Tag: James Baldwin

  • Een maand in het Frankrijk van James Baldwin

    Een maand in het Frankrijk van James Baldwin

    Schrijver Kiprop Kimutai reist af naar het Franse Saint-Paul de Vence, naar de Maison Baldwin Residency. Hij schrijft over zijn ervaringen en over de verschillen tussen Afrika, Europa en de VS wat betreft zwarte identiteit.

    Terwijl ik in Nairobi in een Double M-bus vastzat in het verkeer en op mijn telefoon James Baldwins Kom, roep het van de bergen las, kwam het bericht binnen. Maanden daarvoor had een bevriende schrijver me aangespoord een aanvraag in te dienen voor een verblijf van vier weken in de Maison Baldwin Residency. Die residentie was in het leven geroepen ter ere van de zwarte Amerikaanse schrijver en burgerrechtenactivist James Baldwin, en was bedoeld voor zwarte schrijvers van over de hele wereld die ‘schrijven in de geest van James Baldwin’. Ik was al lange tijd een groot bewonderaar van Baldwin en had een aanvraag ingediend. En nu kon ik mijn geluk niet op. Ik kon een hele maand verblijven in Saint-Paul-de-Vence, een plaatsje in Zuid-Frankrijk waar Baldwin de laatste zeventien jaar van zijn leven had doorgebracht.

    Na tijden in Turkije, Zwitserland en Parijs te hebben gewoond, was Baldwin uiteindelijk verhuisd naar Saint-Paul-de-Vence. In een interview met Paris Review vertelde Baldwin waarom hij niet langer in Amerika kon blijven. ‘Ik wist wat het betekende om wit te zijn en ik wist wat het betekende om een neger te zijn, en ik wist dat het mij zou overkomen. Mijn geluk begon op te raken. Ik zou in de gevangenis belanden. Ik zou iemand vermoorden of vermoord worden.’ In Saint-Paul wist Baldwin zich door de onverdraagzaamheid heen te slaan, leerde vloeiend Frans spreken en ging min of meer deel uitmaken van de gemeenschap. Terwijl ik me voorbereidde op mijn verblijf in Saint-Paul, maakte Baldwins uitzonderlijke persoonlijkheid het lastig voor me om een band tussen hem en mijzelf te verbeelden. Baldwin was heilig verklaard, door zijn verhalen, zijn ideeën, zijn gesprekken; van de positie van een gewoon mens was hij verheven tot een van eeuwige nagedachtenis.

    Na het nodige ge-heen-en-weer tussen mijzelf en de Franse ambassade in Nairobi kreeg ik eindelijk mijn paspoort met visum en werd me – in duidelijke bewoordingen – te verstaan gegeven dat ik me binnen twee weken na mijn terugkeer uit Frankrijk moest melden, zodat ze zeker wisten dat ik niet in Saint-Paul was gebleven.

    ‘C’est magnifique!’ zei hij. ‘We hebben de bergen en we hebben de zee. Wat wil je nog meer?’

    Ik vloog van Nairobi via Zürich naar Nice en nam vervolgens een Uber naar Saint-Paul. De gebronsde en praatgrage Uber-chauffeur, die op me was blijven wachten hoewel mijn telefoon was uit gegaan, maakte een onmiskenbaar Frans handgebaar toen ik hem vroeg wat hem zo aansprak aan de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur. ‘C’est magnifique!’ zei hij. ‘We hebben de bergen en we hebben de zee. Wat wil je nog meer?’ Hij zette me af aan het begin van Saint-Paul, naast het lavoir (een openbare wasplaats). Achter me, aan de voet van een heuveltje, omgeven door cipressen en kalkstenen huizen, stond de Chapelle Sainte-Claire, klein, wit, met bovenop een grote klok. Ik werd opgewacht door Shannon, de coördinator van de Maison Baldwin Residency, die me het onderkomen voor de residerende kunstenaars liet zien, waar ik mijn intrek zou nemen.

    Het kleine, grof gepleisterde gebouwtje stond op oneffen terrein, een paar meter onder het ommuurde stadje Saint-Paul. Het terrein was slecht onderhouden, en ik zag overblijfselen van wat ooit sierlijk beeldhouwwerk moest zijn geweest. Het huisje had een tijd leeggestaan en was onlangs door de gemeente in gebruik genomen als kunstenaarsresidentie. In de woonkamer stonden een bank en een houten eettafel, in de keuken een klein koelkastje, een koffiezetapparaat en een magnetron, en naast het bed hing een plankje met daarop talloze James Baldwin-titels met het oorspronkelijke omslag.
    Zodra ik alleen was, pakte ik een stokje en poerde wat in de aarde, benieuwd of het dezelfde gelijkmatig korrelige rode klei was van mijn geboorteplaats Iten, in de Keniaanse Riftvallei. Wat naar boven kwam was een donkere, drassige klei. Ik gooide het stokje weg en keek naar de mieren die heen en weer schoten, en vroeg me stiekem af of zij zich verheven voelden boven de mieren in Kenia, aangezien ze Europees waren (als je een dergelijke classificatie kon doortrekken naar de insectenwereld). ‘s Nachts werd ik geplaagd door een nachtmerrie waarin ik van een steile heuvel rolde zonder ooit de bodem te bereiken. Dus ging ik maar op de veranda zitten en keek ik naar de nachtelijke hemel, om me te realiseren, zoals een Engelse vriend me al had voorspeld, dat ‘je moet reizen en andere nachtelijke hemels moet zien om erachter te komen dat die niet kunnen tippen aan de nachtelijke hemel van Afrika’.

    Ik ontwikkelde de gewoonte om ’s ochtends buiten te gaan zitten met een koel blikje gemberbier met een mysterieuze Franse naam, en te kijken hoe de zon aan de verkeerde kant opkwam en nooit echt warm werd. Ik las de aanwezige Baldwin-boeken. Ik herinner me dat ik Niet door water maar door vuur las, die hartverscheurende brief die Baldwin aan zijn neef had geschreven: ‘Big James, mijn naam – je was een baby, ik was er niet – daar was jij: om te worden liefgehad, baby, intens, ogenblikkelijk, en voor altijd, om je te harden tegen een liefdeloze wereld.’ Ik stond ervan te kijken hoeveel Baldwin gaf om zijn familie. Hij was duidelijk al behoorlijk zelfverzekerd, wist wie hij was in de wereld, en wist hoe hij die wereld wilde herstellen.

