Tag: integratie

  • Japan experimenteert met multiculturalisme

    Japan experimenteert met multiculturalisme

    Japan heeft arbeidskrachten nodig. Met een nieuw visumsysteem wil het land buitenlandse werknemers aantrekken voor sectoren waar Japanners hun neus voor optrekken. Maar integratie gaat niet vanzelf in een samenleving die zichzelf als homogeen beschouwt.

    Tokio heeft op 2 november een wetsvoorstel aangenomen dat voorziet in twee nieuwe visumtypes. Het visum voor ‘specifieke competentie 1’ staat een verblijf van vijf jaar toe voor een laag gekwalificeerde aanstelling in veertien sectoren (landbouw, ouderenverzorging etc.). Het visum voor ‘specifieke competentie 2’ staat gespecialiseerde werknemers toe samen met hun gezin langer te blijven. Volgens de krant Mainichi Shimbun 
‘gaat het om een historisch keerpunt in het Japanse vreemdelingenbeleid’. Inderdaad opent het land momenteel alleen zijn deuren voor hoog gekwalificeerde werknemers, zoals artsen en hoogleraren. Desondanks worden er talrijke buitenlandse studenten en leerlingen te werk gesteld, soms onder illegale en erbarmelijke omstandigheden. 7089 van hen zijn volgens het ministerie van Justitie in 2017 hun werkgever ontvlucht.

    Tien jaar geleden is Tao Cheng, 
een 36-jarige Chinees, met zijn start-up popIn begonnen in het kantorencomplex Roppongi Hills in het centrum van Tokio. In 2012, toen ondernemingen en laboratoria overal op de wereld vochten om nieuw talent, heeft Japan een puntensysteem ingesteld om hoog gekwalificeerde vakmensen aan te trekken: buitenlanders met een goede opleiding en een goed inkomen kregen punten toebedeeld waarmee ze gemakkelijker in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning. Dankzij dit systeem kreeg Cheng in maart 2017 ook een 
vergunning.

    Na een studie informatica aan het Technologisch Instituut in Tokio vervolgde 
de jonge Chinees zijn studie aan de 
Universiteit van Tokio. Daarna ontwierp hij software waarmee je, wanneer je een woord intypt op internet, onmiddellijk de betekenis plus de betreffende connotaties te zien krijgt. Baidu, de grootste Chinese zoekmachine, heeft het programma voor meer dan een miljard yen (8 miljoen euro) van hem gekocht.

    Dankzij zijn talent en zijn inspanningen heeft Cheng zijn ‘Japanse droom’ gerealiseerd. Je kunt met recht spreken van een succesverhaal. Maar de Chinese ondernemer, die nog altijd een spijkerbroek draagt, weerlegt deze indruk met een bittere glimlach. ‘In Japan is de concurrentie niet zo moordend. In China of de Verenigde Staten zouden ze niets van me hebben overgelaten.’

    Cheng kwam naar Japan nadat hij was gezakt voor 
de toelatingsexamens van de Chinese universiteit. De provincie Henan in Centraal-China, waar hij vandaan komt, telt meer dan honderd miljoen inwoners. Hoewel hij zich op een uitstekende middelbare school op de examens had voorbereid, realiseerde 
hij zich dat het erg moeilijk was om in zijn land op een topuniversiteit te komen; de concurrentie was te groot.

    Op aanraden van zijn oom besloot hij in Japan te gaan studeren. Gezien de grote concurrentie tussen de Verenigde Staten en China in de informaticasector was het realistisch om voor Japan te kiezen als vestiging voor een onderneming. ‘De slagingskans is er betrekkelijk hoog en als je eenmaal succes hebt, is het makkelijk om relaties aan te knopen. 
Dat ik Chinees ben is nooit een probleem geweest, 
in elk geval niet op commercieel vlak,’ zegt hij. Het 
is inmiddels achttien jaar geleden dat Cheng zich in Japan heeft gevestigd, net zo lang als hij in China heeft gewoond.

    Ontvolking

    Op het Japanse eiland Amami-Oshima, ongeveer 1300 kilometer ten zuiden van Tokio, zie je steeds meer buitenlandse werknemers in restaurants en bars. Deze tendens laat zich verklaren door de opening, drie jaar geleden, van een school waar Japanse les wordt gegeven, de Kakehashi International School, die nauwe banden heeft met een uitzend
bureau in Tokio.

    ‘Na het voltooien van de middelbare school vertrekken de jongeren hier naar de grote steden op het hoofdeiland van Japan,’ zegt Yukio Hamasaki, directeur van de school en voormalig voorzitter van de plaatselijke kamer van koophandel. ‘Het is onze missie om door het ontvangen van buitenlandse leerlingen een bijdrage te leveren aan de activiteit 
in de regio en de demografische teruggang te 
compenseren.’

    Bij het Japanse restaurant Komachi werken zes buitenlandse leerlingen van de school. Een van hen, een 28-jarige Nepalees, werkt op weekdagen van 18.00 tot 22.00, nadat hij tot het middaguur lessen Japans heeft gevolgd. De eilandbewoners stellen zich 
gastvrij op tegenover deze buitenlandse leerlingen, die niet te beroerd zijn om te werken. ‘De inwoners van Amami-Oshima zien geen verschil tussen 
buitenlanders en Japanners die niet van het eiland afkomstig zijn. Ik denk dat dat komt doordat ze allemaal een andere taal spreken dan ons eilanddialect,’ zegt de 45-jarige Yuichiro Hisakura, die een restaurant voor plaatselijke specialiteiten heeft, waar hij een Indonesische leerling heeft aangenomen. De Japanse school, die in oktober 15 nieuwe leerlingen heeft ingeschreven, telt er momenteel 39. Volgend jaar moeten dat er meer dan 60 zijn. Regio’s die met ontvolking kampen, zoals het eiland Amami-Oshima, trekken veel buitenlandse leerlingen aan. De stad Goto op het eiland Kyushu is ook van plan in april een Japanse school te openen.

    Om de demografische teruggang het hoofd te bieden wordt hiervoor al een lokaal ingericht, met subsidie van de staat. Volgens cijfers van het ministerie van Justitie telt het land momenteel 710 scholen waar Japanse les wordt gegeven. 240 daarvan zijn de 
afgelopen vijf jaar opgericht, bijna een per week. 
De meeste leerlingen die hier hun diploma halen, stromen door naar beroepsopleidingen of naar de universiteit.

    Ruzies

    Hoe moet je samenleven met mensen die een andere taal spreken en een andere manier van leven gewend zijn? De eerste buitenlandse werknemers die in de Japanse samenleving integreerden zijn de nikkeijin, afstammelingen van Japanners die naar het buitenland emigreerden, bijvoorbeeld naar Brazilië. Door 
de krapte op de arbeidsmarkt als gevolg van de economische bloei heeft Japan in 1990 zijn deuren voor hen geopend, en het merendeel kwam in tijdelijke dienst van fabrieken.

    Zo is in de Japanse stad Toyota, de slaapstad waar 
het gelijknamige automerk is gevestigd, meer dan de helft van de inwoners van de wijk Homi van buitenlandse afkomst, voor het merendeel Braziliaans. In het begin waren er heel wat spanningen tussen hen en de lokale bevolking. Ruzies vanwege geluidsoverlast, rondslingerend afval of onbetaalde contributie aan bewonersverenigingen waren schering en inslag. De scholen waren niet op de ontvangst van buitenlandse kinderen berekend. Hun drukbezette ouders vonden het niet erg dat ze niet naar school gingen omdat ze op een dag toch zouden teruggaan naar hun eigen land.

    Deze jongeren, die geen Japans spraken en geen plek hadden in de wijk, vochten onophoudelijk met lokale straatbendes. Na meer dan twintig jaar in Japan te hebben gewoond, overweegt de 29-jarige Braziliaan Gustavo Murayama zich er definitief te vestigen. Als Japanse afstammeling van de derde generatie is hij op 6-jarige leeftijd op de archipel gearriveerd en opgegroeid in de wijk Homi. ‘Als ik in de spiegel kijk, zie ik een buitenlander. Maar ik heb zin om me in te zetten voor Japan en me er definitief te vestigen,’ zegt hij. Hij werkt bij een uitzendbureau en broedt op 
manieren om de contacten tussen buitenlanders 
en de Japanners soepeler te laten verlopen. Zo heeft hij al een Portugeestalige informatiesite gecreëerd om Brazilianen te helpen.

    De aanvankelijke ruzies in de wijk lijken verleden tijd. Toch is voor Kunihiro Kawabe, voorzitter van 
het plaatselijke verbond van wijkverenigingen en van een reflectiegroep over het samenleven met 
buitenlanders, ‘het woord “samenleven” heel mooi’, maar, zegt hij, ‘er moeten nog heel wat problemen worden opgelost’. Hij buigt zich al lange tijd over oplossingen voor samenlevingsproblemen en moet bekennen dat hij het aantal buitenlanders liever niet ziet toenemen. Bij het toelaten van buitenlandse werknemers laat Japan het aan de plaatselijke overheden en bewoners over om de problemen op te lossen die zich voordoen in het dagelijks leven.

    Ook nu worden voorbereidingen getroffen om nog een groter aantal van hen aan te trekken. ‘Ze zeggen dat ze werknemers ontvangen en geen immigranten, maar dat is onzin. Het 
zijn gewoon immigranten,’ protesteert Kawabe. Van de verre eilanden voor de Japanse kust tot aan het centrum van de hoofdstad is er een groot aantal buitenlanders dat samenleeft met de Japanners. En de meeste Japanners zijn zich daarvan bewust. Eind oktober 2017 telde Japan zo’n 1,28 miljoen buitenlandse werknemers, een toename van bijna 50 procent in 5 jaar.

    Japanners doen alsof ze de buitenlanders niet zien

    De wijk Shinjuku in Tokio herbergt buitenlanders uit 135 landen en regio’s, en 
1 op de 8 inwoners is er buitenlander. Door mensen van verschillende oorsprong en uit verschillende 
culturen te ontvangen begeeft Japan [waar de mythe van homogeniteit diepgeworteld is] zich op de weg van het multiculturalisme. Verscheidene factoren hebben aan deze ontwikkeling bijgedragen: de daling van het geboortecijfer, de vergrijzing van de bevolking en de demografische teruggang. Omdat 
de werkzame beroepsbevolking is afgenomen, heeft het land geen andere keus dan een beroep te doen op buitenlanders.

    Toch doen de Japanners alsof ze hen niet zien, alsof ze doorzichtig zijn. Het gedrag van de regering, die weigert een migratiebeleid te voeren, is daarvan het beste voorbeeld. Door haar ogen te sluiten voor de buitenlanders die zich in haar land vestigen, er 
trouwen en kinderen krijgen, heeft de regering nagelaten om de werkomgeving van nieuwkomers en buitenlandse leerlingen te verbeteren en voldoende taalonderwijs aan te bieden.

