Bij de oprichting van Koma Weta was het in Turkije verboden om in het Koerdisch te zingen. Inmiddels heeft de legendarische band talrijke Turks-Koerdische rockers beïnvloed.
Jaren voordat het in de belangrijkste Koerdische regio’s mogelijk was, richtten vier jonge mannen in Tbilisi, de hoofdstad van de Georgische Sovjetrepubliek, ’s werelds eerste Koerdische rockband op. Koma Wetan (Groep Vaderland), geformeerd in 1973, bestond uit drie jezidische en één Armeense Koerd. Frontman Kerem Gerdenzeri, geboren en getogen in Tbilisi, behoort tot de kleine maar oude Koerdische gemeenschap in de Kaukasus. Zijn familie heeft wortels in de oostelijke, overwegend Koerdische provincie Van in buurland Turkije.
‘Koerdistan is het land van onze vaders en voorvaderen, het moederland en het vaderland van ons volk’, luidt de tekst van ‘Welate Me’ (Ons Vaderland). ‘Dit nummer is voor jou, Koerdistan, voor je bergen en je lentes. Dit is onze plek en ons thuis.’
Dergelijke openlijke sentimenten – ook nog eens gezongen in het Koerdisch – zouden ondenkbaar zijn in het naburige Turkije, waar de Koerdische taal tot in de vroege jaren negentig verboden was. In het Turkse parlement mag je nog altijd het woord ‘Koerdistan’ niet laten vallen. Maar in het multi-etnische, relaxtere Tbilisi van destijds mocht de rockgroep niet alleen optreden, maar kon ze zelfs rekenen op staatssteun. De stad, een van de centra van de Sovjetrock, organiseerde in 1980 het eerste officiële rockfestival van de Sovjet-Unie.
Overheidssteun
Een van de promotors van de band was de prominente Georgisch-Koerdische intellectueel en politicus Kerem Anqosi, een belangrijk pleitbezorger van de Koerdische cultuur in de Georgische Sovjetrepubliek, en meer dan vijfentwintig jaar verantwoordelijk voor de Koerdische programmering van de Georgische staatsradio. Dankzij Anqosi kreeg Koma Wetan overheidssteun waardoor de bandleden instrumenten konden kopen die ze zich anders nooit hadden kunnen veroorloven.
Koma Wetan slaagde erin formeel erkend te worden als ‘vocaal-instrumentaal ensemble’, de Sovjetterm voor pop-en rockbands die officiële goedkeuring genoten. ‘Dat waren door de staat gefinancierde dan wel erkende collectieven met een op de lokale muziekcultuur gebaseerd repertoire,’ vertelt de Georgische muziekcriticus Kakha Tolordava. ‘Ze mochten experimenteren met vorm, zij het binnen de grenzen van het aanvaardbare.’
‘We waren in heel de Sovjet-Unie en heel Koerdistan bekend’
Gezien de positie van Turkije als vijandige NAVO-lidstaat, grenzend aan de Kaukasus, is het misschien niet zo verwonderlijk dat de autoriteiten sentimenten tolereerden die in Ankara als separatistisch werden beschouwd. ‘Ik geloof niet dat de Sovjetstaat er in die tijd problemen mee had als er over Koerdistan werd gezongen,’ zegt Tolordava.
Koma Wetan verscheen meermaals op de lokale en nationale televisie. ‘We gaven veel concerten en werden vaak gevraagd voor festivals,’ aldus Gerdenzeri in een interview uit 2012. ‘We waren in heel de Sovjet-Unie en heel Koerdistan bekend.’
De groep nam de demo’s voor haar eerste en enige album, Baye Payizê (Herfstwind) op in 1979, hoewel het nog tot 1989 zou duren voor het werd uitgebracht. Het was een mix van klassieke rock, een vleugje psychedelica en Gerdenzeri’s teksten, geïnspireerd op het werk van iconische Koerdische dichters uit de Kaukasus.
‘Het was onvermijdelijk dat de Sovjet-Unie de bakermat van Koerdische rock zou worden,’ schreef antropoloog Özkan Öztaş in zijn boek Koerdische kunst in de Sovjet-Unie. ‘De mogelijkheid om met de beste, modernste apparatuur te werken en te profiteren van onderwijs in de moedertaal en muzikale scholing heeft bijgedragen aan het ontstaan van de eerste Koerdische rockmuziek in de geschiedenis.’