    HO Saint Paul compressed
    © Getty Images

    Achter het huis doemden de schitterende stadsmuren van Saint-Paul-de-Vence op. Het middeleeuwse vestingstadje verhief zich op de heuvel waar het tegenaan was gebouwd, met op de top de Eglise Collégiale, een dertiende-eeuwse kerk. Achter het kunstenaarshuis liep een weg die vanaf de hoofdweg van Saint-Paul naar beneden voerde, naar een beekje in de schaduw van de ruïnes van een Romeins aquaduct. Aan de andere kant liep de weg weer omhoog naar het voormalige huis van James Baldwin, of wat daarvan over was. Het werd gesloopt, hoorde ik, door een aannemer die er een aantal appartementen wilde neerzetten. Ergens aan die weg, uit het zicht, was een kleuterschool, duidelijk te horen aan het gelach en gejoel van spelende kinderen.

    Ik stelde me Baldwin voor in zijn huis, met de imposante gasten die hij daar ontving: Nina Simone, Miles Davis, Marlon Brando, Ray Charles, Josephine Baker, Maya Angelou, Harry Belafonte… Op een middag werd ik bij het hek aangesproken door een dame op leeftijd die zich voorstelde als de buurvrouw. Toen ik haar vertelde dat ik een Maison Baldwin-fellow was, hield ze haar hoofd schuin en hapte naar adem. ‘Ach, die schat van een Jimmy. Heeft hij je hierheen gebracht?’ We kletsten een poosje en ze vertelde me hoe Baldwin vroeger vaak zingend over de weg naar zijn huis liep, aangeschoten en zorgeloos, zonder angst.

    Ik probeerde me ook een beeld van Baldwin te vormen als ik buiten zijn werk zat te lezen – niet per se een beeld van zijn gezicht of zelfs zijn alomaanwezige stem, maar van zijn onverschrokkenheid, zijn vermogen om een conservatief dorpje zover te krijgen hem te accepteren en zelfs te omarmen. Maar die nacht kon ik de slaap niet vatten. Overdag was het griezelig stil in Saint-Paul, om van de nachten nog maar te zwijgen, en het hek om het kunstenaarshuis was laag en leek gammel.

    Ze vertelde me hoe Baldwin vroeger vaak zingend over de weg naar zijn huis liep, aangeschoten en zorgeloos

    Om me heen zag ik vrijwel niemand zoals ik, en als dat wel het geval was, zoals bij de zwarte serveerster die ik een keer zag op een van de terrassen van de restaurantjes waar het in Saint-Paul van wemelt, hielden we even we elkaars blik vast, om één vluchtig ogenblik de band te voelen die zich uitstrekte over een complexe geschiedenis. Saint-Paul was veilig, was me verteld. Er waren vrijwel geen meldingen van geweld. Toch had ik het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden, werd bekeken; ik wilde alles zo geluidloos mogelijk doen, de douche aanzetten, de kraan opendraaien, de magnetron gebruiken. Ik las Baldwin om mijn aanwezigheid daar te rechtvaardigen; het was tenslotte zijn wens geweest dat mensen zoals ik hier kwamen schrijven.

    Voor de noodzakelijke dagelijkse dingen moest ik het terrein verlaten. Voor koffie en mijn favoriete crêpe au poulet liep ik door de Porte de Vence, een brede doorgang in de stadsmuur die naar het centrum van het plaatsje voert. Bij een eettentje op de hoek koos ik dan een bolletje ijs uit terwijl ik wachtte tot mijn crêpe klaar was. Om de was te doen liep ik door het plaatsje, over een geplaveid straatje naar de Eglise Collégiale. Tegenover de kerk was een zeventiende-eeuws stenen huisje waar het kantoor van de residentie was gevestigd. In de schaars verlichte kelder stond een krakkemikkige wasmachine. Zo eens in de drie dagen nam ik de bus naar Vence om yoghurt, brood, granola, gemberbier en fruit in te slaan.
    Ik begon met ongebreidelde nieuwsgierigheid door het plaatsje te lopen. Ik was gefascineerd door de sfeer uit vroeger tijden: de smalle steegjes met de eeuwenoude gebouwen van meerdere verdiepingen, sommige met schitterende, met klimop begroeide muren; de drinkfonteintjes op willekeurige straathoeken, eentje in de vorm van een zwevende urn, een andere met een schitterend symbool van een vis; de begraafplaats waar kunstenaar Marc Chagall ligt, gelegen op een aambeeldvormig stuk grond dat uit de stadmuur steekt, met imposante graftombes die uitkijken over een weelderige vallei vol sinaasappelbomen. Het was magisch om over de stadsmuur te lopen, uit te kijken over het omringende land, tot aan Nice en de Middellandse Zee. Ik kon er foto’s van maken en die naar huis sturen, naar vrienden en familie, die evenzeer van onder de indruk zouden zijn.

    Hélène Roux, een vriendin en begunstiger van de residentie, nodigde me uit om te komen eten. Haar familie was al vele generaties de eigenaar en uitbater van La Colombe d’Or, een hotel-restaurant in Saint-Paul, dat bekendstond om de verzameling oorspronkelijke schilderijen, variërend van Picasso tot Matisse. Na een verrukkelijke visschotel vertelde ze me bij de koffie en de rode wijn dat Jimmy een goede vriend van haar moeder was geweest (het personage Tish in het boek Als Beale Street kon praten is vernoemd naar Hélènes moeder Clementine). Hélène was een keer naar de Walt Disney-verfilming van Het jungleboek geweest en had later tegen Jimmy gezegd dat ze de muziek zo mooi had gevonden. Een teleurgestelde Baldwin had haar gevraagd even te gaan zitten en had haar uitgelegd dat Disney de plank volledig had misgeslagen met zijn bewerking van de roman, en dat Disney de hersenen van jonge kinderen schade toebracht door genuanceerde Europese sprookjes te reduceren tot dergelijke vlakke, gelikte verhalen. Baldwins uiteenzetting, die overeenkomt met wat hij heeft geschreven in zijn boek Het werk van de duivel, maakte Hélène duidelijk dat de Hollywoodfilms een verkeerd en vertekend beeld gaven, en vanaf dat moment heeft ze niet één Disneyfilm meer gezien.

