Tag: Irakoorlog

  • VS: aannemer moet 42 miljoen dollar betalen aan Abu Ghraib-gevangenen

    VS: aannemer moet 42 miljoen dollar betalen aan Abu Ghraib-gevangenen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Verenigde Staten schorten burgervluchten naar Haïti op na schietincidenten

    » Washington: ‘Duizenden Noord-Koreaanse soldaten vechten mee met Russen‘

    Gevangenen in Abu Ghraib werden gemarteld en vernederd

    Dinsdag beval een federale rechtbank in de VS het privébedrijf CACI International, waaraan het Amerikaanse ministerie van Defensie de ondervraging van gevangenen in de Iraakse Abu Ghraib-gevangenis had gedelegeerd, om drie Irakese ex-gevangenen te compenseren met een bedrag van 42 miljoen dollar. ‘Daarmee kwam een einde aan een 15 jaar durende juridische strijd‘, merkt Al-Jazeera op.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De onderaannemer werd door een jury in de Amerikaanse staat Virginia schuldig bevonden aan de ‘marteling en wrede, onmenselijke en vernederende behandeling‘ van de gedetineerden. De gecompenseerde gevangenen zijn een schoolhoofd, een fruitverkoper en journalist Salah Al-Ejaili, gearresteerd na de Amerikaanse invasie van Irak in 2003.

    De publicatie in 2004 van foto‘s waarop te zien was hoe gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis vernederd en mishandeld werden door Amerikaanse soldaten leidde tot wereldwijde verontwaardiging.

  • Robert D. Kaplan over zijn steun aan de Irakoorlog: ‘Ik ben gezakt voor mijn test als realist’

    Robert D. Kaplan over zijn steun aan de Irakoorlog: ‘Ik ben gezakt voor mijn test als realist’

    Robert D. Kaplan was een van de meest prominente voorstanders van de oorlog in Irak. De voormalige adviseur van George W. Bush worstelt daar nog steeds mee. Bij de twintigste verjaardag van de invasie schreef hij een boek dat lessen bevat voor het conflict in Oekraïne.

    Het stadje Stockbridge, in het verre westen van Massachusetts, is een toevluchtsoord voor de rijken en hoogopgeleiden van Boston en New York. Hier hebben zij hun ‘cottages’, landhuizen in New England-stijl. Een van de wijken van deze gemeenschap met tweeduizend inwoners, gelegen aan de voet van de Berkshire Mountains, heet Interlaken. Stockbridge is een goede plek om je terug te trekken van het gekrakeel van de Amerikaanse buitenlandse politiek, militaire avonturen en oorlogen.

    Afstand biedt overzicht. Aan de muren in de werkkamer van Robert D. Kaplan hangen kaarten. Een raam biedt uitzicht op een rivier. Aan de andere oever is een golfbaan te zien met daarachter de torens van een kerk en een monument voor veteranen. ‘Het lijkt hier landelijk,’ zegt Kaplan, ‘maar dat is misleidend.’ Kaplans verschijning – spijkerbroek, sportschoenen en zijn bescheiden toon – verhult zijn intellectuele kaliber.

    Kaplan is een van de meest invloedrijke politieke denkers in de VS en ook een van de meest bereisde. Hij werd geboren in New York en woonde als jongeman in Portugal, Israël en Griekenland. Vanuit Oost-Europa, Afrika, het Midden-Oosten en Azië deed hij verslag voor kranten als The Wall Street Journal. Zijn boek over het uiteenvallen van Joegoslavië, The Ghosts of the Balkans, was leesvoer voor Bill Clinton toen de NAVO ingreep in de Bosnische oorlog. Zijn essay The Coming Anarchy waarschuwde al vroeg voor de politieke gevolgen van klimaatverandering, verstedelijking en bevolkingsgroei in het mondiale Zuiden.

    Verstikkend

    In zijn nieuwe boek The Tragic Mind analyseert Kaplan een beslissing die precies twintig jaar geleden werd genomen. Die beslissing wordt nog steeds beschouwd als een van de grootste blunders van het Amerikaanse buitenlandse beleid en stortte Kaplan zelf, zoals hij schrijft, in een ‘klinische depressie’: de invasie van Irak, die begon op 20 maart 2003.

