Tag: isis

  • Zo werkt het geheime bankennetwerk van IS

    Zo werkt het geheime bankennetwerk van IS

    Geldwisselkantoren in Irak, Syrië, Turkije en Jordanië sluizen dagelijks miljoenen dollars van en naar het kalifaat. The Wall Street Journal legt uit hoe dit in zijn werk gaat.

    Al langer dan een jaar treffen de VS en hun bondgenoten Islamitische Staat met luchtaanvallen en financiële sancties. Desondanks weet de extremistische beweging nog altijd haar strijders te bevoorraden, voedsel te importeren en snelle winsten te maken door middel van geldspeculatie.

    Dat laatste gebeurt dankzij mannen als Abu Omar, een de facto bankier van de terreurgroep. De Iraakse zakenman maakt deel uit van een netwerk van financiers dat zich uitstrekt over Noord- en Midden-Irak. Al tientallen jaren regelen zij de financiële transacties van lokale handelaren die gewone banken mijden.

    Toen Islamitische Staat de regio in 2014 in handen kreeg, deed ’s werelds rijkste terreurgroep hem een aanbod waarop hij besloot in te gaan: hij kon zijn bedrijf houden als hij ook het geld van de IS zou beheren.

    ‘Ik stel geen vragen,’ zegt Abu Omar, wiens geldwisselkantoren in de Iraakse steden Mosoel, Suleimaniya, Arbil en Hit tien procent rekenen voor het overmaken van geld van en naar het gebied waar de extremisten de baas zijn – twee keer zo veel als het normale tarief. ‘Islamitische Staat is goed voor de zaken.’

    Deze financiers zorgen ervoor dat miljoenen dollars in contanten dagelijks de Islamitische staat in- en uitstromen, wat de internationale inspanningen frustreert om de groep af te snijden van het mondiale banksysteem, zo zeggen betrokkenen uit de financiële wereld. Ze opereren dwars door grenzen en slagvelden heen in een van ’s werelds gevaarlijkste conflicten, beschermd door winsten en hun onmisbare rol in de regionale economie.

    Daarnaast heeft Islamitische Staat, hoewel geleid door soennitische fundamentalisten, blijk gegeven van pragmatisme waar het de financiering van zijn activiteiten betreft. ‘IS volgt de wetten van het geld, niet die van de religie of politiek. Wat dat betreft is de beweging zo Iraaks als wat,’ zegt een geldwisselaar uit Al-Anbar, wiens netwerk reikt van de Jordaanse hoofdstad Amman tot Fallujah en Bagdad.

    ‘Er is geen eenvoudige of snelle manier om IS van zijn enorme rijkdommen te beroven’

    Daniel Glaser, de Amerikaanse onderminister die zich bezighoudt met terrorismefinanciering, zegt dat geldwisselkantoren – waarvan er alleen al in Irak meer dan zestienhonderd zijn – een zorgwekkende link naar de buitenwereld zijn voor het zelfverklaarde kalifaat.

    ‘We proberen op verschillende manieren IS zijn financiële middelen te ontnemen en de toegang tot het internationale financiële stelsel te ontzeggen,’ zegt Glaser. De Federal Reserve en het Amerikaanse ministerie van Financiën werken samen met bondgenoten in het Midden-Oosten. Maar, zegt hij, er is ‘geen eenvoudige of snelle manier om IS van zijn enorme rijkdommen te beroven’.

    Hawala

    De mannen die de wisselkantoren en bijbehorende lege vennootschappen beheren, weerspiegelen de verscheidenheid aan etnische en religieuze groepen in Irak. Hun netwerk stoelt op vertrouwen. Hun leden voeren overboekingsopdrachten uit, in realtime. Iemand betaalt met contant geld in een kantoor en ver daarvandaan int een ontvanger hetzelfde bedrag, een praktijk die hawala heet en in het Midden-Oosten ouder is dan het moderne banksysteem.

    Geldwisselaars bieden een betrouwbare manier om transacties van tienduizenden dollars uit te voeren tussen plekken die honderden kilometers uit elkaar liggen. Ze voldoen hun rekeningen door grote hoeveelheden bankbiljetten heen en weer te vervoeren, vaak door oorlogsgebied.

    Drie Iraakse geldwisselaars zeggen dat ze sjiitische milities, die tegen Islamitische Staat vechten, betalen om geldtransporten te bewaken vanuit Bagdad, dwars door de frontlinies, naar gebied dat door strijders wordt gecontroleerd, in de provincie Anbar. Iraaks-Koerdische militanten, die ook in gevecht zijn met Islamitische Staat, worden omgekocht om doorgang te verlenen aan geldtransporten, dwars door hun frontlinies, naar gebieden rond Mosoel, die in handen zijn van IS. Volgens de geldwisselaars bedingen zowel sjiitische als Koerdische commandanten hiervoor tarieven van tussen de duizend en tienduizend dollar.

    Islamitische Staat heft op zijn beurt een belasting van twee procent op contanten die zijn grondgebied binnenkomen. In ruil hiervoor krijgen smokkelaars bescherming op het laatste stuk van hun route naar de wisselkantoren, zo melden vier betrokkenen.

    Een geldwisselkantoor in de Grote Bazaar in Istanboel. – © Kerem Uzel / Getty Images
    Een geldwisselkantoor in de Grote Bazaar in Istanboel. – © Kerem Uzel / Getty Images

    Het geld wordt via minstens drie routes afgeleverd. Een begint in de smalle straatjes achter de Grote Bazar van Istanboel en leidt via Iraaks-Koerdische steden naar Mosoel, de grootste stad in handen van Islamitische Staat. Een andere verbindt Amman met Bagdad en de door IS gecontroleerde delen van de provincie Anbar in Irak. Een derde voert van de stad Gaziantep in het zuiden van Turkije naar de Syrische regio rond Raqqa, het bestuurscentrum van IS.

    Financiële inperking

    Volgens Turkse en Jordaanse functionarissen zetten hun overheden alles op alles om Islamitische Staat te bestrijden. Zowel het witwassen van geld als de financiering van terreur worden stevig aangepakt. Iraakse functionarissen zeggen dat geldwisselaars met een vergunning een belangrijke rol spelen in de financiële sector van het land, maar dat wie de wet overtreedt of terroristen steunt moet worden gestraft.

    Ministers van Buitenlandse Zaken van de door de VS geleide coalitie tegen IS herhaalden vorige maand dat ze vastbesloten waren de economie en de financiële activa van de groep, die worden geschat op 300 miljoen tot 700 miljoen dollar, te verstoren. Deze pogingen tot financiële inperking maken deel uit van een campagne die verder bestaat uit Amerikaanse luchtaanvallen op oliebronnen van IS. Ook zijn er aanvallen geweest op kluizen in het centrum van Mosoel. Amerikaanse functionarissen vermoeden dat die contanten bevatten waarmee strijders worden betaald.

    Het Amerikaanse ministerie van Financiën en andere Amerikaanse instellingen sturen Bagdad regelmatig rapporten over vermoedelijke terroristische financiële transacties, aldus Amerikaanse ambtenaren. Ze onderhouden ook nauwe betrekkingen met toezichthouders en veiligheidsdiensten in de buurlanden. Desondanks blijft het geld stromen.

    In een half uur tijd hebben de klanten volgens deelnemers ongeveer 50.000 dollar naar Mosoel overgemaakt

    De Centrale Bank van Irak publiceerde in december een lijst van 142 geldwisselkantoren die Washington ervan verdenkt geld door te sluizen voor Islamitische Staat. De centrale bank sloot deze bedrijven uit van zijn tweemaandelijkse dollarveilingen, in de hoop een tekort aan Amerikaanse bankbiljetten te veroorzaken bij de terreurgroep – de economie van IS draait op contant geld, net als in een groot deel van Irak.

    Ten minste twee bedrijven op de lijst, beide gevestigd in Mosoel, blijven geld overmaken van Turkije naar Iraakse en Syrische steden in handen van IS, zo stellen drie klanten. Een van hen, Azva El Seyig, zegt over de telefoon geen financiële diensten – ook geen geldovermakingen – te verrichten binnen het grondgebied van de Islamitische Staat, omdat dit te moeilijk is geworden.

    Toch staan er op een regenachtige februariochtend ongeveer twintig Iraakse en Syrische mannen in de rij bij het kantoor van het bedrijf in de wijk Beyazit van Istanboel. In een half uur tijd hebben de klanten volgens deelnemers ongeveer 50.000 dollar naar Mosoel overgemaakt. Twee klanten ontvangen 10.000 dollar uit Raqqa, Syrië. Niemand op het kantoor vraagt wat het doel is van de transacties of naar de precieze herkomst van het geld.

    De employee achter het glazen raampje heeft maar één vraag voor een klant die 700 dollar uit Mosoel wilde innen: wordt de ontvanger gezocht door IS? ‘Dat is de enige transactie die we niet kunnen verrichten,’ zegt de werknemer.

