Tag: inkomensongelijkheid

  • Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Door gentrificatie dreigen steden te vervallen tot bevoorrechte eilanden te midden van zeeën van achterstand. Met het juiste beleid en de juiste investeringen kunnen we steden weer betaalbaar maken voor alle inwoners, schrijven auteurs Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

    Meer dan de helft van de wereldbevolking woont nu in steden. In 2050 zal dat aandeel naar verwachting oplopen tot twee derde. Dat betekent dat de drijvende krachten achter het leven in de stad nu ook de drijvende krachten achter de wereld als geheel zijn. Door de geschiedenis heen zijn steden aanjagers geweest van vooruitgang, omdat ze ons dichter bij elkaar kunnen brengen – iets wat we nu meer dan ooit nodig hebben. Veel van de grootste problemen die we vandaag de dag hebben, kunnen we oplossen door onze steden te hervormen. Maar als we geen actie ondernemen, zullen diezelfde steden de gevaren die voor ons liggen alleen maar groter maken.

    Veel van de populistische politiek die we de afgelopen jaren hebben gezien, wordt gekenmerkt door afkeer tegen wereldsteden als Londen en New York. Deze steden hebben een hoge vlucht genomen, terwijl andere steden juist met grote problemen kampten. De kloof tussen opbloeiende steden en de rest van de wereld is niet alleen gegroeid, de ongelijkheid binnen deze steden is eveneens toegenomen. De ongelijkheid in de meeste metropolen in de Verenigde Staten wordt sinds de jaren tachtig steeds groter – het snelst in grote, welvarende steden zoals New York, San Francisco en Chicago. Daar is de ongelijkheid nu veel hoger dan het landelijke gemiddelde. Hoogopgeleide kenniswerkers verdienen meer dan ooit, terwijl laagopgeleide werknemers in de dienstensector juist minder verdienen. Die kloof wordt nog eens vergroot doordat de kosten van levensonderhoud in deze steden snel stijgen.

    Deze wereldmetropolen hebben steeds meer weg van ivoren torens: de welvaart is sterk geconcentreerd in het centrum, dat wordt bediend door een uitgestrekte, achtergestelde periferie. In stadscentra is de werkgelegenheid toegenomen, de criminaliteit gedaald en zijn openbare diensten aanzienlijk beter gaan functioneren. Pakhuizen en fabrieken van Kings Cross in Londen tot Brooklyn in New York zijn omgebouwd tot luxe appartementen voor hoogopgeleide (en doorgaans witte) professionals. Voormalige arbeiderswijken zijn gerenoveerd of herontwikkeld. Ze staan nu vol met hippe cafés en kroegen, dure sportscholen en biowinkels.

    Exurb

    Deze voormalige betaalbare arbeiderswijken zijn inmiddels aanzienlijk gegentrificeerd. Voor alle duidelijkheid: de bevolkingsgroei in de binnensteden is gering in vergelijking met de suburbanisatie. Er is in feite een nieuwe bevolkingsring ontstaan: de zogenaamde ‘exurb’. De sociaaleconomische samenstelling van deze concentrische cirkels van steden is daarentegen wel veranderd. Vroeger vluchtten rijke stedelingen naar de buitenwijken, nu verhuizen ze veelal juist terug naar de stedelijke kern. De armoede verplaatst zich ondertussen steeds meer naar de buitenwijken. Journalist Alan Ehrenhalt noemt het fenomeen terecht ‘de grote omkering’.

    Stadscentra zijn weer populair en dat is te zien aan de veranderende huizenprijzen binnen de concentrische cirkels van de stad. Uit een onderzoek naar de top twintig steden in de Verenigde Staten blijkt dat er de afgelopen decennia een grote verschuiving heeft plaatsgevonden in de verhouding tussen huizenprijzen en de afstand tot het stadscentrum. De huizenprijzen stegen in 1980 naarmate een woning verder van het centrale zakendistrict af lag, maar in 2010 was dat omgekeerd. De kosten voor woningen in stedelijke centra zijn sindsdien verder gestegen: de gemiddelde huizenprijzen in de vijf binnenste stadsdelen van New York City zijn tussen begin 2010 en begin 2020 vier keer zo snel gestegen als in de rest van de metropool. Tijdens de coronapandemie nam de groei van de huizenprijzen in de voorsteden snel toe, maar die ontwikkeling is inmiddels gestagneerd, waardoor het langetermijnbeeld grotendeels ongewijzigd blijft.

    Waarom verruilen goedbetaalde professionals hun vrijstaande huis met tuin in de buitenwijken voor dichtbevolkte buurten in stedelijke centra? Er spelen veel verschillende factoren mee. Dankzij strengere regulering en de terugloop van vervuilende industrieën zijn steden in rijke landen in de laatste decennia van de twintigste eeuw steeds schoner geworden. De rivier de Theems, die door het hart van Londen stroomt, was lange tijd een bron van afgrijzen voor de inwoners van de stad. In 1858 veroorzaakte de combinatie van industrieel, menselijk en dierlijk afval en warm weer zo’n vreselijke geur dat men sprak van ‘the Great Stink’. De Theems bleef, ondanks latere pogingen om de waterkwaliteit te verbeteren, ernstig vervuild. Het Natural History Museum verklaarde de Theems in 1957 zelfs ‘praktisch gezien dood’. Maar dankzij een schoonmaak- en zuiveringsprogramma dat meerdere decennia heeft geduurd, is de rivier indrukwekkend genoeg hersteld.

