Tag: IRA

  • De Brexit schept een grens die er niet meer is

    De Brexit schept een grens die er niet meer is

    Vroeger hadden de Ieren een harde grens met Engeland toegejuicht. Maar nu de Brexit nadert vinden ze het jammer, schrijft de Ierse columnist Fintan O’Toole. ‘De tijd dat Iers-zijn het tegenovergestelde was van Engels-zijn is voorbij.’

    Die zomer hing in Londen een soort hitte die ik in Ierland nog nooit had gevoeld, zo drukkend en benauwd als je alleen in heel grote steden meemaakt. Het was 1969, ik was elf en dit was mijn eerste dag in Engeland. Samen met mijn vader en mijn broer was ik met de boot van Dublin naar Liverpool gekomen. Met de bus waren we door de Midlands gereden, een intens onbekend landschap van autowegen, benzinestations en reusachtige energiecentrales. Mijn vaders neef Vincent had ons opgewacht bij het busstation en een volgende bus bracht ons naar East End, waar we logeerden bij mijn moeders zus Brigid. Brigid was een non, dus eigenlijk logeerden we in een katholiek klooster.

    Vanwege de hitte en het vooruitzicht van drie dagen achter de kloostermuren besloot mijn vader dat hij wel een biertje kon gebruiken. Dus mijn vader en Vincent lieten mijn broer en mij met een flesje Fanta achter op een laag muurtje en verdwenen zelf de kroeg in. Ik weet nog dat ik op dat muurtje hard op mijn rietje zat te zuigen om de paniek te onderdrukken. We waren alleen in Engeland, van iedereen verlaten, op een wezensvreemde plek. ‘Engeland’ was een angstaanjagend begrip voor me.

    Uit de geschiedenislessen op school wist ik dat de Engelsen alleen maar slechte dingen tegen de Ieren hadden gedaan. En ik wist dat de kern van al die slechtigheid het protestantisme was. Er was maar één waar geloof en dat dat was natuurlijk het katholicisme, dus Engeland was in principe al abnormaal. Je wist nooit wat je van zulke mensen kon verwachten – alleen dat ze niet aardig waren.

    De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen

    Toen kwam er over de weg een enorm grote man aan in een wapperend wit gewaad, en zijn lengte werd nog geaccentueerd door een hoge muts van luipaardbont. Hij had een gevolg van vijf of zes mannen, ook in het wit, zij het minder flamboyant. Hij was kennelijk een soort hoogwaardigheidsbekleder, een koning of een stamhoofd. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag me kijken en op zijn gezicht verscheen een grote glimlach. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en zei in een voor mij onbekende taal iets tegen zijn kompanen. Hij vroeg: ‘Geniet je van je fles prik?’ ‘Prik’ was een woord dat we in Ierland niet gebruikten voor frisdrank, maar ik wist wat het betekende. Ik kende het woord uit de Britse stripverhalen die we verslonden. Het verbaasde me dat hij mijn broer en mij voor Engelsen hield. Ik wilde hem uitleggen dat hij zich vergiste, dat wij net als hij buitenlanders waren. Maar ik was te perplex om iets te kunnen zeggen en hij vervolgde majestueus zijn weg.

    Soms vraag ik me af wat ik als elfjarige tegen dat koninklijke personage zou hebben gezegd als ik in staat was geweest om mijn gevoelens uit te spreken. Stel dat hij mijn protest had weggewuifd: ‘Ik vind jou er Engels uitzien, dus wat is het probleem?’ Stel dat hij had gevraagd wat we daar überhaupt deden. Dan had ik moeten uitleggen dat mijn oom Vincent die in het café achter ons zat, uit het arbeidersmilieu in Dublin was weggegaan en erin geslaagd was om af te studeren op de universiteit van Oxford. En dat we logeerden bij mijn tante, de non, die als verpleegster in East End werkte. En dat we daarna in Maidstone zouden logeren bij mijn vaders broer Kevin die foerier was in het Britse leger en op de Tories stemde. En dat we daarna zouden logeren bij mijn moeders broer Pete en zijn vrouw in Manchester; hij was buschauffeur en zij stemden Labour.

