Ordo Iuris, een ultraconservatieve Poolse katholieke organisatie die juridische procedures voert om abortus en echtscheidingen te verbieden, en lhbtq-rechten in te perken, dreigt uiteen te vallen. Poolse media onthulden dat twee van haar topleden betrokken waren bij een buitenechtelijke affaire.
Balkan Insight schreef in juni vorig jaar: ‘Polen heeft onlangs de krantenkoppen gehaald door abortus vrijwel te verbieden, gemeentelijke anti-lhbtq-resoluties aan te nemen en zelfs door te proberen de regionale oppositie tegen vrouwenrechten te coördineren. De ngo Ordo Iuris speelde een belangrijke rol in deze recente conservatieve blitzkrieg. De mensen die de organisatie leiden zijn jong en activistisch. Ze behoren tot de generatie die is geboren in de jaren negentig.’
Balkan Insight sprak zelfs van een symbiose tussen de conservatief-nationalistische regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) en Ordo Iuris. ‘Onder PiS-politici heeft Ordo Iuris een luisterend oor gevonden voor haar ideeën. Haar conservatieve pleidoeien heeft de Poolse regering geholpen een verhaal van “verzet tegen het Westen” te construeren, waar Warschau ruimschoots gebruik van maakt in zijn voortdurende confrontatie met de EU.’
De moederorganisatie van Ordo Iuris wordt er in verschillende landen van beschuldigd een religieuze sekte te zijn
‘Ordo Iuris heeft een belangrijke rol gespeeld bij het bijna totale abortusverbod in Polen en invloed gehad op de totstandkoming van “lhbtq-vrijezones”. Nu heeft Ordo Iuris zijn zinnen gezet op het moeilijker maken voor echtparen om te scheiden’, schreef Vice enkele maanden later.
De organisatie is niet alleen Pools, maar maakt deel uit van een veel groter ultraconservatief netwerk, zo blijkt uit het boek This Is War – Women, Fundamentalists and the New Middle Ages uit 2020, van de Poolse journaliste Klementyna Suchanow. Ze beschrijft hoe Ordo Iuris werd opgericht door leden van de Piotr Skarga-vereniging, de Poolse tak van het ultrakatholieke netwerk Tradition, Family, Property (TFP), dat ontstond in Brazilië en dat er in verschillende landen van wordt beschuldigd een religieuze sekte te zijn.
Vorig jaar publiceerden wij een artikel over de wereldwijde tentakels van TFP. Volgens Suchanow gebruiken zowel Ordo Iuris als de Piotr Skarga-vereniging het logo met een gouden leeuw van TFP, werken ze gezamenlijk aan acties en zijn enkele individuen actief in beide groepen.
Hypocrisie
Polen is inmiddels in de ban van een seksschandaal dat Ordo Iuris op stelten heeft gezet, volgens berichtgeving in de gezaghebbende Poolse krant Gazeta Wyborcza. Gezien de nauwe banden die katholieke fundamentalistische organisatie onderhoudt met toppolitici van de regeringspartij PiS, zullen ook in regeringsgebouwen de wenkbrauwen gefronst worden.
Volgens de krant vond een paar maanden geleden een stille breuk plaats binnen Ordo Iuris, maar is nu duidelijk geworden dat de belangrijkste reden hiervoor een seksschandaal is. Daarbij zouden de voormalige vicepresident van de organisatie, Tymoteusz Zych en Karolina Pawłowska, de directeur van het Ordo Iuris International Law Centre, betrokken zijn. Als gevolg van het schandaal hebben meer dan een dozijn mensen Ordo Iuris verlaten, waaronder Zych en Pawłowska. Op een persconferentie maakten ze plannen bekend om een nieuwe organisatie te lanceren: The Logos Institute. Ondertussen ontploften sociale media in Polen met grappen, memes en felle discussie over het schandaal.
Gazeta Wyborcza sprak met een aantal betrokkenen die in de loop der jaren door de mangel zijn gehaald door Ordo Iuris.
‘Deze organisatie is medeverantwoordelijk voor de hel die Poolse vrouwen doormaken’
‘Hypocrisie is één ding, maar de totale zelfingenomenheid en domheid van deze jonge mensen die menen het recht te hebben om het leven van anderen te regelen, is iets heel anders. Ik hoop dat hun geweten tot hen zal spreken, dat ze bepaalde dingen zullen overdenken. Ze betalen nu de prijs voor hun overmoed. Ik heb er geen enkele moeite mee om ze te veroordelen. Ik heb geen enkele sympathie voor hen. Ze waren het gezicht van Ordo Iuris‘, zegt Klementyna Suchanow tegen Gazeta Wyborcza over Zych en Pawłowska. Ordo Iuris spande een rechtszaak tegen haar aan vanwege haar boek This is War.
Parlementslid Hanna Gill-Piątek werd vorig jaar aangeklaagd door Zych omdat ze had gewezen op mogelijke belangenverstrengeling. Een van de organisaties onder leiding van Zych had 200.000 zloty, zo’n 45.000 euro, aan subsidies ontvangen van een overheidsinstantie. Zych bleek in de toekennende raad van die instantie te zitten.
Over de berichtgeving rond het schandaal zegt ze: ‘In dit geval is het moeilijk om van een inbreuk op de privacy te spreken. Ordo Iuris dringt aan op een verbod op echtscheiding en nu blijken ze er zelf mee te maken te hebben: dit is belangrijke informatie voor het algemeen belang want deze mensen beïnvloeden en vormen het recht in Polen.’
Conventie van Istanboel
‘Zych vindt dat het doen van concessies aan lhbtq-gemeenschappen een bedreiging is voor het huwelijk en het traditionele gezinsmodel. Naar mijn mening moet deze hypocrisie openbaar worden gemaakt. Het publiek heeft het recht er kennis van te nemen. Deze organisatie is medeverantwoordelijk voor de hel die Poolse vrouwen doormaken’, zegt activist Bart Staszewski. Hij moest de afgelopen tijd 3,2 duizend kilometer door het land reizen om bij de hoorzittingen te verschijnen voor zaken die Ordo Iuris valselijk tegen hem had aangespannen. Alle zaken werden geseponeerd. ‘Ik hoop dat dit schandaal Ordo Iuris ernstig zal verzwakken. Het zijn gevaarlijke radicalen’, aldus Staszewski.
‘Ze zijn in hun eigen val gelopen’, vindt parlementslid Hanna Gill-Piątek. Ik weet niet welke effecten dit op lange termijn zal hebben. In het begin barstte het internet van de grappen over dit hele schandaal, maar het gaat om meer dan alleen memes. Iedereen heeft het er inmiddels over. Het lijkt mij dat Ordo Iuris aan geloofwaardigheid zal inboeten. Misschien moeten ze zelfs hun naam veranderen, omdat dit hen zal blijven aankleven. Dit is hoe je eindigt als je de slaapkamers van mensen probeert binnen te dringen, concludeert ze, verwijzend naar wetgeving die onder invloed van Ordo Iuris is ontstaan.
‘Pr-technish is dit een ramp en hun geloofwaardigheid is vrijwel nihil’
‘Leden van deze conservatieve netwerken zijn vaak erg jong en onervaren’, zegt Klementyna Suchanow. ‘Ze werden aangeworven tijdens hun studententijd. Ze meenden te weten hoe het leven eruit hoort te zien, maar in de loop der jaren bleek dat ze niet per se gelijk hadden. Ze zijn in de val gelopen van hun eigen makelij. Zo was mevrouw Pawłowska een tegenstander van de Conventie van Istanboel [Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld]. Nu gaat ze scheiden. Laat haar zich nu maar even die vrouwen voorstellen die zich in een veel moeilijkere situatie bevinden dan zij en vertel hen dan nog eens dat ze getrouwd moeten blijven.’
Volgens Klementyna Suchanow is dit niet het einde van de ultraconservatieve beweging: ‘Dit is misschien het begin van het einde, maar het zijn slimme mensen. Ze maken deel uit van een sterk internationaal netwerk. Een plaatselijk schandaal is niet genoeg om ze ten val te brengen. Al zal deze echtscheidingskwestie zeker terugkomen, want pr-technish is dit een ramp en hun geloofwaardigheid is vrijwel nihil.’
Wat verbindt een weelderig herenhuis in São Paulo, een majestueus kasteel in Frankrijk en een pand in de historische wijk Kazimierz in Krakau met elkaar? Het antwoord: TFP, een ultrakatholieke organisatie die wereldwijd steeds meer politieke invloed krijgt. Journalistiek collectief Vsquare deed een onthullend en onthutsend onderzoek.
Diepgravend onderzoek van Vsquare
Recentelijk publiceerde het onderzoeksjournalistieke collectief Vsquare, dat samenwerkt met media in de Visegradlanden Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije, de resultaten van een diepgravend onderzoek naar de financiering van extreemrechtse katholieke organisaties en hun politieke invloed wereldwijd.
Het onderzoek van Vsquare richt zich op TFP en Ordo Iuris, naar eigen zeggen een Poolse stichting ‘die academici en beoefenaars van juridische beroepen samenbrengt met als doel een rechtscultuur te bevorderen die gebaseerd is op respect voor de menselijke waardigheid en rechten’.
De stichting omarmt middeleeuwse tradities en steunt ultraconservatieve campagnes in Polen en daarbuiten. Ze richt zich vooral op de strijd tegen homoseksuele relaties, buitenechtelijke relaties, echtscheiding en abortus, maar ook voor een lobby tegen antidiscriminatieonderwijs op scholen draait de organisatie haar hand niet om.
Ook subsidieert ze de rechts-katholieke organisatie Traditie, Familie, Privé-eigendom (TFP) in Brazilië en het Château du Jaglu in Frankrijk, de thuisbasis van een vooraanstaande TFP-activist.
Ordo luris is inmiddels het Poolse rechtssysteem binnengedrongen met een meedogenloos streven om onder andere abortus onder alle omstandigheden te verbieden.
Het is januari 2018. Tijdens de March for Life, een anti-abortusdemonstratie in Washington, wordt een grote vlag gedragen met daarop de kaart van Litouwen, zo schrijft Vsquare. Op de vlag is het logo te zien van een Litouwse organisatie die wordt gefinancierd met Pools geld. Hij is gedrukt door een Amerikaanse instelling, net als andere spandoeken die worden meegedragen met daarop teksten als: ‘Abortus is een klap in het gezicht van de liefhebbende Schepper’ of: ‘Nederland zegt NEE tegen abortus!’ Dat laatste exemplaar werd vervaardigd voor een Nederlandse organisatie die eveneens wordt gefinancierd met Pools geld en die onder toezicht staat van Braziliaanse oprichters.
De ontstaansgeschiedenis van deze spandoeken weerspiegelt perfect de complexiteit van de beweging Traditie, Familie en Privé-eigendom (TFP), die wereldwijd een ultraconservatieve agenda voert.
De TFP-beweging werd in de jaren zestig opgericht door Plinio Corrêa de Oliveira, een vrome katholiek en anticommunist. In de loop der jaren groeide TFP uit tot een wereldwijd netwerk van organisaties die ultraradicale katholieke waarden promoten en zich verzetten tegen homoseksuele relaties, echtscheiding, anticonceptie en het recht op abortus. Het TFP-netwerk bleek de afgelopen jaren bijzonder effectief in Centraal-Europa en in andere postcommunistische landen die tot 1989 deel uitmaakten van de Sovjet-Unie.
Vsquare: ‘Jarenlang was er weinig bekend over de financiële structuur van deze internationale beweging van katholieke radicalen. Uit ons onderzoek blijkt nu dat er financiële steun wordt geleverd vanuit het operationele en financiële centrum in Krakau. Dat hanteert een fondsenwervingsmodel gebaseerd op een concept dat in Brazilië werd ontwikkeld en later is uitgebreid in Frankrijk, en dat nu wordt toegepast in Centraal-Europese landen.’
Ook volgens Victor Gama, historicus aan de Pauselijke Katholieke Universiteit in Brazilië, heeft TFP een internationaal netwerk van verenigingen opgezet. ‘In veel landen vinden mensen afbeeldingen van heiligen in hun brievenbus, met een schrijven waarin ze worden gevraagd geld te geven voor religieuze doeleinden. Ze denken dat ze lokale katholieke instellingen steunen, maar hun geld voedt de wereldwijde TFP. Dat geld wordt vervolgens doorgesluisd naar mensen die bij de beweging en het hoofdkantoor zijn betrokken, die vervolgens nieuwe leden werven, vooral jonge mensen,’ aldus Gama.
Het onderzoek van Vsquare legt voor het eerst het functioneren van dit netwerk van aan TFP gekoppelde organisaties bloot en licht per locatie de activiteiten van het netwerk toe.
São Paulo
Higienópolis is een van de welvarendste buurten van São Paulo, het financiële hart van Zuidoost-Brazilië en een favoriete hotspot voor lokale beroemdheden en politici. Het Plinio Corrêa de Oliveira-instituut (IPCO) is gehuisvest in een charmant herenhuis dat wordt omgeven door exotische tuinen. Het terrein is alleen toegankelijk voor leden van de organisatie. Hoewel er alleen in het weekend een mis in de kapel wordt gehouden, horen de bewoners elke dag een bel die oproept tot gebed.