    In steden als Chicago vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Door verbeterde milieuregels, zoals het verbod op lood in brandstof, is de luchtkwaliteit van steden in rijke landen aanzienlijk verbeterd, hoewel er nog veel werk aan de winkel is. De luchtkwaliteit in Londen heeft een lange weg afgelegd sinds in 1952 de zogenaamde ‘great smog’ duizenden levens eiste.

    De afgelopen decennia heeft er bovendien een fundamentele verschuiving plaatsgevonden in onze leefgewoonten. Ook daardoor is het steeds wenselijker geworden om in stedelijke centra te wonen. Vanaf de jaren zestig werden stedelijke centra vooral aantrekkelijk voor mensen die niet leefden volgens gangbare burgerlijke normen. Leden van de lhbtq+-gemeenschap omarmden de binnenstad: het was een plek waar ze konden ontsnappen aan het oordeel van de middenklasse in de voorsteden. In de tweede helft van de twintigste eeuw vond er een aanzienlijke stijging plaats van het aantal immigranten. Er vormden zich in de binnensteden diasporagemeenschappen van etnische minderheden, die een contrast vormden met de overwegend witte buitenwijken. Als gevolg daarvan werden de binnensteden opvallend tolerant en open, in tegenstelling tot de buitenwijken.

    Binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt

    Een nieuw ontstane, hoogopgeleide elite draagt op esthetisch vlak een bepaalde tegencultuur uit die vermengd is met de economische voordelen die de overgang naar een kenniseconomie met zich meebrengt. Voor deze groep is niet een woning met een dubbele garage in een of andere buitenwijk een teken van succes, maar een woning in een centrale stadsbuurt, omringd door creativiteit, cultuur en comfort. De levenscyclus van gentrificatie volgde de afgelopen decennia een voorspelbaar patroon: als eerste komen de kunstenaars, dan de projectontwikkelaars en daarna de hoogopgeleide kenniswerkers. Dit proces zie je overal terug, van Shoreditch in Londen tot SoHo in New York en Surry Hills in Sydney.

    Gentrificatie is niet bepaald nieuw. In de afgelopen decennia is het proces echter versneld en uitgebreid naar veel buurten die ooit betaalbare woningen boden aan mensen met lagere inkomens, waardoor grote delen van de stad voor hen onbereikbaar zijn geworden. We mogen niet toelaten dat onze steden bevoorrechte eilanden worden te midden van zeeën van achterstand. Gelukkig is met het juiste beleid en de juiste investeringen een betere, inclusievere en duurzamere toekomst mogelijk.

    De groeiende vraag naar woningen in de binnenstad hangt samen met het feit dat millennials volwassen zijn geworden. Stedelijke centra oefenen een sterke aantrekkingskracht uit op mensen die net aan het begin van hun carrière staan, de wereld willen ontdekken en nieuwe ervaringen willen opdoen. Het is de levensfase waarin iemand net (of bijna) financieel onafhankelijk is geworden, maar nog geen grote woonruimte nodig heeft om zijn gezin te huisvesten. Ongehinderd door dergelijke beperkingen trekken deze mensen naar de stad om te genieten van de opwinding die deze biedt.

    Dat proces wordt nog eens versterkt doordat binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt. Zelfs in dit tijdperk van online daten zijn er maar weinig stellen die hun relatie op de lange termijn volledig virtueel houden. En hoe verder je van drukke, stedelijke centra vandaan woont, hoe kleiner de kans is om een goede match te vinden. Langzaamaan krijgen steeds meer singles een relatie en een gezin, zodat ze meer ruimte nodig hebben en te weinig tijd overhouden om te genieten van het leven in de grote stad. Het resultaat is een exodus: veel ouders met jonge kinderen trekken weg uit de stad.

    Dit cyclische patroon is duidelijk terug te zien in de netto migratiestromen in en vanuit de binnenste stadsdelen van Londen. Hoewel veel tieners na de middelbare school de stad verlaten om naar de universiteit te gaan, keren ze na hun studie terug en brengen ze nog veel meer jongvolwassenen uit het hele land met zich mee. Als gevolg hiervan verandert de netto migratie naar het centrum van Londen onder volwassenen van begin twintig van negatief naar positief. Dat aandeel blijft stijgen tot ze midden twintig zijn – daarna neemt de migratie af. Het aandeel wordt uiteindelijk weer negatief als ze kinderen krijgen en naar de buitenwijken en forensensteden vertrekken.

