scherer García destijds ontslagen werd bij het dagblad Excélsior. Dat had hij beter niet kunnen doen. Met de opbrengst van een door bevriende kunstenaars, schrijvers en fotografen georganiseerde veiling startte Scherer Proceso, tot op de dag van vandaag een van de weinige onafhankelijke en kritische weekbladen in Mexico. Proceso werd een broedplaats voor kritische 
journalisten die de wurggreep op informatie trotseerden, decennialang opgelegd door de heersende Institutioneel Revolutionaire Partij (PRI), en om te beginnen corrupte praktijken van emblematische figuren uit de politiek onthulden. Het succes van het tijdschrift moedigde andere publicaties aan meer onafhankelijk te opereren, wat bijdroeg aan de verkiezingsnederlaag van de PRI in 2000. Elena Poniatowska, een bekende Mexicaanse journalist en schrijver, vroeg zich in een hommage aan Scherer af of het zonder zijn ‘brandstichtende pen’ mogelijk is de realiteit van Mexico te begrijpen.

  • Een reis om Canada in 150 dagen

    Een reis om Canada in 150 dagen

    Ter ere van de 150ste verjaardag van Canada vaart een schip met driehonderd wetenschappers, kunstenaars, gemeenschapsleiders en andere Canadezen van alle mogelijke verschillende achtergronden in honderdvijftig dagen rond het land. Doel: verzoening met inheemse volkeren en het vieren van diversiteit.

    Een nieuwe dag van de reis rond Canada loopt ten einde. De Canada C3 ligt aangemeerd in Picton Harbour in Prince Edward County, in de provincie Ontario. De zon schijnt en het kalme water glinstert.

    De dronepiloot staat op het punt een van zijn machines de lucht in te sturen. De rubberboten brengen expeditieleden terug naar het schip na hun verkenningsrondes en het maken van publiciteit voor de reis.

    In de erfgoedhut, bestemd voor verzoening met de inheemse volkeren, zingt een rustige jongeman een Mohawk-lied en legt daarna de oorsprong en betekenis uit van het traditionele lacrossespel. Op het achterdek schenkt een plaatselijke wijnmaakster, die over de reis heeft gehoord en haar steentje wil bijdragen, bekers wijn in en legt uit hoe ze haar wijnstokken verzorgt. Ze doneert negen kisten.

    Bron: The Globe & Mail / Courrier international
    Bron: The Globe & Mail / Courrier international

    Het ‘Canada C3’-project begon met een simpel idee: in 150 dagen rond Canada varen om de 150ste verjaardag van het land te vieren. Een oude ijsbreker zal 
de 23.000 kilometer van Toronto naar Victoria afleggen via de Noordwest 
Passage, van kust naar kust naar kust. Vandaar ‘C3’. Maar de expeditie wil veel meer zijn dan alleen maar een maritiem avontuur of een verjaardagsfeestje. Expeditieleider Geoff Green wil de Canadese tongen niet alleen losmaken over de wonderen van het land en de wateren waardoor het wordt omringd, maar ook over de gebreken en de toekomst ervan.

    Een van de thema’s is verzoening met de inheemse volkeren. Het schip heeft een speciale erfgoedhut, die voorafgaand aan het vertrek is ingezegend door een inheemse voorganger. Een schildpadsymbool siert de scheepsschoorsteen: diverse inheemse volkeren noemen de wereld ‘Schildpadeiland’.

    Een ander thema is diversiteit. De expeditie heeft Canadezen met alle mogelijke verschillende achtergronden aan boord genood, om een zo groot mogelijke mix te bereiken. Tijdens een wandeling over het vasteland sprak een van oorsprong Filipijnse dichter van het gesproken woord met een countryzanger van de Westkust over het betrekken van een inheemse kunstenaar bij hun plan om een lied over de reis te schrijven.

    Inheems protest

    Geoff Green zegt dat toen inheemse leiders begonnen te protesteren dat 
ze niet wilden meedoen aan de viering van de honderdvijftigste verjaardag van een land dat zijn oorspronkelijke bevolking zo slecht had behandeld, ‘duidelijk werd dat we niet alleen maar van de daken konden schreeuwen hoe geweldig we zijn’.

    Daarom besloot hij meer mensen bij de expeditie te betrekken en het programma evenwichtiger te maken. Bijna vijfduizend mensen reageerden op de uitnodiging om deel te nemen aan een van de vijftien trajecten van de reis. Green en zijn team kozen er driehonderd uit: muzikanten en andere kunstenaars, wetenschappers, natuurkenners, 
gemeenschapsleiders, nieuwkomers in Canada, historici, ‘jeugdambassadeurs’ en inheemse voorgangers.