    In Japan woonachtige Brazilianen juichen tijdens de WK-openingswedstrijd Brazilië-Kroatië op 13 juni 2014 in Oizumi, een stadje ten noorden van Tokio. – © Getty
    In Japan woonachtige Brazilianen juichen tijdens de WK-openingswedstrijd Brazilië-Kroatië op 13 juni 2014 in Oizumi, een stadje ten noorden van Tokio. – © Getty

    De regering heeft aangekondigd meer ongeschoolde arbeiders te willen aantrekken. Maar hoewel ze 
eindelijk heeft ingezien hoe groot de behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten is, heeft ze geen enkele maatregel getroffen om het samenleven te faciliteren. Men blijft doen alsof de buitenlanders niet bestaan door familiehereniging te beperken en het aan lokale instituties over te laten om hen te helpen.

    Het probleem betreft niet alleen de mensenrechten. Als er niet wordt opgetreden tegen de ongelijkheid op de arbeidsmarkt en in het dagelijks leven, kan zich dat tegen de Japanners keren, met als gevolg meer lokale ordeverstoringen, minder veiligheid 
en een toename van maatschappelijke kosten. In diverse Europese landen heeft het ontbreken van maatregelen om de immigratie in goede banen te leiden, geleid tot sociale en politieke instabiliteit.

    Als Japan de buitenlanders als volwaardige burgers behandelt, in overeenstemming met de principes van een pluriforme en meertalige samenleving, 
dan zal het zijn perspectieven verbeteren. Niet de migranten moeten hiervoor verantwoordelijk worden gesteld, maar het volk dat hen ontvangt. Want de mens is geen inwisselbare machine.

    Auteurs: Takuya Asakura, Ari Hiramaya en Hiroki Manabe

    Asahi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 11.720.000

    De ‘Krant van de opgaande zon’ is een autoriteit in Japan, met 3000 journalisten verdeeld over 300 redacties in Japan en 30 daarbuiten. Het is de krant van intellectuelen, die zich ziet als verdediger van de democratie.

  • Als integratie wel lukt

    Als integratie wel lukt

    In september 2015 begonnen Aubrey Wade, Sarah Böttcher en Stjepan Sedlar in Berlijn met het fotograferen van vluchtelingen en hun gastgezinnen. Later breidden ze hun project, No Stranger Place, uit naar andere Europese landen, waaronder Zweden. Wat de makers willen laten zien zijn ‘relaties, en wat er mogelijk wordt als mensen die vormen’.

    ‘De foto’s tonen mensen die net zo zijn als wij. In hun verhalen ontdekken we wat individuen gemeen hebben. Hun gedeelde waarden zijn belangrijker dan hun verschillen.’

    Het project werd gesteund door de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.

    © Aubrey Wade/UNHCR

    nostrangerplace3

    ZWEDEN

    Alleenstaande moeder en bibliothecaresse Linnea Tell met de Syrische kunstenaar Alqumit Alhamad, die bij haar inwoont in Malmö. ‘Ik kan niet zeggen hoe vrij ik me voel in Zweden,’ zegt Alqumit. ‘Ik kan doen waar ik zin in heb. Het is een andere wereld, zeker als homoseksueel.’

    nostrangerplace7

    OOSTENRIJK

    Kinderjuf Margarethe Kramer (links) met de Iraakse vluchteling Souad Awad in Lavanttal. De twee ontmoetten elkaar via een christelijke hulporganisatie. ‘Ik ben in de zevende hemel,’ verklaart Souad. ‘Margarethe is geweldig, en haar familie ook. Ik heb hier in een maand meer Duits geleerd dan in een halfjaar in een asielzoekerscentrum.’

    nostrangerplace6

    ZWEDEN

    Het lesbische echtpaar Gabriella en Candel Webster met hun Syrische gast Ahmad Lababidi en zijn zoon Ali (18). Dochter Hiba (16) staat niet op de foto. Toen Gabriella en Candel Ahmad vertelden dat ze getrouwd waren, was het even stil, vertellen ze. ’We dachten eerst dat hij misschien van gedachten zou veranderen.’ Dat gebeurde niet. Het was een shock, erkent Ahmad, ‘maar ik zie hoe aardig ze zijn. Ik zie hun menselijkheid, liefde en vriendelijkheid.’

    57b5b1e84

    DUITSLAND

    De joodse familie Jellinek met hun Syrische gast Kinan uit Damascus. ‘Integratie is geen eenrichtingsverkeer,’ aldus vader Chaim. ‘Het moet van beide kanten komen.’

    nostrangerplace2

    ZWEDEN

    Architect Lars Asklund (rechts) met de Syrische vluchteling Farah Hilal, haar man Waleed Lababidi en haar broer Milad Hilal in Malmö. Toen Asklund Lababidi voor het eerst ontmoette in een opvangkamp, stelde hij hem drie vragen: Ben je getrouwd? ‘Ja.’ Heb je kinderen? ‘Nee.’ ‘En toen keek ik hem recht in de ogen: ben je een fundamentalist? “Nee.” Oké, zei ik, dan heb ik een voorstel voor je.’

    nostrangerplace4

    OOSTENRIJK

    Sabine David, haar man Dominique en haar dochter Nora (1) met de Afghaanse vluchteling Nooria en haar tweejarige dochter Aysu in Lavanttal.

    nostrangerplace5

    DUITSLAND

    Manuela en Jörg Buisset en dochter Nöemi (18) met hun gast Nourhan (18), die net haar tweede kind heeft gekregen (niet op de foto), haar man Ahmed (28) en hun dochter Alin (18 maanden) in Berlijn. Manuela wilde aanvankelijk liever een vrouw alleen in huis dan een heel gezin. Intussen past Ahmed op de kinderen.

    nostrangerplace9

    DUITSLAND

    Edgar en Amelie Rai met haar twee kinderen Nelly (9) en Moritz (12) en hun Syrische gasten, de broers Bilal (26) en Amr (17) Aljaber in Berlijn. ‘Ik noem ze keukennazi’s,’ lacht Amelie. ‘Ik ben nogal een controlfreak, maar als zij koken is de keuken naderhand brandschoon. We hebben nooit huisregels hoeven maken.’

    nostrangerplace8

    OOSTENRIJK

    Martina Schamberger met haar man Engelbert, zoon Laurenz, dochter Lea en hun Syrische gast, oud-basketbal-international Nawras Ahmadook, in Bad Schallerbach. Toen Martina’s dochter Valerie in 2006 Arabisch studeerde in Aleppo, nam Nawras’ familie haar in huis. Toen Valerie in 2015 hoorde dat Nawras Syrië ontvlucht was, belde ze direct haar ouders. Martine: ‘De volgende dag heb ik hem opgehaald.’

  • Vrouwen, ontsluiert u in het Westen

    Vrouwen, ontsluiert u in het Westen

    De schrijver van dit artikel betoogt, heel voorzichtig, dat moslima’s die in het Westen wonen zich moeten aanpassen aan de wetten van de landen die hun een thuis bieden, om vrij te kunnen zijn.

    Moge God me bewaren! Nooit zou ik zoiets durven zeggen. Want ik zou gestenigd worden. En toch moet het gezegd worden. Alleen een religieus man kan dat doen, iemand die de religieuze teksten goed kent en de subtiliteiten daarvan begrijpt. Zo’n man bestaat. Het is (de Saoediër) Mohammed Al-Issa, secretaris-generaal van de wereldwijde Islamitische Liga (een Saoedische organisatie voor de verbreiding van de islam over de hele wereld. Mohammed Al-Issa is in Saoedi-Arabië minister van Justitie geweest). Hij heeft zich over de vraag gebogen of moslimvrouwen in het Westen een sluier moeten dragen en tijdens een conferentie in Wenen heeft hij tegenover een gehoor van gesluierde vrouwen zijn mening gegeven op basis van de sharia: ‘Wanneer een land democratisch besluit om de sluier niet toe te staan, moet je dat accepteren. Als je in dat land wilt blijven, moet je de sluier afdoen. Ben je daar niet toe bereid, dan moet je vertrekken.’

    Er zijn dus maar twee mogelijkheden: de sluier afleggen of vertrekken. Maar laten we eens wat nauwkeuriger kijken wat hierover precies is gezegd in de islamitische godsdienst. De islam predikt het respecteren van contractuele verplichtingen. Die hebben de waarde van een wet. En de wet bestaat uit veel contractuele verplichtingen, onder andere voor de manier waarop welke immigrant in welk land ook moet verblijven.

    Vrouwen moeten worden beschouwd als volwassenen, die vrij zijn, verantwoordelijk voor zichzelf, die verstand hebben en in staat zijn zelf over hun leven te beschikken

    Zo kan een land het verplicht stellen om de sluier te dragen en de winkels te sluiten op het uur van het gebed opdat iedereen naar de moskee gaat om te bidden; het kan alcohol verbieden evenals het uitoefenen van elke andere religie dan de islam, en dan kan het iedereen die zich daar niet aan houdt straf opleggen. Net zoals wij aan buitenlanders in ons land vragen om die regels te respecteren, moeten wij ons ook voegen naar de wetten die bij anderen gelden, ook als die tegen ons geloof ingaan. Anders kun je daar maar beter niet naartoe gaan. Wat een narigheid voor de gesluierde vrouwen in de westerse landen! Te midden van een veelkleurige wereld die de natuurlijke schoonheid eert, lijken zij vlekken van treurnis, buitenstaanders.

    Om de woedende reacties die ik nu misschien losmaak te pareren, wil ik duidelijk maken dat het me hier niet gaat om een oproep tot de bevrijding van de vrouwen. Dat is niet mijn onderwerp; dat is de zaak van de vrouwen zelf. Wij, de mannen, hebben niet langer het recht om te oordelen over hun zedelijkheid en hun gedrag. Want vrouwen moeten worden beschouwd als volwassenen, die vrij zijn, verantwoordelijk voor zichzelf, die verstand hebben en in staat zijn zelf over hun leven te beschikken.

    Waar ik het hier over hebben wil, is iets anders. Om mijn idee beter te illustreren, vraag ik u: wat zou er gebeuren 
als een westerse vrouw met ontbloot hoofd door de straten van Riyad zou lopen, in een strakke rode broek en een blouse die een deel van haar lichaam bloot liet? Dat zou onvermijdelijk een golf van protest en veroordelingen oproepen. De sociale media zouden overspoeld worden met boze reacties en met een beetje geluk zou dit een paar dagen lang trending zijn op Twitter.
    Dus evengoed als wij zelf niet blij zijn wanneer dat in ons land gebeurt, moeten we de wetten en regels bij de anderen accepteren. Dat is alleen maar gerechtigheid.