    Kentering

    De afgelopen twintig jaar is dat patroon echter op twee belangrijke manieren veranderd. Ten eerste is de netto migratie van volwassenen van midden twintig naar het centrum van Londen bijna verdrievoudigd. Ten tweede is de leeftijd waarop de netto migratie omslaat – waarbij er plotseling meer volwassenen vertrekken dan binnenkomen – met wel tien jaar verschoven: van 34 naar 44 jaar. De reden hiervoor ligt in de veranderende demografie. De gemiddelde huwelijksleeftijd is de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen. Toen prins Charles en Lady Diana in 1981 trouwden, lag in het Verenigd Koninkrijk de gemiddelde leeftijd van het eerste huwelijk voor vrouwen op 22 en voor mannen op 24 jaar; toen prins Harry en Meghan Markle in 2018 trouwden, was deze leeftijd gestegen tot respectievelijk 30 en 32. In dezelfde periode is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen in het Verenigd Koninkrijk gestegen van 27 naar 31 jaar. Jonge mensen wachten dus langer totdat ze trouwen en een gezin stichten, waardoor de stedelijke levensstijl langer aantrekkelijk blijft. In steden als Londen wordt wonen steeds minder betaalbaar, waardoor een groeiend aantal jonge mensen de stad uit wordt gedreven. Velen van hen zouden echter liever blijven.

    Deze grote kentering heeft een enorme tol geëist van veel van de meest achtergestelde groepen in de samenleving. Terwijl rijke bewoners zich in de stad vestigen, worden de oorspronkelijke, arme bewoners weggedreven. Voor mensen die toevallig een huis bezitten in een gentrificerende wijk, kan dit een financieel buitenkansje opleveren. Maar jammer genoeg zijn de meest achtergestelde bewoners in deze gebieden vaak huurders, die geconfronteerd worden met snel stijgende woonprijzen. De effecten van gentrificatie zijn minder voelbaar als de buurt in kwestie ooit voornamelijk bestond uit industrieel en commercieel vastgoed. Maar de voorraad van dergelijk vastgoed is in New York, Chicago en Londen al heel snel uitgeput geraakt. Het resultaat is een combinatie van steeds meer geconcentreerde achterstand in een klein aantal binnenstedelijke buurten – zoals de Bronx in New York of Englewood in Chicago – en een algemene trek van armere mensen naar de buitenwijken.

    Vaak komen mensen die door gentrificatie zijn verdrongen in verre buitenwijken terecht. De huizen zijn daar goedkoop, maar er is maar weinig werkgelegenheid. De reistijden naar het stadscentrum zijn slopend, vooral voor mensen die zich geen auto kunnen veroorloven en afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Sheila James, die in de gezondheidszorg werkt, vertelde in een interview met The New York Times dat de vastgoedprijzen in San Francisco haar zo ver buiten de stad hadden gedreven dat haar werkdag om 02:15 uur begon. Tussen 2000 en 2015 is het aantal buitenwijken in de Verenigde Staten met een armoedepercentage van meer dan 20 procent meer dan verdubbeld. De gemiddelde tijd van het woon-werkverkeer neemt in de Verenigde Staten over de hele linie toe, maar stijgt veel sneller onder zwarte en Latijns-Amerikaanse werknemers. Vroeger woonden de meest achtergestelde mensen in arme buurten in de binnensteden, maar nu zitten ze steeds vaker vast in gebieden aan de stadsrand, waar de bevolkingsdichtheid laag is.

    Dat binnensteden worden overgenomen door hoogopgeleide professionals eist duidelijk een hoge tol. Maar het is onduidelijk of het alternatief aantrekkelijker is. In de huidige economie kunnen steden alleen succesvol worden als ze erin slagen om hoogopgeleide kenniswerkers aan te trekken. Deze werknemers willen in trendy stedelijke centra wonen tot ze eind dertig zijn, en misschien zelfs nog langer. Het is geen toeval dat gentrificatie trager verloopt of nagenoeg afwezig is in minder welvarende steden zoals Detroit en Cleveland.

    Hoe kunnen we dit veranderen? Om ervoor te zorgen dat steden toegankelijk zijn voor alle inwoners, en niet alleen voor een gelukkige minderheid, zijn er drie pijlers nodig: eerlijker huisvesting, eerlijker openbaar vervoer en eerlijker onderwijs. Om met het onderwijs te beginnen is het nuttig om te kijken naar rijke landen die erin geslaagd zijn leerlingen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, relatief gelijke resultaten te laten behalen. Het Japanse onderwijssysteem staat dan misschien voornamelijk bekend om de hoge eisen die het aan leerlingen stelt, maar het is tevens een van de meest egalitaire systemen ter wereld.

    Tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd

    Het Japanse onderwijssysteem biedt een aantal waardevolle inzichten. Het eerste is dat de financiering van scholen niet langer afhankelijk moet zijn van lokale inkomensstromen. In de Verenigde Staten is bijna de helft van de financiering van scholen afkomstig van lokale overheidsinkomsten, die sterk afhankelijk zijn van de welvaart van een gebied. In Japan daarentegen is de financiering van lerarensalarissen, schoolgebouwen en andere uitgaven voornamelijk afkomstig van nationale en provinciale besturen. Het feit dat heel weinig leerlingen in het lager en lager middelbaar onderwijs in Japan naar privéscholen gaan, betekent ook dat vrijwel iedereen tijdens deze formatieve jaren deelneemt aan hetzelfde onderwijssysteem.

    Het tweede inzicht is dat leraren niet rechtstreeks door scholen moeten worden ingehuurd. In Japan worden leraren ingehuurd door provincies en daardoor komen ze in de loop van hun carrière meestal bij een aantal verschillende scholen te werken. Hierdoor kan de overheid goed presterende leraren naar achterstandsgebieden sturen. Op die manier wordt de sociaaleconomische kloof in schoolprestaties niet vergroot door ongelijke spreiding van de beste leerkrachten.