Maar het debuut van de band verscheen in een roerige tijd. ‘In 1989, het jaar waarin het album uitkwam, viel de Sovjet-Unie uiteen en werd de Koerdische stad Halabja door Saddam Hussein met gifgas bestookt,’ schreef Öztaş. Koma Wetan besloot de opbrengsten van het album aan de Koerdische slachtoffers te schenken.
De ineenstorting van de Sovjet-Unie bleek de doodsteek voor de band. ‘Door het wegvallen van de overheidssteun waaierden alle bandleden uit naar het buitenland, op zoek naar werk,’ vertelt Gerdenzeri. Hijzelf verhuisde naar Moskou.
‘Toen ik het voor het eerst luisterde voelde ik het tot in mijn botten’
Maar in Turkije, het land waar de grootste Koerdische gemeenschap woont, is de populariteit en de invloed van Koma Wetan nooit tanende geweest. De band heeft als inspiratiebron voor talloze Koerdische muzikanten gediend. In de jaren negentig werden de restricties tegen de Koerdische taal, literatuur en muziek versoepeld en toen Koma Wetan – in gewijzigde bezetting – bijeenkwam om hun formatie van twintig jaar eerder te vieren, deden ze dat met een concert in Istanboel, de stad met ‘s werelds grootste Koerdische populatie.
Tijdens dat concert deelde de rockband het podium met een andere historische groep: Ferec, de allereerste Koerdische heavymetalband, in 2004 opgericht in de oostelijke Turkse provincie Hakkari.
‘Koma Wetan was een van de belangrijkste bands voor ons,’ vertelt de frontman van Ferec, bekend onder de artiestennaam Reh. ‘Ze hebben de weg geplaveid voor veel Koerdische rockgroepen.’ Reh weet nog goed dat hij eind jaren negentig zijn eerste cassettebandje van Baye Payizê kocht. ‘Toen ik het voor het eerst luisterde voelde ik het tot in mijn botten. Ik heb het bandje grijsgedraaid. Hoe vaak je ook naar hun muziek luistert, je kunt er altijd je hart aan ophalen.’
Nagorno-Karabach in de Kaukasus is een machorepubliek. Maar doordat veel mannen zijn weggevallen door de oorlog met Azerbeidzjan, bekleden vrouwen er de machtige posities. ‘In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities met 300 procent toegenomen.’
Keuze uit het archief
Afgelopen week laaide het conflict tussen Azerbeidzjan en de Armeense inwoners van de regio Nagorno-Karabach weer op. Na een kortdurende aanval op de Armeense enclave riep de Azerbeidzjaanse president woensdag de overwinning uit. Volgens president Aliyev is de soevereiniteit van Azerbeidzjan weer hersteld en was de ‘antiterreuroperatie’ in de regio een succes.
Dit conflict sleept zich al voort sinds 1991, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel en de voormalige autonome oblast Nagorno-Karabach zichzelf uitriep tot republiek. Toch brengt het gewapende conflict ook voordelen met zich mee. Zo blijkt uit dit artikel van Der Spiegel uit 2018 dat het in Nagorno-Karabach nu de vrouwen zijn die de lakens uitdelen en hoge posities bekleden, zij het omdat de mannen zijn gesneuveld, oorlogsinvalide geworden of naar Rusland vertrokken waar wel werk voor hen was. In dit artikel vertelt een aantal vrouwen over het leven in de regio, hun hoge functies en hoe de traditionele rolpatronen naar buiten toe nog altijd gehandhaafd worden, maar achter de schermen niet langer fungeren.
In een kelder in de Kaukasus staat een vrouw. Ze is begin veertig, met een spijkerbroek en loshangend zwart haar. Ze wijst op de hoek waar ze als kind met haar familie schuilde. Ze laat de trap zien waar een granaat een gat sloeg in het lichaam van haar broer. Wijst op de kist waar ze de Kalasjnikov uithaalde, iedere keer dat haar vader naar het front vertrok.