    Kaplan maakte destijds deel uit van het team van adviseurs van president George W. Bush. Hoe kon het gebeuren dat uitgerekend hij, een van de nuchterste geopolitieke waarnemers van zijn land, zo’n prominente voorstander werd van de oorlog in Irak? En wat heeft hij ervan geleerd?

    Kaplan kende Irak, want hij had door het land gereisd in de jaren tachtig, op het hoogtepunt van de dictatuur van Saddam Hoessein. De sfeer van geweld, schrijft hij, ‘was even verstikkend als de hitte en het stof buiten de muren van het presidentiële paleis, dat met machinegeweren werd bewaakt’. In de oorlog tegen Iran en tegen de Koerden in Noord-Irak had Saddam gifgas gebruikt, en Kaplan zag in 1984 de slachtoffers in de moerassen van Huwaisa aan de Tigris. Daar lagen de lichamen van Iraanse soldaten, op elkaar gestapeld door Saddams troepen. ‘De Irakezen waren er trots op.’

    Die ervaring vormde hem. Kaplan had verslag gedaan in Syrië, Sierra Leone en het Roemenië van Nicolae Ceaușescu. ‘Maar dat soort tirannie had ik nog nooit meegemaakt,’ zegt hij. ‘Het voelde alsof je niet kon ademen. Ik vroeg me af: bestaat er nog iets ergers dan dit?’

    ‘Ik had mijn emoties laten prevaleren boven een onpartijdige analyse’

    In november 2001 woonde hij op uitnodiging van de onderminister van Defensie een geheime vergadering bij en werkte hij mee aan een intern document waarin werd gepleit voor de invasie van Irak. ‘Destijds dacht ik vooral aan het veiligheidsaspect,’ zegt Kaplan nu. De luchtafweer van Saddam had het vuur geopend op Amerikaanse vliegtuigen in de twee noflyzones, ‘dus de vrees bestond dat een Amerikaanse piloot zou worden neergeschoten en door de straten van Bagdad zou worden gesleept’.

    Kaplan was niet de enige die zich uitsprak voor de invasie, die uitmondde in een conflict dat meer dan honderdduizend levens kostte. Het Amerikaanse Congres stemde in beide Huizen voor, met in de Senaat onder meer de latere presidentskandidaten Hillary Clinton en John Kerry en de huidige president Joe Biden.

    Anders dan veel politici, is Kaplan echter bereid om zijn besluit te herzien en hij spaart zichzelf daarbij niet: ‘Ik had mijn emoties laten prevaleren boven een onpartijdige analyse. Ik ben gezakt voor mijn test als realist.’

    Bloedige anarchie

    Een jaar na het begin van de oorlog keerde Kaplan terug naar Irak. ‘Daar was ik getuige van iets veel ergers, zelfs erger dan het Irak van de jaren tachtig: een bloedige anarchie van allen tegen allen die door het regime van Saddam met de meest extreme wreedheid werd onderdrukt.’ Sindsdien, zegt hij, hoort hij de woorden van de Perzische filosoof Abu Hamid al-Ghasali: ‘Een jaar anarchie kan erger zijn dan honderd jaar tirannie.’ Een extreme zin die, als je erop doordenkt, tot de conclusie leidt dat elke revolutie en elke buitenlandse interventie tegen autoritaire regimes uitgesloten is. Want wie kan garanderen dat de omverwerping van een dictator niet tot chaos leidt?

    ‘Al-Ghasali overdreef,’ zegt Kaplan. Maar waarom gebruikt hij die zin dan in zijn boek wanneer hij het tirannieke Irak van Saddam vergelijkt met de anarchie na de Amerikaanse invasie? Kaplan antwoordt met een andere filosoof: Albert Camus. ‘De mens, zegt Camus, komt in opstand en zolang er geschiedenis is, zullen er revoluties zijn. Maar revolutionairen hebben ook een verantwoordelijkheid, namelijk: plannen maken voor een betere orde.’