    En dat al hun kinderen – de neven en nichten die Engels met het plaatselijke accent spraken – net zo waren als ik: we speelden dezelfde spelletjes, keken naar dezelfde tv-programma’s, luisterden naar dezelfde popmuziek en we konden meteen goed met elkaar opschieten omdat we familie waren.

    Ik weet niet of hij ervan overtuigd zou zijn dat mijn Iers-zijn iets meer was dan een kleine lokale variatie op het Engels-zijn. Het was natuurlijk veel meer – en dat is het nog steeds. Het Iers-zijn is niet iets wat je hoeft te bewijzen. Maar het ligt ook weer niet zo simpel en het is zeker niet wat ik als jongetje dacht dat het was: het tegenovergestelde van Engels-zijn.

    Meerduidig en complex

    Relaties binnen wat we nu ‘de eilanden’ noemen zijn meerduidig en complex. Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland en de Ierse Republiek vormen een soort matrix, maar die verschuift voortdurend en is nooit stabiel. De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen. Engeland was industrieel, dus Ierland moest zijn onderontwikkelde en gedeïndustrialiseerde economie tot deugd verheffen. Engeland was urbaan, dus Ierland moest een exclusief rustiek imago van zichzelf creëren. De Engelsen waren wetenschappelijke rationalisten, dus wij moesten als Ieren de mystieke dromers van dromen zijn. Zij waren Angelsaksen, dus wij waren Keltisch. Zij hadden een monarchie, dus wij een republiek. Zij ontwikkelden een welvaartstaat, dus wij vertrouwden op de genade van de liefdadigheid.

    Maar zo simpel was het leven niet. Mijn tantes en ooms waren dolblij met hun werk in de fabriek en de dienstverlening in Engelse steden. Ze emigreerden niet zozeer naar Engeland als wel naar de welvaartsstaat. De Ieren hielpen de National Health Service opbouwen en genoten van de voordelen ervan. Ze maakten gebruik van de onderwijsmogelijkheden die de Britse sociale democratie hun bood. En hoewel ze zeker wel racistische trekjes hadden, genoten ze van het leven in een multi-etnische samenleving.

    Hoewel het katholicisme een belangrijk punt van onderscheid was, gaven veel Ieren er de voorkeur aan om in Engeland te wonen omdat ze dan verlost waren van seksuele vooroordelen. Zes jaar na mijn eerste bezoek werkte ik als zeventienjarige in de zomervakantie in een bioscoop in Piccadilly Circus. Daar werd me voor het eerst gevraagd: ‘Ben je homo of hetero?’ Me bijna verontschuldigend mompelde ik dat ik hetero was – verontschuldigend omdat ik me meteen realiseerde dat bijna iedereen die daar werkte homo was. De manager was homo en hij nam homo’s in dienst om van het bedrijf een soort veilige haven te maken. Ik had de baan gekregen op basis van een verkeerde inschatting, maar ik werd getolereerd. Het was voor mij een belangrijke, zij het wat vreemde ervaring: ik kon even meemaken hoe het was om tot een seksuele minderheid te behoren.

    Op verschillende manieren betekende Engeland dat voor veel Ieren: het land leerde ons dat ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ willekeurige typeringen waren. In Ierland maakten de meesten van ons deel uit van een meerderheidscultuur; in Engeland moesten we leren wat het was om tot de weinigen te behoren in plaats van tot de velen. Dus we hadden twee verschillende ideeën over Engeland: als het tegenovergestelde van Ons en als een plek waar Wij iets veel ruimers betekende.

    Ierse kinderen in de wijk Ballymun in Dublin. – © Piet den Blanken / Hollandse Hoogte
    Ierse kinderen in de wijk Ballymun in Dublin. – © Piet den Blanken / Hollandse Hoogte

    Maar de opvatting dat Ierland en Engeland elkaars tegenovergestelde zijn is allang achterhaald. Ierland is veel minder katholiek en Engeland veel minder protestants; in elk geval speelt religie een veel minder belangrijke rol in de identiteit van beide landen dan vroeger. De historische vijandigheid heeft plaatsgemaakt voor intense samenwerking en een gedeeld belang in vrede. En wellicht het belangrijkste: Engeland en Ierland zijn niet langer de tegenovergestelde nationaliteitspolen op de ‘eilanden’ – Wales en in het bijzonder het zelfstandigere Schotland zijn veel assertievere delen van de matrix.