De vrouw in de kelder die oorspronkelijk voorraadkamer was, daarna schuilkelder, en die nu een pijnlijke herinnering is, is Armine Alexanjan, de nummer twee op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een vrouw met macht, trots en gescheiden.
Een historische beschikking van het lot maakte dat ze op een positie kwam die haar anders nooit was toegevallen. Niet hier, in deze machorepubliek, waar de mannen onder de wapens zijn, de grenzen bewaken en bevelen snauwen. Waar nog geen twee generaties geleden vrouwen hun gezicht bedekten, en waar ondanks zeventig jaar van Sovjetheerschappij de traditionele rolverdeling nauwelijks is verbeterd. Waar de geestelijke tot de dag van vandaag bij een huwelijksplechtigheid aan de bruidegom vraagt: ‘Spreekt u ook namens haar?’ en aan de bruid: ‘Zult u hem gehoorzamen?’ De afvallige republiek Nagorno-Karabach, volkenrechtelijk onderdeel van Azerbeidzjan, is gebrandmerkt door oorlog en armoede en streng patriarchaal. Desondanks zijn het de vrouwen die hier de laatste twee decennia aan de macht komen. Ze hebben leidinggevende posities ingenomen op ministeries en aan de universiteit, in het hooggerechtshof, bij politie-eenheden. Ze vullen de leemtes die zijn ontstaan doordat mannen zijn gesneuveld, oorlogsinvalide geworden of naar Rusland vertrokken omdat daar werk voor hen was.
‘In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities met 300 procent toegenomen’
Van de 150.000 inwoners van dit gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee − kleiner nog dan de provincie Noord-Brabant − zijn 45.000 mannen onder de wapenen geroepen, actief of als reservist. Overal hangen aanplakbiljetten met propaganda, op gebouwen zitten borden met ‘Pas op, de vijand luistert mee’, op de basisschool leren kinderen hoe ze met wapens moeten omgaan, op tv is de ene militaire parade na de andere te zien. Allemaal gericht tegen buurland Azerbeidzjan, dat de grote vijand werd toen Nagorno-Karabach in 1991 de onafhankelijkheid uitriep en er een oorlog uitbrak die nog steeds nasmeult. In totaal zijn er 40.000 doden gevallen en zijn meer dan een miljoen mensen ontheemd geraakt.
Nagorno-Karabach werd daardoor een laboratorium waar de resultaten van deze proef zichtbaar zijn: wat gebeurt er als je vrouwen gewoon hun gang laat gaan en hen toegang geeft tot machtsposities? Geen van hen heeft dit lot zelf gekozen. Het zijn geen uitgesproken feministes, met het #MeToo-debat of gendervraagstukken willen ze net zomin iets te maken hebben als de Duitse puinruimsters vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Maar wat doen de vrouwen met deze unieke kans? Kunnen andere vrouwen iets van hen leren?
Alexanjan leidt ons uit de kelder naar boven, naar het huis van haar ouders. In de keuken zit haar moeder met andere dames van een jaar of zeventig te kaarten: gouden tanden, zuurstokkleurige ochtendjassen ondanks de middag, wenkbrauwen zwart als die van Charles Aznavour. Er is moerbei-jam, en ingelegde augurken, ze praten over hun mannen die ze door ontrouw of oorlog zijn kwijtgeraakt. Ze hebben allemaal wel iemand verloren, maar verbitterd zijn ze niet. Tranen vloeien, de heerlijke Ararat-brandewijn eveneens, en al snel wordt duidelijk dat deze vrouwen heel wat vrolijker vertellers zijn dan de mannen. De enige man in het gezelschap, de vader van Alexanjan, heeft zich allang uit de voeten gemaakt, naar zijn koeien voor het huis.
In Stepanakert, de hoofdstad, bevindt het bureau van Alexanjan zich op de eerste verdieping van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een klein huis tussen verwaarloosde prefab bouwsels. Boven haar bureau hangt een foto van een ezel.
‘Wilskrachtig en stijfkoppig,’ zegt Alexanjan, net als zijzelf. Die karaktereigenschappen moeten haar helpen in de strijd voor haar levensdoel: zelfbeschikkingsrecht en internationale erkenning. Want Nagorno-Karabach wordt internationaal niet erkend, zelfs niet door zijn beschermheer Armenië. Het is als het ware een Armeense enclave op Azerbeidzjaans grondgebied.
