Borneo krijgt naast nieuwe hoofdstad ook nieuwe industrie
Op het eiland Borneo, waar de toekomstige nieuwe hoofdstad van het land moet komen, is de Indonesische regering onlangs begonnen met de aanleg van een reusachtig industriepark. Dit ambitieuze project heeft tot doel een einde te maken aan de uitvoer van grondstoffen uit de archipel en deze om te zetten in ‘groene’ producten met een hoge toegevoegde waarde.
‘We maken een begin aan de transformatie van de Indonesische economie,’ zei president Joko Widodo, bekend als ‘Jokowi’, toen hij op dinsdag 21 december 2021 het 30.000 hectare grote ‘groene’ industriepark in Tanah Kuning, op het noordelijke eiland Borneo, bezocht.
The Jakarta Post meldt dat het reusachtige industriële complex tot doel heeft het land tot een belangrijke schakel te maken in de wereldwijde toeleveringsketen voor groene producten. ‘Het industriepark zal worden aangedreven door waterkracht- en zonne-energiecentrales en zal fabrieken huisvesten voor hoogtechnologische en precisieproducten, zoals halfgeleiders, lithium-ionbatterijen, zonnepanelen, industrieel silicium en “groen aluminium“, vervaardigd via emissiearme processen.’
Waterkrachtcentrale
Het project lag sinds 2015 stil, omdat industriële investeerders wachtten op de bouw van de waterkrachtcentrale en de uitbaters van de centrale wachtten op zekerheid dat er gebruikers zouden zijn.
‘Er werd om elkaar heen gedraaid en er werd geen vooruitgang geboekt,’ vatte coördinerend minister voor Maritieme Zaken en Investeringen Luhut Pandjaitan samen tegenover Koran Tempo.
Nu is er geen tijd te verliezen. Jokowi wil dat de aanleg van het industriepark in 2024 voltooid is, net voor het einde van zijn tweede en laatste ambtstermijn als president. Tegen diezelfde tijd moet de verhuizing van de hoofdstad rond zijn, eveneens naar Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. Het investeringsbedrag wordt geraamd op 132 miljard dollar, oftewel 117 miljard euro.
Volgens Koran Tempo behoort de grond toe aan Boy Thohir, die ook eigenaar is van Pat Adaro Energy, de op één na grootste steenkoolproducent van het land. Deze industrieel zal worden vergezeld door tien buitenlandse bedrijven.
‘Dit is een uitstekende samenwerking tussen investeerders uit Indonesië, China en de Verenigde Arabische Emiraten. We hopen dat het de grootste groene industriezone ter wereld wordt,’ zei president Jokowi tegen de krant.
In de VS spelen pr-bedrijven een belangrijke rol in het publieke debat over klimaat- en energiebeleid. Ze hebben de afgelopen dertig jaar een sleutelrol gespeeld bij het verspreiden van desinformatie en het belemmeren van maatregelen tegen klimaatverandering, door voor de fossiele brandstofindustrie campagnes op te zetten waarin de ernst van klimaatverandering werd gebagatelliseerd, en door de industrie gewenste oplossingen te positioneren als de te volgen strategie, schrijft EcoWatch.
Dit blijkt uit een studie van Robert J. Brulle en Carter Werthman van Brown University in Providence, Rhode Island. De onderzoekers bekeken 214 organisaties in vijf grote sectoren – steenkool/staal/spoor, olie en gas, nutsbedrijven, hernieuwbare energie en de milieubeweging – en ontdekte dat elektriciteitsbedrijven het vaakst pr-bureaus inschakelden, gevolgd door olie- en gasbedrijven. Die organisaties gebruikten voornamelijk een handjevol grote pr-bedrijven, zoals Edelman, Glover Park Group, Cerrell en Ogilvy.
‘Pr-bedrijven vormen een groot deel van de propagandamachinerie van bedrijven en ze sturen de manier waarop Amerikanen denken over de problematiek’, aldus Robert Brulle.
Duizenden Guatemalteken zijn op donderdag 29 juli ‘meer dan zeven uur achtereen’ de straat opgegaan om het aftreden van president Alejandro Giammattei en procureur-generaal Maria Consuelo Porras te eisen, meldt La Hora. Deze vreedzame betogingen komen volgens de Guatemalteekse krant na het ontslag vorige week van een officier van justitie die zich richtte op anti-corruptie.
In Guatemala-Stad, de hoofdstad, kwamen de demonstranten samen op het Plein van de Grondwet, ‘waar zij met affiches en leuzen uiting gaven aan hun ontevredenheid over de situatie in het land’, schrijft La Hora.
Ghannouchi roept zijn achterban op de straat op te gaan
Donderdag sprak Rached Ghannouchi, de voorzitter van de islamistische partij Ennahda en van het Tunesische parlement – dat voor dertig dagen is geschorst – met Agence France-Presse, terwijl ‘de wereld voor hem hermetisch is afgesloten’, schrijft Tunisie Numérique, De site vat het resultaat samen als ‘een toespraak met een gemengde boodschap, tussen verzoening, dreigementen en oproepen aan zijn achterban‘.
‘Hij presenteerde zichzelf als het slachtoffer van een staatsgreep’
‘Zoals verwacht presenteerde hij zichzelf als het slachtoffer van een staatsgreep en de ultieme hoeder van de democratie in Tunesië, of zelfs van de Arabische Lente.’ Hij zei dat hij de voorkeur wilde geven aan de weg van de dialoog, alvorens ‘de essentiële boodschap die hij wilde overbrengen’ te verkondigen: ‘dat hij bereid is het volk te vragen de democratie te verdedigen’. ‘Dit klonk als een bedreiging aan de staat en als een oproep voor zijn achterban’, aldus Tunisie Numérique.
Bouwverbod door gebrek aan water
Het oude cowboystadje Oakley, gelegen op ongeveer een uur rijden ten oosten van Salt Lake City in de Amerikaanse staat Utah, is een van de eerste steden in de VS die doelbewust stopt met stadsuitbreiding vanwege een gebrek aan water, schrijft The New York Times. De bron, die pioniers ooit gebruikten om hun akkers te bevloeien en die nu drinkwater levert, is aan het opdrogen na de verzengende hitte dit jaar. Daarom heeft het stadsbestuur besloten om een bouwverbod in te stellen.