    Tot de groep van het eerste traject, van Toronto naar Montreal, behoort: een visserijexpert met een grote liefde voor palingen die iedereen aan boord een tattoosticker van een paling overhandigt, iemand van de grensbewaking die als hobby mooie whisky’s recenseert, een schipper die met walvissen zwemt en ooit met een catamaran van vijfenhalve meter lang door de Noordwest Passage heeft gezeild, een sprankelende, natuurminnende onderwijzeres uit Calgary en een student Internationale Ontwikkeling die betrokken is bij een schoonwaterprogramma in Jemen. Om nog maar te zwijgen van de vaste bemanning van het schip, een verzameling types die veelal uit Newfoundland komen en luisteren naar bijnamen als Mud Trout, Angry Bird en Flower. Green zelf is een expeditie-veteraan die 92 reizen naar Antarctica heeft ondernomen, zo’n 40 naar het noordpoolgebied en ook talrijke bezoeken aan andere uithoeken van de wereld heeft gebracht. Hij is oprichter van de Students on Ice Foundation, die educatieve reizen naar het noordpoolgebied en Antarctica organiseert.

    Toen ze bedachten wat ze voor de 
honderdvijftigste verjaardag moesten doen, hingen hij en zijn team een kaart van Canada aan de muur. Ze maakten wat snelle berekeningen en concludeerden dat het 148 dagen zou kosten om de drie kusten aan te doen. Waarom zouden ze daar geen rond getal van 150 van maken? ‘Vergeet die honderdvijftigste verjaardag, ik vond dat we iets nodig hadden wat zou inspelen op hoe mensen over het land denken,’ zegt hij. ‘Niet alleen op de schoonheid ervan, maar op alles wat we verder nog hebben: de mensen, 
de cultuur, de natuur, de geschiedenis, 
de wetenschap.’

    Om de expeditie voor te bereiden was men maandenlang bezig om geld in te zamelen, te lobbyen en te plannen wie wanneer waarnaartoe zou gaan. 
De kosten bedragen zo’n tien miljoen Canadese dollar, waarvan 60 procent van de regering komt en de rest van talrijke privésponsors.

    1. Bij de Pessamit-indianen; 2. Op Anticosti (© Jo-Ann Wilkins); 3. Expeditieleider Geo Green; 4. De C3 (© Mike Sudoma).
    1. Bij de Pessamit-indianen; 2. Op Anticosti (© Jo-Ann Wilkins); 3. Expeditieleider Geo Green; 4. De C3 (© Mike Sudoma).

    Greens eerste taak was het vinden 
van een schip dat sterk genoeg was 
om door de Noordwest Passage te varen en groot genoeg voor zo’n zestig bemanningsleden. Dat viel niet mee. De Canadese kustwacht had geen 
schepen over. Varen onder een buitenlandse vlag leek verkeerd. Ten slotte vond hij een voormalige ijsbreker van de kustwacht die assisteerde in de Atlantische olievelden voor de kust van Newfoundland.

    Dit drijvende fort blijkt perfect voor de reis. De oude helikopterhangar is omgetoverd tot een ontmoetingsruimte en lezingenzaal, met een kano van berkenschors aan het plafond. Voor middernachtelijke jamsessies door de diverse gitaristen en andere muzikanten aan boord moet je naar de bemanningsruimte.

    Op het dek zijn grote zwarte rubber-boten vastgesjord, die in het water worden neergelaten om expeditieleden naar het vasteland en terug te brengen. In een scheepscontainer is een laboratorium gevestigd voor de zich aan boord bevindende wetenschappers. Met een bolvormige satelliet beschikt het schip over de modernste technologie die het team nodig heeft om het verhaal van de reis via video, sociale media, podcasts en andere platforms te verspreiden. Zes drones staan klaar om te filmen wat er gebeurt. De lading omvat tweeduizend ijshockeysticks om uit te delen aan gemeenschappen in Noord-Canada waarnaar de C3 op donderdagavond koers zet vanaf een kade in de haven van Toronto, toegejuicht door een enthousiaste menigte en na een behouden vaart te zijn toegewenst door Elizabeth Dowdeswell, de vicegouverneur van Ontario. Voordat hij aan boord ging voor de tien dagen durende reis naar Montreal hield Geoff Green een houten model in de lucht van de hoofpersoon van Holling Clancy’s geïllustreerde kinderboek Paddle to the Sea, die vanaf de punt van het Bovenmeer via de Grote Meren helemaal naar de Atlantische Oceaan kanoot. Green beloofde dat hij Paddle in het water van alle drie de kusten zou dopen.

