Tag: intelligentie

  • Club voor mensen met buitengewoon hoog IQ verwelkomt jongste lid ooit

    Club voor mensen met buitengewoon hoog IQ verwelkomt jongste lid ooit

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Laatste kleinzoon van Amerikaanse president John Tyler (1790-1862) overleden

    » Iran: ayatollah Khamenei laat voor het eerst in dagen van zich horen

    Het lid is slechts twee jaar en 182 dagen oud

    Een tweejarige Britse jongen is volgens Guinness World Records het jongste lid ooit geworden van Mensa, een exclusieve club die alleen mensen met een IQ van 132 of hoger toelaat. Joseph Harris-Birtill werd op de leeftijd van slechts twee jaar en 182 dagen toegelaten, schrijft CBS News.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Het werd al snel duidelijk dat hij een uitzonderlijk kind is,’ vertelt zijn moeder Rose. ‘Hij zei zijn eerste woordje toen hij zeven maanden oud was en las zijn eerste boek hardop van kaft tot kaft toen hij anderhalf jaar oud was. Hij leert morsecode, kent het Griekse alfabet en is sinds kort geïnteresseerd in het periodiek systeem. Zijn interesses zijn breed en gevarieerd, hij wil altijd meer leren en houdt van uitdagingen.’

  • Onderzoek: mannen over- en vrouwen onderschatten hun IQ

    Onderzoek: mannen over- en vrouwen onderschatten hun IQ

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël boekt succes in ontwikkeling van luchtafweer met laser

    » Indonesië neemt na tien jaar wet op seksueel geweld aan

    Mannen schatten zich over het algemeen slimmer in

    Recent onderzoek keek naar verschillen tussen mannen en vrouwen die hun eigen intelligentie of IQ moesten schatten. Het blijkt dat eerst het biologische en daarna het psychologische geslacht het sterkst de overschatting van IQ voorspellen, aldus The Conversation. Oftewel: geboren zijn als man of sterke mannelijke eigenschappen hebben (zowel mannen als vrouwen) vergroot de kans op een opgeblazen intellectueel zelfbeeld. Over het algemeen denken mannen dat ze beduidend slimmer zijn, terwijl vrouwen zichzelf veel bescheidener inschatten. 

    Dit effect wordt wel het probleem van de mannelijke hybris en de vrouwelijke nederigheid genoemd. Voor onderwijspsychologen is dit onderzoek belangrijk omdat het iets zegt over bijvoorbeeld vakkenkeuze op school: als je denkt dat je iets niet kunt, doe je het niet. De onderzoekers denken dat de uitkomsten voor een deel ook de genderloonkloof kunnen verklaren.

    Lees ook:

  • Onderschat nooit de intelligentie van bomen

    Onderschat nooit de intelligentie van bomen

    Bomen kunnen met elkaar communiceren, dragen zorg voor hun nageslacht en raken gestrest. Wortelnetwerken functioneren net als zenuwstelsels. Nautilus in gesprek met wetenschapper Suzanne Simard.

    Keuze uit ons archief

    We zijn gewend bomen wijsheid en zelfs persoonlijkheid toe te kennen, en toch is het begrip boomintelligentie, in de westerse wereld althans, nieuw. Evenals boomemoties, en boomstress. Als bomen intelligente wezens met gevoel blijken te zijn – zoals de wetenschap aantoont –, gaan we ze dan ook beter beschermen?

    Dit artikel verscheen eerder op 9 januari 2020 in nummer 172 van 360 Magazine

    Kijk naar een bos: je ziet natuurlijk de stammen en het bladerdek. Steken er een paar wortels kunstig boven de grond en de gevallen bladeren uit, dan zie je die ook, maar je staat nauwelijks stil bij de ondergrondse voedingsbodem die zich misschien wel even dik en ver uitstrekt als de takken boven je hoofd. Fungi worden al helemaal niet opgemerkt, op her en der wat paddenstoelen na; die worden afzonderlijk waargenomen, in plaats van als de uitbottende toppen van een onmetelijk ondergronds raamwerk dat is vervlochten met die wortels. De wereld onder de grond is even rijk als die erboven.

    De afgelopen twee decennia heeft Suzanne Simard, hoogleraar aan de faculteit Bosbeheer van de Universiteit van British Columbia, die veronachtzaamde onderwereld bestudeerd. Ze is gespecialiseerd in mycorrhiza’s, de symbiotische verbindingen tussen fungi en wortels die planten helpen voedingsstoffen uit de bodem te absorberen. Na baanbrekende experimenten waaruit bleek hoe koolstof heen en weer stroomt tussen papierberk en douglasspar, ontdekte Simard dat mycorrhiza’s bomen niet alleen met de aarde verbinden, maar ook met elkaar.

    Vervolgens toonde Simard aan hoe door mycorrhiza’s verbonden bomen netwerken vormen, met individuen die ze moederbomen noemt in het centrum van gemeenschappen die ook weer met elkaar verbonden zijn en voedingsstoffen en water uitwisselen via een letterlijk pulserend netwerk dat niet alleen bomen omvat maar al het leven in het bos. Deze ontdekkingen hadden ingrijpende gevolgen voor ons begrip van de ecologie van het bos, maar dat was nog maar het begin.

    Planten worden niet geacht slim te zijn, althans niet volgens het traditionele westerse denken

    Het zijn niet alleen maar voedingsstromen die Simard beschrijft. Het is een vorm van communicatie. Zij – en ook andere wetenschappers die wortels bestuderen, evenals de chemische signalen die planten afgeven en zelfs de geluiden ze maken – hebben bij hun bestudering van planten de factor intelligentie betrokken. In plaats van als biologische automaten zouden we planten kunnen zien als schepsels met capaciteiten die bij dieren zonder meer als leren, herinnering, besluitvorming en zelfs daadkracht worden beschouwd.

    Dat is misschien moeilijk voorstelbaar. Planten worden niet geacht slim te zijn, althans niet volgens het traditionele westerse denken. Je kunt ook zeggen dat, hoewel deze gedragingen inderdaad heel bijzonder zijn, ze niet naadloos passen in wat mensen gewoonlijk onder leren en herinnering en communicatie verstaan. Misschien lopen we wanneer we het plantengedrag volgens onze eigen beperkte opvattingen proberen te definiëren wel het risico de unieke kant van hun intelligentie over het hoofd te zien.

    Het is een veelzijdige en fascinerende discussie, die nog heel wat onderzoek vereist, onderzoek waarbij rekening zal moeten worden gehouden met het feit dat planten een geestelijk leven hebben. In haar werkkamer op de Universiteit van British Columbia sprak Simard met Nautilus over de betekenis van haar werk.

    Kunt u bij wijze van aftrap iets vertellen over de ‘wortelbreinhypothese’ van Charles en Francis Darwin?

    Achter een groeiende worteltop zit een groep differentiërende cellen. Darwin dacht dat die cellen bepaalden hoe de wortels zouden groeien en waar ze naar voedsel zouden zoeken. Hij dacht dat het gedrag van een plant in wezen werd gestuurd door wat er in die cellen gebeurde. In het werk dat anderen en ik hebben gedaan – het onderzoeken van familierelaties tussen individuele planten, hoe ze elkaar herkennen en met elkaar communiceren – spelen de wortels ook een rol. Alleen weten we nu meer dan Darwin; we weten dat alle planten, op een handjevol families na, mycorrhizaal zijn: het gedrag van hun wortels wordt gestuurd door symbiose. Het gedrag van de wortel wordt niet alleen bepaald door de cellen in de top van de plantenwortel, maar ook door de interactie daarvan met fungi. Darwin was iets op het spoor. Hij had alleen nog niet het hele plaatje. En ik ben tot de conclusie gekomen dat wortelstelsels en de mycorrhizale netwerken waardoor die stelsels verbonden worden, zijn opgezet als zenuwstelsels en zich als zodanig gedragen, en een zenuwstelses is de kiem van de intelligentie in ons brein.

    U heeft geschreven dat zenuwnetwerken hun bijzondere eigenschappen danken aan het feit dat ze schaalvrij zijn, wat ook voor plantennetwerken geldt. Wat betekent ‘schaalvrij’? Waarom is dat zo belangrijk?

    Alle netwerken hebben schakels en knooppunten. In een bos zijn de bomen knooppunten en fungusverbindingen schakels. ‘Schaalvrij’ betekent dat er een paar grote knooppunten zijn en een heleboel kleinere. En dat is op bossen op veel verschillende manieren van toepassing: je hebt een paar grote bomen en een heleboel kleine bomen. Een paar grote percelen oud bos, en meer kleinere percelen. Dit soort schaalvrije verschijnselen doen zich op vele niveaus voor.

    Een zaailing van de Hemelse bamboe (Nandina domestica). Bomen zijn in staat hun nageslacht te herkennen en zorgen eerder voor een verwante zaailing dan voor een niet-verwante zaailing.  © Emmanuel Douzery / Wikipedia
    Een zaailing van de Hemelse bamboe (Nandina domestica). Bomen zijn in staat hun nageslacht te herkennen en zorgen eerder voor een verwante zaailing dan voor een niet-verwante zaailing. © Emmanuel Douzery / Wikipedia

    Ziet u ook schaalvrije netwerken op het niveau van individuele bomen, in de interacties binnen één enkel wortelstelsel?

    Dat heb ik niet echt gemeten, maar je kunt naar een heleboel dingen kijken. Wortelgrootte bijvoorbeeld. Je hebt een paar grote wortels die allengs dunnere wortels steunen. Volgens mij volgen die hetzelfde patroon.

    Een moederboom zal zo nodig zelfs haar eigen nageslacht doden

    Wat maakt die configuratie zo bijzonder?

    Stelsels ontwikkelen zich in de richting van die patronen omdat die efficiënt en veerkrachtig zijn. Als we denken aan mijn bos, en aan de netwerken die ik heb beschreven, dan is dat een efficiënte opzet voor de uitwisseling van hulpbronnen tussen bomen en voor hun interactie. In onze hersenen zijn schaalvrije netwerken een efficiënte manier om neurotransmitters over te dragen.

    Dat netwerken tussen en in bomen soortgelijke eigenschappen vertonen als de netwerken in onze hersenen is zeer verbazingwekkend. In het geval van onze hersenen begrijpen we dat de structuur van deze netwerken tot cognitie leidt. Heeft u voorbeelden van cognitie bij planten?

    Hoe definieer je cognitie? Dat vraag ik omdat er een hele groep wetenschappers is die zegt dat we die term niet mogen gebruiken omdat hij voor verschillende dingen staat.

    Was het beter geweest als ik het woord ‘intelligentie’ had gebruikt?

    Ik heb het woord ‘intelligentie’ in mijn boeken en artikelen gebruikt omdat ik denk dat we vanuit de wetenschap intelligentie aan bepaalde structuren en functies toeschrijven. Wanneer we een plant en het bos ontleden en naar die dingen kijken – Is er een zenuwnetwerk? Is er communicatie? Is er perceptie en ontvangst van boodschappen? Verandert je gedrag afhankelijk van wat je waarneemt? Herinner je je dingen? Leer je dingen? Zou je dingen anders doen als je ze eerder had meegemaakt? – zijn dat allemaal kenmerken van intelligentie. Planten beschikken over intelligentie. Ze beschikken over alle structuren. Ze beschikken over alle functies. Ze beschikken over gedragingen.

    Monotropastrum humile is een myco-heterotrofe plant die zijn energie haalt uit het schimmelnetwerk zonder daarvoor iets terug te leveren.  © Wikipedia
    Monotropastrum humile is een myco-heterotrofe plant die zijn energie haalt uit het schimmelnetwerk zonder daarvoor iets terug te leveren. © Wikipedia

    Een ander woord dat lastig kan zijn is ‘communicatie’. Ik zou communicatie definiëren als iedere vorm van informatie-uitwisseling. Dat is een erg grote paraplu; het kan bijvoorbeeld van toepassing zijn op de co-evolutie van bessenkleur en vogelvoorkeur, zodat de bessenkleur in de loop van de tijd aantrekkelijker voor vogels wordt en correleert met voedingseigenschappen. Dat is communicatie, maar we categoriseren die anders dan de alarmkreten van eekhoorns bij de nadering van een havik, of het gesprek dat u en ik nu voeren. Waar past plantencommunicatie in dat spectrum?

