Binjamin Wilkomirski – eigenlijk Bruno Dössekker – gaf zich jarenlang uit voor jood en Holocaustoverlevende, totdat zijn bedrog aan het licht kwam. Dit geval staat niet op zichzelf: in Duitsland gebeurt het geregeld dat mensen de joodse identiteit aannemen. Welke redenen zitten daarachter?
De voorzitter van de joodse gemeente in Pinneberg is een gerespecteerd man. Hij staat voor een open, hervormd jodendom; keer op keer neemt hij aanstoot aan zijn orthodoxe geloofsbroeders. Hij streeft naar een interreligieuze dialoog en spreekt vaak en graag op oecumenische evenementen. Wolfgang Seibert, zoals deze drukbezette gemeenschapsleider heet, is een bruggenbouwer. En zo iemand doet het goed in Duitsland.
Al jaren is Seibert, met zijn uitgesproken joodse perspectief, een vaste gast in talkshows en wordt hij voor kranten geïnterviewd. Politici en andere beleidsmakers maken hem het hof. In 2017 ontvangt hij de Mensenrechtenprijs van Pro Asyl [de grootste pro-immigrantenorganisatie in Duitsland] en ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag in datzelfde jaar viert een aantal protestantse dominees zijn inspanningen met een ‘Liber amicorum voor Wolfgang Seibert’.
Tot in de herfst van 2018 het doek valt. Seibert blijkt helemaal niet joods, maar een fraudeur met meerdere veroordelingen op zijn naam. Een team van Der Spiegel ontdekte dat Seibert protestants is gedoopt en tijdens een verblijf in de gevangenis al eens een valse identiteit aannam. Die vijftien jaar als hoofd van de joodse gemeente in Pinneberg was slechts de laatste gedaanteverandering van deze oplichter.
Wilkomirski-syndroom
Seibert is geen opzichzelfstaand geval. Experts gaan ervan uit dat duizenden mensen in Duitsland doen alsof ze joods zijn. Het fenomeen komt zo vaak voor dat het een naam heeft gekregen: het Wilkomirski-syndroom. Het verwijst naar het verzinnen of vervalsen van joodse slachtoffer- of vervolgingsverhalen na de Holocaust, genoemd naar Binjamin Wilkomirski – eigenlijk Bruno Dössekker – die in de jaren negentig zijn concentratiekamp-autobiografie Bruchstücke publiceerde. Verzonnen, zo bleek.
Het recentste geval dat voor opschudding zorgde, is journalist Fabian Wolff. Jarenlang liet hij zich op grond van zijn uitgesproken joodse perspectief in de Duitse media nadrukkelijk kritisch uit over de staat Israël. Een vals perspectief, zo bleek later.
Waarom wenden zo veel bedriegers in Duitsland een joodse identiteit voor? Uitgerekend in het land waar tachtig jaar geleden gruwelijke misdaden tegen het jodendom werden gepleegd? Wat verwachten deze mensen – en wat zegt het ons over het land en zijn herinneringscultuur?
Dat mensen in Duitsland doen alsof ze joden zijn, is een fenomeen dat zich vooral na de Holocaust is gaan voordoen. De archieven van de joodse gemeenschap van Berlijn documenteren op indrukwekkende wijze hoe vele tientallen Duitsers na de Shoah plotseling hun vermeende joodse identiteit ontdekten – zowel daders uit de nazitijd als volkomen normale mensen.
Destijds gebeurde dat vooral om cynisch pragmatische redenen. Sommige daders hoopten dat hun sterke verhalen tot straffeloosheid zouden leiden, anderen hoopten er hun voordeel mee te doen. En misschien wilden sommigen ook hun geweten sussen. ‘Natuurlijk is het prettiger om niet te hoeven verwerken hoe het eigen volk de genocide op zes miljoen joden mogelijk heeft gemaakt,’ schreef auteur Philipp Peyman Engel onlangs in de Jüdische Allgemeine. Met een joodse identiteit wordt ‘wij Duitsers’ al snel ‘de Duitsers’. Maar wat is dan de verklaring voor de latere gevallen?
Claas-Hinrich Lammers is hoofdarts en medisch directeur van de afdeling voor affectieve stoornissen, acute psychiatrie en psychose van de Asklepios-kliniek Hamburg-Nord. Hij is onder andere gespecialiseerd in de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Als psychiater sprak hij al honderden bedriegers en chronische leugenaars.
‘Narcisten proberen op alle mogelijke manieren op te vallen’
‘Je moet er voorzichtig mee zijn om dergelijk gedrag direct als ziekte te bestempelen,’ zegt Lammers aan de telefoon. ‘Niet iedereen met een storing is even gestoord.’ Veel bedriegers zijn uitgesproken narcisten, en daarvan zijn er volgens Lammers nogal wat in onze samenleving. Maar die zijn niet allemaal per se ziek.
‘Narcisten proberen op alle mogelijke manieren op te vallen,’ zegt Lammers. ‘Ze passen hun opvattingen gemakkelijk aan, als ze er maar hun voordeel mee kunnen doen en het aandacht oplevert.’ Hoe dat voordeel eruitziet verschilt per individu. ‘Voor sommigen gaat het om roem en eer, om een prominente positie,’ zegt Lammers. ‘Voor anderen is het geld en macht.’
Opvallend is dat sommige prominente gevallen in één aspect op elkaar lijken: de nep-joden hebben zichzelf herhaaldelijk op publieke posities gemanoeuvreerd om zich luid en duidelijk te bemoeien met het publieke discours.
Peter Loth bijvoorbeeld, die valselijk beweerde geboren te zijn in concentratiekamp Stutthof, verscheen na het einde van de oorlog als medeaanklager in een proces tegen de voormalige kampbewaker Bruno Dey. Tijdens zijn getuigenis stond Loth op, omhelsde Dey en vergaf hem. Een foto daarvan ging de hele wereld rond.
Otto Uthgenannt beweerde dat hij concentratiekamp Buchenwald had overleefd en dat zijn ouders en zus daar waren vermoord. In werkelijkheid kwam Uthgenannt uit een protestantse familie die nooit is vervolgd. Desondanks gaf hij als ‘getuige uit die tijd’ jarenlang lezingen.
Wolfgang Seibert en Fabian Wolff namen ook uitgesproken posities in. De eerste als twistzieke vertegenwoordiger van een zogenaamd modern jodendom, de tweede als criticus van de vermeend onrechtvaardige staat Israël.
‘Geen bedrieger zonder iemand die zich laat bedriegen,’ zegt psychiater Lammers. Wil je dat een verzonnen identiteit werkt, dan moeten er andere mensen zijn die het plaatje compleet maken. ‘De vraag is waarom Duitsland dit nodig lijkt te hebben.’
‘Mensen die een joodse identiteit bedenken, vervullen een behoefte,’ zegt Barbara Steiner. De historicus en judaïst bestudeert al jaren Duitsers die christelijk zijn opgegroeid en zich op een bepaald moment in hun leven bekeren tot het jodendom – of dat nu een echte bekering of bedrog is.
Innerlijk conflict
Voor Steiner zijn verzonnen joodse biografieën een uitdrukking van een diepgeworteld onbehagen over het Duitse verleden. ‘Door deze identiteit aan te nemen, lossen ze een innerlijk conflict op,’ zegt ze aan de telefoon. ‘Ze kunnen er niet mee overweg afstammelingen van daders te zijn.’
Dat geldt echter niet alleen voor enkele individuen, zegt Steiner, maar voor de meerderheid van de Duitse maatschappij. ‘Niet alleen de afstammelingen van overlevenden van de Holocaust hebben te kampen met een emotioneel zwaar beladen erfenis. De nakomelingen van de daders hebben er ook mee te maken, maar bij hen is die het gevolg van falen en vaak genoeg komt daar ook nog antisemitisme bij kijken,’ zegt de historicus. ‘Als bedriegers dan een rol spelen die erbij past, door zich verzoenend of juist kritisch op te stellen, dan wordt dat maar al te gemakkelijk geaccepteerd.’
Peter Loth speelde bijvoorbeeld zo’n rol in de naoorlogse jaren. Door zijn vermeende kwelgeest te vergeven, gaf hij een even schadelijk als welkom signaal af: alles is weer goed.
‘Voor mij tonen de vele verzonnen joodse identiteiten aan dat Duitsland nog wat in te halen heeft in de verwerking van het nationaalsocialisme,’ zegt Steiner. De Bondsrepubliek heeft weliswaar geweldige initiatieven ondernomen en monumenten opgericht, maar in de individuele familiegeschiedenissen ontbreekt het nog steeds aan een gevoel van schuld. ‘Ik denk dat er vaak geen echt schuldbewustzijn was of is.’
Walter Rothschild ziet dat anders. Volgens de Brit, die zo’n 25 jaar als rabbijn voor verschillende joodse gemeenschappen in Duitsland heeft gewerkt, is de herdenkingscultuur in Duitsland eerder positief te duiden. Hij ziet in brede lagen van de bevolking een verlangen naar wiedergutmachung. Bedriegers die zich voordoen als joden zijn extreme gevallen, meent Rothschild.
Maar ook hij wordt in zijn praktijk steeds weer met het fenomeen geconfronteerd. Hij is immers degene die bepaalt wie als jood wordt geaccepteerd in de gemeenschap en wie niet. ‘Er zitten opvallend vaak mensen voor me die zo graag joods willen zijn dat ze ergens in hun stamboom een overgrootmoeder proberen op te graven met een joods klinkende naam,’ zegt hij. ‘Dat verbaast me elke keer weer, vooral omdat het zo vaak voorkomt.’
‘Als jood in Duitsland worden ze iets exotisch of speciaals, hun positie krijgt gewicht’
Op de vraag waarom dit zo is, heeft Rothschild ook geen bevredigend antwoord. ‘Misschien schamen ze zich,’ zegt hij, ‘of is hun eigen identiteit niet goed genoeg. Als jood in Duitsland worden ze iets exotisch of speciaals, hun positie krijgt gewicht.’
Deze ‘exotisering’, vervolgt Rothschild, is een product van de Duitse samenleving zelf. Sinds de Shoah wordt in dit land vooral gesproken over ‘wij Duitsers’ en ‘de joden’, ook als de intentie positief is. ‘Toch zijn veel joden hier ook Duitsers, net als de anderen,’ zegt de rabbijn. Die speciale positie kan uiteindelijk bijzonder aantrekkelijk zijn voor bedriegers.
‘Als je op zoek bent naar speciale aandacht, is het de vraag of er iets voorhanden is om dat verlangen te bevredigen,’ zegt psychiater Lammers. ‘Maar de meeste mensen hebben daar de juiste talenten niet voor, dus gaan ze op zoek naar een identiteit die hen speciaal maakt.’