    Raderen van de economie

    Iraakse vluchtelingen en zakenmensen in Turkije, Jordanië en de Koerdische stad Arbil in Irak zeggen dat de afgelopen anderhalf jaar nog veel meer van dergelijke bedrijven zijn ontstaan, vermoedelijk om te profiteren van de groei van de Islamitische Staat.

    ‘Geld stroomt makkelijker dan water,’ aldus de Iraakse handelaar Kemal, die gebruikmaakt van de diensten van een ander Turks-Iraaks bedrijf, Taha Cargo, om fondsen over te hevelen van IS, en vervolgens zijn logistieke netwerk benut om in ruil hiervoor goederen te vervoeren. Taha wil geen commentaar geven.

    Dergelijke transacties maken deel uit van het sociale weefsel in het Midden-Oosten, vanwege de service die ze verlenen, hun discretie en hun tijdige levering. Ze opereren vanuit kantoren die niets verraden van wat ze precies doen en van de hoeveelheid geld die ze beheren.

    De financiers van deze praktijken kennen de liquiditeit van hun handelspartners en gaan geen transacties aan die niet kunnen worden voldaan. Bedrog en overvallen komen zelden voor. In een dergelijke hechte beroepsgroep weten geldwisselaars dat hun families verantwoordelijk zullen worden gesteld voor onbetaalde schulden, en dat hun stam onder eventuele malversaties zal lijden.


    Iraakse bankiers en ontwikkelingsorganisaties schatten dat meer dan de helft van de Iraakse detailhandel vertrouwt op geldwissel- en geldovermakingsbedrijven, in plaats van op gewone banken. Hierdoor moeten Iraakse ambtenaren een midden zien te vinden tussen internationale vereisten en de gezondheid van hun economie. Ontmanteling van het netwerk van geldwisselaars zal een economische schok veroorzaken.

    ‘Ze zijn de raderen van de Iraakse economie. Zonder hen hebben we geen geïmporteerde kleding, komt er geen verse groenten binnen,’ zegt Yahya al-Kubaisi, een analist bij het Iraakse Studies Center in Jordanië en een voormalige Iraakse politicus.

    Kluizen van Mosoel

    Voordat IS Mosoel veroverde, had deze stad van bijna twee miljoen inwoners 40 banken en ongeveer 120 geldwisselaars en overmakingskantoren met een vergunning, zo melden de centrale bank en geldwisselaars in Irak.

    Alleen banken en overmakingskantoren hebben een vergunning om geld over te maken in binnen- of buitenland. Maar geldwisselaars lappen deze regels al lang aan hun laars en verleenden deze diensten in Mosoel, de economische motor van Noord-Irak.

    Toen IS Mosoel in juni 2014 veroverde, en daarna andere steden in Irak en het oosten van Syrië, betekende dat het einde van lokale banken. De terreurgroep plunderde de kluizen en maakte volgens Amerikaanse schattingen honderden miljoenen dollars buit.

    De Verenigde Staten en regionale overheden ondernamen onmiddellijk stappen om bankkantoren binnen de Islamitische Staat af te snijden van het internationale bancaire netwerk. Transacties die de identificatiecode van de in beslag genomen kantoren vermeldden, werden ongeldig verklaard.

    © Osman Orsal / Reuters
    © Osman Orsal / Reuters

    Daardoor groeiden geldwisselaars uit tot de enige aanbieders in een regio met enkele miljoenen inwoners. Een ondernemer in de provincie Anbar zegt dat zijn kantoren aan het einde van de zomer van 2014 500.000 dollar per week aan geldtransacties in en uit de Islamitische Staat behandelden. De commissie voor deze diensten bedroeg volgens hem tien procent. Voor de komst van IS lag het tarief tussen de drie en vijf procent.

    ‘Irak heeft geen accountants, Irak heeft ambtenaren die steekpenningen verwachten’

    Aanvankelijk werden sommige transacties verricht voor mensen die aan de extremistische groep wilden ontsnappen. De geldwisselaars ‘vroegen niet waarom je geld stuurde of wie de ontvanger was, zelfs als ze wisten dat je het de Islamitische Staat uit stuurde, voor jezelf of de familie,’ zegt Mohammed, een voormalige professor in Mosoel, nu een vluchteling vanwege zijn verklaarde atheïsme, waardoor hij een doelwit is van IS.

    Een geldwisselaar in Fallujah zegt dat hij in juni 2015 100.000 dollar naar Bagdad overmaakte voor een man uit Anbar die in de ogen van de Iraakse autoriteiten mogelijk een strijder was van IS. De geldwisselaar zou de transactie hebben gedaan omdat hij niet geloofde dat de beschuldiging terecht was: ‘Ik vind niet dat ik iets verkeerd heb gedaan.’

    Tegen die tijd werden vrijwel alle goederen die de Islamitische Staat inkwamen – zoals motorolie voor auto’s die strijders vervoerden en de voor vrouwen verplichte zedige kleding – ingekocht via het netwerk van geldwisselaars, aldus drie betrokken handelaren.

    IS-leiders verboden wisselkantoren vorig jaar om geldovermakingen over de grenzen van de Islamitische Staat goed te keuren zonder ontvangstbewijs waaruit bleek dat de klant tien procent religieuze belasting (zakat) had betaald.

    Behalve met belastinginning, heeft het netwerk van geldwisselaars IS ook geholpen te profiteren van geldspeculatie – bijvoorbeeld door meer geld aan belasting te geven, en via de rechtstreekse winsten van wisselkantoren.

    Al jaren nemen wisselkantoren deel aan de tweemaandelijkse, door de centrale bank georganiseerde dollarveilingen. Ze kopen dollars op tegen de officiële koers en verkopen die met winst op straat. Het tariefverschil bedroeg het afgelopen jaar zeven procentpunten.

    Zwarte lijst

    Voor de eerste veiling in december plaatsten geldwisselbedrijven orders voor meer dan 20 miljoen dollar. Gezien de koersverschillen tussen de veiling en de zwarte markten in de Islamitische Staat, waren deze transacties goed voor een potentiële winst van ruim 330.000 dollar.

    De Centrale Bank van Irak heeft een grotendeels door oliereserves gefinancierde rekening bij de Federal Reserve, en onttrekt daaraan regelmatig grote zendingen van nieuwe bankbiljetten van 100 dollar. Het geld wordt door een gecharterd vliegtuig van een Fed-faciliteit in Rutherford, New Jersey, naar Bagdad overgevlogen.

    De Fed blokkeerde vorige zomer tijdelijk leveringen, uit angst dat de biljetten via de wisselkantoren bij IS terecht zouden komen. Een gebrek aan contanten dreigde, totdat de zendingen in augustus werden hervat, nadat Irak had toegezegd meer inzage te geven in de bestemmingen van het geld.

    Veel geldwisselbedrijven in de Islamitische Staat – of hun geaffilieerde kantoren elders in Irak – namen tot half december deel aan de veilingen, waarna de VS Irak onder druk zetten om tientallen bedrijven die mogelijk samenwerkten met de terreurgroep te verbieden.

    Geldwisselaars die nog steeds deelnemen aan de valutaveiling twijfelen aan de effectiviteit van de zwarte lijst. Irak heeft geen mechanisme om te voorkomen dat de eigenaars van verboden bedrijven de restricties omzeilen. Ze kunnen simpelweg nieuwe bedrijven oprichten, of een verborgen eigendomsbelang nemen in andere ondernemingen.

    ‘Irak heeft geen onderzoekers of accountants,’ zegt geldwisselaar Abu Omar. ‘Irak heeft ambtenaren die steekpenningen verwachten.’

    Auteur: Margaret Coker*
    Vertaler: Carl Stellweg

    • Suha Ma’ayeh in Amman, Emre Peker in Istanboel, Ali Nabhan in Bagdad en Emily Glazer droegen bij aan dit artikel.

    The Wall Street Journal
    Verenigde Staten | dagblad, oplage 2.000.000

    De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid nodig: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zó patriottisch zijn, dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.

  • 4. IS verslaan?

    4. IS verslaan?

    Bombarderen of niet bombarderen? Daarover gaat de discussie in het Westen als het IS betreft. Maar volgens de Libanese nieuwssite Now hebben militaire acties geen zin. Alleen door te proberen Irak nu eens écht te begrijpen, kunnen we een begin maken met een oplossing.

    Op dit moment heeft Amerika twee opties om IS te bestrijden, en die zijn geen van beide militair van aard. De eerste, een noodoplossing die in de toekomst wel eens contraproductief zou kunnen werken, houdt in dat het evenwicht tussen soennieten en sjiieten in Irak en de hele regio wordt hersteld. Daarvoor is het noodzakelijk dat Washington zich krachtig opstelt tegenover Iran, maar dat is een politiek die Obama zichtbaar tegenstaat. Dit ondanks het feit dat een nucleair akkoord met Teheran naar zijn eigen zeggen de VS de vrijheid zou bieden om zich zonder angst voor een nucleaire countdown te kunnen concentreren op de destabilisatiepolitiek van Iran.