    Het wegvallen van deze simplistische tegenstelling is alleen maar goed. Maar de andere, positievere, kant van de oude tegenstelling is ook aan het verdwijnen, deels omdat Ierland is veranderd. De tijd is allang voorbij, bijvoorbeeld, dat Ieren de zee moesten oversteken om het leven in een multi-etnische samenleving te ervaren – de sinds de jaren negentig snel toenemende immigratie heeft ertoe geleid dat ze dat ook in hun eigen land kunnen ervaren. De strijd is ook voorbij dat LHBT-ers het gevoel hadden dat ze naar Engeland moesten om een tolerantere cultuur te vinden. Ierse vrouwen gaan nog steeds wel naar Engeland voor een abortus die ze in hun eigen land niet kunnen krijgen, maar die tijd zal ook langzaam voorbijgaan nu Ierland op het punt staat de strenge abortuswet te veranderen. Als Engeland in mindere mate een toevluchtsoord is voor Ieren, komt dat deels doordat er minder is om voor te vluchten.

    Paradox

    Als de tegenstellingen waar we aan gewend waren verdwenen zijn, blijft voor ons de paradox over: de Ierse Zee heeft nog nooit zo smal geleken en de twee kanten zijn nog nooit zo gelijk geweest. Toch zullen Ierland en Engeland binnenkort wellicht meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er dan een EU-grens tussen ligt. Er was natuurlijk een tijd dat veel Ieren van zo’n situatie zouden hebben gedroomd, dat nationalisten niets liever wilden dan dat de hoogst mogelijke barrières tussen Ierland en Engeland werden opgeworpen.

    Maar nu kom je bijna geen Ier meer tegen die het niet diep betreurt. Dat zegt op zichzelf al veel. Onder al dat politieke gedoe heeft alles zich heel fatsoenlijk geschikt, in een over het algemeen tevreden nabuurschap. Na zo veel eeuwen van verbittering is dat geen sinecure. De Engelsen en de Ieren hebben onderling geen problemen meer. En juist het feit dat er geen problemen meer zijn is nu een big deal.

    Auteur: Fintan O’Toole
    Vertaler: Paul Bruijn

    Lees ‘Brexit kan Groot-Brittannië en Ierland opnieuw verdelen’ terug in Reader # 0.

    The Irish Times
    Ierland | dagblad | oplage 61.049

    In 1859 opgericht door protestanten. Tegenwoordig staat de krant onder controle van een groep ‘trustees’, die de politieke en religieuze onafhankelijkheid bewaakt. The Irish Times heeft nog altijd een groot correspondentennetwerk en vele prominente ‘pennen’.

  • De breekbare vrede van Noord-Ierland

    De breekbare vrede van Noord-Ierland

    Twintig jaar lang kende Noord-Ierland politieke stabiliteit. Maar, zo constateerde The Guardian in de week dat premier Martin McGuinness opstapte en er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven: het land wacht opnieuw een onzekere toekomst.

    De kerk staat op een eenzame heuvel aan één kant van de vallei. Aan de overzijde van de beek, aan de kant van het stadje, is de heuveltop bebouwd met herenhuizen. Iedere zondag marcheert een kleine delegatie van steeds oudere mannen, uitgedost met de regalia van de Oranje Orde, de heuvel af, van de kerk naar de beek. Zij vragen aan de op de brug gestationeerde politieman toestemming om hun weg naar het stadje te vervolgen, maar de politieman weigert steevast, beleefd doch beslist. Ze reiken hem dan een protestbrief aan en marcheren vervolgens weer terug naar de kerk.

