Tag: inuit

  • Canada geeft Nunavut beheer over eigen grondgebied

    Canada geeft Nunavut beheer over eigen grondgebied

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Indiaas bedrijf werkt aan eerste bioscoopfilm die compleet door AI gegenereerd is

    » VK: Hogerhuis wijst oproep van Sunak om Rwanda-plan te versnellen af

    ‘In het verleden werden er veel beslissingen over ons genomen zonder ons’ 

    De Canadese overheid heeft donderdag aan het noordelijke territorium Nunavut de verantwoordelijkheid overgedragen voor het beheer van het land en de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. Dat schrijft Toronto Star. Dit is de grootste landoverdracht in de Canadese geschiedenis. Nunavut omspant een gebied van bijna twee miljoen vierkante kilometer, waar de meeste bewoners Inuit zijn.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Deze zogeheten ‘devolutie’-overeenkomst betekent dat de macht om de uiteindelijke beslissingen te nemen over het gebied nu aan de territoriale overheid toebehoort. ‘Het betekent dat wij, de mensen die het meest geïnvesteerd hebben in het gebied, degenen zullen zijn die de natuurlijke bronnen beheren,’ zei P.J. Akeeagok, de premier van Nunavut. ‘In het verleden werden er beslissingen over ons genomen zonder ons. Met de ondertekening van deze historische overeenkomst kunnen we die besluitvorming weer naar huis halen.’

    De devolutie-overeenkomst is de laatste stap in een proces dat officieel in 2008 begon met het onderhandelingsprotocol over de decentralisatie van de grond en hulpbronnen. De discussies over de overdracht zijn echter al bezig sinds de oprichting van het territorium in 1999 onder de Nunavut Act.

  • De 27e keer dat Toby Obed stierf

    De 27e keer dat Toby Obed stierf

    Over de misstanden in Canadese internaten voor Inuït-kinderen is de laatste jaren steeds meer bekend. Er werden verschillende massagraven gevonden. Toby Obed is een van de overlevenden. Een voorpublicatie uit het verhaal over zijn leven (en vele doden).

    Over de auteur

    In de reportages van de Poolse Joanna Gierak-Onoszko (1980) staan vaak mensenrechten en maatschappelijke kwesties centraal. Ze publiceert regelmatig in weekblad Polityka, dagblad Gazeta Wyborcza, het literaire non-fictietijdschrift Pismo en het reportageblad Non/fiction. Ze woonde een aantal jaar in Canada en schreef daar haar literaire debuut Het 27 keer sterven van Toby Obed (Dowody na Istnienie, 2019) over hoe werd omgegaan met de kinderen van de inheemse Canadese bevolking. Geschat wordt dat ongeveer 150.000 kinderen het slachtoffer zijn geworden van lichamelijk en psychisch geweld en seksueel misbruik.

    Het boek belandde in 2020 op de shortlist van de prestigieuze Nike-prijs en won de publieksprijs.

    Als Toby Obed eindelijk wakker wordt, is het al lente.

    Hij ligt op zijn rug in ongesteven beddengoed en herkent het plafond en de muren om hem heen niet. Net was hij nog in een kalme kunstmatige slaap, maar nu zijn zijn neuronen witheet en proberen alle informatie tegelijk te verwerken.

    Waar ben ik? Waarom doet het pijn? Zal het eindelijk overgaan?

    Toby kijkt om zich heen, zoekt naar het uitzicht uit het raam, een aanknopingspunt. Maar zijn blik dwaalt steeds af naar het midden van het bed. Dat is de plek waar zijn armen en benen zich zouden moeten bevinden, maar de deken waarmee Toby is toegedekt ligt vlak.

    Toby denkt dat hij hallucineert – dat gebeurt soms als je flink gedronken hebt. Hij wil in zijn ogen wrijven en heft zijn armen.

    Maar onder zijn linker elleboog is niets meer.

    Hij kijkt naar rechts. Wat er van zijn andere hand over is, zit in dik verband.

    ‘Wacht eens even! Waar zijn mijn benen? Wat hebben jullie verdomme met mijn armen gedaan?!’

    Een vrouw in een wit schort buigt zich over het bed.

    ‘Wat ben ik blij dat je wakker bent! We wisten niet of dat nog zou gebeuren. Toby, we zijn in het ziekenhuis in St. John’s, in de hoofdstad van Newfoundland en Labrador. Het is al maart. Je bent net tweeëntwintig geworden. En ik kan je zeggen dat je echt iets te vieren hebt.’

    Maar Toby is het oneens met dat het al maart is en ook met zijn nieuwe ingekorte lichaam. Hij kan zich niet herinneren dat iemand die veranderingen met hem heeft besproken.

    Het laatste dat hij zich herinnert is een feest in Happy Valley-Goose Bay, ruim zestienhonderd kilometer ten noorden van het bed dat van nu af aan altijd veel te lang zal lijken.

     * * * 

    Goose, zoals het stadje in de volksmond heet, ligt op het schiereiland Labrador – het deel van Canada dat in het oosten aan de Atlantische Oceaan en in het noorden aan het Noordpoolgebied grenst. Er wonen iets meer dan achtduizend mensen. Goose is het resultaat van het samenvoegen van twee plaatsen: Happy Valley en Goose Bay, maar de idyllische naam van het stadje is misleidend. Want de aanleiding van zijn bestaan is oorlog.

    In de jaren veertig stond in de kranten dat er in de Labradorzee torens van Duitse U-boten waren gezien. Nu de VS aan de oorlog deelnam was het duidelijk dat er in deze regio zo snel mogelijk een sterke militaire basis moest komen voor de verdediging van het continent. Voor de bouw werden mannen uit dorpen in heel Labrador naar Goose gehaald. Ze werkten in verschillende ploegendiensten. De bevoorrading had berekend dat ze vier- tot vijfduizend pakjes sigaretten per dag nodig hadden.

    De arbeiders kregen een fractie van het loon dat de mensen die in de binnenlanden werkten verdienden, maar ze morden niet. Ze klaagden maar over één ding: voor hun vertrek naar de bouw hadden ze hun huizen moeten afsluiten. En dat betekende dat ze voor vertrek hun honden hadden moeten afmaken.

    In 1943 beschouwde men Goose als het grootste vliegveld ter wereld. Na de oorlog bleef het een belangrijk knooppunt van de lucht-, asfalt- en zeewegen van Labrador. In vredestijd hielden NAVO-eenheden hier oefeningen en de door het leger beheerde terreinen zouden moeten dienen als reservelandingsplaats voor ruimtevaartuigen van de NASA.