    Het zijn filosofen als Camus maar meer nog de toneelschrijvers van het oude Griekenland bij wie Kaplan te rade gaat voor de grote vragen van de moderne geopolitiek. Want het conflict tussen orde en chaos – het centrale thema van de Griekse tragedie – is nog altijd het kernpunt van verantwoord staatsmanschap.

    ‘Geopolitiek is van nature tragisch’

    ‘Geopolitiek,’ zegt Kaplan, ‘is van nature tragisch.’ En in tegenstelling tot de conventionele opvatting betekent tragisch niet de overwinning van het kwaad op het goede. ‘De Holocaust, de genocide in Rwanda, de oorlog in Bosnië – dat waren geen tragedies, maar enorme en gruwelijke misdaden. Het is een tragedie wanneer twee mogelijkheden een appel doen op ons geweten, terwijl we er maar één kunnen kiezen. Het is het conflict tussen het ene goede en het andere. Door het ene te kiezen boven het andere, ontstaat lijden.’

    De Grieken begrepen ‘dat er verschillende manieren zijn om te falen en dat sommige daarvan beter zijn dan andere. Als je ze bestudeert begrijp je dat je soms moet accepteren dat iets slechts 55 procent goed is en 45 procent slecht.’

    De laatste Amerikaanse president die handelde in de geest van deze ‘tragische sensibiliteit’, is voor Kaplan George H.W. Bush, de vader van de man die Irak binnenviel. ‘Bush senior deed drie opmerkelijke dingen als president: hij bevroor de betrekkingen met China na het bloedbad van Tiananmen in 1989, maar hij verbrak ze niet. Na de val van de Berlijnse Muur maakte hij geen overwinningsronde door Oost-Europa, om de Sovjets niet voor het hoofd te stoten. En in 1991 schopte hij de Irakezen uit Koeweit, maar liet het na om op te rukken naar Bagdad en Saddam Hoessein af te zetten.’

    Lessen uit de oorlog

    Wat Kaplan leerde van de Irakoorlog van 2003 is geen eenvoudige of radicale les. Hij is niet principieel tegen militair ingrijpen, maar hij roept wel op tot veel meer voorzichtigheid en verantwoordelijkheid dan de jongere Bush – mede op zijn advies – destijds betrachtte. Politici die, zoals Bush senior, zelf ervaring met oorlog en dood hebben gehad, vinden dat gemakkelijker dan anderen. Maar de verplichting om ‘tragisch te denken’ geldt ook voor hen.

    Van de oorlog om Koeweit in 1991, de interventies in achtereenvolgens voormalig Joegoslavië, Afghanistan, Irak en die in 2011 in Libië, verdedigt Kaplan achteraf gezien alleen de eerste twee. Welke lessen kunnen we trekken uit de Amerikaanse ‘mislukte militaire avonturen’ voor het grote conflict van onze tijd, de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne?

    Kaplan, in gesprek doorgaans even pessimistisch als in zijn boek, is verrassend zelfverzekerd. Geen van deze conflicten is te vergelijken met de oorlog in Oekraïne, maar president Biden doet het juiste, zegt hij. ‘Hij stuurt geen troepen naar Oekraïne, in tegenstelling tot Bush in Irak. Hij gebruikt geen bommenwerpers, in tegenstelling tot Obama in Libië. Wel steunt hij Oekraïne met tientallen miljarden aan wapens om een rivaliserende grootmacht te verzwakken. En hij doet wat hij kan om uitbreiding van de oorlog naar de NAVO te voorkomen. Biden heeft geleerd van de ervaring met Irak.’

    ‘Biden is erg langzaam en hij denkt na. Maar ik denk dat dit het juiste beleid is’

    De oorlog in Irak werd gevoerd met het uitgesproken doel om Saddam omver te werpen en zijn partij, leger en veiligheidsapparaat te vernietigen. Dat is gelukt, ten koste van tienduizenden levens en een vloedgolf aan onbedoelde gevolgen: van de opkomst van Islamitische Staat tot de versterking van het regime in Teheran. Als de Grieken dergelijke overwinningen niet al hadden vernoemd naar de Molossische koning Pyrrhus, dan konden ze die naar George W. Bush vernoemen.