    Soms kijken de mensen uit de nieuwbouwbuurten naar dit gratis vermaak, maar doorgaans nemen zij de moeite niet eens. In deze buurten wonen voornamelijk jonge gezinnen, die zich er nauwelijks van bewust zijn dat Drumcree Church ooit een van ‘s werelds grote brandhaarden was. De jaarlijkse mars vanuit het centrum van Portadown naar de kerk was een belangrijk symbool van de macht van de unionistische meerderheid in Noord-Ierland. De kerk, indrukwekkend maar niet mooi, is uiteraard protestants; de huizen in het stadje zijn in overgrote meerderheid van katholieken.

    De jaarlijkse mars in juli vindt nog steeds plaats, maar sinds het Goede Vrijdag-akkoord van 1998 mogen de organisatoren de traditionele route terug naar het stadje niet meer gebruiken. Ulster heeft nu twee decennia van wat buitenstaanders ‘vrede’ noemen achter de rug. De mondiale media strijken niet langer op Drumcree neer; de buren voelen geen angst. Maar dit duidt louter op de afwezigheid van conflicten, wat niet hetzelfde is als vrede. ‘Een wapenstilstand?’ zeg ik tegen Richard English, hoogleraar politicologie aan de Queen’s Unversiteit, Belfast. ‘Een verbeten wapenstilstand,’ antwoordt hij.

    Maar de aard van die wapenstilstand, en de verbetenheid ervan, verandert door het verstrijken van de tijd. De verhouding tussen protestanten en katholieken in Noord-Ierland is dramatisch veranderd: ooit was die 2:1, maar bij de volkstelling van 2011 zei 48 procent protestant te zijn en 45 procent katholiek. Hierdoor is het vrijwel zeker dat – misschien al binnen vier jaar – het traditionele protestantse overwicht zal ophouden te bestaan. In het district Craigavon, waartoe Portadown behoort, is nu een patstelling bereikt: 42,1 procent voor beide kampen. Dit betekent niet dat een verenigd Ierland voor de deur staat, maar het verandert de dynamiek van de politiek in Ulster volkomen.

    Dit vormt de onvermijdelijke achtergrond van het groezelige schandaaltje – ‘cash for ash’ genoemd – dat ogenschijnlijk verantwoordelijk was voor de recente val van de Noord-Ierse regering. De combinatie van onbekwaamheid en corruptie duidt erop dat de regeringen in Belfast en Dublin reeds gelijke tred met elkaar houden: de Ierse Republiek is voor de elite altijd al een goede plek geweest om zich met sjofele deals in te laten; in dit geval ging het om het boeken van aardige winsten dankzij het misbruik van goedbedoelde milieusubsidies.

    ‘Alles goed’

    Er is nog een andere factor die een bedreiging vormt voor de heerschappij van de protestanten. Dit werd mij al na een paar minuten duidelijk, toen ik voor het eerst in negen jaar door de hoofdstraat van Portadown liep. Het ongelukkige huwelijk waardoor Noord-Ierland wordt gedefinieerd bestaat niet langer uit twee partijen: er is tegenwoordig ook nog een derde. De ooit overwegend blanke straten van Portadown wemelen van de immigranten. Een plek waar het probleem was dat iedereen veel te veel wist van de plaatselijke geschiedenis kent nu een bevolkingsgroep (met een aandeel van bijna 10 procent) die hier niets van afweet. Aan de oever van de rivier de Bann staat een jonge Roemeen te vissen. Hij heeft het woord ‘Troubles’ [waarmee de onrust in Noord-Ierland van oudsher wordt aangeduid] nog nooit gehoord.

    Ze komen overal vandaan, en ze laten zich niet makkelijk categoriseren. Er zijn hoogopgeleide migranten die voor de farmaceutische firma Almac werken. Anderen werken bij de kippenslachterij van Moy Park. In het ziekenhuis vind je Zuid-Afrikanen en Filippijnen. De halal supermarkt van Portadown verkoopt voedsel dat varieert van Marokkaans tot Indonesisch; Oost-Europese goederen worden aan de specialisten overgelaten. De buurman, Saturnino Neves, een Braziliaanse kapper, knipt het haar van iedereen. ‘Alles goed in Ierland,’ zegt hij.