Het is een mannenclub, vrouwen kunnen er geen lid van worden
Voordat deze villa het hoofdkantoor van IPCO werd, diende het statige gebouw lange tijd als locatie voor bijeenkomsten van de Braziliaanse Vereniging voor de Verdediging van Traditie, Familie en Privé-eigendom (TFP).
Toen TFP-oprichter Plinio Corrêa de Oliveira in 1995 overleed, kwamen de oude garde en ‘machtshongerige’ jongeren tegenover elkaar te staan. De ouderen vormden de Association of TFP Founders; zij richten zich nu op het uitbreiden van hun invloed in de Braziliaanse politiek. De jongeren, die zichzelf ‘Herauten van het Evangelie’ noemen, richten zich op religieuze activiteiten en hebben het recht verworven om zichzelf in Latijns-Amerika TFP te noemen, zodat ze Oliveira’s nalatenschap kunnen voortzetten.
IPCO is de derde organisatie die ontstond als gevolg van de splitsing. Caio Xavier da Silveira is er de spilfiguur. ‘Help ons Brazilië bevrijden van abortus, de homoseksuele agenda en het communisme!’ is de boodschap die wordt gebruikt voor fondsenwerving. Het is een mannenclub, vrouwen kunnen er geen lid van worden.
Hoewel de hoogtijdagen van de ultrakatholieke beweging in Brazilië voorbij zijn, is de invloed van de groeperingen er nog steeds groot. Zo heeft Dom Bertrand de Orléans e Bragança, een van de IPCO-directeuren, eenvoudig toegang tot kringen rond de Braziliaanse president Jair Bolsonaro, inclusief diens zoon Eduardo. Op de G20-top in juli 2019 citeerde Bolsonaro uitspraken van Dom Bertrand, die de klimaatverandering in twijfel trekt.
Vsquare stelt vast dat de organisatie tussen 2004 en 2019 grotendeels kon blijven bestaan dankzij steun vanuit het Poolse Krakau.
Krakau
Vsquare heeft de hand weten te leggen op een e-mail die Slawomir Olejniczak, medeoprichter van de Poolse tak van TFP, in mei 2019 schreef aan leden van TFP. Deze tak heet de Piotr Skarga Stichting en houdt hoofdkantoor in de historische wijk Kazimierz in Krakau.
‘Beste heren, Salve Maria! Jarenlang hebben we, geleid door de goede wil en het vertrouwen van alle leden van de Stichting, op verzoek TFP-organisaties in Brazilië en vele andere landen financieel ondersteund. In totaal loopt onze financiële steun van de afgelopen jaren in de miljoenen euro’s. Dankzij deze steun zijn TFP-organisaties opgericht of verder ontwikkeld in landen als Australië, Estland, Kroatië, Slowakije, Litouwen, Nederland en Ecuador. In Polen hebben we het instituut Ordo Iuris en het pro-life Centrum voor Leven and Familie opgericht.’
Deze laatste twee organisaties speelden volgens Vsquare een belangrijke rol in de pogingen om een vrijwel volledig abortusverbod in Polen in te voeren. De mail vermeldt verder nog financiering van TFP-activiteiten in Canada en Zuid-Afrika.
Machtsstrijd
Vsquare stelt vast dat de mail van Olejniczak alles te maken heeft met een machtsstrijd binnen de mondiale miljoenenorganisatie. Olejniczak was net door de raad van toezicht ontslagen uit het bestuur van de Poolse Skarga Stichting. Voorzitter van de raad is de eerdergenoemde Braziliaan Caio da Silveira: oprichter en sleutelfiguur van de TFP-beweging in Europa en tevens hoofd van de Franse Fédération Pro Europa Christiana. Da Silveira had Olejniczak opdracht gegeven om toezicht te houden op de ontwikkeling van de beweging in Polen en Centraal-Europa.
De vete tussen Olejniczak en Caio da Silveira begon na conflicten over geld en andere activa omtrent de Skarga Stichting, die gaandeweg de financieringsbron werd voor het gehele netwerk van TFP-organisaties. Olejniczak verkondigde bijvoorbeeld: ‘De grootste last voor ons [de stichting] is de deelname aan de vaste kosten van het onderhoud van de organisaties in Brazilië en Frankrijk van 2004 tot nu. Dat betreft jaarlijks ongeveer 500.000 euro.’
Vsquare heeft documenten in handen die suggereren dat Skarga tussen 2009 en 2019 meer dan 9,3 miljoen euro naar het buitenland heeft overgemaakt; geld dat afkomstig is van Poolse katholieken die gretig rozenkransen, afbeeldingen van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima, boeken, kalenders en andere ultrakatholieke parafernalia bestellen bij Skarga. Dit ‘bedrijfsmodel’, dat ook in veel andere landen is overgenomen van het TFP-netwerk, bleek bijzonder lucratief in het katholieke Polen.
Frankrijk en België
Een niet onaanzienlijk deel van het geld uit Polen belandt in Château du Jaglu, bij de eerdergenoemde Caio da Silveira, die met een aantal geloofsgenoten op het kasteel woont en van daaruit toezicht houdt op de activiteiten van organisaties in heel Europa. ‘Frankrijk was de eerste plek in Europa waar TFP zich vestigde’, aldus het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ van het Europees Parlementair Forum voor seksuele en reproductieve rechten (EPF), dat eerder dit jaar verscheen. ‘Dit land diende als basis van waaruit TFP zich kon verspreiden naar andere Europese landen; zo werden satellietorganisaties gecreëerd in Duitsland, Oostenrijk en Polen.’
De jaren negentig waren de gouden jaren voor TFP in Frankrijk. De Franse tak van TFP begon grootschalige mailcampagnes om donaties van leden van de katholieke kerk in te zamelen. Politici werden bestookt met brieven. In 1997 leidden dergelijke inspanningen ertoe dat sponsors van de Gay Pride hun steun introkken.
In 1995 nam een parlementaire onderzoekscommissie TFP op in een register van sekteachtige bewegingen
De tienduizenden verzoeken om donaties deden ondertussen bij de autoriteiten de alarmbellen rinkelen. In 1995 nam een parlementaire onderzoekscommissie TFP op in een register van sekteachtige bewegingen. Tussen 1999 en 2006 probeerden onderzoekers van de commissie voor sekten herhaaldelijk de werkelijke omvang en het doel van de fondsenwervingsactiviteiten van de organisatie vast te stellen, maar zonder succes.
Terwijl de Franse autoriteiten TFP probeerden aan te pakken, breidde de beweging haar internationale activiteiten en financieringsbronnen alleen maar verder uit. Zo werd ze onafhankelijk van lokale Franse donoren. En in de eerste jaren van deze eeuw was TFP niet langer alleen actief in Frankrijk, maar ook in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Polen en Portugal. Daar werden allerlei religieuze campagnes gevoerd en christelijke verenigingen of anti-abortusgroepen opgericht.
Een nieuwe generatie
Het Château du Jaglu is niet het enige eigendom van de organisatie. Het officiële hoofdkantoor van Fédération Pro Europa Christiana is Villa Notre-Dame de la Clairière in Creutzwald, een landgoed in het oosten van Frankrijk, met een park van 3,5 hectare. Daarnaast huurde de organisatie tot de zomer van 2019 ook een kantoor in Brussel voor lobbyactiviteiten bij EU-instellingen.
Geld van de Skarga Stichting in Krakau is lange tijd gebruikt voor het ondersteunen van deze onderkomens en tientallen andere organisaties over de hele wereld, waarvan de meeste worden bestuurd door Da Silveira. Uit documenten die Vsquare in bezit heeft, blijkt dat tussen 2009 en 2019 meer dan 6,8 miljoen euro is overgemaakt aan organisaties die Da Silveira onder zijn hoede heeft.
TFP European Summer School
In augustus 2020 kwamen TFP-leden uit Frankrijk, Italië, Nederland, Polen en Wit-Rusland naar Frankrijk voor de TFP European Summer School, die in de villa in Creutzwald werd georganiseerd. Caio da Silveira was nog steeds het middelpunt, maar de vraag is voor hoelang nog. Zijn oud-studenten uit Krakau lijken in de machtsstrijd met hem aan de winnende hand te zijn. Zij waren het die het nieuwe netwerk van ultrakatholieke organisaties bouwden, financierden en uiteindelijk overnamen, en zij oefenen steeds meer invloed uit op het beleid in Centraal-Europese samenlevingen.
‘Over het algemeen gaat de oude TFP in Frankrijk, Duitsland en Italië meer om geld verdienen dan om ideologie. Ze biedt financiële stabiliteit. Maar de nieuwe generatie die uit Polen komt, is erg ambitieus en professioneel,’ liet Neil Datta van het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ aan Vsquare weten.
Die nieuwe generatie is bovendien zeer succesvol. Eind oktober werd door hun toedoen de weg naar legale abortus in Polen drastisch bemoeilijkt. Het Centraal-Europese netwerk is nu bezig zijn ultrachristelijke waarden te verdedigen bij het komende constitutionele referendum in Estland.
Polen
Aangestuurd door de Piotr Skarga Stichting uit Krakau is in Centraal-Europa een netwerk van organisaties ontstaan dat wordt gevoed met honderdduizenden euro’s van individuele donaties. Na de lancering van ultraconservatieve organisaties in Litouwen, Estland, Slowakije, Kroatië en Hongarije heeft de Poolse stichting haar fondsenwervingsmodel ook in deze landen geïmplementeerd.
Tegenwoordig is Centraal-Europa het belangrijkste slagveld voor TFP. De invloed van haar aanhangers, die middeleeuwse waarden terug willen brengen naar Europa, neemt gestaag toe.
De Piotr Skarga Stichting werd in 2001 in Krakau opgericht om het christelijke geloof te verspreiden en om ‘traditionele’ waarden te verdedigen, geheel in lijn met de TFP-principes. De mannen erachter zijn Caio Xavier de Silveira, de Braziliaan die in Frankrijk woont, en Matthias von Gersdorff, een in Duitsland woonachtige Chileen. Beiden zijn nog altijd lid van de raad van toezicht van de stichting.
De stichting ontstond twee jaar na de lancering van de Piotr Skarga Vereniging voor Christelijke Cultuur. Beide organisaties werden vanaf het begin geleid door drie studievrienden uit Krakau: Slawomir Olejniczak, Slawomir Skiba en Arkadiusz Stelmach. De oprichters uit Latijns-Amerika zorgden voor startfondsen en deelden kennis over effectieve campagnes waarmee geld kon worden ingezameld bij de katholieke gemeenschap in Polen.
Bedrijfsmodel
‘Je kunt de wereld niet redden als je de huur niet kunt betalen.’ En: ‘De grootste kracht in de politiek is morele verontwaardiging.’ Als hij over fondsenwerving spreekt, verwijst Slawomir Olejniczak van de Piotr Skarga Stichting graag naar deze principes, die werden geformuleerd door de Amerikaan Morton Blackwell.
Blackwell is een prominente Republikeinse politicus, die met zijn Leadership Institute trainingen verzorgt ‘voor campagnes, fondsenwerving, grassroots-organisaties, jeugdpolitiek en communicatie. Het instituut leert conservatieven van alle leeftijden hoe ze kunnen slagen in de politiek, bij de overheid en in de media’, aldus de website.
Blackwell heeft inmiddels meer dan 220.000 conservatieven opgeleid in de VS en de rest van de wereld. Hij heeft goede contacten met de leiders van de Amerikaanse TFP via de Foundation for a Christian Civilization, de organisatie die de buitenlandse vlaggen en spandoeken voor de March for Life vervaardigde, en met de Braziliaanse oprichters van TFP. Volgens Benjamin Arthur Cowan van de University of California San Diego ‘werd Blackwell zelfs een soort van spil in de wereldwijde uitbreidingscampagne van de Braziliaanse TFP’. Op het Leadership Institute hebben diverse TFP-leiders, onder wie Caio da Silveira, Mathias von Gersdorff en Jose Ureta, lezingen gegeven en hun ervaringen gedeeld.
De Skarga-groep uit Krakau nam het ‘bedrijfsmodel’ van het Leadership Institute (zie kader) over en ontwikkelde dit verder. Ook deze groep stuurt goedkope medaillons, bidprentjes met de afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima en andere heiligen, boeken en rozenkransen naar honderdduizenden mensen, voorzien van een smeekbede om donaties.
Het succes van deze operatie zit hem vooral in de schaal. In de loop der jaren hebben pakketjes van de Skarga Stichting miljoenen huishoudens in heel Polen bereikt. Alleen al in 2018 heeft de Stichting meer dan 1 miljoen huis-aan-huisfolders en honderdduizenden enveloppen met kalenders, medailles en brochures verstuurd.