Maar wat maakt dit alles dan zo problematisch? Rabbijn Rothschild denkt even na. ‘Het probleem is niet zozeer wat deze mensen over zichzelf denken – iedereen wil wel Batman of Superman zijn,’ zegt hij. ‘Het wordt pas lastig wanneer ze vanuit hun positie als vermeende jood dingen beweren over het joodse leven of over Israël.’
Barbara Steiner ziet dat net zo. ‘Zo ontstaan er vervormde beelden, ideeën over het jodendom die niet echt zijn, maar een cliché,’ zegt ze. ‘En als die eenmaal de wereld in zijn gestuurd, kunnen ze niet zo gemakkelijk weer worden opgeruimd.’
Het kan ook onderdeel zijn van een groter probleem, zoals Steiner zegt. Want het beeld dat die mensen met een valse identiteit creëren, is sinds de naoorlogse periode met het telkens oplevende antisemitisme meeveranderd. ‘In het begin waren het nog overlevingsverhalen, die tot vergeving leidden,’ zegt ze. ‘Maar recenter, ook met de toenemende antisemitische tendensen in onze samenleving, gaat het om mensen die Israël en het jodendom op het beledigende af bekritiseren.’
Op 22 april verschijnt de Nederlandse vertaling van de biografie van Philip Roth door Blake Bailey. Met dank aan De Bezige Bij publiceren wij alvast de proloog. Over Portnoy’s Complaint, waar Roth naar eigen zeggen best zonder had gekund, de Nobelprijs, die hij uiteindelijk nooit kreeg en Roth als brave jongen.
Op 23 oktober 2005 werd in Newark Philip Roth Day gevierd. Twee bussen vol fans deden de Philip Roth Tour en reden langs betekenisvolle plekken – Washington Park, de openbare bibliotheek, Weequahic High School – waar de inzittenden om beurten relevante passages uit zijn werk voorlazen. De rit eindigde bij Summit Avenue 81, het huis van zijn vroegste jeugd, waar iedereen uitstapte en Roth luid werd toegejuicht toen hij zelf in een limousine arriveerde.
‘Kom hier en geef me een kus!’ zei Roberta Harrington, de huidige eigenares van het huis, en Roth liet haar de rest van de dag niet meer van zijn zijde wijken. Na enkele woorden van burgemeester Sharpe James, voor wie Roth grote bewondering had (‘typische burgemeester van een grote stad, met alle bluf en sluwheid die daarbij horen’), trok Roth de zwarte doek weg om de plaquette te onthullen die op het huis was aangebracht: ‘In dit huis speelden zich de eerste levensjaren af van Philip Roth, een van de grootste Amerikaanse schrijvers van de twintigste en eenentwintigste eeuw.’ Daarop stak het gezelschap de straat over naar de kruising met Keer Avenue, waar een groen straatbord op de hoek aangaf dat dit kruispunt voortaan Philip Roth Plaza heette.
Vervolgens was er een receptie in het bibliotheekfiliaal uit Roths kindertijd, aan Osborne Terrace, waar de burgemeester plaatsnam achter het spreekgestoelte: ‘Jullie jochies van Weequahic denken dat wij van de South Side niet kunnen lezen,’ zei hij tegen Roth, doelend op de overwegend zwarte school waarop hijzelf had gezeten in de tijd dat Roth naar Weequahic High ging. En hij las (‘heel mooi’) iets voor uit The Counterlife:
‘Als je uit New Jersey komt,’ had Nathan gezegd, ‘en je schrijft dertig boeken en je wint de Nobelprijs, en je eindigt je leven als een man van vijfennegentig met witte haren, dan is het hoogst onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk dat ze na je dood besluiten een parkeerplaats langs de Jersey Turnpike naar je te vernoemen. En dan wordt er inderdaad misschien nog lang na je overlijden aan je gedacht, maar vooral door kleine kinderen achter in een auto als die zich naar voren buigen om tegen hun ouders te zeggen: “Stop eens, alsjeblieft, stop eens bij Zuckerman – ik moet plassen.” Op meer onsterfelijkheid moet je als romanschrijver uit New Jersey realistisch gezien echt niet hopen.’
Tot slot nam Roth zelf het woord: ‘Vandaag is Newark mijn Stockholm en die plaquette mijn prijs. Ik zou niet blijer kunnen zijn met eender welk eerbewijs me waar ook ter wereld ten deel zou kunnen vallen. Meer valt er niet te zeggen.’ Een paar dagen eerder had zijn vriend Harold Pinter de Nobelprijs gewonnen.
De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust
‘Roth is een schrijver wiens kracht en vaardigheid veel groter zijn dan zijn toch al niet geringe reputatie,’ had de vooraanstaande Britse criticus Frank Kermode acht jaar eerder geschreven na lezing van American Pastoral, de roman over de verloedering van Newark en het grotere verlies van Amerika’s onschuld in de jaren zestig die Roth de Pulitzer Prize had opgeleverd. Misschien dacht Kermode aan een oudere roman, die zich ook in Newark afspeelt en waarop Roths reputatie nog steeds voor een groot deel berust: Portnoy’s Complaint, zijn bestseller uit 1969 over een joodse tiener met een moedercomplex en een voorliefde voor blonde sjikses, die zich aftrekt in een stuk lever (‘Ik heb het avondeten van mijn eigen familie genaaid’). Veel van Roths latere werk was mede een reactie op de verlammende roem van dat boek – op de wijdverbreide gedachte dat dit geen fictie was maar bekentenisliteratuur, en de in sommige delen van het joodse establishment vigerende opvatting dat Roth een antisemitische propagandist was van het kaliber Goebbels en Streicher. De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust.
Gezien de magistrale omvang van zijn uiteindelijke oeuvre – eenendertig titels – begon Roth op den duur oprecht te wensen dat hij Portnoy nooit gepubliceerd had. ‘Ik had ook zonder dat boek best een serieuze carrière kunnen hebben, en dan was ik ontkomen aan die stortvloed aan krenkende bagger’ – al die verwijten van joodse zelfhaat, vrouwenhaat en algehele frivoliteit. ‘Ik had een boek geschreven over seks en aftrekken en zo, dus nu was ik een potsenmaker of een pornoschrijver. Maar ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’
***
Roth was een van de laatsten van een generatie hemelbestormende romanschrijvers, onder wie zulke vrienden en deels ook rivalen als John Updike, Don DeLillo en William Styron (zijn buurman in Litchfield County, Connecticut), en het is aannemelijk dat zijn werk de meeste kans maakt om de tand des tijds te doorstaan. In 2006 legde The New York Times Book Review aan zo’n tweehonderd ‘schrijvers, recensenten, redacteuren en andere literatuurkenners’ de vraag voor wat zij ‘het beste Amerikaanse fictieboek van de afgelopen vijfentwintig jaar’ vonden. Zes van de tweeëntwintig boeken op de uiteindelijke ranglijst waren van Roth: The Counterlife, Operation Shylock, Sabbath’s Theater, American Pastoral, The Human Stain en The Plot Against America. ‘Als we ze naar de beste fictieschrijver van de afgelopen vijfentwintig jaar hadden gevraagd,’ schreef A.O. Scott in het begeleidende essay, ‘had Roth gewonnen.’
Maar Roths schrijversloopbaan omspande natuurlijk een veel langere periode dan die vijfentwintig jaar, want die was al in 1959 begonnen met Goodbye, Columbus, waarmee hij op zijn zesentwintigste de National Book Award won. Zijn derde roman, Portnoy’s Complaint, prijkte op de in 1998 door de Modern Library uitgebrachte lijst van de honderd beste Engelstalige romans van de twintigste eeuw, en zowel American Pastoral als Portnoy haalde in 2005 ook de door het weekblad Time samengestelde ranglijst van de honderd beste Amerikaanse romans. In de vijfenvijftig jaar van zijn schrijversloopbaan heeft Roth in zijn ontwikkeling een verbluffende veelzijdigheid aan de dag gelegd: na de rake satire van zijn vroege verhalen in Goodbye, Columbus schreef hij eerst twee sombere realistische romans (Letting Go en When She Was Good) die vooral sterk onder de invloed stonden van respectievelijk Henry James en Flaubert – curieuze leerjaren als je dat werk vergelijkt met de bizarre kluchtigheid van de Portnoy-periode die erop volgde (met Our Gang en The Great American Novel), het kafkaëske surrealisme van The Breast, de virtuoze komedie van de Zuckerman-reeks (The Ghost Writer, Zuckerman Unbound, The Anatomy Lesson, The Prague Orgy), het onnavolgbare metafictionele spel van The Counterlife en Operation Shylock, en de uiteindelijke synthese van al zijn kwaliteiten in de meesterlijke en in essentie tragische Amerikaanse trilogie American Pastoral, I Married a Communist en The Human Stain. En in de laatste tien jaar van zijn schrijverschap bleef hij romans afleveren – bijna elk jaar nog één – met indringende bespiegelingen over sterfelijkheid en noodlot. Al met al biedt zijn oeuvre ‘het meest ware beeld van het leven in onze tijd’, zoals de dichter Mark Strand het in 2001 verwoordde bij de uitreiking aan Roth van de Gold Medal van de American Academy of Arts and Letters.
Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was
Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was, al schiep hij daarover zelf ook graag verwarring door zijn romans vol te stoppen met allerhande fictieve alter ego’s die sterk op hem leken, tot het terugkerende personage ‘Philip Roth’ aan toe. Sommige romans waren allicht iets autobiografischer dan andere, maar Roth zelf was een veel te ongrijpbare figuur om hem op één enkel personage vast te pinnen, en er is betrekkelijk weinig bekend over het werkelijke leven waarop heel dat enorme oeuvre dan zou zijn gebaseerd. Tot op zekere hoogte zat die verwarring hem erg dwars. ‘Ik ben evenmin “Alexander Portnoy” als ik de “Philip Roth” ben van het boek van Claire [Bloom],’ somberde hij na de publicatie van Leaving a Doll’s House, de smadelijke memoires van de actrice van wie hij was gescheiden. Als hij dat Portnoy-imago niet had gehad, zou zijn ex het volgens Roth ‘nooit gewaagd hebben om op de proppen te komen’ met een portret van hem dat zo’n schril contrast vormt met het beeld van de ‘gedisciplineerde, stabiele en verantwoordelijke’ persoon dat hij altijd van zichzelf had.
