Tag: Joods verzet

  • Helden zonder hoop: het verhaal van de Joodse opstand in het getto van Warschau

    Helden zonder hoop: het verhaal van de Joodse opstand in het getto van Warschau

    Tachtig jaar geleden, op 19 april 1943, begon de opstand in het getto van Warschau, een van de beroemdste daden van Joods verzet tegen de Holocaust. De strijders wilden een signaal afgeven aan de wereld: Joden lieten zich niet zonder verzet vermoorden.

    Keuze uit het archief

    De wereld herdacht vorige week maandag de bevrijding van Auschwitz, die dit jaar tachtig jaar geleden plaatsvond. Het kamp staat algemeen bekend als hét symbool van de holocaust. Miljoenen Joden werden als schapen, vaak nietsvermoedend, naar de slachtbank geleid. Toch waren er ook Joden die liever strijdend ten onder gingen, ook al wisten ze dat hun lot bezegeld was. Dit artikel van FAZ uit 2023, geschreven door hoogleraar Holocaust- en Joodse Studies Stephan Lehnstaedt, vertelt het heroïsche epos van de Opstand van Warschau.

    Het zou voor Ferdinand von Sammern-Frankenegg geen mooie dag worden. Nochtans was het in Warschau prachtig warm lenteweer, en in de parken stond alles in bloei. Maar hij had werk te doen, wat voor de SS- en politieleider betekende dat hij Joden naar het vernietigingskamp Treblinka moest deporteren. Die dag, 19 april 1943, zou het einde van het getto van Warschau inluiden. De Duitse vernietigingsmachinerie was geoefend, de logistiek efficiënt en de benodigde mankracht relatief klein. Op deze actie had de SS zich bijzonder goed voorbereid en zich van extra manschappen verzekerd, zodat alles soepel zou verlopen.

    Maar de twee colonnes die in de vroege ochtend vanuit het zuiden de toegangspoorten tot de Nalewki- en Zamenhofstraat binnengingen, kwamen niet ver: ze waren nog maar net op het plein achter de poort aangekomen, of ze werden vanuit de omliggende huizen beschoten en bekogeld met handgranaten en molotovcocktails. In de Nalewkistraat hielden de Duitsers bijna twee uur stand voordat ze zich ongeorganiseerd terugtrokken en hun doden moesten achterlaten. In de Zamenhofstraat werd een van hun twee tanks in brand gestoken, zodat ze het getto al na een half uur halsoverkop verlieten.

    Sammern-Frankenegg werd dezelfde dag nog vervangen door Jürgen Stroop. Eigenlijk was Stroop al eerder aangewezen om de actie in het getto te leiden, maar door communicatieproblemen had hij vertraging opgelopen. De nieuwe SS- en politieleider liet zijn mannen ’s middags opnieuw aantreden in de Nalewkistraat, en daarnaast kwam er een opmars vanuit het noorden naar het Muranowskiplein. Met dezelfde afloop. Onder zwaar vuur moesten de SS’ers het getto verlaten. Op die dag konden ze niemand deporteren, maar hadden ze wel twaalf eigen doden te betreuren.

    Besef

    Zo begon de opstand in het getto van Warschau, die de geschiedenis zou ingaan als de beroemdste daad van Joods verzet tegen de Holocaust. Tot 16 mei 1943 voerden de Duitsers regelmatig felle gevechten met de opstandelingen, totdat Stroop uiteindelijk in zijn rapport aan Berlijn de beruchte zin noteerde: ‘Er bestaat geen Joodse woonwijk meer in Warschau!’

    Op die bewuste dag in april werd de SS verrast door de felheid van het verzet. Toen de bezetter in de zomer van 1942 begon met de deportaties naar Treblinka en daar in ruim anderhalve maand tijd zo’n 350.000 mensen vermoordde, waren de bewoners van het getto niet in staat tot gecoördineerde verdediging. In het getto woonden nog steeds bijna 60.000 mensen. Ongeveer de helft daarvan had een werkkaart en werd gedoogd door de Duitsers, de anderen waren er illegaal en leefden in permanente angst voor de volgende arrestatiegolf.