    Ons probleem zit hem in de manier waarop wij de rol van de wet zien. 
Voor ons dient de wet om een bepaald gezichtspunt vast te leggen van waaruit het leven van de mensen wordt geregeld. Zo handhaven we onze verbondenheid met al onze tradities en gewoonten, hoe extreem die in de ogen van anderen ook mogen lijken.
    Wanneer we in landen zijn die op cultureel, wettelijk en religieus gebied radicaal verschillen van het onze, zien wij het als een erezaak om ons te vertonen als een karikatuur van onszelf. En we zijn trots op ons vermogen onze gewoonten te verdedigen in zo’n andere omgeving. Daarbij vergeten we gemakshalve dat we dat alleen kunnen doen omdat die landen veel vrijheid toestaan aan alle buitenlanders.

    Twee volledig gesluierde islamitische vrouwen winkelen in Oxford street, Londen. – © Peter Hilz / HH
    Twee volledig gesluierde islamitische vrouwen winkelen in Oxford street, Londen. – © Peter Hilz / HH

    Vroeger verboden veel van onze geleerden ons categorisch om naar het Westen te reizen, tenzij het echt niet anders kon, bijvoorbeeld voor een medische behandeling. Na die periode hebben 
we hartstochtelijke discussies gevoerd over de verschillende varianten van de sluier, waarbij elke stroming de ene of de andere variant tot zijn banier verhief. Vandaar dat de kwestie van de hidjab (sluier die de haren bedekt) of de nikab (gezichtsbedekkende sluier) van het grootste belang is geworden om een identiteit te bepalen, een identiteit 
die je koppig, onwankelbaar dient te verdedigen, zelfs in landen waar dat associaties oproept met terrorisme en wordt gezien als een symbool van de onderwerping van de vrouw aan het mannelijke gezag.

    Dat is het resultaat van onze overdrijvingen op dat gebied. Iedereen weet nog hoe de taliban Afghaanse vrouwen behandelden, die met de dood bedreigd werden als ze geen sluier wilden dragen. Ook kreeg de rest van de wereld het idee dat vrouwen die een sluier dragen, deze willen gebruiken om een terroristische aanslag te plegen. Deze negatieve reactie is niet alleen in het Westen merkbaar, maar ook bij bepaalde moslims. Denk bijvoorbeeld aan Rula Ghani, de vrouw van de Afghaanse president Ashraf Ghani, die het Franse verbod op de gezichtsbedekkende sluier steunde. (Al is het waar dat zij een Libanese christelijke vrouw is.)

    Nu moeten we met grotere openheid tegenover de verschillende standpunten en vanuit een rationalistische benadering gaan werken aan een nieuwe, bij deze tijd passende, interpretatie van de teksten over de sluier; daarbij gaat het erom de waardigheid van de islamitische vrouw te bewaken en haar tegelijkertijd de mogelijkheid te bieden geaccepteerd te worden in andere samenlevingen en daar in vrijheid en op gelijke voet met de mannen te werken.

    Gebeurt dat niet, dan zal de vrouw geen andere keus hebben dan de sluier definitief af te doen dan wel zich in zichzelf terug te trekken en erin te berusten dat haar leven beperkt blijft tot een heel nauw kader. Ik hoop dat dit zonder spanningen kan verlopen.

    Auteur: Mohammed Al Moziani
    Vertaler: Annemie de Vries

    Al-Hayat
    Saoedi-Arabië | dagblad | oplage 110.000

    ‘Het Leven’ is ongetwijfeld de meest toonaangevende krant van de Arabische diaspora en het favoriete podium voor liberale Arabieren die een groot publiek willen bereiken. De krant neigt naar pro-westerse en pro-Saoedische berichtgeving, maar staat ook open voor andere meningen.

  • Als Europeaan ben je een tweederangsburger

    Als Europeaan ben je een tweederangsburger

    Het Europese burgerschap stelt weinig voor, en die situatie gaat al terug tot het oude Rome, schrijft Quartz -journalist Kabir Chibber. ‘Keizer Hadrianus zou niet gek hebben opgekeken van de verhoudingen in onze wereld.’

    Hoe verhoudt een stam zich tot de vreemdeling? Als je hem heel slecht behandelt, zal hij wegblijven. Als je hem heel goed behandelt, welke voorrechten geniet je dan nog als oorspronkelijke inwoner? Europa is veel verder gegaan dan zoeken naar een oplossing voor dit dilemma: momenteel vindt in Europa het grootste sociaalwetenschappelijke openluchtexperiment van de afgelopen twintig jaar plaats. In een culminatie van alle pogingen om na millennia van oorlogen een verenigd Europa te smeden, heeft de EU in 1993 niet alleen zichzelf in het leven geroepen, maar ook zonder al te veel ophef het geheel nieuwe concept van het Europees staatsburgerschap het licht doen zien – en zonder al te veel inhoudelijke discussie.

    Het Verdrag van Maastricht stelt het Europees burgerschap ‘boven het burgerschap van de Lid-Staten. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een Lid-Staat bezit.’ Niet iedereen in de EU realiseert zich dat, maar het is wel zo. Het burgerschap van de EU brengt een aantal rechten met zich mee, waaronder de tot dan toe ongekende mogelijkheid om voor onbeperkte tijd waar dan ook in de EU te werken en te wonen. Dat betekent een juridische gelijkstelling met de burgers van de betreffende Lid-Staat, op alle vlakken behalve het actieve kiesrecht bij landelijke verkiezingen.

    Er zijn dus twee soorten vreemdelingen in de EU-Lid-Staten: de Europeaan en de niet-Europeaan. Sterker nog, de Europese immigrant beschouwt zichzelf helemaal niet als immigrant. Hij ziet zichzelf als een Europeaan – met dezelfde rechten als de lokale bevolking. Dat kan tot merkwaardige situaties leiden. In de nasleep van het referendum waarbij is besloten dat het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal treden, vertelde Labour-kamerlid Stella Creasy over de campagnetijd in haar Londense kiesdistrict: ‘Walthamstow is er altijd trots op geweest een smeltkroes te zijn, maar nu zag ik een Somalische vrouw tekeergaan tegen een Hongaarse vrouw. Ze schreeuwde dat haar dochter geen werk kon vinden, 
en dat de Hongaarse moest oprotten naar haar eigen land.’

    In dit voorbeeld heeft iedereen een andere kijk op de zaak. Het van oorsprong Engelse Kamerlid zag twee buitenlanders tegen elkaar schelden. De Somalische vrouw zag hoe alle offers die ze de loop der jaren had gebracht om te zorgen dat haar dochter een echte Britse zou kunnen worden, teniet werden gedaan door een buitenlander. En de Hongaarse vrouw zag zichzelf vermoedelijk als een Europese in Europa, die werd uitgescholden door een buitenlandse. De meeste Europeanen in Engeland hadden waarschijnlijk het idee dat ze woonden in een land vol mensen die zichzelf ook als Europeaan beschouwden. Het feit dat een meerderheid vóór de Brexit heeft gekozen, toont aan dat dit allesbehalve het geval was. Dat heeft grote gevolgen, niet alleen voor het Europese project, maar voor iedereen die zich afvraagt wat burgerschap betekent in een wereld waarin allerlei stammen door elkaar heen leven.

    Onbekend fenomeen

    Immigranten die zichzelf niet als zodanig beschouwen, zijn eigenlijk een onbekend fenomeen in de geschiedenis, aangezien er vrijwel altijd toestemming nodig is geweest om je in het land van een ander te vestigen. Vóór 1708, het jaar waarin in Engeland de Foreign Protestants Naturalization Act werd aangenomen – teneinde onderdak te kunnen bieden aan de Franse Hugenoten die werden vervolgd door de katholieken – kon een buitenlander alleen staatsburger van het Verenigd Koninkrijk worden door directe tussenkomst van het parlement of door een verzoekschrift aan de koning. (Het hele idee van het ‘Verenigd Koninkrijk’ was betrekkelijk nieuw – de unie met Schotland was nog maar net twee jaar oud.) Door de nieuwe wetten (die in 1711 weer werden herroepen) werd het voor het eerst mogelijk om op legale wijze dezelfde rechten te verkrijgen als iemand die in het land was geboren. De reden die werd aangevoerd voor deze historische maatregel was dat ‘de aanwas van mensen een middel is om de rijkdom en de macht van een land te vergroten.’

    De economische drijfveren om naturalisatie toe te staan zijn in de afgelopen driehonderd jaar niet echt veranderd. Nadat in 1993 de EU in het leven is geroepen, is het aantal mensen dat naar het Verenigd Koninkrijk is geëmigreerd verdrievoudigd – van 75.400 in 1995 tot 223.000 in 2004, aldus Will Somerville in Immigration under New Labour. Die ontwikkeling is voor een groot deel te danken aan Tony Blairs New Labour-regering (1997-2007), die de deur openzette voor geschoolde immigranten.

    Maar het gold niet alleen voor de Maastricht-burgers van Europa; ook het aantal werkvergunningen voor immigranten van buiten de EU verdrievoudigde. De grootste verandering vond plaats in 2004, toen het Verenigd Koninkrijk zich als slechts een van de drie Lid-Staten verzette tegen beperkingen voor de acht Oost-Europese landen die zich dat jaar bij de EU aansloten. De overheid voorspelde dat er hooguit 13.000 Europeanen per jaar naar het Verenigd Koninkrijk zouden komen. In minder dan twee jaar kwamen er bijna 580.000 – waarvan ongeveer twee derde afkomstig uit Polen, volgens Sommerville. ‘Na 2004 volgde de grootste toestroom van immigranten in de Engelse geschiedenis, met als gevolg de snelste bevolkingsaanwas ooit’, schrijft historicus Robert Tombs.

    Nadiya Hussain (r.), winnaar van The Great British Bake O , beschouwt Engeland als thuis. Maar wat betekent het precies om Brits of Europeaan te zijn? – © Ray Tang / HH
    Nadiya Hussain (r.), winnaar van The Great British Bake O , beschouwt Engeland als thuis. Maar wat betekent het precies om Brits of Europeaan te zijn? – © Ray Tang / HH

    Zelfs nu nog kiest het Verenigd Koninkrijk ervoor om meer mensen van buiten Europa toe te laten dan mensen van binnen Europa. In tegenstelling tot de Europese immigranten komen de niet-Europese immigranten meestal het land binnen met een werkvergunning, die hun alleen het recht geeft in het Verenigd Koninkrijk te wonen zolang ze werk hebben. Ze hebben geen recht op een uitkering en als ze hun baan verliezen, raken ze hun verblijfsvergunning kwijt. Om meer rechten te verkrijgen, moeten ze een naturalisatieprocedure volgen. Een vereiste is dat ze een aantal jaar in het Verenigd Koninkrijk hebben gewoond, en sinds 2005 moeten ze ook een inburgeringstoets doen en een taaltoets (in Engeland is op een van de negen scholen Engels niet langer de moedertaal van het merendeel van de kinderen) en ze moeten een ceremonie bijwonen.