    Er bestaan veel andere ideeën over hoe we de ongelijkheid in het onderwijs kunnen verminderen – sommige zijn gemakkelijk te realiseren, andere moeilijker. Onderzoek door Roland Fryer, die aan Harvard werkt, heeft aangetoond dat de prestaties van leerlingen op openbare scholen al sterk kunnen verbeteren door schooldirecteuren simpelweg meer training aan te bieden. In Groot-Brittannië heeft de lerarenvakbond ervoor gepleit om een bepaald aantal plekken op goed presterende scholen te reserveren voor kansarme leerlingen van buiten het schoolgebied. In de Verenigde Staten bestaat er een vergelijkbaar concept: de zogenaamde ‘magneetschool’, die tot doel heeft om getalenteerde leerlingen ongeacht hun achtergrond bij elkaar te brengen. Wat voor effect dit heeft op de kansarme leerlingen die niet geselecteerd worden, is echter nog onduidelijk. Betaalbare huisvesting is misschien wel de meest effectieve manier om de verschillen in onderwijsresultaten binnen steden te verkleinen. Zo krijgen armere gezinnen toegang tot de betere scholen in rijkere buurten.

    In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er steeds meer zorgen over de levenskwaliteit van arme arbeiders, die zichzelf gedwongen zagen in overvolle en krakkemikkige woningen in binnensteden te wonen. Veel rijke landen leverden daarom grote inspanningen om dergelijke gebieden te ontruimen en de woongelegenheid te vervangen door sociale huisvesting, een proces dat in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling raakte. Groot-Brittannië was hierin bijzonder voortvarend: tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd. Dergelijke initiatieven gingen natuurlijk gepaard met de nodige kritiek. Stedenbouwkundige Jane Jacobs hield in de jaren zestig bijvoorbeeld een krachtig pleidooi tegen de aanpak die in New York City gangbaar was: sloppenwijken werden platgewalst en vervangen door levensloze, slecht ontworpen woonprojecten die ten koste gingen van de lokale gemeenschappen.

    Toch heeft sociale huisvesting een belangrijke rol gespeeld in het verminderen van ongelijkheid in steden, doordat alle inwoners van onderdak worden voorzien. Als sociale woningen door de stad verspreid liggen, helpen ze bovendien om sociaaleconomische segregatie tegen te gaan.

    In Londen werden in de naoorlogse decennia bijvoorbeeld ook sociale woningen gebouwd in welgestelde wijken als Chelsea of Primrose Hill. Een voordeel hiervan was dat achtergestelde gezinnen toegang kregen tot dezelfde scholen en lokale diensten als hun welgestelde buren. Vanaf de jaren tachtig gold echter het neoliberale beleid van onder andere Thatcher en Reagan. Sociale huisvesting raakte in veel landen uit de gratie. Het kooprechtbeleid van Thatcher leidde er in Groot-Brittannië toe dat miljoenen woningen aan huurders werden verkocht, waardoor de staat in de daaropvolgende jaren niet langer mensen in nood kon huisvesten.

    Economen begonnen te pleiten voor een marktvriendelijker model: voor arme gezinnen moesten er directe financiële steun komen in de vorm van huisvestingsvouchers. Als gevolg hiervan nam de sociaaleconomische segregatie in veel steden toe, omdat huishoudens met lage inkomens samenklonterden in buurten waar de huren laag waren. In de afgelopen jaren heeft Groot-Brittannië geprobeerd dit probleem te verhelpen door te eisen dat nieuwe woonwijken boven een bepaalde omvang een bepaald aantal woningen onder de marktprijs aanbieden. Maar zelfs als deze woningen worden meegerekend, is het aantal sociale en goedkopere woningen in Groot-Brittannië sinds de jaren tachtig gestaag gedaald.

    Onbereikbaar

    Steden als Wenen laten zien dat het anders kan. Meer dan 60 procent van de inwoners van Wenen woont in gesubsidieerde huurwoningen – terwijl dat in Londen ongeveer 20 procent is en in New York iets meer dan 5 procent. Ongeveer de helft daarvan is eigendom van de gemeentelijke overheid, de andere helft is in het bezit van gesubsidieerde non-profitcoöperaties. De liberale bovengrens voor een huishoudinkomen om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde huisvesting ligt relatief hoog: 53.340 euro voor een alleenstaande bewoner en 79.490 euro voor een stel. Dat betekent dat in deze woonblokken mensen uit een relatief breed sociaaleconomisch spectrum worden samengebracht.

    Door de snelle stijging van de huizenprijzen in veel grote steden is woningbezit – en de rijkdom die dat met zich meebrengt – voor veel mensen steeds onbereikbaarder geworden. De huizenprijzen in Londen, Parijs, New York en Sydney zijn de afgelopen decennia veel sneller gestegen dan het gemiddelde inkomen. Dat maakt het moeilijk om genoeg geld te sparen voor een eerste koophuis.