    De deportaties hadden aangetoond dat de Duitsers niet geïnteresseerd waren in een economische exploitatie van het getto. Veel bewoners hadden de honger, ellende en epidemieën kunnen doorstaan in de hoop dat de oorlog een keer voorbij zou zijn en ze bevrijd zouden worden. Maar nu drong tot ze door dat de moorden door de Einsatzgruppen en de vergassingen die sinds voorjaar 1942 in het kader van de Aktion Reinhardt waren begonnen, zonder uitzondering voor alle Joden golden; het was slechts een kwestie van tijd voordat ook de laatsten in de vernietigingskampen zouden sterven.

    Dit besef was een langzaam proces. Inmiddels weten we dat zes miljoen mensen zijn omgekomen in de Holocaust en zijn we gewend om het nationaalsocialistische moordprogramma te zien als onderdeel van de Tweede Wereldoorlog. Maar dat is een ahistorische veronderstelling, want zelfs de nazileiders gingen er tot ver in 1941 van uit dat zij de Joden alleen maar uit hun machtssfeer zouden deporteren – naar de Sovjet-Unie of naar Madagaskar bijvoorbeeld. Pas met de aanval op het rijk van Stalin raakte die gedachte volledig achterhaald. De uitroeiing, eerst met kogels en later door vergassing, bleek een gestaag escalerende, vaak geïmproviseerde moordorgie zonder gedetailleerd masterplan te zijn.

    In het getto van Warschau kregen ze wel informatie. Er had zich een groep rond de historicus Emanuel Ringelblum gevormd die systematisch informatie verzamelde, archiveerde en verspreidde. Toegegeven, het is onmenselijk om te beseffen dat je lot onvermijdelijk is. Maar voorlopig leek de situatie in Warschau onder controle: een tyfusepidemie met bijna 90.000 doden, die sinds de zomer van 1941 had gewoed, leek overwonnen. Tegelijkertijd draaiden de werkplaatsen van het getto op volle toeren, en ze leverden zelfs genoeg op om de weinige levensmiddelen te kunnen betalen die door de Duitsers waren toegestaan.

    Het doel van het verzet was niet om elk leven te redden en kon dat ook niet zijn

    De berichten over massamoorden in het Oosten waren zeker verontrustend – maar ook ver weg. Bovendien was er geen alternatief: verzet tegen de bezetter zou gelijkstaan aan zelfmoord, en massaal op de vlucht slaan was volkomen onrealistisch; het was zelfs als individu al vrijwel onmogelijk om te kunnen overleven in de vijandige wereld aan de ‘Arische kant’ buiten de gettomuren. Toen de treinen naar Treblinka begonnen te vertrekken, kwam het er dus op neer een schuilplaats of – tegen betaling – een werkvergunning te regelen om op het ‘overslagpunt’ niet aan boord van een van de transporten te hoeven gaan.

    Hoop, verdringing en het overleven van dag tot dag beheersten het getto van Warschau tot aan de herfst van 1942. De enkelen die eerder hadden gepleit voor actieve verzetsdaden en die soms hardhandig tot de orde werden geroepen, waren in korte tijd de morele leiders geworden. Dat het zo niet verder kon, daar was iedereen het wel over eens. Maar terwijl de oudere activisten van de vooroorlogse partijen en bewegingen een vlucht wilden organiseren van tenminste de culturele en sociale elite, verwierpen de jongere dit voorstel met klem: er moest geen onderscheid worden gemaakt wanneer een heel volk met vernietiging werd bedreigd. 