    Tegenwoordig wordt weliswaar soms gezinspeeld op een regime change in Rusland, maar het taboe dat is ontstaan door de oorlog in Irak geldt nog steeds: het volk bepaalt wie er over welk land regeert. Dat uitgerekend de Amerikaanse president zich in het openbaar uitsprak over het einde van het bewind van Poetin (‘Bij God, deze man kan niet langer aan de macht blijven!’), wijt Kaplan aan de ‘loze retoriek’ van een man die bewezen heeft verder ‘doorgaans competent’ te zijn.

    Volgens Kaplan is het een goed teken dat Bidens koers omstreden is. Bijna elk wapensysteem dat naar Oekraïne wordt gestuurd, leidt tot discussie in het Pentagon, zegt hij. ‘Mede daarom arriveren de wapens er niet zo snel als veel interventionisten zouden willen. Wat dat betreft zijn velen ontevreden over Biden. Hij is erg langzaam en hij denkt na. Maar ik denk dat dit het juiste beleid is.’

    Is dat beleid te timide? Het boek van Kaplan kan zeker worden gelezen als een pleidooi voor angst, zowel in het leven als in de politiek. ‘Angst redt ons van zo veel dingen’, citeert hij de Britse schrijver Graham Greene. Liever spreekt hij van ‘constructief pessimisme’, zegt Kaplan. ‘Ik maak een afweging van alle slechte dingen die mij of mijn natie kunnen overkomen. Als ik alle redenen heb overwogen waarom ik iets niet zou moeten doen en dan besluit het toch te doen, is het waarschijnlijk de juiste beslissing.’

    Robert D. Kaplan: The Tragic Mind. Fear, Fate, and the Burden of Power, Yale University Press.

  • Deze lessen kunnen we twintig jaar later trekken uit de Irakoorlog

    Deze lessen kunnen we twintig jaar later trekken uit de Irakoorlog

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week gaan we dieper in op de gevolgen van de invasie van Irak. In 2003 werd dictator Saddam Hoessein afgezet door een coalitie onder leiding van de VS, maar heeft dit het land ook democratie en voorspoed gebracht?

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €4 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.

    Waarom besloten de VS en hun bondgenoten Irak binnen te vallen?

    ‘Een lawine van raketten bedekte het luchtruim boven Bagdad. Om 22.16 uur op 19 maart 2003 (Amerikaanse tijd) verscheen de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush op tv: “Amerikaanse en coalitietroepen zijn zojuist begonnen met een militaire operatie om Irak te ontwapenen, de bevolking te bevrijden en de wereld te beschermen tegen ernstig gevaar.” Operation Iraqi Freedom was begonnen’, schrijft El País.

    Op die dag, deze week twintig jaar geleden, viel de ‘Coalition of the Willing’ onder leiding van de Verenigde Staten het door Saddam Hoessein geleide land binnen. Naast de VS leverden ook het Verenigd Koninkrijk, Australië en Polen troepen. Later sloten meer landen, waaronder Nederland, zich aan bij de coalitie. Wat was de aanleiding voor deze oorlog?

    Na de aanslagen van Al-Qaida op 11 september 2001 in de VS riep George W. Bush ‘de oorlog tegen terrorisme’ uit. Volgens de Amerikaanse president bevond de ‘as van het kwaad’ zich in het Midden-Oosten. Landen als Afghanistan en Irak zouden een schuilplaats bieden aan terroristen.

    De Iraakse leider Saddam Hoessein zou massavernietigingswapens produceren en verborgen houden, beweerden Bush en zijn regering – beschuldigingen waar nooit bewijs voor gevonden is. Sommige leden van de Amerikaanse regering zeiden ook dat Hoessein banden had met Al-Qaida, een aantijging die de inlichtingendiensten later verwierpen, schrijft The New York Times

    MpqoSqsl0wfNFFPf4gEsLZjJZi5V13AiGZOQUU8Ajv DNYARNLY8t2lXP6etOBOBd5pMTjZJVtRTjRQ0vecu3 Ua2Zq DvTjJjmtQJ
    Amerikaanse soldaten rijden op de derde dag van Operation Iraqi Freedom (22 maart 2003) in konvooi door de woestijn naar het noorden van Irak. – © Eric Feferberg / AFP Photo

    Diane Abott, parlementslid voor Labour, beschrijft in een opiniestuk in The Guardian hoe het Verenigd Koninkrijk de oorlog in werd gerommeld. ‘Het was vanaf het begin duidelijk dat Tony Blair vastbesloten was de oorlog in te gaan, schouder aan schouder met George W. Bush. De relatie met de VS leek voor hem belangrijker dan de mening van zijn eigen partij, en deze leek ook belangrijker dan de vraag of de oorlog legaal was of niet’, schrijft Abott, die al sinds 1987 parlementariër is. 