    Dit alles geldt niet voor inwoners van de EU. Die mogen zo lang ze willen in Engeland blijven en net zo veel of zo weinig nemen als ze maar willen: ze mogen werken zonder dat ze Engels te hoeven leren. Ze mogen ook hun gezin laten overkomen – met of zonder werk. Na drie maanden kunnen ze aanspraak maken op een uitkering. Ze mogen vrij in- en uitreizen; ze hoeven zich niet te conformeren aan vernederende visumaanvragen en grenscontroles.

    Er zijn momenteel 2,3 miljoen EU-arbeiders in Engeland – waarvan meer dan een miljoen afkomstig uit Oost-Europa. De Polen hebben de Indiërs ingehaald als grootste immigrantengroep. Maar hun omstandigheden zijn volkomen anders. Tussen 1998 en 2015 kwamen elk jaar opnieuw de meeste naturalisatieaanvragen voor rekening van Indiërs en Pakistani, afgaande op de cijfers van het Engelse ministerie van Binnenlandse Zaken. In het eerste decennium van deze eeuw werden er jaarlijks nog geen 20.000 aanvragen voor het Engelse staatsburgerschap gedaan door inwoners van alle Europese landen bij elkaar.

    Waarom zou hij zijn best moeten doen een Engelsman te worden en naar “Engelse tv” te kijken, terwijl hij zijn eigen taal en cultuur heeft? Dat is nergens voor nodig. De EU heeft Europeanen het recht van burgerschap verleend zonder enige verplichting

    Laatst kwam er een monteur bij mij thuis, in Londen, omdat er iets met mijn internetverbinding was. Hij vroeg of ik ook het televisiepakket van het bedrijf had. Dat had ik niet, en hij ook niet. ‘Thuis kijk ik via de schotel – naar de Poolse tv,’ zegt hij. ‘Ik kijk niet naar Engelse programma’s, omdat ik geen Engelsman ben.’ Daar valt niet tegenop te redeneren. Hij is een inwoner van Polen – en van Europa. Hij kan zich in elk van de (voorlopig nog) achtentwintig landen van Europa vestigen. Waarom zou hij zijn best moeten doen een Engelsman te worden en naar ‘Engelse tv’ te kijken, terwijl hij zijn eigen taal en cultuur heeft? Dat is nergens voor nodig. De EU heeft Europeanen het recht van burgerschap verleend zonder enige verplichting.

    Wat is dan de waarde van de manier waarop het al honderden jaren gaat – migratie door middel van naturalisatie? En daarbij gaat het niet alleen om juridische assimilatie, wat belangrijk is, maar ook om iets ongrijpbaarders als sociale en culturele integratie – een ouderwets streven om deel uit te gaan maken van een bepaalde stam. Engeland kent een lange traditie, die teruggaat tot de Hugenoten, waarin immigranten worden geaccepteerd en opgenomen in het Britse bestaan.

    Wanneer dat lukt, levert dat veel op – al kost het meestal enkele generaties om een Benjamin Disraeli [Britse premier van Joodse komaf] of een Zadie Smith [Engelse schrijfster met een Jamaicaanse moeder en een Engelse vader] voort te brengen. Nadiya Hussain is de dochter van immigranten uit Bangladesh, die in de jaren zestig van de vorige eeuw naar Engeland zijn gekomen en een afhaalrestaurant zijn begonnen. Ze draagt een hoofddoek en ze is uitgehuwelijkt. Los daarvan is ze de op een na bekendste moslim van het land [de bekendste is Zayn Malik, voormalig lid van boyband One Direction] nadat ze een bakwedstrijd op televisie heeft gewonnen – een programma dat wekelijks meer dan tien miljoen kijkers trekt. Veel Britser kan haast niet.

    Over de racistische opmerkingen die ze weleens naar haar hoofd geslingerd krijgt, zei Hussain onlangs: ‘Ik vind het fantastisch om Engels te zijn en ik vind het fantastisch om hier te wonen en dit is mijn thuis en dat zal het altijd blijven. Ongeacht al het andere wat mijn identiteit bepaalt, is dit mijn thuis. En ik wil dat mijn kinderen daar trots op zijn, en ik wil niet dat ze deze ballast meekrijgen.’

    Acteurs kruipen in de rol van Romeinse soldaten tijdens een herdenking van de Muur van Hadrianus in 2016. De 117 kilometer lange muur werd tussen 122 en 128 na Chr. gebouwd om de Romeinse noordgrens te beschermen. – © Ian Forsyth / Getty
    Acteurs kruipen in de rol van Romeinse soldaten tijdens een herdenking van de Muur van Hadrianus in 2016. De 117 kilometer lange muur werd tussen 122 en 128 na Chr. gebouwd om de Romeinse noordgrens te beschermen. – © Ian Forsyth / Getty

    Wat het precies betekent om ‘Brits’ te zijn, is nog altijd niet helemaal uitgekristalliseerd, ondanks alle stappen die sinds 1708 zijn gezet. Hoe kunnen we dan verwachten dat we allemaal ineens ‘Europeaan’ zijn geworden?

    Het probleem van het Europees burgerschap is dat er wel een Europees burgerschap bestaat, maar geen Europese identiteit. De EU heeft al haar energie gestoken in de economische kansen die de interne migratie bood, zonder te proberen een gevoel van verbondenheid te creëren. En dat leidt tot dingen als de Brexit.

    De ironie wil dat er na het referendum meer gelijkheid zal zijn tussen de Europeanen en de niet-Europeanen in Engeland. In de toekomst moeten ze allemaal een werkvergunning hebben om te mogen blijven. En met de toenemende angst over de hele wereld dat de Brexit misschien slechts de eerste stap is in een lange, aanhoudende reeks terugslagen van de globalisering, vragen veel mensen in Europa een paspoort voor zichzelf en hun kinderen aan in het land waar ze wonen. Ze komen tot de ontdekking dat naturalisatie misschien weleens de oplossing zou kunnen zijn voor hun post-Brexitzorgen.

    Maar wat betekent het dan eigenlijk om Europeaan te zijn? Minder dan ooit in brede kring werd gedacht. Veel boze Europeanen die in Londen wonen realiseerden zich tijdens de Brexit-campagne ineens hoe loos hun burgerschap was, toen bleek dat ze niet mochten deelnemen aan het referendum in het land waar ze al vele tientallen jaren woonden. Immer een buitenlander, zelfs thuis.

    Oude Rome

    Het burgerschap van Europeanen komt in werkelijkheid veel dichter in de buurt van het soort tweederangs burgerschap dat zijn oorsprong vindt in het oude Rome. Nadat Rome in 338 voor Christus een opstand had onderdrukt, kregen de inwoners van de naburige plaatsen in Latium en Campania iets toegekend wat ons vertrouwd in de oren klinkt: burgerschap zonder stemrecht (civitas sine suffragio), ook wel ‘Latijnse rechten’ genoemd.

    Mary Beard noemt het in SPQR, haar geschiedenis van Rome, ‘een verzameling rechten die waarschijnlijk al sinds mensenheugenis werden gedeeld door de Latijnse steden en die later een formele uitwerking kregen voor gemengde huwelijken met Romeinen, wederzijdse rechten om contracten te sluiten, de vrijheid om te reizen, enzovoort. Het was een soort middenweg tussen volledig burgerschap en de status van een buitenlander, of een hostis.’

    Deze Latijnse rechten verwaterden geleidelijk toen Rome alleenheerser werd. Men kreeg het burgerschap toegekend wanneer men Rome op wat voor wijze dan ook diende: in het leger, of als ambtenaar. Daarnaast kon slaven het burgerschap worden verleend nadat ze hun vrijheid hadden verkregen. Maar dat alles was een voortvloeisel uit het feit dat Rome een keizerrijk werd – en een dictatuur.

    Misschien valt er een les te leren voor de EU – die door Brexiteers geregeld wordt verweten een nieuw Rome te zijn –, namelijk dat het gezag in sterke mate gecentraliseerd zal moeten worden om tot een echt Europees burgerschap te komen. Anderzijds kwam het Romeinse Keizerrijk als eerste met het concept van vrij reizen door Europa. Het Romeinse rijk was een plek waar mensen, als nooit tevoren op zo’n enorme schaal, een huis konden bouwen, een vermogen konden vergaren en zelfs hun laatste rustplek konden vinden op duizenden kilometers van de plek waar ze waren geboren’, schrijft Beard.

    Voor wie denkt dat globalisering iets van de laatste tijd is: in een van die graven ligt een arbeider, Barates, die zich aan het einde van zijn leven in Engeland bevond, op zesenhalfduizend kilometer van zijn huis in Palmyra, in Syrië. Zijn vrouw, Regina, was geboren in Noord-Londen. Hun graven bevinden zich in het noorden van Engeland, niet ver van de resten van de Muur van Hadrianus, die in 120 na Christus is gebouwd als scheiding tussen het Romeinse Engeland en Schotland.

    Daaruit blijkt in ieder geval dat Engeland al heel erg lang buitenlanders verwelkomt, maar tevens muren bouwt om hen te weren.

    Auteur: Kabir Chibber
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Quartz
    Verenigde Staten | qz.com

    Deze ‘web-app’ werd in 2012 opgericht door onlinefanaten die met dit nieuwsportal in willen spelen op de nieuwe wereld, ontstaan na de wereldwijde financiële crisis. De redactie hecht aan eigentijdse criteria als transparantie en vernieuwing en wil de ‘voordelen van een vrij toegankelijk web combineren met de elegantie van een applicatie’. Gericht op economie en technologie.

  • Syriër in het koude Noorden

    Syriër in het koude Noorden

    De Syrische schrijver en journalist Odai Al Zoubi vluchtte in 2015 via Istanboel naar Denemarken. In dit verslag vertelt hij hoe het hem vergaat in Scandinavië.

    ‘Het Noorden is een beproeving, een oord van verveling.’ – Salim Barakat, Syrisch-Koerdische dichter (tegenwoordig gevestigd in Zweden)

    Ik ben begin 2015 in Istanboel aangekomen en er aan het eind van dat jaar weer weggegaan. Ik had niet bewust gekozen om me daar te vestigen en ook niet om er weg te gaan. Het was de wil van het lot, waarop wij geen enkele greep hebben.