    De jeugdorganisaties, op de eerste plaats die van Haschomer Hazair, Dror en Akiba, verenigden zich in juli 1942 tot de Joodse Strijdersorganisatie (Żydowska Organizacja Bojowa, ŻOB) – een naam waarin het streven al besloten lag. Al in september drongen de eerste leden aan op een onmiddellijke staking tegen de Duitsers, terwijl anderen, waaronder de belangrijkste leiders, ervoor pleitten om eerst grondige voorbereidingen te treffen.

    Veel tijd was er niet. Op 18 januari 1943 keerde de SS terug naar het getto om bewoners bijeen te drijven voor deportatie. De ondergrondse had dit niet verwacht, maar reageerde toch. Losse groepen van de Strijdersorganisatie, voornamelijk uit de gelederen van Haschomer Hazair onder leiding van Mordechai Anielewicz, meldden zich vrijwillig aan voor deportatie – en openden vervolgens het vuur op de mannen van Sammern-Frankenegg. Dit was geen gecoördineerde verzetsactie, maar ze creëerde wel genoeg chaos om de Duitsers te verrassen en hen te dwingen zich te reorganiseren. In de volgende vier dagen waren er herhaaldelijk afzonderlijke vuurgevechten, ook met andere groepen van de ŻOB. Toch slaagde de SS erin om meer dan vijfduizend mensen te deporteren naar Treblinka. Het plan was om er achtduizend te deporteren.

    Bittere les

    Voor de Joodse Strijdersorganisatie was dit dus gedeeltelijk een succes, maar ook een bittere les. Veel strijders, waaronder vrouwen, die op gelijke voet streden met de mannen, stierven door toedoen van de zwaarbewapende Duitsers – bij wie er ook twaalf sneuvelden en ongeveer vijftig gewond raakten. Dit was van doorslaggevend belang voor de legitimering van het verzet, want het versterkte de reputatie van de ŻOB en toonde aan dat die in staat was de bezetter het hoofd te bieden. Bovendien: omdat veel inwoners van het getto gehoor hadden gegeven aan oproep om onder te duiken, had de ŻOB bewezen leiding te kunnen geven.

    Mordechai Anielewicz ontsnapte ternauwernood aan de Duitse kogels. Zijn daadkrachtige en spontane optreden maakte hem tot held en droeg eraan bij dat de andere groepen hem tot hun opperbevelhebber kozen. Dat was vooral een symbolische functie, want ook in april handelden de groepen zelfstandig, als losse verzetscellen, en veel minder in termen van gecoördineerde actie. 

    Anielewicz had zelfs aanzien verworven bij de Polen, wat het gemakkelijker maakte om overeenstemming te bereiken met hun belangrijkste verzetsorganisatie, de Armia Krajowa. In de daaropvolgende weken ontving de verzetsbeweging 90 pistolen, 600 handgranaten, 15 kilo explosieven, een licht machinegeweer en materiaal om molotovcocktails te maken. Toch was het eerder een symbolisch teken van steun voor de vervolgde Joden, want het nationale Poolse verzet beschikte op dat moment alleen al in haar magazijnen in Warschau over een veel groter arsenaal. Alleen de socialistische ondergrondse – die weliswaar lang niet zo invloedrijk en goed uitgerust was als de Armia Krajowa – had echte sympathie voor de gettostrijders.

    Mochten Joden andere Joden doden als dat een hoger doel diende?

    Maar eerst moest er lering worden getrokken uit de bloedige botsing met de SS. Sommige lessen waren duidelijk: om snel te kunnen reageren was het van optimaal belang om mobiele gevechtsgroepen zo decentraal mogelijk te stationeren en ervoor te zorgen dat ze hun eigen wapendepots zo dicht mogelijk in de buurt hadden. Een concentratie van alle strijders in één zone moest worden vermeden, maar de communicatielijnen tussen de afzonderlijke eenheden moesten wel worden verbeterd. Het was ook belangrijk om het getto te beveiligen tegen collaborateurs, want er hadden al verschillende keren arrestaties plaatsgevonden vanwege aanklachten.