    Er zijn twee grote boosdoeners die ervoor zorgen dat huizen steeds minder betaalbaar worden. De eerste is dat de rentes jarenlang heel laag zijn geweest, waardoor een hypotheek tot voor kort ongewoon goedkoop was. Mensen die al over het startkapitaal voor een aanbetaling beschikten, konden daarom meer geld inleggen voor een woning, of die nu voor henzelf was of een belegging. Daardoor stegen de prijzen en werd het voor mensen zonder spaargeld moeilijker om een woning te kopen. De recente stijging van de rentetarieven heeft niet geholpen, omdat de kosten van woningkredieten meer zijn gestegen dan de huizenprijzen zijn gedaald. 

    De tweede boosdoener is de langetermijnvertraging in de bouw van nieuwe huizen. Als we de veranderde bevolkingsgrootte in ogenschouw nemen, bouwen rijke landen nu minder dan de helft van het aantal huizen dat ze in 1970 bouwden. Het probleem is vooral nijpend in binnensteden, waar het woningaanbod de afgelopen decennia nauwelijks is gegroeid en de bouwactiviteit vooral is gericht op het opknappen van de al bestaande voorraad. Tussen 2010 en 2019 steeg het totale aantal woningen in de vijf stadsdelen van New York City met slechts 6 procent, terwijl de werkgelegenheid met 21 procent toenam.

    Steden moeten stoppen met uitdijen aan de randen en in plaats daarvan de dichtheid verhogen. Dit hoeft geen eindeloze hoogbouw en vernietiging van erfgoed te betekenen – er kan veel bereikt worden door gebruik te maken van middelhoogbouw en door voormalige kantoren en industriële ruimtes sneller te verbouwen. Aangezien de bevolking in rijke landen vergrijst en jongeren langer alleen wonen, kan het ook helpen om eengezinswoningen sneller op te splitsen in eenpersoonswoningen.

    De laatste pijler voor eerlijkere steden is eerlijker openbaar vervoer. Toegang tot goedkoop vervoer is lange tijd van essentieel belang geweest om de kansarme inwoners van steden toegang te geven tot betaald werk. Toch zijn de bestaande openbaarvervoersystemen in veel grote steden meer dan een eeuw geleden ontworpen en gebouwd, in een tijd waarin armoede heel anders verdeeld was. Naarmate de binnensteden meer gegentrificeerd raken en de armoede zich naar de buitenwijken verplaatst, bestaat het risico dat de infrastructuur in veel steden uiteindelijk de bewoners bedient die haar het minst nodig hebben. De kosten van een maandabonnement zijn in Londen bijvoorbeeld het hoogst voor mensen die van de buitenwijken naar de binnenstad moeten pendelen, terwijl de armoede juist in deze gebieden het snelst toeneemt.

    Ook moet worden nagedacht over hoe het openbaar vervoer gefinancierd wordt. In Londen is meer dan 70 procent van de inkomsten uit het openbaar vervoer afkomstig van kaartjes, twee keer zo veel als in Parijs. Een maandabonnement in Londen voor de zones een tot en met drie – min of meer de binnenste wijken – kost op het moment van schrijven 211 euro. In Parijs kost een metrokaart voor alle zones – waarmee eenzelfde afstand kan worden afgelegd – 84 euro.

    De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen

    Een vervoerssysteem zoals dat van Londen, dat meer afhankelijk is van ticketinkomsten dan van algemene belastingen, legt een grotere financiële druk op de armste inwoners van de stad en vergroot het risico dat ze vast komen te zitten in problematischer buurten. Toch is het Londense systeem, ondanks al zijn gebreken, veel beter dan de infrastructuur in Amerikaanse steden als Los Angeles of Atlanta, die volledig is gericht op autorijden. Het gebrek aan openbaar vervoer houdt de inwoners aldaar die zich geen auto kunnen veroorloven arm.

    Door de pandemie zijn steeds meer mensen op afstand gaan werken. Drie jaar later hebben we een duidelijker beeld van wat voor invloed dat op steden heeft gehad. De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen: bewoners hechten waarde aan meer dan alleen reistijd. Toch eist de daling van het woon-werkverkeer in de centrale zakenwijken een grote tol: kantoren staan leeg, het openbaar vervoer is onderbenut en de winkels en restaurants die forenzen bedienden, hebben moeite te overleven. De verpaupering van het centrum van San Francisco illustreert dergelijke risico’s. Het langdurig daklozenprobleem waaronder de stad gebukt gaat, wordt verergerd door onbetaalbare huisvesting. Het is tijd voor gedurfd beleid, gebaseerd op een verfrissende, nieuwe aanpak.

    Steden zijn in alle samenlevingen een bron van vernieuwing. Al vijfduizend jaar vormen ze de motor van vooruitgang en stimuleren ze samenwerking, specialisatie en creativiteit: de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de mensheid. Vandaag leven er meer mensen in steden dan ooit tevoren. Het is noodzakelijk dat we leren hoe we steden kunnen verduurzamen en toegankelijk kunnen maken voor iedereen, en niet alleen voor die paar gelukkigen.

    Dit is een bewerkt uittreksel uit Age of the City: Why Our Future Will Be Won or Lost Together door Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

  • Twee broers, één recept en een bittere breuk

    Twee broers, één recept en een bittere breuk

    De broers Fouad en Zouhair dreven jarenlang de beste falafelzaak van Libanon, die alle conflicten in het land overleefde. Tot ze een zakelijk geschil kregen. Nu hebben ze twee zaken, pal naast elkaar, en spreken ze niet meer met elkaar.