    Precies daar. En wij zijn gevangenen van onze eigen westerse wetenschap; inheemse volkeren weten al heel lang dat planten met elkaar communiceren. Maar zelfs in de westerse wetenschap weten we dat, want je kunt de verdedigingschemie van een bos dat wordt aangevallen ruiken. Er wordt een chemische stof afgescheiden die door alle andere planten en dieren wordt waargenomen, en waar ze hun gedrag op aanpassen. Als we de wetenschap daarop loslaten, gaan we beseffen dat die planten net zo communiceren als wij. Het is niet alleen maar iets vocaals, al meten sommigen zelfs de akoestiek in bomen en realiseren ze zich dat er een heleboel geluiden zijn die wij niet kunnen horen, en dat zou onderdeel van hun communicatie kunnen zijn. Maar ik weet niet hoe ver dat onderzoek is gegaan. In mijn eigen werk heb ik naar de conversatie via chemie gekeken.

    Maar als u en ik communiceren, of dat nu via geluiden of geuren gaat, dan zijn er nog steeds individuen bij betrokken met een innerlijk wereldbeeld. Het is een gesprek tussen bewuste individuen en geen uitwisseling van informatie die plaatsvindt zonder enig besef dat die informatie wordt uitgewisseld. Bestaat dat soort communicatie bij planten? Ik stuur niet aan op een hiërarchie waarin het ene type communicatie beter is dan het andere, maar probeer alleen de verschillen te begrijpen.

    Ik denk dat u bedoelt of het een doel dient.

    De inheemse bevolking van Noord-Amerika wist allang dat bomen kunnen communiceren

    Een doel, en ook een plek om dat doel te ontvangen en te versturen. Ten aanzien van de dierlijke intelligentie hebben sommige filosofen het nu over prereflectief zelfbewustzijn. Het idee is dat er een coherente zelfbeleving bestaat, een bewustzijn dat jij jij bent, dat alle dieren bezitten dankzij hun zintuigen en enig herinneringsvermogen. Op het moment dat er perceptie en herinnering is, is er een zelf. Denkt u dat planten een zelf hebben dat op die manier communiceert?

    Dat zijn echt goede vragen. Het beste bewijs dat we hebben – en vergeet niet dat wetenschappers heel wat langer naar mensen en dieren hebben gekeken dan naar planten – is waarschijnlijk dat oude bomen verwante zaailingen kunnen herkennen. We begrijpen niet precies hoe ze dat doen, maar we weten dat er zich zeer geraffineerde handelingen voltrekken tussen fungi die met die bewuste bomen geassocieerd zijn. We weten dat die oude bomen hun gedrag zodanig veranderen dat hun eigen verwanten daar baat bij hebben. Daarna reageren de verwanten ook weer op geraffineerde wijze door beter te groeien of een betere chemische toestand te ontwikkelen. Een moederboom zal zelfs haar eigen nageslacht doden als het zich niet op een geschikte groeiplek bevindt.

    Dat laatste voorbeeld, van een moeder die haar nageslacht doodt als de omstandigheden ongunstig zijn, raakt aan wat ik probeerde te zeggen. Weet de moederboom dat ze dat doet? Is er een keus? Heeft een moederboom de keus om al dan niet zorg te verlenen, en is ze zich daar dan op enig niveau van bewust?

    We hebben zogeheten keuze-experimenten gedaan met een moederboom, een verwante zaailing en een niet verwante zaailing. De moederboom kan kiezen voor welke ze zal zorgen. We ontdekten dat ze eerder voor haar eigen nageslacht zal zorgen dan voor een niet-verwante zaailing. Bij een ander experiment is de moederboom ziek en zorgt ze voor vreemden dan wel verwanten. Ook daar is sprake van een differentiatie. Naarmate ze zieker is en sneller zal sterven zal ze meer voor haar verwanten zorgen.

    We hebben heel wat experimenten gedaan waarbij we de gezondheid van de donor, de moederboom, aanpasten aan de gezondheid van de ontvanger, de zaailing, door het schaduw- of stikstof- of waterniveau te veranderen. Belangrijk is in welke conditie beide verkeren; ze kunnen elkaar waarnemen, en dat soort beslissingen wordt aan de hand van de conditie genomen. Als we de ontvangende zaailing minder gezond maken, zal de moederboom meer voedingsstoffen toedienen dan als we dat niet doen. We concentreren ons voornamelijk op eenrichtingsverkeer, van moederboom naar zaailing. De respons van grote oude bomen is moeilijker te manipuleren en te meten omdat er veel meer factoren een rol spelen. Toch denk ik dat we die experimenten moeten doen, want het is gek om het verkeer de andere kant op buiten beschouwing te laten.

    Jaarringen van bomen bevatten een schat van informatie over het klimaat.  © Getty
    Jaarringen van bomen bevatten een schat van informatie over het klimaat. © Getty

    Heeft een moederboom een mentaal beeld van die zaailingen? Een mentaal beeld is uiteraard een zeer dierspecifiek concept. Maar heeft de boom een soort innerlijke beleving, hoe die zich ook manifesteert? Heeft ze dezelfde herinnering aan de zaailing als ik aan bijvoorbeeld mijn kat? Ik kan op ditzelfde moment aan mijn kat denken hoewel hij zich in een andere kamer bevindt, niet omdat ik hem waarneem maar omdat ik een mentaal beeld van hem heb.

    Je kunt naar de ringen van een boom kijken. De interacties met zaailingen zijn van invloed op het groeitempo; ze zijn van invloed op de hoeveelheid water en voedingsstoffen die wordt opgenomen. Mensen kunnen dit reconstrueren en zeggen: ‘O, de boom hiernaast is in dat jaar doodgegaan. Toen kreeg deze boom meer ruimte.’ Ze kunnen die reacties zelfs in bepaalde delen van de boomstam compartimenteren. Verschillende planten zijn daar op verschillende manieren toe in staat, maar bij alle bomen huist de herinnering in hun ringen. Bij coniferen huizen de herinneringen ook in de chemie van hun naalden. Een altijdgroene boom, bijvoorbeeld, houdt zijn naalden vijf tot tien jaar vast.

    Als je de top van een plant afhakt, volgt daarop een enorme respons van stresshormonen

    Bij het onderzoek naar dierlijke intelligentie is lange tijd de nadruk gelegd – en dat gebeurt begrijpelijkerwijze nog steeds – op niet-emotionele en niet-affectieve vormen van cognitie. Nu zijn steeds meer onderzoekers ook emoties gaan bestuderen en realiseren ze zich dat die andere vormen van cognitie, zoals herinnering, probleemoplossing en redenering, vervlochten zijn met emotie.

    Als je de neurobiologie die aan onze emoties ten grondslag ligt weglaat uit de vergelijking, dan ontwikkelen vaardigheden als probleemoplossend vermogen en logisch redeneren zich niet. Bij planten ging het meeste onderzoek dat ik heb gelezen over de niet-emotionele kant van dingen. Is er bij planten ook sprake van emotie? Ik zou willen dat ik meer afwist van emotie en affectief leren.

    Maar toch, stel dat je een groep planten hebt en er eentje gestrest maakt, dan zal de respons enorm zijn. Botanisten kunnen hun serotoninerespons meten. Ze hebben serotonine. Ze hebben ook glutamaat, dat een van onze eigen neurotransmitters is. Daar hebben planten een heleboel van. Ze krijgen deze responsen onmiddellijk. Als we hun bladeren afknippen of er een stel insecten op zetten, verandert al die neurochemie. Ze beginnen heel snel boodschappen naar hun buren te sturen. Is dat een emotionele respons? Ik denk van wel. Maar ik hoor de botanist in mij al zeggen: ‘Dat is geen emotie. Dat is alleen maar een respons.’

    Toch denk ik dat we deze parallellen kunnen trekken. Het komt opnieuw neer op taal, op hoe we deze taal toepassen op het kijken naar deze respons bij planten. Ik denk dat het belangrijk is om die communicatiekloof te overbruggen, zodat mensen beseffen dat als je de top van een plant afhakt,  daar een enorme respons op volgt. En geen welwillende. Is dat een emotionele respons? De plant probeert zichzelf ongetwijfeld te redden. Er treedt regulatie op. De genen reageren. De plant begint deze chemische stoffen te produceren. Hoezeer verschilt dat van onze eigen productie van een heleboel noradrenaline?

    Zijn er dingen die ons ontgaan bij planten omdat we ons eigen idee over intelligentie aan mensen en dieren ontlenen? Zouden er hele manieren van bestaan kunnen zijn waarvoor we niet eens woorden hebben?

    Ik denk het wel. Ik denk dat onze benadering van planten veel te utilitair is en dat we ze zonder reden mishandelen. Dat komt volgens mij omdat we oogkleppen ophebben. We kijken niet goed. We gaan er gewoon van uit dat het goedaardige schepsels zijn zonder emotie. Zonder intelligentie. Ze gedragen zich niet zoals wij, dus sluiten we die mogelijkheid uit. Wat ik ook nog wil zeggen is dat ik weliswaar ontdekkingen heb gedaan over die ondergrondse netwerken, over hoe bomen via die fungusnetwerken kunnen communiceren, maar dat de inheemse bevolking van de westkust van Noord-Amerika dat allang wist.

    Je vindt het terug in geschriften en mondelinge overlevering. Het idee van de moederboom is al heel oud. De fungusnetwerken, de ondergrondse netwerken die het hele bos gezond en in leven houden, vind je daar ook. Dat die planten op elkaar reageren en met elkaar communiceren, dat vind je allemaal terug. Ze noemden de bomen het bomenvolk. Aardbeiplanten waren het aardbeivolk. De westerse wetenschap heeft daar een tijdlang een stokje voor gestoken en nu komen we erop terug.

    Wat voor relaties zijn er nog meer mogelijk? Wat betekent het om mee te leven met de plantenwereld?

    Twee woorden dringen zich onmiddellijk op. Het ene is verantwoordelijkheid. Ik denk dat de moderne samenleving zich niet verantwoordelijk heeft gevoeld voor de plantenwereld. Dus het begint bij verantwoordelijk rentmeesterschap. En we moeten weer respect hebben, een respectvolle interactie met bomen, met planten. Robin Wall Kimmerer vertelt in haar boek Braiding Sweetgrass hoe ze het bos in gaat om geneeskrachtige of eetbare planten te verzamelen. Ze vraagt de planten om toestemming. Dat heet respectvol verzamelen. Niet zo van: ‘O, ik zal de plant vragen of ik hem mag plukken, en als hij nee zegt doe ik het niet.’ Het gaat erom dat je de planten observeert en respect hebt voor hoe ze eraan toe zijn. Dat is volgens mij een verantwoordelijke relatie, niet alleen ten opzichte van de planten, maar ook ten opzichte van onszelf en onze kinderen en de talloze generaties voor en na ons. Ik denk dat mensen meteen zullen begrijpen hoe bomen met elkaar in verbinding staan en communiceren. Het begrip daarvoor zit bij ons ingebakken. En ik denk niet dat het ons veel moeite zal kosten om het opnieuw te leren.  

  • Wetenschappers prefereren honden

    Wetenschappers prefereren honden

    Er blijkt veel meer wetenschappelijk onderzoek te worden gedaan naar honden dan naar katten. Hoe komt dat?

    Iemand (mijn baas) merkte laatst op dat ik vaker artikelen over honden schrijf dan over katten, en vroeg me hoe dat kwam.

    Ik wist natuurlijk meteen dat het absoluut niets te maken kan hebben met het feit dat ik al ettelijke honden en nog nooit een kat heb gehad: het moet een afspiegeling zijn van het aantal wetenschappelijke studies naar beide dieren. Ik schrijf immers over elk onderzoek dat boeiende bevindingen oplevert en ik heb niets tegen katten, ook al ben ik zelf geen kattenmens. Twee van mijn volwassen kinderen hebben katten, en laten die vooral niet denken dat ik ze links laat liggen. (Hallo, Bailey! Hallo, Tawney! Dat zijn de katten, niet mijn kinderen.)

    Maar het leek me wel goed om hier eens in te duiken, dus mailde ik Elinor Karlsson van het Broad Institute en de University of Massachusetts. Zij is geneticus en ze heeft drie katten, maar haar onderzoek gaat vooral over honden: een onbevooroordeelde blik dus. Ze doet trouwens onderzoek naar het genoom van verschillende honden. Ze verzamelt DNA door hondenbezitters op te roepen wat speeksel van hun viervoeter op te sturen.

    Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: “Wat is eigenlijk een hond?”

    Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: ‘Wat is eigenlijk een hond?’ Honden en katten worden ook als proefdieren in laboratoria gebruikt, maar ik heb niet gevraagd welke van de twee voor zulke experimenten het populairst zijn.

    Karlsson leerde ik kennen toen ik over haar onderzoek naar wolven schreef. Ik mailde haar met de vraag of er inderdaad meer onderzoek naar honden dan naar katten wordt gedaan, en zo ja, waarom.

    ‘Ooo, wat een interessante vraag!’ schreef ze terug. ‘Veel leuker dan al die mails over beursaanvragen in mijn mailbox. Er wordt inderdaad minder onderzoek naar katten gedaan. Ik denk dat ze minder serieus worden genomen dan honden, dat heeft waarschijnlijk met maatschappelijke vooroordelen te maken. In mijn vakgroep zit een dierenarts die denkt dat veel kankersoorten die bij katten voorkomen een beter model kunnen bieden voor menselijke kankersoorten, maar daar wordt bijna geen onderzoek naar gedaan.’ Een beter model dan kanker bij honden, bedoelt ze. Honden krijgen veel soorten kanker die ook bij de mens voorkomen, maar bij honden verschilt de frequentie per ras, zodat je gerichter naar oorzaken kunt zoeken.

    Verder staat kattengedrag volgens Karlsson laag in aanzien. ‘Mensen die niets met katten hebben, vinden het een belachelijk idee om hun gedragsgenetica te bestuderen, en in de wereld van de dressuur wordt geklaagd dat men er klakkeloos van uitgaat dat katten niet te dresseren zijn.’ Katten zijn natuurlijk net zo goed te dresseren als elk ander dier. Zo heeft Karlsson zonder het te beseffen haar kat geleerd op het aanrecht te springen zodra ze het kastje met kattensnoepgoed opent. De commercie is er ook al op ingesprongen. Er zijn verschillende pakketten te koop om je kat te leren zijn behoefte op de wc te doen. Als er al zoiets voor honden bestaat, heb ik het niet kunnen vinden. Zelfs niet voor bichon frisés.

    adorable animal blur 850602

    Voor het kankeronderzoek verwees Karlsson me door naar Kate Megquier, een dierenarts aan het Broad Institute die daar promotieonderzoek naar doet. Ook zij vindt dat katten meer aandacht verdienen. ‘Ik bestudeer vooral veel kankersoorten bij honden,’ zegt ze, maar er zijn goede redenen om ook meer studie te maken van kanker bij katten. Ze zegt dat katten veel lymfomen krijgen ‘en daar kunnen we beslist iets van leren’. Ook krijgen ze vormen van mondkanker die lijken op die bij de mens, en volgens haar worden die mogelijk veroorzaakt door gifstoffen in onze leefomgeving, die katten binnenkrijgen als ze zich wassen. Onderzoek daarnaar ‘kan ons inzicht in die aandoeningen vergroten’, zegt ze, en zowel kat als mens ten goede komen. Kate Megquier vindt honden leuk, maar is naar eigen zeggen ‘absoluut een kattenmens’.

    Volgens Karlsson zijn er goede redenen waarom er zo veel onderzoek naar honden wordt gedaan. Zo zijn er veel meer hondenrassen: wel vierhonderd, tegen circa veertig kattenrassen. Dat betekent meer genetische diversiteit en dus meer mogelijkheden om het genoom te bestuderen. Maar ze zegt erbij dat het nieuwe modelgenoom voor katten veel gedetailleerder is dan het laatste modelgenoom voor honden. ‘We zijn daar allemaal razend jaloers op en werden er op een conferentie vorige week flink mee gepest door de kattenonderzoekers.’ En ze wijst erop dat culturele vooroordelen over huisdieren zelfs een rol spelen bij de opzet van zulke conferenties. Dat honden en katten samen het thema van een wetenschappelijke bijeenkomst zijn, heeft immers meer met hun imago als archetypische huisdieren te maken dan met hun biologische overeenkomsten.

    Mijn volgende e-mail was gericht aan Elaine Ostrander van de National Institutes of Health. Zij heeft zelf honden en doet onderzoek naar de genetica van honden. Haar lab heeft acht genen geïdentificeerd die zeer bepalend zijn voor de grootte van een hond. Het eerste daarvan zorgt er vooral voor dat honden klein blijven. Ook heeft haar lab kankergenen gevonden die honden gemeen hebben met de mens, met name de genetische oorzaak van een soort nierkanker die veel voorkomt bij Duitse herders. Datzelfde gen blijkt hetzelfde type kanker ook bij de mens te veroorzaken.

    adorable animals cat bed 64284

    Ostrander wijst erop dat vooral de grote verscheidenheid aan hondenrassen in alle soorten en maten aantrekkelijk is voor wetenschappers. Sommige genen die bepalend zijn voor de groei van een hond hebben ook invloed ‘op aandoeningen van op hol geslagen groei, zoals kanker’. Bovendien, schrijft ze, ‘ondergingen honden een heel geprononceerde populatieflessenhals tijdens hun domesticatie’ toen een klein aantal wolven de oerouders werden van alle tamme honden. Daarna zijn in de negentiende eeuw tal van rassen gefokt met nog veel nauwere genetische flessenhalzen, en bijgevolg veel inteelt. De domesticatie heeft volgens haar ‘in een ongelooflijk kort tijdsbestek plaatsgevonden en we hebben er nog steeds niet alle genetische finesses van doorgrond. Het blijft een van de interessantste en lastigste kwesties in de biologie.’ De gedragsproblemen van sommige honden vertonen trekken van wat we bij mensen een obsessief-compulsieve gedragsstoornis noemen. Zulke overeenkomsten bieden volgens Ostrander ‘een mooie kans om meer over onszelf te leren’.

    Overtuigend pleidooi voor de honden, leek me. Daarna belde ik een van de mensen die een groot aandeel hebben gehad in de beschrijving van het modelgenoom voor katten waar Karlsson het over had: Leslie Lyons van de University of Missouri. Ook aan haar de vraag of er meer onderzoek werd gedaan naar honden dan naar katten.
    ‘Absoluut,’ zegt ze, ‘om verschillende redenen.’ Ze beaamt dat ‘honden ideaal zijn voor onderzoek naar kanker’ en dat ze langer gedomesticeerd zijn dan katten, zodat er meer hondenrassen zijn en dus meer mogelijkheden om onderzoek naar erfelijke ziekten te doen. Maar ze zegt ook dat maatschappelijke vooroordelen over katten hun weerslag hebben op het wetenschappelijk onderzoek. Kattenliefhebbers zijn nu bijvoorbeeld niet zo in gekke rassen geïnteresseerd als hondenliefhebbers, maar dat kan veranderen. Als er vraag naar was, zou je katten in net zo veel soorten en maten kunnen fokken als honden. ‘Dan krijg je misschien een chihuahua-kat en een kat zo groot als een Deense dog. Al lijkt me dat,’ voegt ze eraan toe, ‘een beetje gevaarlijk.’

    Ze zegt dat het voor onderzoek naar katten veel moeilijker is om financiering te krijgen, ook al zijn katten voor onderzoek naar sommige aandoeningen, zoals polycystische nieren, geschikter. ‘Laten we er medicijnen op testen. Misschien dat kat én mens ermee geholpen zijn.’ Overigens heeft Lyons zelf katten en liet ze in ons gesprek terloops het antihondencliché ‘cats rule, dogs drool’ vallen.


    Ik heb ook gebeld met Fiona Marshall, een bioarcheoloog aan Washington University in St. Louis. We hadden elkaar een tijdje geleden gesproken voor een artikel over ezels. De domesticatie van ezels is een van haar onderzoeksgebieden. Verder doet ze onderzoek naar Afrikaanse katten en hun domesticatie. Enkele jaren geleden schreef ze mee aan een artikel over het vroegste bewijs van gedomesticeerde katten ter wereld, aangetroffen op een 5300 jaar oude vindplaats in China.

    Ze zegt dat je bij opgravingen minder sporen van katten dan van honden vindt. Deels omdat het solitaire dieren zijn, die door de vroege mens blijkbaar ook minder vaak werden opgegeten dan honden. ‘Als ze niet gegeten worden, vind je er geen spoor van terug in het afval.’

    ‘Ik denk dat het ook te maken heeft met hoe er in Europa vanaf de middeleeuwen tegen katten werd aangekeken,’ zegt ze. ‘Katten werden daar als slechte dieren beschouwd, omdat ze mensen niet gehoorzaamden.’ Tegenwoordig wordt die karaktertrek van katten juist sterk gewaardeerd. Marshall heeft zelf ook katten.

    De cijfers

    En dan nu de cijfers. Een zoekopdracht in Pub Med, een database van de meeste biomedische tijdschriften, levert 139.858 treffers op voor katten en 328.781 voor honden. Bij Google Scholar was het 1.670.000 voor katten en 2.850.000 voor honden. Dat is natuurlijk maar een simpele zoekopdracht die weinig zegt over het soort onderzoek dat werd uitgevoerd. Wat de journalistiek betreft: een zoekopdracht in de nieuwsdatabank Nexis levert meer dan drieduizend treffers op voor honden en katten, met de waarschuwing dat het lang gaat duren voordat die allemaal zijn opgehaald. Ik beperk me dus tot het zoeken naar ‘hondengenoom’ en ‘kattengenoom’. Resultaat: twintig voor honden, zes voor katten. Het genoom van honden is eerder in kaart gebracht dan dat van katten.

    Uit deze willekeurige greep mogen vooral geen conclusies worden getrokken, behalve dat het de indruk van de wetenschappers bevestigt dat naar honden meer onderzoek wordt gedaan.

    Daarnaast kwam een collega nog met een suggestie die bij geen van de geïnterviewde deskundigen was opgekomen – een teken dat toewijding aan de wetenschap soms ook je blik vernauwt. ‘Zou het kunnen,’ vroeg die collega, die zelf zowel katten als honden heeft gehad, ‘dat er meer studies over honden dan over katten zijn omdat katten er gewoon niet aan wensen mee te werken?’

    Natuurlijk. Waarom had ik daar zelf niet aan gedacht?

    Auteur: James Gorman
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistiek prijzen dan enig ander medium.

  • ‘Hier tellen alleen woorden.’ Scrabble als topsport

    ‘Hier tellen alleen woorden.’ Scrabble als topsport

    Op het wereldkampioenschap scrabble in het Grand Palais in Lille strijden Engelsen, Nigerianen en Israëliërs om de titel. Stuk voor stuk briljante rekenaars, gezegend met een reusachtig vocabulaire. Toch draait het eigenlijk maar om één man: Nigel Richards, de god van het spel.

    Keuze uit het archief

    Terwijl wereldwijd de ogen gericht zijn op de schaatsers, snowboarders, ijshockeyers en kunstschaatsers in Beijing, wordt door een stel taalvirtuozen een heel ander soort topsport beoefend, haast als een religie, met een eigen god. Het scrabbelen werd nooit echt als professionele sport erkend, ondanks miljoeneninvesteringen en bovendien een maatschappelijk belang: door de verkommering van onze cognitieve vaardigheden, zouden steeds meer mensen naar ‘de simpelste verklaringen van de nationalisten’ luisteren.
    Zal scrabble de verdiende erkenning ooit krijgen?
    ‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is.’

    De plek waar vele duizenden woorden bedacht worden – sterker nog: waar alleen woorden tellen – is tegelijkertijd misschien wel de zwijgzaamste van de stad. Door de hallen van het Grand Palais in Lille klinkt alleen het rammelen van de letters, die de spelers met een plechtig gezicht uit de groene zakjes pulken. Daarom klinkt het wereldkampioenschap scrabble niet als een evenement dat meer dan vierhonderd mensen uit dertig landen in een congrescentrum bijeengebracht heeft. Eerder als een bos vol tjirpende plastic krekels. Diep geconcentreerd zitten de tegenstanders aan lange rijen tafels tegenover elkaar. Verdiept in duels waarin ze maar al te snel een anagram over het hoofd zien, bonuspunten laten liggen, of de letters van de tegenstander verkeerd inschatten. De jarenlange dagelijkse trainingen, de uit het hoofd geleerde woordenboeken en niet in de laatste plaats de sociale ontberingen zouden vergeefs zijn geweest als U, Q, A, L, T, I, E niet snel genoeg ‘TEQUILA’ oplevert. En ook het prijzengeld van 7000 euro zou verspeeld zijn. Omdat de meeste deelnemers welgestelde academici zijn, zou dit nog de overkomelijkste narigheid zijn. Maar de roem en erkenning in deze kleine maar tegelijkertijd wereldwijde, op het maniakale af hartstochtelijke gemeenschap, zouden onherroepelijk buiten bereik blijven.