Tijdens de pandemie nam de vastgoedmarkt in Oakley een hoge vlucht
Tijdens de pandemie nam de vastgoedmarkt in de 1750 inwoners tellende stad een hoge vlucht omdat arbeiders van de westkust toestroomden en er ook veel weekendverblijven werden gebouwd. Maar aangezien al die nieuwkomers water nodig hebben, stelde Oakley een bouwverbod in voor nieuwe huizen die zouden moeten worden aangesloten op de waterleiding van de stad. Experts verwachten dat dit een voorbode is voor andere steden in het heter en droger wordende Westen van de VS.
Italië verdient aan ‘mooi en goed gemaakt’
Italiaanse producten die ‘mooi en goed gemaakt’ kunnen worden genoemd, genereren jaarlijks zo’n 135 miljard euro aan export, aldus de industriële werkgeversfederatie Confindustria, die opdracht gaf tot het rapport Export Dolce Vita. ‘Mooi en goed gemaakt’ is een belangrijk aspect voor de Italiaanse export en is van toepassing op uiteenlopende producten die in Italië worden vervaardigd. Volgens het rapport wordt het meeste geld verdiend met de drie F’s: Fashion, Food en Furniture, bericht ANSA.
De studie ziet een verder groeipotentieel van zo’n 82 miljard euro en wijst nadrukkelijk op China waar de komende vijf jaar zo’n 70 miljoen ‘nieuwe rijken’ bij zullen komen.
In 2009 telde Elkhart, een stadje in Indiana waar vooral campers worden gemaakt, nog twintig procent werklozen. Nu is vrijwel iedereen aan het werk.
De zelfbenoemde camperhoofdstad van de wereld geeft een kijkje in hoe de Amerikaanse economie eruit zal zien als die op stoom is.
Jongeren gaan hier na de middelbare school niet studeren maar werken in de fabriek omdat die een geweldig salaris en uitstekende arbeidsvoorwaarden biedt. Reclameborden waarop personeel wordt gevraagd schieten als bermonkruid uit de grond. En arbeiders zijn zó goed bij kas dat autodealers vertellen dat nieuwe pick-ups bijna niet aan te slepen zijn.
Maar dat brengt ook spanningen met zich mee. Werkgevers kunnen werknemers niet aan zich binden en de huizenprijzen schieten omhoog. Het tekort aan personeel noodzaakte een filiaal van Kentucky Fried Chicken om 150 dollar tekenbonus aan te bieden. Een filiaal van McDonald’s kon afgelopen herfst niet open met de lunch omdat de managers niet genoeg personeel konden vinden voor acht dollar per uur om de rijen wachtenden aan de deur te helpen.
Wat ons te wachten staat
Nergens in de VS heeft zich zo’n ommekeer op de arbeidsmarkt voorgedaan als in deze stedelijke regio met 110.000 arbeiders, een mix van blanke fabrieksarbeiders, Mexicaanse immigranten en Amish. ‘Het is net 1955,’ zegt Michael Hicks, econoom aan de Ball State University. ‘Ook als je minimaal geletterd bent, vind je hier zo een baan.’
De economische omstandigheden in Elkhart zijn uniek: de voorspoed heeft te maken met Elkharts centrale rol in de wederopleving van de campermarkt, waar automatisering noch buitenlandse concurrentie een bedreiging vormt. Maar nu de VS de periode van tien jaren werkloosheid achter zich heeft gelaten, breekt in de regio een toekomst aan van tekorten op de arbeidsmarkt en vechten om personeel.
Het werkloosheidscijfer in de regio Elkhart daalde van twintig procent in 2009, het slechtst in de VS, naar net iets boven de twee procent in januari, de helft van het nationale gemiddelde. Het plaatselijke werkloosheidscijfer is nog dichter bij nul: zo’n 9500 openstaande vacatures. Dagelijks forenzen 25.000 arbeiders naar Elkhart, dat zelf 50.000 inwoners telt. Een economisch ontwikkelingsbureau van de county is in heel Appalachia en zelfs tot in Porto Rico op zoek naar kandidaten voor de vacatures.
De toename in banen is in Elkhart het grootst van alle 403 stedelijke gebieden die door Moody’s Analytics zijn onderzocht. Terwijl het nationale werkloosheidscijfer naar de vier procent aan het zakken is, zit de Elkhart-regio al vierendertig achtereenvolgende maanden op dat niveau of lager. De rest van de VS zal waarschijnlijk nooit die duizelingwekkende ontwikkeling kunnen evenaren, maar de regio laat wel zien wat ons te wachten staat.
In het derde kwartaal van 2017 was het gemiddelde weekloon met 6,3 procent gestegen ten opzichte van een jaar eerder, meldt het Labor Department, terwijl nationaal sprake was van een daling van 0,6 procent. In de camperindustrie van Elkhart, waar twaalf procent van de lokale arbeiders werkt, steeg het gemiddelde jaarsalaris met zeventien procent naar 68.000 dollar. En het stijgt nog steeds.
LCI, een bedrijf dat camperonderdelen maakt, heeft vier “dream managers” in dienst, adviseurs die arbeiders helpen bij het plannen van hun vakantie of bij het aanpakken van gezinsproblemen
Sommige arbeidsvoorwaarden klinken meer naar Silicon Valley dan naar de Rust Belt. LCI, een bedrijf dat camperonderdelen maakt, heeft vier ‘dream managers’ in dienst, adviseurs die arbeiders helpen bij het plannen van hun vakantie of bij het aanpakken van gezinsproblemen. ‘We willen dat de mensen een hoger doel in hun leven hebben,’ vertelt een manager, John Ferguson, een vroegere dominee.
Een ander bedrijf, dat planken maakt, adverteert met een gratis gezondheidscentrum om nieuwe krachten te lokken.