    Om dat te voorkomen moest een taboe worden doorbroken: mochten Joden andere Joden doden als dat een hoger doel diende? Het doel van het verzet was niet om elk leven te redden en kon dat ook niet zijn. Marek Edelman zei uiteindelijk over het strategisch doden van andere Joden: het kon noodzakelijk zijn – niet om te voorkomen dat anderen zouden sterven, maar om überhaupt een opstand uit te kunnen voeren. Zijn woorden wogen des te zwaarder omdat Edelman een overtuigd humanist was. Dat bleef hij ook na de oorlog, zelfs toen de Volksrepubliek Polen hem als lid van Solidarność gevangenzette. Tot zijn dood in 2009 was hij een gerespecteerde stem van de rede.

    Het verzet had financiële middelen nodig. In de nacht van 29 op 30 januari 1943 plunderde de ŻOB daarom de kas van de Judenrat van Warschau. Na een tip van Marceli Ranicki – in Duitsland bekend als [de literatuurcriticus] Marcel Reich-Ranicki – die destijds voor de Judenrat werkte, vervalsten zij de handtekening van de Judenrat-voorzitter en meldden ze zich om twee uur ’s nachts bij de kassier. Leden van de ondergrondse, gekleed in de uniformen van Joodse politieagenten uit het getto, vertelden de kassier dat de Gestapo geld nodig had. Zo ontving het verzet 150.000 zloty en zag het zijn reputatie verder groeien, vooral omdat de Judenrat de Gestapo informeerde maar er vervolgens niets gebeurde.

    Er was dus al veel in gang gezet in het belang van de ŻOB. Maar een zegevierende opstand tegen de Duitse militaire en vernietigingsmachinerie was nog steeds uitgesloten. De materiële situatie van de opstandelingen was hopeloos, en uiteindelijk was het slechts een kwestie van tijd tot de SS ook de laatste Joden zou deporteren. In principe had de Strijdersorganisatie geen andere optie. Weliswaar was er altijd verzet geweest in kleine getto’s in de bezette Sovjet-Unie, maar daar konden de overlevenden naar de omringende bossen vluchten en proberen zich aan te sluiten bij eenheden van de partizanen. Een vriendelijk ontvangst was echter niet gegarandeerd en de omstandigheden bleven ook na de vlucht levensbedreigend.

    De ondergrondse van het getto van Warschau stond voor het fundamentele dilemma van elk Joods verzet: acties met kans op succes waren er niet

    Voor meer dan 50.000 Joodse inwoners van Warschau was zo’n ontsnapping een illusie – in de omgeving waren geen uitgestrekte bossen en een massale ontsnapping was absoluut niet realistisch. Zelfs kleine groepen gewapende strijders die dat vanuit andere getto’s in Polen hadden geprobeerd, werden vaak verraden en vervolgens weggevaagd door de Duitsers. Substantiële hulp uit Polen was niet te verwachten, ook al werd er – net als in West-Europa – wel samengewerkt om kinderen te redden. De ondergrondse van het getto van Warschau stond dus voor het fundamentele dilemma van elk Joods verzet: acties met kans op succes waren er niet. Maar afwachten of kleine speldenprikken uitdelen, zoals partizanen en nationale groepen deden – uiteenlopend van het Franse verzet tot de Armia Krajowa – was met de Holocaust in volle gang geen optie.

    De Strijdersorganisatie wist maar al te goed dat haar situatie hopeloos was – net zoals die van alle Joden trouwens. Ze had goed door wat het Duitse plan was en dat het vaststond dat het Europese Jodendom van de aardbodem moest verdwijnen. Met het oog hierop wilde Warschau op zijn minst een bewijs van Joodse eer achterlaten. ‘Misschien omdat de bewuste keuze tussen leven en dood de laatste kans is voor iemand om zijn waardigheid te behouden,’ in de woorden van Marek Edelman. Het ging de leden van de ŻOB om een bewuste beslissing over hun levenseinde. Ze wilden de strijd met de Duitsers aangaan, ook al was die hopeloos. Ze wilden een signaal afgeven aan de wereld: Joden zouden zich niet zonder verzet laten vermoorden. De strijd om het getto van Warschau moest een baken worden voor de levenswil van zijn inwoners.