    Maar Goose bleef voor altijd een reservestad. De oorlog ging eraan voorbij, er landde geen ruimteveer en in 2010 vertrokken de eenheden van de NAVO van de basis. Nu kom je hier voor satelliettelefoons – die zijn gratis te leen als je de omgeving gaat verkennen, wat het werk van de politie en de reddingsteams moet vereenvoudigen als een toerist verdwaalt. Tijdens lange tochten door Labrador kun je onderweg in Goose kariboeworstjes of gepaneerde kabeljauwtongetjes eten. Vroeger was het armeluisvoedsel, maar nu is het een chic hapje van 13 dollar per portie.

    Dat is nu Labrador, het Grote Land. Hier hoor je de Aarde bewegen, zeggen ze.

    Maar het stadje met de naam Happy Valley-Goose Bay bracht Toby Obed geen geluk. Hier stierf Toby voor de zesentwintigste keer.

    Dat was vlak voor hij tweeëntwintig werd, achttien jaar na zijn eerste dood.

    * * * 

    Als je in een piepkleine nederzetting van walvisjagers in het afgelegen Labrador woont, is een uitstapje naar Goose een hele afwisseling. Toby ging er zijn neef opzoeken. Ze hadden elkaar lang niet gezien en trokken een fles open. Toen kwam er een vriend: ‘Hoe is het? Laten we drinken.’

    Ze dronken.

    De rest zal door de verpleegster worden verteld.

    ‘De politie heeft je pas de volgende dag in de sneeuw gevonden. Ze waren ervan overtuigd dat je dood was.’

    Toby kwam in het Miller Center terecht, een ziekenhuis voor oorlogsveteranen waar chirurgen, fysiotherapeuten, psychologen en prothesemakers verminkten terugslepen naar het leven. De artsen hielden Toby twee maanden lang in een kunstmatig coma om hem zo uit zijn diepe hypothermie te krijgen.

    ‘Dat is gelukt, maar we hebben je moeten amputeren’, zegt de verpleegster aan zijn bed.

    ‘Mens, ik weet niet waar je het over hebt. Geef me mijn benen terug! Geef me onmiddellijk mijn arm terug!’

    ‘Je bent een gelukskind, Toby. Ik leef erg met je mee.’

    * * * 

    Sinds die nacht is er een kwarteeuw verstreken. In het voorjaar van 2018 is Toby Obed zevenenveertig, en zijn vijfhonderd Inuit uit het Dal van de Hoop zijn spiegel.

    Voordat de Europeanen hier arriveerden (onder wie de Portugese ontdekkingsreiziger João Fernandes Lavrador) woonden er op dit grondgebied inheemse gemeenschappen, zoals de Inuit en de Innu. Beide groepen noemden elkaar eskimo’s, wat rauwvleeseters betekent. Dat begrip werd overgenomen door witte antropologen en archeologen voor wie de Eskimo’s een algemene, brede benaming voor de mensen van het Noorden was: van Labrador, het Canadese Poolgebied en Alaska tot aan Kamtsjatka.

    In sommige Europese landen wordt het woord nog altijd gebruikt. In Canada daarentegen hoor je dat niet meer te zeggen, omdat het opgedrongen, discriminerend en beledigend is. De inwoners van de noordelijke provincies worden nu genoemd zoals ze zelf willen. In hun taal, ofwel het Inuktitut, betekent inuk mens, en inuit gemeenschap.

    En zo ziet Toby Obed hen en zichzelf: niet als museumstukken, maar als mensen. Hij zoekt hun gezelschap op, want ze zijn voor hem tegelijk een spiegel en identiteitsbewijs, belangrijker dan zijn Canadese paspoort.

    ‘Ik vind het fijn als een buurman terloops opmerkt dat ik net zo’n gezicht trek als mijn moeder. Of dat ik net zo loop als mijn vader, dat we van een afstand niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dan ben ik zo gelukkig! Want dat betekent dat zij hebben bestaan – en dat ik een overblijfsel van hen ben.’

    Als Toby zijn moeder wil zien, raakt hij met zijn rechterhand zijn wang aan. Een gladde, strakke huid, zonder poriën, zonder ook maar een rimpel. Hoge, prominente jukbeenderen. Daarboven diepgelegen smalle ogen, verscholen onder dikke zwarte wenkbrauwen. Toby’s haar is als peper en zout. Zwart en helder wit, niets ertussenin. Dik en stug, tot aan zijn kleine driehoekige kin.

    Had zijn moeder zulk draadachtig haar? Zulke kleine ogen, zo zwart dat je maar moeilijk de pupil van de iris kunt onderscheiden?

    Dat weet Toby niet.

    ‘Ik heb geen enkele foto. Ik herinner me niet hoe ze eruitzag. Ik weet dus niet waar ik vandaan kom, en waarom.’

    * * * 

    De naam Tobijah betekent in het Hebreeuws ‘Jahweh is goed’. Een woord van troost voor iemand die alles heeft verloren en geen hoop meer heeft. Volgens het Oude Testament wordt Tobias blind, en gemarteld smeekt hij God te mogen sterven. Maar God heeft andere plannen met hem. De Schrift leert dat het grote lijden van Tobias geen straf voor hem is, maar een welgemeende beproeving. De liefhebbende God zendt eerst kwellingen, maar voorziet op zijn tijd een beloning voor gehoorzaamheid en loyaliteit. Het is een didactisch verhaal – de dreunen van het lot moet je opvatten als tekenen van de barmhartige God.

    Die profetische naam kreeg Toby van zijn moeder.

    Ze had vijf kinderen. Kinderen die moeite hadden om het thuis uit te houden. Hun ouders besteedden niet al te veel aandacht aan hen. Ze dronken. Emily en Sonny, ofwel Zoontje, waren een jaar of tien ouder dan de rest. Zij zorgden voor de kleintjes: Sara, Elias en Tobias.

    Hoe kwamen ze in zo’n afgelegen nederzetting voor walvisjacht aan zulke namen?

    Vroeger heette die plek Arvertok, wat in de taal van de Inuit de Walvissenplek betekent. Er werd op walvissen gejaagd in de wintermaanden – de Inuit woonden dan in diep in de rauwe, ongastvrije grond verborgen huizen die maar deels boven het oppervlak uitstaken. Ze zochten daar beschutting tegen de snijdende wind, en in de lente, als het zeehonden- en walvissenseizoen was afgelopen, trokken ze dieper het land in. Ze namen tenten van zeehondenhuid mee en gingen jagen op vleesrijke kariboes. Ze raapten de karige vruchten die de toendra mondjesmaat verschafte en bereidden zich voor op het doorstaan van de volgende winter.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten

    Dat ritme werd verstoord door de bewoners van het Oude Continent, Duitse mennonieten uit Moravië, missionarissen met een protestantse arbeidsethiek. Ze waren hier gebracht door de imperatief hun rijkdom te vergroten en de kerkelijke schola te vullen. Ze begrepen de mensen die ongehaast de cyclus van de natuur volgden niet. Ze verlangden er vurig naar om in naam van de handel onder zware omstandigheden te zwoegen: in Europa was grote vraag naar echte, warme bontjassen. Daarmee werd een fortuin verdiend, dat nu in Canada ‘oud geld’ wordt genoemd. De Moravische kolonisten waren verrukt over de ondiepe wateren vol zeehonden en de dichte bossen vol vossen. In 1782 doopten ze de Walvissenplek om in het Duitse Hoffenthal, het Dal van de Hoop.