Alexanjan is de vertegenwoordigster van deze de-factostaat, geen geringe opgave, maar ze doet het met een ijzeren discipline, ondanks tegenslagen en isolement. Als er iemand is die kan uitleggen hoe vrouwen zich handhaven in een samenleving waar het adagium luidt ‘Vrouwen werken wel hard, maar mannen hebben meer hersens’, dan is zij het wel. Ze zegt dat dat hun lukt door diplomatieke vaardigheden, die zij ‘paradiplomatie’ noemt.
Vrouwen in Nagorno-Karabach zijn succesvol doordat ze behoedzaam zijn en tactisch. Zoals de plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken aan bezoekers van haar moeilijke land uiteenzet, is zij het die achter de schermen aan de touwtjes trekt, maar voor de buitenwereld laat ze de minister, haar baas, voorgaan, zodat hij de lauweren kan oogsten. Mannen, weet Alexjan, en weten alle andere vrouwen hier, moeten met zachtzinnigheid worden overtuigd, ze moeten niet het gevoel krijgen dat ze worden ingehaald of aan de kant geschoven. Daarom is het belangrijk dat naar buiten toe de oude rolpatronen gehandhaafd blijven. Dat zie je in Stepanakert [de hoofdstad] terug op straat: daar zijn vrouwen verlengstukken van hun man, ze doffen zich met kniehoge laarzen onder korte rokjes op, als de zusjes Kardashian, en paraderen aan hun arm van hun man, die een hoekige bontmuts draagt.
Als aanhangsel is Alexjan niet erg geslaagd, daar is ze te zelfbewust voor. Haar man was jaloers, ze heeft hem eruit gegooid en sindsdien voedt ze de kinderen alleen op. Veel vrouwen in Nagorno-Karabach hebben een eigen carrière en leiden een onafhankelijk leven. Maar dat wrijven ze hun mannen niet onder de neus. Zo heerst er, al is het dan niet in het land, in elk geval vrede tussen de geslachten en binnen de families.
Ministerie als gezin
Narine Agabaljan is een van die vrouwen. Broekpak, praktisch, kort haar, vijftig. Ze was de eerste minister van Cultuur van Nagorno-Karabach, en had een staf die voor 80 procent uit vrouwen bestond. Nu is ze minister van Onderwijs. Haar gezicht staat ernstig als ze ons ontvangt in een ijskoud kantoor met een vlag van Nagorno-Karabach. Ze zegt van zichzelf dat ze door de oorlog sterk geworden is. Toen ze 23 was stond ze als soldaat in de loopgraven, haar man sneuvelde aan het front, twee maanden later kwam haar zoon ter wereld. Ze noemde hem Edmon, naar zijn vader. Als ze een man was geweest, zou ze toen zijn begonnen met drinken.
Maar Narine Agabaljan vocht zich terug in het leven. Als tv-journaliste deed ze verslag van de vijandige linies, van de verliezen, over pogroms, maar daar had ze snel genoeg van. Ze zocht nieuwe wegen, ging de politiek in, werd minister van Cultuur, besteedde geld aan de renovatie van moskeeën in plaats van aan wapens. Tot nu toe doet ze het heel goed zonder man. Wat is het verschil tussen haar en haar mannelijke collega-ministers?
‘Twee dingen,’ zegt de minister, nog steeds zonder te glimlachen. ‘In de eerste plaats: flexibel blijven, niet vastzitten aan je positie en behoud van je macht.’ In de tweede plaats stuurt ze haar ministerie aan als een gezin. Dat wil zeggen: ‘Luisteren, laten uitspreken. Geen ellebogenwerk, niet pronken met je heldendaden, iedere dag compromissen sluiten.’
Over betuttelingen en handtastelijkheden van mannelijke collega’s hoor je hier niets. ‘We kennen hier geen geweld tegen vrouwen,’ zegt de minister van Onderwijs. Ze kan geen land ter wereld bedenken waar vrouwen veiliger zijn. Waarom, vanwege alle soldaten, de veiligheidsmensen? ‘Omdat we met zo weinigen zijn,’ zegt de minister, en bijna alle vrouwen die je in Nagorno-Karabach tegenkomt zeggen hetzelfde. Omdat iedereen iedereen kent en geen man zich een schandaal kan veroorloven.