    Wie gezien heeft hoe toegewijd al deze hyperintelligente mensen zitten te staren naar klompjes letters, een week lang, volkomen ongevoelig voor de uit alle macht lokkende Franse septemberzon, die vraagt zich niet af wat scrabble is, maar: wat is scrabble voor wie? Welnu, voor het grootste deel van de ongeveer honderd miljoen huishoudens die het bordspel intussen bezitten, is het een aardig puzzelspel voor af en toe. Een familiespel waarbij het erom gaat uit zeven willekeurig getrokken letters zo lang mogelijke woorden te maken en deze horizontaal of verticaal aan elkaar te leggen.

    Sport

    Voor de Amerikaanse architect Alfred Mosher Butts, die in 1931 de oervorm van scrabble (toen nog Lexiko geheten) op de markt bracht, was zijn uitvinding decennialang allesbehalve een commercieel succes. Butts, geïnspireerd door kruiswoordraadsels, wilde een spel maken dat alleen gewonnen kon worden door iemand die er niet alleen goed in is, maar ook geluk heeft.

    De ondernemer in geluk en vaardigheid raakte ál zijn tweehonderd zelfgemaakte spellen kwijt. En in 1948 ook de rechten op zijn idee, die de Britse advocaat James Brunot voor een heel schappelijke prijs van hem kocht. Butts behield een aandeel van 2,5 cent per verkocht exemplaar. Of Brunot nu commercieel bedrevener was of gewoon meer geluk had: algauw was Lexiko, dat hij omdoopte tot Scrabble, zijn ticket naar rijkdom. In slechts drie jaar verkocht Brunot in totaal 90.000 exemplaren. Niet veel later volgden contracten voor de massaproductie in Noord-Amerika, Canada en Europa.

    Voor de spelers in Lille is scrabble heel duidelijk een sport. Al sinds 1991 nemen de coryfeeën elk jaar in hun eigen landstaal deel aan het wereldkampioenschap scrabble. Onbetwist het belangrijkste is het Engelstalige toernooi, waaraan slechts de eerste 72 spelers op de wereldranglijst mogen deelnemen. Voor hen is scrabble een hartstochtelijk bedreven sport waar je veel voor moet laten, en waarin het niet om fonetische schöngeisterei gaat, maar om mathematische berekening. Want een woord is maar zo goed als de positie waarin het ligt. In wezen opent elke zet nieuwe aanlegmogelijkheden voor de tegenspeler, ook dat moet berekend worden. Waarbij je tegelijkertijd moet taxeren welke waarden de komende letters van de tegenstander zullen hebben.

    Behalve talent voor tellen en rekenen moet je ook een schier onmenselijke woordenkennis bezitten. Een normale sterveling heeft een vocabulaire van omstreeks vierduizend woorden. Een professionele scrabblespeler ongeveer het tienvoudige. (Er zijn 140.000 door het scrabblewoordenboek SOWPODS erkende [Engelse] woorden.)

    In een professionele scrabblewedstrijd beschikken de spelers elk over in totaal 25 minuten speeltijd. Wie klaar is met zijn beurt, drukt op de klok. Zijn tijd staat stil en die van de tegenstander begint te tikken – net als bij schaken. Tijdoverschrijding wordt bestraft met puntenaftrek. Een scheidsrechter is er niet. Beide spelers zijn verplicht de eigen zetten en die van de tegenspeler op formulieren in te vullen. Bestaat er onenigheid over een woord, dan kan men het aanvechten. Dan lopen de partijen naar een computer, tikken het problematische woord in en laten de scrabblesoftware het oordeel vellen.

    Na 24 voorronden gaan de acht best geplaatste spelers door naar de play-offs, waar ze met elkaar uitmaken wie er kampioen wordt. Voor deze acht uitverkorenen is scrabble geen speelveld voor woordacrobaten of slimme rekenaars. Voor hen is het het slagveld van de grote strategen: het leven zelf.

    Nigel Richards in de finale van de National Scrabble Championships in Bu alo, waar hij eindigde op de 16de plaats. – © Gary Wiepert / AP
    Nigel Richards in de finale van de National Scrabble Championships in Bu alo, waar hij eindigde op de 16de plaats. – © Gary Wiepert / AP

    Wellington Jighere uit Nigeria is een van de uitverkorenen die de scrabble-Olympus tot dusver beklommen hebben. (Waarom in al die jaren uitsluitend mannen op deze eenzame top gestaan hebben, daar komen we nog op terug.) En hoe! Bij het wereldkampioenschap van 2015 in het Australische Perth triomfeerde de sociale wetenschapper in de finale tegen Lewis Mackay. Geen Afrikaanse speler was het ooit gelukt om de eindzege te behalen. Dat Jighere van een Brit won, en dus van een vertegenwoordiger van de oude koloniale macht, ja, dat hij hem overklaste – in zijn eigen taal – dat kun je politiek interpreteren. Maar Jighere doet dat niet: ‘Veel mensen vatten mijn overwinning inderdaad politiek op. We leven nu eenmaal in een politieke wereld. Maar dat is niet hoe ik de dingen zie.’ Hoe hij het wel ziet, wil hij echter ook niet zeggen. En het wordt nog onduidelijker als hij eraan toevoegt: ‘Het is de taal van de Engelsen. Maar wij hebben die onder de knie gekregen.’

    In de politieke wereld belde de Nigeriaanse president hem in elk geval op, enkele minuten na afloop van de partij, om hem persoonlijk te feliciteren en te bedanken voor de dienst die hij het vaderland had bewezen. Op de luchthaven van Abuja kreeg Nigeria’s scrabbledelegatie vervolgens een heldenontvangst. ‘Delegatie’ is geen overdrijving, het is de officiële benaming van de ploeg, want scrabble wordt in Afrika’s dichtstbevolkte land door de staat gesubsidieerd. Op scholen is het een verplicht vak, en er bestaat een bruisend verenigingsleven. In het door bloedige conflicten tussen christenen en moslims geplaagde Nigeria heeft scrabble een neutraliserend, welhaast verbroederend effect. Om het zevenkoppige, multireligieuze team samen te stellen vonden maandenlange trainingskampen plaats, waarvoor de minister van Sport de vijftien beste spelers van het land had uitgenodigd. En toch stond tot kort voor de start van het toernooi niet vast of de Nigerianen wel mee konden doen, want de Franse ambassade weigerde visa te verstrekken. In een of ander ambassadekantoor in Parijs geloofden de ambtenaren niet dat zeven Nigerianen een week lang scrabble wilden spelen in Lille – en dan weer zouden verdwijnen.

    Toen de visa toch nog kwamen, was dat voor een paar woordatleten al te laat, zodat nu slechts vier delegatieleden, vermoeid door een reis van twintig uur, aan de wedstrijd beginnen. Die vermoeidheid is Wellington Jighere, Karo Eta, Dennis Ikekeregor en Jack Mpakaboari aan te zien: vooral de wat katachtige oogleden in het gladde, ondoorgrondelijke gezicht van Jighere vallen steeds weer dicht. Toch is de 37-jarige kampioen er zeer op gebrand zich zijn rang waardig te tonen. Aan zijn hand fonkelt een zilveren polshorloge. Aan zijn voeten prijkt gepoetst krokodillenleer. Hij draagt een kostbaar blauw colbert om zijn schouders, die onder druk van de verwachtingen niet mogen gaan afhangen. Meneer de president heeft Jigheres telefoonnummer nog opgeslagen. ‘Een echte kampioen moet met druk om kunnen gaan, anders is hij geen kampioen. Ik had een heel goed toernooi en geluk in Australië. Maar HIJ is nog steeds de grootste,’ zegt Jighere eerbiedig. ‘HIJ’. Jighere spreekt het woord uit alsof hij over een god spreekt.

    De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen

    God in de scrabblewereld heet Nigel Richards en komt uit Nieuw-Zeeland, waar hij geboren werd in de plaats met de beloftevolle naam Christchurch. Als God aankomt in het Grand Palais, scharen zijn bewonderaars zich onmiddellijk om hem heen, en hij schenkt menigeen een vriendelijk woord terwijl hij door hun rijen schrijdt. Al drie keer werd hij uitgeroepen tot de Engelstalige wereldkampioen. Vijf keer triomfeerde hij in Noord-Amerika. Zulke wonderen vermocht geen mens voor hem te verrichten. Onsterfelijk werd zijn geprezen naam echter pas toen hij in 2015 ook nog het Franstalige kampioenschap won. In een voorbereidingstijd van negen weken had hij zonder enige voorkennis een Frans woordenboek uit zijn hoofd geleerd!

    Hoe fascinerend zou het niet zijn om van hem te horen wat de sleutel is tot de scrabblehemel, wat hem tot God heeft gemaakt, wat hem drijft, waarom God naar Kuala Lumpur is verhuisd, en of het klopt dat hij ieder woord identificeert met een getal voordat hij het in zijn onfeilbaar fotografisch geheugen opslaat. Maar God beantwoordt geen vragen. Principieel niet. ‘Zou u dan ten minste willen onthullen waarom u niet met de pers spreekt, mister Richards?’ God houdt heel even de pas in, laat een welwillend glimlachje doorschemeren, en verkondigt met een hoge, bijna overslaande stem: ‘Omdat u mij vragen zult stellen.’

    Zo rest ons alleen de vrome aanschouwing van de hemelse verschijning uit de verte. Zijn golvende volle baard heeft Richards onlangs afgeschoren. Hij ziet er een beetje uit als Russell Crowe die zich uitstekend heeft voorbereid op zijn rol als meganerd. De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen. Sommigen beweren dat God zijn brood alleen met scrabbelen verdient. En dat hij in de voorbije twaalf jaar 200.000 dollar aan prijzengeld heeft opgehaald. Anderen berichten dat de Enige Echte vastgoed heeft geërfd, en dat zeer winstgevend verkocht heeft. Dat hij op werkdagen als ingenieur de bewakingssystemen van een Maleisisch beveiligingsbedrijf perfectioneert.

    Het toernooi van de anderen

    Omri Rosenkranz en Evan Cohen zijn niet vanuit Israël hierheen gepelgrimeerd om met God te concurreren. Rosenkranz, van nature uit de kluiten gewassen en stevig gebouwd, maar uit vrije wil mollig en feminien, zeker niet. De 38-jarige professor in de sociologie speelt in de B-divisie, de tweede rang om zo te zeggen, waarvoor iedereen zich kan kwalificeren door betaling van 100 euro. Waarschijnlijk is deze spelklasse daardoor demografisch duidelijk diverser: vijftienjarige Pakistani’s duelleren er met Finse senioren, vrouwen en mannen zijn bijna evenredig vertegenwoordigd. Het feit dat er in de A-divisie slechts twee vrouwelijke spelers meedoen, verklaart Rosenkranz als volgt: ‘Vrouwen zijn gewoon niet zo stom om zo veel voor dit spel op te offeren. Wil je in de wereldranglijst bovenaan staan, dan mag je eigenlijk noch een privéleven noch een gezin hebben.’ Een inschatting die Karen Richards en Natalie Zolty, de twee atypische vrouwen, voorzichtig bevestigen. Als enige speler van de Nigeriaanse delegatie neemt Jack Mpakaboari deel aan dit B-wereldkampioenschap, dat weinig gewaardeerd wordt door de rest van de Afrikaanse afgevaardigden, die in de A-divisie spelen. En zelfs die zuinige waardering verdwijnt als Mpakaboari zijn eerste vier partijen verliest.

    Evan Cohen, de levensgezel van Omri Rosenkranz, jaagt in de A-divisie, ‘het haaienbassin’, zoals hij het zelf noemt. Helemaal in het strakgesneden zwart, het haar kortgeschoren. Cohen is linguïst en heeft al een paar gerenommeerde toernooien gewonnen. Met een lepe glimlach verklaart hij alleen maar bij de laatste tien te willen eindigen. Omdat een van de verhinderde Nigerianen niet meedoet, rukt Rosenkranz plotseling voor het eerst op tot in de A-divisie. Hij slaat zich er op de eerste speeldag dapper doorheen, wint drie van de acht partijen – een statistiek waarmee ook Cohen de dag besluit, duidelijk minder tevreden. Vooral de verpletterende nederlaag (bijna 300 punten) tegen de Brit Brett Smitheram zit hem dwars.