De jacht op de arbeider heeft elders de inflatie opgestuwd. De prijzen van woningen in het middensegment zijn in de afgelopen twee jaar jaarlijks met 6,5 procent gestegen, aldus Gary Decker, de vroegere voorzitter van de makelaarsvereniging van Elkhart County, meer dan twee keer zo snel als in eerdere herstelperiodes.
Jayco Factory 44 ziet eruit als een reusachtige timmermanswerkplaats, compleet met het geratel van nietpistolen en het gezoem van elektrische zagen. Het bedrijf, dat Entegra-kampeerauto’s produceert van 475.000 dollar per stuk, is onderdeel van Thor Industries Inc.
Thor koopt het stalen chassis en arbeiders bij Jayco bouwen de camper verder af. Werknemers duwen met de hand vijftien meter lange campers over een railsysteem. De voertuigen worden verplaatst van werkeenheid naar werkeenheid, waar specialisten de verscheidene onderdelen met de hand monteren: kastjes, bedrading, wanden en daken. Om vijf uur ’s morgens komen Amish aan en om een uur ’s middags keren ze weer terug naar hun boerderij. Thor, de grootste werkgever van de regio, is al via allerlei onconventionele manieren op zoek naar personeel. Het bedrijf zoekt gegadigden in Youngstown, Ohio en andere steden in het Midwesten met hoge werkloosheid. Het neemt ook gedetineerden uit de countygevangenis in dienst in het kader van scholingsverlofprogramma’s.
Met het oog op de toekomst nodigt het bedrijf brugklassers uit om zijn vestigingen te bezoeken, en stuurt het mooi afgewerkte campers op tournee langs basisscholen in de streek.
De lonen in de camperindustrie zijn op een niveau waar andere sectoren niet tegenop kunnen: acht van de tien grootste werkgevers in Elkhart maken campers of camperonderdelen. Het personeel wordt betaald op basis van geproduceerde eenheden. Bij een volle werkweek betekent dat 90.000 dollar per jaar voor assembleurs in camperfabrieken en 100.000 dollar voor voormannen.
Het werk is zwaar. In de personeelsadvertentie voor een baan als assembleur bij LCI staat dat het werk betekent dat je de hele dag moet lopen, bukken, knielen, voorover buigen, kruipen, hurken en klimmen, plus dat je voorwerpen van meer dan vijfentwintig kilo moet tillen.
Oudere arbeiders zoeken wat minder eisende banen bij camperbedrijven die onderdelen maken en waar het basisloon vijftien tot twintig dollar per uur is.
Lamont Blackwell, de manager van het plaatselijke filiaal van McDonald’s, vertelt dat hij vroeger voor meer geld bij LCI werkte. ‘Ik heb overwogen om terug te gaan, maar ik kan het niet meer aan,’ zegt hij. ‘Ik ben veertig en mijn lichaam laat het afweten.’
Werknemers wisselen in deze arbeidsmarkt vaak van baan. Volgens lokale fabrikanten is het verloop in de camperindustrie grofweg honderd procent. Nieuwe werknemers worden bonussen van vijfhonderd tot duizend dollar geboden als ze negentig dagen blijven.
De stedelijke regio Elkhart functioneert als een olie-economie – een Koeweit te midden van de maisvelden – aldus Enrico Moretti, econoom aan de Universiteit van Californië in Berkeley. De lonen in de camperindustrie zijn op een niveau waar maar weinig concurrenten tegenop kunnen, en daarom is er weinig verscheidenheid.
Toen president Barack Obama met een stimuleringsplan van 800 miljard dollar kwam, reisde hij twee keer af naar Elkhart ter illustratie van hoe dramatisch de recessie was. “Bij ons was de situatie het slechtst van het hele land”
Als er slechte tijden komen, zijn ze ook echt slecht. In 2009 liep de verkoop van campers met de helft terug en dat gold ook voor het aantal banen. De campershow van Elkhart werd voor het eerst in meer dan vijftig jaar afgezegd.
De Britse krant The Independent noemde Elkhart ‘de stad zonder banen’. In het district Elkhart stonden op de scholen duizend kinderen minder ingeschreven, ongeveer zeven procent, omdat gezinnen de stad uit gingen op zoek naar werk, vooral de mensen uit Mexico, die in 1990 nog twee procent van de bevolking van Elkhart City uitmaakten en in 2010 al vierentwintig procent.
Velen die in Elkhart bleven raakten hun huis kwijt. Meer dan een derde van de verkochte huizen in 2010 waren executieverkopen, vertelt Decker, de vastgoedmakelaar. Toen president Barack Obama met een stimuleringsplan van 800 miljard dollar kwam, reisde hij twee keer af naar Elkhart ter illustratie van hoe dramatisch de recessie was. ‘Bij ons was de situatie het slechtst van het hele land,’ zegt Jason Lippert, directeur bij LCI Industries.
Langzaam krabbelde Elkharts economie weer op. Het stimuleringsplan sloeg aan, hoewel ook een aantal projecten mislukten. Drie bedrijven vestigden zich er, kregen van de overheid meer dan 50 miljoen dollar steun en produceerden slechts twee elektrische voertuigen voordat ze over de kop gingen.
Vanaf 2012 begon de camperindustrie – en bij uitbreiding Elkhart – sterk te groeien, voornamelijk vanwege de verbeterende economie in de VS. De productie van campers en stacaravans verdrievoudigde ten opzicht van 2009 tot 500.000, aldus de Recreational Vehicle Industry Association.
Herinneringen
Shelley Moore, een stadsplanoloog, zegt dat de stad in een race tegen de klok is gewikkeld om een diversere en duurzamere economie op te bouwen. Dat streven wordt gefrustreerd door het succes van de camperindustrie.
Een baan is nu zo makkelijk te krijgen dat niemand in de regio doorleert, wat een risico betekent bij een volgende crisis. Elkhart staat qua aantal inwoners met een afgeronde vervolgopleiding op de 335ste plaats van de 380 stedelijke gebieden, meldt het Brookings Institution.