    Wachten op de jaarlijkse Oranjemars in Portadown, de protestantse optocht lokte vroeger veel geweld uit. – © Cathal McNaughton / Reuters
    Wachten op de jaarlijkse Oranjemars in Portadown, de protestantse optocht lokte vroeger veel geweld uit. – © Cathal McNaughton / Reuters

    Maar dat is niet de algemene ervaring. Het was een in Yorkshire geboren Pakistaan die me met afschuw vertelde hoe drie autochtone Noord-Ieren onlangs op straat een man uit Litouwen in elkaar hadden geslagen. De autochtone inwoners verwijten de Portugezen messentrekkerij, de Oost-Europeanen het leegvissen van de Bann, en de Roemenen zo’n beetje alles. Er doen verhalen de ronde dat de migranten naar binnen kunnen glippen via het lakse Dublin, en dat ze met minibusjes de grens oversteken.

    Portadown (bevolking 22.000) lijkt in veel opzichten op Engelse stadjes van soortgelijke omvang in de jaren vijftig. De grote ketens hebben de plaatselijke winkels nog niet uit de hoofdstraat verdreven, en de huizenprijzen zijn nog charmant ouderwets (een vrijstaande vierkamerwoning met uitzicht op Drumcree Church: 215.000 euro). Het restaurantaanbod stamt helaas ook nog uit de jaren vijftig, en is iets minder charmant.

    Ik raak bij de bushalte aan de praat met een dame met grijs haar. Ze klaagt dat er nu al te veel winkelketens in Portadown zijn neergestreken. ‘Is er verder nog iets veranderd?’ ‘Er zijn hier veel nieuwe gezichten,’ zegt ze, gniffelend om haar eigen discretie. Hoe gaan de gevestigde gemeenschappen dezer dagen met elkaar om? vraag ik. ‘Nou, je houdt je gewoon met je eigen zaken bezig, dus dat gaat wel.’ En toen kwam de bus haar redden.

    Maar in doorsneegesprekken verwijst de uitdrukking “onze gemeenschap” louter naar “ons”, en zeker niet naar de anderen

    In Portadown is het woord ‘gemeenschap’ beladen met dubbelzinnigheid. De meest prominente liefdadigheidswinkel heet ‘Portadown Cares … for our community’ (‘Portadown Geeft … om onze gemeenschap’). Dat betekent precies hetzelfde als waar dan ook. Maar in doorsneegesprekken verwijst de uitdrukking ‘onze gemeenschap’ louter naar ‘ons’, en zeker niet naar de anderen.

    Begin jaren zeventig was Portadown veelvuldig het toneel van ontploffingen en schietpartijen, vaak als gevolg van vetes tussen verschillende protestantse groeperingen. Zelfs nu kent het stadje nog vijf ‘vredesmuren’, die je optrekt als je echt een pesthekel hebt aan je buren. De herinnering aan moorden heeft dat effect.

    Zes maanden geleden werd de laatste Loyalistische muurschildering in het stadje verwijderd van zijn prominente plek aan Corcrain Road en vervangen door een nieuwe, waarin de soldaten uit Ulster die aan de Somme zijn gesneuveld worden herdacht. Volgens een persbericht van de regering was dit ‘een keerpunt voor de goede betrekkingen in het gebied’. Maar niet iedereen ziet dat zo. De nieuwe muurschildering is op zichzelf prachtig, maar de onderliggende boodschap is zeer agressief en sektarisch, op een manier die je klassiek-Noord-Iers zou kunnen noemen.

    Muurschildering van het Ulster Protestants League in Portadown, Noord-Ierland 2004. – © Wally Nelemans / Flickr
    Muurschildering van het Ulster Protestants League in Portadown, Noord-Ierland 2004. – © Wally Nelemans / Flickr

    Noord-Ierland bestaat maar om één reden als eenheid: als een vrijplaats voor een protestantse gemeenschap, die een eeuw geleden werd getraumatiseerd door het vooruitzicht te worden opgenomen in een door katholieken gedomineerd Ierland. Ulster noemt zichzelf graag Loyalistisch, hoewel de loyaliteit jegens de Kroon altijd meer het karakter heeft gehad van een transactie dan dat er sprake was van veel respect.