    Het was magisch om over de stadsmuur te lopen, uit te kijken over het omringende land, tot aan Nice en de Middellandse Zee

    Bertrand, een vriend van Hélène en een sprankelende gesprekspartner, vertelde me dat hij Baldwins telegrammen vroeger van het postkantoor haalde en die uit het Frans in het Engels vertaalde. Hij was een fascinerend vat vol anekdotes. Bertrand is de eigenaar van de oudste (en mooiste) antiek- en juwelenzaak in Saint-Paul, aan de Rue Grande. Op een dag liep een jonge en op het oog vrij timide man zijn zaak binnen en keek om zich heen. De man liep schuchter op Bertrand af en vroeg of hij – Bertrand – hem een goed hotel in de buurt kon aanbevelen. Natuurlijk stuurde Bertrand hem naar La Colombe d’Or. De volgende dag kocht Bertrand de plaatselijke krant en zag tot zijn verbazing een foto van de jonge man uit zijn winkel op de voorpagina. Leonardo DiCaprio had zijn intrek genomen in La Colombe.
    Ik vertelde Hélène, Shannon en Bertrand over mezelf, over mijn jeugd in Kenia, over het werk dat ik deed in de residentie. Tot mijn eigen verbazing hield ik de beschrijving van mezelf beperkt tot het feit dat ik zwart en Afrikaan was, en vooral Keniaan. Ik was bang dat mijn verhaal zou haperen als ik verder zou gaan, en dat ik verkeerd begrepen zou worden. Ik zei niet dat ik katholiek was, of Kalenjin. Ik zei niet dat ik een Keiyo-man was uit lrong’ in Elgeyo-Marakwet en dat de totem van onze clan de maan was. Ik onderdrukte de neiging om te vertellen over de rituelen waardoor ik was geworden wie ik ben, al kwamen ze steeds naar boven drijven; dat op zeker moment in mijn jeugd de vrouwen hadden gezongen en kreten hadden geslaakt terwijl ze mijn hoofd insmeerden met olie. Kongoi wee, Kiprop, komkomi tikayenyu! Die avond, alleen in mijn huis in Saint-Paul, was ik blij dat ik nader tot Baldwin had weten te komen via de feitelijke herinneringen van mensen die met hem waren omgegaan en voor wie hij een oudere en een vriend was geweest.

    Als ik door Saint-Paul liep, stuitte ik werkelijk overal op kunst: flamboyante schilderijen en glazen sculpturen staarden me aan vanuit de glazen puien van galeries in de smalle klinkerstraatjes; op elke straathoek stonden stalletjes met zelfgemaakte kaarsen en kleurrijke sieraden; tussen de gebouwen in liepen gewelfde overspanningen, hoog boven de straten die willekeurige patronen vertoonden door de vele mozaïeken. Op een dag liep ik over een pleintje met een installatie van een van Saint-Pauls bekende landschapskunstenaars, Kim Cao. Het was een coconvormig weefsel van bamboedraden, dat als een wolk boven een plas donker water hing. Ik voelde me ontheemd toen ik ernaar keek. Ik bevond me niet langer op een fysieke plek maar op een surrealistische plek van naakte schoonheid, waar sterke kunst ons mee naartoe weet te voeren.

    Bij de toeristeninformatie van Saint-Paul, met een opvallende banner vlak naast de toegangspoort van het plaatsje, werd me verteld dat er in het omliggende landschap nog meer installaties van Kim Cao te vinden waren. Ik pakte een kaart, want ik wilde ze graag bezoeken. Ik liep over een achterafweggetje, met aan weerszijden kroonbomen met gele bladeren, en aan het einde ervan nam ik een scherpe bocht naar een weggetje door de akkers. Ik zag een vrouw met rubberlaarzen olifantsgras snijden. Ik zag een man die een afgevallen passiebloemrank weer aan de steunpaal vlechtte. Ik zag bananenplanten die doorbogen van het fruit en kippen die eronder rondscharrelden en in de grond pikten. Afgezien van de druivenranken (en het grootste paard dat ik ooit had gezien, dat heel rustig met zijn ruiter langs mij liep) deed het leven hier denken aan dat in Iten. Maar natuurlijk waren deze levens gevormd door een volkomen ander verleden. De mensen die hier op het platteland woonden, zo stelde ik me voor, hadden hun eigen identiteit bepaald; hun voorouders hadden weliswaar de wreedheden van oorlogen en veroveringen doorstaan, maar niet op een schaal zoals in Kenia. Hun vijanden waren altijd enigszins vertrouwd geweest, met een wereldbeeld dat wel te begrijpen viel. Er waren geen mensen uit het onbekende gekomen, die een vreemde taal spraken en hun voorouders hadden voorgeschreven wie ze waren, hoe ze zich moesten kleden, welke god ze moesten aanbidden.

    Hun voorouders hadden weliswaar de wreedheden van oorlog doorstaan, maar niet op een schaal zoals in Kenia

    Aan het einde van deze weg zag ik een poort waar een groteske pop aan een haak hing, een karikatuur van een oude heks met een neus vol wratten. Ik verliet de weg, stapte over een beekje en liep het bos in. Het duurde niet lang of ik zag alleen nog maar hoge bomen en hoorde de vertrouwde geluiden van een willekeurig bos: een onophoudelijk hoog gezoem van insectengeluiden, vogelgezang, de wind en druppelend water. Het was niet moeilijk me voor te stellen dat ik weer in Iten was, in het Sing’ore-bos, en dat ik elk moment de mannen zou kunnen zien die brandhout hakten en in het Keiyo met elkaar praatten. Ik liep helemaal alleen in het bos, maar ik voelde me volledig op mijn gemak. Eindelijk kon ik het gevoel loslaten dat ik werd bekeken. Hier was ik gewoon iemand die tussen de bomen door liep. Ik hoefde mezelf niet te verklaren.

    Kim Cao’s installatie verraste me: een weefsel van bamboe dat tussen de bomen lag als een reusachtig gevallen nest, alsof het was gemaakt door oerinstincten in plaats van door mensenhanden. Het ging dusdanig op in de begroeiing dat het bijna onzichtbaar was, en later begreep ik dat dat ook precies Kim Cao’s bedoeling was: zijn bamboe-installaties laten versmelten met het bos, waar ze zouden blijven liggen en zouden vergaan. Ook nu weer voerde zijn kunstwerk me mee naar een plek waar ik me helemaal op mijn gemak voelde, haast nog huiselijker dan thuis. Kim Cao’s kunst verdreef mijn nachtelijke angsten. Mijn terugkerende nachtmerries bleven weg.

    In Kenia wordt je identiteit niet in de eerste plaats bepaald door je zwart-zijn, eerder door etniciteit, klasse of zelfs het algemene gegeven dat je Afrikaan bent. Mijn zwart-zijn heeft nooit centraal gestaan in de manier waarop ik mezelf zie, zoals dat voor Baldwin wel het geval was. In mijn land is racisme vaker wel dan niet de collectieve ervaring van anti-zwarte, koloniaal gevormde instituties en buitenlandbeleid dat ons vernedert, maar geen persoonlijke confrontatie – behalve in gelegenheden die zich richten op toeristen. Ik was er dan ook niet in getraind om me te verdedigen zoals Baldwin dat deed, om ten volle de woede te voelen die voortkomt uit de geschiedenis waarin mensen met onze huidskleur wreed zijn mishandeld. Daarnaast vertoefde Baldwin in Europa als Amerikaan, iemand die een erkende, sociaal verheffende vorm van het Engels sprak. Ik vertoefde er als Afrikaan, in een tijd waarin Europa zijn onvrede al uitte over de toestroom van Afrikaanse immigranten.