    Bunkers

    De opstand was niet gepland als een collectieve zelfmoord, maar alle strijders wisten dat ze konden omkomen. Dat was hun keuze. Er was geen wroeging tegenover degenen die zich niet bij hen wilden of konden aansluiten, bijvoorbeeld omdat zij voor hun gezin en kinderen moesten zorgen.

    De beschuldiging dat de Joden zich als lammeren naar de slachtbank hebben laten leiden, komt niet voort uit het discours van die tijd, maar hoort eerder thuis in extreemrechts naoorlogs revisionisme. Tijdens de oorlog werd deze uitdrukking anders gebruikt en omgezet in een positieve oproep om de wapens op te nemen. Het verzet wist heel goed dat andere inwoners van het getto bepaald niet zonder eer waren of zich uit lethargie vrijwillig hadden laten deporteren. Edelman zei na de bevrijding: ‘Deze mensen gingen rustig en waardig. Het is verschrikkelijk om zo rustig je dood tegemoet te gaan. Dat is veel moeilijker dan schieten. Het is veel gemakkelijker om al schietend te sterven.’

    De ŻOB zag zichzelf als de elite van het getto van Warschau. Ze bestond slechts uit ongeveer driehonderdvijftig strijders, plus nog een paar helpers. Ze wilde ook geen massaorganisatie worden. Kleine losse groepen waren bereid te helpen tijdens de confrontatie met de Duitsers, maar het merendeel van de gettobewoners was op zichzelf aangewezen. Geconfronteerd met de dreiging van een volgende deportatiegolf, bereidden ze wanhopig schuilplaatsen voor, bij voorkeur ondergronds, bevoorraad en met meerdere ingangen. Ze verwachtten dat ze in deze bunkers, waarvan er ongeveer zeshonderd waren, enkele weken zouden moeten verblijven, totdat de beproeving voorbij was.

    Poolse steun bleef meestal beperkt tot woorden en de levering van een enkel klein wapen

    In feite zouden de gevechten vele dagen duren, want de ŻOB was goed geïnformeerd en bevond zich naar omstandigheden in een optimale positie. Zo kon ze op 20 april zelfs de zeer symbolische Joodse vlaggen met de davidster verdedigen die op het Muranowskiplein wapperden. Op het terrein van de werkplaatsen in het getto, die fysiek gescheiden waren van het hoofdgetto, leden de Duitsers een zware nederlaag toen een enorme explosie hun opmars tot staan bracht en vele levens eiste. Ze reageerden met grootschalig gebruik van vlammenwerpers en zelfs met luchtbombardementen, waardoor het hele gebied in brand kwam te staan.

    De opstandelingen kregen weinig hulp van buitenaf. Weliswaar slaagde een eenheid van het Poolse communistische verzet onder leiding van de Joodse strijder Niuta Tajtelbaum erin een van de Duitse mitrailleursnesten uit te schakelen die het getto beschoten, maar verder bleef Poolse steun meestal beperkt tot woorden en de levering van een enkel klein wapen.

    Op de vijfde dag moest het verzet het Muranowskiplein ontruimen. De Duitsers haalden de vlaggen weg en veranderden hun aanpak. In plaats van in colonnes – die vanuit huizen in een hinderlaag konden worden gelokt en beschoten – rukten ze nu op in enkele pelotons. Omdat veel van de Joodse strijders al waren gevallen en de levenden weinig munitie over hadden, gebruikte ook de ŻOB een nieuwe tactiek: ze trokken zich terug in de bunkers en verlieten deze alleen om vanuit hinderlagen te kunnen toeslaan. De laatste grote slag met de Duitsers werd op 27 april geleverd, toen enkele honderden mensen die gedeporteerd zouden worden, werden bevrijd.