Interview met de auteur
In ons aankomende meinummer, dat 29 april verschijnt, publiceren wij een interview met Blake Bailey, de befaamde biograaf, waarin hij onder andere ingaat op de vraag hoe autobiografisch Roths werk eigenlijk was.
Dat is beslist ook de manier waarop Roth geportretteerd is in de postume sleutelroman van Janet Hobhouse, The Furies, waarin een van de personages een op Roth geënte beroemde schrijver is. Midden jaren zeventig had hij een affaire met Hobhouse – ze woonden toen in hetzelfde gebouw, niet ver van het Metropolitan Museum – en zij heeft misschien wel het meest afgewogen portret geschetst van deze man die, hoe beroemd hij ook was, de publiciteit vooral schuwde. De verteller in haar roman beschrijft ook de conventionelere kanten van de charme van deze Jack/Roth (‘niet alleen zijn snelheid van denken, maar die speelsheid, die bereidheid om te springen en duiken en met een soepele polsbeweging het spel op gang te houden’), maar ze valt toch vooral voor zijn ‘monnikenleven’, de mate waarin ‘zijn hele bestaan draait om de twee pagina’s die hij van zichzelf elke dag moet schrijven’: ‘Ik zat hunkerend te denken aan dat gereguleerde, bijna ascetische leven dat zich twee verdiepingen lager afspeelde: het ernstige geblader in literaire tijdschriften als de schemering viel, het geritsel van buitenlandse correspondentie in een jamesiaanse gewijde stilte.’
Roth beschouwde zichzelf juist als het tegendeel van antisemitisch en misogyn, en hij had sowieso weinig op met dat soort hokjesdenken. Over het zogenaamde ‘monnikenleven’ van hem schreef hij bijvoorbeeld aan een vriend: ‘Mijn reputatie als “kluizenaar” was altijd al belachelijk.’ Het kwam er vooral op neer dat hij liever ‘zalig’ aan het werk was in een landelijke omgeving dan dat hij ‘over [zich]zelf zat te kletsen met mensen in New York of in praatprogramma’s op tv’. Maar hij was vaak zeer betrokken bij de buitenwereld: in de jaren zeventig reisde hij herhaaldelijk naar Praag en sloot daar vriendschap met dissidente schrijvers als Milan Kundera en Ludvík Vaculík, wier boeken hij in het Westen onder de aandacht bracht in de jarenlang door hem geredigeerde Penguin-reeks Writers from the Other Europe. Toen hij een relatie had met Bloom, verdeelde hij zijn tijd tussen Londen, New York en zijn buitenhuis in Connecticut, en was hij daarnaast af en toe wekenlang in Israël om stof op te doen voor zijn romans The Counterlife en Operation Shylock. En in de jaren daarna reisde hij waar hij maar heen wilde om informatie te vergaren over onderwerpen die varieerden van het maken van handschoenen tot taxidermie en grafdelven; voor zijn boek Patrimony ging hij zelfs op een voorleestournee om dat ook eens te ervaren. Maar het grootste deel van zijn schrijversloopbaan zag er wel zo uit als Hobhouse het beschreef: overdag noest aan de arbeid achter zijn bureau, ’s avonds in gezelschap van een vrouw – liefst ook verdiept in een boek, als het aan Roth lag. ‘Wat had ik anders moeten doen om niet voor kluizenaar te worden uitgemaakt?’ schreef hij. ‘Elke avond uit eten in Elaine’s?’
Roth wist er wel een kleurrijk liefdesleven op na te houden, waarover hij vaak sprak ‘met een soort beminnelijke dromerigheid’, zoals Samuel Johnson volgens zijn biograaf Boswell mijmerde over zijn lievelingskat Hodge. Maar hij bleef toch ook altijd de geliefde zoon van Herman en Bess – een ‘innemende, analytische, brave jongen die iedereen zo charmant naar zijn hand wist te zetten’, zoals zijn alter ego Zuckerman hem afkeurend beschrijft in The Facts – een man zo rechtschapen dat hij tweemaal een rampzalig huwelijk aanging met vrouwen die volstrekt niet bij hem pasten, niet in de laatste plaats omdat zij het zo graag wilden. (En dat terwijl hij een hele reeks partners afwees die veel beter bij hem zouden hebben gepast.) Ondertussen bleef hij zich ook steeds afzetten tegen zijn eigen braafheid, precies zoals omschreven in de klinische definitie van ‘Portnoy’s klacht’: ‘een aandoening waarin intens beleefde ethische en altruïstische impulsen voortdurend strijden met extreme seksuele, vaak perverse verlangens’. Nogmaals, Portnoy is nog de minst autobiografische figuur in die galerij, die onder meer ook Zuckerman, Kepesh en Tarnopol omvat, maar al die personages zijn wel behept met een vergelijkbare gespletenheid. De grootste drijfveer van Roth zelf was echter altijd het dienen van zijn eigen genie – in weerwil van alle vurige verlokkingen des vlezes die hem ook niet vreemd waren. ‘Philip zei een keer iets over Willy, de man van Colette,’ zei zijn vriendin Judith Thurman. ‘Hij had het over het fin de siècle, die hele wereld die bol stond van de erotiek, en hij zei: “Dat was wel zo mooi! Ze liepen de godganse dag rond in een roes.” En hij bedoelde een seksuele roes. Stel je voor dat je heel muzikaal bent en op straat de taxi hoort rijden in C-klein en de bus in G-groot, en je hóórt dat allemaal – en vertaal dat dan naar een antenne voor erotiek.’
***
Een jaar na de voltooiing van zijn Amerikaanse trilogie ontving Roth, net als Willa Cather, William Faulkner en Saul Bellow voor hem, de hoogste onderscheiding van de Amerikaanse Academy of Arts and Letters, de gouden medaille voor fictie. Het jaar daarop, in 2002, ontving hij tijdens de uitreiking van de National Book Awards de Medal for Distinguished Contribution to American Letters, en hij gebruikte die gelegenheid om ‘een hardnekkig misverstandje’ recht te zetten: ‘Ik heb mijzelf nooit, nog niet één zin lang, als een Amerikaans-joodse of een joods-Amerikaanse schrijver beschouwd,’ zei hij in een goed voorbereide toespraak, ‘net zomin als ik denk dat Theodore Dreiser of Ernest Hemingway of John Cheever zichzelf beschouwden als Amerikaans-christelijke of christelijk-Amerikaanse schrijvers.’ Susan Rogers, zijn voornaamste vriendin in die tijd, herinnerde zich dat Roth wel twee of drie maanden aan die toespraak had zitten schaven en hem ‘minstens zes keer’ aan haar had voorgelezen. Na zijn Amerikaanse trilogie – door sommigen zijn ‘brief aan Stockholm’ genoemd – groeide de consensus dat Roth als romanschrijver op eenzame hoogte stond. Maar dat liet Stockholm onberoerd. ‘Het kind in mij is er dolblij mee,’ had Bellow over literaire prijzen in het algemeen en de Nobelprijs in het bijzonder gezegd, ‘de volwassene in mij blijft sceptisch.’
Roth maakte die leus tot de zijne, maar kon toch ook niet de gedachte verdringen aan het opvallendste verschil tussen zijn schrijverschap en dat van Bellow – zeker niet nadat Bellows weduwe hem de hoge hoed cadeau had gedaan die haar man in Stockholm had gedragen, en die een vaste plaats kreeg op een luidspreker van de stereo-installatie in Roths apparte ment. (Toen hem werd gevraagd of de hoed hem paste, zei hij: ‘Nee, Sauls hoed past mij niet. Hij is een veel betere schrijver.’) Aan het einde van zijn leven wandelde Roth af en toe (uiterst langzaam) van zijn appartement in de Upper West Side naar het Museum of Natural History en terug, en rustte dan op bijna alle bankjes onderweg even uit – ook het bankje bij de roze gedenksteen waarop het museum alle Amerikaanse winnaars van de Nobelprijs laat graveren. ‘Wat is die eigenlijk foeilelijk, hè?’ merkte een vriendin een keer op. ‘Ja,’ zei Roth, ‘en hij wordt met de dag lelijker.’ ‘Waarom hebben ze die steen hier eigenlijk gezet?’ Roth lachte: ‘Om mij te pesten.’
Philip Roth. De biografie, door Blake Bailey, verschijnt op 22 april bij De Bezige Bij in een vertaling van Lidwien Biekmann en Frank Lekens.
Sophie Hingst was een veelbelovende jonge Duitse vrouw woonachtig in Dublin met een succesvol, prijswinnend blog. Maar een artikel uit Der Spiegel onthulde dat achter de talentvolle schrijver een tragisch verhaal schuilging van pathologische leugens en psychische ziekte.
Bijna zeven weken geleden ontmoette ik Sophie Hingst voor het eerst en voor het laatst, op een zoele zondagmiddag in Berlijn.
Terwijl ik stond te wachten op het station tegenover de Wannsee, dook ze opeens achter me op, als een kat. Ze groette niet en haar bruine ogen, uilachtig achter een grote ronde bril, ontweken mijn blik. Haar gezicht was rood en haar lange haar, van oorsprong bruin maar nu grijzend en vaal bij de wortels, zat strak naar achteren in een staart.
In zichzelf mompelend begon ze voor me uit te lopen. Ik volgde haar, probeerde wat over koetjes en kalfjes te praten en vroeg me af waar dit heen ging. Nu weet ik het eindelijk.
Drie uur hebben we die dag gezeten, gewandeld en gepraat. De 31-jarige vertelde me over haar kindertijd in Oost-Duitsland, haar studies in Berlijn, Lyon, Los Angeles en Dublin, en haar liefde voor literatuur – vooral voor de literaire grootmeester Heinrich von Kleist.
En ze legde uit hoe de week daarvoor het nieuwe thuis dat ze voor zichzelf in Ierland had opgebouwd, ondersteboven was gegooid door een artikel in het Duitse tijdschrift Der Spiegel.
‘Zo gaat het dus, als je levend wordt gevild,’ zei ze, terwijl we uit zaten te kijken over de kabbelende golven van rivier de Havel, die in de Wannsee uitstroomt. ‘Zo kan een tijdschrift iemand aan de schandpaal nagelen.’
Holocaustslachtoffers
Het echte verhaal is niet zo eenvoudig. Negen dagen eerder, op 31 mei, had ik vooraf bericht gekregen dat Der Spiegel de volgende dag een artikel zou brengen over een blogger met een doctoraat in de geschiedenis van Trinity College Dublin (TCD). Het blad beweerde dat Sophie 22 Holocaustslachtoffers had verzonnen, van wie velen familie van haar zouden zijn, en documenten ter herinnering aan hen had ingediend bij het Israëlische Holocaustmonument Yad Vashem.