    Soms voelt de expeditie als een zomerkamp voor volwassenen – vol omhelzingen, blijmoedigheid, groepsontbijten en de gebruikelijke ongelukjes

    De Canada C3 verliet de kade en voer langzaam in de richting van het Ontariomeer terwijl de avond viel en de lichtjes van de skyline van Toronto begonnen te flonkeren. De volgende ochtend bevond het schip zich voor de kust van de False Duck-eilanden aan de oostkant van het Ontariomeer, waar wetenschappers watermonsters namen. Vandaar voer het de Adolphus Reach op, naar de eerste stop tijdens zijn lange reis: Picton.

    De expeditieleden kregen een warme ontvangst en een al even warme avondmaaltijd in de Prince Edward Yacht Club, waar een Mohawk-opperhoofd een gebed uitsprak, de burgemeester een toespraak hield en de voorzitter van de club Green verblijdde met de driehoekige clubvlag om zijn schip mee te tooien. De vijftigjarige Green genoot van de ontvangst en zei dat het eindelijk tot hem doordrong dat de reis was begonnen. Zijn kinderen, Fletcher van negen en Nellie van zes, klampten zich vast aan zijn been terwijl hij sprak.

    De volgende dag stond in het teken van een bezoek aan de kaasmarkt van Picton, een wandeling met een gids door het Sandbanks Provincial Park en een tripje met de palingliefhebber om te zien hoe bedreigde Amerikaanse palingen met elektronische zendertjes werden uitgerust.

    Ook al lijken de doelstellingen van de reis, zoals het genezen van oude wonden, integratie, milieubewustzijn en het aanspreken van de jeugd, misschien ambitieus en zwaar – Justin Trudeau zou een prima bemanningslid zijn geweest – toch wordt het nooit potsierlijk. Soms voelt de expeditie als een zomerkamp voor volwassenen – vol omhelzingen, blijmoedigheid, groepsontbijten en de gebruikelijke ongelukjes.

    Op zaterdag had een van de deelnemers, een jonge vrouw, een beugel en krukken nodig nadat ze haar been had bezeerd; een ander expeditielid moest naar het ziekenhuis vanwege een allergische reactie op iets wat hij had gegeten. Daarna begonnen zich rijen voor de scheepstoiletten te vormen.

    Ook kan het gebeuren dat de stemming omslaat en er emoties opwellen. Een vrouw uit Yelllowknife vertelde een groep die zich in de hangar had verzameld over haar vader die veertien jaar op kostschool had gezeten, ver van zijn familie, en die na haar geboorte gestopt was met drinken om haar fatsoenlijk te kunnen grootbrengen. Die zondag namen de expeditieleden in Kingston deel aan het traditionele KAIROS-evenement, waarbij de deelnemers op dekens moeten gaan staan die de landen van de inheemse volkeren voorstellen; naarmate er meer Europese pioniers neerstrijken, neemt het aantal dekens geleidelijk af, net als destijds het land en de inheemse bevolking.

    Dit is misschien waar Geoff Green op hoopte, een kans om je te verwonderen over de pracht van een door water omzoomd land, en tegelijkertijd stil te staan bij de pijnlijke complexiteit van de geschiedenis. Wat begon als een avontuurlijke reis is gaandeweg een veel belangrijkere expeditie aan het worden.

    Auteur: Marcus Gee

    The Globe and Mail
    Canada | dagblad | oplage 321.000

    Gelezen van oceaan tot oceaan, serieus en niet-geëngageerd; deze krant uit Toronto is het toonaangevende dagblad in Canada.

  • De getekende vrouw

    De getekende vrouw

    In het begin van de vorige eeuw werden de leden van de Osage-indianenstam plotseling schatrijk, toen er olie werd ontdekt onder hun reservaat in Oklahoma. Niet lang daarna werden tientallen van hen op mysterieuze wijze vermoord. In 1923 kreeg de voorloper van de FBI opdracht om de zaak te onderzoeken. Bijna een eeuw later ontdekte New Yorker-journalist David Grann dat de moorden nog veel omvangrijker waren dan de FBI destijds naar buiten bracht. In deze voorpublicatie uit zijn boek De maand van de bloemendoder maken we kennis met de Osage-vrouw en haar familie, die de belangrijkste slachtoffers werden van de samenzwering.

    In april raken de heuvels en de uitgestrekte vlakten van het deel van Oklahoma waar de Osage-indianen wonen overdekt met miljoenen kleine bloemen: viooltjes en winterpostelein en kleine korenbloemen. De schrijver John Joseph Mathews (1894-1979), zelf een Osage, moest bij deze oceaan van kleuren denken aan ‘goden die confetti hadden uitgestrooid’. Als in mei de coyotes huilen onder een verontrustend grote maan, komen grotere planten, zoals eendagsbloem en suzanne-met-de-mooie-ogen op en beroven de plantjes van hun licht en water. De steeltjes van de bloemen knakken, de bloemblaadjes dwarrelen weg en kort daarna zijn de plantjes alleen nog onder de grond aanwezig. Daarom wordt de maand mei door de Osage-indianen betiteld als ‘tijd van de bloemendodende maan’.