    Vroeger, toen Mustafa Sahyoun jr. in de falafelzaak van zijn oom Zouhair werkte, bracht zijn vader Fouad hem ’s middags wel eens in zijn bonkige Peugeot 304 naar zijn werk, schuddend over de met kogelgaten en granaatkraters bezaaide weg. In het niemandsland tussen Oost- en West-Beiroet werden de wegen onbegaanbaar door het puin van kapotgeschoten gebouwen en moest Mustafa te voet verder. Hij stapte uit de veilige Peugeot en zocht zijn weg over een verlaten, stoffig pad dat door de ‘Groene Grens’ liep, een lange strook verwoeste gebouwen die tussen 1975 en 1990, ten tijde van de Libanese Burgeroorlog, als enige bufferzone tussen de strijdende christelijke en islamitische partijen had gediend.

    Mustafa beschikte over een identiteitsbewijs waarmee hij langs de controlepost in de wijk Mathaf mocht. Hij hield een taxi aan, waarmee hij het resterende deel aflegde van de route naar Zouhairs falafelzaak in het christelijke Oost-Beiroet. Na zijn reis door de verwoeste stad stond Mustafa de rest van de dag kikkererwten te pureren en er knapperige falafelballetjes van te frituren, die hij met verse peterselie, plakjes tomaat, gehakte radijs en veel taratorsaus vol knoflook in pitabroodjes propte. Fouad en Zouhair, die in de roerige jaren zeventig en tachtig allebei hun eigen falafelzaak in Beiroet hadden, vonden het belangrijk dat de jonge Mustafa net als zij stap voor stap de kunst van het falafel maken leerde.

    De broers waren erg close en beschouwden hun falafelzaken als een gezamenlijke onderneming, ook al had ieder de zijne. Toen de oorlog hen van elkaar scheidde, omdat ze ieder in een ander deel van de stad woonden, maakten ze de gevaarlijke reis door niemandsland om elkaar indien nodig te helpen.

    Een witbetegelde muur scheidt de broers van elkaar

    Veertig jaar later zijn de afstand en de conflicten die Fouad en Zouhair van elkaar scheidden er niet meer. Toch werden de broers opnieuw uit elkaar gedreven. Ze werken elke dag een paar meter bij elkaar vandaan en maken falafel op de manier die ze van hun vader hebben geleerd. Maar in plaats van dat ze een keuken delen, is Zouhair de enige eigenaar van de oorspronkelijke zaak aan de Damascusstraat met blauwe neonverlichting. Eén pand verderop heeft Fouad zijn eigen, nieuwe filiaal, versierd met rode neonlichten waar ‘Falafel M. Sahyoun’ op staat. Slechts een witbetegelde muur scheidt de broers van elkaar: een grens die nooit wordt overschreden. Ze wisselen geen woord meer.

    Fouad en Zouhair erfden het familiebedrijf van hun vader, de eerste Mustafa Sahyoun, die in 1933 in een achterafstraatje een van de eerste falafelzaken in het centrum van Beiroet opende. Een paar jaar later, toen de stad was gegroeid, opende hij de grote zaak aan de Damascusstraat. In de twintig jaar daarna werd falafel meer dan alleen een manier om geld te verdienen: Mustafa droeg zijn geheime recept over aan Fouad en Zouhair, twee van zijn zes zoons, die nog steeds elke stap van de originele bereidingswijze volgen.

    De oude Mustafa leerde zijn zoons het vak met vallen en opstaan, na school en in het weekend, en liet ze toekijken terwijl hij de broodjes falafel voor de klanten maakte. Van de soort peterselie die op de plaatselijke markt wordt gekocht tot de manier waarop het deeg voor het broodje wordt gekneed: elk onderdeel van het proces is uitgedacht en heeft een reden.

    Fouad Sayhoun in zijn zaak.
    Fouad Sayhoun in zijn zaak.

    Het beste recept

    Falafel wordt overal in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee gegeten. Het zou zijn ontstaan in Egypte, waar Koptische christenen het tijdens de vasten bereidden als alternatief voor vlees. Maar zoals iedereen in Beiroet je kan vertellen, denken de Libanezen dat zij het gerecht hebben geperfectioneerd en wordt Sahyouns recept algemeen als het beste beschouwd, zowel door eetrecensenten als door het publiek. Het verschilt iets van de andere recepten: Mustafa stond erom bekend dat hij alleen bonen en kruiden toevoegde, en geen uien (omdat hij niet wilde dat zijn klanten uit hun mond roken), maar wel peterselie die koks uit andere culturen gebruiken. Het resultaat is een falafel die van buiten krokant maar vanbinnen vochtig is en iets vlezigs heeft: een zilt, rijk contrast met de knapperige radijs, de sappige tomaat en de verse peterselie en munt eromheen.