    We staan bij het consulaat van Denemarken in Istanboel: Irakezen, Syriërs, Arabieren en Koerden. Er zijn hier geen Turken, die vragen hun visum aan via internet. De Irakezen vertellen me over hun vrees voor Syrië, hun liefde voor Homs en Damascus. In dit rustige gesprek is de soenniet die zich verzet tegen de sjiitische milities makkelijk te onderscheiden van de sjiiet die boos is op Islamitische Staat. De slecht Arabisch sprekende Syrische Koerden in het consulaat wachten op toestemming voor gezinshereniging.

    Een oude vrouw met een hoofddoek bidt tot God en roept daarmee nog meer verwensingen op. Een meisje van acht klampt zich aan haar vast, terwijl een nog jonger jongetje achter zijn moeder aan gaat die voor het loket van een Deense employé staat te wachten. De oma zegt tegen mij dat ze uit Ayn Tarma [een voorstad van Damascus] komt en vertelt me haar verhaal: ‘Mijn oudste dochter verzoekt om gezinshereniging zodat ze naar haar man in Denemarken kan gaan.’ Als haar dochter weggaat, zal de oma hier helemaal alleen wegkwijnen; gaat ze niet, dan zullen ze hier samen met de twee kinderen wegkwijnen. ‘Mijn enige zoon is zestien jaar en hij wil ook vertrekken. Ik wil het beste voor hem, maar wat moet ik doen als hij weggaat? Uit bedelen gaan? Zou jij dat voor je moeder willen?’ Ze richt zich niet echt tot mij, en verwacht ook geen antwoord. Ze smeekt God om haar terug te brengen naar het dorp waar ze vandaan komt: ‘In Ayn Tarma heb je alles wat je wilt, niemand heeft daar honger en de mensen houden van elkaar.’

    De dochter probeert haar zoontje over te halen om weer bij zijn oma te gaan staan. ‘Anders geven de Denen ons de papieren niet, wees stil, houd je mond nu. De Denen zijn niet zo lawaaiig als wij… Dit is al de vijfde keer dat we hier zijn, we wachten al twee jaar op die papieren, hopelijk lukt het deze keer.’ De Deense medewerker wenkt de moeder naar het loket en geeft haar de papieren. ‘Mabroek!’ [‘Gefeliciteerd!’] De vrouw barst in tranen uit. Haar twee kinderen volgen haar voorbeeld. Iedereen om hen heen feliciteert de vrouw, ook de Koerden in hun gebrekkige Arabisch en de Irakezen die geroerd zijn door dit tomeloze verdriet.

    Het kleine meisje fluistert: ‘Mama, ik wil niet naar Denemarken, ze zeggen dat het daar heel erg koud is.’ De moeder drukt haar huilend tegen zich aan: ‘De hele wereld is ijskoud.’

    Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: “In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?”

    Ik probeer uit te zoeken wat ik mee wil nemen in mijn derde ballingschap en ik vind: een aantekenboekje over mijn lezingen van tien jaar geleden, een oude, stoffige koffer die niet open is geweest sinds ik in Istanboel ben aangekomen, souvenirs uit Londen en Norwich, rekeningen voor mijn Engelse mobiele telefoon waar ik niets meer aan heb, tijdelijke arbeidscontracten bij een verre universiteit, officiële papieren en loonstrookjes, belastingoverzichten, verlopen visumaanvragen, tweehonderd Syrische ponden in biljetten en dirhams van de Emiraten, kaartjes van vrienden in Engeland, een verlopen paspoort dat ik niet durf weg te gooien uit angst dat een buitenlandse instantie me er om veiligheidsredenen naar zal vragen, een kruisje dat ik uit een Armeense kerk heb gestolen tijdens een verrassingsbezoek, verschillende dvd’s met films (Buñuel, Sofia Coppola), te krappe truien die ik van het ene continent naar het andere meesleep in de hoop dat ze ooit nog om mijn buik zullen passen die sinds mijn dertigste steeds dikker wordt, de laatste dichtbundel van Mahmoud Darwish [Palestijnse dichter, 1942-2008], en een van Al-Mutanabbi [Arabische dichter uit de tiende eeuw, bekend om zijn omzwervingen], een bloemlezing van gedichten van Borges, mijn master- en doctoraaldiploma, een paar basketbalschoenen die nog vrijwel nieuw zijn, al heb ik ze meer dan vijf jaar geleden gekocht, en het gevoel van een ballingschap die permanent wordt.

    Ik heb geen enkele foto bij me, zelfs niet op mijn computer of op mijn telefoon. Ik houd er niet van om rond te zeulen met herinneringen aan een verleden dat geen band heeft met het heden. Wie heeft behoefde aan foto’s als de herinneringen in het geheugen gegrift staan?

    Op het vliegveld van Kopenhagen loop ik ineens tussen mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen. Een beetje schutterig loop ik door, de kleine dichter met het gitzwarte haar en de gedrongen gestalte. Een aankondiging waarschuwt dat mensen met een Syrische of Somalische nationaliteit geen toeristenvisum kunnen krijgen, wat ook de reden is voor hun aanvraag. Alleen gezinshereniging is mogelijk, onder financiële en administratieve voorwaarden die even draconisch zijn als vernederend. Racisme is in Denemarken niet langer verborgen, het is nu even zichtbaar als dat van de Syriërs tegenover de Somaliërs. Mijn landgenoten vragen zich verbijsterd af: ‘Echt? Somaliërs en wij? Dat is idioot. Wij zijn beschaafd, goed opgeleid, wij zijn ambachtslieden en ondernemers… niet zoals die zwarte Afrikanen.’ Zelfs onze jarenlange oorlog heeft ons niet van onze fouten genezen.

    Staand voor de medewerker van de immigratiedienst bereid ik me voor op het zoveelste verhoor over mijn relatie met Islamitische Staat en andere vreemde vragen over mijn verleden en mijn toekomst, zoals op elke luchthaven waar ik mijn verdoemde Syrische paspoort liet zien. ‘Welkom in Denemarken, uw tweede vaderland. Ik wens u een prettig verblijf.’

    Ik geloof mijn oren niet: ‘Moet ik soms ergens anders heen waar ze me willen ondervragen?’ ‘Nee hoor. We moeten ons alleen wel verontschuldigen voor het slechte weer. Ik hoop dat u daartegen kunt.’

    Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images
    Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images

    Ik ben niet gewend aan dit klimaat. Hier in dit koude Noorden kampen de mensen voortdurend met depressies, een diepe narigheid die tot in de haarvaten van hun vermoeide geest trekt. In de winter lopen ze door de straten als witte spoken bedekt met menselijk vlees dat huivert van eenzaamheid. Ze hebben haast om thuis of op hun werk te komen en laten de straten leeg achter, als mooie ruïnes, schoon en geordend. Op de weinige warme dagen vertonen ze zich in de zon, als primitieve wezens die bij de eerste zonnestralen naar buiten komen. Hun zwijgzame stemming wordt jovialer en zuidelijker. Dan glimlachen en lachen ze zoals wij, de kinderen van het warme zuiden. Ze trekken hun kleren uit en gaan in de openbare parken liggen.

    Volgens de officiële documenten van de Deense overheid ben ik nu ‘immigrant’. Twee weken na mijn aankomst heb ik een afspraak met de medewerkster die mij de komende jaren onder haar hoede heeft en mijn ‘integratie’ in de Deense samenleving zal begeleiden. Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: ‘In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?’

    Zittend achter haar computer houdt de medewerkster officiële papieren in drie talen in haar handen: Arabisch, Engels en Deens. Ik ga tegenover haar zitten, gewapend met maar één document dat geen waarde heeft maar voor mij belangrijk is: mijn verdoemde paspoort. De bijeenkomst begint met het officieel voorlezen van mijn rechten en plichten. De administratieve papierwinkel heeft me altijd afgeschrikt. Het doet me denken aan de vernederingen in Syrië, elke keer als wij ons wilden inschrijven bij de universiteit, bij de vakbond of zelfs voor het registreren van een auto. Ik buig mijn hoofd en neem de domme houding van de vluchteling aan.

    De woordenstroom stokt: ‘Luistert u wel?’

    ‘Natuurlijk,’ antwoord ik.

    Even blijft het stil. ‘Heeft u psychische problemen?’

    Een stemmetje in mij weerstaat de lust om te antwoorden: ‘Tja lieverd, zoals alle Syriërs. Ik heb geen vrienden meer. Die zijn via de ballingschap verspreid geraakt, ik heb ze al in geen vijf jaar meer gezien.’ Ik stel mijn ondervraagster gerust: ‘Nee, nee, geen psychische problemen.’

    Zij pakt haar papieren weer op. ‘Hebt u een lichamelijke of geestelijke handicap waarvan wij moeten afweten?’ Het stemmetje binnenin mij fluistert: ‘Ja, ik durf het huis niet uit. Ik kan er niet tegen als iemand me vragen stelt over Syrië. Europeanen stellen ons vragen over Syrië alsof het over een Hollywood- of Bollywoodfilm gaat. Die blik, waarmee ze dan “O” zeggen en het gebaar waarmee ze vervolgens hun hand op onze schouder leggen, als uit medeleven.’

    Hardop: ‘Nee, alles is normaal.’

    ‘Kunt u terug naar Syrië?’

    ‘Dat weet ik niet. Als Turkije de grens openstelt, zou ik naar de noordelijke gebieden kunnen, die worden beheerst door de oppositie. Ik denk niet dat ik naar de gebieden kan gaan waar het regime de baas is. Maar er is geen formele aanklacht tegen mij.’

    Weer stilte. Voor me op het bureau liggen foldertjes, bedoeld voor vrouwen, in het Turks, Pasjtoe, Farsi, Arabisch en Urdu: ‘Als uw echtgenoot, uw broer of een ander familielid u slaat of verbaal mishandelt, kunt u contact met ons opnemen en dan kunnen wij u beschermen.’ Ik pak er een en laat het in mijn zak glijden.

    De vrouw glimlacht. ‘Laten we het over uw integratie hebben.’ Inwendig overweeg ik te antwoorden: ‘Ik zal u eens heel simpel uitleggen hoe het zit: de Syriër kan nergens integreren zolang zijn land in brand staat. Dat is logisch, mevrouw. Onze families, onze vrienden, onze straten, onze herinneringen, onze toekomst, onze muziek, onze godsdienst, ons land, onze grenzen, onze bedrijven, onze tradities, onze dialecten, onze literatuur, onze overtuigingen, de stem van onze voorouders, hun foto’s en hun graven, alles op de wereld dat belangrijk voor ons is, verdwijnt alsof het nooit heeft bestaan. Zelfs te midden van de mensen voelen wij ons alleen. Laat ons in deze oorlogsjaren met rust. We willen niet integreren en zelfs al zouden we het willen, we kunnen het niet.’ Ik antwoord uiteindelijk: ‘Ja, natuurlijk, dat is belangrijk.’