    Overvleugeld door de omvang van de katholieke gezinnen en de komst van de migranten, zijn de Loyalisten verbijsterd door de politieke ontwikkelingen. Na het recente ontslag van Martin McGuinness als vicepremier worden ze geconfronteerd met ongewenste verkiezingen, waarvan alom wordt verwacht dat ze in een verdere patstelling zullen eindigen en – vrij waarschijnlijk – tot het herstel zullen leiden van het rechtstreeks bestuur vanuit Londen.

    Toen McGuinness, zichtbaar ziek, zich uit de politiek terugtrok, kreeg hij op het journaal een overdreven eerbetoon van Ian Paisley, de zoon van zijn voormalige aartsvijand en regeringspartner dominee Ian Paisley. Je moest jezelf in je arm knijpen om je te herinneren dat McGuinness een man is van wie iedereen in Noord-Ierland, behalve wellicht hijzelf, gelooft dat hij IRA-lid is geweest. En ook, in de woorden van The Irish Times, ‘een meedogenloze commandant van een organisatie die verantwoordelijk is voor zo’n achttienhonderd moorden’.

    Östalgie

    Geen wonder dus dat de Oranjemannen zich gedesoriënteerd voelen. Velen hebben hun hoop op de Brexit gevestigd. Tijdens een phone-in op Radio Ulster deze week hoorde ik oudere luisteraars een soort Oost-Duitse östalgie tentoonspreiden, een onwaarschijnlijke nostalgie naar een afschuwelijk verleden. Eén beller eiste de terugkeer van de grensbewaking en verlangde naar de gelukzalige tijd dat Noord-Ierland vrij was van wapens, explosieven en drugs…

    De Brexit kan ook leiden tot een onafhankelijk Schotland, de meest natuurlijke bondgenoot van de unionisten in het Verenigd Koninkrijk. Hierdoor zou Ulster een nóg geïsoleerder aanhangsel worden dan ooit, en ingekapseld aan de zuidgrens. Onder zulke omstandigheden kan een pleidooi tegen een verenigd Ierland een absurde indruk maken.

    Bij de rivier trof ik visser Maurice McIlwaine, die hier veertig jaar geleden vanuit Belfast neerstreek en het destijds maar een dooie boel vond. Het is nu beter, meent hij: ‘Vroeger zat het hier vol gespuis. Tegenwoordig moet je een beetje verder zoeken om ze te vinden.’

    Ondertussen, terwijl de treurige mannen van Drumcree hun wekelijkse protestbrief afleveren, begint het oranje te vervagen. Protestants Ulster heeft weerstand weten te bieden aan de kogel en de bom, maar wordt nu geconfronteerd met de onverbiddelijke kracht van de demografie. Met andere woorden: het zou wel eens niet ten onder kunnen gaan door geweld, maar door seks.

    Auteur: Matthew Engel
    Vertaler: Menno Grootveld

    CONTEXT: Nieuwe lijn Sinn Féin

    Michelle O’Neill, vorige maand benoemd tot opvolgster van Martin McGuinness, is de eerste leider van Sinn Féin ‘die niet de bagage van de IRA met zich meezeult’, benadrukt The Irish Times. In tegenstelling tot haar voorganger – ooit leider van de IRA – heeft O’Neill nooit banden met de paramilitaire organisatie gehad, hoewel ook haar familie heeft geleden onder de Troubles: haar vader, betrokken bij de republikeinse beweging voor burgerrechten, zat gevangen na zijn arrestatie door de Britse strijdkrachten, en haar neef, wel lid van de IRA, werd doodgeschoten door het Britse leger.