    Ze brachten hetzelfde mee als de meeste anderen die van zichzelf zeiden dat ze nieuwe landen ontdekten: het woord Gods, gereedschap, wapens, groente en ziektes.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten. Labrador is ze tot op de dag van vandaag niet te boven gekomen.

    De mennonieten veroverden de gebieden met de hoorn en de trombone. Ze geloofden dat met Haydn en Bach als bondgenoten de Inuit verrukt zouden raken over de barokmissen en ze hun ziel zouden openstellen voor een hun onbekende God. Tot op de dag van vandaag kun je in het kleinste gehucht een blaasorkest vinden dat in de woestenij van de Canadese toendra Bachcantaten speelt.

    De missionarissen deelden graag hun bladmuziek, maar ze zeiden dat het hun God niet beviel hoe er in de huishoudens met elkaar geslapen werd: zonder sacrament, met meerderen tegelijk, in het bijzijn van de kinderen. Volgens de lokale traditie was een levenspartner precies zoals het klinkt: een compagnon, iemand met wie het leven draaglijker was of überhaupt mogelijk. Het gezin was een onderneming om te overleven, maar de mensen wilden naar bed met degenen die ze aantrekkelijk vonden, niet per se met de mensen met wie ze samenwerkten om te overleven. Soms woonden er meerdere gezinnen onder één dak en waren genegenheid en seks binnen handbereik.

    De missionarissen uit Moravië waren gekomen om hun mee te delen dat ze in zonde leefden en God beledigden, die zijn volk in de hitte door de woestijn had geleid. De bewoners van deze gebieden begrepen niet wat een zonde was en hadden nog nooit een woestijn gezien.

    De Duitse kolonisten zijn er nu niet meer – ze hebben de oorlog met het handelsimperium Hudson’s Bay Company (HBC) om de vachten verloren en hebben het Grote Land verlaten. Van hen zijn grafstenen, resten van de houten gebouwen van de mennonitische missie en de gewoonte om Inuitkinderen Bijbelse namen te geven achtergebleven. Na verloop van tijd, toen de Britse monarchie dit deel van de wereld in haar macht kreeg, werd de naam veranderd – van Hoffenthal in Hopedale.

    Er is hier niet veel meer veranderd dan dat.

    * * *

    In 1975 stond er opeens een politieagent in een rood uniform op de drempel en zei: ‘Kinderen, jeugdzorg is geweest, we moeten jullie meenemen.’

    Toby’s ouders waren verrast, want ze kwamen onaangekondigd. Geen gelegenheid om in te pakken, geen gelegenheid om afscheid te nemen.

    ‘We gingen zoals we er toen bij liepen. Later hoorden we dat ouders dergelijke situaties eigenlijk geen keuze hadden. Op het niet meegeven van de kinderen stonden straffen, waaronder hechtenis en het intrekken van de uitkering, waarvan de meeste gezinnen in de omgeving leefden. Of we ons verzetten? Dat weet ik niet meer. Of we huilden? We huilden allemaal. Emily was dertien, Sonny vijftien, en ik pas vier. Toen, in 1975, in de deuropening bij de laarzen van de agent van de bereden politie, stierf ik voor het eerst.

    We stapten in een klein vliegtuig dat op water kon landen. We vlogen een kilometer of tweehonderd naar het zuiden, naar North West River. Eerst brachten ze ons naar het ziekenhuis. Daar werd nagekeken of alles met ons in orde was. Routineonderzoek: of er geen actieve infecties waren, parasieten, ondervoeding. En of niemand ons kwaad had gedaan.

    Natuurlijk werden we gescheiden, mijn broers en zussen waren van een andere leeftijdscategorie. Ik begreep het niet. ’s Ochtends had ik nog familie, en nu was ik ineens alleen, terwijl ik pas vier jaar oud was. Alles wat ik weet van het leven, heb ik daar geleerd, in het internaat, in het juniorenhuis in North West River. Dat waren verplichte lessen die ik niet wilde. Rekenen en grammatica deden er nog het minste toe, je moest vooral snel door zien te krijgen wie je vriend was en wie je beter kon mijden. Waar je heen moest en hoe, en achter welke deur je nooit mocht komen. Wat je mocht zeggen en waar je jarenlang over moest zwijgen. Ik was een kleuter toen ik begreep dat ik, net zoals ik onbewust en automatisch ademhaalde, onophoudelijk en instinctmatig in de gaten moest houden of ik veilig was. Ik controleerde constant of ik niet in gevaar was. In zulke omstandigheden loeit er constant een alarm in je hoofd.’

    Toby Obed, een Canadees uit Labrador, zegt niet over zichzelf dat hij de Yale-school heeft afgerond die in North West River door de liefdadigheidsorganisatie Grenfell werd geleid.

    Hij zegt: ‘Ik ben een overlever. Ik heb het overleefd, ik ben in leven gebleven.’

    * * *

    Toby vertelt over school alsof er een veer is losgesprongen, alsof er een la met mappen vol politiedocumentatie is opengeschoten. Hij praat en praat, kalm, systematisch, alsof hij verslag uitbrengt van iets wat een ander is overkomen. Hij gaat bijna twee uur lang door.

    In Toby Obeds vroegschoolse herinneringen komen niet veel kaligrafie-oefeningen, lessen over scheepsbouw of zelfs het verplichte corvee in de koeienstal voor.

    De volgende sleutelwoorden komen wel steeds terug:

    zwiep, klets, pats (zo klapte de zweep); 

    taal, accent, slaag (voor het spreken van Inuktitut kreeg je ervan langs); 

    cel, duisternis, honger (een triade die elk kind zonder uitzondering verlamt).

    Ik hoor van Toby dat in je broek plassen van angst helemaal geen beeldspraak is.

    In zijn herinneringen komt een persoon in het bijzonder naar voren: een lerares, Miss Devil, Juffrouw Duivel.

    ‘Ze liet ons toekijken’, zegt Toby. ‘Ik wilde niet kijken, maar geen kind mocht zijn gezicht afwenden.’

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert’

    Toby vat zijn schooltijd als volgt samen: ‘De volwassenen van buiten wisten het. Ze deden er niets aan.’