    Mijn zwart-zijn heeft nooit centraal gestaan in de manier waarop ik mezelf zie, zoals dat voor Baldwin wel het geval was

    Maar mijn zintuigen waren toch niet in staat de micro-agressie te herkennen, dus wanneer ik werd gekleineerd bleef ik verbijsterd achter en vroeg me af of ik per ongeluk in een nare situatie was beland met een bot iemand of een bot systeem, zoals dat wel vaker gebeurt in het leven, overal, zelfs in Kenia; óf dat de situatie was ontstaan doordat ik zwart ben.

    Toen ik in de Parijse metro met een kaart probeerde uit te vogelen bij welke halte ik moest overstappen om bij de Sacré-Coeur te komen, zag ik een zwarte vrouw op blote voeten voorbijlopen, die in zichzelf mompelde en duidelijk geestelijke problemen had. Ineens stroomde de metro vol politieagenten, die achter haar aan kwamen. Enkele agenten maakten zich los van de groep en vroegen omstanders – en ook mij – hun metrokaartje te laten zien. Maar ze vroegen het alleen aan mensen die zwart waren, of mensen met een Arabisch uiterlijk. Witte mensen konden ongehinderd doorlopen; het was alsof die niet eens zagen wat er gebeurde, ze stonden volledig buiten onze verstoorde realiteit.

    Toen ik ’s avonds met een Rwandese vriend door Parijs liep op zoek naar een nachtclub, staken sommige mensen de straat over als ze ons zagen aankomen, anderen begonnen zelfs te rennen. In Vence zei een man met een kraampje dat duidelijk open was dat hij nog niet open was, en toen ik wegliep mompelde hij een reeks Franse verwensingen die behoorlijk onaardig klonken.

    Het was alsof ze niet eens zagen wat er gebeurde, ze stonden volledig buiten onze verstoorde realiteit

    Ik leerde S. kennen, een West-Afrikaanse man in Saint-Paul, die tot taak had de Eglise Collégiale te openen, te sluiten en te onderhouden, en om op gezette tijden de klok in de klokkentoren te luiden. Ik was een keer in mijn eentje de kerk in gelopen en had gefascineerd en gekeken naar het griezelig donkere schip, naar de fresco’s en het gebrandschilderde glas met afbeeldingen van heiligen die er kwaad en springlevend uitzagen, naar het met een hekje afgezette altaar met oude houten beelden van biddende mannen. Het voelde als een plek waar de tijd zich ongemerkt zou kunnen terugplooien naar de middeleeuwen. Ik was dan ook verbaasd om te horen dat het stadsbestuur mijn sterk gevoelde ervaring van die plek niet deelde, maar de ruimte verhuurde voor congressen, workshops en trouwerijen, om wat geld te verdienen. Ik kreeg zin om een zondagsmis bij te wonen, als goed katholiek die wilde deelnemen aan het Franse sacrament. Ik was de vierde aanwezige, en de enige zwarte, afgezien van de priester en S., die fungeerde als assistent van de priester. Na de dienst stelde een van de kerkgangers me voor aan de priester, een lange, forse man uit Burkina Faso, met een overrompelende lach en een ferme, enigszins pijnlijke handdruk. Hij vertelde me dat hij Kenia goed kende en ik zei op mijn beurt, aangestoken door zijn energieke uitstraling, dat ik Burkina Faso ook heel goed kende – al wist ik weinig meer over zijn land van herkomst dan de naam van de voormalige president en revolutionair Thomas Sankara. De priester onderbrak mijn enthousiaste betoog nogal bot met de opmerking dat er maar weinig priesters in Europa waren en dat hij snel door moest naar de volgende mis. Ik voelde me gekrenkt en ontredderd. Ik strompelde naar buiten, vervuld van twijfels, en voelde me misleid door een moment dat de belofte in zich had gedragen van een verwantschap tussen twee Afrikanen, moederziel alleen in Saint-Paul-de-Vence.

    Ik zal niet ontkennen dat er ook veel geweldige mensen en momenten waren.

    Ik trok er zo veel mogelijk op uit, verdiepte me in de geografie van de Côte d’Azur, nam de omgeving in me op. Ik liep naar de Chapelle du Rosaire in Vence, die volledig was ontworpen door Henri Matisse – echt alles, van de glas-in-loodramen tot de priestergewaden en de kandelaars; Matisse had het zeer grondig aangepakt, geïnspireerd door Monique Bourgeois die zich had aangesloten bij de Dominicaner orde van de kapel, en die hem in een bepaalde periode had verzorgd. Binnen had Henri zo’n wonderschoon samenspel gecreëerd van blauw en geel licht, van schaduwen en architecturale lijnen, dat ik na afloop in de tuin moest gaan zitten om bij te komen, net als de andere bezoekers. Ik bezocht de Fondation Maeght en was betoverd door de buitensculpturen en door de verzameling schilderijen en beeldhouwwerken binnen. Ik liep de heuvel op naar de kathedraal van Vence en bij de toeristeninformatie reageerde iedereen vrolijk verrast toen ik vertelde dat ik uit Kenia kwam.

    Ik vergaapte me aan het kalme water dat langs rechte lijnen was onderverdeeld in verschillende schakeringen blauw

    Ik denk met veel plezier terug aan mijn wandelingen over de Promenade des Anglais en aan de keurig onderhouden pleintjes waar met veel enthousiasme petanque werd gespeeld, aan de Middellandse Zeekust, waar ik me vergaapte aan het kalme water dat langs rechte lijnen was onderverdeeld in verschillende schakeringen blauw. Aan de andere kant van het water stelde ik me Afrika voor. Ik pakte wat gladde kiezels die aan mijn voeten lagen en nam er een paar mee terug naar Nairobi, waar ik er eentje boven op een afgebroken pilaar legde in een verlaten straat, en zei dat ik er een stukje Europa aan toevoegde.