De inschrijvingen bij de vestiging van het Ivy Tech Community College in Elkhart zijn sinds de recessie met de helft afgenomen. ‘We moeten opboksen tegen een florerende economie,’ zegt Kyle Hannon, directeur van de plaatselijke campus. ‘Het is een beetje maf.’
Maar zelfs in goede tijden bepalen herinneringen aan de laatste recessie – en angsten voor de volgende – zakelijke en persoonlijke beslissingen in Elkhart. Inwoners leggen spaarpotjes aan, onzeker of ze de economische opbloei wel kunnen vertrouwen. Dat is logisch, zegt Hicks, econoom aan de Ball State University. Bij de volgende recessie worden ze volgens hem hard getroffen.
Weinig camperfabrikanten willen investeren in automatisering, vanwege de pieken en dalen in de bedrijfstak in het verleden. Zonder grote investeringen ‘zijn we heel flexibel’, legt Robert Martin uit, de algemeen directeur van Thor. ‘We kunnen inkrimpen als er slechte tijden aanbreken.’
Er is bijna geen woning meer te huur in en om Elkhart, maar weinig bouwers zullen het wagen om huizen of appartementen neer te zetten die leeg komen te staan in een economie die zo sterk fluctueert.
Matt Stump, assembleur bij Jayco, vertelt dat hij in januari naar Elkhart is teruggekeerd nadat hij vijftien jaar met zijn gezin in Peoria, Illinois, had gewoond, waar hij bij Caterpillar werkte. Hij kon in Elkhart geen huurhuis voor zijn gezin vinden, dus hij zit nu alleen in een B&B en in de weekenden rijdt hij naar huis, een rit van 4,5 uur.
De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid nodig: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zó patriottisch zijn, dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.
Amerika draait niet meer op steenkool. Maar de nalatenschap is onuitwisbaar in Boone County, West Virginia. Het was zwaar. Je werd er hard van. En het verdiende lekker.
Boone County beweert de bakermat van de Amerikaanse steenkoolindustrie te zijn vanwege het vette, overvloedige zwarte gesteente dat bijna driehonderd jaar geleden in de groene heuvels van West Virginia werd ontdekt. Steenkool komt hier in bijna alle namen terug: de rivieren Big en Little Coal, het weekblad Coal Valley News, het wonderbaarlijke Bituminous Coal Heritage Foundation Museum en het West Virginia Coal Festival, dat dit jaar voor de vierentwintigste keer werd gehouden.
Het festival is meer een jaarmarkt dan een viering van steenkool. Er is een kermis en een talentenjacht, en er zijn zeven missverkiezingen (variërend van Little Miss Coal Festival tot Forever West Virginia Coal Queen). Bij het standbeeld van een mijnwerker wordt ieder jaar een kleine herdenkingsbijeenkomst gehouden. Er zijn in totaal vijf slachtoffers, minder dan het aantal Miss Coals op de trap van het neoklassieke provinciehuis, die met hun koolzwarte sjerpen langzaam verpieteren in de hitte. Geen van de directieleden, noch vertegenwoordigers van de eens zo sterke vakbond, hebben de moeite genomen aanwezig te zijn.
In plaats van de bloeiende bedrijfstak die het ooit was, en die nog altijd gevierd wordt met nepdiamanten en praalvertoningen, is de mijnbouw inmiddels eerder een blijvende erfenis. Dat is meteen ook het probleem van het kolengebied en vormt de uitdaging voor de promotors. Want de mijnbouw lijkt niet meer op de indringende beelden van fotograaf Walker Evans; een groot deel van de wereld heeft zich verder ontwikkeld. Maar Boone County niet. Nog niet.
‘We willen ons erfgoed levend houden. We willen niet dat het een stervende bedrijfstak is,’ zegt Delores W. Cook, algemeen directeur van het festival, maar eigenlijk de vorstin van het geheel. ‘Dit is voor de mensen in West Virginia hun leven geweest; jaar in, jaar uit hebben zij voor dit hele land het licht laten branden.’
Cook schikt haar hoge meringuekapsel. Ze is een mijnwerkersdochter, en dat is een ‘onderscheiding’ die bij kennismaking wordt vermeld. Haar overleden echtgenoot Dennis ‘De’ Cook (iedere mijnwerker heeft wel een verkleinwoord) heeft ‘42 en een half jaar’ in de mijnen gewerkt, vertelt zijn weduwe.
Voor- en tegenspoed
Boone County kende voor- en tegenspoed dankzij de mijnen. De regio is nog altijd afhankelijk van deze industrie, omdat er weinig zicht is op een alternatieve inkomstenbron. Afgelopen jaar werkten slechts zevenhonderd inwoners van Boone County in de mijnen. Het schooldistrict is de grootste werkgever. Maar omdat de belastinginkomsten uit steenkoolwinning vorig jaar zo drastisch daalden – minder dan eenvijfde van de inkomsten in 2007 – moesten er honderdvijftig medewerkers worden ontslagen.
Decennia na de hoogtijdagen en ondanks de beschikbaarheid van schonere en meer gebruikte energiebronnen, staat steenkool momenteel weer volop in de belangstelling. In het nationale debat speelt de mijnbouw een grotere rol dan gerechtvaardigd zou zijn als je kijkt naar de consumptie: met 15 procent van Amerika’s energiebronnen produceert het ongeveer eenderde van alle elektriciteit. Het is alsof een discussie over locomotieven opnieuw is aangezwengeld. Fracking, onlangs nog een constante in het nieuws, is naar de achtergrond verschoven. Net als olie.
Omarmd door Donald Trump en als achterhaald weggewuifd door Hillary Clinton domineerde steenkool het energiedebat tijdens de presidentscampagne. ‘We moeten af van steenkool en alle andere fossiele brandstoffen,’ zei de Democratische kandidaat, waarmee ze voor de mensen in dit district meteen een paria werd.