Nog geen twee kilometer van het ministerie verwijderd doceert rekenwonder Manusch Minasjan, donker pagekopje, warme stem. Minasjan is de eerste vrouwelijke rector van de staatsuniversiteit. Getallen heeft ze altijd als een uitdaging gezien, niet als mannending. Ze heeft statistiek gestudeerd, was hoofd van de belastingdienst. Ze zegt: ‘Ons land biedt vrouwen enorme kansen.’ Ze leidt ons door lange gangen, doet deuren open. ‘Kijk maar, de collegezalen zitten vol met meisjes.’ Ze zoekt naar de cijfers, controleert de statistieken met een rekenmachine. ‘Van alle arbeidsgeschikte vrouwen werkt bijna 90 procent. In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities bij ons met 300 procent toegenomen. In de publieke sector is het ongeveer 60 procent. Wat vindt u daarvan?’
Zijn vrouwen betere leidinggevenden, gaan ze anders om met macht? Ze antwoordt dat ze daar vaak over heeft lopen denken. ‘Vrouwen zijn flexibeler en betrouwbaarder. Maar vooral: ze zijn beter opgeleid.’ Omdat meisjes niet in dienst hoefden hebben ze zich op hun studie geconcentreerd, waardoor ze zijn gekwalificeerd voor betere banen. ‘En ze zijn slim genoeg,’ zegt ook Minasjan, ‘om dat hun man niet de hele tijd in te wrijven.’
Vrouwen zijn flexibeler en betrouwbaarder. Maar vooral: ze zijn beter opgeleid’
Zijn vrouwen pacifistischer dan mannen? Welnee, antwoordt de rectrix, alsof dat een schande zou zijn. Ze vertelt dat de minister van Defensie onlangs de universiteit bezocht. De studentes vroegen hem waarom er geen dienstplicht voor vrouwen bestond. Tot grote ergernis van de studentes had de minister gezegd dat vrouwen in de keuken hoorden. ‘Persoonlijk vind ik,’ aldus de rectrix, ‘dat ze als ze dat willen in het leger moeten kunnen gaan.’ Bijna alle vrouwen in Nagorno-Karabach zeggen dat ze in een noodsituatie hun land ook gewapenderhand zullen verdedigen.
Hoezeer de langdurige oorlog ook kansen biedt voor vrouwen, aan de andere kant is het een catastrofe die hele families uiteenrijt. Dat blijkt als je buiten de hoofdstad komt. Hoe verder je naar het noorden komt, des te vaker zie je de met planken versterkte, mansdiepe loopgraven, of ze zijn dichtgegooid en een paar meter verder weer opnieuw uitgegraven. Het is een gevecht om iedere meter die je de vijand hebt afgedwongen, het lijkt op het vooruit en achteruit in een schaakspel dat geen winnaar kent.
In Talysch, een grensplaats onder aan een groene heuvelrij, staan de vijandelijke troepen tegenover elkaar, jonge mannen met vage baardjes en met hun bloedgroep op de borst van hun uniform geborduurd. Talysch ligt in puin, alle huizen zijn kapot, bomkraters in de tuinen. Bijna iedere nacht, vertellen ze, dondert aan de overkant de artillerie. Het is een mannendorp, ze sjouwen puin weg, bouwen de oude feestzaal weer op en drinken wodka uit limonadeflesjes. Hun vrouwen wonen een uur verderop in witte containers met gietijzeren allesbranders en sturen hun kinderen naar een provisorisch gebouwde school waar ze vijf uur per week les krijgen in wapenkunde.
Maar er zijn ook plaatsen waar, als een kasplantje, de hoop groeit, waar mensen wonen die niet zo verstrikt zitten in het eeuwige conflict tussen christenen en moslims in de Kaukasus. Mensen zoals Nana, 27, donkere krullen, pientere blik, nieuwsgierig naar alles wat nieuw is. Nana heeft politicologie gestudeerd en het is haar baan om de onderwijsinstellingen in Nagorno-Karabach te moderniseren, buitenlandse docenten aan te trekken en uitwisselingsprogramma’s te organiseren. Ze heeft in Armenië gestudeerd, had daar een carrière voor zich, maar is teruggekomen ‘omdat ze haar hier dringender nodig hadden’.