    De tweede optie is Irak écht begrijpen – iets waar de Amerikanen niet voor openstaan, zoals Obama veelvuldig heeft herhaald. Amerika moet het idee loslaten een natie op te bouwen, en er juist voor zorgen dat het hele Midden-Oosten zich ontwikkelt tot een regio waarin gerechtigheid het wint van het recht van de sterkste.

    Pech gehad

    Om IS te ontmantelen moet Amerika eerst begrijpen wat de oorzaken zijn geweest voor het ontstaan van deze organisatie. Helemaal omdat Washington grotendeels verantwoordelijk is voor de situatie waaruit deze ergste terroristische groepering op aarde 
uiteindelijk is voortgekomen.

    Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, zoals geldt voor de meeste leiders van IS, dan hebt u vermoedelijk rond uw negende het uitbreken van de oorlog met Iran 
meegemaakt. In de jaren tachtig ging het op de Iraakse televisie alleen maar over dit conflict en werden de hele 
dag vaderlandslievende liederen en items met het laatste nieuws van het front uitgezonden. Tijdens deze oorlog werden de Irakezen voortdurend geconfronteerd met de dood van tientallen jonge mensen – ouders, vrienden, buren, naasten. In die tijd behoorden verdriet, sterfgevallen en begrafenissen tot de dagelijkse realiteit.

    Irakezen werden voortdurend geconfronteerd met de dood van ouders, vrienden, naasten

    In 1991 zou een Iraakse man die begin jaren zeventig geboren was rond de twintig zijn. Op dat moment viel Irak Koeweit binnen, dat vervolgens naar het stenen tijdperk werd teruggebombardeerd door de luchtaanvallen van een coalitie van veertien landen die 
de hele infrastructuur vernietigden 
en het Iraakse leger totaal uiteensloegen om het uit Koeweit te verdrijven.

    Dat was het moment waarop Washington de sjiieten in het zuiden en de Koerden in het noorden aanmoedigde om hun lot in eigen handen te nemen en tegen Saddam Hoessein in opstand te komen. Maar nadat de dictator de rebellen verpletterend had verslagen, was de enige reactie van Amerika: ‘pech gehad’.


    Vervolgens kregen de Irakezen ook nog een zwaar VN-embargo te verduren dat bijna tot hongersnood leidde. Door hyperinflatie daalde de dinar sterk in waarde, waarna de Iraakse regering geen andere keuze had dan het voedsel te rantsoeneren, en dat wordt tot op de dag van vandaag volgehouden.

    Net als Obama volgde ook oud-president Bill Clinton dezelfde beleidslijn – zich niet langer in de situatie ter plaatse mengen, maar wel de sancties hand‑
haven – met als enig resultaat dat de Iraakse bevolking nog verder verzwakte. Saddam en zijn handlangers hadden uiteraard geen last van het embargo 
en hebben het zelfs gebruikt om het weinige wat het land nog kon voortbrengen te plunderen. De rest van de bevolking leed armoede.

    De door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd

    Om de internationale sancties te overleven begonnen Irakezen die dicht bij de grens woonden te smokkelen. Na 2003 bleken de zo ontstane netwerken ook heel geschikt om mensen, geld en wapens te leveren voor een opstand die aan meer dan vierduizend Amerikanen het leven heeft gekost. Deze netwerken bestaan nog steeds en maken IS tot een goed geoliede organisatie, ondanks allerlei financiële sancties die door Amerika en de rest van de wereld zijn opgelegd.

    Afgezien van de wijdverspreide armoede en de werkloosheid moesten de Irakezen ook nog leven in de greep van een megalomane leider die steeds wreder werd naarmate zijn machts‑
basis verder afbrokkelde. Alsof deze optelsom van armoede, werkloosheid, geweld en economisch isolement nog niet genoeg was, bleven Amerika en zijn bondgenoten Irak bestoken op 
het punt van zijn programma voor massavernietigingswapens, ook al 
was dat inmiddels stopgezet. Van tijd tot tijd bombardeerden westerse 
jachtvliegtuigen Bagdad of andere delen van het land. Operatie Desert 
Fox in 1998 is daar een voorbeeld van.

    Operatie Wraak

    Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, en u hebt twee verwoestende conflicten, een VN-embargo, armoede, werkloosheid en de dictatuur van Saddam overleefd, dan hebt u dus de Operatie Iraqi Freedom in 2003 meegemaakt. Maar de door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd. Was u soenniet, dan was 2003 het jaar dat u er opeens onterecht van werd beschuldigd ofwel een Baath-aanhanger ofwel een terrorist te zijn. Zo raakten de vele duistere gevangenissen uit de tijd van Saddam langzaam vol met soennieten.

    Tegenwoordig zijn de Amerikanen en de rest van de wereld ervan overtuigd dat het een grove vergissing van Washington is geweest om de oorlog tegen Irak te beginnen, want dat gebeurde op grond van verkeerde inlichtingen van de onlangs overleden Ahmed Chalabi. Maar dat is enkel het topje van de ijsberg. Chalabi, van wie later duidelijk werd dat hij voor [de Iraanse] generaal Qasem Soleimani werkte, heeft de Verenigde Staten gevoed met valse inlichtingen, niet alleen voorafgaand aan, maar vooral na de oorlog. Onder invloed van Chalabi, dus in feite onder invloed van Iran, is Operatie Iraqi Freedom omgebogen in Operatie Wraak van Iran. De nieuwe Iraakse leiders – voornamelijk uit 
ballingschap teruggekeerde sjiieten 
en getrouwen van Teheran – hebben de Amerikaanse macht gebruikt om 
de fanatieke Saddam-aanhangers, maar tegelijk ook alle soennieten, 
volledig uit te schakelen.

    Auteur: Hussein Abdul Hussein
    Vertaler: Tess Visser

    Now
    Libanon | now.mmedia.me

    Arabische en Engelstalige nieuwssite sinds 2007, aanvankelijk geconcentreerd op Libanees nieuws. In 2012 werd de focus verlegd naar het gehele Midden-Oosten.

  • 3. Turkije biedt stilzwijgend steun aan IS

    3. Turkije biedt stilzwijgend steun aan IS

    Als de Turken Koerdische strijdkrachten hun gang lieten gaan, zou IS kunnen worden uitgeschakeld.

    Na de terreuraanslagen in Parijs kon men van de westerse staatshoofden verwachten dat zij, zoals gebruikelijk, de oorlog zouden verklaren aan degenen die ervoor verantwoordelijk waren. Dat deden ze ook, maar ze meenden het eigenlijk niet. Terwijl ze tijdens de G20 in Antalya, twee dagen na ‘Parijs’, hun vastberaden uitspraken deden, babbelden diezelfde leiders met de Turkse president Erdogan, de man wiens stilzwijgende politieke, economische en zelfs militaire steun bijdraagt aan het vermogen van IS om diezelfde aanslagen in Parijs te plegen – nog afgezien van de eindeloze stroom van wandaden in het Midden-Oosten zelf.

    Een Iraaks meisje wacht met haar zusje op hun moeder (r) die hen voedsel komt brengen tijdens gevechten om Basra in 2003. – © Jerry Lampen / Reuters)
    Een Iraaks meisje wacht met haar zusje op hun moeder (r) die hen voedsel komt brengen tijdens gevechten om Basra in 2003. – © Jerry Lampen / Reuters)

    Hoe kan IS worden uitgeschakeld? In de regio weet iedereen dat: door de goeddeels Koerdische strijdkrachten van de YPG (Democratische Unie) in Syrië en de PKK in Irak en Turkije erop los te laten. Zij hebben bewezen uitermate effectief te zijn. Tegen de gebieden in Syrië die door de YPG worden gecontroleerd, heeft Turkije evenwel een embargo afgekondigd, en de PKK-eenheden worden door de Turkse luchtmacht gebombardeerd. Daarentegen steunt Turkije Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaida.

    Vertaler: Lambiek Berends

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • 2. Zo komt IS aan wapens en munitie

    2. Zo komt IS aan wapens en munitie

    De strijders van IS hebben voortdurend behoefte wapens en (vooral) munitie. De Financial Times bracht de bloeiende illegale handel in kaart. ‘Ze kopen als gekken,’ zegt een wapenhandelaar. Als het moet zelfs van de vijand.