Amerikanen kunnen de mijnbouw moeilijk uit hun hoofd zetten, ook al vonden in 2015 nog geen 66.000 man werk onder de grond. Warenhuisketen Kohl’s heeft meer dan twee keer zoveel mensen in dienst. Maar retail werkt niet in dezelfde mate op de Amerikaanse verbeeldingskracht en levert geen verhalen op, inspireert niet tot muziek en is niet bepalend voor de identiteit. ‘Er werden hele gemeenschappen gesticht om steenkool te winnen,’ zegt Barbara Freese, auteur van Coal: A Human History. ‘Steenkool heeft zijn eigen geografische gebied en cultuur geschapen.’
Het bergdecor van de Appalachen kwam in de schijnwerpers te staan en werd geëxploiteerd door goudzoekende journalisten die zich hadden vergist in Trumps populariteit en de cruciale rol die deze regio in deze verkiezingen zou gaan spelen. J.D. Vances autobiografie Hillbilly Elegy, die werd gezien als een decoder van de cultuur van de Appalachen, heeft bijna een jaar lang de bestsellerlijst aangevoerd.
‘Ik hou nou eenmaal van mijnwerkers,’ zei president Trump in juni, toen hij de Amerikaanse terugtrekking uit het klimaatakkoord van Parijs aankondigde. Trump heeft mijnwerkers en directeuren van kolenmijnen uitgenodigd om, voor het eerst in lange tijd, op de foto te gaan in het Witte Huis, en verklaarde ‘een eind te maken aan de strijd tegen steenkool’, een kreet die door een brancheorganisatie is bedacht in een tijd waarin zelfs het Kentucky Coal Museum overgaat op zonne-energie.
Het zuiden van West Virginia is een plek waar wonderschone natuur en verwoesting naast elkaar bestaan. Dit werd maar al te duidelijk toen bedrijven bergtoppen begonnen op te blazen om met minder mensen brandstof te kunnen delven. ‘We leren nu dat we niet op één paard moeten wedden. We moeten groeien en diversifiëren,’ zegt de Democratische senator Ron Stollings bij de opening van het festival.
Mijnbouw is een traditie die maar blijft rondspoken. ‘Het gaat niet alleen om een industrie die verloren is gegaan, maar ook om een manier van leven, een leven vol verschrikkelijke ontberingen,’ zegt componist Julia Wolfe, die ter herdenking van de mijnwerkers in Pennsylvania het oratorium Anthracite Fields schreef en daarmee de Pulitzer Prize won. ‘De truc is om het leven niet te romantiseren. Er zitten prachtige elementen in de onderlinge afhankelijkheid binnen de gemeenschap, maar is ook afschuwelijk misbruik en verwaarlozing.’ De industrie werd lange tijd gekenmerkt door overmatige wispelturigheid: vol gas tijdens een hausse, en dan weer verwaarlozing: bedrijven die ervandoor gaan onder het mom van faillissement, waardoor pensioenen werden bedreigd en de zekerheid van trotse mannen werd gesloopt. Banen verdampten, maar de heuvels bleven.
‘Er zit nog steeds een hoop steenkool in deze heuvels,’ zegt Cook, voormalig staatsvertegenwoordiger en curator van het eeuwige optimisme. De brandstof raakte niet op, maar de levensvatbaarheid was wel eindig en dat heeft de gemeenschap enorm beïnvloed. De bedrijven waren vaak minder begaan met de mannen dan met hun product, zoals subtiel, zonder wrok of subjectiviteit, duidelijk wordt gemaakt door de voorwerpen in het museum. Mijnwerkers werden geacht gereedschap aan te schaffen bij de bedrijfswinkel. Veiligheid was van ondergeschikt belang. ‘We hadden geen reflecterende uitrusting toen ik in de mijn werkte,’ zegt voormalig mijnwerker (vierde generatie) Tim Spratt, wijzend naar een vitrine, als hij met zijn kleinzoon het museum bezoekt. ‘Dat hadden alleen de opzichters.’
Vroeger waren er geen arme mensen in McDowell County. Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft
Spratt, die zong bij de herdenkingsdienst, moest ooit kolen bikken in een gang van nog geen meter hoog. ‘Dat is heel lastig voor een dikkerd,’ zegt hij. ‘Ik vond de onderlinge camaraderie met mijn ploeggenoten fijn,’ zegt inwoner Rickey Woodrum, die tien jaar ondergronds werkte voordat hij een baan kreeg in een autowerkplaats. ‘Het verdiende lekker. Het was zwaar. Je wordt er hard van. Maar je kinderen kunnen wel studeren.’ Die hoefden de mijn nooit in.
Het werken in een mijn was de zeldzame baan waarmee een man – altijd mannen – met hoogstens middelbare school in een goed jaar een salaris van 80.000 of 90.000 dollar verdiende, en zo kon opklimmen door af te dalen. Door de inzakkende inkomsten konden veel mannen slecht voor hun gezin zorgen, geen kostwinner meer zijn; nog zo’n hedendaags discours.
‘Het is al sinds de Tweede Wereldoorlog bergafwaarts gegaan met steenkool,’ zegt voormalig mijnwerker Jim Chaney. ‘In Boone County dolf of vervoerde je steenkool, een van de twee.’ Hij gelooft dat ‘het terugkomt, maar het wordt nooit zoals het was’. Dezelfde slotzin weerklinkt overal in het kolengebied.
Opiatenverslaving
West Virginia, dat zich in 1863 van het geconfedereerde Virginia afscheidde, is de enige staat die uit de Burgeroorlog is voortgekomen. (Desalniettemin zijn er nogal wat Confederatievlaggen te zien, waaronder meerdere exemplaren die aan een kermisattractie zijn vastgehecht.) In plaats van slagvelden bracht de staat een palet van mijnwerkersconflicten en rampen voort: Matewan, de Battle of Blair Mountain (van het stadje is nu niet veel meer over dan een gedenkplaat) en Upper Big Branch.