    ‘Bij aanvang aan het debat ontbrak het volledig aan bewijs dat Irak massavernietigingswapens bezat. Het hoofd van de VN-wapeninspectie, Hans Blix, zei dat hij en zijn teams tot nu toe geen “smoking gun” in Irak hadden gevonden’, aldus Abott. ‘Iedereen wist dat de stemming niet echt ging over het nut van de oorlog. In plaats daarvan werd het een stemming over of je Blair persoonlijk steunde of niet. Iedereen wist dat tegen de oorlog stemmen betekende dat je carrière voorbij was.’

    Hoe heeft de invasie Irak veranderd?

    ‘Tijdens de herdenking in Irak van de door Amerika geleide invasie die dictator Saddam Hoessein twintig jaar geleden ten val bracht, waart een leger van geesten rond tussen de levenden. De doden en verminkten achtervolgen iedereen in dit land – zelfs degenen die het verleden achter zich willen laten’, schrijft Alissa J. Rubin in The New York Times. Zij verbleef twee weken in het land om met de inwoners te praten over de gevolgen van de oorlog.

    Officieel duurde de oorlog acht jaar, waarbij op het hoogtepunt, in 2007, tot 170.000 Amerikaanse soldaten in het land aanwezig waren. Hoewel het einde van Operation Iraqi Freedom formeel werd afgekondigd in 2011, gingen de gevechten daarna nog door. Vandaag de dag zijn er nog 2500 Amerikaanse soldaten in het Arabische land; het Congres geeft nog steeds toestemming voor voortzetting van de oorlog.

    De humanitaire ramp is desastreus: meer dan een half miljoen Iraakse doden – voor het overgrote deel burgers – en zeven miljoen ontheemden in Irak en Syrië, volgens het Costs of War-project van Brown University. De VS hebben bijna 4500 soldaten verloren en nog eens 30.000 raakten gewond, volgens cijfers van het Pentagon. Costs of War schat de economische kosten tot nu toe op ongeveer 1,8 biljoen dollar (1,7 biljoen euro), wat kan oplopen tot 2,9 biljoen dollar (2,71 biljoen euro) in 2050.

    Volgens El País zijn er vele fouten gemaakt na de invasie. ‘De beslissingen om het leger van Saddam Hoessein (geëxecuteerd in december 2006) te ontbinden, waarmee honderdduizenden soldaten op straat kwamen te staan, om het bestuur te zuiveren van Ba’athistische (Saddams partij) functionarissen en om een kleinere troepenmacht te sturen dan nodig was om de doelstellingen te bereiken, leidden tot een toename van geweld, corruptie, sektarisme en economische problemen.’

    Het wantrouwen jegens de soennieten, die de dictator hadden gesteund, en de bevordering van het sjiisme deden de invloed van Iran in het land toenemen. In Irak zijn momenteel verschillende sjiitische milities actief die voor een deel aangestuurd worden door Iran. 

    Ook nu nog bedreigt het sektarisme, waardoor in het land vooral sinds 2006 een bloedige burgeroorlog is uitgebroken, het politieke leven met een eeuwige impasse. Afgelopen oktober gaf het parlement groen licht voor de regering van premier Mohammed Shia al-Sudani, een jaar na de verkiezingen waarbij de sjiitische geestelijke Muqtada al-Sadr, een grote vijand van de Amerikaanse invasie, als winnaar uit de bus kwam. De verkiezingen werden uitgeschreven na de grote protesten van 2019, die grotendeels geleid werden door jongeren die zich verzetten tegen de systematische corruptie, werkloosheid en het gebrek aan kansen. 