    In zijn geboortestad in Oost-Syrië was algemeen bekend dat Abu Ali wapens leverde aan rebellen die tegen IS vechten. Hij wist een jaar 
geleden dan ook zeker dat zijn dagen waren geteld toen twee jihadistische commandanten uit hun pick-uptruck stapten en naar hem toe liepen. Maar tot zijn verbazing gaven ze hem een gedrukt velletje papier met de tekst: ‘Deze persoon mag allerlei soorten wapens kopen en verkopen binnen de Islamitische Staat.’ ‘Er stond zelfs een stempel van de stad Mosul op,’ herinnert Abu Ali zich.

    In plaats van te worden vastgezet of verdreven, zoals ze hadden gevreesd toen IS vorig jaar Oost-Syrië veroverde, werden veel handelaren op de zwarte markt – zoals Abu Ali – door de jihadisten in de watten gelegd. Ze werden opgenomen in een ingewikkeld systeem van vraag en aanbod dat ervoor zorgt dat ’s werelds rijkste jihadistische groepering voorzien blijft van munitie in het zelf uitgeroepen ‘kalifaat’, dat 
de helft van Syrië en eenderde van 
Irak omvat.

    Miljoenenhandel

    ‘Ze kopen als gekken, iedere dag: ’s morgens, ’s middags en ’s avonds,’ zegt Abu Ali, die – net als anderen 
die binnen het grondgebied van IS hebben geopereerd – heeft gevraagd niet bij zijn echte naam genoemd te worden.

    IS kreeg voor honderden miljoenen dollars aan wapens te pakken toen in de zomer van 2014 de tweede stad van Irak, Mosul, werd ingenomen. Sindsdien heeft de groepering bij iedere slag die ze heeft gewonnen meer materiaal verworven. Tot het arsenaal behoren Amerikaanse Abrams-tanks, M16-geweren, MK19-granaatwerpers (die werden afgenomen van het Iraakse leger) en Russische M46-kanonnen 
(die werden buitgemaakt op de Syrische strijdkrachten).

    Maar de handelaren zeggen dat er ondanks dit alles nog steeds iets is 
wat IS hard nodig heeft: munitie. 
Het meest gevraagd is munitie voor kalasjnikovs, machinegeweren en luchtafweergeschut. IS koopt ook raketgranaten en kogels voor sluipschutters, maar dan in kleinere hoeveelheden.

    Het is lastig de precieze bedragen te berekenen die gemoeid zijn met de miljoenenhandel in munitie van IS. Eerder dit jaar vergden de schermutselingen aan de frontlinie bij de oostelijke stad Deir Ezzor – slechts een van de vele slagvelden – per maand op zijn minst voor een miljoen dollar aan munitie, volgens interviews met strijders en handelaren. Alleen al het decemberoffensief van een week op 
het nabijgelegen vliegveld kostte een miljoen dollar, zeiden ze.

    Bij de gevechten kunnen op één dag tienduizenden kogels gebruikt worden

    De behoefte van IS aan munitie weerspiegelt de tactiek die de groepering in de strijd hanteert: bij aanvallen en terugtrekkingen is ze sterk afhankelijk van autobommen, zelfmoordvesten en geïmproviseerde explosieven. Maar bij de snel op en neer gaande gevechten daartussenin – meestal met kalasj‑
nikovs en op trucks gemonteerde machinegeweren – kunnen op één dag tienduizenden kogels verbruikt worden. Strijders zeggen dat vracht‑
wagens diverse frontlinies iedere dag van nieuwe munitie voorzien.

    Om dit aanbod veilig te stellen maakt IS gebruik van een ingewikkelde logistieke operatie, waarvan strijders zeggen dat die zo cruciaal is dat ze onder rechtstreeks toezicht staat van de hoge militaire raad die deel uitmaakt van het hoogste leiderschap van de groepering. Dit lijkt op de wijze waarop het beheer wordt gevoerd over de oliehandel, de voornaamste bron van inkomsten van IS.

    Foto Iraakse strijdkrachten inspecteren een partij wapens en munitie die is buitgemaakt op IS. – © AP Photo / Osama Sami
    Foto Iraakse strijdkrachten inspecteren een partij wapens en munitie die is buitgemaakt op IS. – © AP Photo / Osama Sami

    De beste bronnen voor munitie zijn de vijanden van IS. De milities in Irak die aan de zijde van de regering vechten, verkopen een deel van hun voorraden aan handelaren op de zwarte markt, die ze vervolgens doorverkopen aan IS-handelaren. Vooral in de drievoudige oorlog in Syrië zijn de IS-strijders afhankelijk van hun rivalen: de strijdkrachten van president Bashar al-Assad en de rebellen die strijden om zowel Assad als IS omver te werpen. Dit is het punt waarop Syrische wapenhandelaren een cruciale rol spelen. Abu Ali vluchtte toen hem werd gevraagd tot hun gelederen toe te treden, maar Abu Omar, een veteraan op de zwarte markt, heeft zich voluit in de handel gestort.

    We konden wapens van het regime, de Irakezen en de rebellen kopen – zelfs als we wapens van de Israëli’s hadden kunnen kopen, had het ze niets kunnen schelen, zolang ze de wapens maar kregen,’ zegt Abu Omar. In gesprek met de Financial Times, in een bar in Turkije, vertelt hij – terwijl hij de ene na de andere whisky naar binnen giet – hoe zijn jaar als wapenhandelaar voor IS is verlopen. Hij is er in augustus mee opgehouden, zegt hij, nadat hij had geconstateerd dat IS ‘repressief’ was.

    IS-commandanten zorgen voor gestempelde identiteitsbewijzen voor handelaren die officieel zijn goedgekeurd door twee leden van de veiligheidsdienst van IS. De groepering legt vervolgens een exclusiviteitsclausule op: de wapenhandelaren mogen zich vrijelijk bewegen en hun handel bedrijven – zolang IS maar hun enige klant is.


    De tegenstanders van de jihadisten zijn geïntrigeerd door het vermogen van de groepering om tijdens gevechten snel grote hoeveelheden munitie te verplaatsen. In Noord-Irak hebben Koerdische peshmergastrijders gedetailleerde documenten gevonden van wapen- en munitieleveranties, met orders die waren opgesteld voor gevechten die nog maar net waren geëindigd. ‘Binnen 24 uur werd de munitie per auto naar hen toegestuurd,’ zegt een veiligheidsfunctionaris in Irak, die niet bij naam genoemd wil worden.

    Strijders en handelaren prijzen de snelheid van de communicatiesystemen van de jihadisten. Een rondreizende ‘commissie’, benoemd door de militaire raad in Irak, spreekt voortdurend met de ‘wapencentra’ in iedere provincie, zo zeggen zij, die op hun beurt verzoeken van de militaire emirs in behandeling nemen. Gesprekken tussen de emirs 
en de ‘centra’ kunnen soms door hun vijanden op walkietalkiefrequenties worden afgeluisterd. Aan de Iraaks-Syrische grens zitten Koerdische peshmergastrijders rondom een apparaat dat is afgestemd op een krakende IS-frequentie, waar strijders om ‘kebab’, ‘kip tikka’ en ‘salade’ vragen.

    Alles draait om geld. Het kan niemand iets schelen wie je bent… Ze geven alleen maar om dollars

    Kebab staat waarschijnlijk voor een zwaar machinegeweer,’ zegt Abu Ahmad, een rebellencommandant uit Oost-Syrië die onder IS heeft gevochten totdat hij deze zomer naar Turkije vluchtte. ‘Salade moet munitie voor kalasjnikovs zijn. Er zijn explosieve kogels, doordringende kogels – een mix, net als salade,’ lacht hij.

    Abu Omar zegt dat hij via WhatsApp 
in contact trad met de centra. Om de paar dagen geeft de rondreizende 
commissie prijslijsten uit, die de centra gebruiken voor de kogels en granaten die het meest in trek zijn. Het centrum waar Abu Omar verslag aan uitbracht stuurde hem sms-berichten over prijswijzigingen. Volgens handelaren liepen hun commissies uiteen van 
10 tot 20 procent.

    De prijzen stijgen naarmate de door 
de VS gesteunde coalitiekrachten de groepering verder wegdrijven van de Turkse grens, waardoor het aantal potentiële smokkelroutes kleiner wordt, vertelde Abu Ahmad aan de Financial Times. IS heeft meer licenties verstrekt om de concurrentie te bevorderen en de prijzen omlaag te krijgen, klaagde een handelaar. Wapenhandelaren vechten nu om dezelfde handeltjes.

    Het grootste deel van de munitie komt uit Syrië, dat nu een bron van wapens is geworden voor de hele regio. Financiers uit de Golfstaten sturen hun favoriete rebellengroepering vrachtwagens vol munitie over de Turkse grens. 
Corrupte strijders zorgen ervoor dat een deel daarvan bij lokale handelaren terechtkomt; de grensprovincies Idlib en Aleppo zijn nu de grootste zwarte markten van het land geworden, aldus lokale bewoners. Na vijf jaar oorlog doet ideologie er nauwelijks nog toe, aldus Abu Ahmad. ‘Sommige dealers haten IS zelfs. Maar dat maakt niet uit als het om winst maken gaat.’