Der Spiegel -journalist Martin Doerry, die ik ooit kort had ontmoet, vertelde me aan de telefoon over de weken werk die hij had besteed aan het uitpluizen van Sophies blog Read On, my Dear, Read On. In dat blog, grotendeels journalistiek met literaire ambities, schreef een figuur die Sophie ‘Fräulein Read On’ noemde, over haar leven in Ierland en in Duitsland, maar ook over haar Joodse identiteit en familie. Een geregeld terugkerende figuur was haar geliefde oma, overlevende van Auschwitz, die jaarlijkse bijeenkomsten hield voor de bejaarde overlevenden. Ze beschreef hoe haar grootouders elk jaar op 9 november de Kristallnacht herdachten – de door de nazi’s georganiseerde pogrom in 1938 tegen Joden. Dan zetten ze de klokken stil en zaten ze in de invallende duisternis, zo schreef ze, te wachten op familieleden die nooit terugkwamen.
Toen onderzoekers, en later lezers, haar aanspraken op aperte onjuistheden en twijfelachtige details in haar blog, wees Sophie hun vragen woedend van de hand, in één geval als ‘schandelijke laster’. Afgelopen december had een onderzoeker contact opgenomen met Der Spiegel en langzaam tekende zich een gecompliceerd verhaal af.
Vanaf september 2013 had Sophie naar het Israëlische Yad Vashem-monument 22 ‘getuigenisbladen’ gestuurd, meestal met de hand ingevuld, waarin mensen werden beschreven die in de Holocaust waren omgekomen. De meeste mensen op de formulieren hadden Joods klinkende namen: Cohen, Rosenwasser, Zilberlicht – maar van de meeste waren er geen gegevens waaruit bleek dat ze ooit hadden bestaan.
‘Het verzinnen van Holocaustslachtoffers is in wezen de spot drijven met al degenen die werkelijk door de nazi’s zijn gemarteld en vermoord’
Door de Yad Vashem-documenten te combineren met wat Sophie zelf in haar blog had geschreven, stelde Doerry haar omstreden en tegenstrijdige verhaal en gebrekkige familiestamboom samen. Zij beweerde dat veel familieleden van haar waren vermoord in Auschwitz en slechts een handjevol had overleefd, maar geen van hen werd vermeld in enig bevolkings- of Holocaustregister. En het handjevol dat nog leefde was niet joods, zoals zij beweerde, maar luthers.
‘Dit type bedrog is misschien niet per se een misdaad, maar het is toch schandelijk,’ schreef Doerry in Der Spiegel. ‘Het verzinnen van Holocaustslachtoffers is in wezen de spot drijven met al degenen die werkelijk door de nazi’s zijn gemarteld en vermoord.’
Dat was ook precies hoe Tomi Reichental het zag toen ik hem de dag voordat het verhaal in Der Spiegel verscheen, in Dublin belde om commentaar voor mijn eigen artikel. Reichental komt oorspronkelijk uit Tsjecho-Slowakije, overleefde het concentratiekamp Bergen-Belsen, maar is veel familieleden verloren. Hij heeft zijn latere jaren in zijn nieuwe vaderland gewijd aan het bezoeken van scholen, als levende getuige van de verschrikkingen van de Holocaust.
‘Mensen zoals ik zijn echt, maar dit schaadt ons,’ zei hij die vrijdagmiddag, de laatste dag van mei, tegen me, ‘omdat mensen onmiddellijk gaan denken: “Vertelt hij de waarheid?”’
Terwijl ik die middag aan mijn artikel werkte, zag ik dat het blog snel van het internet verdween. Ik sloeg op wat ik kon en stuurde Sophie een e-mail om haar commentaar te vragen. Haar online antwoord: ‘Ik ontken alle beschuldigingen van Der Spiegel en zal juridische informatie inwinnen over die kwestie.’
Laat op die avond besloot The Irish Times mijn stuk niet te plaatsen en ik stuurde haar opnieuw een e-mail met het voorstel om in plaats daarvan een afspraak te maken.
Ook al hielden wij het verhaal vast, het deed al snel de ronde in Dublin. De website van de Russische propagandazender RT (Russia Today) wijdde er een item aan en studentenpublicaties van TCD hadden het verhaal te pakken gekregen. Uiteindelijk vertaalde Der Spiegel het artikel in zijn geheel in het Engels en maakte het beschikbaar op zijn website.
Een paar dagen later zaten wij op een stoffige rivieroever en zei ze dat haar vertrouwde leven de afgelopen zes dagen in rook was opgegaan.
Met verwijtende blik daagde ze me uit om haar vragen te stellen. Maar ik zei niets, in de hoop dat mijn zwijgen haar aan het praten zou brengen.
Ze vertelde me over haar moeder, Rachel, een ‘gestoorde’ vrouw uit een Frans-Israëlische familie in de Languedoc, die voor Artsen zonder Grenzen werkte. Samen hadden ze de wereld over gereisd, tot Sophie zestien jaar was.
‘Toen vond ik mijn moeder in bad met een kogel in haar hoofd,’ zei de. ‘Mijn moeder heeft zich het leven benomen.’
Haar vader was hertrouwd, zei ze, en ze was opgegroeid bij haar oma van vaderskant, Helga Brandl. Zij was een lutherse tandarts, maar Sophie hield vol dat ze Auschwitz-overlevende was met een getatoeëerd nummer op haar arm.
Wat was het nummer, vroeg ik.
Ze aarzelde even voor ze antwoordde: 6140.
Onverwacht haalde ze een imitatieleren portefeuille uit haar zak, ritste die open en haalde er iets uit dat ze mij in de hand duwde. Ik vouwde een ster van gele stof open met ‘Jude’ in het midden: het soort gele ster dat alle Joden onder de Neurenberger wetten moesten dragen.
‘Deze ster en een kapotte bril waren het enige dat mijn oma nog bezat na Auschwitz,’ zei ze zacht. ‘Voel er maar aan en vraag me dan alsjeblieft nog eens of ik dingen verzin. Dat is wat je me aandoet, als je me dwingt dit te zeggen.’
Ik voelde hoe ze naar me keek en op een reactie wachtte. Ik dacht eerst aan de Holocaust, daarna aan eBay. Maar ik hield mijn uitdrukking neutraal terwijl ik de ster aan haar teruggaf.
‘Het was als een soort tv-serie waarin de schuldige partij de bewijzen tegen zich onder de neus gewreven krijgt’
Al snel vertelde ze over haar confrontatie met Doerry van Der Spiegel drie weken eerder. Ze hadden afgesproken in het Merrion-hotel in Dublin om te praten over een kunstboek dat ze had geschreven. Doerry had van tevoren laten weten dat hij haar vragen zou stellen over haar blog en haar Joodse familie, maar zij had nadrukkelijk gezegd dat ze dat niet wilde.
Tijdens hun gesprek had hij toch doorgezet, zei ze, en had hij haar vijf pagina’s gegeven met vragen over details en inconsequenties in haar blog. Na een uur was ze woedend uit het interview weggelopen.
‘Hij maakte er een soort detectiveverhaal van… het is zo sappig en hij doet het zo goed,’ zei ze tegen me. ‘Hij praatte tegen me als een premiejager, hij had helemaal geen vragen… hij wilde alleen maar een overzicht geven van zijn bevindingen. Het was als een soort tv-serie waarin de schuldige partij de bewijzen tegen zich onder de neus gewreven krijgt.
Ze beschreef hoe ze zich in de hoek gedreven voelde door Der Spiegel: gedwongen na dat artikel om te bewijzen dat ze een Duitse Jood was – van de derde generatie na Auschwitz – door met haar oma’s ster uit de nazitijd te komen.
Het volgende moment ontkende ze dat ze de Yad Vashem-documenten over haar omgekomen familieleden had ingediend, ook al waren die in haar handschrift ingevuld en had ze er beelden van op haar Twitterfeed gezet. Ze beweerde ook dat iemand zich voor haar uitgaf, dat ze een advocaat in de arm had genomen en een aanklacht bij de politie had ingediend.
Verwarde vrouw
Twee uur werd drie uur en ik merkte dat ik niet meer zozeer naar haar verhaal luisterde, maar meer naar haar lichaamstaal en andere signalen keek. Nu eens klonk ze als een speels meisje dan weer als een boze volwassene en vice versa, en tussendoor lachte ze zonder reden. Haar gezicht werd rood, daarna bleek. Haar handen fladderden als twee rusteloze vogels rond in haar schoot.
Aan het eind van onze wandeling wist ik niets meer te zeggen, en ik besefte dat ik me op onbekend terrein bevond. Dit was geen krantenartikel. Dit was een zeer verwarde vrouw die hulp nodig had – en in de wetenschap dat we nu snel uiteen zouden gaan was ik bang dat ik misschien wel de laatste was die haar in leven zou zien.
Bij het afscheid herhaalde ik een paar zinnen die een bevriende therapeut me had gegeven. Ik zei dat ik niet zeker wist wat er gebeurd was, wat het echte verhaal was, maar dat ik hoopte dat ze iemand had met wie ze hierover kon praten, en iemand bij wie ze vanavond kon zijn: een vriendin of haar familie. Ze zei dat ze die wel had en liep weg.
Later belde ik ik twee mensen op. Eerst Cornelia Hingst, die in het Duitse telefoonboek stond als tandarts in Wittenberg. Toen ik naar Rachel Hingst vroeg, Sophies Joodse moeder, zuchtte ze hoorbaar. Er was geen Rachel, zei ze. Zij, Cornelia, was Sophies echte moeder en niet, zoals Sophie zei, haar stiefmoeder.
‘Mijn dochter heeft veel realiteiten en ik heb maar tot één daarvan toegang,’ zei ze. Ze vertelde over de jarenlange worsteling van haar dochter met geestesziekte, de therapieën die ze telkens weer had geprobeerd en de nieuwe stabiliteit die ze in Ierland had gevonden.
Cornelia was bang dat de onthullingen slecht zouden vallen bij Sophies werkgever in Ierland, chipmaker Intel, en dat het verlies van haar baan Sophie nog verder uit haar evenwicht zou brengen. Ik drong er bij haar op aan dat ze contact opnam met haar dochter en haar in haar verwarde toestand niet alleen zou laten.
‘Dat arme meisje heeft hulp nodig. Als het in de krant kwam zou het alleen maar nog meer pijn veroorzaken’
Daarna belde ik rabbi Zalman Lent in Dublin. Hij had geruchten over het verhaal gehoord, maar zei dat hij Sophie nooit had ontmoet, en haar ook niet herkende van gebiedsdiensten.