De smerige, dramatische en gewelddadige geschiedenis van de industrie werd gedomineerd door bovenmaatse vakbondsleiders en roofondernemingen die de steenkool en daarmee de welvaart inpikten en stadjes achterlieten die veel weg hebben van filmsets voor films over de Grote Depressie, visueel aantrekkelijk voor documentairemakers en fotografen.
Zestig jaar geleden was McDowell een county met 100.000 inwoners. Vandaag de dag is daar nog maar eenvijfde van over en is de county de armste van West Virginia. In 2015 kreeg het nationale aandacht dankzij de zeer twijfelachtige eer ’s lands hoogste aantal sterfgevallen voort te brengen als gevolg van opiatenverslaving.
Net buiten Welch, een van vele arme stadjes van McDowell, zit Johnny Bishop, 65, gelooide huid, opgevouwen in een wit busje op een lege weg kleding te verkopen, inclusief mijnwerkersuitrustingen met reflecterende strepen. Bishop werkte zestien jaar lang in de mijnen, waarvan twee jaar op zijn knieën in gangen van iets meer dan 70 centimeter hoog. De ergste dag was toen hij een stroomstoot van 480 volt kreeg van een draad die onder spanning stond. Twee dagen later ging deze mijnwerker van de vierde generatie weer aan de slag. ‘Voor een mijnwerker zijn de ploeggenoten als broers,’ zegt hij. Maar het ging niet goed met de mijnen en Bishops gezondheid verslechterde. Hij kreeg pijnstillers voorgeschreven. Hij zegt er nooit aan verslaafd te zijn geraakt en er in één keer mee te zijn gestopt.
Uiteindelijk heeft hij de schachten vaarwel gezegd en is in Virginia in de bouw gaan werken. De steenkoolbedrijven en de leiders van dit land ‘besteedden geen aandacht aan ons’, zegt hij. ‘We hadden hier vroeger zo veel. We hadden steenkool. We hadden aardgas. We hadden hout. Er waren geen arme mensen in McDowell County.’
Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Waarom lukt het China zich aan de armoede te ontworstelen, en veel Afrikaanse staten niet? Die Zeit zocht naar antwoorden in de Centraal-Afrikaanse Republiek.
De president van het armste land ter wereld resideert achter een grote zwarte toegangspoort, die wordt bewaakt door een handvol mannen met machinegeweren. Wie de poort passeert, stuit op een kantoorcontainer met een schotelantenne op het dak. Een achteringang voert naar een met hout betimmerde werkkamer met zware gordijnen, die de middaghitte buiten moeten houden. Daar bezet president Faustin-Archange Touadéra een van de kolossale leren stoelen, waarin hij er op de een of andere manier ietwat verloren uitziet.
Eigenlijk is Touadéra hoogleraar in de wiskunde. Een paar jaar geleden ging hij de politiek in om zijn land te dienen, zegt hij. En vrij snel werd hem duidelijk dat dat ingewikkelder is dan de ingewikkeldste wiskundige vergelijking. Touadéra’s land is namelijk de Centraal-Afrikaanse Republiek.
581 dollar
Als je op een kaart van het Afrikaanse continent ongeveer in het midden een lijn van noord naar zuid trekt en dat ook van oost naar west doet, dan ligt het land nagenoeg op het snijpunt van die lijnen. Eén keer per jaar publiceren de Verenigde Naties een lijst die de landen ter wereld op welvaartsniveau rangschikt. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat op de laatste plaats. Slechts 581 dollar bedraagt er het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – in Duitsland is dat 43.919 dollar.
Hoe komt dat?
Waarom staat de burgemeester van Paderborn een hoger budget ter beschikking dan de president van een land dat twee keer zo groot is als de Bondsrepubliek?
Waarom rollen er in Duitsland jaar in, jaar uit bijna zes miljoen auto’s van de band en in het rijk van Faustin-Archange Touadéra niet een?
Waarom worden Duitsers gemiddeld 81 jaar oud en de mensen in het hart van Afrika maar amper 51 jaar?
Met andere woorden: waarom zijn arme landen arm en rijke landen rijk?
Ontelbare economen hebben zich over die vraag gebogen. Ze hebben de oorzaken van de armoede onderzocht en erover nagedacht waarmee de armen geholpen zouden kunnen zijn. Maar ze zijn met hun ideeën maar nauwelijks doorgedrongen in de zenuwcentra van de internationale politiek.
Door het koele klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen
Zoals zo vaak in de economie is er niet één maar zijn er vele theorieën waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom arme landen arm zijn. Sommige deskundigen schrijven armoede toe aan de geografische ligging van een land, door te stellen dat de toegang tot de open zee een belangrijke voorwaarde voor economische ontwikkeling is, omdat de handel erdoor wordt vergemakkelijkt. Dat klinkt logisch, maar een land als Zwitserland ligt behoorlijk ver van zee en is toch een van de rijkste landen ter wereld.
Anderen zien het klimaat als een belangrijke oorzaak: door het koele klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen. Dat verklaart evenwel niet waarom tropische landen als Maleisië relatief rijk zijn geworden.
Weer andere economen betogen dat de armen arm zijn omdat de rijken rijk zijn: het Noorden schermt zijn markten af, waardoor de landen van het Zuiden hun producten daar niet kunnen verkopen. Toch heeft China dat juist wel gedaan en daarmee miljoenen Chinezen een weg uit de armoede geboden.
Tot zover de theorieën van de deskundigen. Maar wat is de visie van Faustin-Archange Touadéra in hoofdstad Bangui, voor wie de armoede net zo bij het dagelijks regeren hoort als het pensioendebat voor Angela Merkel?
‘We hebben praktisch geen regering. We zijn niet in staat de bevolking te beschermen. We moeten dat allemaal weer opbouwen.’
Waar ontbreekt het aan?
‘Vooral de infrastructuur baart ons zorgen. Er zijn nauwelijks wegen en er is te weinig elektriciteit.’