    Geld

    Dealers maken gebruik van een netwerk van chauffeurs en smokkelaars om munitie te verbergen in trucks 
die civiele goederen als groenten en bouwmaterialen afleveren. ‘Er is een druk in- en uitgaand verkeer van vrachtwagens. Ze gebruiken altijd dingen die niet verdacht zijn,’ zegt 
Abu Ahmad. ‘Brandstoftrucks worden vaak gebruikt, omdat die leeg naar 
het grondgebied van IS terugrijden.’

    Munitie uit Moskou en Teheran, bestemd voor Assad, is een andere bron van wapens voor de zwarte markt. 
‘Ze houden van Russische producten,’ zegt Abu Omar. ‘Ook Iraanse producten worden verkocht – maar voor weinig geld.’

    In een gebied waar nog maar weinig economische mogelijkheden over zijn, is het stopzetten van de handel een lastige aangelegenheid. Iedere keer dat een wapenhandelaar vlucht, duiken er weer anderen op die wanhopig op zoek zijn naar een kans om geld te verdienen. ‘Vandaag de dag draait alles om geld. Het kan niemand iets schelen wie je bent… Ze geven alleen maar om dollars,’ aldus Abu Omar.

    Auteurs: Erika Solomon en Ahmed Mhidi
    Vertaler: Menno Grootveld

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • 1. De mierenhandel: hoe Europese (IS-)terroristen hun wapens kopen

    1. De mierenhandel: hoe Europese (IS-)terroristen hun wapens kopen

    Door het wegvallen van de grenscontroles binnen de Schengenzone kunnen wapensmokkelaars en terroristen als mieren door Europa trekken. Wapens aanschaffen om een aanslag mee te plegen wordt zo een koud kunstje.

    Toen hij op de Duitse snelweg werd aangehouden voor een routinecontrole, zag de Beierse politie aanvankelijk niets bijzonders aan de 51-jarige man in de gehuurde Volkswagen Golf. Hij kwam uit Montenegro en zei dat hij op weg was naar Parijs, waar hij de Eiffeltoren wilde beklimmen. Pas toen ze zijn auto 
doorzochten – wat ze konden doen op basis van een nieuwe wet tegen illegale migratie – zagen ze dat hij geen toerist was. In verborgen bergruimtes vonden ze een angstaanjagend wapenarsenaal, met onder meer diverse kalasjnikovs, handgranaten, een pistool en 200 gram dynamiet.

    De wapenleverancier van een gangster verwikkeld in een extreem gewelddadige vete? Of een kwartiermeester van het terreurnetwerk dat in de Franse hoofdstad onlangs een vreselijk bloedbad aanrichtte? Vooralsnog blijven de bedoelingen van deze Vlatko V., die acht dagen voor de Parijse aanslagen werd opgepakt, in nevelen gehuld. De verdachte zit in verzekerde bewaring en justitie doet, aldus het Beierse ministerie van Binnenlandse Zaken, ‘intensief onderzoek naar eventuele banden met de gebeurtenissen in Parijs’. Maar wat hij ook van plan was, de aanhouding geeft een verontrustend beeld van wat deskundigen de ‘mierenhandel’ noemen: wapensmokkelaars, en tegenwoordig ook terroristen, die met wapens door heel Europa trekken. ‘We noemen dat mierenhandel omdat je in Europa heel veel kleine partijen wapens van individuele handelaren ziet rondgaan, in plaats van grote vrachtladingen,’ aldus An Vranckx van de Belgische Group for Research and Information on Peace and Security, die de wereldwijde handel in handvuurwapens onderzoekt. ‘Maar als er een hele colonne mieren op pad is, tikt dat toch aan.’

    Bloedig

    In Groot-Brittannië bleek twee jaar geleden hoe bloedig de gevolgen van die mierenhandel kunnen zijn. Dale Creegan, een crimineel uit Manchester, pleegde toen een aanslag met een handgranaat die twee politieagentes het leven kostte. Die granaat was afkomstig uit een partij van honderden granaten uit voormalig Joegoslavië die waarschijnlijk al door allerlei criminele elementen zijn gebruikt, van Noord-Ierse protestante paramilitairen tot drugsdealers in het noordwesten van Engeland. En zoals de Britse vuurwapen‑
deskundige David Dyson vorige week tegen deze krant zei: ‘Als een gast in Manchester aan zulke spullen kan komen, kunnen aanhangers van IS 
dat misschien ook.’

    Achter het Brusselse Zuidstation kun je voor 1000 euro een kalasjnikov op de kop tikken

    Gelukkig is echt oorlogstuig in Groot-Brittannië nog zeldzaam, omdat de wapenwetgeving na de moordpartijen in Hungerford (1987) en Dunblane (1996) steeds verder is aangescherpt en omdat de grenzen van een eilandstaat nu eenmaal makkelijker te bewaken zijn. Als Scotland Yard weer eens met de vondst van een crimineel wapenarsenaal pronkt, gaat het vaak om antieke vuurwapens uit de Tweede Wereldoorlog of omgebouwde alarmpistolen. 
Een teken dat illegale wapens in Groot-Brittannië niet voor het oprapen liggen.

    Maar in de rest van Europa is het een heel ander verhaal. Door het wegvallen van de grenscontroles binnen de Schengenzone staat niets de ‘mierenhandel’ in de weg, of het moeten de afstanden zijn: de lange autorit van en naar de leveranciers in de voormalige Oostbloklanden. In de Sovjettijd bevonden zich in landen als Bulgarije en Oekraïne enorme wapendepots, voor als er oorlog zou uitbreken met de NAVO. Na de val van het IJzeren Gordijn zijn die wapens in allerlei conflict‑
regio’s beland, van West-Afrika tot de Balkan. Alleen al in Albanië zijn na de val van de regering in 1997 meer dan een half miljoen wapens uit overheidsdepots geplunderd. In Servië en Bosnië bevinden zich sinds de burgeroorlog naar schatting nog bijna twee miljoen illegale wapens in handen van particulieren.

    Zuidstation in Brussel. Foto  Amaury Henderick/Flickr Creative Commons
    Zuidstation in Brussel. Foto Amaury Henderick/Flickr Creative Commons

    Ook in buurland Montenegro, waar de in Beieren opgepakte smokkelaar vandaan kwam, stikt het van de wapens. Het is wellicht geen toeval dat Montenegro de thuishaven is van Europa’s succesvolste bende roofovervallers, de ‘Pink Panthers’, die met overvallen op juweliers in Londen en Parijs de afgelopen tien jaar voor minstens 100 miljoen euro aan sieraden hebben buitgemaakt. Zij hebben nog het aura van volkshelden – sinds november wordt er zelfs een Britse dramaserie over hen uitgezonden met John Hurt in de hoofdrol. Maar de wapenvoorraden die hun huzarenstukjes mogelijk maakten, worden nu ook aangesproken door terroristen.

    Frankrijk werd hier in 2012 op brute wijze mee geconfronteerd toen de tot jihadist bekeerde kleine crimineel Mohammed Merah moordend door Toulouse trok. Hij had het vooral gemunt op joden en militairen, en maakte zeven slachtoffers. Thuis had hij onder meer een kalasjnikov en een uzi liggen, en het dagblad Le Figaro vroeg zich af: ‘Hoe heeft hij zomaar al die wapens kunnen kopen, alsof het yoghurtjes waren?’ Het antwoord was: niet legaal. Net als in de rest van de EU zijn kalasjnikovs in Frankrijk strikt verboden. Maar Merah kon er makkelijk aan komen via zijn contacten in de Franse onderwereld. Die is erg actief in de veelal door arme immigranten bewoonde Franse banlieues. En volgens Nic Marsh, een wapendeskundige van het Peace Research Institute in Oslo, zijn alleen in die banlieues al zo’n vierduizend machinegeweren in omloop. In Marseille zijn de afgelopen vijf jaar tientallen afrekeningen tussen drugsbendes uitgevoerd met kalasjnikovs. 
In februari werd de hoofdcommissaris er zelfs mee beschoten tijdens een bezoekje aan een door criminaliteit geplaagde wijk.

    Gapend gat

    Zijn de aanslagplegers in Parijs ook 
zo aan hun kalasjnikovs gekomen? Daar willen de opsporingsdiensten 
nog niets over kwijt. Maar aangezien de hele operatie gepland was vanuit België, is het niet ondenkbaar dat ze hun aandacht nu weer richten op die schimmige markt achter het Brusselse Zuidstation, waar je al voor 1000 euro een kalasjnikov op de kop kunt tikken. Daar zouden de daders van de aanslag op Charlie Hebdo ook hun machinegeweren hebben gekocht. De politie heeft inmiddels achterhaald dat die wapens afkomstig waren van een handelaar in Slowakije.