    Wat er binnen de houten wanden van Grenfell gebeurde was een verschrikking, maar werd mettertijd de norm. Maar je kon er echter niet aan wennen dat er niemand in de buurt was aan wie je erover zou kunnen vertellen. En die je niet zozeer om redding, om ingrijpen kon vragen, want daar hoopten de kinderen al niet meer op, maar om wat troost.

    Toby wachtte op mededogen, dat jarenlang niet kwam. Ook had hij niet het gevoel iemand dierbaar te zijn.

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert.’

    Toen dachten de kinderen dat er van de door de liefdadigheidsorganisatie gerunde school geen bevrijding mogelijk was. Maar een zomer was het geld op en werd de instelling gesloten. Dat was in 1979 of 1980, de bronnen stemmen niet overeen.

    Er zijn in Canada geen kindertehuizen. De oplossing waren pleeggezinnen, waar de kinderen rechtstreeks van de kostschool heen werden gestuurd. Uiteraard zonder rekening te houden met familiebanden.

    De kinderen Obed maakten geen kans om samen te blijven. Wie wilde er nu voor een paar gebroken Inuit-kinderen zorgen? 

    Ze werden opnieuw gescheiden, deze keer voor jaren. De kinderen verloren elkaar volledig uit het oog. Die vakantie raakten ze echt alles kwijt, werden de laatste lijntjes verbroken. Toby zag zijn zus Sara pas zevendertig jaar later terug.

    ‘Ze maakten ons gezin helemaal kapot’, zegt Toby. ‘Ik was acht toen mijn leven opnieuw ten einde kwam.’

    Dat was tijdens de Koude Oorlog. In de Canadese bossen werden legereenheden ondergebracht, Goose Bay werd uitgebreid, er werden militairen gestationeerd. Velen van hen hadden al een vrouw, maar nog geen kinderen. Ze konden zorgen voor de beschermelingen van de school in het dennenbos.

    Toen Toby bij het eerste pleeggezin terechtkwam was hij acht jaar oud en dacht hij dat zijn lijdensweg ten einde was, dat hij nu een thuis zou krijgen. Maar in plaats daarvan verplaatsten ze hem van de ene verzorgers naar de andere.

    ‘De acht jaar die volgden heb ik bij twintig gezinnen gewoond. Gemiddeld eens in de vierenhalve maand verhuisde ik, of eerder – werd ik verhuisd. Wat ik wilde, wat ik ervan vond, vroegen ze niet. We werden behandeld als meubels, als obstakels, als zakken met vuilnis.

    In elk huis was het weer anders, maar ik werd geloof ik overal geslagen’, herinnert Toby zich. ‘Ik was niet klein meer, ik hoefde niet meer gespaard te worden. Ik ging al naar de tweede klas, dus ze konden me flink op m’n sodemieter geven. Dat verdiende ik op zich ook: ik begreep niet wat er tegen me gezegd werd. Ik wist niet hoe ik ze tevreden moest stellen. Ik probeerde ernaar te gissen, ik probeerde me aan te passen, maar ik was machteloos.’

    Uiteindelijk wende hij eraan. Het werd dus routine: eten, slapen, school, slaag. Nepmoeders en nepvaders sloegen met de riem en sloegen met de hand voor van alles en nog wat. Hoe je de klappen moest ontwijken, hoe je moest overleven leerde Toby van twintig gespierde, sportieve mannen die werden gesteund door twintig vooruitziende, toegewijde echtgenotes.

    Toby’s lichaam was sterk, dat hielp hem erdoor. Zijn geest was hem ook goedgezind, de meeste huizen heeft hij kunnen vergeten. Toby weet dat ze ergens zijn, hij ze in zich draagt als wild vlees, als littekens, als kanker. Maar zijn hoofd heeft hem ervan afgesneden. In het dagelijks leven ziet hij ze niet, zijn de ziektehaarden niet vast te stellen. Maar Toby weet dat ze nog altijd schade aanrichten, net als gezwellen die bij onderzoek niet te zien zijn.

    Van alle twintig gezinnen kan Toby er misschien vijf of zes voor de geest halen. Aan sommige heeft hij goede herinneringen. Hij gelooft dat ze hun best deden. Bijvoorbeeld enkele nepmoeders. Soms waren ze aardig, kookten ze, wilden ze Toby’s stijve dikke haar kammen.

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog

    ‘Rot op, zei ik, laat me met rust. Niet jij, maar mijn echte moeder zou me nu over mijn hoofd moeten aaien. Maak dat je uit m’n buurt komt, zei ik. Ook sommige nepvaders deden hun best. Soms maakten ze tijd voor me vrij. Probeerden me uit te leggen dat ik zelf om problemen vroeg. Dat spijbelen en weglopen nergens goed voor waren. Maar ik had geen zin om te luisteren. Ik neem het ze niet kwalijk. Ik was geen kind om van te houden, want waarvoor ook?’

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog. Hij vocht veel. De school in Goose waar hij toen op zat, was voor hem één grote boksring. Hij vocht vier, vijf keer per dag, dag in dag uit. En hij verloor nooit, hij was altijd degene die anderen tot bloedens toe sloeg. Hij hield niet op voor hij zeker wist dat ze pijn hadden. De kinderen op school zeiden dat Toby gevaarlijk was. Dat beviel hem wel. Vechten was die opening, die lichtflits, het moment waarop hij even sterk was en er iets van hem afhing. Hij werd dan overweldigd door geluk. Hij voelde geen pijn, het waren de anderen die leden. Ze leden, omdat hij zo beslist had.

    Dat zorgde ervoor dat hij zich kon wapenen voor de middag en avond. Want na school moest hij natuurlijk terug naar zijn pleeggezin en was hij degene die ervan langs kreeg. Maar er waren meer straffen, alledaagse, gewone. Meestal moest hij gewoon zijn mond houden en naar zijn kamer gaan. Ze stuurden hem weg, hij kreeg geen eten. Dat is zogenaamd alleen vervelend, geen marteling.

    ‘Weet je, een of twee keer kun je het best zonder avondeten doen. Maar zelfs als duidelijk is dat je het ergste, vervelendste kind bent, wil je niet de hele tijd honger hebben. Met een kind kun je alles doen. Het is voldoende om hem niet genoeg te eten te geven.’

    Jarenlang was hij ervan overtuigd dat hij slecht was, dat hij het niet verdiende om niet geslagen te worden, niet gestraft. Later drong tot hem door dat de militairen vaak moesten verhuizen. Er kwamen orders, en dan werden de in huis opgenomen kinderen en hun zaken achtergelaten. Maar niemand die dat aan de kinderen uitlegde. Die waren er dus van overtuigd dat ze steeds opnieuw werden verlaten, omdat ze net zo veel waard waren als knellende of afgedragen pantoffels.