    G1xDUiNSLXcm0aOI2VAc6SQSZaRmQi HsPtx581SzCfyYyHBNjwYcEJ88wqOLgaEPULcpnsiYoTZTKkhExRlYhuNAurIDdHddo9c6OSI45IFJ Tmy780n7DExOSSAFroZJAp742zFqJCbkk6lTo EhQ
    Aanhangers van Muqtada al-Sadr betuigen hun steun aan de sjiitische geestelijke in 2022. – © © Ahmad Al-Rubaye / AFP

    Deze sektarische verdeeldheid, die vooral opkwam na de Amerikaanse invasie, lag eerder ook aan de basis van de opkomst in Irak van extremistische groeperingen zoals Al-Qaida, aldus El País. Uiteindelijk zou dat de Islamitische Staat van Irak en de Levant (ISIS) worden, die zich vervolgens in delen van Irak en delen van Syrië vestigde. In 2014 zag president Barack Obama, drie jaar na de terugtrekking van de troepen die hij zelf in gang had gezet, zich daardoor gedwongen opnieuw Amerikaanse soldaten inzetten in het land. In 2015 gaf hij opdracht tot het inzetten van troepen in Syrië, waar nu nog zo’n negenhonderd soldaten verblijven.

    Om een beeld te schetsen van hoe het land in twintig jaar is veranderd, sprak  Alissa J. Rubin vijftig Irakezen. Uit haar bevindingen komt duidelijk naar voren dat de oorlog Irak ingrijpend heeft veranderd. ‘Het is een veel vrijere samenleving dan onder Hoessein en een van de meest democratische landen in het Midden-Oosten, met meerdere politieke partijen en een grotendeels vrije pers’, aldus Rubin

    Toch komt uit de gesprekken ook een verontrustend beeld naar boven van een olierijk land dat economische voorspoed zou moeten kennen, maar ‘waar de meeste mensen zich niet veilig voelen en hun regering niet anders zien dan als een corruptiemachine’. Volgens de Irakezen die de Rubin spreekt is de kwaliteit van basisvoorzieningen, zoals toegang tot elektriciteit, slecht en liggen de lonen te laag om rond te komen. Volgens het Iraakse ministerie van Planning leeft ongeveer een kwart van de Irakezen op of onder de armoedegrens.

    ‘We wilden altijd van Saddam af,’ zegt een van de ondervraagden tegen Rubin. ‘We weten dat Irak rijk aan grondstoffen is, en we hoopten dat het beter zou worden. Maar we hebben niet gekregen waar we op hoopten.’

    Welke gevolgen heeft de Irakoorlog gehad voor de mondiale verhoudingen?

    De geloofwaardigheid van de VS in de wereld heeft een zware klap gekregen door de oorlog in Irak. Vooral in het Midden-Oosten hebben de VS aan morele statuur en invloed ingeboet. ’De bezetting heeft de mythe van de Amerikaanse militaire macht doorgeprikt en een eind gemaakt aan de reputatie van het land als de enige supermacht na de Koude Oorlog die in staat is de wereld (…) zijn wil op te leggen’, schrijft El País.

    ‘Het vacuüm dat de VS achterlieten werd opgevuld door Islamitische Staat, wat uiteindelijk leidde tot de crisis en de burgeroorlog in Syrië. We kregen de Arabische Lente, talloze opstanden en terroristische aanslagen. Door een oorlog zonder mandaat en de daaropvolgende acties, waaronder afschuwelijke martelingen en schendingen van de mensenrechten op locaties als de Abu Ghraib-gevangenis, heeft het Westen zijn morele kracht verloren en het is er niet in geslaagd die te herstellen’, schrijft The Irish Examiner in een hoofdredactioneel commentaar. 