    De slaperige kampioen Jighere wint vijf van zijn acht openingspartijen en is op plaats zestien ver verwijderd van presidentiële telefoontjes. Zichtbaar chagrijnig verlaat hij het gebouw, op zoek naar niets anders dan verkwikkende slaap. En hoe is het met God? Die kent een voor hemelse begrippen onderaardse start: hij verliest eveneens drie partijen. ‘Bij Nigel betekent dat niets. Ik zou al mijn geld toch op hem zetten, gewoon omdat hij is wie hij is,’ zegt Ganesh Asirvatham. Deze leraar Engels uit Maleisië is verantwoordelijk voor het verloop en de organisatie van het wereldkampioenschap. Hij hangt tabellen en lijsten op, en kondigt per microfoon de lunchpauze aan. Maar achter deze taken, die hij zo ijverig vervult, gaat een zwaar scrabblenoodlot schuil. Als Asirvatham zegt dat God nu eenmaal God blijft, dan spreekt hij uit bittere ervaring. Toen hij nog in menselijke macht geloofde, speelde hij zelf scrabble, en zelfs op een buitengewoon begenadigde manier. In 2007 bereikte hij de finale van het wereldkampioenschap. Daar wachtte vanzelfsprekend Richards, en die maakte Asirvatham in drie partijen in. Desondanks bleef Asirvatham belangrijke kampioenschappen winnen in India, Maleisië en Singapore. Zelfs het Guinness Book of Records vermeldt zijn naam als de speler die het simultaan tegen de meeste spelers wist op te nemen. Van de 25 tegen hem scrabbelende tegenstanders versloeg hij er 21. Maar dat alles was niet genoeg. Nog altijd troonde HIJ boven iedereen uit. Dus trok Asirvatham zich voor een jaar terug om woordenboeken te bestuderen en beter te worden dan God. Na een scrabblesabbatical van twaalf maanden keerde hij verbaal gestaald terug – en ging opnieuw onderuit tegen Richards! Steeds weer! Daar ging Asirvatham aan kapot. Nu tikt hij koortsachtig vreemde speluitslagen in zijn rekenmachine, goed afgeschermd achter de informatiestand van de toernooileiding.

    De wereld buiten de scrabblewereld begint onopvallend bij de uitgang van het Grand Palais. De vele vlaggenmasten voor het congrescentrum zijn leeg, hoewel het wereldkampioenschap toch reden genoeg zou moeten zijn om het gebouw op te sieren. Dat kan natuurlijk zijn omdat het WK scrabble eerder een nichegebeuren is. Of vanwege de angst voor terreur. Want in Frankrijk is in deze milde herfst van 2016 officieel de noodtoestand van kracht. Voor de vierde maal binnen een jaar, na evenzoveel aanslagen. De vijfde moet verhinderd worden door een samenscholingsverbod en idioot veel controles. Groepen soldaten patrouilleren door de stad, de handen demonstratief aan de trekker van hun geweer. Vooral op het hoofdstation Lille Europe is de militaire aanwezigheid merkbaar.

    In deze geschokte Franse vrijheid zijn dus scrabbelaars uit de hele wereld aangekomen. ’s Avonds zwerven ze door de streng bewaakte steegjes van het uitgaansgebied. Zelf worden ze overdag bewaakt door een klein, mager securitymannetje, dat met chocoladevlekken op zijn blauwe securityoverhemd en een metaaldetector in de hand voor de ingang zit. ‘Hoe voelt het om verantwoordelijk te zijn voor de veiligheid van de scrabble-elite van de wereld?’ Het mannetje kijkt de ruimte in en haalt vrolijk zijn schouders op. Het is toch ondenkbaar dat IS het op het WK scrabble voorzien zou hebben?

    Jighere wil vandaag per se dichter bij de kopgroep komen. De omslagdoek heeft hij afgelegd, nu draagt hij een niet minder representatief Nigeria-trainingspak. Bovendien een diep over zijn gezicht getrokken Nigeria-pet, waaronder zijn linkeroog steeds heftiger samentrekt, waarschijnlijk omdat het halve toernooi al gespeeld is en hij met een score van 7-5 nog altijd op plaats zeventien vastzit. Hoe zijn partijen tot dusver verlopen zijn, is moeilijk te zien. Behalve de spelers mag niemand zich bij de speeltafels ophouden. De concentratie van de atleten zou daaronder kunnen lijden. Na meerdere overtredingen worden verslaggevers gemaand om afstand te houden, op straffe van verwijdering uit de zaal.

    Ondertussen staat God er maar één plek beter voor dan Jighere. Ook hij heeft al vijf keer verloren. Maar niemand waagt te betwijfelen dat hij het nog tot bij de beste acht en dus de play-offs zal brengen. ‘Omdat Nigel nu eenmaal Nigel is. Andere spelers worden nerveus in de beslissende partijen. Hij niet,’ zegt Cohen vol eerbied, als hij na afloop van de speeldag met Rosenkranz naar de Vieille Bourse, de Oude Beurs, wandelt. Cohen zelf heeft met zeven verloren partijen nauwelijks nog uitzicht op een goed resultaat. Zijn partner Rosenkranz vertoont dankzij een respectabele score van 6-6 twee blozende wangen. De ranglijst wordt aangevoerd door de Britten Allan Simmons, David Webb en Mark Nyman, met elk tien gewonnen partijen. ‘Op dit niveau kan eigenlijk iedereen van de eerste twintig het halen,’ zegt Cohen een beetje afwezig. Hij lijkt afgeleid door de schietklare groep soldaten die langs de patisserie marcheert waar hij zijn chocolade-eclair wilde kopen.

    ‘Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten’

    Op de derde dag van de voorronden zal het noodlot toeslaan: Jighere en Richards moeten tegen elkaar spelen! De omstandigheden zouden nauwelijks zenuwslopender kunnen zijn: God heeft elf zeges en zeven nederlagen achter zich. De regerend kampioen staat op 10-8 en moet minstens vijf van de resterende zes partijen winnen als hij Simmons, die achtste staat (11-6), nog wil inhalen. Al is het idee dat hij nooit faalt, God staat bekend om zijn aan onverschilligheid grenzende gelijkmoedigheid, die hij ook stoïsch blijft praktiseren als hij duidelijk slechtere letters trekt dan Jighere. Ineengedoken zit hij op de zwarte plastic stoel in een vergeeld shirt van het WK 2010 in Dallas. Het lettergeluk blijft aan Jigheres kant. Hij trekt beide blanco stenen, de jokers die als elke letter inzetbaar zijn, en gaat al vroeg met 90 punten aan de leiding.

    Als er spelers zijn tegen wie je niet op achterstand wilt komen, dan zijn het wel Nigerianen. De delegatie gebruikt sinds decennia een uiterst defensieve speelwijze. Ook al hebben ze lucratieve letters, dan nog leggen ze korte woorden, zo destructief mogelijk op de sappigste bonusvelden; wat de aanvalsmogelijkheden voor de tegenstander sterk beperkt. Vanwege deze speelstijl én hun overtuiging dat ze de meest fantastische scrabblenatie ter wereld zijn, zijn Nigeriaanse spelers niet erg geliefd. Wat Jighere er geenszins van weerhoudt de ontmoeting met 424 tegen 337 uit te spelen. Maar het is vergeefs zoeken naar een teken van vreugde. ‘I won,’ mompelt hij toonloos, en begeeft zich naar de volgende tafel, waaraan hij het onderspit delft tegen een man die Winter Winter heet. Als Jighere nog slechts theoretische kansen resteren om verder te komen, wacht hem in de volgende partij ook nog Mark Nyman. Die geen god is, maar toch wel een scrabblelegende, die de ranglijst aanvoert met zestien gewonnen partijen en die ook al eens wereldkampioen was. Hij herinnert zijn tegenstanders van die fatale vrijdag daar ook graag aan door zijn lichtblauwe kampioenstrui van Maleisië 1993 te dragen. Hoewel Jighere duidelijk beter in zijn tijd zit en beide blanco stenen trekt, neemt Nyman toch de leiding van hem over. En legt bij zijn laatste beurt, in de minusminuut 26, een sterk ‘instead’. Over deze tijdoverschrijding ontstaan vervolgens grote meningsverschillen. Jighere haalt coördinator Asirvatham erbij. Nyman krijgt tien punten aftrek, maar behoudt nog altijd duidelijk de leiding met 471 tegen 388. En zo wordt het een feit: Wellington Jighere, de eerste Afrikaanse wereldkampioen scrabble in de geschiedenis van de mensheid, zal zijn titel niet prolongeren! De kampioen is dood. De Nigeriaanse president zal hem niet opnieuw bellen. De onttroonde verheft zich wankelend op zijn benen en dwaalt doelloos door de hal, terwijl hij apathisch over zijn gladgeschoren kin wrijft. Zo komt hij aan de tafel te staan waaraan ook God vecht om te overleven.

    De speler die in Lille het meest te verliezen heeft, speelt helemaal niet mee. Hij heet Dave Brannan en heeft meer dan 1 miljoen euro in het professionele scrabble geïnvesteerd. Om misverstanden te voorkomen: eigen geld. ‘Zo’n beetje alles wat ik had,’ zegt de eind-veertiger met een mix van Britse kalmte en zwaarmoedigheid in zijn stem. In zijn slechtzittende pak ziet hij er niettemin uit als een man van formaat, hij straalt een ongedwongen autoriteit uit. Vier jaar geleden verwierf Brannan de rechten op de scrabbletoernooien van spelfabrikanten Mattel en Collins, en stichtte de Mind Sports Academy als een soort plaatsvervangende bond voor het spel, waarvan hij een winstgevende, mediagenieke sport wil maken. Brannans cv wekt de indruk dat hij precies de juiste man voor deze missie zou kunnen zijn. In 1989 nam hij een klein marketingbedrijf over en zes jaar later verkocht hij het voor iets meer dan 10 miljoen pond. Hij richtte vervolgens weer een reclamefirma op en deed ook die met winst van de hand. Bovendien was Brannan lange tijd een succesvolle professionele pokerspeler, hij heeft dus verstand van toernooiorganisatie en van de spelersziel. Op grond van zijn levensloop zou je verwachten een ondoorgrondelijk pokerface te ontmoeten, die inhoudsloze managersfrasen debiteert. Maar Brannan praat verrassend openhartig. Dat hij veel te veel voor die scrabblerechten heeft betaald, verleid door de statistiek dat een op de drie Europese huishoudens een scrabblespel bezit. Zonder te bedenken dat er tussen zelf een keer scrabbelen en interesse voor het professionele sportgebeuren een diepe kloof gaapt, die slechts met dure promotie te overbruggen is. ‘Ik heb in het begin veel fout gedaan en grote bedragen verprutst. Ook omdat ik het werk van mijn voorgangers overschatte.’

    Zijn voorgangers zijn de Engelse en de Amerikaanse spelersverenigingen (WESPA en WASPA). Die organiseren de wedstrijden sinds 1991 – als doel op zich, niet met commerciële bedoelingen zoals Brannan die heeft. Nu ligt hij met ze in de clinch, omdat de verenigingen vrezen verdrongen te worden uit wat ze zelf hebben opgebouwd. Vooral met de WESPA is het moeilijk praten. ‘Ik zeg ze ook waarom. Omdat wij Engelsen nog altijd geloven dat de wereld van ons is. Ik houd van mijn land, maar het loopt zo verschrikkelijk achter. Aan de andere kant: kijk om u heen, heel Europa en Amerika vallen ten prooi aan het populisme.’ En juist daarom gelooft Brannan dat de wereld scrabble dringend nodig heeft. ‘De mensen kunnen zich niet meer concentreren. Ik zie het al bij mijn smartphone-verslaafde kinderen. Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten. Scrabble leert de kinderen weer geduld te hebben en gestructureerd te denken.’