‘Het is een kleine gemeenschap, dus ik zou haar wel kennen als ze hier was geweest,’ zei hij.
Mijn contact met Yad Vashem leverde een schriftelijke verklaring op waarin stond dat er bij het instituut in Jeruzalem 4,8 miljoen namen staan geregistreerd. Documenten zoals Sophie had ingediend ‘ondergaan een korte controleprocedure om basisgegevens na te trekken’, maar ‘die procedure is niet waterdicht en we zijn af en toe gewezen op onjuiste informatie.’
‘Wij gaan ervan uit dat de getuigenispagina’s te goeder trouw worden ingediend, en vragen om de handtekening van de indiener, die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de geleverde informatie,’ ging de verklaring verder. ‘De door Sophie Hingst ingediende formulieren zijn voor nader onderzoek overgedragen aan wetenschappers van Yad Vashem.’
Ik had me al tot twee vrienden gewend, een therapeut en een arts. Beiden waren er huiverig voor om op afstand een diagnose te stellen, maar ze zeiden allebei, onafhankelijk van elkaar, dat Sophie – op basis van haar verwarde verhaal maar ook van haar lichamelijke signalen – een psychische stoornis leek te hebben. Dat soort stoornissen waren uitstekend te behandelen, volgens de bevriende therapeut; hij zei ook dat het vaker voorkomt dat Duitsers beweren afkomstig te zijn uit een Joodse familie die onder de Holocaust heeft geleden. De drang om in deze context liever bij de slachtoffers te willen horen dan bij de daders had volgens hem vaak te maken met een ander trauma in iemands leven.
Vijf dagen na mijn ontmoeting met Sophie ging ik naar Hamburg voor een afspraak met Doerry, de schrijver van het artikel in Der Spiegel. Lopend van het station naar het glazen gebouw van het tijdschrift, belde ik Reichental nog een keer.
Ik beschreef hem de gejaagde vrouw die ik had ontmoet en vertelde over de kennelijke psychische problemen van Sophie. Met het oog hierop had ik besloten dat dit geen verhaal voor The Irish Times was. Kon hij zich daarin vinden?
‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Dat arme meisje heeft hulp nodig. Als het in de krant kwam zou het alleen maar nog meer pijn veroorzaken.’
Falsificaties
Een paar minuten later, onder het glazen dak van het café in het Hamburgse hoofdkwartier van Der Spiegel, legde Doerry uit waarom hij toch doorging met het verhaal.
Vorig jaar oktober had Doerry eenzelfde geval aan de hand gehad van een man die zich presenteerde als hoofd van een Joodse gemeenschap in de buurt van Hamburg, ondanks het feit dat hij Duits protestant was. Doerry is ook de kleinzoon van een Holocaustslachtoffer. En afgelopen december heeft Der Spiegel moeten erkennen dat een van zijn topjournalisten ‘op grote schaal artikelen had gefalsifieerd.’
In minstens veertien overtuigende artikelen had de 33-jarige Claas Reloitius personages, plaatsen en ontmoetingen gefingeerd. De volle omvang van het bedrog stortte het tijdschrift in een van de diepste crises uit zijn 72-jarige bestaan.
Doerry is historicus en voormalig adjunct-hoofdredacteur van het blad, en er was hem veel aan gelegen om Sophie te laten ophouden, omdat die steeds verder ging met haar leugens. Ze was uitgeroepen tot blogger van het jaar 2017 voor haar online werk en had in 2018 in Dublin een prijs voor beste jonge schrijver van The Financial Times aanvaard met een toespraak waarin ze over haar ‘Joodse’ familie sprak. Eerdere pogingen om haar aan de tand te voelen waren op niets uitgelopen. Dus de manier waarop hij haar in Dublin had benaderd was bedoeld om haar met de feiten te confronteren.
Cornelia, de moeder van Sophie Hingst, belde me een paar keer om te vertellen hoe het met haar dochter ging. Intel, haar Ierse werkgever was bereid geweest om haar in dienst te houden, op voorwaarde dat ze gesprekken aanging met een therapeut van het bedrijf. Haar dochter was gaan inzien dat ze hulp nodig had, zei ze, maar werd achtervolgd door haar reputatie online. Er was een Wikipedia-onderwerp op haar naam aangemaakt, waarin ze ‘blogger en bedrieger’ werd genoemd. Het artikel van Der Spiegel stond nog steeds online in het Duits en in het Engels, en die laatste versie was gratis beschikbaar.
In Wittenberg zei Cornelia dat ze zich verheugde op een nieuw leven na haar pensionering van de tandartsenpraktijk.
Vorige week belde Cornelia me, terwijl ze op vakantie was aan de Baltische kust, om te zeggen dat de politie contact met haar had opgenomen. Haar dochter was de dag daarvoor, woensdag 17 juli, dood aangetroffen in haar bed in Dublin. Cornelia nam meteen aan dat haar dochter zelfmoord had gepleegd. Dit is nog niet bevestigd door de lijkschouwing; volgens de politie zijn er geen aanwijzingen voor betrokkenheid van een derde partij.
Getroubleerde geest
Terwijl ik naar de stem van de moeder luisterde, die verstikt klonk van verwarring en verdriet, ging ik in gedachten terug naar de vrouw die ik zeven weken eerder had ontmoet: gejaagd en gekwetst, maar ook intelligent en zelfs humoristisch. Een getroebleerde geest en een getalenteerd schrijver, maar ook iemand die – weken van tevoren – Doerry had aangevallen omdat hij haar verzinsels over voorouders die Holocaust-overlevenden of -slachtoffers waren in twijfel trok.
Voor het artikel verscheen en onder druk van haar moeder, had Sophie Doerry gebeld om haar verontschuldigingen aan te bieden. Ze had toegegeven dat ze fouten had gemaakt, maar hield vol dat ze alleen maar herhaalde wat ze van haar moeder had gehoord. In Der Spiegel suggereerde Doerry dat ze nu ‘probeerde haar overleden protestantse oma tot zondebok te maken’.
Voor de publicatie van het artikel had Sophie een advocaat in de arm genomen; ze benadrukte dat haar schrijfsels literair van aard waren en een verklaring van dezelfde strekking verscheen op haar blog.
Achteraf gezien lijkt het erop dat beide kanten – de Hingsts en Doerry – vonden dat de andere kant zich agressief opstelde. Cornelia beschuldigt Doerry ervan dat hij de persoon achter de feiten over het hoofd heeft gezien.
Na haar dood gaf Doerry uitgebreid commentaar aan The Irish Times, maar hij wilde niet dat zijn opmerkingen werden gepubliceerd. In plaats daarvan dicteerde hij een eenregelige verklaring: ‘Der Spiegel geeft geen commentaar op het artikel en betreurt haar dood.’
In Duitsland kreeg de familie Hingst kritiek omdat ze niet de verantwoordelijkheid had genomen om in te grijpen en te voorkomen dat Sophie Holocaustleugens verspreidde of andere artikelen scheef waarin ze beweerde dat ze een kliniek voor seksuele voorlichting had gesticht in een sloppenwijk van New Delhi.
Cornelia houdt vol dat ze geen idee had hoe ver haar dochter was gegaan met haar bedrog, niet had geweten dat haar dochter die documenten bij Yad Vashem had ingediend of dat wat Sophie online schreef was doorgesijpeld naar haar dagelijks leven en haar publieke persoon.
‘Toen ik Sophie hier een keer naar vroeg, zei ze dat ze geen geheel was,’ vertelt Cornelia, ‘en dat ze uit heel veel stukken bestond.’
‘Hij leefde en zong en leed / in een vreugdeloze, zware tijd / hier zocht hij de dood / en vond onsterfelijkheid’
Cornelia en Doerry hadden allebei te maken met een complexe, verwarde persoon met veel gezichten die voor hen nooit tegelijk zichtbaar waren. Het tragische van dit verhaal is dat Sophie, de enige die haar motieven en haar stukken zou kunnen verklaren, nu dood is. Ze is op 31 juli begraven in haar geboortestad Wittenberg.
Cornelia heeft de manier waarop Intel met haar dochter is omgegaan ‘voorbeeldig’ genoemd, omdat het bedrijf haar in dienst hield en zorgde dat ze bij een therapeut in behandeling ging. ‘De Ieren zijn de enigen die ons hebben gesteund,’ zei ze.
Het bericht over Sophies dood was een grote schok voor haar vrienden en vroegere collega’s aan Trinity College en bij Intel. Vroegere TCD-collega’s treuren om een talentvolle en aardige persoon die vrijwilligerswerk deed voor het Ierse Rode Kruis.
Aan het begin van onze wandeling vorige maand wilde Sophie per se dat we naar een lommerrijke plek gingen waar het Duitse literaire genie Heinrich von Kleist in november 1811 eerst zijn vriendin en daarna zichzelf doodschoot, en waar zij beiden nu begraven liggen. De schrijver was pas vierendertig toen hij stierf. Sophie was drie jaar jonger.
De originele inscriptie, die door de nazi’s werd verwijderd omdat hij van een Joodse schrijver was, is gerestaureerd. Naast elkaar stonden we de tekst te lezen:
‘Hij leefde en zong en leed / in een vreugdeloze, zware tijd / hier zocht hij de dood / en vond onsterfelijkheid.’
Het grootste deel van wat Sophie heeft geschreven is met haar verdwenen blog verloren gegaan. Als ik onze e-mailcorrespondentie doorlees, zie ik een vrouw die van woorden hield – ook al lieten die haar greep op de realiteit soms in de steek.
‘Ik ben een beetje jaloers op alle mensen die wisten wat ze wilden doen, die wisten dat woorden hen toebehoren,’ schreef ze. ‘Ik ben altijd alleen maar een hebzuchtige dief, hongerig naar woorden. En zoals jij en de rest van de wereld kunnen zien, is het niet goed afgelopen.’
Gerenommeerde krant die in 1859 is opgericht door protestanten, maar onafhankelijk is in politiek en religieus opzicht. Staat bekend om de journalistieke kwaliteit, wint regelmatig prijzen. Vooral de zaterdagkrant is populair onder een breed publiek.
De nazi’s hadden haar vader vermoord. Vervolgens werd ze verliefd op een van hen. En nu moeten haar steenrijke nakomelingen, die in het bezit zijn van Douwe Egberts, Krispy Kreme en andere merken, in het reine zien te komen met het onuitsprekelijke geheim dat aan het licht is gekomen.