Het levert jaarlijks zo’n 8,4 miljoen euro op. De Skarga-groep exploiteert inmiddels ook het tweemaandelijkse tijdschrift Polonia Christiana en de website PCH24.pl en financiert grote campagnes, zoals het recente protest tegen de toestemming die priesters kregen om gelovigen de communie in de hand te geven in plaats van in de mond, in verband met corona.
Op basis van deze succesvolle operaties begon de Skarga Stichting de ultraconservatieve agenda ook buiten Polen te verspreiden. De groep zette een netwerk op van satellietorganisaties in Centraal-Europa, die werden gesteund met honderdduizenden euro’s. Uit documenten die Vsquare heeft geanalyseerd, blijkt dat het netwerk in 2017 uit veertig organisaties bestond die financieel werden bijgestaan door de Skarga Stichting. Bijna de helft van dat TFP-netwerk bevindt zich in Midden- en Oost-Europese landen als Litouwen, Estland, Slowakije, Hongarije en Kroatië.
Litouwen
Op 11 november 2020 loopt Šarunas Pusčius in de Litouwse stad Kaunas naar een standbeeld van Vytis, de ridder te paard die ook het wapen van Litouwen siert. Bij het standbeeld begint hij een toespraak waarin hij zijn steun uitspreekt voor de Poolse Onafhankelijkheidsmars, een jaarlijks evenement van Poolse nationalisten dat wordt gekenmerkt door gewelddadig machtsvertoon van extreemrechts.
‘Wij feliciteren u en laten u weten dat uw strijd, de strijd voor de katholieke beschaving, tegen de barbaren, tegen de liberaal-communisten die uw kerken verwoesten en uw ongeboren kinderen willen vermoorden (…) dat uw strijd, waarin u meer dan 200.000 handtekeningen verzamelde tegen homoparades in Polen, een aanmoediging is voor alle katholieke naties,’ aldus Pusčius.
Met de oproep om in Polen een ‘katholieke contrarevolutie’ te beginnen presenteert Pusčius zich als de pr-manager van het Instituut voor Christelijke Cultuur (Krikščioniškosios Kulturos Institutas, KKI), een Litouwse ngo die is opgericht en wordt beheerd door de Skarga Stichting uit Krakau. In drie jaar tijd heeft Skarga meer dan 280.000 euro geïnvesteerd in uitbreiding in Litouwen. Zo werd onder meer een radicaal-rechts platform tegen de lhbti-gemeenschap gefinancierd en werd inkomen beschikbaar gesteld voor ten minste twee TFP-medewerkers, zo onthulde Vsquare.
De definitie van ‘christelijke cultuur’ waarmee KKI zich op Facebook presenteert, gaat veel verder dan de gangbare begrippen. Naast herhaalde beweringen dat ‘liberaal-communistische barbaren’ Polen proberen over te nemen, verspreidt KKI complottheorieën over covid-19, roept het op tot een verbod op ‘homopropaganda’ en begon het zelfs een kruistocht tegen de ‘satanistische’ viering van Halloween.
KKI drukte 18.000 brochures met de titel ‘Waarom homoseksuele verbintenissen geen huwelijk zijn’, waarvan een deel onder Litouwse scholen werd verspreid
KKI werd al in 2003 opgericht, maar kwam pas in beeld in 2018, toen het met de extreemrechtse Litouwse organisatie Pro Patria opriep tot protest tegen het nieuwe management van de nationale omroep van Litouwen. Een groep demonstranten verzamelde zich voor het hoofdkantoor van tv en beschuldigde de omroep van globalistische propaganda.
Het personeelsbestand van KKI groeide schijnbaar uit het niets van drie naar zeven personen. De vier nieuw aangestelde ‘managers’ bleken allemaal banden te onderhouden met Pro Patria. Martynas Katelynas, een van de vier die in 2017 werden aangesteld, werd in 2019 gekozen in de gemeenteraad van het Litouwse stadje Varena.
In 2018 verstrekte Skarga 115.000 euro aan KKI, in 2019 137.000 euro. KKI meldt in 2019 meer dan 91.000 euro aan salarissen te hebben uitbetaald, vijf keer zoveel als in 2017. Een deel van dat geld ging naar twee Braziliaanse medewerkers van TFP: Renato William Murta de Vasconcelos, die werkt als ‘hr-adviseur’, en Jorge Vicente Saidl, die is aangenomen als ‘pr-adviseur’.
Uit de financiële rapportage van KKI blijkt dat Skarga nog steeds de belangrijkste inkomstenbron is, maar dat donaties van particulieren significant zijn gestegen. In 2017 waren de inkomsten van KKI uit particuliere donaties nog onbeduidend, maar in 2018 bedroegen die al meer dan 15.000 euro en in 2019 werd een voorlopig record genoteerd van 58.000 euro. ‘We werken eraan om het aantal te verhogen; momenteel hebben we 18.000 donateurs,’ zegt Karols Stankevičius, het hoofd van KKI.
KKI zegt in 2019 vijfduizend Fatima-rozenkransen te hebben ‘geschonken’ en achttienduizend ‘366 dagen met Maria’-kalenders te hebben verspreid. De organisatie drukte ook achttienduizend brochures met de titel ‘Waarom homoseksuele verbintenissen geen huwelijk zijn’, waarvan negenhonderd exemplaren aan niet nader genoemde Litouwse scholen werden uitgedeeld.
Estland
Net als hun Litouwse geloofsgenoten reisden Varro Vooglaid en Markus Järvi uit Estland in 2012 naar Krakau om een fondsenwervingstraining te volgen. Een paar maanden eerder hadden ze de Estse Stichting voor de Bescherming van Familie en Traditie (SAPTK) opgericht. Bij de training van de Skarga Stichting in Krakau leerden ze individuele donaties werven.
Als vrome katholieken begonnen Vooglaid, een advocaat, en Järvi, een in Rome opgeleide theoloog, in 2011 met SAPTK, uit verzet tegen de ratificatie van de wet op geregistreerd partnerschap in Estland, die het samenwonen van mensen met hetzelfde geslacht regelt.
Het idee om met SAPTK te beginnen werd hun aangedragen door aan TFP gelieerde personen, onder wie mogelijk Olejniczak uit Krakau. Olejniczak werd tijdelijk lid van de SAPTK-raad om de organisatie ‘beter te beschermen tegen binnenlandse aanvallen’.
In mei 2013 gaf Olejniczak als SAPTK-vertegenwoordiger commentaar op de eerste succesvolle campagne van de organisatie, toen er 38.000 handtekeningen werden verzameld tegen het wetsontwerp inzake het homohuwelijk. ‘De petitiecampagne was de grootste en succesvolste handtekeningenactie ooit tegen een voorgestelde wetswijziging’ in dit land met 580.000 huishoudens, aldus Olejniczak.
Twee keer per jaar betalen duizenden donateurs een klein bedrag, dat gezamenlijk resulteert in een jaarinkomen van 400.000 euro
De Skarga Stichting stuurde drie keer geld naar de Estse organisatie: 40.500 euro in 2012 om SAPTK op te richten, 105.779 euro in 2013 voor campagnes en publicaties, en 13.000 euro in 2016. SAPTK is er trots op een van de meest onafhankelijke organisaties in Estland te zijn, dankzij de donateurs.
De ontvangen donatiegelden zijn vergelijkbaar met die van de grootste politieke partijen in het land. Twee keer per jaar betalen duizenden donateurs een klein bedrag, dat gezamenlijk resulteert in een jaarinkomen van 400.000 euro. Volgens SAPTK zijn de meeste donoren ‘gewone mensen uit de arbeidersklasse, hoewel er ook enkele bedrijven en rijkere donateurs bij zijn’.
Sinds de oprichting heeft SAPTK gestreden tegen abortus, stripclubs, de acceptatie van buitenlandse homohuwelijken en verschillende huwelijkswetten. Het beheert de site objektiiv.ee, die een sterk traditionele agenda promoot en de Hongaarse en Poolse regering ondersteunt. De Estse organisatie is van plan om dit jaar uit te breiden met de aanschaf van een kantoor, een nieuwe mediastudio en de start van een conservatieve academie voor jonge mannen.
Maar als eerste wil SAPTK een Estse tak van Ordo Iuris oprichten voor lobby-activiteiten en het voeren van strategische rechtszaken. Dit in navolging van het succes van het Poolse Ordo Iuris, mede opgericht door de Skarga Stichting in Krakau, dat met zijn campagnes tegen abortusrechten het Poolse Constitutionele Hof dusdanig heeft weten te beïnvloeden dat abortussen in Polen nu nagenoeg onmogelijk zijn.
Het tijdschema voor de lancering van deze nieuwe tak in Estland is zorgvuldig gekozen: in het voorjaar van 2021 komt er een referendum over een wijziging van de Estse grondwet inzake het huwelijk. Conservatieve activisten pleiten ervoor de definitie van het huwelijk in de grondwet op te nemen als een band tussen een man en een vrouw. Ze zijn ervan overtuigd dat ze het succes van Ordo Iuris in Polen kunnen herhalen.
Slowakije, Kroatië, Hongarije
Gestimuleerd, gesteund en onderwezen door Skarga uit Krakau volgen organisaties als Slovakia Christiania uit Slowakije en Vigilare uit Kroatië dezelfde succesvolle routeals hun ultrarechtse katholieke broeders elders in Oost-Europa. Het model voor fondsenwerving werkt en de bidprentjes en kalenders belanden ook hier in menige brievenbus, zo blijkt uit het internationale onderzoek door Vsquare.
In Hongarije, waar de regering van premier Viktor Orbán zelf al het ultraconservatisme heeft omarmd, is er te veel concurrentie
Eigenlijk is Hongarije het enige land in de regio waar het niet echt wil vlotten. Skarga zette er in 2015 een Hongaarse tak van TFP op, die in 2016 een anti-abortusbijeenkomst organiseerde voor de Poolse ambassade in Boedapest. De militante extreemrechtse organisatie Betyársereg zag toe op de veiligheid. De Hongaarse TFP organiseerde ook een lezing (‘De crisis van de westerse beschaving en de katholieke oplossing’) waarbij José Antonio Ureta inging op het proefschrift van Alexandr Dugin, de ideoloog van Poetin en het Kremlin.
Geregistreerd op naam van de Skarga Stichting werd in 2020 de website Pannonia Christiana gelanceerd, die probeert donaties te werven. Maar in tegenstelling tot de andere leden van het wereldwijde netwerk is de Hongaarse organisatie er niet in geslaagd om aanzienlijke bedragen op te halen. Volgens waarnemers zijn er te veel directe concurrenten in Hongarije, waar de regering van premier Viktor Orbán en zijn partij Fidesz zelf al het ultraconservatisme hebben omarmd.
De breuk
Volgens financiële gegevens die Vsquare heeft geanalyseerd, hebben organisaties die banden hebben met de Skarga-groep in Krakau in 2019 meer dan 2 miljoen euro ingezameld in vier landen (Litouwen, Estland, Kroatië en Slowakije). Daarnaast haalde de Skarga Vereniging zelf ruim 6,3 miljoen euro op aan donaties in Polen.
‘De Poolse TFP-organisaties lijken de leiding te hebben genomen binnen de beweging, aangezien ze de franchise hebben uitgebreid naar Kroatië, Estland, Nederland, Slowakije en Zwitserland. Deze nieuwe TFP-organisaties zijn belangrijke actoren geworden, en soms leiders, in allerlei anti-gendercampagnes in Europa’, aldus Neil Datta in het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ dat vorig jaar verscheen.
Desondanks werden Olejniczak en de rest van het bestuur van de Skarga Stichting mei vorig jaar dus ontslagen door Xavier Caio da Silveira en Matthias von Gersdorff. Het bestuur werd vervangen door trouwe TFP-militanten, zoals Fernando Antunez, lid van de Braziliaanse TFP en als activist verbonden aan het Plinio Corrêa de Oliveira-instituut in São Paulo.
Inmiddels hebben Olejniczak en zijn Krakau-groep zich afgesplitst van het wereldwijde TFP-netwerk. De Krakau-groep heeft Poolse activa, inclusief eigendommen en de database met donorgegevens, overgeheveld van de Skarga Stichting naar de Skarga Vereniging, die nog steeds onder controle staat van het oude bestuur, de groep rond Olejniczak dus.
Afroming
Sindsdien heeft de Vereniging ook de ondersteuning van het Europese netwerk overgenomen. In die hoedanigheid stuurde ze in 2019 296.425 euro aan steun naar satellietorganisaties, waaronder KKI in Litouwen en Vigilare in Kroatië. Volgens documenten die door Siena.lt zijn geanalyseerd, blijkt het conflict tussen de Brazilianen van TFP en hun voormalige kameraden in Polen inderdaad uit de veranderde eigendomssituatie van KKI in Litouwen.
‘We werden hiertoe aangespoord door de wens om de contrarevolutionaire missie in Polen en Oost-Europa te redden van buitensporige en potentieel gevaarlijke financiële afroming door Caio da Silvera en Fernando Antunez’, schrijft Olejniczak in een e-mail aan TFP-leden, die in bezit is van Vsquare. Als verantwoordelijke voor het nu autonome post-TFP-netwerk sluit hij zijn mail af met de katholieke tekst ‘In Jesu et Maria’.