Als Nana het spreekwoord hoort dat iedereen hier kent: ‘Vrouwen zijn de ruggengraat, daarboven zit het hoofd, dat is mannelijk’, wordt ze woedend. Zeker, op feestdagen loopt ook Nana met de vlag van Nagorno-Karabach door de straten en staat ze in de houding als met onderscheidingen overladen veteranen rode anjers op oorlogsgraven leggen. Maar ze weet dat haar vaderland geen toekomst heeft als het in het verleden blijft steken. Ze loopt met ons door de hoofdstraat van Stepanakert, waar inderdaad soldaten flaneren met een meisje aan hun arm. ‘Hier ergens,’ zegt ze terwijl ze op de gevels wijst, ‘wil ik binnenkort werken. In het kantoor van de Verenigde Naties, dat er nog niet is, als politiek adviseur, als bemiddelaar tussen de verschillende werelden.’
Nana is ervan overtuigd dat ze ooit een vrij leven zal leiden, onafhankelijk van oorlogen en mannen. Kinderen? Natuurlijk wil ze kinderen. Bijna alle vrouwen hebben kinderen, en als ze die niet hebben zien ze dat als een groot ongeluk. Ze hebben kinderen omdat het land nieuwe generaties nodig heeft, om te kunnen voortbestaan en voor komende oorlogen. Maar vooral omdat ze dol zijn op kinderen.
Met Nana groeit een nieuwe generatie op, die een hele stap verder is dan vrouwen als de minister van Onderwijs en de onderminister van Buitenlandse Zaken. Hun idee van een vreedzaam Nagorno-Karabach gaat veel verder dan een oplossing voor het conflict met Azerbeidzjan. Deze vrouwen hebben de oorlog van de jaren negentig niet meegemaakt, de vierdaagse oorlog van april 2016 was voor hen slechts een korte, nare droom. Ze denken minder in termen van daders en slachtoffers en maken nauwelijks onderscheid tussen mannen en vrouwen.
Net als de jongeren in Bardak, een garage in Stepanakert, tegenwoordig een club, waar ’s avonds in het halfduister de jonge inwoners van Nagorno-Karabach flirten, roken, wodka drinken, dansen op Another Brick in the Wall van Pink Floyd en er niet aan denken een leven te gaan leiden als soldaat, om te lijden en te sterven uit haat. Maar zover is het nog lang niet, dit land is een gebarricadeerd eiland, met Armenië verbonden door een corridor waar tweemaal daags busjes met mensen en goederen doorheen hobbelen.
Niet ver hiervandaan staan zes vrouwen op een met sneeuw bedekte helling. Niemand heeft het over politiek. Het vrouwenteam spoort de vijand op en maakt hem onschadelijk. Deze vijand heeft zich niet in loopgraven verschanst, maar ligt al op de grond, een paar centimeter diep in de bevroren aarde. Deze vrouwen maken mijnen onschadelijk. In opdracht van de Amerikaanse hulporganisatie Halo ruimen ze het vuilnis op dat de oorlog heeft achtergelaten. Het is mannenwerk, en ze doen het heel goed.
Een Russische journaliste reist met haar zoontje door Abchazië, en valt van de ene verbazing in de andere. In Europese ogen is het ministaatje in de Kaukasus primitief en straatarm, maar dat lijkt de onverzettelijke bewoners niet te deren. ‘Laten we drinken op de vrijheid.’
‘Geen vuilis weggooien’, staat er in het Russisch op een betonnen muur die langs het strand van Goedaoeta loopt. ‘Kijk, we volgen de Russische wetten bijna naar de letter,’ zegt de Abchazische kunstenaar Nodar Tsvizjba, die een stukje met me meereist. ‘Maar weet je wat onze redding is? Onze spelfouten.’