    ‘Hebt u problemen met aanpassen aan de Deense samenleving?’

    ‘Ik geloof het niet.’

    ‘Weet u dat zeker? Er bestaan verscheidene programma’s om de integratie makkelijker te maken en ik zou graag willen dat u daar eens naar kijkt.’

    Ze geeft me wat folders, die ik een beetje vermoeid doorblader. Vrijwilligers die je de stad willen laten zien, andere vrijwilligers die je Deens kunnen leren. Er worden bijeenkomsten georganiseerd over Denemarken, over de cultuur van het land, de keuken. Er zijn gesprekken voor psychologische ondersteuning…

    Deense waarden

    ‘Goed, laten we het dan nu over de komende vijf jaar hebben.’

    Ik, in mezelf: ‘Mijn lieve dame, laten we het van dag tot dag bekijken. Ik zit voor twee jaar goed met mijn visum, daarna zien we wel weer verder.’ Zij vraagt me of ik het contract dat de overheid me heeft voorgelegd wel heb gelezen. Dat ben ik kwijtgeraakt, maar ik antwoord bevestigend en zeg dat ik al het heb getekend.

    Zij weer: ‘Zolang u hier bent, mag u uw vrouw, uw kinderen of iemand anders niet slaan.’

    Ik, in mezelf: ‘En mag ik dat buiten Denemarken dan wel?’

    Zij: ‘Dat hoort bij onze waarden in Denemarken.’

    Ik, weer inwendig: ‘Ik zou wel eens willen weten wat de Deense waarden onderscheidt van de Zweedse of de Europese. Zijn dat niet dezelfde als die van de Arabieren en de islamieten die in Syrië wonen? Waarden kun je niet vastleggen in een contract dat je afsluit met een denkbeeldig wezen dat “de staat” heet.’

    Zij: ‘U verplicht zich om respect te hebben voor minderheden en alle verschillen…’

    Ik, in mezelf: ‘Hoe zit het dan met de Deens volkspartij [de Dansk Folkeparti], een extreemrechtse club die bij de parlementsverkiezingen van 2015 de tweede partij van het land is geworden? Die wil uit het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens stappen en de doodstraf weer invoeren. De groep heeft het openlijk over het inperken en onderdrukken van moslims. Deelt u die waarden?’ Dan hardop: ‘Natuurlijk zal ik de Deense waarden respecteren.’

    Hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés

    De Koerdisch-Syrische dichter Salim Barakat woont ver van alles vandaan in Zweden, waar hij zich in 1999 heeft gevestigd. Ik heb overwogen om contact met hem op te nemen en er daarna weer van afgezien. Ik denk aan zijn vreemde lot. Een Arabischtalige Koerd in een ver land. Hij schrijft nog steeds. Wie zijn lezers zijn hangt af van het onderwerp waar hij het over heeft. Sommigen bewonderen zijn totale en volmaakte beheersing van het strikt letterlijke Arabisch, terwijl anderen vinden dat zijn taal absurd is en leeg, een doel op zichzelf geworden. Toch drukt de man er een heel herkenbaar stempel op zowel voor het oog als voor het oor.

    De relatie met de taal is een zwakke plek van alle Arabieren die racistische mythen over de superioriteit van hun taal herhalen. Die mythe is terug te voeren op de religieuze oorsprong van het Arabisch en de tijd van de grote veroveringen. De taal van de Koran is gewapenderhand en via bekeringen opgedrongen aan volken en staten. Op dezelfde manier bestaan in het Westen racistische legendes over de superioriteit van de westerse talen ten opzichte van die van het Oosten. Het koloniale verleden blijft leven in de denkbeelden van het volk en van de academische wereld, die van het Oosten een gebied maken dat onderontwikkeld en anders is, en waarvan de taal nooit de vrije gedachte zal kunnen uitdrukken. Toch zijn volgens de moderne linguïstiek alle talen gelijk in hun vermogen om ideeën en gevoelens te formuleren, de voortgang van de moderne wetenschap te begrijpen en een gemeenschappelijke mystiek van alle volken uit te drukken. Geen taal is beter, preciezer, mooier, poëtischer, vrijer, opener of geslotener dan een andere.

    Ik hou van het Arabisch, niet omdat het een superieure taal is, maar omdat het mijn taal is. Net als Salim Barakat wil ik in geen andere taal schrijven. Maar hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés. In ieder geval is het onmogelijk om in een land werk te vinden zonder de taal van dat land machtig te zijn. Het Deens is dus mijn toekomst. Een taal die onmogelijk is om uit te spreken, want hij mist de gutturale klanken waar mijn keel naar staat. Ik denk aan het lot van de ballingen die hun taal naar elders hebben gebracht: Nabokov, Cortázar, Ibsen, Marx of Bakoenin. Wat hebben zij met hun oorspronkelijke taal gedaan na tientallen jaren ballingschap?

    De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images
    De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images

    Ik fiets door de straten van de hoofdstad, met een waterdicht pak over mijn gewone kleren, net als de Europeanen. Kopenhagen heeft nooit oorlog of bezetting gekend, behalve die van de Duitse Führer. De stad heeft zich aan Hitler overgegeven om verwoesting te voorkomen, net als Parijs. Het centrum is rustig en veilig. Dit is de stad met het grootste percentage vrouwen in het politieke en economische leven, de beste sociale programma’s en het kleinste verschil tussen rijk en arm ter wereld. Hoe kun je níét van dit koude noordelijke landje houden?

    Ik ga in de bibliotheek zitten om _Woorden van dag en avond _van Naguib Mahfouz te lezen [Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur; dit boek is niet vertaald]. Het is onmogelijk om niet de bezorgde blikken te zien van mensen die mij, met mijn dikke zwarte baard, iets in het Arabisch zien lezen. Vanuit de verte word ik in de gaten gehouden door gewapende mannen. De bibliotheek kijkt uit op de enige synagoge in Kopenhagen. Twee jaar geleden heeft een Deen van Palestijnse afkomst, die geboren was in Kopenhagen en betrokken bij drugshandel, joden aangevallen bij de ingang van de synagoge, roepend dat hij dat deed uit naam van Palestina en de islam. Er vielen doden en gewonden. Sindsdien wordt de synagoge bewaakt.

    Dit land is lange tijd homogeen geweest. Joden kwamen er pas laat naartoe. Vervolgens heeft de overheid na de Tweede Wereldoorlog Turken en Pakistanen binnengehaald om het zware werk te doen. De Palestijnen zijn gekomen tijdens de oorlogen in Libanon [1975-1990]. Zij werden in de jaren negentig gevolgd door Somaliërs en Eritreërs, tegelijk met Oost-Europeanen na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. In diezelfde periode zijn ook de Koerden gekomen, op de vlucht voor de woede van het Turkse leger; vervolgens kwamen de Irakezen, Arabieren en Koerden die verjaagd waren door de oorlog tussen Irak en Iran en daarna door de Amerikaanse interventie. Nu zijn het de Syriërs.

    Ik kijk naar de joden met hun keppeltje. Glimlachende oude mannen die langzaam bewegen, kuis geklede vrouwen, die sterk contrasteren met de alomtegenwoordige naaktheid in dit land, verlegen jongeren die achter hun familieleden aanlopen. Niemand in deze stad lijkt zo sterk op ons als deze praktiserende joden.

    Ik ga naar buiten en loop door de straten. Geen gewapende wachters bij het parlementsgebouw. Een vredesactiviste staat hier elke dag te demonstreren tegen de regering. Ze roept leuzen tegen Amerika en voor Assad. Ik vraag haar wat ze van de chemische wapens vindt die de Syrische president volgens een rapport van de VN in het opstandige noorden van het land heeft ingezet. Ze antwoordt dat dat allemaal leugens zijn van voorstanders van Amerika en Israël. Ik loop door, verdwaald in een stad die ik nog slecht ken.

    Tranen

    In een smal straatje speelt een Egyptenaar met zijn zoon, die danst op een wijsje van Amr Diab [bekende zanger in Egypte]. Dan zet het kind het op een lopen en roept iets in het Deens, tot grote wanhoop van zijn vader: hij wil geen Arabische liedjes horen. Ik probeer vergeefs mijn tranen in te houden. Ik huil zonder reden. Mijn vrienden en geliefden zeggen dat ze voortdurend huilen. Degenen die naar Damascus gaan, huilen bij elk bezoek, zowel bij aankomst als bij vertrek. Degenen die er niet heen gaan, krijgen om het minste of geringste tranen in hun ogen, behalve om zichzelf. Wat moet je doen in een land waar Amr Diab ons aan het huilen brengt?

    Overal rijden fietsers, er hangt een gigantische poster van de Deense volkspartij met een foto van blonde en blanke Denen. Eenvormiger dan de inwoners van de hoofdstad, vertegenwoordigen zij de campagnes met een duidelijke boodschap: wij zijn de Deense familie. Onder een laagje beschaving borrelen de ergste vormen van fascisme en fanatisme. De leden van deze beweging willen dat de grenzen gesloten worden, dat vluchtelingen worden uitgezet en dat ook de islamitische immigranten het land uit worden gestuurd, net als zigeuners, of dat nu Roemenen, Polen of Bulgaren zijn. Ze beweren dat Denemarken al die armen niet kan helpen: waarom zou het land een last moeten dragen die zijn krachten te boven gaat? Iets in dit affiche blokkeert elke poging tot communicatie tussen ons en die Deense familie. De volkspartij blijft maar hameren op de superioriteit van een beschaving die twee eeuwen geleden de wereld heeft veroverd, en zo het lot van volken, landen en individuen heeft verstoord, die daarvan nog altijd niet zijn hersteld. Afrikanen, Indiërs en Inuit werden onderworpen, tot de Denen stuitten op andere Europeanen, de Engelsen.

    Nu verschijnen er partijen die nog extremistischer en gekker zijn dan de volkspartij. Een ongekende angst maakt zich meester van het land. De inwoners herkauwen even stom als nerveus het sprookje van een gelukkig land. Wij zijn superieur en gelukkig. Wij werken acht uur per dag en we houden van ons land. De rest van de wereld begrijpt niet dat wij gelukkig zijn, dat we hart hebben voor het milieu, dat wij goed zijn en open, dat we niets anders willen dat in dit land leven – alleen! Mensen staren zich blind op die zoektocht naar geluk en volmaaktheid. Niets is zo dodelijk voor het geluk als er dag en nacht naar zoeken, zonder de tijd te nemen om ervan te genieten of te denken aan het lot van je ongelukkige broeders, ver van dit ijzige en paradijselijke Noorden.