De bewoners van het land waarvan de geschiedenis, net als die van zoveel Afrikaanse landen, tot nog toe weinig aanleiding tot hoop heeft geboden, hebben die hoop gevestigd op Touadéra. Na de laatste coup in 2013 richtten rivaliserende milities bloedbaden aan, waarbij duizenden mensen de dood vonden en honderdduizenden op de vlucht werden gedreven. Touadéra is de eerste president sinds jaren die na min of meer eerlijk verlopen verkiezingen aan de macht is gekomen.
Aan de andere kant zal er vrijwel geen politicus op aarde zijn die zich niet zou beklagen over de staat van de wegen in zijn land. Daarom loont een bezoek aan Jean-Christophe Carret, die veel weet over elektriciteit en wegen, en nog meer over de oorzaken van armoede. Carret is namelijk econoom en hij werkt voor de Wereldbank. De Wereldbank is een halve eeuw geleden opgericht om de armoede op de wereld te verslaan. De bank heeft meer dan tienduizend werknemers in ruim honderdtwintig landen. Het kantoor van Jean-Christophe Carret ligt vlak bij het presidentiële paleis.
Meneer Carret, waarom zijn de mensen hier arm?
‘Stap in, dan zal ik u iets laten zien.’
Eén onderneming
Carret stuurt zijn terreinauto richting het noorden. Hij wordt begeleid door een groep zwaarbewapende blauwhelmen, omdat milities het gebied nog altijd onveilig maken. Het konvooi rijdt door de levendige buitenwijken van Bangui, waar op markten fietsbanden, flessen benzine, ondergoed en een uitgebrande Citroën worden aangeboden. Daarna zijn er alleen nog maar her en der lemen hutten te zien en omzomen schier eindeloze struikgewassen de stoffige weg. Na anderhalf uur rijden wordt het landschap bergachtiger en is het geraas van een enorme waterval te horen.
Carret zet koers naar een fabriekshal. Binnen zet het vallende water vijf turbines in beweging, die generatoren ter grootte van een minibus aandrijven. ‘Dit is hier de enige officiële energiebron, een hoogspanningsleiding transporteert de stroom naar Bangui,’ zegt Carret. ‘We hebben de centrale gerenoveerd. Een stuwdam zorgt ervoor dat er ook in de droge tijd genoeg water is. We kunnen van hieruit de stad van stroom voorzien, maar het is niet voldoende om fabrieken in bedrijf te houden.’
In de hele Centraal-Afrikaanse Republiek is er zegge en schrijve één grote onderneming, een brouwerij in een buitenwijk van Bangui. Die behoort tot het Franse drankenconcern Castel, dat daar een moutbier brouwt en de helft van zijn energiebehoefte op een dure manier moet opwekken met behulp van een eigen generator, een wijdverbreid fenomeen in Afrika. Volgens een onderzoek van consultancybureau McKinsey produceren de 49 landen ten zuiden van de Sahara jaarlijks ongeveer 423 terawattuur elektrische energie. De VS verbruiken iets meer dan het negenvoudige. De slechte stroomvoorziening weerhoudt veel ondernemingen ervan investeringen te doen.
Als er meer stroom was, dan zouden zich dus meer bedrijven in Afrika vestigen – en dat zou helpen in de strijd tegen armoede. Bedrijven spelen daarin namelijk een sleutelrol, zo blijkt uit onderzoek. Dertig jaar geleden was China nog een straatarm land. Toen werden er enorme fabrieken gebouwd, die miljoenen eenvoudige mensen werk bezorgden. Met hun loon konden die mensen zich een betere opleiding voor hun kinderen permitteren, die vervolgens werk kregen als ingenieur of geschoold arbeider. Nu is China de op een na grootste economie ter wereld.
In de afgelopen jaren is het echter enigszins uit de mode geraakt om stuwdammen en krachtcentrales in ontwikkelingslanden te bouwen. Dat komt doordat bij dergelijke grote projecten vaak maar weinig rekening werd gehouden met het milieu en de getroffen mensen. En in plaats van elektrische leidingen en generatoren werden keuterboertjes en kredietverenigingen gefinancierd. Er zijn zelfs deskundigen, zoals Nobelprijswinnaar voor de Economie Angus Deaton, die ontwikkelingshulp radicaal willen schrappen omdat de betalingen alleen maar corrupte regimes in stand houden en in het ergste geval zelfs schade aanrichten. Een regering die bijvoorbeeld regelmatig geld uit het buitenland krijgt voor de staatshuishouding, hoeft er niet voor te zorgen dat de mensen in eigen land genoeg verdienen om belasting te kunnen betalen.
Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar
Ook Carret heeft zich met dergelijke theorieën beziggehouden. Maar zijn grootste zorg is dat de Centraal-Afrikaanse Republiek in een spiraal van geweld terechtkomt als de bevolking niet het gevoel heeft dat het haar met een democratisch gekozen president ook financieel beter gaat. Daarom financierde hij met Wereldbankgeld de salarissen van de ambtenaren toen de regering daar niet toe in staat was. Daarom liet hij wegen opknappen om arbeidsplaatsen voor de bevolking te creëren. En daarom wil hij ervoor zorgen dat eindelijk ook de turbines worden geïnstalleerd die al jaren op een bouwplaats naast de waterkrachtcentrale liggen. En dat misschien zelfs met hulp van Chinese investeerders een zonne-energiecentrale wordt gebouwd, zodat stroom in Bangui geen schaars goed meer is.
En is het land echt niet meer arm als dat allemaal zou lukken?
Een paar kilometer buiten Bangui bevindt zich een kazerne, beschermd door muren en prikkeldraad. Hier maakt Masse Noudjoutar de dienst uit, commandant van het derde bataljon infanterie van het Centraal-Afrikaanse leger. Zijn soldaten staan in rijen van twee op het exercitieterrein. Het ruikt naar vis, die boven een open vuur wordt gebraden. Merkwaardig is alleen dat vrijwel niemand een wapen draagt.
Commandant Noudjoutar, waarom is het land arm?