Keuze uit het archief
Na ruim 75 jaar spreekt de Tweede Wereldoorlog onverminderd tot de verbeelding, en nieuwe verhalen blijven komen. Daarbij is steeds meer oog voor de niet zwart-witte kanten van de oorlog. Zo bleek de verrader van Anne Frank (het verhaal werd later ingetrokken) ‘gewoon’ iemand te zijn die zijn eigen dochters moest beschermen – vanuit de Joodse gemeenschap klonk teleurstelling omdat zo’n handeling weinig te maken had met goed en kwaad.
Dat ook de liefde blind is voor dergelijke grote begrippen, blijkt maar weer eens uit dit ongelooflijke en ontroerende verhaal over de half-Joodse vrouw die voor een nazi viel.
Emilie Landecker was negentien toen ze ging werken voor Benckiser, een Duits bedrijf dat industriële reinigingsmiddelen produceerde en dat er prat op ging het personeelsbestand te hebben gezuiverd van niet-Arische elementen.
We schrijven 1941. Emilie Landecker was half-Joods en als de dood om te worden gedeporteerd. Albert Reimann junior was een vroege aanhanger van Hitler en omschreef zichzelf als een ‘overtuigd aanhanger’ van de rassentheorie van de nazi’s.
Op de een of andere manier, haast onverklaarbaar, werden ze verliefd.
Het verhaal van de liefde tussen Emilie Landecker, wier Joodse vader was vermoord door de nazi’s, en Albert Reimann, wiens fanatieke nazistische denkbeelden en zijn inzet van dwangarbeiders de familie er niet van weerhield om na de oorlog een ongekend vermogen te vergaren, is een vertelling van dood en toewijding, van menselijke tegenstrijdigheden. Het is ook een verhaal van bedrijfsmatige boetedoening in onze moderne maatschappij.
Een gruwelijke geschiedenis
Tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog groeide Benckiser uit tot een van grootste consumentengoederenconglomeraten ter wereld. Het bedrijf, dat tegenwoordig bekendstaat als de JAB Holding Company en dat nog altijd wordt geleid door de familie Reimann, is meer dan twintig miljard dollar waard en omvat onder meer Krispy Kreme Doughnuts, Peet’s Coffee, Einstein Brothers Bagels, Stumptown Coffee Roasters, Pret A Manger, Keurig en andere ontbijtmerken.
De relatie van Reimann en Landecker is vele jaren geheim gebleven. Hij was getrouwd maar had geen kinderen met zijn vrouw. Reiman en Landecker hadden samen drie kinderen, die hij in de jaren zestig adopteerde; momenteel hebben twee van die kinderen samen ongeveer vijfveertig procent van de JAB-aandelen in handen. Ze zeggen tientallen jaren niets te hebben geweten van hun vaders nazistische denkbeelden, noch van de misstanden in het bedrijf dat ze hebben geërfd: de vrouwelijke dwangarbeiders die naakt buiten voor hun barakken moesten staan. Een krijgsgevangen die uit een schuilkelder was gestuurd en om het leven kwam.
In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een “waardenvrije ruimte” te opereren
Reimann en Landecker, die respectievelijk in 1984 en 2017 zijn overleden, spraken nooit over die tijd. Belastende documenten werden vernietigd of weggestopt in een kluis. In een tweedelig boekwerk over de geschiedenis van het bedrijf wordt de naziperiode in een paar pagina’s afgedaan. Maar naarmate Benckiser aan de weg timmerde en uiteindelijk uitgroeide tot het wereldwijde JAB, werd het steeds ondoenlijker het verleden te negeren. Peter Harf, die in 1981 bij het bedrijf kwam werken en sinds dit jaar aan het hoofd staat van de raad van bestuur, en wiens eigen vader een nazi was, zegt er nooit echt in te hebben geloofd dat het bedrijf niets te verbergen zou hebben. ‘Ik kende de verhalen die werden verteld,’ zei hij. ‘Daar zat een luchtje aan.’
Rond 2012, toen JAB wereldwijd de aandacht trok met de overname van enkele belangrijke koffiemerken, drong Harf erop aan dat de familie een onafhankelijke partij zou inschakelen om de familiearchieven uit te pluizen. In 2016 nam Paul Erker, een geschiedkundig econoom verbonden aan de universiteit van München, die taak op zich.
Pas nu, vierenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, proberen zowel de familie als het bedrijf in het reine te komen met de duistere en ingewikkelde geschiedenis. In maart lekten de eerste bevindingen uit in een Duitse tabloid, over de manier waarop het bedrijf misbruik had gemaakt van dwangarbeiders. Nazi-activiteiten binnen bedrijven waren niet ongebruikelijk in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven en de misdaden van de Reimanns waren minder erg dan die van veel grotere bedrijven, die banden hadden met de dodenkampen en direct betrokken ware bij de onteigening van Joodse ondernemingen. Maar doordat in JAB’s portfolio veel zonnige koffie- en donutmerken uit de Verenigde Staten zitten, haalden de onthullingen wereldwijd de voorpagina’s.
De medewerkers van JAB – wereldwijd zo’n honderdtachtigduizend mensen – hebben laten weten dat klanten hen voor de voeten werpen dat ze ‘voor de nazi’s werken’. Er is gedreigd met boycots; onlangs stond er nog een vlammend artikel in The Boston Globe, met als titel: ‘Ik ben tot de ontdekking gekomen dat mijn lievelingskoffie wordt gefinancierd met nazigeld. Kan ik het nog wel drinken?’
De verontwaardiging is opgelaaid zonder dat men precies weet wat de nazisympathieën van Reimann in de praktijk behelsden – en zonder dat men het hele verhaal kent, inclusief de hartverscheurende twist aan het einde: uiteindelijk was de familie Reimann zowel dader als slachtoffer. De erfgenamen dragen beide kanten met zich mee. In een reeks interviews met The New York Times hebben leden van de familie Reimann zich voor het eerst in het openbaar uitgelaten over het nazischandaal. Ze hebben het verhaal naar buiten gebracht van Alfred, de Joodse vader van Emilie Landecker, en verteld hoe de moord op Alfred de familie ertoe heeft gedwongen niet alleen het verleden onder ogen te zien, maar ook de toekomst.
“Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,” zegt Harf. “Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan”
De familie Reimann zegt er een deel van hun privévermogen voor te willen uittrekken om eer te bewijzen aan de nagedachtenis van Alfred Landecker. Ze willen een eenmalige schenking doen van tien miljoen euro aan instellingen die steun bieden aan voormalig dwangarbeiders en hun gezin. De Reimanns willen ook de Reimann Foundation vernoemen naar Alfred Landecker en het budget verhogen tot vijfentwintig miljoen euro, terwijl ze de leiding willen overdragen aan een onafhankelijk bestuurslichaam.
De stichting zal projecten financieren die ‘eer bewijzen aan de slachtoffers van de Holocaust en de naziterreur’. Ook zijn er plannen om tenminste één leerstoel in Duitsland op te richten in naam van de heer Landecker.
Op de nieuwe website van de Alfred Landecker Foundation staat te lezen dat de stichting als doelstelling heeft om onderricht te geven ‘over de Holocaust en de verschrikkelijke prijs die wordt betaald wanneer onverdraagzaamheid en fanatisme de overhand krijgen’. Even verderop staat: ‘Het uitgangspunt is ons kritisch vermogen aan te scherpen zodat we de wortels van een dergelijke haat leren herkennen en kunnen voorkomen dat dergelijke verschrikkelijke gebeurtenissen zich herhalen.’
In een interview merkt Harf op dat hij op drie plekken woont – New York, Londen en Milaan – waar nationalisme en etnische tegenstellingen om zich heen grijpen. Het grootste deel van zijn lange carrière, zegt hij, is hij van mening geweest dat het aandeelhouderskapitalisme waardenvrij zou zijn. Dat idee heeft hij inmiddels losgelaten. In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini, zegt hij, kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een ‘waardenvrije ruimte’ te opereren.Ook nu weer leven we in een tijd waarin mensen stelling moeten nemen, aldus Harf. ‘Ik ben heel bang voor wat ons te wachten staat.’
In juli 1937 schreef Albert Reimann jr. een brief aan Heinrich Himmler, het hoofd van de SS, die later de leiding zou hebben over de Holocaust.
‘We zijn een zuiver Arisch bedrijf van meer dan honderd jaar oud,’ schreef Reimann, die destijds negenendertig jaar oud was, en senior executive in het bedrijf van zijn vader. ‘De eigenaars zijn overtuigd aanhanger van de rassentheorie.’De familie Reimann had zich lang voordat de nazi’s de macht grepen al achter het nationaalsocialisme en het antisemitisme geschaard, zo valt te lezen in een tussentijdse rapportage van Erker, de historicus. De jongere Reimann had Hitler in 1923 in München horen spreken en was een van zijn eerste aanhangers.
Zijn vader, Albert Reimann senior, die destijds aan het hoofd stond van Benckiser, hoorde Hitler vier jaar later spreken in Mannheim, niet ver van het Zuid-Duitse hoofdkwartier van het bedrijf. Reimann sr. sloot zich in 1931 aan bij de nazipartij. Een jaar later volgde zijn zoon zijn voorbeeld.
In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa
Rond die tijd reorganiseerden de mannen het bedrijf, in overeenstemming met de nazi-richtlijnen.
Tegen de tijd dat Hitler aan de macht kwam, was er bij Benckiser al een nationaalsocialistische bedrijfsorganisatie opgericht – een soort ondernemingsraad die probeerde de nazi-ideologie door te voeren.
Later zou Benckiser ‘een nationaalsocialistisch modelbedrijf’ worden.‘Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,’ zegt Harf. ‘Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan.’Benckiser was destijds een gemiddeld groot chemisch bedrijf, waar onder meer citroenzuur werd vervaardigd, een chemisch middel om water te verzachten, maar ook supplementen voor babyvoeding en fosfaten die werden gebruikt voor de fabricage van worst. In 1933 had het bedrijf 181 mensen in dienst. Benckiser was een belangrijke leverancier voor de voedselindustrie en gedijde uitstekend onder het nazibewind: in tien jaar verdriedubbelde de winst. Albert sr. stond aan het hoofd van de regionale kamer van koophandel, die hielp bij de Arische zuivering binnen het bedrijfsleven en bij het verdrijven en onteigenen van Joodse bedrijven.
Benckiser heeft zelf niet geprofiteerd van de bedrijven die werden overgenomen van Joodse eigenaren, en ook heeft Benckiser geen gebruik gemaakt van arbeidskrachten uit de concentratiekampen, wat wel gebruikelijk was binnen veel grotere bedrijven, zoals Messerschmitt, een voorloper van Airbus, of IG Farben, dat later is opgesplitst in bedrijven als BASF en Bayer. Maar vanaf eind 1940 hebben de Reimanns wel structureel hun voordeel gedaan met dwangarbeid: mannen en vrouwen die uit hun huis waren gehaald in door nazi’s bezet gebied, of krijgsgevangenen die door de nazi’s werden tewerkgesteld op boerenbedrijven en fabrieken verspreid over heel Duitsland.