    Ik kom bij de kerk waar ik vlakbij woon. Aan de muur hangt een reusachtig affiche in regenboogkleuren, symbool van de homoseksuelen. Op een houten bankje daaronder speelt een oude Pakistaan met zijn kleinkinderen. Ergens vandaan klinkt klassieke muziek, Mozart misschien. Tientallen kinderen staan in de rij om met hun leerkrachten de straat over te steken. Het onschuldige lawaai van gelach, geschreeuw, gehuil. Straks zal mijn zoon zich bij die scholieren voegen, zonder vragen te hoeven beantwoorden zoals ik.

    De oude Pakistani tilt zijn kleindochter op en neemt haar op een holletje mee. De schaterlach van het kleine meisje weeft een onzichtbare draad tussen de kou van het Noorden en de warmte van het Zuiden. De blijheid van een kind omspant de hele wereld.

    Auteur: Odai Al Zoubi

    Deze Syrische journalist, schrijver en dichter werd in 1981 geboren in Damascus. Hij is medewerker van een groot aantal publicaties en websites van de Syrische oppositie. Met zijn literaire stijl heeft hij in de Arabische wereld al veel prijzen gewonnen. Hij is ook de auteur van een boek dat in 2016 is verschenen: As-Sam (De stilte, niet in het Nederlands vertaald). Al Zoubi, die in Engeland een doctoraal in de filosofie heeft gehaald aan de Universiteit van East Anglia, woont momenteel in Kopenhagen.

    auteur

    Al-Jumhuriya
    Turkije | aljumhuriya.net

    Al-Jumhuriya (De Republiek) is een website voor onderzoek en discussie die in maart 2012 in Istanboel is opgericht door een groep intellectuele Syrische ballingen, onder wie Yassin al-Haj Saleh, Nayla Mansour en Yassin Swehat. De site publiceert artikelen, enquêtes en wetenschappelijk onderzoek naar de politieke, sociale en culturele transformaties in Syrië en de rest van de Arabische wereld.

  • ‘Zou u terug willen naar het muffe Duitsland van vroeger?’

    ‘Zou u terug willen naar het muffe Duitsland van vroeger?’

    Der Spiegel sprak met de Duits-Iraanse schrijver en essayist Navid Kermani over het vluchtelingenvraagstuk. Problemen zoals in Keulen moet je volgens hem erkennen en benoemen. Maar hij blijft geloven in het nieuwe, pluriforme Duitsland.

    Der Spiegel: Meneer Kermani, we hebben kort na het bekend worden van de gebeurtenissen in Keulen met elkaar gebeld. U leek niet volkomen verrast.
    Kermani: Die bendes zijn al jaren een probleem, ook in deze wijk. Iedereen weet dat. Maar als je hier het Marokkaanse café binnenstapt, dan verbaas je je.

    Der Spiegel: Waarover?
    Kermani: Dat de mensen daar schijnbaar meer weten dan de politie. Ze weten blijkbaar wie deze jongens zijn, ze zeggen ook dat die al in Marokko crimineel en drugsverslaafd waren: straatjongens, zonder op-
voeding, zonder binding, die op eigen houtje gekomen zijn. De Marokkaanse families hier zijn, zacht uitgedrukt, niet blij met deze laatkomers.

    Der Spiegel: Wat bedoelt u?
    Kermani: Nou ja, ze praten ongeveer zoals de politici van de CSU: uitzetten, meteen!

    Der Spiegel: Ach.
    Kermani: Wat er gebeurd is, is nieuw, en verontrustend voor ons allemaal. Eigelstein is een stationsbuurt, een multicultureel stadsdeel, met alle romantiek, maar ook de problemen die zich zo duidelijk manifesteerden op Oudejaarsdag: alcohol, drugs, machogedrag, losbandigheid en die ‘haat tegen de burgerlijke samenleving’, zoals het heet.

    Der Spiegel: Zou u het zo durven noemen?
    Kermani: De lui die waarschijnlijk de harde kern daarvan vormen, lijken in elk geval niet de mensen die gekomen zijn om hier arts te worden.

    Der Spiegel: Of schrijver.
    Kermani: Of om bij Ford te werken. Die komen 
vermoedelijk omdat het hier makkelijker is: meer opbrengst, minder politie, die ook niet zo hard optreedt als de politie in Marokko.

    Der Spiegel: Nu is iedereen geshockeerd.
    Kermani: Pluriformiteit veroorzaakt problemen. Zou ik, zou u graag terug willen naar een monocultuur, of een homogene volksgemeenschap? Mij lijkt het Duitsland van nu spannender, en ook sympathieker dan, laten we zeggen, de muffe sfeer van de jaren vijftig.

    Der Spiegel: En als de problemen te groot worden?
    Kermani: Sorry, maar er komen zo veel mensen uit de meest uiteenlopende landen en sociale klassen, en met de meest uiteenlopende achtergronden. En niet alleen de Duitsers hebben ressentimenten. Moet u de Marokkanen van de eerste generatie eens horen praten over de tweede, of de Turken over de Arabieren, en dan de Iraniërs over de Turken. En de moderne Turken uit Istanboel over de vrome Anatoliërs!
    We leven in een fragiel evenwicht, en als er dan 
terreuraanslagen of dingen als in de Oudejaarsnacht in Keulen gebeuren, dan wekt dat angstgevoelens. We weten dat uit de geschiedenis, en we zien het nu in het Midden-Oosten: zelfs in vreedzame tijden wordt identiteit gevormd door zich tegen anderen 
af te zetten. En in tijden van grote onzekerheid of sociale ontbinding gaat dat vaak genoeg helemaal niet vreedzaam. Pluriformiteit is altijd in gevaar, en ja, ook gevaarlijk. Dat kan omslaan, kantelen. Op het moment dat mensen zich onzeker voelen, angstig worden, komen ze met hun vermeende identiteit 
op de proppen en zetten die in tegen de anderen. 
Dat is bijna een natuurwet. En dan de seksuele overtredingen. Dat was in Joegoslavië al zo, en nu in Irak en Syrië: vrouwen zijn altijd de eerste slachtoffers. 
De vrouwen van anderen zijn vogelvrij verklaard.

    Keulen, 4 februari. Tijdens het carnaval is de politie massaal aanwezig om een herhaling van de gebeurtenissen op Oudejaarsavond te voorkomen. – © Getty Images
    Keulen, 4 februari. Tijdens het carnaval is de politie massaal aanwezig om een herhaling van de gebeurtenissen op Oudejaarsavond te voorkomen. – © Getty Images

    Der Spiegel: Trofeeën van de haat.
    Kermani: En als iemand daar niet bang van wordt, zou ik graag willen weten in wat voor wereld die leeft. Bijna een miljoen migranten in een half jaar, dat is echt veel. Een reusachtige opgave.

    Der Spiegel: En dan laat de politie het afweten.
    Kermani: Niet voor het eerst. In Keulen heeft de NSU [Nationalsozialistischer Untergrund] twee terreuraanslagen gepleegd, waarvan een hier in de wijk: maar 200 meter hier vandaan in de Probsteigasse heeft een NSU-bom de dochter van een Iraanse 
kruidenier zwaar verwond. Mijn dochter ging vlak daarnaast naar een kinderdagverblijf. Wij kenden 
de familie, kochten daar vaak chocola of melk. Van de ene dag op de andere was de zaak dicht. De veiligheidsdiensten hebben gefaald, hebben sporen die naar het Duits-nationalistische milieu leidden uitgewist en jarenlang slachtoffers tot daders gemaakt. Of denk aan de Hogesa-protesten [Hooligans gegen Salafisten]. Het kan toch niet dat vijfduizend hooligans zomaar midden in de stad urenlang kunnen protesteren. Als het falen van de autoriteiten zich zo dramatisch herhaalt, dan moet dat aan het systeem liggen. Maar dat kunnen we ons in een multiculturele samenleving, met zo veel nieuwe migranten en gewelddadige neigingen van meerdere kanten, niet permitteren. We moeten de staat kunnen vertrouwen.

    Der Spiegel: Kan het zijn dat we ons hebben laten misleiden door de illusie van: oké, er zijn problemen in de steden, maar op zich gaat het wel?
    Kermani: Ik geloof wel dat men een zekere criminaliteit door de vingers zag. Niet iedere terreuraanslag kan voorkomen worden, maar wat er bij het Centraal Station is gebeurd, had voorkomen kunnen worden. Ik zou als surveillerend agent, tussen zeer agressieve jongelui die stijf stonden van de drugs, woedend zijn op een leiding die zelfs aangeboden versterkingen afwijst.

    Der Spiegel: U had het over de bendes die de harde kern vormden van de Oudejaarsnacht. Blijkbaar waren daar ook vluchtelingen bij.
    Kermani: Ja, al speculeert iedereen daar nog over. Het schijnt in elk geval zo geweest te zijn dat daar ook vluchtelingen stonden en dronken, en misschien op een gegeven moment dachten dat ze wel de beest uit konden hangen. En nu discussiëren we over de Arabische man in het algemeen. Dat gaat mij echt veel te ver, dat culturalisme en deels ook racisme waarin plotseling iedereen zich openlijk meent te mogen uitleven. De Arabische man, lieve help! 
Elyas M’Barek [Duitse acteur van Oostenrijks-
Tunesische afkomst] is er ook een, en Sami Khedira [voetballer van Duits-Tunesische afkomst] net zo. Worden zij ook bedoeld? Of hebben wij, dus u, die op Europese wijze onschadelijk gemaakt? Ik ben als moslim opgegroeid, en heb mijn dochter toch naar de Montessorischool gestuurd.

    ‘We hebben de immigratie gecriminaliseerd’

    Der Spiegel: Ik maak niemand onschadelijk. Aan de feministische kant van het debat wordt inderdaad de vraag gesteld of een islamitische opvoeding waarden als respect voor, en gelijkberechtiging van de vrouw kan overdragen.
    Kermani: Dat ik me niet aan vrouwen vergrijp is in elk geval niet alleen aan mijn Duitse socialisatie toe te schrijven.