    De Brit Brett Smitheram is de winnaar van het World Scrabble Championship 2016 in Lille. Het cruciale woord was BRACONID, een soort wesp, dat 176 punten opleverde. – © Michael Bowles / HH
    De Brit Brett Smitheram is de winnaar van het World Scrabble Championship 2016 in Lille. Het cruciale woord was BRACONID, een soort wesp, dat 176 punten opleverde. – © Michael Bowles / HH

    Zijn motieven zijn niet alleen zakelijk maar ook filantropisch van aard, wat uit zijn mond verbazend geloofwaardig klinkt. Om zijn kapitaal en de mensheid te redden predikt Brannan een revolutie in het profscrabble en maakt hij het zichtbaar en begrijpelijk in de media. Sinds kort worden de belangrijke WK-wedstrijden in een geluiddichte glazen container beslist, waar ze opgenomen worden en live op de website van Mind Sports worden gestreamd. Deze partijen worden gespeeld op een bord van 20.000 pond dat eruitziet als een ruimteschip en dat bestaat uit negen printplaten met radiofrequenties. Zo kan ieder scrabblevierkant gelezen en direct uitgezonden worden: naar een satelliet, maar ook naar een tweede, eraan gekoppelde container, waarin commentatoren zitten die de wedstrijd met behulp van eveneens nieuw ontwikkelde scrabblesoftware tot in alle details bespreken.

    Het grootste structurele probleem bij dit Masterplan is wederom de mens. Zoals misschien al uit dit verhaal bleek, zijn scrabblespelers geen geboren entertainers. Ze worden geenszins gedreven door de wens stadions vol te krijgen, in de schijnwerpers te staan en geaaid te worden. Wat Brannan intussen weinig kan schelen. ‘Ik ken de menselijke natuur. Ze zijn als een primitief volkje dat bang is voor al wat nieuw is. Dit evenement, dat me overigens 100.000 euro kost, verloopt nu voor de laatste keer op hun manier. Ik heb het lang op een vriendelijke manier geprobeerd, maar vanaf nu kom ik met de stoomwals.’

    Het zou unfair zijn om Brannan af te schilderen als de geldbeluste stoomwalsbaas, die geen gevoel heeft voor zijn personeel. De scrabblemecenas geniet van de partijen, blijft bij de borden staan (op gepaste afstand), bewondert het immense talent van de spelers, noemt ze bij de voornaam en gaat hartelijk met ze om.

    Zo hartstochtelijk als deze doorsnede van de mensheid scrabbelt, zo bespreekt ze ook het steeds waarschijnlijker wordende falen van God. Richards staat met 14-10 op de elfde plaats. De piepkleine kans Joel Wapnick (15-9) nog van de achtste plaats te verdringen bestaat alleen omdat Gods puntensaldo met +1014 drie keer zo hoog is. Zijn tegenstander is Brett Smitheram, die Cohen al op indrukwekkende wijze kansloos liet. Hij heeft zich al gekwalificeerd voor de eindronde. Maar zijn ambitie om tot godendoder op te klimmen staat de naar succes hongerende Smitheram op het voorhoofd geschreven. Helemaal als hij met Richards de glazen container van de wereldpubliciteit betreedt en naar het laserblauw stralende ruimteschipbord loopt. De spanning waarmee de andere spelers om de container van de waarheid heen staan is aanstekelijk. Misschien is Brannans visioen werkelijk uitvoerbaar. Maar als je de tactische finesses niet begrijpt, vervliegt die hoop bij de aanblik van de twee oude mannen die daar vijftig minuten lang zitten te piekeren. Juist die finesses wil Brannan door experts laten uitleggen. Hoe dan ook, goddelijk bloed is niet moeilijk te begrijpen. En het vloeit. Het wordt 406 tegen 379 voor Smitheram. God is dood!

    Zwijgende God

    Onderdeel van de live-uitzendingen is dat de deelnemers meteen na afloop van het spel een kort interview geven voor de Mind Sports-website. Maar een dode God is daar niet toe te bewegen. Dus spreekt Smitheram voor twee. Eerst over een waanzinnige, hard bevochten partij en over zijn reusachtige respect voor Richards. Daarna leest hij een zin voor die de mokkend zwijgende God heeft opgeschreven: ‘Ik ga nu mijn haar wassen.’ Als God de container verlaat, zwermen troostende discipelen rond zijn nog onbeschuimde hoofd. Maar alle geloofsbelijdenissen ten spijt – er is iets veranderd.

    De beide joodse deelnemers kan in elk geval niemand als godendoders bestempelen. Rosenkranz is na een gemene serie nederlagen van negen partijen afgezakt tot plaats 67. Maar hij is tevreden. Cohen moet verzuurd genoegen nemen met plaats 54. De eerste plaats in de voorronden is voor Mark Nyman, die jarenlang van de aardbodem verdwenen leek. Jighere is als drieëntwintigste geëindigd, en dus niet eens de succesvolste Nigeriaanse afgevaardigde, want dat is Dennis Ikekeregor, op plaats elf. Goed, Jack Mpakaboari is er ook nog, die in de B-divisie tot de play-offs is doorgedrongen. Maar de rest van de ploeg feliciteert hem nogal halfhartig met dit B-succes.

    In de kwartfinale treft de nieuwe favoriet Nyman Joel Wapnick. Zeggen dat die twee een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, is een understatement. Ze zijn elkaars trauma. In 1993 verloor Wapnick, de gepensioneerde muziekdocent uit Canada, de finale van het wereldkampioenschap tegen Nyman. ‘Dat liet me vijf jaar lang niet met rust,’ zegt hij. In 1999 vond Wapnick eindelijk vrede toen hij Nyman met zegge en schrijve één punt verschil versloeg in de finale. Wat op zijn beurt Nyman in een zware depressie stortte, tot een zenuwinzinking aan toe. Hij verdween enkele jaren uit beeld, zijn huwelijk liep stuk. Naar verluidt nam Nyman in deze periode heel onvoordelige financiële beslissingen. Maar de Nyman die nu weer met Wapnick de ruimteschip-container instapt, is een goed geconserveerde, weldoorvoede man van begin vijftig.

    In de play-offs gaat degene die als eerste drie zeges boekt door – een best-of-fiveserie. Na drie partijen staat het 2-1 voor trauma-Nyman. In de vierde partij vecht trauma-Wapnick voor zijn leven en haalt bijna een achterstand van 136 punten in. Bijna. ‘Dat waren heel typerende partijtjes voor ons,’ becommentarieert de verslagen maar beheerste Wapnick. Nyman is het met hem eens en benadrukt hoe beslissend mentale kracht is in het scrabble. Die heeft hij dringend nodig in de aansluitende halve finale tegen Adam Logan, die hij pas in het vijfde spel in zijn voordeel beslist. Godendoder Smitheram schakelt eerst de duidelijk favoriete David Webb uit. En in de halve finale de ervaren en ook sterker ingeschatte ex-finalist Lewis Mackay. Jack Mpakaboari bereikt de finale van de B-divisie, die uitgevochten wordt tegen de Amerikaanse (ja, hier duikt een vrouw op!) Sandy Nang. Zijn Nigeriaanse collega’s nemen er welwillend maar opvallend terloops kennis van.

    ‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is’

    Op de zondag van de finale zijn twee mensen bijzonder opgewonden: de CEO van Mind Sports, David Brannan, en de door God gebroken noodlotscoördinator Asirvatham. Ze zijn, net als de nog niet afgereisde spelers, getuige van een zeer eenzijdig eerste eindspel in de A-divisie. Omdat Nyman voortdurend onvruchtbare letters trekt en geen kans heeft tegen de met geluk grabbelende en foutloos opererende Smitheram. In het tweede spel leidt Nyman met 170 punten, maar hij wordt onvoorzichtig en geeft het zeker geachte gelijkspel weg. Nu heeft de godendoder nog maar één gewonnen spel nodig tot aan de Olympus. Ondertussen is de kampioen van de B-divisie al bekend. Hij heet Jack Mpakaboari en heeft het rechtstreeks in drie partijen beslist. Onverhoeds straalt Nigeria’s scrabblester met een gouden gloed in Lille! De hele delegatie valt de lange en mollige Mpakaboari in de armen en jubelt alsof ze nooit op iets anders uit waren dan de titel in de B-divisie. Om de overwinning te vieren vertrekken ze in feeststemming naar de Kentucky Fried Chicken. De stemmen van de luidkeels zingende mannen schallen door de zondagsrust in binnenstad.

    Nyman, met de rug naar de glaswand, begint de derde partij voorzichtig. Maar hij wordt door Smitheram vrij snel tot aanvallender spel gedwongen. Hij legt ‘dartled’ en gaat met 164 tegen 92 aan de leiding. Het zal de laatste keer zijn, want algauw volgt de gouden zet, die de godendoder Smitheram de eindzege oplevert: ‘Braconid’ – een parasitaire wespensoort in Zuid-Amerika. Perfect uitgespeeld met driemaal woordwaarde, maximaal vergoed met 178 punten. Van deze klap herstelt Nyman niet meer, en hij gaat vernederd ten onder met 351 tegen 628. Zijn smartelijke en toch milde glimlach in deze laatste, uitzichtloze minuten ontroert de toeschouwers. ‘Mark heeft er vrede mee,’ fluisteren de andere spelers.

    Een beetje op de achtergrond hangt financier Brannan op een plastic stoeltje. Als een uitgetelde zwaargewichtbokser, afwezig voor zich uit starend. ‘Bent u tevreden over de manifestatie, mister Brannan?’ ‘Wel, we hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is,’ krast hij hees. Hij is zichtbaar oververmoeid.

    Daar komt Asirvatham aangeruist: ‘Dave, een journalist van The New York Times wil je spreken.’ De zojuist nog uitgetelde Brannan springt overeind en staat in een seconde stevig op twee benen. Nadat Smitheram zijn bokaal overhandigd heeft gekregen en met het winnende bord van de laatste partij is gefotografeerd, vraagt het publiek hem of hij nu officieel beter is dan God (die al afgereisd is). Smitherams ogen lichten giftig op en hij antwoordt: ‘Ik zie hem hier niet op mijn plaats. Dus zonder enige twijfel: ja! Maar hij is van harte uitgenodigd om het tegendeel te bewijzen.’

    De scrabbleonderdanen weten zich geen raad van vreugde. Hun lang gekoesterde vrees slaat, onder vreugdekreten, om in heiligschennis.

  • ‘Een worm kan met recht intelligent worden genoemd’

    ‘Een worm kan met recht intelligent worden genoemd’

    Van regenworm tot octopus, ook de ‘lagere’ diersoorten beschikken over een zenuwstelsel, hebben een leervermogen en zoiets als een wil of een bewustzijn.

    Het laatste boek van Charles Darwin, verschenen in 1881, was een studie naar de nietige regenworm. Het hoofdthema – zoals al blijkt uit de titel, The Formation of Vegetable Mould through the Action of Worms – was het formidabele vermogen van wormen om in de loop van miljoenen jaren in grote aantallen de bodem om te ploegen en het aanzien van de aarde te veranderen. Maar de eerste hoofdstukken gaan simpelweg over de ‘gewoonten’ van de diertjes.

    Wormen kunnen licht en donker onderscheiden en blijven overdag meestal onder de grond, op veilige afstand van hun vijanden. Ze hebben geen oren en kunnen dus geen luchttrillingen horen, maar zijn des te gevoeliger voor trillingen van de bodem, zoals de voetstappen van naderende dieren. Al die prikkels, zo noteerde Darwin, worden overgebracht naar groepjes zenuwcellen (die hij de ‘hersenganglia’ noemde) in de kop van de worm.

    ‘Als er plotseling licht op een worm valt’, aldus Darwin, ‘schiet hij als een konijn zijn holletje in.’ Hij schreef dat hij aanvankelijk geneigd was ‘die handeling als een reflex te beschouwen’, maar later merkte dat het geen vast patroon was: als een worm bijvoorbeeld iets aan het doen was, vluchtte hij niet voor het plotselinge licht.

    Volgens Darwin duidde dat vermogen om verschillend te reageren op ‘de aanwezigheid van een soort wil’. Ook schreef hij over het ‘geestelijk vermogen’ van wormen die hun holletjes dichtstopten: ‘Als wormen in staat zijn om te beoordelen hoe ze een voorwerp dat ze naar de ingang van hun holletje hebben gesleept het beste naar binnen kunnen trekken, dan moeten ze zich enigszins hebben vergewist van de vorm.’ Om die reden vond hij dat wormen ‘met recht intelligent kunnen worden genoemd, want ze gedragen zich dan bijna net zo als een mens in een vergelijkbare situatie’.