Ergens in deze periode begon Emilie Landecker op de boekhoudafdeling van het bedrijf. Er is maar weinig bekend over Landeckers tijd bij Benckiser tijdens die oorlogsjaren, behalve dat ze onder de jongere heer Reimann werkte. Volgens Harf nam het gebruik van dwangarbeid al snel zo’n omvang aan dat het niet anders kan of ze moet op de hoogte zijn geweest van deze wantoestand.
In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa.
Benckiser had twee werkkampen. In een daarvan zwaaide Paul Werneburg de scepter, een wrede voorman die al sinds 1910 bij het bedrijf in dienst was. Tijdens zijn bewind werden vrouwelijke arbeidskrachten gedwongen om naakt voor hun barakken in het gelid te staan, en wie dat weigerde riskeerde nog meer seksueel misbruik. Arbeidskrachten werden geschopt en geslagen, zoals een Oekraïense vrouw die ook schoonmaakte in de privévilla van de Reimanns.
“Mijn lieve kind”, schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. “De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen”
Tijdens een bombardement op 7 januari 1945 joeg Werneburg tientallen arbeiders de schuilkelder uit. Dertig mensen raakten gewond en een iemand vond de dood. De verhalen over de wreedheid van Werneburg deden de ronde en zelfs de plaatselijke nazi-officier die was belast met de toewijzing van dwangarbeiders sprak de Reimanns aan op de manier waarop hun arbeidskrachten werden behandeld.
Emilie Landecker zou hier allemaal getuige van zijn geweest, schrijft haar zoon, Wolfgang Reimann, in een mail. ‘Ze heeft zich staande gehouden in het gruweltheater binnen ons eigen bedrijf,’ zei hij.‘
Waarschijnlijk zat zij ook in die bunker toen Werneburg de arbeiders naar buiten joeg.’
De Reimanns bleven fervent aanhanger van de nazi-ideologie, blijkt uit het onderzoek van Erker. Zelfs eind februari 1945 geloofde de jonge Reimann nog in de ‘Endsieg’, Hitlers eindoverwinning. Datzelfde jaar in mei werd de oorlog beslecht; een maand later werd Reimann opgepakt en geïnterneerd door de geallieerden, als onderdeel van het de-nazificeringsproces. Albert jr., die in blok A van kamp 73 werd vastgehouden, met als gevangenennummer 2228, schreef op 22 september een brief aan de officier die de leiding had over het kamp, waarin hij de aantijging dat hij ‘al van begin af aan een fervent nazi was geweest’ van de hand wees als ‘niet meer dan verdachtmakingen’, en waarin hij stelde zelf slachtoffer te zijn geweest van de nazi’s.‘In deze omstandigheden tast ik in het duister omtrent de oorsprong van bovengenoemde aantijging,’ schreef hij. ‘Ik ben geneigd te geloven dat ik zelf scherp in de gaten werd gehouden door de Gestapo.’
Het werkte. Terwijl de Fransen Reimann jr. aanvankelijk hadden verboden zijn bedrijf voort te zetten, draaiden de Amerikanen die beslissing terug en registreerden hem niet als nazi, maar als meeloper van de nazi’s.In 1947 bedroeg het vermogen van de familie Reimann 686.000 Rijksmark, wat vandaag de dag zou neerkomen op zo’n 2,4 miljoen dollar. Het vermogen groeide mee met Benckiser en haar dochterondernemingen, en momenteel wordt het familievermogen geschat op zo’n 33 miljard euro. Op een lijst van de rijkste families in Duitsland, die onlangs is uitgebracht, staan de Reimanns op de tweede plaats.
Volgens Wolfgang Reimann heeft zijn vader de kinderen nooit veel over de oorlog verteld, behalve dat de dwangarbeiders zo aan het bedrijf waren gehecht dat ze moesten huilen toen de strijd was beslecht en ze weg moesten.‘
Hij beweerde dat de Franse arbeidskrachten op zaterdag meestal een glas rode wijn kregen,’ vertelt Wolfgang, ‘en dat mensen die waren overgeplaatst uit andere kampen zeiden dat Benckiser het beste kamp was waar ze ooit hadden gezeten of van hadden gehoord.’ ‘Nonsens,’ zegt hij en vloekt.
Laatste brief uit het getto
Emilie Landecker was bij Benckiser aan het werk toen de Gestapo haar vader kwam ophalen. Dat was op 24 april 1942. Rond het middaguur stonden er twee agenten op de stoep van het appartement waar het gezin woonde.
Haar jongere broer, Wilhelm, die dit moment later beschrijft in nooit gepubliceerde memoires, deed open. ‘Is de Jood Alfred Israel Landecker thuis?’ vroeg een van de agenten.
Wilhelm bracht de agenten naar hun vader, die al klaar zat. Hij had eerder die maand een brief gekregen met daarin de datum van zijn deportatie. Met de Duitse precisie was hem opgedragen één stel kleren in te pakken, wat ondergoed en een jas met een gele jodenster. Hij mocht geen geld of waardevolle spullen meenemen.
‘Zo, vuile Jood,’ zei de agent. ‘Ben je klaar voor de reis?’ Alfred Landecker deed zijn koffer dicht en trok zijn jas aan. Toen omhelsde hij voor de laatste keer zijn zoon en gaf hem een kus. ‘Willi, blijf binnen, zodat niemand mijn davidsster met jou in verband brengt,’ zei Landecker, waarna hij hem vroeg zijn liefde over te brengen aan zijn zussen. ‘Neem namens mij afscheid van Emmi en Gerdele. Gedraag je, en wees gehoorzaam aan God.’
Een paar weken later arriveerde er een laatste brief van Landecker, maar daarvan is alleen de envelop overgebleven. Uit de envelop blijkt dat hij in blok III 416/2 zat, in Izbica, een getto dat dienstdeed als doorgangsstation voor de deportatie van Joden naar de dodenkampen Belzec en Sobibor in het door de nazi’s bezette Polen.
Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden
Landecker, een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog en een geslaagd accountant, was een liefdevolle vader geweest. Nadat zijn vrouw, een katholiek, in 1928 was overleden had hij in zijn eentje voor hun drie kinderen gezorgd.
Emilie, de oudste, was destijds zes geweest. In 1933 kregen de nazi’s de macht in handen. Twee jaar later werd met de Neurenberger-wetten de rassenleer van de nazi’s geïnstitutionaliseerd en werd de Joden hun burgerrechten ontnomen. Rond die tijd deed Alfred Landecker twee dingen die van een vooruitziende blik getuigden. Hij zorgde ervoor dat zijn kinderen in de katholieke kerk werden gedoopt, zoals ook zijn overleden echtgenote was gedoopt. En hij zette al zijn bezittingen, ook het appartement waar het gezin woonde, officieel op hun naam, zodat ze niet onteigend konden worden.
Maar Landecker kon zijn kinderen niet beschermen tegen een algehele vijandigheid die in hoog tempo escaleerde, van dreigend naar levensbedreigend – een verschuiving die hij vastlegde in een reeks brieven aan zijn jongste dochter, die problemen had met haar gezondheid en destijds bij de zus van zijn vrouw verbleef, op het Beierse platteland.‘
Mijn lieve kind,’ schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. ‘De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen.’
‘We hebben vijf jaar gestreden en kijk in wat voor tijd we nu leven,’ schreef hij, doelend op de Eerste Wereldoorlog. ‘Ik hoop dat jullie, mijn dierbare kinderen, jullie goed zullen blijven gedragen en mij in jullie hart zullen meedragen, al zullen jullie het zwaar krijgen vanwege mij.’ Landecker was op zoek naar een manier om te ontsnappen uit Duitsland – misschien naar Amerika, waar hij een broer en een schoonzus had wonen. ‘Tante Pauline heeft ons geschreven vanuit Amerika,’ schreef hij dat jaar december. ‘Ze doet haar uiterste best voor ons, misschien komt het allemaal goed.’ Maar er was niet genoeg geld. Alfred Landecker mocht niet werken, wat betekende dat Emilie, destijds nog een puber, de kostwinner werd.
Toen Alfred Landecker in april 1942 bericht ontving dat hij gedeporteerd zou worden, deed het gezin nog een laatste wanhopige poging om dat te voorkomen. Ze namen de trein naar Berlijn, om naar het hoofdkantoor van Joodse zaken te gaan, waar de kinderen van Landecker hun katholieke papieren toonden. Ze werden weggestuurd.
‘Huilend gingen we terug naar het hotel, waar onze vader zat te wachten,’ schreef Wilhelm Landecker later. Ondanks de teleurstelling had hun vader theaterkaartjes gekocht voor het hele gezin, die avond in Berlijn. Een paar dagen later schreef hij zijn laatste brief naar Beieren.
‘Lieve Gerdele,’ schreef hij. ‘Zoals je kunt zien, ben ik nog hier, maar dat zal niet lang meer duren. Ik heb vandaag bericht gekregen dat ik op de 24e van deze maand wordt gedeporteerd – dus over twee dagen. Dit is dus de laatste brief die je van mij zult ontvangen vanuit hier, of misschien wel de laatste brief ooit. We weten niet wat ons te wachten staat. Ik wens jullie het allerbeste voor de toekomst. Zorg dat jullie gezond blijven en uitgroeien tot fatsoenlijke mensen,’ drukte hij haar op het hart. ‘Als het kan, schrijf ik zo snel mogelijk weer en ik hoop dat jullie me nooit helemaal zullen vergeten.’
‘Hier in Duitsland zul je niet kunnen trouwen,’ vervolgde hij. ‘Leer andere talen!! Je hebt je hele toekomst nog voor je – maak er iets moois van.’‘Vergeet niet, mijn liefste kind, om God te gehoorzamen, en geef iedereen veel liefs van mij. Een heel warme groet van je papa.’
Nadat haar vader was gedeporteerd bleef Emilie Landecker bij Benckiser werken en groeide uit tot een gewaardeerde werkneemster. Toen de oorlog was afgelopen, ging Emilie Landecker geregeld met papieren die Albert jr. moest tekenen naar Heidelberg – een gevaarlijke tocht door platgebombardeerde gebieden en via een noodbrug over de Rijn.Niemand weet precies hoe hun verhouding is begonnen. Maar in 1951 werd hun eerste kind geboren. Er zouden er nog twee volgen. Twee keer per week, op zondag en woensdag, liet Reimann jr. zijn vrouw alleen om naar Emilie Landecker te gaan.
“Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten. Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden”
Ze werkte voor Benckiser tot 1965. In dat jaar adopteerde Albert jr. officieel hun kinderen. (Zijn vrouw, Paula, was al een tijdje op de hoogte van de verhouding.) De Duitse autoriteiten hadden Emilie Landecker lange tijd onder druk gezet om de naam prijs te geven van de vader van haar kinderen, maar dat had zij altijd geweigerd. Jaren later biechtte ze in een brief aan de jongere Reimann op dat ze het zo erg had gevonden dat ze nooit zijn vrouw had kunnen zijn – en dat ze nooit een gewoon gezin waren geweest.
‘En nu wil ik ook graag iets zeggen over onze relatie,’ schreef Emilie Landecker. ‘Ik denk dat ik jou veel meer nodig heb dan jij mij, aangezien ik slechts een klein deel van jouw leven uitmaak.’
‘Ondanks alles ben ik een vrouw,’ schreef ze. ‘Jij was en bent de enige met wie ik kan praten.’‘Inmiddels weet ik natuurlijk dat het geen onwil was van jouw kant, maar desondanks heb ik het gemist. Ik wilde geen eisen stellen die in de gegeven omstandigheden onmogelijk konden worden ingewilligd.’
Emilie Landecker was een stille vrouw. Ze zei maar weinig. Maar als we haar kinderen mogen geloven, hield ze van hun vader, ondanks alles.
‘Ik heb nooit goed begrepen waarom,’ zegt Wolfgang Reimann. ‘Voor zover ik hem heb meegemaakt, was het niet echt een man om van te houden.’
De kinderen wisten tientallen jaren niet beter dan dat de ouders elkaar hadden ontmoet ‘op het werk’. Ze wisten dat hun opa van moederskant, Alfred, door de nazi’s was vermoord. Maar ze zijn er pas dit jaar achter gekomen dat hun vader een fervent nazi was. Wanneer de kinderen informeerden naar de Joodse wortels van de familie, zo vertelt Wolfgang, draaide Emilie Landecker om de hete brei heen, zei dat ze was opgegroeid in ‘een Joodse omgeving’ en drukte de kinderen op het hart geen ‘oude koeien’ uit de sloot te halen.
‘Mijn moeder zei nooit veel,’ aldus Wolfgang Reimann. ‘Ik heb heel lang gedacht dat ze gewoon zo in elkaar zat.’ Maar inmiddels kijkt hij er anders tegenaan: ‘Als ik met mijn grote liefde zou moeten leven zoals mijn moeder dat heeft gedaan, en diegene was ook nog eens verantwoordelijk voor de verschrikkingen van de oorlog, zou ik denk ik ook niet zo veel zeggen.’
Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden. Veel van die verhalen zijn verteld. Maar niet allemaal. Bahlsen, de koekjesfabrikant, heeft eerder dit jaar een onderzoek aangekondigd naar de oorlogsjaren van het bedrijf, nadat een jonge erfgename zich nogal laconiek had uitgelaten over de inzet van dwangarbeiders.
Internationale uitbreiding is voor Duitse bedrijven geregeld de aanleiding om het verleden onder ogen te zien. Zo is het ook gegaan met het vermogen van Reimann. In de loop der jaren zijn er bij Benckiser verschillende overnames geweest en nieuwe vestigingen gekomen; Benckiser is met een ander bedrijf in zee gegaan, waardoor het megaconcern Reckitt Benckiser is ontstaan, dat bekend is van merken als Lysol en Durex. En uiteindelijk hebben de Reimanns een groot deel van hun vermogen in JAB gestoken. De afgelopen jaren heeft de holding miljarden geïnvesteerd om de strijd aan te binden met bedrijven als Starbucks en Nestlé door ketens op te kopen zoals Panera Bread, Krispy Kreme en Pret A Manger. Vorig jaar hebben ze ook Keurig Green Mountain geholpen om Dr Pepper Snapple over te nemen voor een kleine negentien miljard. JAB heeft ook cosmeticagigant Coty in handen, de eigenaar van de Calvin Klein-geuren.
Toen het bedrijf steeds meer onder vuur kwam te liggen heeft Harf er bij de familie Reimann op aangedrongen om zelf het voortouw te nemen en onderzoek te doen naar het verleden – voordat iemand anders hen voor zou zijn.
De nazi-onthullingen hebben veel teweeggebracht bij de jongste Reimanns. ‘Ik moest bijna overgeven toen ik hoorde en las over de gruweldaden die, met medeweten van mijn grootvader, hebben plaatsgevonden bij Benckiser,’ zegt Martin Reimann (30), een kleinzoon van Emilie Landecker en Albert Reinmann junior. ‘Tot die tijd hield ik me eerlijk gezegd maar weinig met politiek bezig. Maar door wat er is gebeurd, is dat allemaal veranderd. Ik moet iets doen. In ons familieberaad heeft de jonge generatie voor een soort opstand gezorgd.’
Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: “Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?”
Door de stichting te vernoemen herstelt de familie Reimann de naam in ere van Alfed Landecker – een van de miljoenen mensen die door de nazi’s zijn omgebracht. Maar ook wordt er een expliciete link gelegd tussen de misdrijven uit het verleden en de strijd van vandaag de dag om de liberale, democratische waarden hoog te houden.
‘Welke lessen we kunnen trekken uit het verleden, en hóé, die vraag ligt ten grondslag aan deze stichting,’ zegt Norbert Frei, de voorzitter van de wetenschappelijke raad van de stichting. Frei is een gerespecteerd historicus verbonden aan de universiteit van Jena, en hij heeft onderzoeken geleid naar het naziverleden van andere bedrijven, zoals Bertelsmann. ‘Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten,’ voegt hij eraan toe. ‘Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden.’
Harf, de directeur van JAB, is het met hem eens. Hij zegt dat hij onlangs De orde van de dag heeft gelezen, een historische roman van Éric Vuillard die speelt in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. Een van de scènes in het boek is gesitueerd in februari 1933, toen Hitler samen met de voorzitter van de Rijksdag vierentwintig industriëlen wist over te halen geld te doneren aan de nazipartij. De zakenlieden – die bedrijven vertegenwoordigden die nog altijd grote spelers zijn op de markt, zoals Siemens, Bayer en Allianz – trokken braaf de portemonnee.
Harf zegt dat hij zich daardoor realiseerde dat in het zakenleven onvoldoende mensen zich uitspreken tegen de opkomst van het nationalisme en het populisme, zoals we dat momenteel zien in Europa en de Verenigde Staten. Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: ‘Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?’
‘In het verleden heeft de industrie populisten ruim baan gegeven,’ voegt hij eraan toe. ‘Die vergissing moeten we nu niet weer maken.’ Vervolgens citeert hij Holocaust-overlevende Simon Wiesenthal: ‘Om het kwaad te laten gedijen, volstaat het dat goede mensen niets doen.’
Daar voegt hij aan toe: ‘Als opvolgers en afstammelingen van mensen die verschrikkelijke daden hebben gepleegd, is het van wezenlijk belang dat onze generatie accepteert wat er is gebeurd en dat we al het mogelijke in het werk stellen om te zorgen voor verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid in de gemeenschappen waarin we leven, dat we ons ervan verzekeren dat de daden van Albert Reimann sr. en Albert Reimann jr. deel uitmaken van een geschiedenis die zich nooit meer zal herhalen.’
De Saoedische prins had een grote rol kunnen spelen in de Palestijnse kwestie. Nu moet hij eerst zijn imago grondig opvijzelen.
Ruim een jaar geleden werd Mohammed bin Salman gepromoveerd tot kroonprins van Saoedi-Arabië, en het was me het jaartje wel. Al snel werd hij, ook wel MBS genoemd, een internationale beroemdheid, de bekendste man in het Midden-Oosten, en een graag geziene gast op Dwayne ‘The Rock’ Johnsons Instagrampagina. Hij trok de aandacht van de wereld met een langdurig charmeoffensief en revolutionaire hervormingen in Saoedi-Arabië. Zo mochten vrouwen autorijden en werd de macht van de beruchte Saoedische religieuze politie ingeperkt.
Zoals ik het zie, kan MBS niet alles ingrijpend veranderen, maar hij kan zeker overal ter wereld steun krijgen en zijn imago opvijzelen als hij de Palestijnse kwestie gaat aanpakken. Door het op te nemen tegen Iran probeert hij een leidende rol in de Arabische wereld te krijgen, wat hem zeker enkele bondgenoten heeft opgeleverd. Maar de geschiedenis wijst uit dat Arabische leiders in het verleden respect en prestige verkregen door de Palestijnen te steunen en Israël aan te vallen, ook al bleef dat voornamelijk bij woorden en was het alleen symbolisch.
Het mag een riskante strategie lijken voor een prins, om toenadering te zoeken tot de Amerikaanse president Trump en de Israëlische premier Netanyahu. MBS zei zelfs dat de Palestijnen ‘aan de onderhandelingstafel moesten aanschuiven of hun mond moesten houden’, en hij steunde Israëls recht op een eigen land, waardoor de jonge prins nog meer sympathie won bij Trump en Netanyahu. Maar MBS hoeft niet zulke drastische stappen te ondernemen om bij Trump en Netanyahu in de gunst te komen; hij kan sterke relaties met hen aanknopen en onderhouden, zonder nu in iedere opwelling van hen mee te gaan en hun retoriek te imiteren.
Als hij zijn kaarten goed uitspeelt, kan hij de Palestijnen helpen een eigen staat te stichten, zonder de ontluikende relatie met Israël te schaden. Netanyahu lijkt inderdaad totaal niets te voelen voor de tweestatenoplossing, maar hij staat onder grote internationale druk en wil als bondgenoot tegen Iran graag goede relaties onderhouden met Saoedi-Arabië en de Golfstaten.
Als Saoedi-Arabië de Palestijnen helpt bij het stichten van een eigen staat, zou dat het land niet alleen zeer veel macht in de regio verschaffen; ook zou het MBS helpen een sterker en eendrachtiger front te vormen tegen Iran, door Israël er officieel bij te betrekken. En MBS zou natuurlijk alom als Arabische held worden geprezen.
Dus voordat [Jared] Kushner en [Jason] Greenblatt [het Amerikaanse] vredesplan onthullen en een onderhandelingsmogelijkheid om zeep helpen, is het nu misschien het moment voor MBS om met de Palestijnen te gaan praten, in plaats van te zeggen dat ze hun mond moeten houden.
Informatieve site, met nieuws en blogs over Israël, de regio en de Joodse wereld. De inhoud is beschikbaar in verschillende talen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.