Op een katholiek meisjesinternaat in Mexico raken in 2017 opeens honderden leerlingen besmet met een mysterieuze ziekte. Een spookverhaal met een verrassende ontknoping.
De leerlingen droegen het meisje de klas in. Ze was twaalf jaar oud, erg mager en haar onderlichaam was stijf, alsof ze verlamd was. Het klaslokaal was beige, met een kruis aan de muur en een hoop lege bureaus. De leerlingen tilden het meisje naar een stoel, lieten haar erop zakken en trokken zich terug. Een groep nonnen wachtte buiten. Ze bleef alleen achter met de psychiater.
Het was maart 2007 en bijna iedereen in Girlstown, een katholiek internaat in het Mexicaanse stad Chalco was in paniek. Enkele maanden daarvoor waren een paar leerlingen begonnen te klagen over een stekend gevoel in hun benen. Sommigen hadden aanvallen van misselijkheid en koorts. Anderen hadden het over zelfmoord. Er werden inspecteurs gestuurd en epidemiologen die de omgeving onderzochten: het voedsel, het water, de bodem. Maar de resultaten lieten niets ongewoons zien. Daarna testten ze de meisjes zelf – op brucellose, leptospirose en rickettsiose. Toch vonden ze niets. Het was net alsof de school was vervloekt.
De pijn werd erger. De uitbraak breidde zich uit tot honderden gevallen. De federale overheid stuurde een psychiater, dr. Nashyiela Loa Zavala, om de zaak te onderzoeken.
In een rapport over de uitbraak noemt Loa Zavala, 32, het twaalfjarige meisje bij een pseudoniem, Zitlali, om haar identiteit te beschermen. De psychiater vroeg het meisje allereerst om haar toestand te beschrijven.
‘Ik heb geen kracht in mijn knieën en mijn rug doet pijn,’ zei Zitlali met een zwakke stem tegen Loa Zavala. ‘Ik ben gevallen omdat mijn klasgenoten me niet konden dragen.’
Maar haar verhaal werd grimmiger. Zitlali vertelde dat ze donkere schaduwen zag en verontrustende geluiden hoorde. Zelfs bidden hielp haar niet om te kalmeren. Ze vertelde Loa Zavala dat ze zich verdrietig had gevoeld en niet goed had geslapen. Ze was bang dat ze de andere meisjes tot last zou zijn. Ze was bang dat ze verlamd zou raken.
De plek was bedoeld als een toevluchtsoord, waar meisjes dichter bij God konden komen en aan de armoede konden ontsnappen
Toen Loa Zavala naar haar opvoeding vroeg, zei Zitlali dat ze altijd al naar een kostschool had willen gaan omdat haar moeder overdag werkte en ze altijd alleen was. Ze had haar alcoholische vader niet meer gezien sinds haar ouders uit elkaar gingen, op haar tweede. Haar eerste stiefvader sloeg haar, en de politie kwam regelmatig naar het huis om in te grijpen in ruzies tussen hem en haar moeder, herinnerde Zitlali zich. Loa Zavala luisterde aandachtig en maakte aantekeningen.
Zitlali’s tweede stiefvader was erger. ‘Hij heeft slechte gedachten, zijn geest is erg naar, ik moet altijd dicht bij hem zijn, hij zegt dat ik bij hem moet blijven’, zei Zitlali. Ze voegde eraan toe dat hij het leuk vond als ze een rok droeg en dat hij soms met een camera ‘te dichtbij kwam van achteren’. En hoe graag ze er aanvankelijk ook naar uitkeek om van huis weg te gaan, ze zei dat ze bang was dat haar stiefvader zonder haar in de buurt ‘iets zou doen met [haar] kleine zusje’.
Zusters van Maria
De scheiding van haar broers en zussen was niet het enige wat haar in Girlstown van streek maakte. Ze was niet voorbereid op de strikte regels van de Zusters van Maria, een orde van nonnen met een hoofdkantoor in Zuid-Korea. Hun doel was om ‘sociaal verwaarloosde meisjes van arme families en families die afgelegen wonen, overal in Mexico waar het licht van de beschaving niet schijnt, op te leiden, met als doel hen tot waardige leden van de samenleving te maken.’ Om leerlingen te lokken, boden de zusters vier jaar gratis onderwijs, huisvesting en maaltijden aan. De plek was bedoeld als een toevluchtsoord, waar meisjes dichter bij God konden komen en aan de armoede konden ontsnappen.
En toen vertelde ze Loa Zavala wie de spoken van Girlstown volgens haar waren. ‘Ik zie baby’s die hun navelstreng nog hebben, zoals foetussen,’ zei Zitlali. ‘Soms zijn ze erg lelijk en bloederig en hebben ze rode ogen en een gerimpeld gezicht.’
Ze zei dat ze doodsbang was voor de baby’s, maar dat ze soms ineens in engeltjes veranderden. ‘De laatste keer dat ik er een zag, was het een baby zonder gezicht,’ zei ze. ‘Die bevond zich naast de Heer.’
‘Wanneer in de omgeving intense momenten van kwetsbaarheid (…) voorkomen, profiteren kwaadaardige geesten van die situatie’
Loa Zavala is erin getraind kalm te blijven. Ze wist dat ze dit aankon. Toen vertelde Zitlali haar iets dat als een waarschuwing klonk: ‘We moeten voorzichtig zijn met onze ogen, want onze ogen kunnen ons naar de hel leiden.’
Loa Zavala publiceerde in 2010 een paper over haar onderzoek in Girlstown. Zo’n vijftien jaar na de uitbraak die alle betrokkenen de stuipen op het lijf joeg, werd dit verhaal bevestigd door interviews uit de eerste hand met deelnemers. De Zusters van Maria reageerden niet op verzoeken van verslaggevers om het tehuis te mogen bezoeken, maar de toenmalige moeder-overste, zuster Margie Cheong, en Loa Zavala spraken openlijk over de gebeurtenissen in Girlstown.
‘Wanneer in de omgeving intense momenten van kwetsbaarheid (…) voorkomen, profiteren kwaadaardige geesten uit de denkbeeldige wereld van die situatie en worden ze gevaarlijk’, schreef dr. Nashyiela Loa Zavala in het International Journal of Psychoanalysis. ‘Ik zal nu situaties beschrijven die deze breuk met de werkelijkheid veroorzaken, waardoor de boze geesten worden toegelaten.’
Jovita Sánchez Velasco
Jovita Sánchez Velasco deed al wekenlang haar best om besmetting op de campus tegen te gaan. Ze probeerde kalm te blijven en te bidden, zoals de nonnen de leerlingen hadden opgedragen. Maar in januari 2007 werd de zachtaardige vijftienjarige ziek, net als vele anderen op haar slaapzaal. Haar onderlichaam deed pijn.
‘Het begon als een steek. Mijn benen deden pijn, alsof ze krijsten’, herinnert ze zich. ‘En ineens kon ik niet meer opstaan. Als ik het probeerde, zakte ik door mijn benen.’
Tuxtepec, Mexico
Jovita groeide op in Tuxtepec, een kleine stad die in een inham ligt van de Río Papaloapan in de staat Oaxaca. Ze was de jongste van vier kinderen. Toen ze acht was, vertrok haar vader naar de Verenigde Staten en liet het gezin achter. Haar moeder was wasvrouw, maar kon de huur niet betalen, dus ging Jovita werken als schoonmaker en babysitter. Ze hield van school, maar Jovita dacht dat ze net als veel andere kinderen – en vooral meisjes die in Mexico in armoede zijn geboren – zou moeten stoppen. Anders zou het gezin niet kunnen overleven. Toen kwamen de nonnen van de Villa de las Niñas, zoals Girlstown in Mexico bekend staat, naar de stad.
Ze zeiden dat ze op zoek waren naar leerlingen voor een meisjesschool aan de rand van Mexico-Stad. Voor Jovita klonk het geweldig: gratis onderwijs, gratis huisvesting, gratis maaltijden. En het beste van alles was dat ze op deze manier een leven voor zichzelf kon opbouwen, buiten het steenarme Tuxtepec. De nonnen zeiden dat ze enkel de meest toegewijde leerlingen wilden. Jovita slaagde voor een wiskunde- en schrijfexamen en werd opgeroepen voor een gesprek op haar basisschool. De nonnen vroegen naar haar ouders, in wat voor huis ze woonde en hoeveel broers en zussen ze had. Ze wilden ook weten of ze haar lichaam onthaarde, haar haar had geverfd of tatoeages had. Ze was pas twaalf, dus die dingen waren niet eens bij haar opgekomen. In het najaar van 2003 boden de nonnen haar een plek aan in de bus naar Villa de las Niñas.
De nonnen legden uit dat de kinderen niets konden meenemen: geen extra kleding, geen mobiele telefoons, geen sieraden, zelfs geen foto van hun moeder
De nonnen legden uit dat de kinderen niets konden meenemen: geen extra kleding, geen mobiele telefoons, geen sieraden, zelfs geen foto van hun moeder. Alleen de kleren die ze droegen en verder niets. Ze moesten ook hun haar laten knippen voordat ze in de bus naar Girlstown stapten – tot twee vingers onder het oor. Meerdere leden van één gezin waren niet toegestaan. De school bood alleen leerlingen vervoer aan en alleen in één richting; ouders zouden zelf moeten betalen als ze mee wilden. Aangezien de meeste ouders de 300 peso’s voor de reis niet konden opbrengen, namen ze afscheid bij de vertrekkende bussen.
De strenge regels hadden een doel: de nonnen geloofden dat ze, door discipline en gebed, jonge meisjes konden helpen die anders aan armoede waren overgeleverd in een land waar de helft van de bevolking arm is. Sommigen zouden non worden, de meesten zouden niet verder komen dan een middelbareschooldiploma. Leerlingen als Velasco namen alle regels in Girlstown voor lief in ruil voor iets dat ze nauwelijks kenden: hoop.
Jovita was zenuwachtig en huilde toen ze afscheid nam van haar familie. Maria, een ander meisje van haar school, was ook geselecteerd, dus Jovita zat tijdens de vijf uur durende bochtige rit naar Mexico-Stad in ieder geval naast een bekend gezicht. In de bus spraken de twee nauwelijks. Net als Jovita was Maria twaalf en zonder vader opgegroeid. Klasgenoten omschreven haar later als ‘zachtmoedig’ en ‘onschuldig’ – hoewel tegen de tijd dat ze Girlstown verliet er heel andere termen voor haar werden gebruikt.
Ze reisden in een konvooi van drie bussen die waren gecharterd om meisjes uit de hele regio op te halen. Na een rit over de kronkelende pas tussen de twee vulkanen Popocatépetl en Iztaccíhuatl en naar beneden door het dichter bewoonde deel van de Vallei van Mexico, rolde het konvooi de gemeente Chalco binnen. Chalco, dat bezaaid is met schroothopen en groepjes betonnen huizen die Mexicaanse migranten zelf hebben gebouwd, werd beschouwd als het allerarmste gebied van Mexico-Stad en omstreken. In het noorden en oosten van de vallei, waar Chalco ligt, verzamelt zich veel smog en door de open rioolkanalen stinkt het er het grootste deel van het jaar. In het midden bevindt zich Villa de las Niñas.
Het schoolterrein was gebouwd op 80 hectare goed onderhouden tuinen, en straalde een soort verdorde perfectie uit. Er waren uitgestrekte, bruinige grasvelden met paden die naar rotondes leidden en naar standbeelden van het kindje Jezus en de Maagd Maria. Veel van de paden waren omzoomd met hoge heggen waar vreemde vormen in waren gesnoeid, alsof de tuinman aan hallucinaties leed. De school werd beveiligd door een bewaker, een beveiligingstoren en een 6 meter hoge omheining met prikkeldraad.
Welkom in Girlstown
Toen ze door de met spijlenpoorten van Villa de las Niñas reden, was Jovita nog in de veronderstelling dat ze als ze van boord gingen in de buurt van Maria zou kunnen blijven. Maar nadat ze uit de bus waren gestapt, werden ze van elkaar gescheiden. De nonnen zeiden dat ze in twee rechte lijnen moesten gaan staan voor een grote gymzaal, waar ze vervolgens naar binnen werden geleid. De zaal stond vol scheidingswanden. Jovita werd achter een ervan geplaatst en kreeg de opdracht zich tot aan haar ondergoed uit te kleden en haar kleren op de grond te laten liggen. Een non gaf haar een wit overhemd met knopen, een lange blauwe rok en tennisschoenen. De nieuwe rok vond ze ‘echt lelijk’. Hij was ook te lang – de zoom sleepte over de vloer.