    Falafel slecht alle sociaaleconomische grenzen. In de zaken van de broers kost een broodje falafel zo’n anderhalve euro. Je kunt ze meteen opeten of per tien meenemen in een plastic tasje. Vooraanstaande Libanese politici lopen er even gemakkelijk binnen als bouwvakkers in vieze overalls. Ze eten hun broodje buiten of staand aan een van de vitrines met natuurstenen blad. Volgens zowel Fouad als Zouhair stuurden verschillende voormalige Libanese presidenten lijfwachten of chauffeurs naar hun zaak om grote aantallen broodjes te halen.

    De familie Sahyoun is islamitisch, maar daar merkte je in het bedrijf weinig van. Zelfs toen de Libanese burgeroorlog op zijn hevigst was, verkocht Falafel Mustafa Sahyoun broodjes aan alle partijen die deelnamen aan de bloedige sektarische strijd. Gemakkelijk was dat niet. De beide broers herinneren zich gewelddadige confrontaties op de stoep van de zaak en geschreeuw van mannen met kalasjnikovs. ‘Als er iets aan de hand was, lag het hele land plat,’ zei Fouad. ‘De volgende dag moest je weer door.’

    Zouhair Sahyoun (rechts), in zijn zaak.
    Zouhair Sahyoun (rechts), in zijn zaak.

    Doordat de zaak van Mustafa senior aan de Groene Grens lag die de moslims van de christenen scheidde, lag hij midden in het oorlogsgebied. Nadat Mustafa in 1977 was gestorven en het conflict was verhevigd door de moord op een prominente christelijke politicus, zagen de broers zich genoodzaakt de zaak te sluiten.

    De stad werd letterlijk verscheurd, en Fouad en Zouhair kwamen ieder aan hun eigen kant van de scheidslijn te wonen. Fouad woonde in West-Beiroet, Zouhair in de buurt van het huis van zijn vader, in het oosten van de stad. Het was sowieso al moeilijk om tijdens de burgeroorlog een zaak draaiende te houden, maar de broers stonden ook nog eens voor de onmogelijke taak de Groene Grens over te steken wanneer ze wilden samenwerken. Uiteindelijk besloot Fouad een pand in West-Beiroet te kopen en erboven te gaan wonen, terwijl Zouhair een falafelzaak in Oost-Beiroet begon.

    Toen er in 1990 eindelijk een einde aan de strijd kwam, bestond Falafel Mustafa Sahyoun nog steeds en keerden Fouad en Zouhair al snel terug naar de Damascusstraat. Hun zaak was na de jarenlange oorlog in één grote puinhoop veranderd, de straat waaraan hij lag was er nog erger aan toe. ‘Alles lag aan diggelen,’ zei Fouad. ‘We hadden een week nodig om het te herstellen. Er was geen weg meer, dus je kon er niet met de auto komen. Daarom parkeerden mensen om de hoek en kwamen ze hiernaartoe lopen.’

    ‘Hij is mijn broer niet meer. Het is afgelopen, voorbij’

    De broers knapten de zaak op en sloegen aan het koken. Terwijl Beiroet opkrabbelde, kwamen de eerste klanten. ‘Toen onze voormalige klanten wisten dat we hier zaten, kwamen ze terug en vertelden ze het aan anderen door,’ zei Fouad. ‘Er ging een jaar overheen voordat iedereen het wist.’

    Falafel Mustafa Sahyoun liep twaalf jaar lang als een trein, tot 2006, opnieuw een gewelddadig jaar. Hoewel de zaak lang niet zo leed onder de Israëlische invasie als onder de burgeroorlog, eindigde het jaar met een onoverkomelijk verschil van inzicht tussen de broers over de toekomst van het bedrijf. Fouad stapte eruit, trok in het pand naast de oorspronkelijke zaak en begon een concurrerend falafelrestaurant met hetzelfde menu, logo en recept.


    Geen van beide broers laat zich uit over de breuk, maar de sfeer van verbittering is te proeven in de paar meter die hen van elkaar scheidt. ‘Ik doe het niet voor het geld, maar om de naam van mijn vader hoog te houden,’ zei Fouad. ‘Of je doet het voor je naam óf voor het geld. Ik heb voor de naam gekozen. Hij is mijn broer niet meer. Het is afgelopen, voorbij.’

    Nu de broers geen woord meer met elkaar wisselen, moeten klanten tussen de twee zaken kiezen, hoewel het product min of meer hetzelfde is. In Fouads zaak kun je ook pittige chilisaus krijgen, terwijl Zouhairs oorspronkelijke vestiging uitsluitend de op tahin gebaseerde taratorsaus serveert. De broers zitten op maar een paar meter bij elkaar vandaan achter de kassa. Ze groeten hun vaste klanten en houden scherp in de gaten welke zaak een nieuwkomer binnengaat.

    Auteur: Mohamad Yaghi
    Vertaler: Nico Groen

    Roads & Kingdom
    VS, roadsandkingdoms.com
    Tijdschrift voor eten, politiek, reizen en cultuur. Begon in Myanmar met de focus op Birmees nieuws maar wordt inmiddels gemaakt in New York en Barcelona. Onlangs uitgeroepen tot Best Travel Journalism Site. Werkt o.a. samen met Slate.

  • En u, meneer de president?

    En u, meneer de president?

    Algerije verkeert in crisis sinds de olieprijs is gekelderd. Per 1 januari heeft president Bouteflika strenge bezuinigingsmaatregelen ingevoerd. Maar, vraagt journalist Abdou Semmar zich af, zouden die niet voor iedereen moeten gelden?

    Het is crisis. De financiële reserves van de overheid verdwijnen als sneeuw voor de zon. Megaprojecten als de uitbreiding van de metro in Algiers zijn in de ijskast gezet. 2016 begint met verhogingen van de elektriciteits- en brandstofprijzen en een groot aantal andere consumptiegoederen. De dinar is in een vrije val geraakt, de inflatie is op hol geslagen. Ondertussen stuurt Abdelaziz Bouteflika, de president die zich alleen in geschreven vorm tot zijn volk richt, ons een boodschap waarin hij zonder blikken of blozen aan ons vraagt om ‘offers te brengen’ vanwege deze crisis, waarvan het einde nog niet in zicht is nu de prijs van een vat olie rond de 25 dollar zit en mogelijk richting de 20 dollar zal zakken.

    Tot het tegendeel bewezen is, hangen de prestaties van een leider niet af van hoe fraai zijn dienstauto glanst

    Opofferingen. Het is een term die nogal gevoelig ligt bij een volk dat het klappen van de zweep in dit opzicht kent. Maar zijn onze leiders in deze crisis eigenlijk bereid om zelf offers te brengen? Bouteflika heeft ze op dit punt tot nu toe helemaal niets opgedragen. Zo blijven, midden in een financiële crisis, onze hoge ambtenaren, ministers, directeuren van staatsbedrijven en hoge pieten van militaire en civiele instellingen in glanzende Duitse auto’s rondrijden. Van de president tot de ambtenaren op ministeries en bij overheidsinstellingen, allemaal zitten ze met hun doorluchtige derrières nog steeds in Audi’s, Volkswagens en Mercedessen. Zou het nu echt zo’n opoffering voor ze zijn om van die luxe wagens over te stappen op Renaults Symbol made in Oran? De overheid zou mooi kunnen bezuinigen en tegelijk een krachtig signaal aan de samenleving afgeven door deze schandalig luxe wagens af te schaffen, ze te verkopen en de inkomsten uit de verkoop in de schatkist te storten.

    Demonstraties tegen de bezuinigingen vanuit het Algerijnse parlement, 12 januari 2016.
    Demonstraties tegen de bezuinigingen vanuit het Algerijnse parlement, 12 januari 2016.

    Privileges

    Tot het tegendeel bewezen is, hangen de prestaties van een leider niet af van hoe fraai zijn dienstauto glanst. Er is dus geen reden om deze levensstijl voort te zetten terwijl ons land steeds meer gebrek lijdt. Opofferingen zegt u, meneer de president? Waarom dan niet voor altijd de Club des Pins [een soort gated community] sluiten, dat ‘groengebied’ waar de bobo’s van het regime en hun trouwe aanhang op kosten van de Algerijnse schatkist verblijven? Elk jaar gaan er zonder enige transparantie aanzienlijke sommen geld op aan voedsel, onderdak en onderhoud van de villa’s van onze leiders. Zou dit geld niet beter besteed zijn als het in meer strategische sectoren werd geïnvesteerd, om zo de huidige financiële crisis het hoofd te bieden? Trouwens, waarom zou de Club des Pins niet opnieuw een toeristendorp kunnen worden en op die manier weer inkomsten genereren?

    Jammer genoeg heeft op dit moment alleen nog maar de kleine man met opofferingen te maken, terwijl die het al zwaar te verduren heeft door de hoge kosten van levensonderhoud. Erger nog, de overheid blijft privileges uitdelen aan hoge functionarissen. Kijk maar naar die majestueuze villa die een Chinees bedrijf in Hydra [een wijk in Algiers, op zo’n zes kilometer van het centrum] heeft gebouwd, vlak bij het ministerie van Energie en Mijnbouw. Het is een waar paleis, van alle gemakken voorzien. Volgens meerdere bronnen zou deze villa van ruim een miljoen euro moeten dienen als tweede officiële residentie van onze geëerde Abdelaziz Bouteflika, de president die zijn volk vraagt zich opofferingen te getroosten.

    Dovemansoren

    Zelfs ons leger voorziet zichzelf geregeld van nieuw materieel en nieuwe wapens. Zijn deze dure uitgaven echt nodig voor de nationale veiligheid? Wie het weet, mag het zeggen. In ieder geval is het totaal niet transparant hoe de megabegroting van het leger – ruim twaalf miljard dollar – wordt beheerd.

    Financiële crisis zegt u? Maar dan wel alleen voor het voetvolk. Want onze leiders, beneveld als ze zijn door de hoogte van hun ivoren torens, blijven doof voor de wanhoopskreten van de samenleving en zetten hun comfortabele levens gewoon voort. Die dovemansoren van ze, die kunnen ons land nog wel eens heel duur komen te staan!

    Auteur: Abdou Semmar
    Vertaler: Tess Visser

    Abdou Semmar is hoofdredacteur van Algérie-Focus.

    Algérie-Focus
    Algerije, website, www.algerie-focus.com
    Onafhankelijk en geëngageerd, brengt sinds 2008 Algerijns nieuws en achtergronden onder het motto ‘De plicht om te weten’.