    Geen optie

    Tegen eind april was echt verzet geen optie meer. De eerste strijders zouden nu moeten proberen door de riolen naar de ‘Arische kant’ te vluchten om daar te overleven en eventueel steun te vinden. Maar die was er nog steeds niet. En dus kamde de SS huis na huis uit en stichtte opzettelijk brand om verscholen Joden de straat op te drijven, naar de deportatietreinen. Omdat de plafonds meestal van hout waren, veranderde het getto in één brandend inferno.

    Degenen die in bunkers zaten, verging het weinig beter. Begin mei hadden de Duitsers de meeste grotere schuilplaatsen al ontruimd en op 7 mei vonden ze ook de commandobunker van de ŻOB in de Milastraat 18. Daar verbleven ongeveer vijfhonderd mensen. De meesten van hen stierven toen Stroop een dag later gas naar binnen liet pompen. Onder de doden waren ongeveer honderdtwintig leden van de Strijdersorganisatie, onder wie hun leider Mordechai Anielewicz.

    Op 16 mei liet Stroop de Grote Synagoge opblazen en verklaarde hij dat de opstand was onderdrukt. Het had minstens vijftienhonderd man bijna een maand gekost om te zegevieren na felle huis-aan-huisgevechten met Joodse strijders die in de minderheid waren, volstrekt onvoldoende uitgerust, militair onervaren en verzwakt door hun lange tijd in het getto. Officieel bevestigde de SS- en politieleider zestien eigen doden en vijfentachtig gewonden; de werkelijke aantallen liggen waarschijnlijk minstens een factor tien hoger.

    De foto’s die hij gebruikte om zijn verklaring te illustreren waren bijzonder effectief. Ze werden wereldwijd verspreid, vooral de foto van een jongetje dat geschrokken en met opgeheven armen naar de camera rent. Het is het perspectief van de dader die zijn eigen overwinning illustreert met propagandistische bedoelingen. Niet het Joodse verzet is te zien, maar het moment van de Duitse triomf. Dat is vertekenend, want de verzetsleden wilden natuurlijk geen aanwijzingen nalaten, noch met foto’s noch met documenten. Het ontbreken van hun perspectief heeft historisch onderzoek vaak onbedoeld beïnvloed.

    Nieuws over de opstand in het getto van Warschau had zich als een lopend vuurtje verspreid

    Ongeveer tachtig leden van de ŻOB overleefden de opstand, maar slechts een tiental overleefde het einde van de oorlog. Hoewel de chaos van die lente mogelijkheden had geboden voor enkele ontsnappingen, zou het nog anderhalf jaar van onderdrukkende bezetting duren, voordat de bevrijding een feit was. Daarin was sprake van een niet-aflatende vervolgingsterreur. En terwijl de Duitsers systematisch alle gebouwen op het terrein van het voormalige getto opbliezen en op het puin concentratiekamp Warschau inrichtten, was het verhaal van het Joodse verzet nog niet voorbij: nieuws over de opstand in het getto van Warschau had zich als een lopend vuurtje verspreid. De voorbeeldfunctie voor vele andere verzetsactiviteiten kan nauwelijks worden overschat.

    Niet in de laatste plaats waren er de opstanden en massale ontsnappingen in de vernietigingskampen Treblinka en Sobibor in 1943, en de opstand van het Sonderkommando in Auschwitz-Birkenau in 1944. Ook voor de opstand van Warschau in 1944, waarbij veel ondergedoken Joden aan Poolse zijde vochten, was de opstand van 1943 een voorbeeld.

    Al in 1946 werd in de Poolse hoofdstad een eerste kleine gedenksteen opgericht voor de Strijders van het getto, in 1948 gevolgd door het beroemde gedenkteken waarvoor Willy Brandt in 1970 knielde: de vervolgden waren de overwinnaars geworden.

    Auteur Stephan Lehnstaedt is hoogleraar Holocauststudies en Joodse Studies aan het Touro College in Berlijn.