    Tijdens de laatste week van mijn residentie hoorde ik over Tourrettes-sur-Loup. Dat was een ander middeleeuws plaatsje, een kilometer of vijf van Saint-Paul, ook tegen een rotshelling gebouwd, maar, om de woorden van Shannon te gebruiken, minder ‘Disney-achtig’. Ik besloot ernaartoe te lopen via een aantal wandelpaadjes in het achterland van Saint-Paul, die waren gemarkeerd met een gele streep op de bomen. Ik was vaker naar Vence gelopen voor mijn boodschappen en ik kende het begin van de route. Alleen nam ik dit keer niet de brug over de Malvan (die me direct naar Vence zou hebben geleid) maar volgde ik de pijlen op de houten bordjes en klom langs de rivier omhoog. Zo kwam ik in een dicht bos terecht, waar immense schaduwen roerloos over hoge bomen vielen. Mijn verbeelding nam het over en ik zag voor me hoe ik achterna werd gezeten door een beer, en dan geen gewone hedendaagse beer, maar groter en hariger, rechtstreeks afkomstig uit het Pleistoceen. Na dit stuk bos kwam ik bij een open plek en volgde opgewekt de kaart, tot ik uitkwam bij een stenen muurtje. Iemand had een deel van de route geclaimd als privéterrein. Ik liep terug en ging op een boomstronk zitten, uit het lood geslagen omdat ik niet meer op mijn kaart kon afgaan. Geen punt, hield ik mezelf voor: als ik gewoon bleef wachten zou er wel een keert iemand langskomen die me zou wijzen welke kant ik op moest.

    De eerste die langskwam sprak amper Engels. We deden ons best, probeerden ons gesprek te vertalen via onze mobieltjes, wat alleen maar tot nog meer verwarring leidde. Uiteindelijk knikte ik maar wat, deed alsof ik voldoende wist, zodat hij weer kon doorlopen. De tweede die langskwam was een Engelse vrouw met drie enorme paarden. Ze ging naast me op de boomstronk zitten en schonk een kop thee voor me in uit een thermoskan die ze uit haar tas haalde, en gaf me vervolgens glasheldere aanwijzingen hoe ik naar Tourrettes-sur-Loup moest lopen: ‘Rechtdoor, tot je op een versperring stuit, en vlak daarvoor ga je naar links en volgt het pad tot aan de rivier, aan de overkant ga je weer omhoog en dan volg je het wandelpad totdat je bij de verharde weg komt.’ Precies dat deed ik vervolgens.

    Ik liep verder, langs de droge rivierbedding en aan de andere kant weer omhoog. Ik baande me een weg door een eindeloze reeks struiken en vroeg me af hoe het mogelijk was dat ik helemaal alleen was in het bos. Ik voelde een ondeugend soort opwinding dat ik als Afrikaan in mijn eentje door de Europese wildernis liep. Maar het bos was bedrieglijk en uitputtend. Toen het leek alsof ik bij het einde was gekomen, begon het allemaal opnieuw, nog meer bomen, nog meer kronkelpaadjes om te bewandelen.

    Ik voelde een ondeugend soort opwinding dat ik als Afrikaan in mijn eentje door de Europese wildernis liep

    Uiteindelijk zag ik een molen en een oud huis, en daar liep ik naartoe tot ik een wandelpad ontdekte dat in tegenovergestelde richting liep, langs een stel krakkemikkige huisjes met wat geiten aan een touw en wat rondscharrelende kippen. Ik keek op en zag Tourrettes-sur-Loup liggen, als een schitterende ansichtkaart op een uitstekende rotspunt, met een Romeins aquaduct dat er vanuit de vallei naast de rots naartoe liep. Maar ik kon met de beste wil van de wereld geen pad ontdekken dat erheen voerde. Ik maakte rechtsomkeert en doolde wat rond, in de hoop dat mijn woordenschat groot genoeg was om in het Frans naar de weg te vragen, riep ik bonjour tegen een vrouw die het tuinhek uitkwam gevolgd door de vraag, in haperend Frans, hoe ik bij Tourrettes-sur-Loup moest komen. Ze verstijfde en ging weer naar binnen, deed het hek dicht. Ik vroeg me af of ze bang was door de aanblik van een zwarte man, maar ze kwam weer naar buiten, samen met een lange zwarte man met grijze dreadlocks. Hij sprak een beetje Engels, waarbij hij aarzelende gebaren maakte. We deden weer ons uiterste best, probeerden een gesprek te voeren via onze mobieltjes, waar waardeloze vertalingen uit kwamen. Een meisje van middelbareschoolleeftijd (vermoedelijk de dochter van de vrouw) kwam onze kant op. Ze zei dat ze op school Engels leerde en dat zij me misschien beter zou verstaan. Maar ze was het Engels nog niet voldoende machtig om een verdwaalde man de weg naar Tourrettes-sur-Loup uit te leggen. Uiteindelijk maakte de man een gebaar alsof hij een motor startte, en zei een paar keer achter elkaar: ‘Scooter! Scooter!’ Ik knikte geestdriftig en een paar minuten later zat ik bij hem achter op de scooter terwijl hij over de geasfalteerde weg reed, bocht na bocht, totdat we bij de rotsachtige vestingmuur kwamen, met de doorgang naar Tourrettes-sur-Loup. Hij parkeerde zijn scooter en wees naar het plaatsje, terwijl hij in het Engels zei: ‘Hier moet je zijn!’

    De man vouwde zijn handen en kwam dichter bij me staan, vroeg waar ik vandaan kwam. Ondanks zijn grijze haar zag hij er jong en fit uit; hij had iets tijdloos, alsof hij, zoals we Kenia zeggen, ‘genoeg van het leven had gegeten’ om zich buiten de rare tijdlijnen ervan te plaatsen. Ik zei dat ik uit Kenia kwam en hij vroeg of ik wel eens van Martinique had gehoord, waar hij vandaan kwam. Hij zweeg even, voordat hij een uitnodigend gebaar maakte en tegen me zei dat het niet uitmaakte dat ik een Keniaan was en hij uit Martinique kwam. ‘We zijn Afrikanen! Zwarte mensen!’ – en, met een geheven vinger – ‘Eén land!’ Hij stak me een hand toe.

    Later liep ik door Tourrettes-sur-Loup en nuttigde een crêpe met chocola en een kop koffie. Ik kocht een boek in een tweedehandswinkel van een Australische vrouw die terug wilde vliegen naar Australië om te ontsnappen aan de naderende Europese winter. Bij een bakker, waar ik een blikje cola kocht, wees een voorbijganger naar de jongen van de bakkerswinkel, die een schort droeg, en maakte een grapje waardoor een jonge vrouw die brood kocht begon te blozen en in de lach schoot. Toen de man zag dat ik geen Frans verstond, draaide hij zich naar mij en vertaalde de grap voor me: hij had de jongen van de bakkerswinkel aanbevolen aan de vrouw en gezegd dat ze voor hem moest kiezen, niet alleen omdat hij kon bakken maar ook omdat hij de beste pik had die er in Tourrettes te vinden was. Op de verharde hoofdweg terug naar Saint-Paul verdwaalde ik opnieuw en moest ik de weg vragen aan een man die zijn planten water gaf en aan een tiener die zijn fiets repareerde. Maar voordat dit zich allemaal afspeelde, wierp ik nog een blik over mijn schouder op de man uit Martinique en trilde ik van emotie. Hij was de eerste in Zuid-Frankrijk die me had gegroet, die met twee handen mijn hand had vastgepakt en me had omhelsd.