    ‘Ik zie het als de taak van mijn generatie om de wonden van het verleden te helen,’ zei O’Neill in Belfast Telegraph. De verkiezingen van 2 maart zien er voor Sinn Féin veelbelovend uit. ‘De partij heeft zich opnieuw uitgevonden met de harde lijn jegens de Democratic Union Party (DUP) van eerste minister Arlene Foster, wier partij te lijden heeft gehad onder de schandalen rond subsidies voor duurzame energie. Als de verkiezingen inderdaad zo ‘grandioos’ zullen verlopen als de krant voorspelt, zou Michelle O’Neill, veertig jaar oud, wel eens de nieuwe premier kunnen worden.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten, en een van de koplopers op het gebied van crowdsourcing in de journalistiek.

  • De IRA is niet verdwenen

    De IRA is niet verdwenen

    De recente moord op voormalig IRA-lid Kevin McGuigan heeft tot onrust geleid in Ierland. Volgens de politie zit het Ierse Republikeinse Leger erachter. Een ongemakkelijke waarheid voor alle partijen die de vrede willen bewaren.

    Een belangrijke figuur binnen 
de IRA – en Sinn Fein – legde onlangs openlijk uit waarom Kevin McGuigan dood moest. McGuigan, een gangster en voormalig lid van de Provisional IRA [de officiële naam van de IRA], had in april Jock Davison (46) doodgeschoten, een lokaal Provo-kopstuk in de wijken Short Strand en Markets. Ook zou hij van plan zijn geweest om een andere hoge Provo in de stad om te leggen. Er werd gefluisterd dat hij de afgelopen weken ‘gezien’ was terwijl hij diens huis in West-Belfast in de gaten hield. Bovendien had McGuigan een ouder echtpaar bedreigd in het katholieke Short Strand, waar 
hij kennelijk probeerde een crimineel imperium op te bouwen. En hij had 
een hond doodgeslagen met een hamer, vermoedelijk omdat het beest te hard blafte. Om al deze redenen, legde de IRA-man uit, ‘moest’ hij vermoord worden. [Hetgeen op 12 augustus gebeurde.] McGuigan was zelf een doorgewinterde moordenaar. Vrijwel al zijn slachtoffers waren zogenaamde ‘criminelen’ of ‘drugsdealers’, van wie er een twintigtal door de IRA werd vermoord in de nasleep van de ‘wapenstilstand’ van midden jaren negentig.

    Volgens de IRA paste de moord op McGuigan binnen het programma ‘Action Against Drugs’ (AAD). Dit is een reïncarnatie van ‘DAAD’ (Direct Action Against Drugs), de dekmantel die door de Provisional IRA werd gebruikt om minstens een tiental mannen te vermoorden, die er allemaal van werden beschuldigd drugsdealers of criminelen te zijn in de katholieke, nationalistische arbeidersgemeenschappen in Noord-Ierland, midden en eind jaren negentig. De slachtoffers zouden zich hebben beziggehouden met criminele activiteiten, zonder beschermingsgeld af te dragen aan de IRA. Kevin McGuigan en zijn vroegere partner Jock Davison waren de voornaamste moordenaars in DAAD. De twee waren verantwoordelijk voor de moord op Micky Mooney (34), een kleine drugsdealer die in april 1995 werd doodgeschoten in een bar in het centrum van Belfast. De moorden op Mooney en meer dan veertig anderen in de daaropvolgende tien jaar – onder wie diverse totaal onschuldige jongemannen die geen ‘respect’ zouden hebben getoond voor de Provo’s – werden door de IRA allemaal afgedaan als ‘schoonmaak’ binnen de ‘eigen’ gemeenschap, en gebagatelliseerd of genegeerd om de weg te banen voor de toetreding van Sinn Fein tot de regering, iets wat na de volgende verkiezing ook zou gebeuren. Slechts één van de 45 geregistreerde moorden die sinds de wapenstilstand door de IRA werden gepleegd, leidde tot een veroordeling. Het ontkennen van het bestaan van de IRA in een deel van de Ierse en Britse media, de weigering om toe te geven of te geloven dat de IRA in december 2004 de roofoverval op de Northern Bank pleegde (met een buit van 27 miljoen pond, ofwel 37,5 miljoen euro) en de moord beraamde op, onder vele anderen, Robert McCartney [in 2005] en Paul Quinn [in 2007] – het kwam [op 21 augustus] allemaal op losse schroeven te staan toen de hoogste opsporingsambtenaar van de Ierse politie verklaarde dat de Provisional IRA betrokken was bij de moord op Kevin McGuigan.