    Daarbij kwam een gapend gat in de Europese wapenwetgeving aan het licht. De betreffende verkoper was namelijk geen louche onderwereld‑
figuur: het betrof een geregistreerde wapenhandelaar, die deze wapens 
volkomen legaal verkocht als ‘onklaar gemaakte’ vuurwapens. Die worden 
in de hele EU legaal verhandeld, als rekwisieten in films of nagespeelde historische veldslagen, of als verzamelobject. Maar de wettelijke veiligheidseisen voor het onklaar maken van wapens verschillen hopeloos van land tot land. In Groot-Brittannië is het praktisch onmogelijk om zulke wapens ooit nog te gebruiken, maar in sommige landen hoef je niet veel meer te doen dan een pen in de loop te steken, die er gemakkelijk weer uit te halen is. Pas sinds deze zomer gelden in de hele EU dezelfde veiligheidseisen, nadat Brussel vorig jaar had erkend dat er te weinig rekening was gehouden ‘met de mogelijke risico’s van hernieuwde ingebruikname’.

    In Servië en Bosnië bevinden zich nog bijna twee miljoen illegale wapens in handen van particulieren

    Maar al is die maas in de wet nu gedicht, de EU heeft nog steeds een probleem met de Balkan. Vooral met voorheen agressieve staten als Servië, dat inmiddels wil toetreden tot de EU. Servië werkt mee met het South Eastern and Eastern Europe Clearinghouse for the Control of Small Arms and Light Weapons (SEESAC), een VN-project om wapens uit de circulatie te krijgen. Maar tijdens een amnestieperiode van drie maanden werden dit jaar maar tweeduizend vuurwapens ingeleverd. En de beveiliging van staatsdepots is weliswaar verbeterd, maar volgens Ivan Zverzhanovski van SEESAC ‘blijft diefstal van wapens uit wapendepots een probleem’. Volgens hem is het 
na de verschrikkelijke aanslagen in Parijs tijd voor een ‘radicaal andere benadering’ door de EU. ‘De vraag naar wapens kwam vroeger vooral van de georganiseerde misdaad. Maar na de aanslagen op Charlie Hebdo is volgens mij wel duidelijk dat ook bij terreurgroeperingen steeds meer vraag is 
naar vuurwapens,’ verklaarde Zverzhanovski tegen deze krant. ‘Dat wijst op banden tussen de georganiseerde misdaad en terreurgroepen. We moeten zorgen dat de betreffende landen zo’n amnestieperiode serieus nemen, en dat de EU daar meer politieke en financiële steun aan geeft.’

    Beelden van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. De broers Kouachi kochten hun wapens in Brussel.
    Beelden van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. De broers Kouachi kochten hun wapens in Brussel.

    Maar ook als Zverzhanovski zijn zin krijgt, zal de wapentoevoer nooit 
helemaal stoppen. Criminelen zoeken hun toevlucht nu steeds vaker tot het ‘Dark Web’. Alleen in Frankrijk zijn vorig jaar al 57 mensen gearresteerd omdat ze hadden geprobeerd via internet wapens (waaronder kalasjnikovs) 
te kopen. En als we alle wapens in de Balkan van de markt halen, dan ontstaat er op andere plaatsen wel weer nieuwe ‘mierenhandel’ – ergens langs die ontiegelijk lange Europese grens die we nu al niet kunnen sluiten tegen illegale migratie. Er zijn al meldingen van wapens die de EU in druppelen vanuit nieuwe brandhaarden als Oekraïne en Libië. En men vermoedt dat ze via Turkije ook vanuit IS-grondgebied in Syrië en Irak hierheen komen. ‘Als je drugs daarheen kunt smokkelen, kun je ook kalasjnikovs hierheen smokkelen. En daar doe je weinig tegen, behalve met goed inlichtingenwerk,’ zegt vuurwapendeskundige Dyson.


    Het enige wat de EU verder kan doen, 
is zo hoog mogelijke straffen opleggen aan de verantwoordelijken voor die mierenhandel. Dat zegt Iain Overton, schrijver van het onlangs verschenen Gun Baby Gun, over de wereldwijde gevolgen van de handel in vuurwapens. Wrang genoeg zou juist de krankzinnige bloeddorst van IS deze branche, die niet bepaald bekendstaat om zijn scrupules, nog tot enige terughoudendheid kunnen dwingen. ‘Iedereen die willens en wetens een vuurwapen verkoopt aan een terrorist, is zelf net zo schuldig,’ zegt Overton. ‘Die wapenhandelaren moeten net zo streng worden bestraft als de daders van de aanslagen zelf.’

    Auteur: Colin Freeman
    Vertaler: Frank Lekens

    The Telegraph
    India | oplage 485.000

    Veel aandacht voor India’s buitenlandbeleid en geconcentreerd op het problematische noordoosten van het land.

  • Minidossier: Islamitische Staat

    Minidossier: Islamitische Staat

    Islamitische Staat blijft de gemoederen bezighouden, zowel in het Midden-Oosten als in Europa.

    In dit minidossier zoomen we in op de wortels van de beweging, de wapenhandel en de rol van Turkije.

    1. De mierenhandel: hoe Europese (IS-)terroristen hun wapens kopen

    2. Zo komt IS aan wapens en munitie

    3. Turkije biedt stilzwijgend steun aan IS

    4. IS verslaan? Zorg voor gerechtigheid in de regio

  • Laatste bastion tegen IS

    Laatste bastion tegen IS

    Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.

    Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer 
afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.

    Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.

    Toch zochten tientallen christelijke 
families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de 
val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij 
chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.

    Mar Mattai – © Emmanuelle Veuillet/Flickr Creative Commons
    Mar Mattai – © Emmanuelle Veuillet/Flickr Creative Commons

    Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.

    Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub 
(letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak 
forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.

    ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’

    Vluchten

    ‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich 
terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’

    In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten 
het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.

    Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. 
De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, 
en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.


    Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over

    Ultimatum

    Op 18 juli gaven de luidsprekers van 
de moskeeën een ultimatum van de 
jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’

    Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’

    Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze 
eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer 
en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.

    Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.

    Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.

    Mar Mattai. – © Corbis
    Mar Mattai. – © Corbis

    Wapens

    ‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden 
gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.

    Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’

    ‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.

    De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.

    Émilienne Malfatto


  • Iraks grootste probleem: corruptie

    Iraks grootste probleem: corruptie

    Premier Haider al-Abadi is een offensief begonnen tegen de omkopingspraktijken in zijn land, die ervoor zorgden dat IS ongestoord kon oprukken.

    Half augustus steeg de temperatuur in Bagdad tot 49 graden Celsius. Niemand keek ervan op, Irakezen zijn gewend aan hittegolven. Al hadden ze, dertien jaar na 
de val van Saddam Hoessein, toch 
wel verwacht dat hun olierijke land genoeg stroom zou hebben om hun airco’s draaiende te kunnen houden.

    In 2003 zag ik tijdens een verblijf in Bagdad handelaren met bergen airco’s en schotelantennes op het trottoir staan. Waarom zou je een airco kopen als er geen elektriciteit is, vroeg ik. ‘De mensen kijken vooruit,’ zei een winkelier tegen me. ‘Binnenkort is er weer stroom en dan zal de prijs van airco’s stijgen. Wie er nu alvast eentje koopt, zal straks veel geld kunnen uitsparen.’ Dat klonk reëel. Maar de realiteit in Bagdad is een verhaal op zich.

    Toen de Iraakse premier Haider al-Abadi onlangs een bezoek bracht aan de zuidelijke oliestaat Basra, bleken daar duizenden demonstranten op de been te zijn. Ze eisten dat er voldoende stroom geleverd zou worden om fabrieken, computers en airco’s ongestoord te kunnen laten functioneren. Er was speciaal voor deze gelegenheid een videoclip gemaakt. In die clip herhaalde een Iraakse rapper steeds de woorden: ‘Wij zijn Irak, maar wie bent u?’

    Wie bent u? Het is een legitieme vraag, nu steeds duidelijker wordt hoe wijdverbreid de corruptie was tijdens de regering van Nouri al-Maliki (2006-2014), de voorganger van Abadi. Op internet staat het verslag van een parlementaire commissie die onderzocht hoe de stad Mosul in 2014 in handen viel van IS.


    Uit dit onderzoek – op grond waarvan Maliki en een flink aantal ministers 
en legeraanvoerders vervolgd zouden kunnen worden – blijkt dat IS al een deel van Mosul en Nineveh in zijn macht had lang voordat het Mosul innam. Zonder dat het leger of welke veiligheidsdienst ook daar iets tegen deed. IS inde belasting van burgers, 
zakenmensen en fabrikanten, in totaal zo’n 10 miljoen euro per maand. Er werd bijvoorbeeld voor elke werkende generator 175 euro in rekening gebracht. Ook moest er betaald worden voor niet-bestaande arbeidskrachten in de stad. En elke dokter moest een maandelijkse licentievergoeding van 265 euro voldoen. In het rapport staat ook dat van de vijfduizend militairen die in Mosul tegenwicht hadden moeten bieden aan IS, er maar 71 op het appèl verschenen. De controleposten die opgericht hadden moeten worden, kwamen er nooit en pantservoertuigen van het leger werden in brand gestoken door IS-strijders al voordat de stad was ingenomen.