    Een gewonde Iraakse jongen en een soldaat nabij de stad Mosul in 2017. Omar, zoals de jongen heet, verloor zijn beide ouders tijdens gevechten om de stad tussen Islamitische Staat en het Iraakse leger. – © Ahmad Al-Rubaye / AFP

    ‘Vóór de invasie in Irak was de invloed van Rusland in het Midden-Oosten tanende, een positie die Vladimir Poetin op een gruwelijke manier heeft teruggewonnen. Dit heeft hem het vertrouwen gegeven om Oekraïne binnen te vallen en gesterkt in zijn nauwere allianties met China en Iran, gepersonifieerd door het bezoek van de Chinese president Xi Jinping aan Moskou. Het Kremlin verwijst bij kritiek op zijn eigen optreden al snel naar de Amerikaanse inval in Irak.’

    ‘De wereld is ontegenzeggelijk gevaarlijker geworden sinds de invasie van 2003’, concludeert de Ierse krant.

    Lees ook:

  • De waarheid over de vernietiging van Irak

    De waarheid over de vernietiging van Irak

    Voor de chaos in Irak dragen de Amerikanen dragen een zware verantwoordelijkheid. Maar volgens de politiek hoofdredacteur van Al-Hayat heeft de Iraakse elite net zoveel schuld.

    Eind 2014 zond de Saoedische tv-zender Al-Arabiya een reeks interviews uit met Paul Bremer, die in mei 2003 als speciaal gezant van president Bush in Irak was om het land weer op te bouwen en humanitaire hulp te verlenen. Bremer stond in de Arabische wereld bekend als de man die de de-Baathisering van Irak – het uit de macht zetten van alle aan de Baath-partij van Saddam Hoessein gelieerde personen – in gang had gezet en het Iraakse leger had ontmanteld, twee beslissingen waarvoor hij persoonlijk had getekend. Nu weten we dat deze twee maatregelen, na de buitengewoon gewelddadige executie van Saddam Hoessein in december 2013, een hoofdrol hebben gespeeld bij het uitbreken van een godsdiensttwist in Irak, en daarmee bij de opkomst van IS.

    Tijdens een van deze interviews legde Bremer uit dat vóór het uitbreken van de oorlog een honderdtal leden van de Iraakse oppositie aan Washington had gevraagd hun land te bevrijden, niet alleen van Saddam Hoessein maar 
ook van de Baath-partij. Maar, voegde Bremer eraan toe, de Amerikanen 
hadden toen een de-Baathisering voor ogen die alleen tegen de hoogste leiders gericht zou zijn, oftewel 1 procent van de partij. De uitvoering van het decreet berustte echter bij de nieuwe Iraakse leiders, die allemaal het 
sjiitische geloof aanhingen en de de-Baathisering hebben laten ontaarden in een jacht op de soennieten in Irak, en de gehele soennitische gemeenschap in het land uit het raderwerk 
van de macht hebben gestoten. De naam van de in 2015 gestorven Ahmed Chalabi, lid van de sjiitische oppositie tegen Saddam Hoessein en vriend van de Amerikaanse neoconservatieven, wordt vaak met deze beslissing in 
verband gebracht; hij werd uiteindelijk de zondebok, waardoor talrijke andere Iraakse leiders die verantwoordelijk waren voor deze geschiedenis vrijuit gingen.


    Tijdens een ander interview deed Bremer een nog belangrijkere mededeling, namelijk dat de Koerdische en sjiitische leiders met afscheiding 
hadden gedreigd als de Amerikanen het Iraakse leger niet wilden ontmantelen. Geen enkele politicus in Bagdad heeft de woorden van Bremer weersproken. Desondanks overheerst de indruk dat het de Amerikaanse gezant was die deze beslissing helemaal alleen heeft genomen, alsof de Irakezen zichzelf niets te verwijten hebben als het gaat om het bloedbad dat sindsdien in hun land is aangericht.

    De executie van Saddam Hoessein, voltrokken op de eerste dag van het Offerfeest in Al-Karada, op maar enkele meters van de plek waar de toenmalige premier, de sjiiet Nouri al-Maliki, de bruiloft van zijn zoon vierde, blijft de enige religieuze geweldpleging die niet op het conto van de Amerikanen is geschreven.

    Maar in elk geval zijn het Irakezen 
die op dit moment hun land regeren. Nog maar enkele dagen geleden heeft de Kamer van Afgevaardigden een wet aangenomen die niet alleen de Baath-partij verbiedt, maar ook elke poging bestraft om er campagne voor te voeren. Deze wet voorziet zelfs in een ‘speciaal tribunaal’ dat over de ‘misdaad’ van overtreders moet oordelen.