    Terugkeren naar zijn vader en moeder was geen optie. De jaren gingen voorbij, maar zijn ouders hielden niet op met drinken. De autoriteiten lieten de kinderen niet terug naar huis gaan, maar er werd ook niet veel gedaan om de ouders te steunen. De kinderen uit huis plaatsen: dat was een radicale en eenvoudige, en vrijwel de enige mogelijke therapie.

    ‘Toen, mijn hele jeugd en nog vele jaren daarna, was ik kwaad. Agressief. Ik voelde me gekwetst en verworpen. Waarom konden anderen bij hun moeder blijven maar ik niet? Waarom konden anderen een normaal leven hebben, alleen ik niet?’

    Toen had Toby er nog geen idee van dat er in de omgeving meer dan duizend kinderen waren zoals hij.

    Deze vertaling kwam tot stand in samenwerking met CELA, Connecting Emerging Literary Artist.

  • Een cruise naar het einde van de wereld

    Een cruise naar het einde van de wereld

    De cruise-industrie groeit als kool, zelfs op de noordpool. Zo vaar je met de Akademik loffe acht dagen lang door de met ijs bedekte wateren van de Noordwestelijke Doorvaart. De plaatselijke Inuitbevolking ziet de toeristen met gemengde gevoelens komen.

    De zeevogels in de Straat Davis zijn niet gewend aan het geluid van wapens. Wanneer op een koude, heldere middag in augustus de schoten over het water echoën, reageren de rondcirkelende meeuwen nauwelijks op alle onbekende commotie – geen gealarmeerd gekrijs en geen wild geklap met vleugels. In plaats daarvan blijven de vogels rustig boven het ranke, witte schip in hun midden zweven.

    Onder hen, op het achterschip van de Akademik loffe, staat een handjevol mannen in donskleding en Gore-Tex, in een slordige halve cirkel, allemaal met een 12 kaliber halfautomatisch geweer over de schouder. De loffe is een in Finland gebouwd schip, oorspronkelijk bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek, dat nu in Russische handen is en is omgetoverd tot een 117 meter lang cruiseschip dat wordt verhuurd. Het schip biedt plaats aan honderdtwee passagiers, en een crew van een stuk of zestig man, bestaande uit reisleiding en bemanning. Er is een eetzaal, een bar, een bibliotheek, een cadeauwinkel, een ziekenboeg, een bescheiden gym, een sauna en een bubbelbad in de open lucht.

    Morgen zal het schip de oostelijke grens bereiken van Canada’s afgelegen Arctische Eilanden. Vanaf daar zal het schip acht dagen lang in westelijke richting varen, door de met ijs bedekte wateren van de beruchte Noordwestelijke Doorvaart. Telkens wanneer de passagiers van de loffe voet aan wal zetten op een eilandje op de noordpool, gaat er een gewapend escorte mee. In het land van de ijsbeer kun je geen risico’s nemen.

    Legendarische doorgang

    Jimmy MacDonald, een ervaren hydroloog en gids, die de vorige dag een praatje heeft gehouden voor de passagiers over het onderzoek naar ijsformaties, richt zijn wapen op het water voor de boeg. Pang, klik-klik, pang, klik-klik, pang! De zee slokt de kogels binnen enkele tellen op, de golven vlakken al snel de rimpelingen uit.

    Misschien zijn schietoefeningen niet het eerste waaraan je denkt bij een cruise – maar de Noordelijke IJszee is dan ook geen doorsneevakantiebestemming. Desondanks zetten elk jaar meer en meer kleine cruiseschepen koers naar het gebied, en de Noordwestelijke Doorvaart – de legendarische doorgang waar honderden ontdekkingsreizigers het leven hebben gelaten – oefent een ongekende aantrekkingskracht uit.

    De Noordwestelijke Doorvaart bestaat niet uit één enkele doorgang. Het is de verzamelnaam van een reeks zee-engten en zeestraten die in een bepaald seizoen bevaarbaar zijn. Ze kronkelen tussen de 36.563 Canadese Arctische Eilanden door en verbinden zo de wateren van de Davis Straat in het oosten met de Beaufortzee in het westen. De eilanden vormen een van de meest onontgonnen en afgelegen gebieden op aarde. Op de bijna anderhalf miljoen vierkante kilometer – bijna het oppervlak van Mongolië – wonen nog geen twintigduizend mensen.

    De meeste eilanden maken deel uit van het Canadese territorium Nunavut, dat in 1999 onafhankelijk werd van zijn oudere, westelijke buur, de Northwest Territories. Nunavut betekent ‘ons land’ in het Inuktitut, de taal die van oudsher in het gebied wordt gesproken, en het ontstaan van het territorium was het resultaat van vele tientallen jaren onderhandelen tussen Inuitleiders en de Canadese overheid.

    Een Inuit-dorp in Nanavut, Canada. – © Hollandse Hoogte
    Een Inuit-dorp in Nanavut, Canada. – © Hollandse Hoogte

    De Inuit [de naam waarmee eskimo’s in Groenland en Canada zichzelf aanduiden] hebben een oude cultuur, maar Nunavut is een jonge jurisdictie: de mensen zeggen dat ze in de afgelopen jaar ‘vanuit hun iglo het internet op zijn geslingerd’. Het groeiende aantal schepen dat het gebied aandoet trekt passagiers met het spannende verleden van het territorium, de adembenemende natuur, de wilde dieren en de eeuwenoude tradities van de bevolking. Maar de schepen bezoeken gemeenschappen die hebben gezien hoe zich in een onvoorstelbaar tempo veranderingen voltrokken – en nog altijd voltrekken.

    De passagiers van de loffe, allemaal gestoken in een rood regenpak, gewapend met een telelens als een bazooka, en onder gewapend escorte, zijn getuige van enkele van die veranderingen – die ze tegelijkertijd zelf belichamen.

    Pond Inlet, een Inuitdorp, lijkt op te rijzen uit het water. Op de glooiende heuvels zie je vervaalde huizen en lage overheidsgebouwen, met daarachter weer nieuwe rijen huizen en gebouwen. Er slingeren een paar onverharde wegen tussendoor, en er zijn enkele vissersboten het kiezelstrand op getrokken.

    Overal zie je terreinwagens en kinderen die op hun fietsje rondscheuren. Achter het laatste gebouw begint de kale, boomloze woestenij, die zich uitstrekt tot de zwartblauwe schaduwen van de bergen in de verte.

    Het overwegend Inuitdorp (ook wel Mittimatalik genoemd), heeft zo’n vijftienhonderd inwoners, en de Engelse naam is ontleend aan de inlet, de baai waaraan het is gelegen; een smalle waterweg die de noordelijke kust van het immense Baffineiland scheidt van een kleiner eiland met gletsjer.