    Irakezen zoeken verkoeling tegen de hitte. – © Spencer Platt / Getty
    Irakezen zoeken verkoeling tegen de hitte. – © Spencer Platt / Getty

    Spooksoldaten

    Net als de hitte was de corruptie binnen het leger geen verrassing voor de Irakezen. Premier Abadi ontdekte al snel na zijn aantreden, in september 2014, dat er meer dan 50.000 spooksoldaten op de loonlijst stonden die niet bleken te bestaan. Hij kwam erachter dat officieren soldaten geld afpersten, of voor zichzelf lieten werken.

    Deze feiten verklaren maar ten dele waarom het Irakese leger faalde met betrekking tot IS. Een andere reden, zo legden Irakese soldaten uit aan Abadi en aan Washington, was dat het Irakese leger, opgezet met uitgebreide Amerikaanse steun, een zeer wankele basis had. Het zou niet alleen grondig gezuiverd moeten worden, maar verschillende gevechtseenheden zouden helemaal opnieuw moeten worden opgebouwd. Iran op zijn beurt stond niet werkeloos toe te kijken en organiseerde en financierde sjiitische volksmilities, die nu strijd voeren tegen IS. Te midden van de luchtaanvallen op IS-bases, de grondaanvallen door sjiitische milities en de troepenbewegingen van het Koerdische leger in het noorden, kijkt het Irakese leger lijdzaam toe.

    Irak gedraagt zich al lang als een verdeeld land
    Irakese soldaten paraderen ter gelegenheid van de Irakese Onafhankelijkheidsdag.  – © Tommy Avilucea/Flickr Creative Commons
    Irakese soldaten paraderen ter gelegenheid van de Irakese Onafhankelijkheidsdag. – © Tommy Avilucea/Flickr Creative Commons

    Corruptie

    De premier, die niets te zeggen heeft over de militaire bewegingen in zijn eigen land, heeft nu de oorlog verklaard aan de corruptie. Hij heeft elf kabinetsposten opgedoekt, heeft de functie van vicepremier opgeheven en een maximum ingesteld voor het aantal adviseurs dat een minister mag benoemen. Dat leidt tot een enorme kostenbesparing. Verder heeft Abadi het ambitieuze plan opgevat om een regering te vormen die niet meer gebaseerd is op religie of etniciteit. Hij wil deskundige mensen die verantwoording afleggen aan de premier en niet aan hun eigen achterban.

    Zijn maatregelen maken hem uiteraard niet populair bij de politici in wier banen of kabinetten wordt gesneden. Maar hij weet zich gesteund door de grote anticorruptiedemonstraties van Irakese burgers en door Ali al-Sistani, de belangrijkste sjiitische geestelijk leider in Irak [ook wel ‘democratische mollah’ genaamd].

    Abadi zal ook moeten afrekenen met de diepgewortelde corruptie van het rechtssysteem. Dat zou nog wel eens de lastigste opgave kunnen worden. Rechters en openbare aanklagers hebben lucratieve banen en functioneren in een systeem waar verschillende bevolkings- en belangengroepen van mee profiteren.

    Hoezeer men de hervormingsplannen ook toejuicht, men kan niet om het feit heen dat het noordwesten van Irak wordt geregeerd door IS en het noorden door de Koerden. Plannen om Mosul weer in te nemen zijn voorlopig van 
de baan, net als een herovering van Ramadi. De scheidende Amerikaanse stafchef Raymond Odierno veroorzaakte onlangs grote woede in het land toen hij opmerkte: ‘De enige mogelijke oplossing voor het probleem is een opdeling van Irak.’ Maar de dagelijkse praktijk, met zijn belangen- en politieke lobbygroepen, trekt zich niets aan van internationale strategieën 
of van de woede van Bagdad. Irak gedraagt zich al lang als een verdeeld land, en vormt alleen soms nog even een eenheid – als het om airco’s gaat tijdens een hittegolf.

    Zvi Bar’el

  • Waarom de VN Syrië niet kan redden

    Waarom de VN Syrië niet kan redden

    De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.

    In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.

    De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.

    Maar zijn twijfel had ook politieke 
redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde 
diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet 
in geslaagd om een einde te maken 
aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.

    Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het 
spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.

    Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit

    Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van
 de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van 
wereldmachten als Rusland, China 
en de VS. (Omdat geen enkel land in 
de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)

    Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. 
Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.

    De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.

    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters
    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters

    Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. 
‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’

    Een van de grootste problemen van 
De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.

    Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’


    Vriendjespolitiek

    De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt 
de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. 
De opkomst van IS heeft de situatie 
nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.

    Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een 
pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed 
luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.

    Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.

    Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het 
geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.

    De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen 
je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’

    Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan 
ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.

    ‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’

    Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty

    Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de 
bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.

    Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.

    Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan 
ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde 
– al wist hij natuurlijk ook wel dat 
verklaringen alleen weinig uitrichten.

    ‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’


    Genève I en II

    Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.

    Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden 
beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.

    In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.

    Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na 
te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering 
gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle 
partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
    Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in 
Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.

    Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van 
Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in 
Genève heeft gevoerd, waren deels 
bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.


    Lokale gevechtspauzes

    In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. 
Ooit was Aleppo de trots van Syrië, 
een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.

    Maar toen de oorlog uitbrak werd 
Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.

    In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens 
de sleutel naar vrede kon zijn. Een 
bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.

    Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, 
en de stad was zowel doelwit van IS 
als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.

    En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.

    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis
    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis

    Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.

    Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden 
vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.

    Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden 
geworsteld. ‘De oppositie wilde niet 
dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’

    In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. 
De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’

    Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet 
tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.

    Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.

    Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.

    Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.

    Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. 
‘We moeten wel met ze samenwerken.’

    De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.


    Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie

    Geen formule

    Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op 
te houden met bloedvergieten.

    Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave 
te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak 
wist te forceren.

    De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ 
zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar 
dingen vóór op De Mistura, niet in 
de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het 
is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.

    Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het 
zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’

    Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.

    Janine di Giovanni

    (Foto boven: De Veiligheidsraad van de VN in New York. © Cem Ozdel / Getty)

  • Een Europese kweekvijver voor IS

    Een Europese kweekvijver voor IS

    Het Bosnische dorpje Osve trekt sinds een jaar of drie opvallend veel jongeren die graag voor IS willen gaan vechten in Syrië en Irak.

    In vergelijking met de totale bevolking van het land van 3,8 miljoen inwoners slaat het Bosnische dorpje Osve, dat op ongeveer honderd kilometer van Sarajevo en driehonderd kilometer van Zagreb ligt, beslist het record in werving van strijders voor Syrië en Irak. Aanhangers van het salafisme, de radicale tak van de islam, streken er drie jaar geleden neer. Een van de eersten die in Osve gingen wonen, was Harun Mehicevic, tegen wie een Australisch arrestatiebevel loopt vanwege terrorisme. Een andere inwoner van dit dorpje, Emrah Fojnica, die verdacht werd van betrokkenheid bij de aanval op de Amerikaanse ambassade in Sarajevo in 2011, is onlangs omgekomen bij een zelfmoordaanslag in Bagdad.

    De meerderheid gelooft dat de islam wordt aangevallen en dat ze die behoren te verdedigen

    Werkloosheid

    Osve staat centraal in de studie The Lure of the Syrian War: The Foreign Fighters’ Bosnian Contingent, geschreven door Vlado Azinovic, hoogleraar politicologie in Sarajevo, en Muhamed Jusic, islamtheoloog en journalist. Volgens Azinovic, een van de meest vooraanstaande experts op het gebied van terrorisme vanuit de regio, vertrokken er tussen 2012 en 2014 156 mannen en 36 vrouwen uit Bosnië en Herzegovina naar Syrië en Irak. ‘Daarbij gaat het natuurlijk om door de grenspolitie van Bosnië en Herzegovina geregistreerde personen. Hoogstwaarschijnlijk liggen de aantallen veel hoger, want niet iedereen die de grens passeert wordt geregistreerd. Zeker ook doordat 20 procent van de vertrekkers permanent of tijdelijk in het buitenland woont en werkt,’ licht Azinovic toe.

    Tot begin 2015 zijn 48 mannen en 3 vrouwen uit Irak en Syrië teruggekeerd, terwijl 83 mannen en 32 vrouwen er nog steeds verblijven. Het aantal mannelijke terugkeerders nadert de 30 procent, waarmee Bosnië en Herzegovina het land is met de meeste IS-strijders die huiswaarts keren. Volgens een recent onderzoek zijn 26 inwoners van het land – 25 mannen en 1 vrouw – omgekomen in Irak of Syrië.