    79718017

    De schoonheid van simpele zeebeestjes

    Als kind speelde ik met de regenwormen bij ons in de tuin (en later zou ik ze bij onderzoeksprojecten gebruiken), maar ik hield het meest van de kust, en dan vooral van getijdenpoelen, want we gingen met vakantie bijna altijd naar zee. Mijn jeugdig enthousiasme voor de schoonheid van simpele zeebeestjes kreeg een wetenschappelijker karakter dankzij een leraar biologie, die ons elk jaar meenam naar het Marine Station in Millport, in het zuidwesten van Schotland, waar we ons konden verdiepen in de immense verscheidenheid aan ongewervelde dieren langs de kust van Cumbrae. Die excursies naar Millport vond ik zo fantastisch dat ik van plan was om later zeebioloog te worden.

    Darwins werk over regenwormen was een van mijn lievelingsboeken, net als Jelly-Fish, Star-Fish, and Sea-Urchins: Being a Research on Primitive Nervous Systems van George John Romanes uit 1885, dat vol stond met eenvoudige, fascinerende experimenten en schitterende illustraties. Romanes, een jonge leerling en vriend van Darwin, zou zijn leven lang hartstochtelijk geïnteresseerd blijven in de kust en de dieren die daar voorkomen, en hij legde zich vooral toe op het onderzoek naar de gedragsmatige manifestaties van een ‘wil’ bij deze wezens.

    Ik genoot van Romanes’ persoonlijke stijl. (Hij schreef dat hij zijn proefnemingen naar de wil en het zenuwstelsel van de ongewervelde dieren met veel plezier uitvoerde in ‘een laboratorium op het strand … een mooi houten werkplaatsje waar de zeewind vrijelijk naar binnen woei’.) Maar het ging Romanes natuurlijk vooral om de zoektocht naar een verband tussen zenuwstelsel en gedrag. ‘Vergelijkende psychologie’ noemde hij zijn werk, naar analogie van de vergelijkende anatomie.

    Louis Agassiz had in 1850 al aangetoond dat de kwallensoort Bougainvillea een behoorlijk ontwikkeld zenuwstelsel had, en in 1883 bewees Romanes het bestaan van afzonderlijke zenuwcellen (ongeveer duizend in getal). Aan de hand van eenvoudige experimenten – het doorsnijden van bepaalde zenuwen, het maken van sneetjes in het lichaam of het bestuderen van losse weefselplakjes – stelde hij vast dat kwallen zowel gebruikmaakten van autonome, lokale mechanismen (aangestuurd door ‘zenuwnetten’) als van handelingen die centraal werden gecoördineerd vanuit het cirkelvormige ‘brein’ dat langs de randen van het lichaam liep.

    Romanes kon in 1883 zelfs afbeeldingen van losse zenuwcellen en groepjes zenuwcellen, oftewel ganglia, in zijn boek Mental Evolution in Animals opnemen. ‘In het gehele dierenrijk’, schreef Romanes, ‘is bij alle soorten die niet lager in de zoölogische rangorde staan dan de Hydroïdpoliepen onveranderlijk zenuwweefsel aanwezig. De laagste dieren waarbij dat tot dusver is waargenomen, zijn de Medusae, oftewel kwallen, en daarboven is het zoals gezegd onveranderlijk aanwezig. En overal waar het voorkomt, heeft het vrijwel dezelfde structuur, dus of we nu te maken hebben met het zenuwweefsel van een kwal, een oester, een insect, een vogel of een mens, we kunnen het makkelijk herkennen aan de bouwstenen die altijd min of meer hetzelfde zijn.’

    Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.
    Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.

    De vrije wil van de kwal

    Op het moment dat Romanes levende kwallen en zeesterren te lijf ging in zijn laboratorium aan zee, was de jonge Sigmund Freud, toen al een fervent darwiniaan, aan het werk in het lab van de Weense fysioloog Ernst von Brücke. Hij hield zich vooral bezig met het vergelijken van de zenuwcellen van gewervelde en ongewervelde dieren, met name die van een zeer primitieve gewervelde (Petromyzon, een lamprei) met die van een ongewervelde (een rivierkreeft). In die tijd was het heersende idee dat het zenuwstelsel van ongewervelden uit heel andere zenuwelementen bestond dan dat van gewervelden, maar Freud liet zien – met prachtige, gedetailleerde illustraties als bewijs – dat de zenuwcellen van de rivierkreeft amper verschilden van die van de lamprei – of van de mens.

    En hij was de eerste die echt begreep dat de zenuwcel en zijn vertakkingen – dendrieten en axonen – de elementaire bouwstenen en boodschappers van het zenuwstelsel vormden. Eric Kandel schrijft in zijn boek In Search of Memory: The Emergence of a New Science of Mind (2006) dat als Freud geen arts was geworden maar was doorgegaan met elementair onderzoek, hij nu misschien wel bekend zou staan als ‘een van de grondleggers van de zenuwceltheorie in plaats van als de vader van de psychoanalyse’.

    Hoewel zenuwcellen in vorm en omvang kunnen verschillen, zijn ze in wezen altijd hetzelfde, van de primitiefste tot de hoogst ontwikkelde levensvormen. Ze verschillen alleen in aantal en wijze van organisatie: wij hebben honderd miljard zenuwcellen, terwijl een kwal er maar duizend heeft. Maar hun functie als cellen die razendsnel achter elkaar signalen kunnen doorgeven is in wezen gelijk.

    De cruciale rol van de synapsen – de contactplaatsen tussen zenuwcellen waar de zenuwimpulsen kunnen worden gemoduleerd, waardoor een organisme flexibel wordt en zijn gedrag kan variëren – werd pas aan het eind van de negentiende eeuw helder beschreven door de grote Spaanse anatoom Santiago Ramón y Cajal, die het zenuwstelsel van allerlei gewervelde en ongewervelde dieren had onderzocht, en de Engelsman C.S. Sherrington (die de term ‘synaps’ bedacht en aantoonde dat synapsen een inhiberende of een exciterende functie kunnen hebben).

    Maar in de jaren tachtig van de negentiende eeuw bestond, ondanks het werk van Agassiz en Romanes, nog altijd het idee dat kwallen weinig meer waren dan willoos dobberende hoopjes tentakels die gewoon staken en opvraten wat er in hun buurt kwam, als een soort drijvende zonnedauw.

    In werkelijkheid zijn kwallen juist verre van willoos. Ze maken ritmische zwembewegingen door hun hele lichaam samen te trekken, en elk van die bewegingen wordt vanuit een centraal regelsysteem in gang gezet. Kwallen kunnen van richting en hoogte veranderen, en veel kwallensoorten kunnen ‘vissen’ door even ondersteboven te gaan liggen en hun tentakels als een net uit te spreiden, en dan terug te keren naar hun normale stand, met behulp van acht zwaartekrachtgevoelige evenwichtsorganen. (Worden die organen verwijderd, dan raakt de kwal gedesoriënteerd en heeft hij zijn positie in het water niet meer onder controle.) Als een kwal door een vis wordt gebeten of op een andere manier wordt bedreigd, gaat hij er snel vandoor door zijn lichaam een paar keer achter elkaar extra krachtig samen te trekken. Dan worden er speciale, extra grote (en daardoor extra snel reagerende) zenuwcellen geactiveerd.

    Een buitengewoon interessante – en onder duikers beruchte – soort is de dooskwal (Cubomedusae), een van de primitiefste dieren met volledig ontwikkelde ogen, die weinig verschillen van de onze. De bioloog Tim Flannery schreef vorig jaar in een artikel in The New York Review of Books: ‘Ze maken actief jacht op middelgrote vissen en schaaldieren en halen snelheden tot zeven meter per minuut. Ze zijn de enige kwallensoort met zulke geavanceerde ogen, compleet met netvliezen, hoornvliezen en lenzen. En ze hebben een brein dat in staat is om te leren, te onthouden en complexe handelingen aan te sturen.’

    Wij en alle andere hogere dieren zijn bilateraal symmetrisch, hebben een voorkant (een hoofd) met hersenen, en een voorkeur voor een bepaalde bewegingsrichting (naar voren). Het zenuwstelsel van een kwal is radiaal symmetrisch, net als het dier zelf, en al lijkt het misschien minder ontwikkeld dan het brein van een zoogdier, het kan beslist als een brein worden beschouwd, want het stuurt complexe, aangeleerde gedragingen aan en coördineert alle sensorische en motorische mechanismen van het dier. Of we van een ‘wil’ kunnen spreken (zoals Darwin doet bij regenwormen), hangt er maar van af wat je onder een ‘wil’ verstaat.

    Gouden kwallen - © Ethan Daniels/Getty Images
    Gouden kwallen – © Ethan Daniels/Getty Images

    Wat weet een plant?

    Onderscheid tussen planten en dieren maken we allemaal. We gaan ervan uit dat planten doorgaans op een vaste plek in de grond staan; ze spreiden hun groene bladeren uit naar de hemel en leven van zonlicht en aarde. We gaan ervan uit dat dieren daarentegen wel van hun plaats komen, om voedsel te zoeken of op jacht te gaan; ze vertonen daarbij allerlei soorten eenvoudig herkenbaar gedrag. Planten en dieren hebben zich in twee richtingen ontwikkeld die sterk van elkaar verschillen (en schimmels zijn weer een andere kant op gegaan), en ze hebben dan ook totaal verschillende verschijningsvormen en leefwijzen.

    En toch, beweerde Darwin stellig, hebben ze meer met elkaar gemeen dan je zou denken. Hij schreef een aantal botanische werken, met als hoogtepunt The Power of Movement in Plants (1880), vlak voor zijn boek over regenwormen. Hij was zo onder de indruk van het bewegingsvermogen van vleesetende planten, en vooral van hun vermogen om insecten waar te nemen en te vangen, dat hij niet eens helemaal een grap maakte toen hij de Drosera, oftewel zonnedauw, in een brief aan de botanicus Asa Gray niet alleen een schitterende plant noemde, maar ook ‘een zeer scherpzinnig dier’.

    Darwin werd in zijn opvatting gesterkt door de ontdekking dat vleesetende planten net als dieren bij hun bewegingen gebruikmaken van elektrische stroompjes – dat er behalve ‘dierenstroom’ ook ‘plantenstroom’ bestaat. Maar ‘plantenstroom’ beweegt maar heel langzaam, ongeveer een centimeter per seconde, zoals je kunt zien aan de blaadjes van het kruidje-roer-mij-niet (Mimosa pudica), die zich bij aanraking een voor een sluiten. ‘Dierenstroom’, die via zenuwen loopt, gaat ongeveer duizend keer zo snel.

    De uitwisseling van signalen tussen cellen verloopt via elektrochemische veranderingen: elektrisch geladen atomen (ionen) stromen de cellen in en uit via speciale, zeer selectieve moleculaire poriën of ‘kanalen’. Deze ionenstromen veroorzaken elektrische stroompjes, impulsen – actiepotentialen – die (direct of indirect) van de ene cel naar de andere worden overgedragen, zowel bij planten als bij dieren.

    Bij planten gaat dat vooral via calciumionkanalen, die prima passen bij hun trage leven. Zoals Daniel Chamovitz schrijft in zijn boek What a Plant Knows (2012), zijn planten in staat om wat wij beelden, geluiden en tactiele signalen zouden noemen te registeren. Planten weten wat ze moeten doen en hebben een ‘geheugen’. Maar bij gebrek aan zenuwcellen leren planten niet op dezelfde manier als dieren. In plaats daarvan maken ze gebruik van een heel arsenaal aan chemische stoffen en instrumenten – devices, om Darwins term te gebruiken. De blauwdrukken daarvoor moeten allemaal in het genoom van de plant zijn vastgelegd, en het genoom van planten is inderdaad vaak groter dan dat van de mens.

    Met de calciumkanalen waarop planten zijn aangewezen, kunnen cellen niet snel achter elkaar signalen aan elkaar doorgeven. Als bij een plant een actiepotentiaal wordt opgewekt, kan dat niet vlug genoeg worden herhaald om bijvoorbeeld de vaart te creëren waarmee een worm ‘zijn holletje in schiet’. Voor snelheid zijn ionen en ionkanalen nodig die in milliseconden open en dicht kunnen gaan, waardoor er binnen een seconde honderden actiepotentialen kunnen worden gegenereerd. Dat kunstje kon wel worden geklaard met natrium- en kaliumionen, waarmee de ontwikkeling van snel reagerende spiercellen, zenuwcellen en neuromodulatie in de synapsen mogelijk werd. Zo konden organismen ontstaan die in staat waren om te leren, ervaringen te benutten, te oordelen, te handelen en uiteindelijk ook te denken.