    Een Barbie die ergens op de toendra ligt; de huid van een ijsbeer die over een fiets is gedrapeerd; een Ford F-150 met een bloederige, afgehakte walvisstaarten in de laadbak

    De loffe vaart de baai in en gooit het anker uit op een heldere, besneeuwde ochtend in augustus, omgeven door steile bergtoppen met kronkelige, blauwe tongen van smeltwater in de valleien ertussen.

    Geen van de stadjes en dorpen van Nunavut, die oorspronkelijk nederzettingen werden genoemd, zijn over de weg bereikbaar. Vele liggen ten noorden van de poolcirkel en het zijn allemaal nietige stipjes die getuigen van menselijke aanwezigheid in een immense, ruige wildernis. Er lopen geen telefoonlijnen, glasvezelkabels of pijplijnen naar het zuiden. De gehuchten zijn afhankelijk van dieselgeneratoren, de brandstof is opgeslagen in tanks die worden geleverd door een schip dat de gehuchten aandoet in de krappe ijsvrije periode tussen eind augustus en begin september. De enige toegang tot internet, televisie en telefoonverkeer wordt geleverd door satelliet- en microgolfsignalen; in de grotere plaatsen is inmiddels mondjesmaat mobiel bereik.

    Grote goederen worden over zee getransporteerd, maar alles wat in de winkels ligt is tegen schrikbarende prijzen per vliegtuig aangevoerd. Jagen en vissen blijven de voornaamste bezigheden – en dan gaat het niet alleen om vierpotige landdieren als de kariboe. Het betreft ook de omstreden jacht op dieren die in zee leven: zeehonden, walvissen en ijsberen.

    Voor een buitenstaander zijn deze gehuchten fascinerende plekken, haast een andere wereld, vol beelden die schuren omdat ze vertrouwd en vreemd zijn tegelijk: een Barbie die moederziel alleen ergens op de toendra ligt; de huid van een ijsbeer die over een fiets is gedrapeerd; een Ford F-150 met een paar bloederige, afgehakte walvisstaarten die uit de laadbak hangen.

    Maar voor de inwoners zelf zijn de gehuchten geen voer voor Instagramposts; het is hun thuis. Dat is iets waar de bewoners van Pond Inlet de bezoekers op vriendelijke, maar klemmende wijze aan herinneren.

    Tijdens het ontbijt wordt in de scheepskantine een folder uitgedeeld:

    Welkom in Pond Inlet.

    Neem gerust foto’s van het schitterende landschap en ons lieflijke dorpje, maar vraag het alstublieft even voor u foto’s neemt van ons, onze kinderen en onze huizen.
    Doe gerust inkopen in onze winkels, maar wees u ervan bewust dat het de nodige moeite kost om onze winkels te bevoorraden, en dat verse levensmiddelen slechts één keer per week worden aangevuld, als het weer dat toelaat. Dus koop alleen wat u echt nodig heeft.
    Wanneer u zich buiten ons dorp begeeft, geniet dan van het landschap en de lokale fauna, maar realiseert u zich wel dat onze stenen en cultuurschatten geen souvenirs zijn, ze maken deel uit van onze eeuwenoude geschiedenis, dus laat ze alstublieft waar ze thuishoren!

    Met deze waarschuwingen in het achterhoofd schuifelen de passagiers van de loffe door het smalle gangpad naar de zodiacs die al liggen te wachten om hen af te zetten op het strand van Pond Inlet, waar ze worden opgewacht door lokale gidsen voor een korte wandeling. De gidsen dragen bruin-witte amautis van zeehondenhuid – ponchoachtige kledingstukken met grote zakken op de rug, waar soms een klein kind in wordt gestopt.

    De jongste gids, Alex, een achtentwintigjarige vrouw met een heel jong gezicht, die antropoloog wil worden, leidt haar groepje de heuvel op, terwijl ze opgewekt allerlei vragen beantwoord over het leven van een jonge vrouw in Pond Inlet.

    Heeft ze een vriend?

    ‘Bijna iedereen hier is familie van elkaar, en ik wil geen relatie met een neef.’

    Gaat ze dan ergens anders op zoek naar een man?

    Misschien, maar ze vraagt zich wel af of een buitenstaander zich niet zal laten afschrikken door het leven dat ze hier leidt. ‘Ik moet wel een man hebben die kan jagen.’

    Alex’ rondleiding voert door het plaatsje, langs twee kerken – een Anglicaanse en een katholieke –, het kantoor van Parks Canada en het hoofdkwartier van de Mittimatalik Hunters & Trappers Organization. Er staat een pick-up voor het gebouw. Het is een komen en gaan van mannen die plastic zakken uitladen met vers gevangen en in stukken gehakte tandwalvis, die verdeeld zullen worden over de gemeenschap. In de laadbak liggen twee brede, Y-vormige staarten, glinsterend in de zon. ‘Meestal eten we de staart ook op,’ zegt Alex. ‘Lekker knapperig.’ Sommige bezoekers werpen elkaar een snelle blik toe, weten niet goed of ze het serieus meent.

    De groep doet de Arctic Co-op aan, een van de twee supermarkten, en de bezoekers dolen door de gangpaden, kijken met toegeknepen ogen en een uitgestoken vinger naar de prijzen: 2 dollar 69 voor een blikje tomatensoep, 7 dollar 99 voor een blikje babymais.

    Cruiseschepen verkennen de omgeving. – © One Ocean Expedtions / David Sinclair
    Cruiseschepen verkennen de omgeving. – © One Ocean Expedtions / David Sinclair

    Weldra is het tijd voor het culturele deel van het programma en de toeristen steken de straat over naar het dorpshuis, waar ze plaatsnemen op een rij zwarte, metalen klapstoeltjes. Het programma begint met een Inuktitutuitvoering van ‘O Canada’, waarna de ceremoniemeester een kort praatje houdt over Pond Inlet: de mensen, de geschiedenis, de flora en fauna. Dan volgen demonstraties van traditionele spelen en krachtvertoon. Er wordt gezongen, getrommeld en gedanst, en daarna volgt het plechtige aansteken van een walvisvetlamp door een gerimpelde oudere inwoner.

    Karen Nutarak is een van de zangers die voor de passagiers optreedt. Gekleed in een lange amauti, en met een hoofdband vol kralen, zingt en lacht ze met haar collega’s terwijl de toeristen voorovergebogen op hun stoel zitten en hun camera’s klikken.

    Nutarak was nog een tiener toen ze zich aansloot bij een toneelgezelschap en voor de toeristen ging optreden. Inmiddels is Nutarak achtendertig en werkt op een plaatselijk community college, maar ’s zomers treedt ze ook nog altijd op voor de toeristen. ‘Ik vind het geweldig om te doen omdat er nog veel onbegrip is over een belangrijk deel van onze cultuur,’ zegt Nutarak. ‘En als wij de informatie geven, is die rechtstreeks afkomstig van de Inuit, niet van onderzoekers.’