    Op 24 mei 1921 begon Mollie Burkhart, een bewoner van de Osage-nederzetting Gray Horse, te vermoeden dat Anna Brown, een van haar drie zusters, iets was overkomen. Anna, vierendertig, minder dan een jaar ouder dan Mollie, was drie dagen daarvoor verdwenen. Ze was wel vaker ‘de hort op gegaan’, zoals haar familie het afkeurend aanduidde. Dan ging ze tot het eind van de nacht met vrienden dansen en drinken. Maar dit keer was ze helemaal niet thuisgekomen, en de dag daarop stond Anna ook niet zoals ze anders altijd deed op de veranda van Mollies huis, haar lange haar een beetje in de war en haar donkere ogen glanzend als glas. Binnen deed Anna graag haar schoenen uit, en Mollie miste het vertrouwde geluid van haar ongehaaste tred door het huis. Daar heerste nu een even diepe stilte als op de prairie. Drie jaar daarvoor was Mollie al haar zuster Minnie kwijtgeraakt. Die was choquerend snel verzwakt en toen overleden.

    De artsen hadden het over ‘een ziekte waardoor ze snel was weggekwijnd’, maar Mollie had zo haar twijfels. Minnie was pas zevenentwintig, en altijd kerngezond geweest.

    Het kan verkeren

    Net als hun ouders waren de namen van Minnie en haar zusters opgenomen in de Osage Roll, en daardoor waren ze officieel geregistreerd als lid van de stam. Het betekende ook dat ze een enorm bedrag bezaten. Kort na 1870 waren de Osage uit hun woongebied in Kansas verdreven en ondergebracht in een rotsachtig, naar iedereen dacht waardeloos reservaat in het noordoosten van Oklahoma. Maar tientallen jaren later ontdekte men dat onder dat land een van de grootste olievoorraden van de Verenigde Staten lag. Om die olie te mogen winnen, moesten bedrijven de Osage betalen: eerst een exploitatievergunning en daarna royalty’s. In het begin van de twintigste eeuw kreeg iedereen die als lid van de stam geregistreerd stond voor het eerst elk kwartaal een bedrag. In eerste instantie was dat maar een paar dollar, maar later, toen er steeds meer olie werd gewonnen, werden dat honderden en nog later duizenden dollars. Vrijwel elk jaar liep het bedrag verder op, als de prairiebeekjes die samen de brede, modderige Cimarro vormen, tot de stamleden vele miljoenen dollars aan inkomsten genoten. Alleen in 1923 al kwam er meer dan dertig miljoen binnen, qua koopkracht het equivalent van meer dan vierhonderd miljoen dollar nu. De Osage waren per hoofd van de bevolking het rijkste volk ter wereld.

    ‘Het kan verkeren!’ schreef Outlook, een weekblad in New York. ‘In plaats van honger te lijden geniet de indiaan een royaal inkomen, dat bankiers groen doet zien van jaloezie.’

    Het Amerikaanse publiek raakte gefascineerd door de voorspoed van de stam, die in schril contrast stond met de gebruikelijke beelden van indianen na de eerste gewelddadige contacten met blanken – de oerzonde waaruit het land was ontstaan. Journalisten kwamen met spannende reportages over de ‘plutocratische Osage’ en de ‘rode miljonairs’ met hun uit baksteen opgetrokken landhuizen, kristallen kroonluchters, diamanten ringen, bontjassen en auto’s, mét chauffeur. Een van hen verbaasde zich over de meisjes van de Osage, die naar de chicste kostscholen gingen en de mooiste mode uit Parijs droegen, ‘alsof une très jolie mademoiselle van de Parijse boulevards per ongeluk in dit plaatsje in een indiaans reservaat was beland’.

    Journalisten schreven ook over alles wat aan het traditionele bestaan van de Osage deed denken, en bij de lezers een beeld kon oproepen van ‘wilde’ indianen. In een artikel stond: ‘Dure auto’s staan in een kring om een open kampvuur heen, waarop de gebronsde, in kleurige dekens gehulde eigenaars op primitieve wijze vlees bereiden.’ In een ander meldde de journalist dat een groep Osage in een privévliegtuig arriveerde om deel te nemen aan een dansceremonie – ‘een voorval dat een romanschrijver nog niet zou kunnen verzinnen’.

    De verwarring die de Osage opriepen bij het algemene publiek werd puntig verwoord door de Washington Star, die schreef: ‘In plaats van “Ach, arme indiaan”, kunnen we beter zeggen “Lach, rijke indiaan”.’

    Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images
    Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images

    Gray Horse was een van de oudste nederzettingen van het reservaat. Samen met Fairfax, niet ver daar vandaan en met bijna vijftienhonderd inwoners wat groter, en Pawhuska, de hoofdstad, met meer dan zesduizend inwoners, bood het een wonderlijk en kakelbont beeld. Op straat liep van alles door elkaar: cowboys, gelukszoekers, stokers van illegale drank, waarzeggers, medicijnmannen, outlaws, U.S. Marshals, financiers uit New York en oliebaronnen. Waar eerst paarden hadden gelopen, reden nu auto’s over verharde wegen, en de geur van benzine overstemde die van de prairie. Rijen kraaien tuurden omlaag van telefoondraden. Er waren koffiehuizen en operatheaters en polovelden.

    Al gaf Mollie haar geld wat minder royaal uit dan sommige van haar buren, ze had toch een mooi, ruim, houten huis laten bouwen, niet ver van de oude hut van de familie, die nog was opgetrokken uit met touw aan elkaar gebonden palen, geweven matten en boombast. Ze had een aantal auto’s en ook het nodige personeel. ‘Pottenlikkers van de indianen’, dat was de denigrerende term die veel kolonisten gebruikten voor dat personeel. Meestal waren het migranten: zwarten of Mexicanen, hoewel in het begin van de jaren twintig een bezoeker van het reservaat ontsteld meldde dat ‘zelfs blanken alle huishoudelijke taken vervullen waartoe een Osage zich niet wenst te verlagen’.

    ‘Squaw man’

    Mollie was een van de laatsten die Anna voor haar verdwijning hadden gezien. Die dag, 21 mei, was Mollie kort nadat het licht was geworden opgestaan, een gewoonte die ze had overgehouden aan de tijd waarin haar vader elke ochtend bad tot de zon. Ze was gewend aan het koor van veldleeuweriken en oeverlopers en prairiehoenders, nu doorschoten door het pok-pok van boren die zich door de aarde groeven. Anders dan veel vriendinnen, die Osage-kleding hadden afgezworen en hun haar kort droegen, naar de mode van die tijd, sloeg Mollie een deken om haar schouders en liet haar lange haar over haar rug vallen. Daardoor was haar markante gezicht, met zijn hoge jukbeenderen en bruine ogen, goed te zien.

    Haar man, Ernest Burkhart, stond tegelijk met haar op. Burkhart, een blanke man van achtentwintig, had het wat clichématig knappe voorkomen van een figurant in een western: kort bruin haar, leisteenblauwe ogen en een vierkante kin. Alleen zijn neus speelde het spel niet mee; die zag eruit alsof hij bij een vechtpartij een paar klappen had gekregen. Hij was opgegroeid in Texas, waar zijn vader een arme katoenboer was geweest en was in de ban geraakt van de verhalen over de Osage Hills, een laatste restant van het Wilde Westen, waar, zei men, nog steeds cowboys en indianen rondzwierven.

    In 1912, toen hij negentien was, had hij wat spullen bij elkaar gepakt, net als Huckleberry Finn die op avontuur gaat in het Territory, en was hij in Fairfax gaan wonen, bij zijn oom William K. Hale, een dominante veehouder. ‘Die was niet het soort man dat je vroeg of je iets wilde doen, maar je gewoon iets opdroeg,’ zei Burkhart een keer over Hale. Toch werd die zijn tweede vader. Burkhart deed vooral klussen voor Hale, maar werkte ook weleens als chauffeur. Zo had hij Mollie ontmoet.

    Hij greep iets te vaak naar een fles illegale drank en pokerde graag met mannen die een twijfelachtige reputatie genoten, maar onder dat ruige uiterlijk leek ook tederheid en een zweem onzekerheid te zitten, en Mollie werd verliefd op hem. Mollies moedertaal was Osage, al had ze later op school ook wat Engels geleerd, maar Burkhart studeerde net zo lang op haar taal tot hij erin kon communiceren.

    Mollie had diabetes en hij zorgde voor haar als haar gewrichten pijn deden en ze rammelde van de honger. Toen hij hoorde dat een ander een oogje op haar had, mompelde hij dat hij niet zonder haar kon. Toch viel het hun niet gemakkelijk om te trouwen. Burkharts ruige vrienden lachten hem uit omdat hij een ‘squaw man’ was geworden. En al waren de drie zussen van Mollie met blanke mannen getrouwd, zij was principieel voor een gearrangeerd huwelijk, zoals haar ouders hadden gehad.

    Toch vond Mollie, wier familie een geloof beleed dat een mix was van Osage-tradities en katholieke overtuigingen, dat God haar niet eerst liefde kon geven om die daarna weer af te pakken, en dus werden in 1917 ringen uitgewisseld en beloofden zij en Ernest elkaar tot in eeuwigheid lief te hebben.