    Der Spiegel: Maar wat is er dan aan de hand met die Arabische jongemannen?
    Kermani: Er zijn enorme problemen in grote delen van de Arabische wereld, speciaal onder de jonge mannen; deze problemen zijn niet te wijten aan een Arabisch gen, maar zijn benoembaar: een bevolkingsexplosie en een economische liberalisering, die heeft geleid tot een zichtbare rijkdom van zeer weinigen die steeds groter en obscener is geworden. De massa jongelui heeft zelfs met een diploma geen enkel beroepsperspectief, geen enkel uitzicht op een eigen woning en een huwelijk. En tegelijkertijd is seks buiten het huwelijk taboe. De informatietechnologie heeft de smaak van vrijheid en pornografie gebracht, 
terwijl de mogelijkheden om die vrijheid te beleven steeds kleiner zijn geworden. Dat maakt de sociale diagnose – en ik heb nu echt nog maar een van de vele aspecten genoemd – er niet ongevaarlijker op, ook niet met het oog op de toestroom van deze jonge-
mannen uit die samenlevingen. Maar als je dat goed tot je laat doordringen, begin je tenminste iets te begrijpen. Wat hebben wij eraan als we ons verschansen in onze discours van culturele superioriteit en met steeds grotesker theorieën komen, zoals vroeger over de negers of de joden, tegenwoordig over de moslim, en nu over de Arabische man? Daarmee los je geen enkel sociaal probleem op. In tegendeel: de tegenstellingen worden nog scherper, omdat dit discours uitmondt in discriminatie en leidt tot nog meer uitsluiting.

    Der Spiegel: Maar waarom zijn het vooral jongemannen die migreren, en niet meer families?
    Kermani: Omdat we de immigratie gecriminaliseerd hebben. Zo dwingen we de mensen tot een lange vluchtweg, die de fysiek sterkeren beter aankunnen.

    Der Spiegel: Nog steeds komen er veel mensen, ondanks de winter, en nog altijd hebben we geen idee wie dat zijn.
    Kermani: Nogmaals: om dit proces te kunnen 
sturen, mogen we de mensen niet in de illegaliteit dwingen.

    Der Spiegel: En hoe pakken we dat aan?
    Kermani: Daar praten we al tien jaar over. We moeten immigratie scheiden van asielverlening. Immigratie richt zich naar de behoeften van de ontvangende samenleving, asielverlening naar de nood. Zolang er nauwelijks een mogelijkheid is om voor immigratie in aanmerking te komen, probeert iedereen het via de asielprocedure. En zolang het praktisch onmogelijk is om aan een buitengrens van de EU een asielaanvraag in te dienen, moeten zowel de immigranten als de vluchtelingen hun geld, hun tijd en hun moed investeren in de smokkelindustrie in plaats van in hun opleiding en hun toekomst.

    Der Spiegel: Veel Europese staten weigeren mee te doen aan een gemeenschappelijke oplossing.
    Kermani: Ja, zoals Duitsland weigerde toen er nog niet zo veel vluchtelingen kwamen. Duitsland heeft Europa de Dublin-regeling opgedrongen en daarmee het eigen asielrecht praktisch ontlast. Je moest 
ongeveer aan een parachute boven Duitsland gedropt worden om legaal van je grondrecht gebruik te kunnen maken.

    Der Spiegel: Was het ‘Wir schaffen das’ van mevrouw Merkel en de beslissing om de grenzen te openen misschien niet zo zinvol, omdat vroeg of laat vanzelf de vraag rijst hoeveel mensen we kunnen opnemen?
    Kermani: U moet wel bedenken dat dat een noodsituatie was. De mensen zaten in Hongarije op de snelweg, uitgehongerd en door de Hongaarse autoriteiten heel slecht behandeld. Men had niets anders kunnen besluiten.

    Wie in zijn gemeente Syriërs opneemt, hun dankbaarheid ervaart, hun verhalen hoort, die is gewapend tegen vreemdelingenhaat

    Der Spiegel: Maar de mensen zomaar uitnodigen, zonder een tijdslimiet?
    Kermani: Staten als Polen en Hongarije blokkeren een oplossing. Een deel van Europa verleent geen asiel meer. Nu is er een situatie die niet eeuwig kan duren. Dat weet ook iedereen.

    Der Spiegel: En als het toch voortduurt?
    Kermani: Dan zullen er meer nachten komen 
als die in Keulen. Of dingen die misschien nog onaangenamer zijn.

    Der Spiegel: Onaangenaam is zacht uitgedrukt.
    Kermani: Het zal Duitsland in elk geval niet lukken om het probleem van het Midden-Oosten hier op 
te lossen. We hebben een Europese Unie die niet 
adequaat kan reageren op de interne en externe uitdagingen, omdat men het over de fundamentele kwesties niet eens is. Steeds meer regeringen wijzen de zogeheten Europese waarden af. Die vinden dat vrouwen en homo’s geen gelijke rechten hebben, dat de vrijheid van meningsuiting en de scheiding der machten niet meer zo belangrijk zijn. Europa heeft geen innerlijke kracht meer.

    Der Spiegel: Echt sterk is het nooit geweest.
    Kermani: Jawel. Europa was beresterk – het heeft dit gewelddadige continent niet alleen vrede gebracht, het heeft ons niet alleen unieke welvaart bezorgd en tot op zekere hoogte gezorgd voor sociale rechtvaardigheid, in elk geval heel veel meer dan er bestaat in de Verenigde Staten. Europa heeft de vrijheid bevorderd, allereerst in Duitsland, maar ook in Oost-Europa en eerder in Griekenland, in Spanje, in Portugal – het vooruitzicht bij Europa te horen heeft de democratie aan een doorbraak geholpen. Europa is niet alleen een vredesproject, maar ook een vrijheidsproject. Het is de politieke toepassing van de Verlichting.

    Der Spiegel: Dat klinkt een beetje als een zondagse preek.
    Kermani: Ik weet het. Maar onze generatie heeft de bestaansgrond van dit Europa, de Tweede Wereldoorlog, de onvrijheid, de honger, niet zelf meegemaakt.

    Der Spiegel: Nog eens terug naar Keulen: is het verkeerd om de herkomst van de daders te benoemen?
    Kermani: Helemaal niet. Maar als je echt van dik hout planken wilt zagen, dan doe je eerst alsof er een zwijgplicht bestaat, en dan gooi je het in de media. We hebben nu de paradox dat iedereen praat over de herkomst van de daders, en tegelijk het gevoel heeft dat je over de herkomst van de daders niet mag praten.

    Der Spiegel: Het debat wordt ook gekenmerkt door het gebrek aan vertrouwen dat deze samenleving lijkt te hebben in haar eigen geschiktheid voor democratie.
    Kermani: Daar ben ik niet bang voor. Ik zie toch hoe het nu op de scholen gaat. Als schrijver kom ik vaak op scholen. In Siegen was ik indertijd de enige die anders was. Nu zijn er in iedere klas veel die anders zijn. De pluriformiteit is vanzelfsprekend geworden, juist nu ook voor degenen die persoonlijke ervaring met vluchtelingen hebben opgedaan. Wie in zijn gemeente Syriërs opneemt, hun dankbaarheid ervaart, hun verhalen hoort, die is gewapend tegen vreemdelingenhaat, ook wanneer andere vreemdelingen zich schuldig maken aan erge dingen. Hij of zij zal niet zeggen: het zijn de buitenlanders, de vluchtelingen, maar zal nuanceren.

    Der Spiegel: De aanslagen in november in Parijs, het afgelasten van de interland in Hannover, de bommelding in München op Oudejaarsavond, de voorvallen in Keulen op diezelfde avond, de terreuraanslag in Istanboel, waarbij tien Duitse toeristen omkwamen: het is of iemand een afschuwelijk draaiboek aan het schrijven is.
    Kermani: En in zekere zin wordt dat draaiboek ook geschreven. Er zijn mensen die met bommen de escalatie willen uitlokken. En zoiets als bij het Keulse station is voor die lui een extra gelukje.

    ‘We moeten ons haasten om ook na de volgende aanslag onze vrijheid en openheid overeind te houden’

    Der Spiegel: En nu?
    Kermani: Er is die beroemde regel van Hölderlin: ‘Wo aber Gefahr ist, wächst das Rettende auch.’ Wat overigens niets anders betekent dan dat er sprake is van een wedloop: enerzijds de escalatie, anderzijds het rijpingsproces van een samenleving. Beide voltrekken zich tegelijkertijd, en ja, we moeten ons haasten om ook na de volgende aanslag onze vrijheid en openheid overeind te houden. De welkomcultuur was immers geen uitvinding van mevrouw Merkel. Zij heeft erop gereageerd, dat gebeurde zelfs in de CDU, in eertijds conservatieve, kerkelijke kringen. Daar waar vluchtelingenopvang moest komen, ontstonden meteen burgerinitiatieven. En wel voor de opvang.

    Der Spiegel: Zeker, maar je zou toch de indruk kunnen krijgen dat de staatsorde verbrokkelt. Aan de grenzen heerst chaos. In Berlijn functioneert de centrale registratie voor vluchtelingen nog steeds niet. In Leipzig verwoesten hooligans een alternatieve wijk [de als links bekend staande buurt Connewitz].
    Kermani: Integendeel. Het is een grote prestatie, zoals de Duitse autoriteiten de vluchtelingencrisis de baas worden, even afgezien van Berlijn. Zelfs in het vaak verguisde Beieren loopt het heel goed.

    Der Spiegel: Die doen het paradoxaal genoeg het beste.
    Kermani: Die doen het het beste. Nee, het Avondland gaat hier niet ten onder. Wij hebben geen toestanden die aan burgeroorlog doen denken, echt niet.

    Der Spiegel: En de Oudejaarsnacht in Keulen?
    Kermani: Het is aan ons, of dat nu een begin was, 
of dat wij dat opvatten als waarschuwingsschot. 
Dat hebben we zelf nog in de hand.

    Der Spiegel: Dus ‘Wir schaffen das’?
    Kermani: Geen idee. Maar laten we het toch tenminste proberen.

    Auteur: Lothar Gorris
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: © Hannelore Foerster / Getty Images

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad |oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

    Wie is Navid Kermani?

    Navid Kermani (Siegen, 1967) is een Iraans-Duitse schrijver. Hij speelt een belangrijke rol in het publieke debat in Duitsland, vooral als het gaat over de rol van de islam en de relatie tussen Oost en West. Kermani studeerde Oosterse studies, filosofie en theaterwetenschappen in Keulen, Caïro en Bonn. Hij promoveerde in 1999 op het proefschrift God is schön en werd in 2006 hoogleraar Oosterse studies aan de Universiteit van Bonn. Kermani’s productie is zeer divers: hij schreef romans, essays, reportages, een kinderboek en een boek over zanger Neil Young. Na de aanslagen van 11 september 2001 publiceerde hij Dynamit des Geistes – Martyrium, Islam und Nihilismus, over de martelaarscultuur in de islam en het christendom. In Nederland verscheen Mijn leven met de islam, een door Kermani opgetekende autobiografie van de Egyptische islamoloog Nasr Hamid Abu Zaid. In 2015 won Kermani de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse Boekhandel.