De bussen zaten ook vol met meisjes die terugkeerden van een bezoek aan familie. De nonnen liepen door de gymzaal tussen hen door. Ze trokken overhemden omhoog, keken in schoenen en bladerden door boeken om te zien of er geen tekenen van de buitenwereld waren. Sommige meisjes logen als de nonnen hun ondergoed wilden controleren dat ze ongesteld waren, in een poging foto’s van huis naar binnen te smokkelen. Maar de nonnen lieten zich niet afschrikken. Jovita hoorde hoe een paar leerlingen begonnen te snikken toen de nonnen foto’s van de ouders en broers en zussen van meisjes in beslag namen. De nonnen controleerden ook ijverig oksels, gezichten en bikinilijnen op tekenen van harsen. Meisjes die zich hadden onthaard, werden ter plekke geschorst en weer in de bus gezet.
Eén non kwam naar Jovita toe en bekeek haar aandachtig. ‘Heb je iets meegebracht?’ vroeg de non. Jovita zei nee. ‘Want als je iets bezit dat de andere meisjes niet hebben, zullen de andere meisjes gaan stelen,’ waarschuwde de non. Even later controleerden ze of haar naam op de lijst stond en vroegen ze of ze haar onderarm mochten zien. Een van de nonnen haalde een pen tevoorschijn en schreef op haar huid:
Fase Drie, familie St. Bernadette, zesde verdieping
Jovita sloot aan bij een lange rij meisjes die naar een gebouw van zes verdiepingen liepen dat bekendstond als Fase Drie. De meisjes marcheerden de trappen op en betraden een kamer met rijen stapelbedden. Dit was vanaf nu haar aangewezen ‘familie’. De bedden hadden drie verdiepingen en liepen door tot vlak onder het plafond. Jovita liep naar het midden van de kamer en koos een benedenbed.
Dit was haar eerste nacht in Girlstown, en voor het eerst in haar leven was Jovita alleen, omringd door volslagen vreemden. Ze verwonderde zich over de stilte. Het leek erop dat niemand een geluid maakte waarvoor geen toestemming was gegeven. Om 21.00 uur gingen de lichten uit.
Problemen
Al snel werd duidelijk dat de school met problemen kampte.
Er waren zo veel regels, bijna te veel, merkte Loa Zavala op. De meisjes mochten geen televisie kijken, tijdschriften lezen of naar de radio luisteren. Ze droegen allemaal hetzelfde uniform, kregen hetzelfde kapsel en aten hetzelfde voedsel. Nog verontrustender vond Loa Zavala dat de meisjes elk jaar op dezelfde dag in augustus hun verjaardag moesten vieren, namelijk op de oprichtingsdag van de school. Het was alsof de school vanaf het moment dat de meisjes aankwamen alle banden met de buitenwereld wilde verbreken.
Ze leefden heel afgezonderd. De meisjes mochten in de zomer maar twee weken naar huis en met kerst ook twee weken. Bellen naar familieleden was niet toegestaan. Leerlingen mochten brieven ontvangen maar niet schrijven, en alle binnenkomende post werd gescreend. Emotionele verbindingen van welke aard ook tussen leerlingen en personeel werden ontmoedigd, evenals het meeste fysieke contact, merkte Loa Zavala op.
Als een meisje te gehecht raakte aan een bepaalde zuster, of omgekeerd, werden de betrokken herverdeeld over aparte verdiepingen of torens. Bij een gebrek aan emotionele interactie met volwassenen, zochten de leerlingen soms troost bij elkaar. Een student vertelde Loa Zavala dat sommige meisjes graag naar hun klasgenoten keken terwijl ze baadden. Maar de nonnen zorgden er ook voor dat de meisjes nooit ‘te dichtbij’ elkaar kwamen. Bij het minste vleugje genegenheid tussen twee leerlingen, werden ze gescheiden.
Vader Schwartz
In hallen rond de campus hingen foto’s van de oprichter van de school, Aloysius Schwartz, een Amerikaanse priester met een buitengewoon brede glimlach, die in 1957 naar Zuid-Korea was vertrokken. Hij zette er een weeshuis op en opende uiteindelijk in 1985 de eerste Boystown en Girlstown in de Filippijnen. Zijn doel was om kinderen uit zeer arme gezinnen een betere toekomst te bieden, en hij ging een nauwe samenwerking aan met een orde van Koreaanse nonnen die bekend staat als de Zusters van Maria. Samen bouwden ze aan een netwerk van scholen waar momenteel op vijftien locaties over de hele wereld meer dan 20.000 leerlingen worden onderwijzen.
Toen Schwartz in 1990 in Chalco begon te bouwen, had hij al de degeneratieve ziekte ALS en zat hij in een rolstoel. Ondanks zijn conditie was hij vastbesloten een school in Mexico te bouwen en hij schreef een boek over zijn inspanningen, genaamd Killing Me Softly.
Hij wilde de armen helpen, maar zijn gezondheid ging achteruit en het was onwaarschijnlijk dat hij de opening van de campus nog zou meemaken. Toen hij de laatste keer beschreef dat hij uit Mexico vertrok, bespiegelde hij over zijn beslissing de school op te zetten. ‘Ik had last van aanhoudende twijfel en knagende ongerustheid dat ik een fout maakte, misschien wel de grootste fout in mijn leven.’ Hij noemde de school zijn ‘onvoltooide symfonie’.
Aanwijzing
Tijdens haar gesprekken met de meisjes stuitte Loa Zavala op een belangrijke aanwijzing, een gebeurtenis die aan de uitbraak voorafging. Tijdens een excursie naar de Universidad de Anáhuac ongeveer een jaar eerder, een katholieke elite-universiteit in Centraal-Mexico, vond een van de leerlingen een tijdschrift met een handleiding voor het maken van een ouijabord.
In het tijdschrift werd het de tabla genoemd, en het was gemakkelijk te maken: een bord waarop meestal de woorden JA en NEE aan beide uiteinden stonden, samen met een reeks cijfers en de letters van het alfabet, in twee rijen onder elkaar. Kinderen zoeken een rond stuk glas, plaatsen hun handen op de randen van het glas en laten het uit zichzelf ‘bewegen’. De tabla zou vragen beantwoorden en geesten oproepen om een gesprek mee aan te gaan. Een van de Girlstown-leerlingen – Maria, Jovita’s voormalige buurmeisje uit Tuxtepec – besloot er een te maken.
Maria en haar klasgenoten begonnen ’s avonds laat ouija te spelen, op het dakterras van hun slaapzaal, nadat de avondlichten waren gedoofd. De meisjes slopen door een raam in de kapel op de zesde verdieping om te voorkomen dat de Zusters op de vloer wakker werden. Achteraf gezien vond Jovita het logisch dat Maria haar klasgenoten via ouija liet kennismaken met de occulte wereld. Maria was een natuurlijke leider, zei Jovita, die haar omschreef als mooi, met opvallende trekken. En leerlingen meldden dat Maria’s moeder ‘in haar geboorteplaats bekend stond als aanhanger van Santa Muerte [‘heilige dood’, een volksheilige die aanbeden wordt in Mexico] die bovendien bevoegdheden had als heks’.
Volgens de verhalen zwierven geesten van meisjes uit het verleden die op school waren gestorven ’s nachts tussen de struiken door
Rond de tijd dat leerlingen met de ouija geesten begonnen op te roepen, begon Jovita beelden te zien en geluiden te horen die ze niet kon verklaren. Op een avond ging ze naar de badkamer, in de veronderstelling dat ze alleen was, maar hoorde ze ineens beweging en werd er vlakbij doorgetrokken. Ze opende elk hokje om te bevestigen dat ze alleen was, maar hoorde toen de doortrek in het hokje waar ze was begonnen. Er was verder niemand. Doodsbang rende ze weg.
Met het wisselen van de stapelbedden weigerde Jovita in een bed te slapen dat bij een raam stond. Ze was bang voor wat ze te zien zou krijgen: volgens de verhalen die de andere meisjes haar vertelden zwierven geesten van meisjes uit het verleden die op school waren gestorven ’s nachts tussen de struiken door. De nonnen, die overwegend Zuid-Koreaans waren, waren zich nergens van bewust. Geen van de nonnen had ooit eerder een ouijabord gezien, herinnert zuster Cheong zich.
Terwijl in het voorjaar van 2006 de belangstelling voor het ouijabord steeds verder toenam, vond ook het jaarlijkse basketbaltoernooi Girlstown plaats. Het was een geliefde traditie onder de leerlingen geworden, deels omdat het een van de meest vrije evenementen was die op de school waren toegestaan, en een waarin alle meisjes met elkaar in contact kwamen. Verschillende verdiepingen en afdelingen streden met elkaar om het kampioenschap en een jaar lang de eer.
Gunst
Volgens interviews besloot Maria haar hernieuwde connectie met de geestenwereld in te zetten. Ze riep met de ouija de andere wereld op en vroeg om een gunst: dat het team van haar vriendin Liz het toernooi zou winnen. En ja hoor, het team van Liz werd kampioen.
Het gerucht over Maria’s ‘magie’ verspreidde zich door de school. Het was een ondenkbare schending van de regels. Zwarte magie was zonder meer verboden. Dit was dus een overtreding. Het team van Liz verbleef bovendien op een andere slaapzaal, wat betekende dat Maria had samengespannen tegen het team van haar eigen zaal. Haar acties brachten iets teweeg. Misschien kwam dat vooral door het buitengewone vertoon van individualiteit en persoonlijke kracht, waardoor de machtsstructuren van Girlstown onderuit werden gehaald.
Na het toernooi begonnen de deelnemers te klagen. ‘Het irriteerde veel adolescenten enorm’, merkte Loa Zavala op in haar rapport. ‘Ze waren zo boos dat ze erover klaagde tegen verschillende leidinghebbende Zusters, net zolang tot het verhaal de moeder-overste bereikte.’
Zuster Cheong was verbijsterd. ‘Wat is ouija?’ vroeg ze. Enkele van de Mexicaanse lekenleraren legden uit dat het bord te maken had met het Mexicaanse brujería – hekserij. Het is ‘een instrument van de duivel, in staat om de ziel van mensen te veranderen en ze slechte dingen te laten doen,’ zeiden ze. Zuster Cheong bracht onmiddellijk een verbod uit om ouija waar dan ook op het schoolterrein te gebruiken.
Verbanning
Zuster Cheong probeerde er ook achter te komen wie het spel in hun midden had gebracht. Een non ondervroeg Maria, die ontkende het te spelen, maar een zoektocht in haar stapelbed bracht al snel een ouija-tabla aan het licht. Dit was een overtreding waardoor ze van school kon worden gestuurd. Maria wilde per se blijven. De wereld buiten was erger. Ze wilde verder met studeren.
Zuster Cheong gaf haar vonnis: verbanning.
‘In het huis van God is dit soort spelen niet toegestaan,’ herinnert Cheong dat ze zei.
Er ging een enorme schok door Villa de las Niñas. Veel van de meisjes waren zowel bang als geïntrigeerd vanwege het feit dat Maria de regels negeerde en haar zwarte kunsten beoefende. Maria zelf was verbolgen. Waarom zou ze weg moeten als andere meisjes ook met het ouija-bord hadden gespeeld? Zuster Cheong hield voet bij stuk. De ontluikende heks zou worden verdreven en naar huis gestuurd zodra er regelingen konden worden getroffen. Maar het meisje weigerde te vertrekken zonder een blijvende indruk achter te laten.
Toen Maria uit haar zaal werd gehaald en in een kamer afgezonderd van haar klasgenoten werd opgesloten, gebeurde er iets vreemds. De officiële verklaring is dat er een ‘wind’ door de kamer woei, maar op dat moment was er niemand bij Maria om het verhaal te bevestigen. De wind sloeg een deur dicht en Maria’s vinger bevond zich op dat moment tussen de deur. Misschien was het een ongeluk. Misschien niet. Hoe dan ook, de deur zou een stuk van Maria’s vinger af hebben gesneden, waardoor het bloed in de trap en in de gang spoot toen Maria werd afgevoerd.
Jovita herinnert zich de huiveringwekkende nasleep uit eerste hand. ‘Er was overal bloed,’ zegt ze.
Op haar weg naar buiten kwam Maria een groep voormalige slaapzaalgenoten tegen. Volgens Jovita en een aantal andere meisjes was dit het moment waarop Maria haar vloek uitsprak. De exacte woorden weet niemand meer – Maria werd kort daarna weggeleid en pogingen om haar de afgelopen jaren te vinden zijn mislukt – maar over de boodschap die ze overbracht is iedereen het eens. Die verspreidde zich als een smet over de campus totdat bijna elk meisje een versie van de vloek had gehoord.
Ieder van jullie die mij beschuldigde of slecht over mij dacht, zal ziek worden. Jullie benen zullen ziek zijn. Jullie zullen niet kunnen lopen. Jullie zullen vervloekt worden.
Geestverschijningen
Na de uitbraak was het voor sommige leerlingen moeilijk om de realiteit te onderscheiden van nachtmerries, spoken en hallucinaties. Jovita herinnert zich een avond waarop veel van de zieke meisjes op één verdieping bijeen waren. Het verhaal ging rond dat een non die bekendstond als Moeder Citlali zich tussen de meisjes in hun bedden door bewoog en in stilte hun benen een voor een masseerde. Jovita zegt dat ze de moeder zag: ze droeg een sluier en sprak niet.
‘Omdat het donker was, zag ik alleen haar silhouet,’ herinnert Jovita zich. ‘En toen we zagen dat ze dichterbij kwam, zag ik dat het niet de moeder was, maar iets heel anders. Iets wits.’
De volgende dag besloten Velasco en de meisjes van haar kamer dat ze bezoek hadden gekregen van de Maagd Maria.
Verhalen over geesten en verschijningen van rusteloze zielen waren er in overvloed. ‘Aan een stuk door,’ herinnert Loa Zavala zich. ‘Ze hoorden kinderen huilen, baby’s huilen, zagen figuren in de duisternis.’ Soms zagen de leerlingen meisjes in de gangen ‘hangen’, volgens de verslagen die ze opgetekende.
In haar paper noteerde Loa Zavala een bijzonder levendig voorbeeld van een Girlstown-legende: ‘Toen het internaat werd opgericht was er een meisje van ongeveer 12 jaar oud dat stierf aan een ziekte waardoor ze uit de mond bloedde’, schreef ze, mogelijk verwijzend naar tuberculose. ‘Sindsdien [is] dit meisje op verschillende plaatsen [gezien] en nu de meisjes ziek in hun benen [zijn], is ze nog vaker verschenen, in het wit gekleed, rennend over de velden, of ze verschijnt plotseling op de trap, soms met bloed op haar gezicht.’
Al snel hadden de media van de mysterieuze uitbraak gehoord. Cameraploegen arriveerden in Chalco, de stad die de school omsingelde. Bezorgde ouders, wanhopig om hun dochters te redden, legden honderden kilometers af om ze van het internaat naar huis te brengen. Sommigen reisden vanaf afgelegen pueblos dagen per bus.
Beschuldigingen
De Zusters van Maria werden het belangrijkste aandachtspunt van de media en lokale berichten wezen op beschuldigingen van mishandeling binnen de muren van de school. Hoewel de moeder-overste de beschuldigingen in openbare verklaringen ontkende, raakte ze heimelijk in paniek. ‘Ik dacht dat er een virus was, een ziekte tussen in ons midden, in onze omgeving,’ zegt zuster Cheong nu. ‘Ik kon de meisjes niet naar hun huizen sturen zonder te weten wat er aan de hand was, want misschien zouden ze de ziekte meenemen naar hun dorp.’
Al die tijd sprak Loa Zavala met de getroffen leerlingen, en vulde notitieboekjes en geluidsbanden. Slechts drie jaar na het afronden van haar opleiding behandelde Loa Zavala alle soorten gevallen, maar ze begon zich al langzaam te specialiseren. Het grootste deel van haar uren bracht ze door met adolescenten met psychosomatische aandoeningen. Sommige kinderen vertoonden meerdere persoonlijkheden. Anderen hadden te maken met dissociatie. Een jong meisje dat ze onderzocht, kreeg last van hysterische stuiptrekkingen. Maar de zaak Girlstown was van een schaal die ze nooit eerder had gezien. En ze kreeg een steeds sterker vermoeden wat er aan de hand was.
Hysterie
Conversiestoornis, of hysterie, blijft een van de grote mysteries van de geneeskunde.
Een klinisch begrip ervan ontstond aan het einde van de negentiende eeuw onder leiding van Sigmund Freud, die het idee aanmoedigde dat psychologisch trauma bij bepaalde patiënten kan worden ‘omgezet’ in fysieke symptomen – ingebeeld door de hersenen, doorgegeven aan het lichaam en te genezen met intensieve therapie gericht op het naar boven halen van onderdrukte herinneringen en trauma’s. Hysterie, erkennen zelfs sceptici, wordt geactiveerd n die onkenbare fysiologische brug tussen de hersenen en de ‘geest’. Het is echt, maar ook niet, en een eeuw later nog steeds enigszins omstreden.
Niettemin voert een lange en beruchte lijst van geregistreerde gevallen van hysterie terug tot aan de late middeleeuwen. Een van de bekendste is de danspest van 1518, toen een vrouw genaamd Frau Troffea koortsachtig begon te dansen in de straten van de Franse stad Straatsburg, zonder duidelijke reden. In de dagen en weken die volgden werd ze beetje bij beetje vergezeld door honderden andere mensen, waarvan velen dansten tot ze stierven.
Dit is de meest essentiële en angstaanjagende dreiging van hysterie: iedereen is er vatbaar voor
In een massahysterie-incident in 1962 in wat nu Tanzania is, op een meisjesschool van Duitse missionarissen, stond niet dansen maar lachen centraal. De Tanganyika-lachepidemie begon in een klaslokaal toen een leerling een grap maakte, waarna het lachsalvo dat ontstond zich steeds verder begon te verspreiden, totdat de school werd gesloten en duizenden mensen op onverklaarbare wijze dagenlang achtereen bleven lachen.
Dichter bij huis en korter geleden, deed zich een incident voor op een militaire basis in San Diego. In 1988 leden tientallen mannen gedurende een periode van twaalf uur van het ene op het andere moment aan acute ademhalingssymptomen, waaronder hoesten, pijn op de borst en duizeligheid. Honderden rekruten werden uit een kazerne geëvacueerd, onderzocht en getest. Een paar werden in het ziekenhuis opgenomen. De lucht en het voedsel werden getest op gifstoffen, maar er werd nooit een medische oorzaak vastgesteld en de symptomen van de groep gingen weer over.
Voor Loa Zavala was het onderwerp eindeloos fascinerend, en de zaak in Girlstown was van enorme waarde voor haar professionele onderzoek. ‘Er is een tak in de geneeskunde die niet langer gelooft dat hysterie bestaat’, zegt Loa Zavala. ‘En dan komt er zo’n zaak voorbij en denk ik: “Natuurlijk bestaat het! We zien hier een bewijs van honderden gevallen!”’
Loa Zavala verklaarde later dat ze een bepaalde verwantschap voelde met haar nieuwe patiënten. Ze leek op de leerlingen in Girlstown: ze had zwart haar dat tot op haar schouders viel en een amandelkleurige huid – het soort teint dat gewoonlijk ‘mestiza’ wordt genoemd. Ze zei dat ze zich geroepen voelde om de meisjes terug te brengen in de realiteit. Het was een lastige missie. Tijdens haar interviews kwam ze erachter dat Villa de las Niñas eigenlijk een ontsnappingsoord was voor ergere gruwelen buiten de muren. De verschrikkingen hadden de meisjes in een of andere vorm tot in hun nieuwe verblijf achtervolgd.
Psychologische triggers
Loa Zavala’s methode was om manifestaties van fysieke symptomen terug te voeren op wat vermoedelijk psychologische triggers waren, vaak onderwerp die voor de patiënt moeilijk en beangstigend waren om op te graven. Maar geleidelijk, door urenlang met Loa Zavala te hebben gezeten, begonnen de meisjes beter te worden. Bij Zitlali, een van de eerste meisjes die Loa Zavala interviewde – het meisje dat zich herinnerde dat ze bloedige baby’s had gezien – begonnen de symptomen te verdwijnen toen de psychoanalist met haar werkte. ‘Wat haar hielp, was praten: over haar dromen, hoe bang die haar maakten, over haar stiefvader’, herinnert Loa Zavala zich. ‘Ik merkte dat het wat beter ging als ze over deze dingen sprak. De volgende dag liep ze weer normaal.’
Hysterie, legt Loa Zavala uit, is een audiovisuele besmetting. Pas als je iemand met de symptomen ziet en hoort kun je die gaan repliceren. Als je ze vaak genoeg ziet, nemen ze je over. Dit is de meest essentiële en angstaanjagende dreiging van hysterie: iedereen is er vatbaar voor.
Loa Zavala begon een aantal overeenkomsten tussen de meisjes te zien met wie ze dag na dag in een kaal klaslokaal doorbracht. Velen kwamen uit disfunctionele gezinnen en werden misbruikt. Een zestienjarig meisje, die ze identificeerde als Soledad, beschreef hoe haar moeder haar sloeg als ze boos was, ‘met een elektriciteitssnoer of met haar schoen, maar één keer ging ze door tot ik bloedde.’
‘Niemand houdt van hoe ik ben,’ zei Soledad in het lokaal tegen Loa Zavala. ‘Ik weet dat er iets slecht aan mij is, maar ik zou liever hebben dat het niet zo was.’
Traditionele Chinese therapie
Wat zuster Cheong betrof was het Kwaad in hoogsteigen persoon haar school binnengevallen. Een van haar eerste reacties was dan ook om een priester een exorcisme te laten uitvoeren. Het leek niet te werken. De nonnen probeerden ook een traditionele Chinese therapie, waarbij ze plantenpoeder op de benen van de meisjes strooiden en het vervolgens in brand staken. Ook dat genas hen niet.
Maar onder de hoede van Loa Zavala ging het uiteindelijk beter met Soledad. Soledad wilde het lokaal niet verlaten, merkte Loa Zavala op in haar rapport. ‘Het was moeilijk voor haar om afscheid van me te nemen’, schreef ze. ‘Ze probeerde langer bij me te blijven.’
’s Nachts, bij haar thuis in het centrum van Mexico-Stad, kreeg ook Loa Zavala nachtmerries. Misschien kwam het door het alle beschrijvingen van de meisjes over echtscheiding en verbroken relaties. Ze dacht eraan hoe de meisjes in Maria’s slaapzaal vertelden dat ze Maria in hun dromen zagen en schreeuwend wakker werden. ‘Maria brandde, werd omringd door vlammen en vertelde ons lachend dat we de volgende zouden zijn, dat het onze schuld was omdat we haar beschuldigden’, citeert Loa Zavala een meisje in haar verslag.
Gedurende de dag, toen Loa Zavala in het lokaal zat te praten met de doodsbange meisjes, gebeurde er iets vreemds. Loa Zavala begon symptomen in haar benen te voelen, hoewel ze het gevoel probeerde af te zwakken. Ze beschreef ook het gevoel dat de nonnen – zonder dat ze ze kon zien – meeluisterden tijdens haar sessies met de Girlstown-leerlingen. Ze zei dat anderen in het medische team dat gevoel ook hadden, maar dat ze geen bewijs hadden voor hun vermoeden. Als Loa Zavala het hele gebeuren nu beschrijft, spreidt ze haar armen en knikt naar haar rechterhand. ‘Dit is gezondheid’, zegt ze en knikt dan naar haar linkerhand. ‘Dit hier is ziekte.’
Dan doet ze haar handen tegen elkaar. ‘Na een tijdje is de grens niet altijd meer even duidelijk.’
Laatste redmiddel
Tussen oktober 2006 en juni 2007 werden meer dan 500 leerlingen, een leraar en enkele religieuze moeders besmet. Naar schatting werden 300 meisjes naar huis gestuurd.
Op het hoogtepunt van de uitbraak, in maart 2007, probeerden de Zusters van Maria Maria’s familie te bereiken. Als laatste redmiddel wilde zuster Cheong proberen of de vermeende hekserij kon worden teruggedraaid.
Maar na haar uitzetting waren Maria en haar gezin van Tuxtepec naar Veracruz verhuisd. Ze lieten geen informatie achter. In de derde wereld, waar het grootste gedeelte van Mexcio toe behoort, is het gebruikelijk dat mensen elkaar gewoon uit het oog verliezen. Miljoenen mensen wandelen de woestijn in om naar de Verenigde Staten te emigreren. Mensen migreren ook intern, van staat naar staat, op zoek naar werk. Na meer dan een decennium van intens drugsoorlogsgeweld worden tienduizenden mensen in Mexico officieel vermist, hoewel dit aantal volgens mensenrechtenwerkers veel hoger ligt.
‘We hebben echt ons best gedaan haar te vinden’, zegt Loa Zavala. ‘Ik hechtte daar persoonlijk groot belang aan.’ Ondanks al deze inspanningen is Maria nooit gelokaliseerd. Ze was verdwenen.
‘Hun lichamen moesten iets overbrengen (…) Via deze symptomen probeerden de meisjes iets te zeggen, verandering teweeg te brengen.’
‘Een kind dat zich in een gezonde omgeving bevindt zou niet tot die uitersten hoeven gaan om uit te drukken wat het voelt,’ zegt Loa Zavala nu. ‘Hun lichamen moesten iets overbrengen (…) Via deze symptomen probeerden de meisjes iets te zeggen, verandering teweeg te brengen.’
Hoewel Girlstown open blijft, heeft de crisis de carrière van zuster Cheong aangetast. In november 2007, nadat de symptomen onder de leerlingenpopulatie grotendeels waren verdwenen, werd de moeder-overste teruggeplaatst naar Zuid-Korea. Zuster Cheong zegt vanuit de stad Busan dat de kritiek die op de school werd geuit, op zijn minst gedeeltelijk geworteld was in culturele stereotypen over de strengheid van de regels in Oost-Aziatische samenlevingen. ‘Koreanen zijn strikt,’ zegt ze lachend. ‘En we hebben een hard brein, en daarom lijden onze meisjes. (…) Dat vond ik wel vernederend.’ (Verzoeken om commentaar van World Villages, de organisatie die de school runt, werden afgewezen.)
Tot op de dag van vandaag gelooft ze dat de hysterie die de Girlstown-leerlingen trof, een test van God was. Ze zegt dat ze het geloof nooit heeft verloren. ‘Ik weet dat ik echt mijn best heb gedaan,’ zegt Cheong. ‘Ik hou van Mexico, ik hou van onze meisjes.’
Gemengde gevoelens
Na de uitbraak spaarde de moeder van Jovita wat geld om haar dochter op te halen in Chalco. Toen de bewakers van Girlstown de moeder van Jovita door de poorten lieten, omhelsde Jovita haar en zei dat ze Girlstown niet wilde verlaten, hoe erg de symptomen ook zouden worden. Ze hield van het buitenleven, van de liedjes. Maar er was daar iets vreemds aan de hand, en wat haar moeder betrof konden ze geen verdere risico’s nemen.
Jovita zegt dat ze haar tijd in Girlstown altijd met gemengde gevoelens zal herinneren. De uitbraak was beangstigend en de belofte dat Girlstown haar pupillen uit de armoede zou halen, ging voor haar niet op. Ze leidt een bescheiden bestaan in haar geboorteplaats en is niet erg religieus meer. Maar de school had iets bijzonders, legt ze uit. De moeder-overste inspireerde haar en Jovita verloor nooit haar hoop.
Toch keerde ze nooit meer terug naar Girlstown.
Joshua Davis en Allison Keeley hebben bijgedragen aan dit verhaal.
Daniel Hernández is een cultuurverslaggever bij de Los Angeles Times. Hij werkte eerder als redacteur van Vice Mexico en als Styles-verslaggever voor The New York Times. Hij is de auteur van Down & Delirious in Mexico City.
Vroeger hadden de Ieren een harde grens met Engeland toegejuicht. Maar nu de Brexit nadert vinden ze het jammer, schrijft de Ierse columnist Fintan O’Toole. ‘De tijd dat Iers-zijn het tegenovergestelde was van Engels-zijn is voorbij.’
Die zomer hing in Londen een soort hitte die ik in Ierland nog nooit had gevoeld, zo drukkend en benauwd als je alleen in heel grote steden meemaakt. Het was 1969, ik was elf en dit was mijn eerste dag in Engeland. Samen met mijn vader en mijn broer was ik met de boot van Dublin naar Liverpool gekomen. Met de bus waren we door de Midlands gereden, een intens onbekend landschap van autowegen, benzinestations en reusachtige energiecentrales. Mijn vaders neef Vincent had ons opgewacht bij het busstation en een volgende bus bracht ons naar East End, waar we logeerden bij mijn moeders zus Brigid. Brigid was een non, dus eigenlijk logeerden we in een katholiek klooster.
Vanwege de hitte en het vooruitzicht van drie dagen achter de kloostermuren besloot mijn vader dat hij wel een biertje kon gebruiken. Dus mijn vader en Vincent lieten mijn broer en mij met een flesje Fanta achter op een laag muurtje en verdwenen zelf de kroeg in. Ik weet nog dat ik op dat muurtje hard op mijn rietje zat te zuigen om de paniek te onderdrukken. We waren alleen in Engeland, van iedereen verlaten, op een wezensvreemde plek. ‘Engeland’ was een angstaanjagend begrip voor me.
Uit de geschiedenislessen op school wist ik dat de Engelsen alleen maar slechte dingen tegen de Ieren hadden gedaan. En ik wist dat de kern van al die slechtigheid het protestantisme was. Er was maar één waar geloof en dat dat was natuurlijk het katholicisme, dus Engeland was in principe al abnormaal. Je wist nooit wat je van zulke mensen kon verwachten – alleen dat ze niet aardig waren.
De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen
Toen kwam er over de weg een enorm grote man aan in een wapperend wit gewaad, en zijn lengte werd nog geaccentueerd door een hoge muts van luipaardbont. Hij had een gevolg van vijf of zes mannen, ook in het wit, zij het minder flamboyant. Hij was kennelijk een soort hoogwaardigheidsbekleder, een koning of een stamhoofd. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag me kijken en op zijn gezicht verscheen een grote glimlach. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en zei in een voor mij onbekende taal iets tegen zijn kompanen. Hij vroeg: ‘Geniet je van je fles prik?’ ‘Prik’ was een woord dat we in Ierland niet gebruikten voor frisdrank, maar ik wist wat het betekende. Ik kende het woord uit de Britse stripverhalen die we verslonden. Het verbaasde me dat hij mijn broer en mij voor Engelsen hield. Ik wilde hem uitleggen dat hij zich vergiste, dat wij net als hij buitenlanders waren. Maar ik was te perplex om iets te kunnen zeggen en hij vervolgde majestueus zijn weg.
Soms vraag ik me af wat ik als elfjarige tegen dat koninklijke personage zou hebben gezegd als ik in staat was geweest om mijn gevoelens uit te spreken. Stel dat hij mijn protest had weggewuifd: ‘Ik vind jou er Engels uitzien, dus wat is het probleem?’ Stel dat hij had gevraagd wat we daar überhaupt deden. Dan had ik moeten uitleggen dat mijn oom Vincent die in het café achter ons zat, uit het arbeidersmilieu in Dublin was weggegaan en erin geslaagd was om af te studeren op de universiteit van Oxford. En dat we logeerden bij mijn tante, de non, die als verpleegster in East End werkte. En dat we daarna in Maidstone zouden logeren bij mijn vaders broer Kevin die foerier was in het Britse leger en op de Tories stemde. En dat we daarna zouden logeren bij mijn moeders broer Pete en zijn vrouw in Manchester; hij was buschauffeur en zij stemden Labour.
En dat al hun kinderen – de neven en nichten die Engels met het plaatselijke accent spraken – net zo waren als ik: we speelden dezelfde spelletjes, keken naar dezelfde tv-programma’s, luisterden naar dezelfde popmuziek en we konden meteen goed met elkaar opschieten omdat we familie waren.
Ik weet niet of hij ervan overtuigd zou zijn dat mijn Iers-zijn iets meer was dan een kleine lokale variatie op het Engels-zijn. Het was natuurlijk veel meer – en dat is het nog steeds. Het Iers-zijn is niet iets wat je hoeft te bewijzen. Maar het ligt ook weer niet zo simpel en het is zeker niet wat ik als jongetje dacht dat het was: het tegenovergestelde van Engels-zijn.
Meerduidig en complex
Relaties binnen wat we nu ‘de eilanden’ noemen zijn meerduidig en complex. Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland en de Ierse Republiek vormen een soort matrix, maar die verschuift voortdurend en is nooit stabiel. De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen. Engeland was industrieel, dus Ierland moest zijn onderontwikkelde en gedeïndustrialiseerde economie tot deugd verheffen. Engeland was urbaan, dus Ierland moest een exclusief rustiek imago van zichzelf creëren. De Engelsen waren wetenschappelijke rationalisten, dus wij moesten als Ieren de mystieke dromers van dromen zijn. Zij waren Angelsaksen, dus wij waren Keltisch. Zij hadden een monarchie, dus wij een republiek. Zij ontwikkelden een welvaartstaat, dus wij vertrouwden op de genade van de liefdadigheid.
Maar zo simpel was het leven niet. Mijn tantes en ooms waren dolblij met hun werk in de fabriek en de dienstverlening in Engelse steden. Ze emigreerden niet zozeer naar Engeland als wel naar de welvaartsstaat. De Ieren hielpen de National Health Service opbouwen en genoten van de voordelen ervan. Ze maakten gebruik van de onderwijsmogelijkheden die de Britse sociale democratie hun bood. En hoewel ze zeker wel racistische trekjes hadden, genoten ze van het leven in een multi-etnische samenleving.
Hoewel het katholicisme een belangrijk punt van onderscheid was, gaven veel Ieren er de voorkeur aan om in Engeland te wonen omdat ze dan verlost waren van seksuele vooroordelen. Zes jaar na mijn eerste bezoek werkte ik als zeventienjarige in de zomervakantie in een bioscoop in Piccadilly Circus. Daar werd me voor het eerst gevraagd: ‘Ben je homo of hetero?’ Me bijna verontschuldigend mompelde ik dat ik hetero was – verontschuldigend omdat ik me meteen realiseerde dat bijna iedereen die daar werkte homo was. De manager was homo en hij nam homo’s in dienst om van het bedrijf een soort veilige haven te maken. Ik had de baan gekregen op basis van een verkeerde inschatting, maar ik werd getolereerd. Het was voor mij een belangrijke, zij het wat vreemde ervaring: ik kon even meemaken hoe het was om tot een seksuele minderheid te behoren.
Op verschillende manieren betekende Engeland dat voor veel Ieren: het land leerde ons dat ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ willekeurige typeringen waren. In Ierland maakten de meesten van ons deel uit van een meerderheidscultuur; in Engeland moesten we leren wat het was om tot de weinigen te behoren in plaats van tot de velen. Dus we hadden twee verschillende ideeën over Engeland: als het tegenovergestelde van Ons en als een plek waar Wij iets veel ruimers betekende.
Maar de opvatting dat Ierland en Engeland elkaars tegenovergestelde zijn is allang achterhaald. Ierland is veel minder katholiek en Engeland veel minder protestants; in elk geval speelt religie een veel minder belangrijke rol in de identiteit van beide landen dan vroeger. De historische vijandigheid heeft plaatsgemaakt voor intense samenwerking en een gedeeld belang in vrede. En wellicht het belangrijkste: Engeland en Ierland zijn niet langer de tegenovergestelde nationaliteitspolen op de ‘eilanden’ – Wales en in het bijzonder het zelfstandigere Schotland zijn veel assertievere delen van de matrix.
Het wegvallen van deze simplistische tegenstelling is alleen maar goed. Maar de andere, positievere, kant van de oude tegenstelling is ook aan het verdwijnen, deels omdat Ierland is veranderd. De tijd is allang voorbij, bijvoorbeeld, dat Ieren de zee moesten oversteken om het leven in een multi-etnische samenleving te ervaren – de sinds de jaren negentig snel toenemende immigratie heeft ertoe geleid dat ze dat ook in hun eigen land kunnen ervaren. De strijd is ook voorbij dat LHBT-ers het gevoel hadden dat ze naar Engeland moesten om een tolerantere cultuur te vinden. Ierse vrouwen gaan nog steeds wel naar Engeland voor een abortus die ze in hun eigen land niet kunnen krijgen, maar die tijd zal ook langzaam voorbijgaan nu Ierland op het punt staat de strenge abortuswet te veranderen. Als Engeland in mindere mate een toevluchtsoord is voor Ieren, komt dat deels doordat er minder is om voor te vluchten.
Paradox
Als de tegenstellingen waar we aan gewend waren verdwenen zijn, blijft voor ons de paradox over: de Ierse Zee heeft nog nooit zo smal geleken en de twee kanten zijn nog nooit zo gelijk geweest. Toch zullen Ierland en Engeland binnenkort wellicht meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er dan een EU-grens tussen ligt. Er was natuurlijk een tijd dat veel Ieren van zo’n situatie zouden hebben gedroomd, dat nationalisten niets liever wilden dan dat de hoogst mogelijke barrières tussen Ierland en Engeland werden opgeworpen.
Maar nu kom je bijna geen Ier meer tegen die het niet diep betreurt. Dat zegt op zichzelf al veel. Onder al dat politieke gedoe heeft alles zich heel fatsoenlijk geschikt, in een over het algemeen tevreden nabuurschap. Na zo veel eeuwen van verbittering is dat geen sinecure. De Engelsen en de Ieren hebben onderling geen problemen meer. En juist het feit dat er geen problemen meer zijn is nu een big deal.
In 1859 opgericht door protestanten. Tegenwoordig staat de krant onder controle van een groep ‘trustees’, die de politieke en religieuze onafhankelijkheid bewaakt. The Irish Times heeft nog altijd een groot correspondentennetwerk en vele prominente ‘pennen’.
Met drie presidentskandidaten, tientallen gouverneurs, honderden congresleden en miljoenen volgelingen krijgt de evangelische beweging steeds meer politieke invloed in Latijns-Amerika.
Onlangs waren de ogen van heel de wereld gericht op de begrafenis van Billy Graham, een van de invloedrijkste predikers van de twintigste eeuw. In het Capitool in Washington bewezen de meest vooraanstaande figuren van het land hem de laatste eer, terwijl op sociale media mensen van de statuur van Bill Clinton, George W. Bush en Barack Obama ‘de predikant van de Verenigde Staten’ hun laatste groet brachten.
Het massaevenement waarmee zijn afscheid gepaard ging, vormt het bewijs dat het meer dan zeventig jaar lang prediken van het woord van God in 185 landen zijn vruchten heeft afgeworpen. Niet alleen neemt het aantal volgelingen van de evangelische beweging nog steeds toe, maar ook op andere terreinen worden de evangelisten belangrijker en invloedrijker, met name in de politiek.
Latijns-Amerika is een van hun belangrijkste bolwerken. In deze regio is het katholicisme zijn vijfhonderd jaar oude geloofsmonopolie in slechts drie decennia kwijtgeraakt. Twintig procent van de Latijns-Amerikanen is evangelist, de grens tussen wat van God is en wat van de keizer vervaagt steeds meer. Tot de beweging behoren presidenten als Jimmy Morales (Guatemala) en presidentskandidaten als Fabricio Alvarado (Costa Rica), Jair Bolsonaro (Brazilië) en zelfs Javier Bertucci (Venezuela). En hoewel alle ogen op deze grote namen zijn gericht, ligt de werkelijke macht van de evangelische beweging vooral bij de burgemeesters, ministers, afgevaardigden, congresleden, adviseurs en andere hoge overheidsfunctionarissen.
Door het groeiende aantal evangelisten in Latijns-Amerika is de religieuze beweging een belangrijke politieke speler geworden. In Peru, Ecuador, Colombia, Venezuela, Argentinië en Panama is meer dan vijftien procent van de bevolking evangelist, in Brazilië, Costa Rica en Puerto Rico twintig procent en in landen van Midden-Amerika zoals Guatemala, Honduras en Nicaragua zelfs veertig procent.
Al vormen ze in geen enkel Latijns-Amerikaans land een meerderheid, vanwege het gemak waarmee evangelisten hun populariteit weten om te zetten in stemmen zijn ze van grote politieke waarde. Zoals Javier Corrales, politicoloog en docent aan het Amherst College (Massachusetts), uitlegt: ‘Evangelisten zijn uiterst gedisciplineerd en gehoorzaam, ze gaan regelmatig naar de kerk (ze luisteren dus naar politieke boodschappen), ze roeren zich in de traditionele media en op sociale media én ze zijn enorm bedreven in het mobiliseren van mensen.’
Daarom jagen presidentskandidaten op hun stem. In Brazilië, een land met 42 miljoen evangelisten, speelde de alliantie (én breuk) van oud-president Dilma Rousseff met de evangelische kerk Iglesia Universal del Reino de Dios een cruciale rol bij haar overwinning en daaropvolgende afzetting. En in Chili bewees het feit dat Sebastián Piñera vier predikanten als campagneadviseurs had dat hij dit deel van het electoraal aan zich wilde binden tijdens de presidentsverkiezingen van 2017.
Conservatieve allianties
Toch beperkt de invloed van de evangelisten zich niet tot hun electorale potentieel. Ze veranderen de politiek in Latijns-Amerika met een agenda die meer wegheeft van een moreel dan van een politiek project.
In Costa Rica belandde evangelist, presentator en zanger Fabricio Alvarado Muñoz bovenaan in de peilingen toen het Inter-Amerikaans hof voor de Mensenrechten (CIDH) zich uitsprak vóór het homohuwelijk. Alvarado beloofde vervolgens om het CIDH niet langer te erkennen, en op deze manier het gezin en het leven te beschermen. Dat leverde hem nog eens een flinke sprong in de peilingen op. Zijn beoogde vicepresident, Francisco Prendas, moest onlangs [na felle reacties uit de LHTB-beweging] zijn excuses aanbieden omdat hij had gezegd dat hij nooit een homoseksueel op een hoge post zou benoemen aangezien hij de meerderheid van de bevolking niet voor het hoofd wilde stoten. [Nadat hij de eerste ronde had gewonnen, werd Fabricio Alvarado op 1 april verslagen door zijn rivaal en naamgenoot Carlos Alvarado Quesada. Maar intussen wordt het politieke debat nog steeds gedomineerd door het homohuwelijk.]
Het grote aantal evangelische partijen, presidentskandidaten en stemgerechtigden geeft een nieuwe impuls aan de conservatieve beginselen van andere politieke en religieuze groeperingen in Latijns-Amerika. Onderwerpen als abortus, gelijke rechten voor man en vrouw binnen het huwelijk en de slecht gemunte term ‘genderideologie’ hebben evangelisten en katholieken verenigd in een gezamenlijke strijd.
Met leuzen als ‘handen af van onze kinderen’ stroomden duizenden gelovigen, die zulke vrijheden zien als een bedreiging, de straten op van Colombia, Paraguay, Ecuador, Peru, Mexico en Chili. De enorme druk die hiermee werd uitgeoefend vertaalde zich vrijwel meteen in maatregelen op overheidsniveau: in Paraguay is een docentenhandboek ter preventie van vrouwenmishandeling op school geschrapt. Hun enorme invloed betaalt zich politiek uit. Bijvoorbeeld in Colombia, waar het Nee-kamp triomfen vierde tijdens het referendum [over vrede met guerrillabeweging FARC].
De relatie tussen politiek en geloof wordt steeds nauwer. Terwijl conservatieve partijen weer opleven en nieuwe kiezers winnen voor hun politieke programma’s, winnen de evangelisten electoraal terrein door parlementaire fracties te vormen en allianties te smeden met conservatieve partijen, aldus Andrew Chesnut, hoofd Catholic Studies aan de Virginia Commonwealth University [in de VS].
Het meest in het oog springende voorbeeld van zo’n alliantie is de omstreden kandidatuur van Jair Bolsonaro voor het presidentschap van Brazilië. Bolsonaro is oud-militair en hoewel hij publiekelijk nooit heeft verklaard evangelist te zijn, wordt zijn politieke boodschap, die aanschuurt tegen rechtsextremisme, gesteund door de christelijke Partido Social Cristiano. Met uitspraken als: ‘Gays zijn het gevolg van drugsgebruik’, ‘Je verdient het niet eens verkracht te worden’, en ‘De vergissing van de dictatuur was dat er gemarteld werd in plaats van gedood’, wist Bolsonaro de tweede plek te veroveren in de peilingen, achter president Lula, die vleugellam is vanwege corruptieschandalen.
In Brazilië, het grootste land van Latijns-Amerika, is de opmars van de evangelisten het meest zichtbaar. Ze kunnen er intussen bogen op negentig congresleden, het burgemeesterschap van Rio de Janeiro (de meest kosmopolitische en multiculturele stad van het land) en rond de veertienduizend nieuwe kerken per jaar. En hun economische positie is gigantisch. Volgens het Amerikaanse tijdschrift Forbes overstijgt het opgetelde vermogen van de vijf rijkste Latijns-Amerikaanse predikers de 1,5 miljard dollar.
De steeds sterkere aanwezigheid van het geloof in de politiek vormt een grote uitdaging voor de democratieën in Latijns-Amerika. ‘Het is niet altijd zo, maar áls ze invloed willen uitoefenen op de manier waarop we ons gedragen kunnen ze met hun extreme opvattingen over zonde en moraal de vijand worden van de vrije gedachte, de privacy en de vrije wil,’ aldus politicoloog Corrales. ‘We moeten hun macht niet onderschatten en niet vergeten dat de evangelisten achter de verbijsterende overwinning van Donald Trump zaten.’
Alberto Camargo was tweemaal president van Colombia. Tussendoor richtte hij dit tijdschrift op. Het ging in 1961 ter ziele maar werd opnieuw gelanceerd. Semana geldt als een van de beste bladen uit Latijns-Amerika. Onafhankelijk en altijd goed geïnformeerd.
Hongarije en de andere Oost-Europese landen moeten niet langer het moreel ‘verrotte’ Westen volgen, maar een eigen koers kiezen, meent deze conservatieve chroniqueur.
De verschillen die het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ Europa tegenover elkaar plaatsen zijn veel groter dan te verwachten was bij de val van het communisme of bij de uitbreiding van Europa in 2004. Het conflict dat voortkomt uit de migrantencrisis is nog maar het topje van een ijsberg die nog altijd aangroeit. Toch zijn er in de afgelopen vijfentwintig jaar legio samenwerkingsverbanden geweest en hebben de vroegere Oostbloklanden de enorme marktkansen soepel aangegrepen. Wat is er dan gebeurd? Antwoord: de voorstanders van geglobaliseerd geldverkeer hebben Europa systematisch verzwakt door de combinatie van verzorgingsstaat, nationaal bewustzijn en christelijke moraal die het fundament van Europa vormde, steeds verder aan te tasten. Het verlaten van de gouden standaard (1971) en de oliecrises van de jaren zeventig hebben een grote economische malaise veroorzaakt, waardoor de traditionele waarden zijn vervaagd. Zowel de ultraliberale genieters als de cultureel marxisten uit de Frankfurter Schule hebben hieraan meegewerkt.
Nu is het Westen waar wij zo tegenop keken van binnenuit verrot en heeft het zichzelf verlamd door de traditionele waarden te offeren op het altaar van de links-liberale ideologie
De ene groep verdedigde voortdurend de superioriteit van de markt, terwijl de andere pretendeerde de westerse mens te bevrijden van al die ‘ismes’ (dus ook van het patriottisme), in naam van een relativisme dat elk spoortje traditie en waarheid uitwiste. Het individualisme regeerde, voedde de studentenopstanden van 1968 en veranderde West-Europa voorgoed. Onze regio heeft die ontwikkeling lang als een voorbeeld gezien, maar nu is het tijd om een andere koers te kiezen, zodat we onze positie kunnen handhaven. Hoe? Door een solide eenheid te vormen, door mee te praten aan de tafel van de grote spelers en op te komen voor onze belangen. De verandering zal groot zijn, want Midden- en Oost-Europa hebben decennialang zonder morren de voorschriften van het Westen gevolgd, die ze als het evangelie beschouwden. Nu is het Westen waar wij zo tegenop keken van binnenuit verrot en heeft het zichzelf verlamd door de traditionele waarden te offeren op het altaar van de links-liberale ideologie. Die weg is niet de onze.
Het Westen beschouwt zichzelf niet meer als katholiek, het gelooft niet meer in natiestaten en in nationale soevereiniteit. Het heeft het keynesianisme in de kerker gesmeten om achter de mooie rokken van de neoliberale economie aan te lopen en erkent niet langer het belang van een gezin dat berust op de verbintenis van een man en een vrouw. De landen van Midden- en Oost-Europa die lid van de EU zijn geworden of zich daarbij willen voegen, moeten de navelstreng met het Westen doorsnijden, maar zonder zich los te maken van de fundamentele zaken die het continent bijeenhouden. Er moet een federatie ontstaan die veel beter is dan het model van de EU met zijn constellatie van staten die onderworpen zijn aan het instituut. Zo’n federatie zou zich niet tegen het Westen keren, maar zich er juist op toeleggen de wortels van het verleden te redden. Midden-Europa kan zich inspannen om de waarden te redden die het zo belangrijk en waardevol vond in de tijd na de val van het IJzeren Gordijn, toen het zich opmaakte om de wereld in te gaan. Het kiest zijn eigen route, want dat is de enige manier om een gemeenschappelijk pad met het Westen te hervinden.
Uiteindelijk hebben wij er genoeg van om als tweederangs boksbal te dienen en alle mogelijke preken van bovenaf te incasseren. Deze regio neemt liever weer de rol van bemiddelaar op zich die haar op grond van haar verleden toekomt. Wij hebben altijd waardering gehad voor het Westen. Hongaarse politici weten precies hoe ze een gesprek moeten voeren met een Zweedse hoge piet of met een bureaucraat uit Brussel. Ze weten ook hoe ze de Duitsers tegemoet moeten treden en hoe ze kunnen omgaan met de beruchte prikkelbaarheid van mevrouw Merkel. Ze kennen en begrijpen ook de gevoelens en overwegingen van de Balkanlanden, van Oost-Europa of van Rusland, waarmee Hongarije veel historische lotgevallen en culturele kenmerken deelt. Wanneer de Servische premier Aleksandar Vucic op zijn Balkans een vurige omhelzing geeft aan Viktor Orbán, doet zijn Hongaarse collega tegenover hem hetzelfde, want hij kent de grote symbolische waarde van dat gebaar.
Dat aanpassingsvermogen geeft deze regio des te meer geloofwaardigheid en verleent haar de noodzakelijke uitrusting om op te treden als gewaardeerd scheidsrechter tussen de twee partijen van het continent. Midden-Europa weet precies wat zijn plaats is. Het weet dat het geen keizerrijk is en al helemaal geen wereldmacht. Het weigert alleen om als boksbal te fungeren en wil eindelijk behandeld worden met het respect dat het verdient. Want vergeet niet: het is wel degelijk belangrijk. Met de tijd kunnen het Westen en het Oosten dat belang alleen maar erkennen.
Dit dagblad, dat openlijk pro-Orbán is, werd in september 2015 opgericht door voormalige journalisten van Magyar Nemzet, Láncíd Rádió en HirTV, die het niet eens waren met het feit dat die media afstand hielden tot de gevestigde macht. Het noemt zich de voornaamste stem van de conservatieven in Hongarije, naast de conservatieve krant Magyar Hírlap.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.