    De 
grootste fout van Amerika is dat ze op de Iraakse elite hebben vertrouwd

    Wat het Iraakse leger betreft, dat is in werkelijkheid niet ontmanteld maar heeft een herstructurering ondergaan waarvan de rampzalige gevolgen zichtbaar werden toen IS in 2014 zonder slag of stoot Mosul kon binnenvallen, omdat het leger zich had teruggetrokken en geen enkel verzet bood. En heel onlangs heeft de huidige Iraakse premier, de sjiiet Haider al-Abadi, besloten het leger officieel te laten fuseren met de zogeheten milities ‘van de volksbeweging’, die in feite confessionele sjiitische milities zijn. Deze 42 
milities tellen zo’n 150.000 sjiitische strijders en vallen grotendeels onder het gezag van de Iraanse generaal Qassem Suleimani, die belast is met het Midden-Oosten. Deze beslissing bewijst dat de Iraakse regering een leger wil dat honderd procent sjiitisch is. Om dat te bereiken moest korte metten worden gemaakt met het leger van Saddam Hoessein, dat door soennieten werd geleid.

    Toch bleven veel mensen de illusie koesteren dat alles beter zou gaan 
in Irak, tot de funeste dag dat de Amerikanen arriveerden en allerlei onheil over het land afriepen, met inbegrip van de allesoverheersende invloed van het geloof, waaraan de bevolking niet gewend was. De Amerikanen dragen onmiskenbaar een enorme verantwoordelijkheid voor wat er van het land geworden is, door de handelsblokkade die ze Irak al in 1991, voordat de oorlog begon, hebben opgelegd, door de oorlog zelf en door een gebrek aan visie op wat er na de oorlog moest gebeuren – om nog maar te zwijgen van het schandaal van de Abu Ghraib-gevangenis, waar Irakezen gemarteld werden. Maar hun 
grootste fout is dat ze op de Iraakse elite hebben vertrouwd, dat ze die hebben gerespecteerd en naar hun adviezen hebben geluisterd. Terwijl allang bewezen was dat die uit een bende bloeddorstige en corrupte misdadigers bestond.

    Auteur: Hazem Saghieh
    Vartaler: Peter Bergsma

    Beeld bovenaan: De Amerikaanse speciaal gezant Paul Bremer met sjiitische leiders. © Saeed Khan / Getty

    Al-Hayat
    Saoedi-Arabië | dagblad | oplage 110.000

    ‘Het Leven’ is ongetwijfeld de meest toonaangevende krant van de Arabische diaspora en het favoriete podium voor liberale Arabieren die een groot publiek willen bereiken. De krant neigt naar pro-westerse en pro-Saoedische berichtgeving, maar staat ook open voor andere meningen.

    CONTEXT: Corruptie in de hoogste kringen van de staat

    Met 142 tegen 102 stemmen heeft het Iraakse parlement op 24 augustus jl. het vertrouwen opgezegd in minister van Defensie Khaled al-Obeidi, en hem 
daarmee gedwongen om af te treden. Op 3 juli, na de aanslag die de wijk Karrada in Bagdad in een bloedbad veranderde waarbij 324 doden en honderden gewonden vielen, werd minister van Binnenlandse Zaken Mohammed al-Ghabban al de laan uitgestuurd. ‘Twee belangrijke ministersposten zijn vacant op het moment dat men een groot offensief voorbereidt tegen Mosul, de hoofdstad van Islamitische Staat’, schrijft The Washington Post. Volgens de Amerikaanse krant zijn deze twee ontslagen het bewijs van de ernstige politieke instabiliteit van dit land, dat geacht wordt grote stukken van zijn territorium te bevrijden.

    De regering en haar twee afgedankte ministers 
beschuldigen elkaar wederzijds van corruptie. Volgens de regering was het tweetal in talloze omkoopaffaires verwikkeld; volgens de ex-ministers zelf zijn ze ontslagen omdat ze de illegale zelfverrijking van andere ministers aan de kaak stelden.