    In 1921 hadden ze een dochter van twee, Elizabeth, en een zoon van acht maanden, James, die ze Cowboy noemden. Mollie zorgde ook voor haar oude moeder Lizzie, die bij haar dochter was ingetrokken nadat haar man was overleden. Omdat Mollie diabetes had, was Lizzie bang dat ze jong zou komen te overlijden, en dus smeekte ze haar andere kinderen om dan de zorg over te nemen. Maar in werkelijkheid zorgde Mollie voor iedereen.

    Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan

    21 mei had een mooie dag moeten worden voor MoIlie. Ze had een bescheiden lunch georganiseerd, omdat ze graag gasten ontving. Nadat ze zich had aangekleed, gaf ze de kinderen te eten. Cowboy had vaak ernstige oorpijn, en dan blies ze in zijn oren tot hij ophield met huilen. Mollie zorgde dat haar huis keurig op orde was en dus instrueerde ze het personeel tot iedereen druk bezig was en het hele huis net zo rumoerig was als een schip dat net heeft aangelegd – op Lizzie na, die ziek was en in bed was gebleven. Mollie vroeg Ernest om Anna te bellen en te vragen of ze voor de verandering zin had om te helpen met het verzorgen van Lizzie. Anna was het oudste kind en haar moeder had een bijzonder plekje in haar hart voor haar. Ook al zorgde Mollie voor Lizzie, Anna was de dochter die door haar moeder werd verwend, ondanks haar vaak stormachtige leven.

    Toen Ernest Anna opbelde met de mededeling dat haar moeder haar nodig had, beloofde die meteen een taxi te bellen en kort daarop was ze er al. Ze had een rok aan met daarop een indiaanse deken in een bijpassende kleur, en rode schoenen. In haar hand had ze een tas van alligatorleer. Voordat ze het huis betrad, had ze haastig haar verwaaide haar gekamd en haar gezicht gepoederd. Maar Mollie zag dat ze onvast op haar benen stond en met dubbele tong praatte. Anna was dronken.

    Mollie maakte geen geheim van haar misnoegen. Een aantal gasten was er al. Onder hen waren twee broers van Ernest, Bryan en Horace Burkhart, die, aangetrokken door het zwarte goud, naar Osage County waren verhuisd en Hale vaak hielpen op diens ranch. Een tante van Ernest, die maar al te vaak racistische dingen zei over indianen, was ook op bezoek, en het laatste wat Mollie wilde, was wel dat Anna de oude dragonder reden tot gemopper zou geven.

    Anna deed haar schoenen uit en begon meteen een scène te maken. Ze haalde een flacon uit haar tas en schroefde de dop eraf, zodat de scherpe lucht van illegaal gestookte whisky vrijkwam. Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan.

    Mollie wist dat Anna het de laatste tijd erg moeilijk had gehad. Ze was kort daarvoor gescheiden van haar echtgenoot, Oda Brown, die een stalhouderij had. Daarna was ze steeds vaker te vinden in de rumoerige boomtowns van het reservaat die meteen na de ontdekking van de olie waren ontstaan. Plaatsen als Whizbang, waar, werd gezegd, de hele dag werd besteed aan ‘whizzen’ (zuipen) en de hele nacht aan ‘bangen’ (neuken). ‘Hier zijn alle mogelijke soorten losbandigheid en zedelijk verderf aan aan te treffen,’ meldde een overheidsrapport. ‘Gokken, drinken, overspel, leugens, diefstal en moord.’ Anna was in de ban geraakt van de panden aan het donkerste eind van de straten. Vanbuiten oogden ze keurig, maar er zaten verborgen kamers in met tientallen flessen moonshine, zoals illegale drank werd genoemd. Een van haar bedienden vertelde de autoriteiten later dat Anna heel veel whisky dronk en ‘zich tegenover blanke mannen zeer lichtzinnig gedroeg’.

    In het huis van Mollie begon Anna te flirten met Ernests jongste broer Bryan, met wie ze wel eens was uitgegaan. Hij was wat somberder van aard dan Ernest en had ondoorgrondelijke ogen met gele vlekjes erin en dunner wordend haar, dat hij met pommade achterover kamde. Een sheriff die hem kende, beschreef hem als een kleine rouwdouw. Toen Bryan een van de meisjes die bij de lunch bedienden vroeg of ze zin had om die avond met hem mee te gaan naar een dansfeest, zei Anna dat ze hem zou vermoorden als hij wat uithaalde met een andere vrouw.

    Ondertussen zei de tante van Ernest, zo hard dat iedereen het kon horen, hoe vreselijk ze het vond dat haar neef met een roodhuid was getrouwd. Daar kon Mollie niet meteen iets tegen inbrengen, omdat de tante door een blank meisje werd bediend, een allesbehalve subtiele verwijzing naar de maatschappelijke verhoudingen binnen het stadje.