  • Thomas Chatterton Williams: ‘We moeten erkennen dat zwartheid niet echt is’

    Thomas Chatterton Williams: ‘We moeten erkennen dat zwartheid niet echt is’

    De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams vindt dat we afstand moeten nemen van rassencategorieën die voortkomen uit ‘plantagelogica’. ‘We zullen racisme nooit helemaal overstijgen zolang we in deze categorieën geloven‘, aldus Chatterton Williams die zichzelf – als kind van een zwarte vader en een witte moeder –, als ‘ex-zwart’ beschouwt.

    De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams wordt in Parijs wel eens aangezien voor Algerijn. Hij woont er met zijn Franse vrouw en twee kinderen, die beide blonde krullen hebben.

    De geboorte van zijn dochter Marlow, zes jaar geleden, veroorzaakte bij hem onverwachte paniek. Wat betekende het dat hij, die zichzelf destijds identificeerde als zwarte man die altijd de tweedeling zwart-wit had aanvaard, een kind had dat als wit zou worden gezien?

    In eerste instantie betekende het dat hij camerafilters zou toepassen om haar huid donkerder te maken – zodat ze erbij hoorde, bij hem en bij het ras. Uiteindelijk betekende het dat hij zichzelf vragen ging stellen die diep genoeg gingen om de manier waarop hij zichzelf zag te veranderen. Wat betekent het om tot een ras te behoren dat voor zwarte mensen deels de ‘loyaliteit aan pijn’ met zich meebrengt? En hoezo zou zijn dochter zwarter zijn als hij deze erfenis aan haar doorgaf?

    Hele opgave

    In zijn tweede boek, Self-Portrait in Black and White, roept hij ons op om na te denken over waarom we rascategorieën handhaven die zijn gedefinieerd ‘met behulp van plantagelogica’ en moedigt hij ons aan om de willekeurige nomenclatuur helemaal af te schaffen. Hij stelt voor dat we ons ‘terugtrekken uit ras’, ‘ras overstijgen’, ‘ras afleren’ – wat weer iets anders is dan het stadium van ‘postracialiteit’ bereiken. Het is een hele opgave, geeft hij toe. 

    Omdat we allebei een gemengde achtergrond hebben en opgroeiden met één zwarte ouder en één witte, denkt Chatterton Williams dat hij en ik een voorsprong hebben bij het wegnemen van de barrières die het concept ras met zich meebrengen. We herinneren ons allebei de eerste keer dat we door een vreemdeling werden ‘geracialiseerd’ en daarmee dus ook werden gescheiden van onze witte ouder, en hoe we vanaf dat moment constant nadachten over ras. Voor hem uitte dit zich vooral in het onderzoeken van het kunstmatige karakter ervan.

    Op de campus van Bard College, een privé-universiteit in de staat New York, waar hij dit najaar de vierweekse cursus ‘Kunnen we ons terugtrekken uit ras?’ onderwees, bespraken we het voorrecht van witheid of wat daarbij in de buurt komt, of het ​​te veel van zwarte mensen vergt om ras los te laten en toch trots te blijven op een identiteit die is ontstaan tegen een achtergrond van systematische onderdrukking en, ten slotte, waarom hij optimistisch is over de veranderingen in de toekomst.

    Als u ex-zwart bent, wat bent u dan nu?

    Ik probeer specifiekere manieren te vinden om mezelf te identificeren. Dus ik zou zeggen dat ik een Amerikaan ben. Ik stam af van zuidelijke slaven, en van moeders kant stam ik af van Noord-Europese protestantse immigranten. Ik bedoel niet te zeggen dat ik een witte man ben.’

    U zegt dus dat u niet ex-zwart bent geworden omdat u genoeg had van wat ik heb geleerd ‘zwart’ te noemen, of omdat u wilde dat uw dochter deel zou uitmaken van wat ik heb geleerd ‘wit’ te noemen. U wilt haar waarschijnlijk niet dwingen zich als wit te identificeren.

    ‘Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen’

    ‘Dat zou het ergste scenario zijn. Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen: een mislukking van ons ouders, een mislukking voor het hele gezin.’

    Dus u wijst de termen af omdat ze niet volledig weergeven wie u en uw dochter als persoon zijn. Maar dat wisten we toch al?

    ‘Nee. Niet iedereen.’

    Misschien komt het doordat ik gemengd ben of omdat ik zo veel met ras bezig ben, maar als mensen zeggen dat ze zwart zijn, schrijf ik ze niet vanzelf bepaalde eigenschappen toe.

    ‘Ik denk dat u en ik waarschijnlijk buiten de norm vallen.

    Tijdens het schrijven van het boek, terwijl ik ondertussen werkte aan een lang artikel voor The New Yorker en een aantal rasechte racisten interviewde, dacht ik: O God. Wat heb ik gedaan? Ik heb de zwartheid in mijn familie om zeep geholpen, en zelfs: Dit is verloren. Dit gaan we niet meer op kunnen lossen.

    ‘Zolang die categorieën als zwart of wit worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken’

    Door mijn gesprekken met racisten realiseerde ik me dat we racisme nooit helemaal zullen overstijgen zolang we in deze categorieën geloven. Zolang die categorieën worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken die jij, Summer, er niet uit trekt.’

    Denkt u dat lichtere zwarte mensen, en vooral gemengde mensen zoals wij, het voorrecht hebben om zelfs maar het idee te koesteren ras te kunnen ‘afleren’? Zou het moeilijker zijn voor zwarte mensen met een donkere huidskleur?

    ‘Ik denk dat het gemakkelijker is voor mensen die op de een of andere manier gemengd zijn, maar ik werd zeer geïnspireerd door een man, Kmele Foster, die zichzelf een rasafvallige noemt. Hij zei dat hij van alles is… Hij heeft een donkere huidskleur maar weigert zich te identificeren met de term ‘zwart’. Hij ziet er het nut niet van in. Ik ben het daarover met hem eens en anderen lachen hem erom uit. Hij heeft een soort zelfbewustheid die velen denk ik niet goed begrijpen.’

    U hebt ook nogal een verleden met Ta-Nehisi Coates…

    ‘Ik heb veel over hem geschreven.’