‘Kijk om u heen. We zijn met te weinig. We hebben nauwelijks uitrusting, zegt hij. Noudjoutar bouwt met steun van Belgische en Franse militairen het leger van het land op. Zij leren soldaten hoe je controleposten bemand, wat in de strijd is toegestaan en hoe je met gevangenen omgaat. Het probleem daarbij is dat het leger tot nog toe niet meer dan een paar honderd man sterk is – en dat is niet genoeg om de rust in het land te herstellen.
Niet alleen zijn er te weinig soldaten, er zijn ook te weinig politieagenten, te weinig leraren en te weinig belastingambtenaren. Het ontbreekt aan onafhankelijke rechters, ambtenaren op ministeries, accountants. Op papier is de Centraal-Afrikaanse Republiek een keurig geordend staatsbestel met zestien prefecturen en 179 gemeenten. Maar de praktijk ziet er anders uit. Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar. En dus moeten ze toekijken hoe de in het oosten van het land gewonnen diamanten de grens over worden gesmokkeld, waar ze in de zakken van de militieleiders terechtkomen in plaats van bij de eigen bevolking.
Zelfs als er geld is, wordt het vaak zodanig gebruikt dat het land er meer schade van ondervindt dan baat bij heeft. Daar kan de enige grootindustrieel van het land over meepraten; de directeur van de brouwerij is een zeer actieve Fransman die al meer dan twintig jaar in Afrika werkt. Ooit moest hij tijdens onlusten de werkzaamheden staken omdat de diesel voor de aandrijving van de generatoren was gestolen – samen met ongeveer vijftienduizend flesjes bier. Het grootste probleem zijn echter de autoriteiten, zegt de directeur. Een paar jaar geleden had hij een tiental werknemers moeten ontslaan omdat de zaken slecht gingen. Het ontslag was door de rechtbank goedgekeurd, maar niet veel later door dezelfde rechtbank onrechtmatig verklaard. Hij werd tot een boete veroordeeld, met als motivatie dat de wet was gewijzigd.
Vroeger beschouwden veel ontwikkelingsdeskundigen de overheid als overbodig, als een bureaucratisch apparaat dat de economische groei remde. Tegenwoordig weten ze dat economisch succesvolle landen doorgaans over een sterke overheid beschikken, die ervoor instaat dat privébezit wordt beschermd, dat de maatschappij niet uit elkaar valt, dat scholen en universiteiten functioneren en dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden. Een nieuwe fabriek is vaak pas na jaren rendabel. Zonder een minimum aan rechtszekerheid zal geen investeerder er geld in willen steken.
In de meeste Afrikaanse landen is de overheid niet sterk, maar opgeblazen: ze doet zich gelden waar ze niets te zoeken heeft en is afwezig waar ze gewenst is. Zo is het bijzonder ingewikkeld om een bedrijf te registreren, kunnen ondernemingen maar moeilijk nieuwe kredieten krijgen en worden voorschriften geïnterpreteerd zoals het de overheid uitkomt. In een recent onderzoek van de Wereldbank naar de kwaliteiten van hun lidstaten als vestigingsland neemt de Centraal-Afrikaanse Republiek van de 190 landen plaats 185 in. Ook de meest gewiekste ondernemers kunnen onder dergelijke omstandigheden niet groeien en arbeidsplaatsen creëren.
Dat een hogere plaats er niet in zit na de zware onlusten van de afgelopen jaren is niet verwonderlijk, maar het is opvallend dat onder de zakenmensen, ontwikkelingswerkers, politici en militairen in Bangui niemand de geografie verantwoordelijk stelt voor de misère van het land, en nauwelijks iemand zich beklaagt over het klimaat of over het feit dat het Noorden zijn markten afschermt. Voor hen lijkt het belangrijker wat er in het land zelf gebeurt.
Dat sluit aan bij de stelling van economisch onderzoeker Daron Acemoglu van het Massachusetts Institute of Technology. Acemoglu meent dat de welvaart van een land afhangt van de manier waarop dat land zijn zaken regelt. In de meeste arme landen heeft een kleine elite de macht over politieke en economische hulpbronnen en gebruikt ze die om zichzelf te verrijken. Omdat werken niet loont, blijft de vooruitgang uit. Rijke landen zijn daarentegen rijk omdat economische en politieke vrijheidsrechten grenzen stellen aan de uitbuiting van de bevolking, en het overheidsoptreden zich meer richt op het algemeen welbevinden.
Dat gold lang geleden misschien ook wel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek. De mensen leefden er in relatief stabiele omstandigheden, tot vanaf de vijftiende eeuw zoals in zoveel landen ten zuiden van de Sahara eerst slavenhandelaren uit Noord-Afrika en vervolgens Europeanen – in dit geval de Fransen – het land teisterden. Uit recente onderzoeken blijkt dat deze rooftochten de bestaande maatschappelijke structuren ontwrichtten, zodat uitbuitende regimes vaste voet konden krijgen. De instituties van de betreffende landen hebben daar nog altijd onder te lijden.
Armoede is geen lot
Maar – en dat is de eigenlijke boodschap van het onderzoek van Daron Acemoglu – armoede is geen lot. Als het bijvoorbeeld zou lukken om in het noorden van Bangui de extra turbines te installeren, als Masse Noudjoutar meer soldaten zou krijgen en als de rechters de wetten zouden interpreteren in plaats van ze te breken, dan zou de Centraal-Afrikaanse Republiek stijgen in de welvaartstabel.
Een dag nadat president Touadéra van achter zijn zwarte poort de wederopbouw van zijn land heeft aangekondigd, komen in het Franse cultureel centrum in Bangui een stuk of twaalf mannen en vrouwen bijeen. Daar vindt een soort grondleggersbazaar plaats; de mensen zijn gekomen om hun ideeën te presenteren. De een is van plan om van oude plastic flessen een soort wegdek te maken, een ander heeft een houten koelkast ontwikkeld die weinig energie zou verbruiken, een derde wil een energiedrankje produceren uit de bladeren van de mierikswortel, die in de tropische gebieden van Afrika op elke hoek groeit. ‘Mijn doel is massaproductie. Ik zou graag een fabriek bouwen,’ zegt hij. Dat is nu precies waar het om gaat.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.