    Anna bleef stennis schoppen. Ze maakte ruzie met de gasten, met haar moeder, met Mollie. ‘Ze liep alleen maar te drinken en ruzie te maken,’ zei een bediende later tegen de autoriteiten. ‘Ik kon haar taal niet verstaan, maar ze had steeds mot.’ En ze voegde eraan toe: ‘Het gedrag van Anna was bar en boos. Ik werd er bang van.’

    Die avond wilde Mollie voor haar moeder zorgen. Ernest zou met de gasten naar Fairfax rijden, acht kilometer naar het noordwesten. Daar zouden ze samen met Hale naar Bringing Up Father gaan, een rondreizende musical over een arme Ierse immigrant, die miljoenen wint in een loterij en daarna probeert om chique kringen binnen te komen. Bryan had een cowboyhoed opgezet, en zijn katachtige ogen keken vanonder de brede rand naar buiten. Hij bood Anna aan om haar bij haar huis af te zetten.
    Voor ze vertrokken, waste Mollie Anna’s kleren, gaf haar iets te eten en vergewiste zich ervan dat haar zuster voldoende was ontnuchterd om weer herkenbaar te zijn als haar zus, opgewekt en aardig. Zo konden ze even plezierig samen zijn. Toen nam Anna afscheid. Door haar lach schitterde het goud van een vulling.

    gettyimages 120317028

    Met elke nacht die verstreek, werd de onrust van Mollie groter. Bryan zei dat hij Anna meteen bij haar huis had afgezet voor hij was doorgereden naar de voorstelling. Na de derde nacht zette Mollie op haar kalme, maar resolute manier iedereen aan het werk. Ze stuurde Ernest naar Anna’s huis. Hij probeerde de voordeur. Die zat op slot. Toen hij door een raam keek, leek het huis donker en verlaten.

    Daar stond hij dan, in de hitte. Een paar dagen daarvoor was er een verkoelende regenbui gevallen, maar daarna straalde de hitte van de zon weer meedogenloos tussen de takken van de zwarte eiken door. In deze tijd van het jaar trilde de lucht boven de prairie van de warmte en kraakte het gras als je eroverheen liep. In de verte, door het sidderende licht, kon je de skeletachtige vormen van boortorens onderscheiden.

    Anna’s hoofd van de huishouding, die naast haar woonde, kwam naar buiten en Ernest vroeg: ‘Weet jij waar Anna is?’ Voor de regenbui, zei de vrouw, was ze naar Anna’s huis gelopen om openstaande ramen dicht te doen. ‘De regen zou naar binnen kunnen slaan,’ zei ze ter verklaring. Maar de deur was op slot en van Anna was geen spoor te bekennen. Ze was verdwenen.

    Het nieuws van haar verdwijning deed snel de ronde in de boomtowns, van huis tot huis, van winkel tot winkel. Wat de onrust nog versterkte, waren verhalen dat nog een Osage, Charles Whitehorn, een week eerder was verdwenen. Whitehorn, een man van dertig, sympathiek en geestig, was getrouwd met een vrouw die voor een deel blank en voor een deel Cheyenne was. Een plaatselijke krant meldde ‘dat hij populair was bij de blanken én de leden van zijn stam’. Op 14 mei vertrok hij uit zijn huis, in het zuidwesten van het reservaat, om naar Pawhuska te gaan. Hij was niet meer thuisgekomen.

    Toch was er nog geen reden tot paniek. Het was denkbaar dat Anna haar huis weer was uitgelopen nadat Bryan haar daar had afgezet en naar Oklahoma City was gegaan, of zelfs de staatsgrens was overgestoken, naar het bruisende Kansas City. Misschien was ze wel aan het dansen in een van de jazzclubs waar ze graag kwam, en was ze onwetend van de chaos die door haar verdwijning was ontstaan. En ook al was ze in de problemen gekomen, ze was niet voor een kleintje vervaard: vaak had ze een klein pistool in haar tas. Nog even geduld, dan is ze weer thuis, zei Ernest geruststellend tegen Mollie.

    Opeens gilde hij: “Pap!” Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: “Daar ligt een dode”

    Een week nadat Anna was verdwenen liep een oliearbeider anderhalve kilometer van Pawhuska over een heuvel toen hij bij de onderkant van een boortoren iets tussen de struiken uit zag steken. Hij liep erheen. Het was een rottend lijk, met twee kogelgaten tussen de ogen. Het slachtoffer was van dichtbij neergeschoten.