    Maar waarom zijn er zo veel salafisten in dorpen als Gornja Maoca en Osve komen wonen? Volgens sommigen hebben ze zich langs de etnische grenzen van Bosnië en Herzegovina gevestigd om op te treden als hoeders van het grondgebied en het geloof. ‘Die theorie snijdt geen hout, want die grenzen waren al getrokken langs de strijdlijnen van de vroegere legers [van Bosnië, Servië en Kroatië],’ verklaart Azinovic. Volgens hem hebben de salafisten zich in dit deel van noordwest-Bosnië gevestigd omdat de Serviërs er niet naar terug wilden. ‘Dus hebben de salafisten er voor spotprijzen verlaten huizen en grond gekocht omdat niemand anders die nog wilde. Ze wonen liever ver van de bewoonde wereld en de beschaving. Dat vinden ze juist prima,’ meent Azinovic.

    In Bosnië en Herzegovina bestaat geen centraal register van personen die ervan worden verdacht dat ze naar Syrië of Irak zijn vertrokken. Op dit moment hebben niet minder dan drieëntwintig politiediensten de taak hun bewegingen te volgen. Toch pakt het land dit probleem slecht aan. Een voorbeeld: een van de staatsveiligheidsdiensten verzocht Turkije het bilaterale akkoord te implementeren over samenwerking tussen beide landen in de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad. Volgens dit akkoord mochten Bosnische politiemensen op de drukste grensovergangen aanwezig zijn om zo samen met hun Turkse collega’s zicht te houden op welke inwoners van hun land naar Syrië reizen. Turkije ging op dit verzoek in, en stelde voor daarover in Ankara te komen vergaderen. Een paar dagen voor die ontmoeting zegden de Bosniërs af vanwege onenigheid over welke politiedienst Bosnië en Herzegovina er mocht vertegenwoordigen.

    De laatste weken was er in de internationale media veel aandacht voor de campagne van IS om strijders in Bosnië en Herzegovina te rekruteren en werd beklemtoond dat het land het hoogste werkloosheidscijfer ter wereld heeft. Is de dreiging van islamitisch terrorisme vanuit Bosnië en Herzegovina reëel? De internationale gemeenschap denkt van wel, terwijl de instituties in Bosnië en Herzegovina die dreiging juist bagatelliseren. Azinovic: ‘Vanaf het begin van de oorlog in Bosnië en Herzegovina [1992-1995] heeft de radicale islamitische ideologie er ingang gevonden, zowel via buitenlandse strijders uit westerse landen als via moslims die zich bij het Bosnische leger aansloten. Ze verspreidden het idee dat de Bosnische moslims de voornaamste slachtoffers van de oorlog waren geworden doordat ze geen “goede moslims” waren. Twintig jaar na de oorlog heeft dit idee bij de Bosniërs echt postgevat. Een hele nieuwe generatie is met deze ideologie opgegroeid.’

    Toch is het aantal aanhangers van het salafisme niet groot: het gaat om een groep van twee- tot drieduizend mensen. Zeker, bij alle terroristische aanslagen die in Bosnië en Herzegovina zijn gepleegd, wordt gewezen naar de salafisten, die aanhangers van Al-Qaida waren voordat ze naar IS overstapten. Tegelijk is het zo dat de Republika Srpska [Servische Republiek], die deel uitmaakt van de staat Bosnië en Herzegovina, het probleem heeft gepolitiseerd met het doel de eigen afscheidingspolitiek te rechtvaardigen door zich te presenteren als een bolwerk van christelijk Europa.

    kaartbosnie

    Randfiguren

    Kortgeleden is de politie van de Republika Srpska vanwege vermeende terroristische dreigingen in staat van paraatheid gebracht. Met machinepistolen gewapende agenten bewaken nu de staatsinstellingen. In de ogen van Azinovic zijn de Bosnische moslims de voornaamste gegijzelden van deze situatie: ‘Niemand kan een mogelijke terroristische aanslag in Bosnië en Herzegovina of elders in de regio voorspellen,’ denkt hij. ‘In de meeste gevallen van ideologische radicalisering gaat het om individuen die het moeilijk hebben in het leven. Het zijn vaak randfiguren, mensen met ernstige psychische problemen die zich niet weten aan te passen aan het moderne leven en zich vastklampen aan de waarden van vroeger.’

    De sociale media spelen bij hun radicalisering een belangrijk rol. ‘Maar toch,’ benadrukt Azinovic, ‘zelfs degenen die een radicale interpretatie van de islam aanhangen, keuren geweld en terrorisme lang niet altijd goed.’ Uit zijn onderzoeken blijkt dat het proces van radicalisering wordt geïnitieerd door lokale religieuze leiders. De mensen die naar Syrië gaan, met name jongeren, verwarden en wereldvreemden die geestelijk niet sterk in hun schoenen staan, worden vaak onderworpen aan een versneld radicaliseringsproces.

    Analyse van dit proces onder personen die zijn vertrokken om zich bij IS aan te sluiten, toont aan dat ze niet geradicaliseerd zijn omdat ze zich door hun eigen maatschappelijke omgeving onrechtvaardig behandeld voelen, maar eerder doordat ze het idee hebben dat een grotere gemeenschap waarmee ze zichzelf identificeren, leed wordt aangedaan. Over het algemeen gelooft een meerderheid van hen dat de islam wordt aangevallen en dat ze die behoren te verdedigen. Zowel de boodschappen van de plaatselijke islamistische leiders als die uit de oorlogsgebieden zijn altijd zo geformuleerd dat ze oproepen tot het verdedigen van de hele moslimgemeenschap en het bestrijden van de vijand. Jongeren raken vaak individueel geradicaliseerd via internet of de sociale media. Dankzij deze nieuwe technologieën kunnen de strijders in Syrië en Irak rechtstreeks contact houden met een wereldwijde achterban om nieuwe strijders te rekruteren. En het is onmogelijk om precies te volgen wat er op de sociale media gebeurt.

    Bosnië en Herzegovina vormt in dat opzicht geen uitzondering. De overheid heeft geprobeerd haar burgers van vertrek naar het strijdtoneel in Syrië en Irak te weerhouden door het formeren van of toetreden tot paramilitaire eenheden strafbaar te stellen. Jammer genoeg worden zo alleen de gevolgen aangepakt en niet de oorzaken. Bosnië en Herzegovina behoorde weliswaar tot de eerste landen in de regio die vertrek naar een buitenlandse oorlog verboden, maar anders dan in andere landen, die vooral inzetten op preventieve maatregelen, heeft het op dit punt nog geen enkel samenhangend beleid ontwikkeld. Verbieden en strafbaar stellen is niet genoeg. Integendeel, het zou wel eens contraproductief kunnen werken.

    Igor Alborghetti

    Reactie Izet Hadzic

    Izet Hadzic is de informele leider van de salafistische moslims in Osve. Heeft hij enige greep op het vertrek van inwoners naar de strijdgebieden in Syrië en Irak en hun aansluiting bij IS? Worden die reizen door de salafistische gemeenschap georganiseerd en gefinancierd?

    Izet Hadzic: ‘Denk even na: een normaal mens zou nooit vijf moslimfundamentalisten met vrouwen en kinderen naar de oorlog laten vertrekken. Wie vertrokken is, heeft dat uit eigen beweging gedaan. En ze hebben hun gezinnen meegenomen, omdat ze Syrië als het beloofde land zien. Iedereen ziet wel kans om 200 euro van vrienden en familie te lenen. Een vliegticket naar Turkije kost hooguit 100 euro. Dus hoezo financiering van terroristen?’

    Wie is er dan verantwoordelijk voor dat ze op zo grote schaal vanuit Bosnië en Herzegovina naar door IS gecontroleerd gebied vertrekken?
    ‘In zekere zin is dat de overheid. De maatschappij heeft deze mensen vanwege hun geloof buitengesloten en gemarginaliseerd. In Bosnië krijgen ze geen werk. Vervolgens zijn ze gaan denken dat de oorlog een goede manier is om aan die situatie te ontsnappen, wat geld te verdienen en een dak boven hun hoofd te vinden.’

    Heeft u contacten met IS?
    ‘Sinds ik een video op YouTube heb gezet waarin ik nadrukkelijk zeg dat het Bosniërs niet is toegestaan om in Bosnië en Herzegovina terroristische aanslagen te plegen, heb ik alleen maar bedreigingen van die zogenaamde Islamitische Staat gekregen. Ze beschuldigden me ervan dat ik een ongelovige zou zijn en ze hebben gedreigd me te onthoofden. Ik heb die bedreigingen zeer serieus genomen en bij de politie gemeld.’