    Kevin McGuigan wordt naar zijn laatste rustplaats gedragen in Belfast. 
© Charles McQuillan / Getty Images
    Kevin McGuigan wordt naar zijn laatste rustplaats gedragen in Belfast. 
© Charles McQuillan / Getty Images
    Een IRA-kopstuk verklaarde openlijk dat Kevin MgGuigan vermoord ‘moest’ worden

    Geheime afspraak

    Binnen de Ierse politiediensten en hun tegenhangers in Noord-Ierland is men er altijd stilletjes van overtuigd geweest dat de Provo’s hun wapens nooit hebben ingeleverd, en zelfs zijn doorgegaan met het importeren van wapens tijdens en na de onderhandelingen over het Goede Vrijdag-akkoord. Volgens regeringsbronnen bestond er een ‘geheime afspraak’, die niet alleen door de Britse en Ierse regering werd gesteund maar ook door de Amerikaanse. Hierbij werd hun toegestaan alle criminele activiteiten voort te zetten.
    Tussen 1998 en 1999 stuurde een IRA-eenheid in Florida 23 pakjes naar adressen in het Verenigd Koninkrijk en de Ierland die 122 automatische handwapens bevatten. Dit zou het tweede of derde deel zijn van een zending van in totaal vierhonderd vuurwapens. Deze wapensmokkel werd weggewuifd in het gezamenlijke Brits-Ierse beleid van ‘constructieve dubbelzinnigheid’ wat betreft de veronderstelde non-existentie van de Provisional IRA.
    Deze constructieve dubbelzinnigheid stelde de Provo’s in staat om door te gaan met het uitvoeren van moorden, schietpartijen en afranselingen, en met het runnen van de grootste criminele onderneming op het eiland – die onlangs door een hooggeplaatste bron in de Republikeinse gemeenschap werd geschat op een waarde van 800 miljoen tot 1 miljard euro aan bezittingen en geld.
    Goede bronnen in de Republikeinse gemeenschap, die voorstander zijn van het vredesproces, zeiden vorige week dat er ‘geen twijfel’ over is of 
is geweest dat de IRA nog steeds bestaat, dat de commandostructuur wordt gehandhaafd, dat het aan het hoofd staat van een enorme criminele organisatie die zich bezighoudt met het smokkelen van brandstof en tabak en andere activiteiten, en dat het nog steeds – zoals de moord op Kevin McGuigan heeft aangetoond – een ‘militaire’ rol speelt. Onder de aanhang bevinden zich minstens twee prominente leden van Sinn Fein.
    De IRA-kopstukken leiden allemaal een luxeleven, omringd door een gevolg van hielenlikkers die hun inkomsten halen uit criminele ondernemingen en de miljarden euro aan publiek geld die als steun aan het vredesproces naar Noord-Ierland stromen.
    Toen Kevin McGuigan zichzelf losmaakte van dit circus en mensen met geweld ging intimideren, werd hij ruim tien jaar geleden door de IRA door zijn knieën geschoten. Zij sluimerende woedde hierover zou volgens sommigen hebben geleid 
tot de solomissie tegen zijn vroegere partners en de moord op zijn oude vriend Jock Davison.
    Er wordt in Belfast veel gediscussieerd over wat McGuigan tot deze kennelijke kamikazeactie tegen de IRA heeft gebracht. Maar men is het over één ding eens: áls hij er iets 
mee heeft bereikt, dan is het wel dat de Provo’s – negentien jaar na het Goede Vrijdag-akkoord – eindelijk 
de uitspraak hebben bevestigd die Gerry Adams in augustus 1995 deed: ‘Ze zijn niet verdwenen, weet u’.

    Jim Cusack