    Deze nieuwe levensvorm – dierlijk leven – dat zo’n 600 miljoen jaar geleden zijn intrede deed, kende enorme voordelen, waardoor populaties in rap tempo konden transformeren. Tijdens de zogeheten Cambrische explosie (die met merkwaardige precisie is gedateerd op 542 miljoen jaar geleden) verschenen er minstens twaalf nieuwe dierstammen, met sterk uiteenlopende bouwplannen, in nog geen miljoen jaar tijd – geologisch gezien een oogwenk. De ooit zo stille zeeën veranderden in het Cambrium in een jungle vol jagers en prooien, die zich voortaan vrijelijk konden verplaatsen. En hoewel sommige dieren (zoals sponzen) hun zenuwcellen kwijtraakten en terugvielen tot een vegetatief bestaan, kregen andere, vooral roofdieren, steeds hoger ontwikkelde organen, geheugens en verstandelijke vermogens.

    Zee-egels en een zeester in de zee bij Alaska - © Joel Sartore/National Geographic
    Zee-egels en een zeester in de zee bij Alaska – © Joel Sartore/National Geographic

    Een hypergevoelige Amoeba

    Het is een fascinerend idee dat Darwin, Romanes en andere biologen uit die tijd zochten naar een ‘wil’, naar ‘geestelijke processen’, ‘intelligentie’ en zelfs ‘bewustzijn’ bij primitieve dieren als kwallen en zelfs protozoa. Luttele decennia later zou de wetenschap worden gedomineerd door het radicaal behaviorisme, en zou het bestaan van alles wat niet objectief aantoonbaar was eenvoudig worden ontkend. Dat gold zeker voor innerlijke processen tussen prikkel en reactie, die als irrelevant werden beschouwd, of op zijn minst werden geacht buiten het bereik van wetenschappelijk onderzoek te liggen.

    Die beperking maakte het onderzoek naar prikkel en reactie – met of zonder ‘conditionering’ – een stuk eenvoudiger, en Pavlovs beroemde experimenten met honden betekenden een formele erkenning – als ‘sensitisering’ en ‘habituatie’ – van wat Darwin bij zijn wormen had waargenomen.

    Zoals Konrad Lorenz schreef in The Foundations of Ethology: ‘Een regenworm [die] net bijna is verschalkt door een merel … reageert daar wijselijk op door de drempel voor soortgelijke prikkels drastisch te verlagen, want de vogel zal waarschijnlijk nog niet meteen gevlogen zijn.’ Dat verlagen van de drempel, oftewel sensitisering, is een primitieve vorm van leren, zij het een niet-associatieve vorm met een kortstondig effect. Omgekeerd doet zich een afzwakking voor van de reactie, oftewel habituatie, bij een prikkel die herhaaldelijk zonder gevolgen blijft – en dus veilig kan worden genegeerd.

    Slechts een paar jaar na Darwins dood werd aangetoond dat zelfs eencellige organismen als protozoa een scala aan aangeleerde reacties konden vertonen. Zo bewees Herbert Spencer Jennings dat het eencellige trompetdiertje (Stentor) op minstens vijf manieren op aanraking kan reageren en pas een ander heenkomen zoekt als die allemaal niet afdoende blijken. Wordt het daar dan ook weer aangeraakt, dan slaat het diertje de tussenstappen over en verkast het meteen naar een ander plekje. Het is gesensitiseerd geraakt voor onaangename prikkels, of, eenvoudiger gezegd, het ‘herinnert’ zich de nare ervaring en heeft daarvan geleerd (al onthoudt het dat maar een paar minuten). Wordt het trompetdiertje daarentegen een paar keer heel zachtjes aangeraakt, dan reageert het daar algauw niet meer op – er is habituatie opgetreden.

    Jennings beschreef zijn onderzoek naar sensitisering en habituatie bij organismen als Paramecium en Stentor in zijn boek Behavior of the Lower Organisms uit 1906. Hoewel hij zich bij de beschrijving van het gedrag van de protozoa zorgvuldig van subjectief, mentalistisch taalgebruik onthield, wijdde hij aan het eind van het boek een hoogst opmerkelijk hoofdstuk aan het verband tussen waarneembaar gedrag en ‘wil’.

    Hij meende dat wij mensen de protozoa geen wil of aanverwante eigenschappen toekennen omdat ze zo klein zijn: ‘De schrijver is er na langdurige bestudering van het gedrag van dit organisme ten diepste van overtuigd geraakt dat als de Amoeba een groot dier was geweest dat de mens in zijn dagelijks leven zou opvallen, dat gedrag zonder aarzeling zou worden toegeschreven aan toestanden van genot of pijn, van honger, begeerte en dergelijke, op precies dezelfde gronden als we die zaken toekennen aan de hond.’

    Jennings beeld van een hypergevoelige Amoeba ter grootte van een hond vormt een haast karikaturaal contrast met het idee van Descartes dat honden zo weinig gevoel hebben dat ze probleemloos voor vivisectie kunnen worden gebruikt, en dat hun gejammer slechts een ‘reflexmatige’ reactie is van quasimechanische aard.

    Sensitisering en habituatie zijn van levensbelang voor het voortbestaan van alle organismen. Deze primitieve vormen van leren hebben bij protozoa en planten maar even effect, hooguit een paar minuten. Voor een langduriger effect is een zenuwstelsel nodig.

    In de hoogtijdagen van het behaviorisme was er nauwelijks aandacht voor de cellulaire basis van gedrag – de precieze rol van zenuwcellen en hun synapsen. Onderzoek bij zoogdieren, bijvoorbeeld naar het hippocampale of geheugensysteem van de rat, stuitte op bijna onoverkomelijke technische problemen, vanwege de geringe omvang en extreme dichtheid van zenuwcellen (en als de elektrische activiteit in een cel al kon worden geregistreerd, dan was ook nog eens een hele toer om de cel al die tijd dat zo’n experiment duurde levend en volledig functionerend te houden).

    Vanwege dit soort problemen richtte Ramón y Cajal – de eerste en grootste microanatoom van het zenuwstelsel – zich begin vorige eeuw bij zijn anatomisch onderzoek op de meest eenvoudige stelsels: die van jonge of nog ongeboren dieren en van ongewervelden (zoals insecten, schaaldieren en inktvissen). En om vergelijkbare redenen zocht Eric Kandel in de jaren zestig voor zijn onderzoek naar de cellulaire basis van leerprocessen en geheugen een dier met een eenvoudig en makkelijk toegankelijk zenuwstelsel. Hij koos de zeehaas of Aplysia, een reusachtige naaktslak met ongeveer twintigduizend zenuwcellen, verdeeld over een tiental ganglia met elk rond de tweeduizend zenuwcellen. Die zenuwcellen zijn ook nog eens heel groot – sommige zijn zelfs met het blote oog zichtbaar – en met elkaar verbonden in vaste anatomische circuits.

    Van het idee dat de zeehaas een te lage levensvorm zou zijn om als studieobject voor geheugenonderzoek te dienen, zoals sommige collega’s meenden, trok Kandel zich niets aan – net zomin als Darwin zich van zulke overwegingen iets aantrok toen hij over het ‘geestelijk vermogen’ van de regenworm schreef. ‘Ik begon te denken als een bioloog’, schrijft Kandel over zijn keuze voor de zeehaas. ‘Ik begreep dat alle dieren een vorm van geestelijk leven hebben die in overeenstemming is met de bouw van hun zenuwstelsel.’

    Zoals Darwin had gekeken naar de vluchtreflex van de regenworm en hoe die onder verschillende omstandigheden afzwakte of heftiger werd, zo keek Kandel naar een beschermingsreflex bij de zeehaas – het intrekken van zijn uitwendige kieuwen – en de modulatie van die reactie. Door bestudering (en soms stimulering) van de zenuwcellen en synapsen in het abdominale ganglion van waaruit deze reacties worden geregeld, wist hij aan te tonen dat bij leren en kortstondig onthouden – zoals gebeurt bij habituatie en sensitisering – zich functionele veranderingen in de synapsen voordoen, maar dat bij de vorming van langdurigere herinneringen, die enkele maanden kunnen aanhouden, structurele veranderingen in de synapsen optreden. (In geen van beide gevallen was sprake van een verandering in de circuits zelf.)

    Toen zich in de jaren zeventig nieuwe technologieën en inzichten aandienden, konden Kandel en zijn collega’s dit elektrofysiologische onderzoek naar leerprocessen en het geheugen aanvullen met chemisch onderzoek. ‘We wilden de moleculaire biologie van een mentaal proces doorgronden, achterhalen welke moleculen precies verantwoordelijk zijn voor het kortetermijngeheugen.’ Dat werden vooral onderzoeken naar de ionkanalen en neurotransmitters die betrokken zijn bij synaptische functies – indrukwekkend werk waarvoor Kandel de Nobelprijs kreeg.

    Terwijl de zeehaas maar twintigduizend zenuwcellen bezit, verspreid over ganglia in zijn hele lichaam, kan een insect er wel een miljoen hebben, geconcentreerd in één brein, dat ondanks zijn geringe omvang in staat is tot buitengewone cognitieve prestaties. Zo zijn bijen meesters in het herkennen van verschillende kleuren, geuren en geometrische vormen die ze in het laboratorium krijgen voorgeschoteld, ook als die systematisch worden veranderd. En natuurlijk doen ze dat net zo knap in het wild of bij ons in de tuin, waar ze niet alleen de geuren, kleuren en patronen van bloemen herkennen, maar ook hun locatie kunnen onthouden en aan elkaar doorgeven.

    Het is zelfs aangetoond dat papierwespen, heel sociale beestjes, elkaars gezicht kunnen herkennen. Voordien was alleen van zoogdieren bekend dat ze in staat waren tot gezichtsherkenning. Het is fascinerend dat ook insecten die specifieke cognitieve vaardigheid kunnen bezitten.

    We beschouwen insecten vaak als automaatjes, als robotjes waarbij alles is ingebouwd en voorgeprogrammeerd. Maar het wordt steeds duidelijker dat insecten dingen kunnen leren, onthouden, denken en communiceren, op de prachtigste en meest onvermoede manieren. Dat vermogen is ongetwijfeld voor een groot deel ingebouwd, maar daarnaast lijken ook individuele ervaringen een rol te spelen.

    Hoe het ook zij bij insecten, bij de genieën onder de ongewervelden, de inktvisachtigen – te weten de octopus, de zeekat en de pijlinktvis – is het weer een heel ander verhaal. Zij hebben om te beginnen een veel groter zenuwstelsel: een octopus kan wel een half miljard zenuwcellen hebben, verspreid over zijn brein en zijn ‘armen’ (ter vergelijking: een muis heeft er maar 75 tot 100 miljoen). Het octopusbrein zit heel bijzonder in elkaar, met tientallen kwabben die verschillende functies vervullen, en leerprocessen en geheugensystemen die vergelijkbaar zijn met die van zoogdieren.

    Inktvissen laten zich niet alleen heel makkelijk trainen in het onderscheiden van vormen en voorwerpen, maar kunnen ook leren door te observeren, een vermogen waar verder alleen zoogdieren en sommige vogels over beschikken. Ze hebben razend knappe camouflagetechnieken, en kunnen complexe emoties en bedoelingen uitdrukken door de kleur, de tekening en de textuur van hun huid te veranderen.

    Darwin heeft in The Voyage of the Beagle beschreven hoe een octopus in een getijdenpoel op hem leek te reageren: het dier was afwisselend waakzaam, nieuwsgierig en zelfs speels. Octopussen laten zich tot op zekere hoogte domesticeren, en hun baasjes voelen vaak een geestelijke en emotionele band met ze. Of er sprake is van bewustzijn is geen uitgemaakte zaak. Maar wie vindt dat een hond duidelijk een eigen bewustzijn heeft, kan dat ook de octopus niet ontzeggen.

    De natuur hanteert op zijn minst twee heel verschillende manieren om een brein te vormen – sterker nog, er bestaan bijna evenveel manieren als er stammen zijn in het dierenrijk. En in al die breinen zetelt, in mindere of meerdere mate, een wil – hoe diep de biologische kloof tussen de stammen onderling, en tussen hen en ons, ook mag zijn.

    Auteur: Oliver Sacks
    Vertaler: Cecilia Tabak

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten, maandblad, oplage 119.000
    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.