    En u hebt gezegd dat hij op witte suprematie aanstuurt.

    ‘Nee, hij stuurt er niet op aan, maar in mijn ogen ziet hij witheid als iets speciaals, waarmee hij patronen waarvan ik weet dat hij ze wil bestrijden, juist uitvergroot. Wat ik bedoel te zeggen is dat witte suprematisten ook vinden dat ze speciaal zijn. Ze zijn het daar niet mee oneens. Coates is bovendien ambivalent over de vraag of zwartheid iets essentieels is, of iets kunstmatig.’

    In zijn boek Between the World and Me staat deze passage: ‘Misschien betekende “zwart” gewoon dat je je onderaan de ladder bevond… Er was niets nobels aan vallen, gebonden zijn, onderdrukt leven, zwart bloed had geen inherente betekenis.’ Dat lijkt overeen te komen met waar u het over hebt.

    ‘Helemaal mee eens. Maar hij beweegt twee kanten op. Zijn kritiek op Kanye West kwam er volgens mij op neer dat Kanye West een niet-authentieke, kunstmatige zwarte man is… Dat hij aan zwartheid heeft ingeboet, wat volgens mij zeer gevaarlijk is om te zeggen, omdat het in feite zegt…’

    Dat er één manier is om zwart te zijn.

    ‘Ja. En dat er mensen zijn die dat beslissen en erover oordelen.’

    U zegt in uw boek ook dat Coates een pessimistische blik heeft. U beschrijft een scène uit zijn boek waarin een witte vrouw zijn zoon een duw geeft en hij in de ogen van sommigen agressief reageert, zo van: ‘Dit is overduidelijk racistisch en…’

    ‘En hij zei dat hij dit voorval eeuwen geschiedenis met zich meedroeg.’

    Precies. U schrijft dat hij overdreven reageerde en geen ruimte liet voor de mogelijkheid dat deze vrouw gewoon een slechte dag had. Komt dat dus door pessimisme? En is uw idee om van ras af te stappen dan optimistisch?

    ‘Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken’

    ‘Ik denk dat je optimist moet zijn. Ik durf te zeggen dat ik James Baldwin bijna letterlijk parafraseer als ik zeg dat je geen andere keus hebt dan optimist te zijn, zolang je leeft en schrijft en streeft naar een betere wereld. Ook als ouder zou ik zeggen dat ik geen andere keus heb dan optimist te zijn. In mijn boek gebruik ik het woord “naïef”. Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken. Als ik Marlow zou vragen om jou te beschrijven, zal ze zeggen: “Summer draagt ​​een beige jasje. Dat is het belangrijkste verschil tussen haar en het meisje in het roze overhemd.”

    Ik geloof dat ik die naïviteit wil terugwinnen en ik moet wel optimistisch zijn om te geloven dat die verandering mogelijk is. Als ik pessimistisch was, zie ik niet in hoe ik zou kunnen schrijven. Snapt u? Je moet erin geloven dat je iemand bereikt.’

    U schrijft in het boek dat u aan de posts op Facebook van uw witte vrienden merkt dat het ze het vervelend vinden dat ze wit zijn…

    ‘Ja. Ze voelen zich bezwaard.’

    Moeten ze dat om van ras af te stappen demonstratief uiten, of in het echt?

    ‘Witte mensen zijn in feite het grootste deel van de recente geschiedenis in Amerika aangemoedigd om zichzelf te beschouwen als losstaand van ras. Ook witte mensen hebben een ras. Ze moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen.

    ‘Ook witte mensen moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen’

    Zwarte mensen hebben altijd met ras te maken gehad. We zijn er nooit los van gekomen, maar het is geen zwart onderwerp. Daarom raak ik gefrustreerd als mensen vragen: “Met wie wil je in het panel [over je boek] praten? Wie zou het moeten beoordelen?” Dit is geen zwart boek. Het is niet niet een zwart boek. Ik heb het hier over veel “zwarte” dingen, maar ik zou hierover met Aziatische mensen moeten praten, ik zou een Latino-gesprekspartner kunnen hebben, ik zou een witte gesprekspartner moeten kunnen hebben, want dit is geen onderwerp dat alleen mensen van kleur aangaat, terwijl de witten in het publiek zitten en toekijken.

    Ik wil het hierover hebben met iedereen wiens ras oorsprong heeft in Amerika. Met iedereen dus.’

    U gebruikt in het boek de metafoor van een vrouw die wordt aangereden door een auto. Wat de chauffeur ook kan doen om te helpen, haar medische rekeningen te betalen of wat dan ook, het is aan haar om zichzelf te genezen. Is dat wat zwarte mensen moeten doen om ras af te leren?

    ‘Ik denk dat het afleren van ras voor zwarte mensen erop neerkomt te zeggen dat zwartheid niet echt is, dat ras niet echt is. Ik word in Amerika als zwart beschouwd, een categorie die mijn familie al generaties lang pijn doet maar ook buitengewone culturele bijdragen heeft voortgebracht waar ik trots op ben. Maar het is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen.‘

    Hoe houden we vast aan het gegeven dat, onder andere dankzij zulke bijdragen, de wereld zoveel saaier zou zijn als er geen zwarte mensen waren? Hoe kunnen we vasthouden aan dat idee, en tegelijkertijd ​​ras loslaten?

    ‘Volgens mij doe ik dat voortdurend. Ik luister nog steeds naar Gunna of Lil Baby, en zij hebben een culturele relevantie voor mij. Ik luister naar John Coltrane. Zelfs in een zwarte Britse schrijver als Zadie Smith vind ik iets van herkenning, en als ik naar schilderijen van Kerry James Marshall kijk merk ik zijn zwartheid op. Maar ik denk niet dat ik daarvoor hoef te geloven dat het een biologische realiteit is. Het is een gemeenschap van mensen die in de loop van de tijd in de nieuwe wereld bepaalde ervaringen en omstandigheden hebben meegemaakt, en zij creëerden culturele tradities die door veel mensen die op hen leken, werden overgenomen.’

    Wat is volgens u de belangrijkste kritiek die u op het boek zult krijgen, en met name van zwarte mensen?

    ‘De ergste kritiek zou stilte zijn, wat een absolute nachtmerrie is als je zo hard werkt en zo serieus nadenkt over een vraag. De angst van de schrijver is dat mensen het niet openslaan.

    ‘Zwartheid is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen’

    Maar ik verwacht zeker kritiek en dat zal ongetwijfeld pittige zijn. Mensen denken dat nu ik “wit” ben getrouwd en comfortabel in Parijs woon niks te maken heb met zwarte problemen, ook al is de realiteit altijd gecompliceerder dan het lijkt. In zag reacties op een fragment van het boek in The New York Times. “Zijn kinderen zijn wit en hij is een heel lichte zwarte man met een witte vrouw. Hij nam de beslissing om een ​​witte vrouw te trouwen.” Dat is een soort minachting die, denk ik, niet serieus neemt waar ik aan probeer te werken.’