    Het was warm en nat en lawaaierig op de heuvel. De grond schokte van het geweld waarmee boren zich door het leisteensediment vraten, en jaknikkers zwaaiden hun grote koppen op en neer. Andere mensen kwamen ook kijken bij het lichaam, dat in zo verregaande staat van ontbinding was dat het niet meer kon worden geïdentificeerd. In een van de zakken zat een brief. Iemand haalde hem eruit, streek hem glad en las hem. Hij was gericht aan Charles Whitehorn, en daardoor wisten ze dat hij het was.

    Rond dezelfde tijd was een man bij Three Mile Creek, niet ver van Fairfax, op eekhoorns aan het jagen, samen met zijn zoon, een tiener, en een vriend. Terwijl de twee mannen uit een beek dronken zag de jongen een eekhoorn en haalde de trekker over. Een felle, hete flits en de jongen zag het dier levenloos uit de boom vallen, in een dal. Hij rende erheen en klauterde langs de helling omlaag, het dal in, waar de lucht zwaarder was en hij het fluisteren van een stroompje kon horen. Hij vond de eekhoorn en raapte hem op. Opeens gilde hij: ‘Pap!’ Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: ‘Daar ligt een dode.’

    Het was het opgezwollen, in staat van ontbinding verkerende lichaam van zo te zien een indiaanse vrouw. Ze lag op haar rug, met haar haar in de modder en haar lege ogen op de hemel gericht. Insecten hadden het lichaam aangevreten.

    De mannen en de jongen haastten zich naar hun kar en gaven de paarden de vrije teugel. Het stof van de prairie kolkte om hen heen. Toen ze de hoofdstraat van Fairfax hadden bereikt, konden ze daar geen lawman* vinden, en dus gingen ze naar de Big Hill Trading Company, een grote winkel die tevens begrafenissen verzorgde. Tegen de eigenaar, Scott Mathis, vertelden ze wat ze hadden gezien en die liet de man komen die de begrafenissen deed. Met een aantal anderen reed deze naar het dal. Daar bonden ze het lijk op een plank en sleepten het naar boven. Daarna legden ze het in een kist, in de schaduw van een zwarte eik. Toen het opgezwollen lijk werd bedekt met zout en ijs, begon het te slinken, alsof het laatste beetje leven eruit lekte. De begrafenisman probeerde vast te stellen of het om Anna Brown ging, want die had hij gekend. ‘Het lichaam was in verregaande staat van ontbinding, zo sterk opgezwollen dat het op barsten stond en rook zeer kwalijk,’ herinnerde hij zich later. ‘Het was zo zwart als een nikker.’

    Duisternis

    Hij en de andere mannen konden het niet identificeren. Maar Mathis, die Anna’s financiën regelde, nam contact op met Mollie en die ging naar het bos, aan het hoofd van een sombere groep, waarvan ook Ernest, Bryan, Mollies zus Rita en Rita’s man Bill Smith deel uitmaakten. Veel mensen die Anna hadden gekend, kwamen achter hen aan, en ook de nodige ramptoeristen. Kelsie Morrison, een van de beruchtste drankstokers en drugshandelaren van het district, nam zijn vrouw, een Osage, mee.

    Mollie en Rita bleven vlak naast het lijk staan. De stank was adembenemend. Boven hen draaiden gieren obsceen rondjes. Het viel de twee vrouwen niet gemakkelijk om vast te stellen of het om Anna ging – het gezicht was goeddeels weggevreten – maar ze herkenden haar indiaanse deken en de kleren die Mollie voor haar had gewassen. Toen pakte Rita’s man een stok en duwde de mond open. Daardoor konden ze Anna’s gouden vullingen zien. ‘Dat is Anna, zeker weten,’ zei Bill.

    Rita begon te huilen en haar man nam haar mee. Uiteindelijk mimede Mollie het woord ‘ja’. Het was Anna. Binnen de familie was Mollie altijd degene die haar zelfbeheersing wist te bewaren en ook nu liep ze samen met Ernest bij het lichaam weg. Wat daar achterbleef, was de eerste aanzet van een duisternis die niet alleen haar familie zou dreigen te verslinden, maar ook haar stam.

    • In deze tijd was er in het zuidwesten van de Verenigde Staten nog geen echte politie. Het gezag werd gehandhaafd door sheriffs, deputy’s, town marshals en Texas Rangers, gezamenlijk ‘lawmen’ genoemd.

    Auteur: David Grann
    Vertaler: Pon Ruiter

    Openingsbeeld: Een kamp van de Osage-indianen in Oklahoma in het begin van de 20ste eeuw. Tegenwoordig woont de stam op reservaten in Kentucky. – © Getty Images

    Dit is een fragment uit De maand van de bloemendoder van David Grann, dat onlangs verscheen bij Uitgeverij Q.

    unnamed

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

    Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen.