Tag: insecten

  • Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Uit Pools onderzoek blijkt dat eetbare insecten uitermate geschikt zijn om milieuproblemen als de hoge CO2-uitstoot en overbevissing tegen te gaan. Maar zullen we ze ooit lekker gaan vinden?

    Tijdens het proeven van eetbare insecten kwam ik erachter dat ik een fobie heb voor nieuwe gerechten. En ik was nog wel naar de Economische Universiteit van Wroclaw (UEW) gekomen in de overtuiging dat ik alles zou gaan proberen. Als het laboratorium van de opleiding Levensmiddelentechnologie zou worden omgetoverd tot een restaurant met een menu à la carte, dan zou je onder andere kunnen kiezen uit linzenpasta, broodjes en brosse koekjes waarin huiskrekelmeel is verwerkt, een chocoladedrankje waaraan versnipperde krekel is toegevoegd en complete insecten met verschillende smaken: honing-mosterd, zure room met uitjes, chili met limoen of gewoon met zeezout.

    ‘Ze zijn echt heel lekker,’ beweert Agnieszka Orkusz, professor aan de UEW.

    De zojuist genoemde kotelet was een combinatie van ‘gewoon’ vlees en larven, die niet versnipperd waren, maar in hun geheel waren toegevoegd, zoals je rozijnen in een kwarktaart doet.

    In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram

    ‘De verhoudingen kun je helemaal zelf kiezen. Hoe meer insecten je toevoegt, hoe meer eiwitten je binnenkrijgt. In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram. Daarnaast zit er ook nog calcium, zink en ijzer in. Het is dus een zeer rijke voedingsbron,’ gaat Orkusz verder.

    Het eiwitgehalte van verschillende soorten eetbare insecten ligt tussen de 13 en 81 procent. Ter vergelijking: rundvlees en pluimvee bevatten 19 tot 26 procent eiwit, en vis en zeevruchten 13 tot 28 procent.

    In het geval van insecten is er echter sprake van een barrière. Misschien geldt het niet voor iedereen, maar veel mensen krijgen spontaan een groen gezicht als het over het eten van insecten gaat. Bij de koteletjes zit het probleem hem in het feit dat de larven zichtbaar zijn. Een kotelet met larven associeer ik met iets wat bedorven is, en dat zullen de meeste mensen hebben. Bij sprinkhanen is de drempel waarschijnlijk wat lager, maar ook dan moet je nog een aardige stap zetten voordat je je eraan waagt. En zelfs het besef dat insecten zo veel voedingswaarden bevatten, zal niet altijd helpen.

    Weerzin 

    Het zal dus niet meevallen om zo’n aanbod succesvol op de markt te brengen. We zijn nu eenmaal geen culinaire lekkernijen met insecten gewend, zoals mensen in het Verre Oosten, waar insecten als dagelijkse kost gezien worden. Ook eet men ze daar als streetfood, met alles erop en eraan: pootjes, haartjes, en voelsprieten en dergelijke.

    ‘Dat zijn producten voor degenen die hun weerzin al overwonnen hebben,’ merkt Orkusz droogjes op.

    Die weerzin verdwijnt wanneer er geen insecten te zien zijn. En het maken van zulke producten levert geen enkel probleem op. Het eerder beschreven brood met krekelmeel erin, dat ik moeiteloos weghapte, bevatte 10 procent insectenmeel, maar ze hebben hier al broden gebakken met maar liefst 40 procent insectenmeel, broden met een erg hoog eiwitgehalte dus. Versnipperde insecten zijn ook geschikt voor verschillende soorten worst.

    Er zijn heel wat argumenten die voor het eten van insecten pleiten: ze hebben een hoge voedingswaarde en je hebt er maar weinig voor nodig om ze te produceren, zeker in vergelijking met het fokken van slachtvee. Zo hebben krekels zes keer zo weinig voedsel nodig als koeien, vier keer zo weinig als schapen en twee keer zo weinig als varkens en kippen. Daar komt nog bij dat insecten minder broeikasgassen en ammoniak uitstoten dan boerderijdieren.

    De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee

    ‘De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee. Daarom zijn insecten een belangrijk alternatief voor de productie van kostbare eiwitten. De verwerking ervan stelt weinig voor: je hoeft ze alleen maar te drogen en te vermalen. Met deze grondstof kun je heel goed producten maken die rijk zijn aan eiwitten en vezels. Je kunt je natuurlijk afvragen in welke vorm. We hebben hier een aantal standaardproducten, zoals koteletten, koekjes en brood. Maar je kunt van insecten bijna alles maken,’ vertelt Joanna Harasym, professor aan de UEW en directeur van de leerstoel Biotechnologie en Voedselanalyse op de afdeling Vormgevingstechniek.

    In de werkplaats voor levensmiddelentechnologie aan de UEW worden de mogelijkheden van 3D-printers onderzocht. Er wordt gebruikgemaakt van printers met een extruder; die verwerken een basis – een pasta gemaakt van versnipperde insecten vermengd met water –  tot producten met iedere gewenste vorm en smaak.

    ‘Nadat je er een bepaalde vorm aan gegeven hebt, wordt het product gebakken of gedroogd. Insecten bevatten veel onverzadigde vetzuren, daarom moet de warmtebehandeling heel precies gebeuren. Het belangrijkste is dat we op deze manier een product kunnen maken dat aantrekkelijk is voor onze zin-tuigen en niet meer doet denken aan een insect,’ verklaart Harasym.

    In een 3D-printer kun je verschillende pasta’s mengen, bijvoorbeeld van insecten, vlees, groente et cetera. Op die manier kunnen onder andere evenwichtige maaltijden worden samengesteld voor oudere mensen, bijvoorbeeld in de vorm van gelei.

    Neofobie

    Wetenschappers van de UEW hebben een grootschalig onderzoek uitgevoerd om erachter te komen welke factoren onze neofobie voor eetbare insecten minimaliseren. Eén factor ligt erg voor de hand. Het bleek dat iemand die in Azië of Afrika geweest is overduidelijk minder last heeft van neofobie dan mensen die een dergelijke ervaring niet hebben opgedaan. ‘Denk je dat eens in: we gaan naar Azië en onze afschuw verdwijnt compleet. Ineens wagen we ons aan die schorpioen op een stokje of een ander insect.’ 

    Harasym vervolgt: ‘Uit het onderzoek bleek verder dat mensen die naar eigen zeggen van zeevruchten hielden zich vaker onverschrokken aan de insecten waagden. Zowel het een als het ander heeft pootjes en haartjes; een garnaal ziet er eigenlijk gewoon uit als een wit of rood insect.’

    Is het dus puur een kwestie van gewenning? Het punt is dat er in Europa nog weinig gelegenheid is om gerechten te nuttigen met insecten in de hoofdrol. 

    Op de wereld is er een enorme hoeveelheid eetbare insecten te vinden, meer dan 1900 soorten maar liefst. Geschat wordt dat meer dan twee miljard mensen op de wereld verschillende soorten insecten eten. Wie weet of het over een tijdje in Europa mogelijk is om schorpioenen uit een lokale kwekerij te nuttigen, misschien op een stokje of met een laagje suiker? Voorlopig hoeven we daar echter nog niet op te rekenen.

    Tot nu toe heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid drie soorten eetbare insecten groen licht gegeven: sprinkhanen, huiskrekels en meelwormen. De twee laatste vormen de basis van de onderzoeken die op dit moment aan de UEW worden uitgevoerd. Waarom die twee? ‘Ze zijn het goedkoopst en het makkelijkst te produceren. De grondstof halen we uit het buitenland. Voor zover ik weet worden deze krekels en larven in Polen nog niet gekweekt voor menselijke consumptie, maar er zijn enkele bedrijven die met zulke plannen bezig zijn. Sprinkhanen zijn nog niet zo lang toegestaan, daarom is het nog vrij lastig om die bij gecertificeerde bedrijven in te kopen. Dat zal over een jaar al makkelijker zijn,’ aldus Orkusz.

    We moeten ons door een diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen

    De meeste kwekerijen voor eetbare insecten zijn op dit moment actief in Nederland en Italië. ‘Mocht er iemand zijn die in Polen zoiets wil opzetten, in samenwerking met ons, dan is hij van harte welkom. Ook op het gebied van receptuur beschikken wij over alle nodige kennis. Het is nog helemaal niet zo eenvoudig om iets te maken wat qua smaak acceptabel is,’ voegt Orkusz toe. ‘We moeten ons alleen door die diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen. Aan de andere kant is de mens nieuwsgierig van aard, dus als het er aantrekkelijk uitziet en het ruikt lekker, dan zal hij het graag willen proberen.’

    De meeltor ‘kweken’ we onbewust (in meelproducten) en krekels springen bij ons in de wei rond, maar die kunnen we beter met rust laten. Misschien zijn ze ook geschikt als voedsel voor mensen, maar vanwege de voorschriften zal niemand er brood in zien om ze op industriële schaal te kweken.

    In Polen worden wel insecten geproduceerd voor in dierenvoer. Er zijn echter nog geen kwekerijen die eetbare insecten voor mensen produceren.

    ‘Eetbare insecten moeten worden gekweekt binnen een gesloten systeem, onder de juiste omstandig-heden en mogen alleen worden verkocht wanneer ze veilig zijn voor de consument. De eisen die hieraan gesteld worden, zijn vastgelegd in Europese verordeningen,’ benadrukt Harasym. ‘In het buitenland zijn ze gewoon eerder begonnen met de productie voor menselijke consumptie. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat dat bij ons ook gebeurt. Ik hoop dat deze vorm van productie binnen twee jaar in Polen van start zal gaan.’

    Economische voordelen

    En wat gebeurt er verder als de insecten eenmaal gekweekt zijn? Op dit punt is het productieproces relatief eenvoudig en goedkoop. Dan worden ze in-gevroren, vervolgens gedroogd, en daarna kun je ze op verschillende manieren gebruiken bij de bereiding van bepaalde voedingsproducten.

    Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart

    ‘De kweek van eetbare insecten levert veel economische voordelen op. Er is weinig inzet van kapitaal of grondgebied voor nodig. Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart. Deze markt zal in de toekomst zeer invloedrijk worden,’ concludeert Orkusz.

    Ook niet onbelangrijk is het feit dat de veeteelt momenteel verantwoordelijk is voor bijna 20 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast kun je moeilijk tot in het oneindige koeien, varkens en pluimvee blijven fokken. Daar zijn enorme hoeveelheden voer en water voor nodig, en ook steeds grotere stukken grond. Of kan de groeiende wereldbevolking haar eiwitten dan misschien uit de zeeën en oceanen halen? Die hebben helaas steeds meer te lijden onder overbevissing. Insecten hebben dus potentieel. Temeer omdat ze voor een groot deel van de mensheid een vertrouwd en welbekend culinair fenomeen zijn. 

    Lees ook:

  • Hoe Nederland een uniek lustoord is voor bestuivende insecten

    Hoe Nederland een uniek lustoord is voor bestuivende insecten

    Nederland is een van de weinige landen die een uitgewerkte strategie heeft om honingbijen, wilde bijen, zweefvliegen, kevers, vlinders en andere soorten te ondersteunen.

    In de zomer is Utrecht op verschillende plaatsen een waar kleurenfestijn: wilde bloemen in talloze tinten oranje, rood, geel en paars staan dan te bloeien in de zon. Deze veldjes wilde bloemen zijn er niet alleen voor het oog: ze zijn onderdeel van een heel scala aan Nederlandse initiatieven ten behoeve van bestuivende insecten, die allemaal onderdeel zijn van een ambitieus overheidsprogramma om honingbijen, wilde bijen, zweefvliegen, kevers, vlinders en andere soorten te ondersteunen.

    Nederland is een van de weinige landen met een uitgewerkte strategie om de afname van bestuivers te stuiten. Deze Nationale Bijenstrategie, gelanceerd in 2018, omvat doorlopende programma’s en formuleert heldere en meetbare maatstaven voor succes. Deze strategie blijkt nu al een voorbeeld voor andere landen die hun bestuivers willen beschermen.

    ‘Het Nederlandse landschap staat te zwaar onder druk’

    In Nederland begon het belang van bestuivers de afgelopen tien jaar door te dringen, nadat de bijenpopulaties vanaf halverwege de jaren veertig steeds verder waren afgenomen. Wilde natuur en landelijke gebieden waren veranderd in landbouwgrond en stedelijk gebied, waarbij ook steeds meer bestrijdingsmiddelen werden gebruikt, zodat nu meer dan de helft van de bijna 360 bijensoorten bedreigd is. ‘Het Nederlandse landschap staat te zwaar onder druk,’ zegt Marten Schoonman van het Naturalis Biodiversiteitscentrum in Leiden.

    Al ruim tien jaar geleden begon Nederland, de op een na grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld, met beschermingsmaatregelen. In 2013 lanceerde de overheid het Actieprogramma Bijengezondheid, dat zich richtte op honingbijen. In 2016 richtte Nederland samen met dertien andere landen Promote Pollinators op, een samenwerkingsverband van landen (inmiddels zijn het er dertig) die kennis delen over de bescherming en het behoud van bestuivers.

    Lustoord

    Maar met de Nationale Bijenstrategie onderscheidt Nederland zich van alle andere landen. Vanaf de start in 2018 zijn er rond de zeventig initiatieven geweest die Nederland tot een lustoord voor bestuivende insecten moeten maken, onder andere door meer nestelplekken te creëren en het voedselaanbod voor bestuivers te vergroten. ‘Er is in het verleden veel biodiversiteit vernietigd,’ zegt Nicky Kruizinga, projectleider van de strategie. ‘We hebben een grote achterstand in te halen.’

    De Nationale Bijenstrategie omvat op dit moment 120 initiatieven, zowel in binnensteden als in landbouwgebieden. De programma’s worden opgezet en uitgevoerd door de deelnemers zelf, waarbij het gaat om non-profit-organisaties, collectieven, gemeentes en provincies. Zij volgen de algemene richtlijnen waar het gaat om het bieden van voedsel en nestelmogelijkheden aan bestuivers. 

    Geerpark Vlijmen Insecten hotel
    Insectenhotel Geerpark in Vlijmen.  © Wikimedia CC

    ‘Er wordt veel energie gestoken in de strategie, en dat is een grote verandering in vergelijking met tien jaar geleden,’ zegt David Kleijn, hoogleraar plantenecologie en natuurbehoud aan de Universiteit van Wageningen, die betrokken was bij het formuleren van de doelen. ‘Door de Nationale Bijen-strategie is er aandacht gekomen voor bestuivers; mensen zijn zich ervan bewust geworden hoe die in aantal teruglopen en zijn gemotiveerd geraakt om daar iets aan te doen. Nu zijn er meer dan honderd initiatieven. In die zin is de strategie een groot succes.’

    Positieve populatieontwikkeling

    Het bredere doel van de Nationale Bijenstrategie is dat ‘een aantal bijensoorten in 2023 en 2030 een stabiele of positieve populatieontwikkeling laat zien’. Dit doel is verder ontleed in meetbare targets voor die jaren. Het doel voor 2023 is om het aantal soorten dat een neergaande trend vertoont met 30 procent te verkleinen en het aantal soorten dat een stijgende trend vertoont met 30 procent te vergroten, ten opzichte van een nulmeting uit 2012. In 2030 blijft het brede doel hetzelfde als in 2023, maar de target gaat omhoog naar 50 procent vergeleken met de nulmeting uit 2012.

    Kleijn: ‘Een van de frustrerendste dingen bij het evalueren van een strategie is wanneer er geen concrete doelen zijn gesteld. In dit geval zijn de doelen meetbaar, zodat onderzoekers kunnen nagaan of ze worden bereikt.’

    Tot de meer dan negentig deelnemers aan de strategie behoren zeven van de twaalf provincies en een aantal gemeenten, die verschillende maatregelen hebben genomen: het aanleggen van veldjes met wilde bloemen, het plaatsen van insectenhotels en van groene daken, en het instellen van een verbod op het gebruik van pesticiden in openbaar groen.

    Lokaal

    Andere deelnemers zijn heel lokaal, zoals De Fruitmotor, een coöperatie die cider maakt van ‘lelijke’ appels die niet te verkopen zijn omdat ze misvormd zijn of plekken hebben. ‘Wat de coöperatie verdient, wordt geïnvesteerd in het zaaien en planten van stuifmeel en nectar producerende planten, om zo een bestuivervriendelijke zone te creëren rond de Betuwe,’ zegt Henri Holster, oprichter van De Fruitmotor. ‘Deze planten bloeien op verschillende momenten in het jaar, van vroeg in het voorjaar tot laat in het najaar, en leveren daarmee een constante voedselvoorziening voor bijen en andere insecten.’

    ‘Alle deelnemers werken toe naar hetzelfde doel: meer voedsel en beschutting voor bestuivers’

    Zelfs initiatieven van individuele particulieren kunnen deelnemen aan de Nationale Bijenstrategie, zoals de Honey Highway, een onderneming van bijenliefhebber Deborah Post die met gemeenten samenwerkt om wilde bloemen langs snelwegen, spoorlijnen en waterwegen te zaaien. Zo worden stukken land waar geen biodiversiteit meer was, bestuiverrijke zones. 

    Nationale Bijenstrategie Tekening Theory of Change
    Infographic Nationale Bijenstrategie

    ‘Alle deelnemers werken toe naar hetzelfde doel: meer voedsel en beschutting voor bestuivers,’ zegt projectleider Kruizinga. In 2018 en 2019 organiseerde de Nationale Bijenstrategie een grote bijeenkomst waar deelnemers elkaar konden ontmoeten en van elkaar konden leren. ‘Wat echt goed werkt, is dat onze partners op verschillende niveaus zijn gaan samenwerken, waardoor er heel veel kennis wordt gedeeld.’

    Diversiteit en rijkdom

    De Nationale Bijenstrategie stelt zich ten doel om zo veel mogelijk deelnemers en bestuivervriendelijke initiatieven te activeren. Naturalis, waar Schoonman werkt, is als kennispartner van de strategie betrokken bij de uitrol ervan. ‘Mensen bewust maken van de diversiteit en rijkdom van bestuiversoorten speelt een belangrijke rol in het behoud van die soorten. Daarom is de bijentelling zo belangrijk.’ Hij heeft het over de jaarlijkse telling door mensen in het land, die Naturalis organiseert.

    Dit jaar vond de vijfde editie van de bijentelling plaats. In een weekend in april telden bijna vierduizend vrijwilligers uit het hele land een halfuur lang bijen in hun tuin. Bovenaan de lijst met waargenomen soorten stond ook dit jaar weer de honingbij. De gehoornde metselbij bleek nog steeds een van de meest voorkomende wilde bijensoorten in tuinen te zijn, terwijl die tien jaar geleden nog vrij zeldzaam was in Nederland. 

    De bijentelling helpt om trends in de bestuiverpopulaties bij te houden, maar kent haar beperkingen. Zo kan het programma zich niet bezighouden met onderwerpen als het gebruik van pesticiden of industriële vervuiling. ‘Hoe krijgen we boeren zover dat ze minder of geen bestrijdingsmiddelen gebruiken, zodat bestuivende insecten daar niet door worden aangetast?’ vraag Kruizinga zich af. Het veranderen van denkpatronen en gedrag kost tijd, zeker als er commerciële belangen meespelen. ‘Boeren zijn gewend op economisch voordelige of tijdbesparende wijze te werken,’ zegt hoogleraar Kleijn. Volgens hem kunnen boeren met subsidies worden gestimuleerd om moeilijke maar belangrijke maatregelen te nemen. Maar daarvoor is wel een omvangrijk budget nodig.

    ‘Er is absoluut een verschuiving gaande naar bestuivervriendelijke landschappen en landbouw in harmonie met de natuur’ 

    Ondertussen maakt ook de EU werk van de aanpak van pesticiden. In 2013 werd het gebruik van drie neonicotinoïden – bestrijdingsmiddelen waarvan bekend is dat ze uiterst schadelijk zijn voor bestuivende insecten – op bloeiende gewassen al verboden. In 2018 werd dat verbod uitgebreid naar gebruik op alle gewassen. En in juni van dit jaar nam de Europese Commissie voorstellen aan om voor 2030 het gebruik van pesticiden in de hele EU met 50 procent te verminderen. Maar er is nog steeds veel werk te doen om die doelen te behalen.

    Een andere beperking van de Nationale Bijenstrategie is dat die voornamelijk van de deelnemers afhankelijk is voor het creëren van bestuivervriendelijke landschappen. ‘Je kunt je afvragen of dat genoeg is om werkelijk iets te veranderen,’ zegt Kleijn. Maar Kruizinga blijft optimistisch over het effect van de Strategie: ‘Er is absoluut een verschuiving gaande naar bestuivervriendelijke landschappen en landbouw in harmonie met de natuur.’ 

  • Traditionele gewassen bieden uitkomst bij bestrijding ondervoeding

    Traditionele gewassen bieden uitkomst bij bestrijding ondervoeding

    Eric Amonsou, hoofddocent aan de Technische Universiteit van Durban, Zuid-Afrika, is vurig pleitbezorger van inheemse Afrikaanse gewassen. ‘Ze verliezen bij bewerking niet al hun goede eigenschappen.’

    Voedingswetenschap is nou niet meteen de meest sexy kant van de kookkunst, maar vernieuwend is ze wel. Met het oog op de toestand van de aarde, een gezonde darmflora en niet in de laatste plaats ons eetplezier is Eric Amonsou, hoofddocent aan de Technische Universiteit van Durban, Zuid-Afrika, vurig pleitbezorger van inheemse Afrikaanse gewassen.

    Mieren. Een flashback. Ik zit in een restaurant in Gdansk, ‘orthodox Pools’; ‘We hebben alle buitenlandse producten, inclusief specerijen, uit de keuken verbannen,’ legt de hoofdkelner uit. Op mijn bord ligt een gerecht van het degustatiemenu van die dag: hapjes, gemaakt van drie paddenstoelen uit het nabijgelegen bos. Een bruine ringboleet, een berkenboleet en een fluweelboleet. De paddenstoelen, die zijn gerookt boven een houtvuur, zijn bereid in eendenvet en afgetopt met een drupje dennenolie. Ik kijk naar de kleine zwarte dingen die ook op mijn bord liggen. En ja, ze zijn duidelijk herkenbaar. Mieren. Die, zoals me is verteld en zoals ik zelf kan proeven, een ongelooflijk intense smaak hebben. ‘Fruitig, met een mooi zuurtje.’ Dat kan ik beamen. 

    Het is mijn eerste kennismaking met mieren. Waarschijnlijk hebben we allemaal weleens per ongeluk een mier binnengekregen. Tijdens een picknick, of in de keuken. Maar niet moedwillig verzameld en bereid door een beroemde jonge chef, puur vanwege de smaak. En ja, ik ben me ervan bewust dat ‘de consumptie van eetbare insecten voor een derde van de wereldbevolking, met name in Latijns-Amerika, Afrika en Azië, zeer gebruikelijk is’, om een publicatie uit de database van ’s werelds grootste medische bibliotheek, de Amerikaanse National Library of Medicine, aan te halen. In de loop der jaren heb ik van veel vrienden gehoord dat vliegende mieren, gebakken of geroosterd boven vuur, roomzacht zijn en in één woord verrukkelijk. En is het ook eigenlijk niet vreemd, als je erover nadenkt, dat waar wij gruwen van insecten terwijl oesters ons het water in de mond doen lopen, mosselen buitengewoon populair zijn, krabben een luxe en iedereen houdt van met knoflook doordrenkte slakken? Vertrouwd. En bekend maakt bemind. Ik zal u de akelige beschrijvingen die ik hier zou kunnen geven besparen om uw voorliefde – en de mijne – niet om zeep te helpen. 

    Fine dining

    Terug naar de mieren. Het concept van mieren voorgeschoteld krijgen als onderdeel van een fine-diningervaring komt niet als verrassing. Als je een fan bent van chef-kok René Redzepi, weet je dat hij met zijn restaurant Noma in Kopenhagen de Scandinavische keuken op de kaart heeft gezet. Noma werd in 2010 voor het eerst uitgeroepen tot het beste restaurant ter wereld en prijkte onlangs – als Noma 2.0, op een nieuwe locatie en met een aangepast concept – voor de vijfde keer boven aan de prestigieuze ranglijst voor internationale gastronomie. In 2008 was Redzepi medeoprichter van het Nordic Food Lab, dat inmiddels is opgegaan in de afdeling Voedingswetenschap van de Universiteit van Kopenhagen. Misschien heb je, net als ik, de documentaire gezien die het lab heeft gemaakt. Bugs: will eating insects save our planet? [Hier een link van de trailer.] Daarin wordt de wereld van insecteneters verkend, met als uiteindelijke doel die insecten om te toveren tot verrukkelijke gerechten. Want al is een van de drijfveren het redden van de planeet, het moet natuurlijk wel leuk blijven. 

    Dankzij deze documentaire had ik al kennisgemaakt met het concept van insectengerechten voordat ik de Poolse – ongetwijfeld lokaal en seizoensgebonden – mieren kreeg voorgeschoteld. Toen ik ze proefde dacht ik: Yes! Superlekker! Ik zag potjes voor me met gedroogde mieren in kruidenrekken, tussen de potjes peterselie, salie en rozemarijn. Tussen de knoflookvlokken. De dure zeezoutmolens. Dat was in 2016. Ik wacht nog steeds. Maar ze gaan komen, dat weet ik zeker.

    ‘De manier waarop we ons vlees produceren (…) is een tijdbom’

    Ik kreeg deze mierenflashback tijdens mijn interview met voedingswetenschapper Amonsou, aan de vooravond van zijn inauguratie als hoogleraar aan de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de Technische Universiteit van Durban. ‘Insecten zijn echt supervoedsel. Rijk aan proteïne. De insectenkweek heeft een aanzienlijk kleinere koolstofvoetafdruk dan traditionele sectoren: er is weinig land voor nodig en het energie- en waterverbruik is laag. Bij mijn bezoek aan de Universiteit van Venda in Thohoyandou, in de provincie Limpopo, zag ik op een markt mopaniewurmen en andere insecten te koop,’ vertelt Amansou. ‘In Europa vindt op dit moment veel onderzoek plaats naar insecten als voedsel. Er wordt van alles ontwikkeld. Proteïnepoeders voor sportvoeding en meel, gemaakt van sprinkhanen, bijvoorbeeld.’ Hij is de eerste om toe te geven dat het een hele toer is om de geesten rijp te maken voor het eten van insecten, als je er niet mee bekend bent. In delen van Benin, waar Amonsou vandaan komt, is insecten eten doodnormaal. ‘Maar ik ben er zelf niet mee opgegroeid,’ zegt hij. ‘Ook hier in Zuid-Afrika is er veel ruimte voor onderzoek en ontwikkeling. Insecten kunnen op een milieuvriendelijke manier worden gekweekt in kooien. Ik heb mogelijke Franse samenwerkingspartners ontmoet. Maar ik geloof niet dat er vanuit de regering iets wordt ondernomen om onderzoek te faciliteren en nieuwe voedingsmogelijkheden te promoten.’

    Voedingswetenschap is op het eerste gezicht misschien niet de ‘sexy’ kant van de kookkunst. Maar het is wel een vakgebied waar baanbrekende ontwikkelingen plaatsvinden. Dat moet ook wel als je naar de cijfers kijkt. De huidige wereldbevolking telt 7,9 miljard mensen. In 2030 zal die gegroeid zijn naar 8,5 miljard, in 2050 naar 9,9 miljard. Klimaatverandering, vervuiling, verwoesting. Ik hoef het je niet te vertellen. Je hoeft het nieuws maar aan te zetten of naar de afgelopen klimaattop in Glasgow te kijken. ‘Er zijn meerdere oplossingen die onderzocht kunnen en moeten worden,’ zegt Amansou. ‘De manier waarop we ons vlees produceren, dat vol zit met antilichamen en pesticiden, om naar maar te zwijgen over de ecologische voetafdruk van de veehouderij. Het is een tijdbom.’ Hij is groot voorstander van het kweken van vlees in laboratoria, maar het kweken van insecten heeft wat hem betreft de voorkeur. ‘Het heeft een enorm potentieel.’ 

    Persoonlijke passie

    En dan is er nog zijn persoonlijke passie. ‘Ik geloof heilig dat traditionele gewassen uitkomst kunnen bieden bij de bestrijding van ondervoeding, honger en armoede. Bij het halen van duurzaamheidsdoelen, de bescherming van het milieu. Bij de bevordering van een goede gezondheid.’ In zekere zin spreekt hij, vanuit het nuchtere perspectief van de wetenschapper, dezelfde taal als de Slow Food-beweging (gezond, duurzaam, eerlijk voedsel, lokale voeding en tradities, belangstelling voor de impact van onze voedselkeuzes op de planeet). En dezelfde taal als veel topchefs en foodies in Afrika en de rest van de wereld, die kiezen voor vers, lokaal, seizoensgebonden, smaakvol voedsel. Voor foerageren. Die goede producten en oude tradities en gewassen hoog in het vaandel hebben. 

    In zijn lab lossen zijn team en hij problemen op. Unilever klopte bijvoorbeeld aan met klachten over een soep. De boosdoener, een zetmeelcomponent, werd geïdentificeerd, het recept werd aangepast. Iedereen blij. Maar Amansou’s grootste passie, wist ik van een lezing die ik een paar jaar terug van hem had bijgewoond, is ‘de verbazingwekkende kracht van inheemse Afrikaanse gewassen’ voor een samenleving die met meerdere uitdagingen wordt geconfronteerd, waaronder klimaatverandering, voedselonzekerheid en levensstijlziekten als obesitas, hartziekten en diabetes. ‘Ze bevatten een schat aan voedingstoffen en gezondheidsbevorderende elementen,’ stelt hij. ‘De innovatieve ontwikkelingen leiden tot nieuwe werkgelegenheid en veel commercieel levensvatbare producten. Op dit moment worden er gigantische hoeveelheden van vijf hoofdgewassen geproduceerd. Niet alleen in dit land, maar wereldwijd. Rijst, aardappelen, maïs, tarwe en sojabonen.’ 

    ‘Je kunt beter van aardappel overstappen op taro, veel gezonder’

    Wat we in plaats daarvan zouden moeten verbouwen? Peulvruchten (waaronder de jugoboon, ook wel een compleet voedingsmiddel genoemd: een droogtebestendige proteïnebom), granen, wortels, knollen, bladgroenten. Klimaatbestendige gewassen die zowel in een natte als een droge omgeving goed gedijen, en een goede bron zijn van micronutriënten: vitamines en mineralen als zink en ijzer. Gezondere gewassen dus dan de basisvoeding; ze bevatten antioxidanten en ondersteunen darmbacteriën.’ En ze verliezen bij bewerking niet al hun goede eigenschappen. ‘Neem nou tarwebloem. Dat bevat geen vezels, na bewerking blijft er niets gezonds over. Het is een enorm probleem, vooral in de ontwikkelingslanden.’

    Amansou komt als gezegd uit Benin, het Frans sprekende land dat tussen Togo en Nigeria ligt ingeklemd, aan de Golf van Guinee. In een artikel van de BBC wordt het een van de stabielste democratieën van het continent genoemd. Het is ook een van ‘s werelds armste landen. Hij groeide op in Savè, een stad in het binnenland. Zijn vader spoorde hem aan om bètavakken en Engels te volgen, volgens vrienden de garantie voor succes. Na zijn eindexamen en een spoedcursus Engels, werd Amansou aangenomen op de hoog aangeschreven Universiteit van Ibadan, in buurland Nigeria, voor een studie Landbouwtechniek. Aan het National Landbouwkundig Instituut van Benin, waar hij een stageplek en daarna een onderzoeksplek bemachtigde, werd zijn interesse voor de voedingswetenschap gewekt. Een internationale samenwerking op het gebied van inheemse zwartoogbonen, een van de oudste voedingsbronnen, leverde hem een beurs op voor de Universiteit van Ghana, waar hij een researchmaster in de voedingswetenschap behaalde. Daarna promoveerde hij aan de Universiteit van Pretoria. Daar, en vervolgens aan de Universiteit van KwaZulu-Natal, verrichte hij postdoctoraal onderzoek. In 2013 werd hij aangenomen bij de Technische Universiteit van Durban, waar hij de onderzoeksafdeling Voedingswetenschap en Technologie opzette.

    Taroknol

    Op dit moment richt zijn onderzoek zich op de taroknol. Zeg nou zelf: wanneer heeft u voor het laatst taro gegeten? Ik in geen tijden, en toen ik er voor dit artikel naar op zoek ging, was het een hele onderneming om er een paar te vinden. Eenmaal geroosterd zijn ze ongelofelijk lekker, al zien ze er vrij onooglijk uit. Of geschild en gekookt, bestrooid met wat zout en besprenkeld met olijfolie. Smakelijk, sappig, zetmeelrijk voedsel dat, aldus de professor, ook nog eens supergezond is. (Klik hier voor de taro in de Ark of Taste, de internationale Slow Food-catalogus met bedreigd ‘erfgoed’-voedsel.) De taroknol is een veel veelzijdiger groente dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Een voormalige masterstudent die met Amansou heeft samengewerkt, gebruikt taro, dankzij de aanwezige nanokristallen, voor het maken van ‘plastic’ eetbare verpakkingen. Hij heeft octrooien aangevraagd voor twee gezondheidsdrankjes: een met taro en een met rode biet. En binnenkort is er een ontbijtgraan op basis van tarogel verkrijgbaar op de campus. Dit is allemaal te danken aan wetenschappelijk onderzoek. 

    ‘Je kunt beter van aardappel overstappen op taro, veel gezonder,’ zegt Amansou. De plantaardige gom (ik krijg het woord ‘slijm’ niet over mijn lippen, al moet ik misschien niet moeilijk doen als je bedenkt hoe goed het voor de darmen is) in de taroknol overleeft behandelingen zoals koken of bakken, waardoor het zetmeel langzaam wordt omgezet en er geen insulinepiek is. 

    Genoeg over taro. Als je vragen hebt, kun je ze Amansou zelf stellen op zijn blog over gezondheidsvoorlichting, Nutrifid. Wanneer ik de ‘Universiteit van Kopenhagen’ google om te kijken waar hun de afdeling Voedingswetenschap vandaag de dag mee bezig is, stuit ik op een heerlijke studie naar meelwormen en sprinkhanen – door de EU goedgekeurde kweekinsecten. Hoofddocent Michael Bom Frøst, schrijft, ik citeer: ‘We moeten onze eetgewoontes drastisch aanpassen, willen we onze impact op het klimaat in 2030 met 70 procent verminderen, zoals de regering heeft beloofd. Maar we kunnen mensen niet klimaatvriendelijker laten eten als ze het voedsel niet zien zitten. Onze afdeling zet zich in voor de ontwikkeling van toekomstige voedingsmiddelen, voedsel dat zowel klimaatvriendelijk als lekker is.’ En daartoe worden Deense kinderen vertrouwd gemaakt met alternatieven. Het experiment laat zien, zo wordt me verteld, dat sommige insecten een grotere afschuwfactor hebben dan andere. Dat meelwormen misschien wel de beste keuze zijn voor een eiwitrijk dieet in de toekomst. Oké.

    Een van de uitdagingen, zegt Amansou, is genoeg geld binnen te halen om innovaties uit het onderzoek van zijn lab levensvatbaar te maken. Zelf heeft hij bijvoorbeeld ook moeite om aan taro te komen. 

    ‘Particuliere investeerders zullen de producten pas steunen als we genoeg grondstoffen hebben. We hebben echt overheidsbemoeienis nodig om het verbouwen van traditionele gewassen aantrekkelijker te maken, en een inclusief bedrijfsmodel om de beste soorten te produceren.’ Ik denk weer aan die mieren. De Poolse mieren. Ik vraag me af of Amansou zou overwegen om hierna onderzoek te doen naar lokale mieren. Misschien is dat iets om op tafel te leggen.

  • Hoe het komt weet niemand, maar de insecten zijn weg

    Hoe het komt weet niemand, maar de insecten zijn weg

    In Duitse natuurgebieden verdween in 27 jaar driekwart van de insecten. Een studie laat precies zien om welke soorten het gaat. Maar niet wat de oorzaak is.

    De sterke afname van insecten in Duitsland is absoluut geen verzinsel van een paar insectenliefhebbers of verenigingen van entomologen, zoals sommige media anderhalf jaar geleden beweerden na een hoorzitting in het Duitse parlement. Een onderzoek van Caspar Hallmann van de Radboud Universiteit Nijmegen met behulp van vrijwilligers van de Krefeldse entomologenvereniging, concludeerde onlangs in het onlinetijdschrift Plos One dat het insectenbestand de afgelopen 27 jaar drastisch is verminderd.

    Bij metingen over de periode 1989-2016 stelde men vast dat in 63 beschermde Duitse natuurgebieden de biomassa aan vliegende insecten met 76 procent (en in de hoogzomer tot 82 procent) is teruggelopen. Dit verlies betreft nagenoeg alle insectensoorten, van vlinders, bijen en wespen tot en met motten en andere soorten die kunnen vliegen. Vrijwel al deze soorten zijn verantwoordelijk voor de bestuiving van planten, of ze zijn van belang als prooidier voor vogels. Ongeveer 80 procent van de wilde planten is afhankelijk van bestuiving door insecten, en voor 60 procent van de vogels in onze natuur vormen zij de belangrijkste voedselbron. De sterke terugloop in insectenaantallen is ook geen puur Duits fenomeen: betrouwbare studies lieten eerder al zien dat bijenpopulaties in andere landen duidelijk afnemen, en het aantal vlinders op de graslanden van Europa nam af met circa 50 procent.

    © Pexels
    © Pexels

    Wat precies de oorzaak van deze wijdverbreide afname is, blijft vooralsnog onduidelijk. De afnemende aantallen laten zich niet verklaren door alleen een verstoring van de habitat, klimaatverandering of wijzigingen in landgebruik – en daarmee verarming van het agrarische landschap. Tenminste: niet met de nu beschikbare data. Voor Joseph Settele, onderzoeker aan het Helmholz-Zentrum voor Milieuonderzoek in Halle, is dit een van de weinige zwakke punten van deze studie: ‘De auteurs konden niet alle voor het klimaat relevante factoren bij hun onderzoek betrekken. Naar hun eigen zeggen is er nog verdere analyse nodig. Je kunt het klimaat als belangrijke factor dus ook niet uitsluiten. Het idee dat weersveranderingen of wijzigingen in landgebruik de algehele teruggang niet kunnen verklaren, is een versimpeling die op zijn minst misleidend is.’

    Volgens Settele is het vinden van oorzaken voor veranderingen die zich op wereldschaal voordoen uiterst complex. Zo kunnen effecten van de klimaatverandering, zoals stijgende temperaturen en een hogere stikstoftoevoer, plaatselijk leiden tot verdichting van de vegetatie en juist een koeler microklimaat, zodat het grotere plaatje wordt versluierd.

    De uitsplitsing naar soorten die de Krefeldse onderzoekers hebben gemaakt, noemt Settele juist weer een sterk punt van de studie. In de toekomst zouden volgens hem ook plekken buiten de beschermde natuurgebieden op deze manier moeten worden onderzocht, om te kijken hoe de situatie daar is.
    Settele: ‘Hier stuit de amateuronderzoeker op zijn grenzen. Het is toch al enorm wat deze mensen tot dusverre hebben gepresteerd. Het is hard nodig dit soort waarnemingen systematisch te gaan verrichten – als een publieke taak, met publiek geld.’

    ant macro insect red 40825

    Ook natuurbeschermingsexpert Alexandra-Maria Klein van de Universiteit van Freiburg benadrukt dat er nog losse eindjes aan het onderzoek zitten. ‘Of de afname in andere ecosystemen, zoals agrarische of bosbiotopen, vergelijkbaar is, valt op 
basis van deze studie niet te zeggen.’

    De noeste arbeid van de Krefeldse insectenvangers wordt door alle ecologen unaniem geprezen. Voor Teja Tscharntke, agrarisch ecoloog aan de Georg-August-universiteit in Göttingen, ‘maken studie en uitkomsten een solide, overtuigende indruk’. De dramatische afname van de insectenaantallen laat zien ‘dat beschermde natuurgebieden nog slechts in zeer beperkte mate als toevluchtsoord dienen voor soorten die agrarische landschappen bevolken’.

    Zoöloog Johannes Steidle van de Hohenheim-universiteit in Stuttgart windt er nog minder doekjes om: ‘De resultaten van het onderzoek zijn schokkend. Het beetje hoop dat er mogelijk vraagtekens konden worden gezet bij de verontrustende informatie die al eerder naar buiten was gekomen 
– bijvoorbeeld omdat de studie gebreken vertoont – is vervlogen. Op het werk is methodisch niets aan te merken en het laat voor een groot geografisch gebied in Midden-Europa een massieve teruggang in de biomassa aan insecten zien. We zijn in een nachtmerrie beland, aangezien insecten een essentiële rol spelen bij het functioneren van onze ecosystemen.

    Auteur: Joachim Müller-Jung
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: @ Pexels

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • Langs het mierenpad

    Langs het mierenpad

    De meesten van ons zoeken in de zomer een andere, liefst knalblauwe horizon. Justin Nobel niet, hij volgde de reis van de Solenopsis invicta, 
de onoverwinnelijke vuurmier die begon in de Amerikaanse stad Mobile, Alabama waar het ‘duivelse insect’ als eerste aan land kwam en sindsdien alle mogelijke moordaanslagen overleeft.

    Op 5 oktober 1967 stegen vijf bommenwerpers uit de Eerste Wereldoorlog op van een vliegveld in Florida, om in het zuiden van Amerika hun lading af te werpen. Die ochtend stond in de Sarasota Herald-Tribune dat drie B-17’s en twee PV-2’s, met een dodelijke lading van tienduizend pond, een missie zouden uitvoeren, ‘met als doelwit Sarasota en het oosten van Manatee’.

    Hoewel de bommenwerpers wel degelijk ten strijde trokken, zouden ze geen explosieven afwerpen. Hun vijand was een roodbruin insect van enkele millimeters lang, bekend onder de wetenschappelijke naam Solenopsis invicta, letterlijk vertaald ‘onoverwinnelijke mier’ – in de volksmond ook wel de rode vuurmier of de ‘duivelse mier’ genoemd. De bommenwerpers zouden de dieren besproeien met mirex, een gif dat gewoonlijk met griesmeel wordt vermengd.

    Eind jaren zestig was de vuurmier al meer dan dertig jaar lang een bekende in het zuiden van Amerika. Er gingen verhalen over verwoeste oogsten, dode dieren en de venijnige beet van de mier. Het was niet helemaal duidelijk hoeveel schade de mieren precies hadden aangericht, maar het was voldoende voor het USDA (het Amerikaanse ministerie van landbouw) om deze plaag de oorlog te verklaren. Tijdens een elf jaar durende campagne werd meer dan 143 miljoen pond mirex afgeworpen boven een gebied van 200 duizend vierkante kilometer, van Texas tot Florida. De kosten bedroegen een kleine 200 miljoen. Het resultaat? De mieren verspreiden zich over een twee keer zo groot terrein. De mirex, die later kankerverwekkend zou blijken te zijn, bleef nog tientallen jaren in het milieu en belandde in vogeleieren, de melk van zoogdieren en in menselijk weefsel. De meest vooraanstaande mierenonderzoeker ter wereld, E.O. Wilson, noemde het mirex-programma het ‘Vietnam van de entomologie’.

    Onder de mieren

    Als je vandaag de dag een lijn trekt van Virginia Beach via Nashville naar Abilene in het westen van Texas, tref je overal onder die lijn vuurmieren aan, net als in het zuiden van Californië. Volgens entomologen van Texas A&M University bedragen de kosten van de mieren voor de economie, het milieu en de kwaliteit van leven in de Verenigde Staten in totaal zo’n zes miljard dollar per jaar. Alleen al in Texas verwoesten ze jaarlijks voor zo’n 1,2 miljard dollar: 
47 miljoen schade aan golflinks; 64 miljoen aan begraafplaatsen (de mieren zijn dol op de open en enigszins overwoekerde plekken rondom grafstenen); en maar liefst 255 miljoen dollar schade aan de veestapel. Ze veroorzaken ook nog andere problemen. In Virginia Beach werd de 30-jarige ex-marinier Bradley Johnson gestoken door vuurmieren terwijl hij buiten aan het werk was – hij stierf als gevolg van een anafylactische shock.

    Het is minstens één keer voorgekomen dat de mieren een lagere school in Tennessee zijn binnengedrongen om zich tegoed te doen aan het snoep in de kluisjes van de kinderen.

    In het Greystone Retirement Community in Huntsville, Alabama, trof een medewerker de 79-jarige Lucille Devers aan, bedolven onder de mieren, die in haar mond, neus, oren en haren krioelden. De mieren dringen geregeld een bejaardentehuis binnen, aangetrokken door de kruimels in de bedden van de bewoners. Wetenschappers gaan ervan uit dat de mieren hun terrein zullen blijven uitbreiden. Door klimaatverandering en kruising met mierensoorten die beter zijn bestand tegen kou, zijn ze in staat steeds verder op te rukken naar 
het noorden.

    Ik, daarentegen, ben naar het zuiden verhuisd. Vorig jaar augustus hebben mijn vriendin Karen en ik onze spullen ingepakt en zijn we met onze twee katten, een terriër en een mollige, bruine Chihuahua, Jazzy-B genaamd, in een busje gestapt en van New York naar New Orleans gereden. Een paar weken later vierden we ons nieuwe huis met een borrel in City Park. Toen we ons picknicklaken weer oprolden, stonden plots onze benen 
in brand. We trokken snel onze broek uit en in 
het licht van een straatlantaarn zagen we dat onze benen helemaal onder de mieren zaten. Ik was meer dan tweehonderd keer gestoken, en het werden allemaal rode kringen zo groot al een onderzetter, en ook zwollen mijn oren en mijn keel op. Een handvol antihistaminica later ging het wel weer, even afgezien van de paar honderd bulten die jeukten als een gek. Gelukkig was ik niet anafylactisch, wat wel geldt voor een half tot één procent van alle Amerikanen. Voor mensen die heel erg allergisch zijn, kunnen dergelijke beten leiden tot spasmen van de bronchi of van de kransslagaderen, waardoor er geen zuurstof meer in de luchtweg komt en binnen enkele minuten de dood intreedt. Toen Jazzy-B een paar weken laten op een mierenhoop stapte en begon te janken, waarna hij de rest van de dag zijn poot likte, verklaarde ik de vuurmier de oorlog. Maar eerst moest ik meer over mijn vijand aan de weet zien te komen.

    © Nirvair Singh / Getty Images
    © Nirvair Singh / Getty Images

    De Solenopsis invicta is afkomstig uit het reusachtige draslandgebied in het zuiden van Brazilië en Paraguay, dat bekendstaat als de Pantanal. Ergens begin jaren dertig van de vorige eeuw gingen de mieren als verstekeling mee in zakken koffie, in kluiten aarde of in holle boomstronken die onder in een vrachtschip werden geladen. Waarschijnlijk ging het om een handjevol koninginnen, elk ongeveer ter grootte van een duimnagel. Ze aten alles wat ze maar in het ruim konden vinden: kakkerlakken, kevers, zoete lading, en toen de spoeling dunner werd ook zichzelf, door hun eigen vleugelspieren en vetreserves te verteren. Het schip zal langs Rio de Janeiro zijn gevaren, langs de monding van de Amazone, langs de weelderige toppen van de Antillen, terwijl de koninginnen in hun buik de eerste lading eitjes meedroegen. In Mobile, Alabama, meerde het schip af en werden de zakken of de aarde of de boomstammen uitgeladen, en daarmee gingen ook de koninginnen van boord. Onder de kranen in de haven, met daarboven de rondcirkelende meeuwen, vestigden de mieren hun eerste kolonie, misschien wel op een stukje pas gemaaid gras: een hoopje aarde met daarin allemaal kamers en tunnels die wel tot 4 meter diep konden gaan. Ze vonden het prettig om mierenhopen te maken op plekken waar de natuur was verstoord, zoals aan de rand van de weg, naast een gebouw, een weiland, een tuin, of in de buurt van een drukke haven. Ze aten vrijwel alles – zaden, nectar, wormen, snuitkevers, vlinders, en zelfs pasgeboren zeeschildpadden, slangen en alligators. Ze stortten zich op de jongen zodra die uit het ei kwamen.

    Een kolonie bestaat uit koninginnen, werksters, en mieren voor de voortplanting, ook wel gevleugelden genoemd. De koninginnen leggen eitjes die larven worden – kleine, witte, rijstvormige korrels die uitgroeien tot volwassen mieren. De gevleugelden worden geboren aan het einde van de winter of aan het begin van de herfst, en ze besteden hun tijd aan voedsel naar binnen werken en zich klaarmaken voor hun paringsvlucht. De werksters beginnen hun leven als verzorgsters, die voor de nakomelingen en de koningin zorgen en hen van eten voorzien. Wat later nemen ze het onderhoud van het nest en de hygiëne voor hun rekening. In hun gouden jaren zijn de werksters opgeklommen tot foerageurs – het gevaarlijkste werk binnen de kolonie, aangezien ze dan de strijd moeten aanbinden met roofdieren, en met de elementen. Als ze het leven uit zich voelen wegglijden, dragen de mieren zichzelf ten grave, en gaan in het mierenmassagraf liggen dat de afvalberg wordt genoemd.

    Om de kennelijk onstuitbare mars van de mieren door het zuiden in kaart te brengen, besloot ik hun pad te volgen vanaf de plek waar ze voor het eerst hun aanspraak op Noord-Amerikaanse bodem hadden doen gelden. Vlak voor mijn vertrek doemde er, als een omineus teken van een of andere myrmecologische god, een mierenhoop op in onze achtertuin. 
Ik begon evengoed onverschrokken aan mijn odyssee.

    Een andere truc is om mieren van de ene naar de andere hoop te scheppen – volgens Richard zullen de mieren de koninginnen van de andere kolonie doden

    Mobile, de twaalfde havenstad van Amerika, waar het afgelopen jaar 26 miljoen ton vracht is verscheept, verwelkomde me met de aanblik van reusachtige containerkranen die deden denken aan letters in een reusachtig, industrieel alfabet, de stank van diesel, een zilte lucht en – het kon haast niet missen – mierenhopen.

    Vlak bij de haven zag ik er eentje waar wat wilgentakken uit staken. Er was geen enkele beweging te bespeuren, maar toen ik 
er een trap tegen gaf, uit rancune vanwege al die jeukende bulten, kwamen ze naar buiten zwermen. Het zouden heel goed de achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-kleinkinderen kunnen zijn geweest (koninginnen leven een jaar of zeven) van de groep die hier in de jaren dertig van de vorige eeuw naartoe was gekomen, met de boot vanuit Zuid-Amerika.

    Niet ver van de haven was een buurt met kromme eiken en nette bungalows met keurig onderhouden tuinen. Ik bleef staan bij Charleston Street 550, het huis waar E.O. Wilson zijn jeugd had doorgebracht – en ik bedacht dat de beroemdste mierenkundige ter wereld was opgegroeid in het epicentrum van de bekendste miereninvasie van de wereld. In de weelderige, verlaten tuin van de buren had de jonge Wilson kevers, vlinders, spinnen en allerlei soorten mieren bestudeerd, waaronder de Solenopsis invicta, waarvan hij in mei 1942, op zijn twaalfde, de eerste mierenhoop ontdekte. ‘De soort die ik ontdekte, staat me nog heel levendig voor de geest,’ schreef Wilson in Naturalist, een boek over zijn gelukkige insectenjeugd. Nu lijkt de buurt te zijn ontdaan van vuurmieren – dankzij de onvermoeibare, creatieve en nietsontziende inspanningen van de menselijke bewoners.

    Lonnie Rayford, een 72-jarige boer, met naast zich 
op tafel een geweer en een dode eekhoorn, vertelt 
me dat hij vaak is gestoken. Naar zijn, niet echt wetenschappelijk onderbouwde mening, was griesmeel vroeger voldoende om met het ongedierte af te 
rekenen. ‘Graaf een gat en strooi er griesmeel in, dat nemen ze mee naar beneden en voeren het aan hun koningin,’ zei hij. ‘Dat griesmeel wordt hun dood.’ Een man verderop in de straat, die onkruid aan het wieden was, vertelde me dat hij gif gebruikte.

    Vanuit Mobile ging ik naar het noordwesten, naar Montgomery, waar ik langs het Alabama State Capitol reed, met de romig witte koepel die wel iets wegheeft van een reusachtige bruidstaart. Ik ging naar Dixie Hardware om me door vakmensen te laten voorlichten over mierenbestrijding. John, een medewerker met een baard, verwees me naar stelling negen, een walhalla voor wie iets wil uitroeien.

    ‘Je hebt kakkerlakkengif, mierengif, Ant Max – dat is een soort val,’ zei hij, terwijl hij me een rechthoekig, rood-geel doosje liet zien dat eruitzag alsof er snoepjes in zaten voor in de bioscoop, ware het niet dat er op de zijkant een tekening stond van een gemene vuurmier. Het meest verkocht was een grote oranje zak met als opschrift ‘Spectracide Fire Ant Killer Mound Destroyer.’ (‘Spectracide vuurmierenhoop-vernietiger’.)

    Johns collega Richard vertelde me nog van alles over de fijne kneepjes van de massa-insectenverdelgers. Het probleem met gif is dat de mieren meestal gewoon naar de tuin van de buren gaan. Dat betekent dat het probleem op buurtniveau moet worden aangepakt. Met andere woorden: in je eentje sta je machteloos tegenover een mierenplaag. Een andere truc is om mieren van de ene naar de andere hoop te scheppen – volgens Richard zullen de mieren de koninginnen van de andere kolonie doden. En dan is er nog benzine, duidelijk de favoriete verdelgingsmethode in Alabama. ‘Neem een bezemsteel, steek die in mierenhoop en giet er benzine in, dan zal alles daarbinnen echt verbranden,’ zei Richard opgetogen.


    Vuurmieren verdelgen lijkt wel een beetje op maïsbrood bakken; in het zuiden heeft iedereen zijn eigen recept. Inmiddels waren mijn bulten allang weer weggetrokken en ik kreeg bijna medelijden met die arme beestjes. Al helemaal toen ik doorkreeg dat we hun onverbiddelijke opmars goeddeels aan onszelf te wijten hebben.

    Van nature verspreiden mieren zich helemaal niet zo snel. In de jaren dertig en veertig legden de mierenpopulatie zo’n 6 tot 8 kilometer per jaar af vanuit Mobile, een afstand die vooral werd afgelegd op paringsvluchten. Op warme dagen na een natte lente of zomer, verlaten de gevleugelden 
de mierenhoop, omgeven door een troep lijfwachten. Ze vliegen uit om te paren, in grote wolken tijdens 
de zogeheten bruidsvluchten. Mannetjes injecteren de vrouwtjes met een voorraad sperma waar ze hun leven mee toe kunnen, en laten vervolgens het leven. Koninginnen die net gepaard hebben dalen neer, verliezen hun vleugels en beginnen een nieuwe kolonie, waarbij ze op hun hoede moeten zijn voor roofdieren als de libelle, die maar al te graag zo’n met sperma gevuld buikje oppeuzelt. Een koningin vliegt gewoonlijk een paar kilometer tijdens een paringsvlucht, en als de wind gunstig is, kunnen daar nog een paar kilometer bij komen. Maar dat is het dan wel.

    Mieren kunnen ook besluiten te verhuizen als ze ergens last van hebben. In dergelijke gevallen verhuist de hele kolonie, op instigatie van de werksters, maar meestal gaat het dan slechts om een paar meter. Een flink aantal vuurmierenkolonies in het Zuiden – die bekendstaan als polygene kolonies, wat wil zeggen dat ze meer dan één koningin hebben – kunnen zich zelfs verplaatsen zonder paringsvluchten, door knopvorming zoals bij gist. Een koningin en een paar werksters beginnen domweg elders een nieuwe kolonie. Maar ook hier geldt dat ze nooit ver weg gaan. Veruit de beste manier om vuurmieren te verplaatsen, bieden wij. Mensen.

    In 1949 waren de vuurmieren voornamelijk gesitueerd in een gebied van zo’n 75 kilometer rondom Mobile, en op een paar plekken in het midden van Alabama en Mississippi. Maar toen de Amerikanen in de jaren vijftig naar de buitenwijken trokken en een grote voorliefde aan de dag legden voor witte hekken, voortuinen en sierheggen, kwam het tuinieren in een stroomversnelling. Er kwam een transport op gang van aarde, planten en potten, van de ene staat naar de andere, van het ene land naar het andere. Verscholen in de aangekoekte aarde in een bulldozer, in de kluit aarde van een sierplant, of in de laadbak van een pick-up, kan een koningin die net heeft gepaard honderden kilometers afleggen. Dankzij onze horticulturele interesses was de invicta in 1957 doorgedrongen tot alle zuidelijke staten, met uitzondering van Kentucky en de Virginia’s.

    Rond die tijd besloot het USDA, het ministerie van landbouw, om de indringers te verdelgen. In 1958 werd een quarantaine-regeling in het leven geroepen om het transport van aarde, planten en hooibalen uit staten waar veel vuurmieren waren naar staten onder vuurmieren, aan banden te leggen – tenzij de producten eerst werden behandeld met insecticiden. Tussen 1957 en 1962 werd zo’n 10.000 vierkante kilometer grond bestrooid met korrels die het insecticide heptachlor bevatten. Daarmee werden inderdaad de vuurmieren gedood, maar ook de merels, kwartels, ganzen, kikkers, katten, krabben en miljoenen vissen – een fiasco dat mede de aanleiding was tot Rachel Carsons boek Silent Spring (Dode lente). Slechts weinigen op het ministerie lieten zich iets gelegen liggen aan haar waarschuwende woorden, en de oorlog werd dan ook voortgezet. Dankzij dit entomologische Vietnam, dat duurde van 1964 tot 1975, heeft 24 tot 33 procent van alle inwoners van het zuiden mirex in hun lichaamsweefsel, zo valt te lezen in The Fire Ants, een boek van mierenkundige Walter Tschinkel.

    Bochelvliegen

    Ondertussen hebben de onoverwinnelijke schepsels hun werkterrein vergroot, verdubbeld zelfs, en er zijn wetenschappers die het insecticide daar de schuld van geven. Meestal roeide het gif, daar waar het werd toegepast, alle mierensoorten uit, en daarmee werd S. invicta, die als beste in staat zou zijn nieuwe kolonies te vormen, de dominante soort bij herkolonisatie. Het geheim van hun overleving is niet helemaal duidelijk, maar Tschinkel denkt dat het iets te maken heeft met de grootte van de kolonies, het aantal gevleugelden, de grote afstanden die zij kunnen afleggen en het lange paringsvlucht-seizoen.

    De vuurmierengrens loopt door het midden van Tennessee. Ik heb het mierenpad gevolgd in noordelijke richting en heb de snelweg verlaten bij McMinnville, het hart van de tuinplantenindustrie, en net onder de vuurmierengrens. Hier moeten de tuincentra de wortels van de planten, waar soms ongemerkt koninginnen in zitten die net hebben gepaard, behandelen met chlorpyrifos, een duur en giftig insecticide. Tommy Boyd, mede-eigenaar van Boyd & Boyd Nursery, vertelde me dat zijn medewerkers zich gewapend met handschoenen en maskers van die taak kwijten. Hij weigert het spul zelf aan te raken omdat hij er hoofdpijn van krijgt. ‘Ik wil niet doodgaan aan een of ander bestrijdingsmiddel,’ zei Boyd tegen me.

    Niet veel later reed ik over een winderige weg die me naar het Otis L. Floyd Nursery Research Center bracht, verbonden aan de Tennessee State University. Daar sprak ik met Jason Oliver, een vriendelijke entomoloog in een flanellen overhemd. Hij werkt met een minder schadelijke, meer natuurlijke manier om mieren te verdelgen: Hij experimenteert met het uitzetten van bochelvliegen, die destijds in Pantanal de mieren aten. Eind jaren negentig gingen onderzoekers van USDA naar Zuid-Amerika om verschillende soorten bochelvliegen te vangen. Die bestudeerden ze in het Animal and Plant Health Inspection Service (APHIS) laboratorium in Gainesville, Florida, teneinde vast te stellen hoe ze het best kunnen worden uitgezet in verschillende delen van het Amerikaanse zuiden. Olivers bochelvliegen worden vanuit het lab overgebracht naar Tennessee en daar losgelaten.

    Bochelvliegen leggen hun eitjes in de borstkas van de vuurmier, en wanneer de eitjes uitkomen valt de kop van de mier eraf. Oliver liet me een filmpje zien dat hij had opgenomen in een petrischaal, van een vlieg die eitjes legt in een mier. Een klein stipje zoemt om een paar mieren, schuurt in een flits langs een van de mieren en vliegt dan verder. In die fractie van een seconde heeft de vlieg de eitjes geïnjecteerd. Het ging allemaal zo vlug dat ik Oliver moest vragen om het filmpje nogmaals af te spelen. Het leek een ideale oplossing. Maar hoe knap het vliegje ook was, het zou nooit een hele kolonie kunnen onthoofden, het zou er hooguit voor kunnen zorgen dat de mieren hun nest niet meer uit durven te komen. ‘Er zullen altijd vuurmieren blijven,’ zei Oliver. ‘Er bestaat geen manier om ze uit te roeien.’


    Vanuit McMinnville reed ik in noordwestelijke richting over kronkelwegen door glooiende heuvels vol tuincentra, langs de frontlinie van de S. invicta. Ten zuiden van de lijn werden lagere scholen, bejaardentehuizen en tuincentra binnengevallen, terwijl het land in het noorden, naar men zei, mierenvrij was. De weg leidde me door een gebied dat was ondergelopen tijdens de rampzalige overstroming van mei 2010. In Nashville was de Cumberland-rivier zo’n 10 meter gestegen, waardoor een groot deel van de stad was ondergelopen, zo ook de Country Music Hall of Fame, het Grand Ole Opry House, en een onbekend aantal mierenhopen. In tegenstelling tot wat je zou denken, waren de mieren niet verdronken. In tegendeel, ze waren verder gewoekerd.

    De mieren waren vermoedelijk goed voorbereid, legde entomologe Linda Hooper-Bui van Louisiana State University me uit. De Pantanal, hun land van herkomst, loopt regelmatig onder, dus hebben ze leren drijven. Wanneer het water stijgt, ontruimen de mieren de lagergelegen tunnels en trekken naar een plek hoger in de hoop, om uiteindelijk boven op de hoop samen te komen. Met gebruik van de haakjes aan het uiteinde van hun pootjes, de tarsi genaamd, klampen de mieren zich aan elkaar vast en vormen zo een vlot. Larven in een laat stadium hebben een soort haakjesachtige haren die lucht vasthouden, waardoor ze in een soort bel zitten. Werkstermieren stapelen die larven zo’n drie tot vijf lagen dik boven op elkaar, zodat ze kunnen dienen als drijvers om het vlot boven water te houden. De koningin wordt in het midden gezet, met om haar heen de poppen en de larven in een vroeg stadium, die nog niet voldoende haren hebben om een luchtbel te kunnen maken. Op de klonten eitjes na, die de werkstermieren in hun poten dragen, en het kleine beetje vloeibaar voedsel dat ze in hun lichaam hebben opgeslagen 
en waar ze een paar dagen mee toe kunnen, gaat er niets mee aan boord. Sterker nog, als het vlot wegvaart, in het water geduwd door de werkstermieren, worden de gevleugelde mannetjes overboord gezet. Als het vlot langer dan vier dagen drijft, beginnen 
de mieren het gebroed te verorberen – maar niet degenen die zijn gebruikt om het vlot drijvend te houden. Een vlot kan een dag of eenentwintig standhouden, lang genoeg om de gestegen Cumberland-rivier te overleven.

    Tenminste, dat is de mening van Steve Powell, een entomoloog verbonden aan de staat Tennessee. In februari ontving hij een melding dat er vuurmieren waren gesignaleerd in Cumberland City, een afgelegen plaats zo’n 120 kilometer ten noorden van Nashville, en ver boven de frontlinie. ‘Ik heb geen andere verklaring voor het feit dat ze daar zitten, zo ver van de andere vuurmierenplagen,’ zei Powell. ‘Als je het mij vraagt, komt het door de overstroming.’

    Ik zou willen dat ik een stenopelmatus was, die een manier had gevonden om vreedzaam met de vuurmieren samen te leven, en dat ik soepel over de flanken van de mierenhoop kon dansen zonder gestoken te worden

    Ik vervolgde mijn route in noordelijke richting en kwam in Cumberland City – een krakkemikkige verzameling door klimop overwoekerde houten huizen en etalages met rolluiken, op de steile, met bomen begroeide heuvels langs de Cumberland. Aan de rand van de stad staat de immense Tennessee Valley Authority kolencentrale, met vier hoge schoorstenen van zo’n 300 meter, een van de grootste ter wereld. Naast de fabriek staat een restaurantje met groezelige ramen, waar boeren in overall aan lage tafeltjes meerval en varkenskarbonaadjes naar binnen werken. Ik was op zoek naar iemand om over de mieren te praten, en ik verwachtte een levendig relaas dat de vlot-theorie van Powell zou bevestigen. In plaats daarvan stond me een niet geheel onverwachte verrassing te wachten: Bailey Gafford, een verweerde veehouder met laarzen vol aangekoekte modder, vertelde me dat er al lang voor de overstroming vuurmieren in Cumberland waren. Hij kwam zelfs met een innovatieve verdelgingsmethode die ik nog niet kende: ‘Strooi snuiftabak om de hoop. Als ze naar buiten komen, steek je ze in de fik.’

    Op weg naar Cumberland had ik een bezoek gebracht aan de begraafplaats van de burgeroorlog, waar wilde bloemen om verweerde grafstenen staan. Boven op een klein heuveltje stond een handjevol hutten, een herinnering aan een strijd van lang geleden. Onze eigen strijd tegen de mier was nog in volle gang, en ik had niet de indruk dat we aan de winnende hand waren. De strijd tegen de S. invicta kwam ineens in een breder perspectief te staan, namelijk dat van het Insecticide-Militair-Industrieel complex. Het was ongeveer in dezelfde tijd dat president Obama zei, met betrekking tot de onophoudelijke strijd tegen het terrorisme, dat we niet onophoudelijk ‘op voet van oorlog’ kunnen blijven. Die opmerking leek ook van toepassing op onze strijd tegen de vuurmieren.

    Bovendien, hoezeer we onze technieken ook verfijnen, deze onstuitbare indringers lijken steeds nieuwe manieren te bedenken om op te rukken. Op de een of andere manier heeft de Solenopsis invicta gekruist met de Solenopsis richteri, een andere soort die per vrachtschip uit de Pantanal naar Mobile is gekomen, in 1918. Aanvankelijk heeft de S. invicta de S. richteri verdreven – de laatste is een minder agressieve soort met een voorkeur voor iets koeler weer, voor wie het Zuiden misschien wat te heet was. Maar in 1980 werd een hybride soort ontdekt. Niemand weet precies hoe de kruising heeft plaatsgevonden – in bepaalde delen van de Pantanal overlappen de territoria van beide mierensoorten, maar er wordt niet gekruist. Hier gebeurt dat wel, en dat is misschien wel het meest verontrustende. De volbloed S. invicta houdt het niet langer dan drie, vier dagen vol bij temperaturen onder nul. De S. richteri al evenmin. Maar de hybride soort is beter bestand tegen koude dan de beide zuivere soorten, volgens een onderzoek uit 2002 naar omgevingsentomologie.

    Is het denkbaar dat een hybride mier – of misschien een hybride vorm van een hybride mier – op een dag de frontlinie verder naar het noorden doet opschuiven, tot aan Washington D.C. en Philadelphia? Of wat dacht je van New York, met zijn acht miljoen inwoners die net zo weinig weet hebben van de vuurmieren als ik aanvankelijk? Niet zo heel lang geleden zijn de mieren per schip vanuit Australië naar de Verenigde Staten gekomen. Dat is ook gebeurd in Taiwan; van daaruit zijn ze China binnen gedrongen. Volgens een rapport over biologische invasies, uit 2004, zouden de vuurmieren ook kunnen doordringen in Frankrijk, Italië, Griekenland, Japan, Zuid-Korea, Mexico, Midden-Amerika en grote delen van Afrika en India. Is er een manier waarop we met deze schepsels kunnen samenleven? Ik had nog niet alle hoop opgegeven.

    Kokend water

    Toen ik terugkeerde naar New Orleans bleek de vuurmierenhoop in onze achtertuin vier keer zo groot te zijn geworden. Hij stak nu als de Kilimanjaro boven de grassprieten uit. Terwijl ik me verbijsterd afvroeg wat ik moest doen, kroop er een stenopelmatus langs de noordflank omhoog – een behendig alpinist – die opmerkelijk genoeg ongemoeid werd gelaten. Ik zou willen dat ik een stenopelmatus was, die een manier had gevonden om vreedzaam met de vuurmieren samen te leven, en dat ik soepel over de flanken van de mierenhoop kon dansen zonder gestoken te worden, maar dat was ijdele hoop, wist ik. Zelfs wanneer Karen en ik op een of andere manier het nest zouden weten te mijden, dan nog waren er onze huisdieren – de katten, de terriër, en Jazzy-B, die me op hetzelfde moment vanachter het raam met nieuwsgierige hondenogen aankeek. De vorige keer was hij met de schrik vrijgekomen, maar als hij honderden keren werd gestoken zou het gif vast en zeker te veel zijn voor zijn gevoelige Chihuahua-stelsel. Het was duidelijk wat me te doen stond. De mierenhoop moest verdelgd worden.

    Ik brak mijn hoofd over de overdaad aan moordwapens: Rivaliserende kolonies tegen elkaar opzetten, griesmeel, benzine, een bezem en benzine, gif – en zo ja, welk gif dan? Uiteindelijke koos ik voor een methode die minder belastend was voor het milieu en die alleen Oliver had genoemd – half mompelend, aan het einde van ons gesprek, alsof hij een geheim onthulde waar hij zich een beetje voor geneerde: kokend water. Ant Max en Spectracide Fire Ant Killer Mound Destroyer lijken liever niet te willen dat deze methode breed bekend wordt.

    Toen Jazzy-B en alle anderen veilig binnen zaten, leegde ik de kattenbak, besprenkelde hem met 
babypoeder zodat de mieren niet langs de wanden omhoog konden kruipen, en schepte de mierenhoop erin, waarna ik hem zo snel mogelijk tot aan de rand volgoot met kokend water. Een tweede ketel kokend water verdween in de opening aan de bovenkant, zodat het in alle tunnels en kamers zou lopen. Daarna volgden nog een derde en een vierde ketel, om zeker te weten dat ik ook de koningin te pakken had. Er volgde een explosie van rood, omdat grote hoeveelheden gebroed naar buiten werden gebracht, maar dat werd ogenblikkelijk gekookt door het water, en binnen een uur was de mierenhoop verleden tijd.

    Met mijn huishoud-wapentuig liep ik weer naar binnen, maar ik was allesbehalve tevreden. Deze slag mocht ik dan hebben gewonnen, de oorlog was een verloren strijd. Je kon er donder op zeggen dat er een nieuwe mierenhoop zou opduiken. Met deze ‘overwinning’ had ik slechts tijd gewonnen.

    Auteur: Justin Nobel

    Justin Nobel schrijft over wetenschap en milieu voor verschillende Amerikaanse tijdschriften. Vorig jaar verscheen zijn boek The story of Dan Bright over een jongeman in New Orleans die ten onrechte van moord werd beschuldigd.

    Openingsbeeld: © Michael Duva / Getty

    De koelbloedige insectendoder Justin Nobel.
    De koelbloedige insectendoder Justin Nobel.

    CONTEXT: Het mierenvlot van de Cumberland-rivier

    Toen Nautilus me vroeg mijn ‘Ants Go Marching’-artikel te schrijven, besloot ik dat het een reisverhaal moest worden. De geografisch belangrijke plekken vormden mijn uitgangspunt: Mobile, in Alabama, waar de mieren als eerste aan land kwamen, en het eindpunt ergens in het noorden van Tennessee, de meest noordelijke punt van de opmars van de mieren.

    Het beginpunt is makkelijk: Mobile is Mobile, en wie naar Mobile gaat, gaat naar de kade. Maar hoe kom ik bij het eindpunt? Met die vraag begint mijn zwerftocht. Zodra ik begreep dat de mieren vlotten konden bouwen en daarmee de rivier af konden gaan, en dat er inderdaad talloze mierenkolonies waren meegevoerd door het water van de Cumberland tijdens de Nashville-overstroming van mei 2010, wilde ik met alle geweld zelf ook de rivier op. De manier waarop doet er niet zoveel toe, hoe gekker hoe beter. Zelf een vlot bouwen? Een of andere vrijbuiter inhuren om me op een vlot van boomstammen de rivier af te roeien, een beetje à la Huckleberry Finn? Mezelf met de stroom mee laten drijven en doen alsof ik een mierenkolonie ben?

    Na driftig googelen stuit ik op de website van de General Jackson Showboat, die tweemaal daags met een stel opzichtige entertainers een tocht over de Cumberland maakt. Aan boord is de lokale beroemdheid Steve Hall, met zijn ‘Shotgun Red Show’.

    Steve is een legendarisch zwaarlijvige, joviale, muzikale komiek die een groot deel van zijn leven op rivierboten heeft opgetreden, en Shotgun Red is zijn gevatte, brutale pop. Hun act heeft werkelijk niets te maken met mieren, maar de General Jackson biedt een uitstekende gelegenheid om de rivier op te gaan, op zoek naar mieren, of in ieder geval om met de passagiers, en hopelijk ook de entertainers, te praten over mieren.

    Ik rij naar attractiepark Opryland, waar de General Jackson Showboat vertrekt vanaf een steiger achter een reusachtige mall, en ik koop een kaartje. Het valt me vrijwel ogenblikkelijk op dat een groot deel van de overige passagiers in een rolstoel zit of met een rollator loopt. Dit is geloof ik het moment waarop tot me doordringt dat het een bespottelijk idee is om op deze geriatrische showboat op zoek te gaan naar vuurmieren. Maar goed, wanneer ik mensen vraag naar de vuurmieren, blijken ze zich maar al te zeer bewust van het bestaan van deze duivelse insecten. ‘Ik heb geprobeerd ze te verdrinken,’ zegt ene Peggy, een zachtaardige vrouw. Ze woont met haar man op een stuk land van 200 vierkante meter in Cleveland, Georgia. ‘Ik had het idee dat ze nauwelijks konden verdrinken!’ Uiteindelijk blijkt dit bijzonder nuttige informatie, want het sterkt me in de overtuiging die langzaam in mijn hoofd begint post te vatten, namelijk dat vuurmieren zelfs de meest zachtaardige mensen, zoals deze vriendelijke oudjes, kunnen doen veranderen in koelbloedige killers.

    Zoals wel vaker wanneer ik op pad ben voor een groot artikel, herinner ik me ook nu heel scherp het moment waarop mijn verbeelding het van me overneemt

    Eenmaal aan boord van de General Jackson hang ik over de reling en zie zwaluwen, met hun v-vormige staart, naar het grijsbruine wateroppervlak van de snelstromende rivier duiken om de insecten eraf te plukken. Het water heeft de kleur van slappe koffie bij een tankstation. De meeste passagiers zijn binnen, bij het buffet, in afwachting van ‘Steve Hall and the Shotgun Red Show’, maar mijn voornaamste doel is het opsporen van drijvende mierenkolonies. Vergeefs probeer ik in het schuimende kielzog van de boot sporen te ontdekken van mierenvlotten. Zoals wel vaker wanneer ik op pad ben voor een groot artikel, herinner ik me ook nu heel scherp het moment waarop mijn verbeelding het van me overneemt. Ik hoef de rivier helemaal niet af te speuren op zoek naar een mierenvlot, bedenk ik ineens, ik zit al op een mierenvlot! Dus baan ik me snel een pad door de myrmecologische massa op zoek naar de koningin.

    Die vind ik, in een flinke theaterzaal in het midden van het vlot. Terwijl honderden werkmieren zich tegoed doen aan cheddar, aardappelpuree en stoofvlees, brengt een aantal podiummieren onder magentalampen hard geluid voort. Er is een vioolmier, een banjomier, en een fantastische, dikke mier in een rood overhemd met lovertjes en sandalen met glitters. Een van de muziekmieren is blind en blijkt later die dag te gaan trouwen. In het midden van de groep staat de koningin, gekleed als een tovenaar. Hij heeft een bolle buik (vermoedelijk vol eitjes), een snor, een matje in zijn nek en een reusachtig hoofd met vele onderkinnen. Na een poosje komt zijn poppenmier, Shotgun Red, het toneel op en vertelt moppen ovegDolly Parton.

    Na de show spreek ik op het achterdek de koningin aan; hij probeert zijn koopwaar te slijten aan kindermieren. Hier houdt het visioen abrupt op en wordt de koningin weer gewoon de rivierboot-entertainer Steve Hall. Ik vraag hem hoe het is om op het water op te treden. ‘Deze boot is ongeveer zo groot als een voetbalveld, telt vier verdiepingen en heeft twaalfhonderd passagiers,’ zegt hij. ‘De eerste paar keer was ik me voortdurend bewust van de rivier, maar nu zie ik die niet eens meer, tenzij ik heel goed kijk.’ Steve heeft meer dan zesduizend keer aan boord opgetreden. Ik vraag of hij ooit een vuurmierenvlot op de Cumberland heeft gezien. Nee – wel wasberen en zeearenden en eenden, maar geen mieren.

    Maar Steve’s voluptueuze zangeres Jennifer Bruce weet alles van de mieren. ‘Ze zitten in mijn achtertuin!’ roept ze uit. ‘Volgens mij zit daar een hele kolonie.’ Opgewekt maak ik aantekeningen. Dit absurde reisje heeft uiteindelijk misschien toch nut. Want terwijl ik mijn tijd verdoe door op de General Jackson te praten met de rivierboot-musici, heeft een angstaanjagende kolonie vuurmieren in allerijl een reusachtige mierenhoop gemaakt in mijn achtertuin in New Orleans. Net op het moment dat ik weerzin begin te voelen jegens mijn eigen soort en met een bijna milde blik naar de mieren kijk, word ook ik gedwongen me te ontpoppen tot een koelbloedige insectendoder. Het is eigenlijk wel triest dat de mieren en wij gedoemd zijn elkaar te bestrijden met onze respectievelijke wapens.

    Nautilus – Justin Nobel

    Nautilus
    Verenigde Staten | maandblad + website | nautil.us

    Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.