    Als ik dit boek zou schrijven, dan zou ik me zorgen maken dat ze me een verrader zouden noemen. Dat ze zouden denken dat ik witten hun gang laat gaan door te zeggen: ’Fuck dat allemaal. Laten we dit allemaal achterwege laten.

    ‘Ja, daar speel ik in het boek een beetje op in. Ik probeer dit punt naar voren te brengen… Als je in een impasse zit als je elkaar wilt passeren maar je blijft allebei bewegen, dan moet één iemand als eerste bewegen, of juist niet bewegen. Dan kan de ander eromheen.

    ‘Ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen’

    Ik denk dat we in een soort impasse zitten die ons volledig in beslag neemt. We kijken achteruit. Ik denk niet dat het verkeerd is om terug te kijken, maar ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen. Zwarte mensen zijn ook de mensen die…’

    Vergeven.

    ‘Ja. Misschien is dat niet eerlijk, maar dat verandert mijn gedachten niet. Want ik denk dat iedereen helpt, ook de zwarten. En ik denk niet dat het idee dat ook witten er iets uit halen het voor zwarten verpest, zolang zij ook een betere toekomst krijgen. Begrijp je? Ik ben er niet voor de witten ter verantwoording te roepen, vergelding te vragen. Is herstel nodig? Waarschijnlijk wel. Is er sprake van herstel? Voor sommige zwarten wel. Is dat genoeg? Het meest overtuigend vond ik het werkelijk spectaculaire artikel van Ta-Nehisi Coates, The Case for Reparations.

    Ik hou van dat artikel. Ik denk niet dat het in tegenspraak is met verder willen en het pessimisme kwijtraken. Ik denk dat witten heel veel zullen moeten doen, maar het is haast passend als zwarte daarin voorgaan. Sommigen zullen zeggen: “Wij hoeven hier niet het werk te doen of u te leren hoe u uw werk moet doen.” Maar waarvoor zijn we hier? We willen een betere wereld. En dit is eigenlijk juist bewonderenswaardig werk. Snapt u dat?’

  • Het zwarte lichaam

    Het zwarte lichaam

    De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt het Zwitserse bergdorp waar James Baldwin in de jaren vijftig zijn essay ‘Stranger in de the Village’ schreef. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun thuisland ook zo veel veranderd?

    Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis. Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.

    James Baldwin had in 1951 voor het eerst Parijs verlaten om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn. Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht. ‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig blank dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.

    Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.

    Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing.’ Ze zou over een trombone kunnen zingen. En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.

    Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika

    ‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.

    Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.

    (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’) – Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’

    Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden blank – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.

    Josephine Baker bezocht Volendam in 1928. Niet te zien is dat zij klompen aan heeft waarmee ze later de Charleston gedanst zou hebben.
    Josephine Baker bezocht Volendam in 1928. Niet te zien is dat zij klompen aan heeft waarmee ze later de Charleston gedanst zou hebben.

    Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren.

    Dit was de grootste verandering van allemaal. Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en werden omhuld door een onsterfelijk blauw.


    In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’ Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien. Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach tevoorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’

    Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.

    Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.

    Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen. In ‘A Question of Identity’ (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’

    Les Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso, geïnspireerd door Afrikaanse maskers, en Een traditioneel Punu-masker uit Gabon.
    Les Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso, geïnspireerd door Afrikaanse maskers, en Een traditioneel Punu-masker uit Gabon.

    De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis. En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’. We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.

    Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.

    Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij erbuiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):

    ‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’

    De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.

    Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige blanken, net zoals sommige blanken meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de blanke superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.

    Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “blank” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’

    Stoom van zijn pagina’s

    En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft. Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’

    Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de blanke superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van blanke superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.

    In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist

    Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws. De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had. De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metrotreinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen. Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.

    Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.

    William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’

    ‘... de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.’ – Baldwin.
    ‘… de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.’ – Baldwin.

    Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid. Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep. Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.

    Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en blanken konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel blank Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost blanken een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben. Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?

    Auteur: Teju Cole
    Vertaler: Paul van der Lecq

    Dit is een voorpublicatie uit de nieuwe essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen van Teju Cole (isbn 978 90 234 1487 2, € 24,99, Uitgeverij De Bezige Bij).

    Beeld bovenaan: James Baldwin – © Ted Thai / Getty

    Vrijkaarten masterclass Teju Cole

    Op 23 september opent Teju Cole nieuwe seizoen van academisch-cultureel podium SPUI25 in Amsterdam met een lezing in de Aula van de Lutherse Kerk. Hij treedt daarmee in het voetspoor van onder anderen Stefan Hertmans, Philipp Blom, David van Reybrouck, A.S. Byatt en Karen Armstrong, die in voorgaande jaren het academisch-culturele seizoen van SPUI25 openden. Cole zal spreken over classificaties van ‘de ander’ in literatuur, politiek en samenleving. Na afloop wordt hij geïnterviewd door Stephan Sanders. De lezing is intussen uitverkocht, maar 360 Magazine mag tien kaarten weggeven voor de masterclass die Cole dezelfde middag van 14.00 tot 15.00 uur geeft. Hierin wordt, op basis van het bovenstaande essay, gesproken over het belang van het werk van Cole in Nederlandse context.

    Belangstelling? Stuur dan vóór 15 september een mailtje met uw contactgegevens naar marketing@360international.nl

    schermafbeelding 2016 09 07 om 14 58 32

    Wie is Teju Cole?

    Teju Cole (1975) is schrijver, kunsthistoricus en fotograaf. Hij is ‘Distinguished Writer in Residence’ aan Bard College (New York) en fotografiecriticus voor The New York Times Magazine.

    Teju Cole werd geboren in de VS in 1975 en groeide op in Nigeria, het land waar zijn ouders vandaan komen. Momenteel woont hij in Brooklyn, New York. Hij is auteur van drie boeken. Elke dag is voor de dief werd uitgeroepen tot boek van het jaar door The New York Times, The Globe and Mail, NPR en The Telegraph. Zijn tweede roman, Open stad, won de PEN/Hemingway Award, de New York City Book Award for Fiction, de Rosenthal Award of the American Academy of Arts and Letters en de Internationaler Literaturpreis. Zijn nieuwste boek Vertrouwde en vreemde dingen is een essaybundel over kunst, literatuur en politiek, met onderwerpen variërend van Virginia Woolf en W.G. Sebald tot Obama, Palestina en Boko Haram.