    Toch heeft ook zij, die al zo lang meedraait in de toerisme-industrie van Pond Inlet, gemengde gevoelens over de cruiseschepen. ‘Het levert de bevolking niet zo veel op,’ zegt ze. ‘De mensen proberen wel om de spullen die ze hebben gemaakt aan de man te brengen, maar het vindt betrekkelijk weinig aftrek.’ De gidsen sporen mensen aan om tekeningen, houtsnijwerk en andere handgemaakte spullen te kopen wanneer ze het plaatsje aandoen. Maar op een plek die zo ver afstaat van de consumptiemaatschappij – een plek waar een bezoeker die iets koopt in het winkeltje de gemeenschap misschien eerder schaadt dan vooruithelpt –, is het een ingewikkelde kwestie hoe men de economie het beste een impuls kan geven.

    ‘De opbrengst is zeer bescheiden,’ zegt Madeleine Redfern. Redfern is voorzitter van de Ajungi Group, een consultancy die vanuit Nunavut werkt, en in het verleden stond ze aan het hoofd van Nunavut Tourism. ‘Het aantal inwoners dat op de een of andere manier bij het cruiseschepentoerisme betrokken is, is betrekkelijk gering. Het wordt dan ook niet gezien als iets waar de gemeenschap in bredere zin baat bij heeft. Wanneer een cruiseschip zijn passagiers aan land zet, wordt de gemeenschap plots overspoeld door bezoekers. Je kunt dan het gevoel krijgen dat je van alle kanten wordt aangegaapt.’

    Cruise-industrie

    Maar Redfern is ervan overtuigd dat er, met enige inspanning, verandering in die situatie kan worden gebracht. De cruise-industrie in Nunavut is nog ‘in de ontwikkelingsfase’.

    Redferns optimistische veronderstelling dat het cruisetoerisme zou kunnen uitgroeien tot een factor van economisch belang is niet onterecht. Het cruisewezen maakt een ongekende groei door: in 2014 ging er wereldwijd meer dan 120 miljard om in de bedrijfstak, en hoewel Nunavut nog lang niet is te vergelijken met Florida of de Cariben, waar de meeste cruises plaatsvinden, is dit een bedrijfstak die zich kenmerkt door een exponentiële groei in nieuwe markten.

    Neem Antarctica als voorbeeld. Het massatoerisme op het bevroren continent is van relatief recente datum, en de overgrote meerderheid van de bezoekers arriveert per cruiseschip. In het toeristenseizoen 1992-1993 deden 6704 cruisepassagiers Antarctica aan, via een van de tien verschillende bedrijven die dit mogelijk maken. Nog geen vijftien jaar later hadden 48 bedrijven maar liefst 55 schepen in de vaart, die bijna 33.000 passagiers afzetten tussen de pinguïns en de zeeluipaarden.

    Ook in Alaska heeft de cruise-industrie een snelle opmars gemaakt, en terwijl Antarctica voornamelijk wordt aangedaan door de kleinere cruiseschepen, ziet de meest noordelijke staat zich geconfronteerd met immense, moderne schepen, die elk duizenden passagiers vervoeren.

    Vandaag de dag zijn de schepen niet meer weg te denken: afgelegen stadjes en dorpen zoals Skagway (inwoneraantal over het hele jaar: 1040) en Sitka (8929) zijn erop gebouwd om de dagelijkse instroom van toeristen te kunnen verwerken. Loop op een zomerse dag door de hoofdstraat van Skagway en je ziet tientallen bedrijfjes die rondleidingen proberen te slijten, of T-shirts, sieraden, gerookte zalm en nog veel meer. Maar zo is het niet altijd geweest. De eerste commerciële cruises naar Alaska dateren van eind jaren vijftig, en de grote, mondiale, cruisemaatschappijen gingen pas ergens begin jaren zeventig een rol spelen. Momenteel varen er jaarlijks zo’n miljoen cruiseschippassagiers naar de negenenveertigste staat. In 2014 was de cruise-industrie verantwoordelijk voor dik 18.500 banen en 953 miljoen dollar aan directe uitgaven binnen de staat.


    Vergelijk die kolossale aantallen eens met de opkomende industrie in Nunavut zelf. Acht kleine bedrijven bieden boottochten aan van en naar het gebied, met ruwweg elf verschillende schepen. In 2015 stonden in het hele gebied dertig reizen gepland (waarvan er uiteindelijk negen werden afgelast vanwege het ijs), waarmee 2900 mensen naar Nunavut werden gebracht. In de Noordwestelijke Doorvaart zelf had Transport Canada in 2015 slechts twee volledige en één gedeeltelijke overtocht geregistreerd, door schepen met elk zo’n honderd tot driehonderd passagiers. Maar toen later in 2015 Crystal ten tonele verscheen, met een schip dat ruimte biedt aan zo’n duizend passagiers, werd in één klap, of liever gezegd in één cruise, dat aantal verdubbeld. Het economisch potentieel, de mogelijkheid voor een grootschalige verandering, is er. En dat stemt hoopvol – maar het is tevens beangstigend.

    Aan het einde van de middag verlaat de loffe Pond Inlet. Het anker wordt gelicht en in de beginnende schemering zet het schip koers in westelijke richting, terwijl de passagiers hun dessert naar binnen werken: chocolat pot de crème, afgemaakt met een felgekleurde ananassalsa. De volgende ochtend vroeg ontwaakt men in Milne Inlet, een uitloper net ten zuiden van de grote doorgangsroute. Snel trekt iedereen warme laagjes aan en gaat naar het dek, voor wat een medewerker ‘Missie Narwal’ heeft gedoopt.

    De schuchtere eenhoornvissen, die zich slechts zelden laten zien, trekken elk jaar met duizenden tegelijk door Lancaster Sound. Milne Inlet, een baai ten zuiden van Eclipse Sound, net ten westen van Pond Inlet, is een van hun meest geliefde plekken om de zomer door te brengen. De bedoeling is dat de loffe zo stilletjes mogelijk de baai binnenvaart, zodat opvarenden de walvissen kunnen zien zonder ze te verjagen. Zodra er een groep walvissen wordt gesignaleerd, worden de passagiers aan land gezet en gaan alle motoren uit, zodat er een grotere kans is dat de walvissen zich gedurende langere tijd vertonen.

    Vandaag werken de narwals echter niet mee. Dat komt vaker voor: zelfs onder de meest gunstige omstandigheden laten ze zich soms nauwelijks zien. In Pond Inlet had men al eerder opgemerkt dat er dit jaar nog minder narwals te zien waren dan voorheen.

    ‘Er wordt geklaagd dat er geen walvissen meer komen, door alle schepen,’ zegt Nutarak. Ze doelt niet alleen op de cruiseschepen.

    Milieuplan

    Een paar dagen voor de komst van de loffe verscheepte de onlangs geopende ijzererstmijn, Baffinland, de eerste ladingen erts via Milne Inlet en Eclipse Sound. (De mijn mikt erop jaarlijks honderdvijftig van dit soort ladingen te verschepen.) In een aanvankelijk milieuplan was voorgesteld het vervoer via een minder precair gebied te laten verlopen, maar onder druk van de dalende prijzen is de route verlegd. Oceans North Canada, een milieuorganisatie die zich richt op het behoud van het zeeleven, heeft de krachten gebundeld met plaatselijke jagers, teneinde seizoensgebonden akoestische registratiestations op te zetten in Milne. Daartoe laat men vlak voor het aanbreken van de lente registratieapparatuur door kieren in het pakijs zakken, om dat in de herfst allemaal weer naar boven te halen, net voordat het ijs zich weer sluit. ‘We hebben heel erg hard gewerkt om alles in gereedheid te brengen voordat het intensieve cruiseverkeer op gang kwam,’ zegt Christopher Debicki, de projectcoördinator van Oceans North Canada.

    De resultaten tot nog toe? ‘Duidelijk is dat we veel minder narwals horen wanneer er schepen aanwezig zijn,’ aldus Debicki. ‘Dat lijkt erop te duiden dat ze in ieder geval tijdelijk naar een andere plek zijn getrokken, in reactie op al het scheepsverkeer.’ (De gevolgen van de walviscruises zijn grondiger bestudeerd aan de beide kusten van Noord-Amerika, waar alles erop lijkt te wijzen dat het gedrag van de walvissen verandert door de aanwezigheid van bezoekers.)

    De passagiers van de loffe mogen dan teleurgesteld zijn dat ze geen narwals hebben gezien, voor de inwoners van Pond Inlet is het wegblijven van de dieren veel ingrijpender

    De passagiers van de loffe mogen dan teleurgesteld zijn dat ze geen narwals hebben gezien, voor de inwoners van Pond Inlet is het wegblijven van de dieren veel ingrijpender. Walvissen en zeehonden vormen een onmisbare bron van eiwit. Het jagen wekt de woede van vele buitenstaanders, en als een gevolg daarvan zijn de betrekkingen tussen een aantal grote milieuorganisaties – Greenpeace, Sea Shepherd – en de Inuit al vele jaren gespannen.

    Dat is weer aanleiding tot iets minder concrete zorgen omtrent de aanwezigheid van de cruiseschepen in Nunavut: men voelt zich bekeken, men is bang dat bezoekers die het Inuitbestaan vastleggen – ofwel: die foto’s maken van bloederige zeehonden of walviskarkassen – meer mensen ertoe zullen verleiden zich negatief over de Inuit uit te laten; men is bang dat organisaties als Greenpeace meer acties zullen gaan voeren; men is bang voor economische sancties uit de buitenwereld, zoals een importverbod in Europa en de Verenigde Staten op alle zeehondenproducten.

    De Akademik Ioffe. – © Hollandse Hoogte
    De Akademik Ioffe. – © Hollandse Hoogte

    Maar de cruiseschepen symboliseren ook de mogelijkheid van een dialoog, ze bieden een kans om meer begrip te genereren voor de manier van leven van de Inuit, in de hoop de vertrekkende passagiers tot bondgenoten te maken, in plaats van vijanden.

    Madeleine Redfern schat het positief in. Bezoekers zullen in het begin misschien geschokt of boos zijn omdat er zeehonden en andere zeezoogdieren worden gevangen en gegeten, maar ‘zodra ze het binnen de context zien, binnen de cultuur, hebben ze meer iets van: “Nou ja, ik vind het nog altijd niks, maar nu begrijp en respecteer ik dat het een wezenlijk onderdeel uitmaakt van jullie dieet. Ik begrijp dat de jacht is gebaseerd op respect, dat jullie je gezin te eten moeten geven, dat het een belangrijke bron is van essentiële voedingsstoffen. Dat er in het poolgebied geen efficiënte, haalbare, pragmatische landbouw mogelijk is.” We moeten deze kans aangrijpen om mensen te informeren en om alle clichés te ontkrachten, die een vertekend beeld geven van de waarheid.’

    Poolzon

    Op een middag, drie dagen nadat ze Milne Inlet achter zich hebben gelaten, staan de passagiers van de loffe klappertandend aan dek en kijken naar een ijsschots op enkele tientallen meters afstand, waar een ijsbeer over het kadaver van een ringelrob staat gebogen en met zijn kromme, gelige tanden de ingewanden eruit trekt. Ze horen het monotone schrapen van de ijsbeerpoten over het ijs terwijl hij het geronnen bloed weghaalt.

    Twee nachten eerder hebben ze een stuk gletsjer zien afkalven en in zee zien storten, hun gejoel vermengd met het gebulder van honderden tonnen ijs die het water raken en in nieuwe ijsbergen uiteenvallen. Ze hebben door kiezelachtige maanlandschappen gelopen waar het enige leven bestaat uit een dun laagje korstmos op de stenen onder hun voeten. Ze hebben gezien hoe de poolzon onderging boven de Noordwestelijke Doorgang, het donkere water deed oplichten in zijn gloed, om enkele minuten later alweer op te komen.

    Ze verlaten de loffe achter in Cambridge Bay, een gehucht helemaal aan de westkant van Nunavut, midden in het noordpoolgebied. Met zijn zestienhonderd inwoners is Cambridge Bay nauwelijks groter dan Pond Inlet.

    De passagiers klauteren een laatste keer uit de rubberboten op het rotsachtige poolstrand, waar ze worden opgewacht door een plaatselijke ondernemer die plattegrondjes uitdeelt en iedereen eraan helpt herinneren wanneer de laatste bus naar het vliegveld vertrekt vanaf het kleine bezoekerscentrum.

    De toeristen maken nog een laatste ommetje; door de stoffige, onverharde straten, tussen de kleine, kleurrijke huisjes, met aan de ene kant uitzicht op het donkere, koude, ijsvrije water van de Noordwestelijke Doorvaart, en aan de andere kant de onafzienbare, vlakke, kale toendra rondom Cambridge Bay. Vlak voor de kust ligt de loffe voor anker, de scherpe, slanke contouren oplichtend in de Arctische zomerzon, in afwachting van de volgende groep passagiers die inscheept.

    Auteur: Eva Holland
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: © David Lefranc / Polaris

    Pacific Standard
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000

    Dit in 2008 opgerichte tijdschrift droeg tot 2012 de achternaam van oprichter Sara Miller McCune, die ook eigenaar is van de internationale uitgeverij Sage Publications. PS is onderdeel van de non-profitorganisatie Miller McCune Center for Research, Media and Public Policy. Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.