Tussen het station van Vesjoloje, de grenspost met Rusland, en Soechoemi, het eindstation, rijdt de trein met een slakkengang. In Abchazië kun je maar beter geen haast hebben. De wegen zijn er slecht en er lopen koeien op. Vanuit de trein zie ik statige ruïnes van oude stations voorbijglijden. Gagra, Goedaoeta, Psyrtscha, Novy Afon, als even zovele overblijfselen van een ingestort rijk. Bloemblaadjes van de oleander liggen verspreid tussen de Dorische zuilen, klimop kronkelt in golven over de fijnzinnige reliëfs van art-decolantaarnpalen. De trein baant zich traag een weg door deze welig tierende begroeiing.
‘Geen grotere luilakken dan de Abchazen,’ tiert de conducteur terwijl hij vol afgrijzen naar dit prachtige tafereel kijkt. ‘In de tijd van de Sovjets waren de spoorlijnen netjes, de stations versierd met witte bloembakken. En nu? Ze doen er niets aan!’ Ik voer aan dat het oorlog is geweest. ‘Maar dat is al twintig jaar geleden!’ ‘En daarna kwam de economische blokkade…’
De conducteur wuift alles weg. ‘Het zijn wel de Russische Spoorwegen die dit allemaal financieren! Kijk nou hoe de spoorbaan erbij ligt! Waar is het geld gebleven, vraag ik u!’ Net als elke zichzelf respecterende Rus ziet hij zich als een barmhartige Samaritaan die een horde arme sloebers helpt. Maar zo zit het niet. Het klopt dat de Russische Spoorwegen Abchazië in 2009 een krediet hebben verstrekt. Met dat geld zijn bruggen en spoorlijnen hersteld. Nu moet Abchazië die lening terugbetalen. Maar met de minieme begroting die het land heeft, gaat dat wel even duren. Abchazië betaalt altijd de hoogste prijs. Zowel voor de spoorwegen als voor de eigen onafhankelijkheid, ja eigenlijk voor het hele voortbestaan van het land.
‘Hé adelaartje, hier komen!’ Ljosja Agrba, bij wie we in Novy Afon logeren, weet mijn zoontje Fjodor op straat bij zijn broek te grijpen. Verlegen stribbelt hij tegen, maar Ljosja houdt hem stevig vast. ‘Luister eerst even. Je zag best dat er oudere mensen in de kamer zitten. Je hebt ze niet eens gedag gezegd en je wilde ons ook voorbijrennen zonder iets te zeggen. Dat doe je hier niet…’ Fjodor kijkt hem ondeugend aan, maar lijkt wel sorry te willen zeggen. Twee dagen later volgt hij Ljosja vol bewondering, helpt mee in huis en luistert verzaligd naar zijn preken over hoe je je in Abchazië hoort te gedragen.
De alamys is de traditionele ethische code in Abchazië. Die bepaalt hoe je je moet gedragen tegenover ouderen, bezoek, vijanden, dieren en planten. In Abchazië vreest iedereen twee dingen: dat het land opnieuw onder Georgisch protectoraat komt, en dat de alamys verloren gaat. In beide gevallen zou dat het einde van het land betekenen. ‘Weet u, ik heb nooit aan politiek gedaan,’ zegt Nodar Tsvizjba. ‘Wat heb je daaraan? We moeten zorgen dat onze taal en onze tradities blijven bestaan. We zijn maar een minuscuul eilandje met een heel oude cultuur. We hebben het Abchazisch weten te bewaren zoals dat in de elfde en twaalfde eeuw gesproken werd. Wij hebben bijvoorbeeld geen woord voor “dood”. We zeggen “mijn ziel is geboren”. En voor “ik hou van jou” zeggen we “ik zie je in het echt”. Nu ik hier belangrijk sta te doen, zouden ze van mij in het Abchazisch zeggen dat ik je mijn paard laat zien. Het “ik” is bij ons taboe.’
Door de alamys is de Abchazische samenleving voor Europeanen moeilijk te doorgronden. Hier wordt bijvoorbeeld de traditie van de eremoord nog volop in stand gehouden. ‘Een jongen bedenkt zich wel twee keer voordat hij een jong meisje onteert,’ legt Ljosja Agrba uit, ‘want hij weet dat ze zal worden gewroken. Binnen een half uur of over tweehonderd jaar, maar gestraft zal hij worden. We gaan dan nooit naar de politie. Er is de familie. En die vergeeft niemand.’ In een land waar elk gezin wapens bezit, is deze traditie van bloedwraak heel effectief. Afgezien van wat kleine delicten tegen toeristen is er geen sprake van criminaliteit.
Elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin
Een ander krachtig afschrikmiddel: de befaamde Abchazische gastvrijheid. Zelfs als een vijand zijn toevlucht zoekt bij een naaste van zijn tegenstander, dan wordt hij een gast en krijgt hij bescherming. Die vervloekte gastvrijheid brengt de Abchazen tegenover toeristen in een netelige situatie. In feite zouden Fjodor en ik de voornaamste inkomstenbron van onze gastheer moeten zijn. Maar elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin.
Het kernbegrip van de alamys is het geweten. Een Abchaas ‘sterft levend’ door iets te doen wat tegen zijn geweten indruist. En dat brengt de Abchazen vaak in een lastig parket. Als ik naar een vernield gebouw wijs, waarvan je er hier veel hebt, en ik aan mijn gesprekspartner vraag waarom het er zo bij staat, slaat hij zijn ogen neer en zegt dat het door de oorlog komt. Terwijl deze plek helemaal niet door de oorlog is getroffen – de ramen en deuren van dit gebouw zijn tijdens de blokkade gestolen. Deze Abchaas wil niet liegen, maar hij schaamt zich. Pchasjtsjarop wordt dit soort schaamte genoemd die je niet voor jezelf voelt, maar voor je hele volk en je land. Dat maakt de Abchazen tot een volk waarmee het moeilijk vechten is.
Ik vraag aan Nodar om me over de Kaukasusoorlog te vertellen [die duurde van 1817 tot 1864 en leidde tot de annexatie van Ciskaukasië door het Russische keizerrijk]. ‘Dat zal Ljosja Agrba me niet in dank afnemen,’ zegt hij. ‘Het is verkeerd om daar met Russen over te praten.’ Ik blijf zwijgen en doe alsof het me niet echt interesseert. Dan barst Nodar los: ‘Omdat Sjamil [de imam van Dagestan die het verzet van de Tsjetsjenen en de Dagestanen tegen het leger van de tsaar leidde] gecapituleerd heeft. Wij waren de enigen die zich tot het einde toe hebben verzet. De Abchazen en de Oebychen. De Engelsen hadden de Oebychen met artillerie bewapend. Een Russische generaal vroeg aan een Oebychse vorst: “Wat moet je nog met al die artillerie? Je volk is uitgeroeid.” Waarop de prins antwoordde: “Ik snijd zwangere vrouwen de buik open, dan kunnen hun baby’s op jullie schieten.” Wat een haat!’
Toen de laatste Abchazische en Oebychse strijders naar de kust waren teruggedreven, kregen ze het aanbod om zich over te geven of naar Turkije te vluchten. Alle Oebychen en bijna een half miljoen Abchazen [vooral de moslims onder hen – veel Abchazen die oorspronkelijk orthodox waren, hadden zich tijdens de Ottomaanse invasie in de vijftiende eeuw tot de islam bekeerd] kozen er toen voor naar Turkije te gaan. Deze demografische ramp heet hier machadzjirstvo en blijft in Abchazië een pijnlijke episode. Tegenwoordig zijn er nog maar honderdduizend echte Abchazen in Abchazië zelf, maar er wonen er een miljoen in Turkije.
De langzame, vaak geïnstitutionaliseerde verdrijving uit hun eigen land die in de negentiende eeuw begon, is in de twintigste eeuw doorgegaan. In 1931 verloor Abchazië de status van republiek en werd onderdeel van Georgië. Daarna moesten er in de jaren veertig onder het bewind van Stalin duizenden Georgiërs gedwongen verhuizen naar Abchazië. Abchazisch spreken werd verboden, er was veel discriminatie bij het aannemen van personeel, Abchazische scholen werden gesloten… Volgens de bevolkingspolitiek van Stalin moesten minderheidsvolken zich vermengen met grotere volken, die op hun beurt weer moesten opgaan in de nieuwgevormde gemeenschap van het Sovjetvolk. Na Stalins dood was er niemand die een ander beleid wilde. Met als gevolg dat bij dit nog latente etnische conflict de spanningen steeds verder opliepen.
Maar meteen na de val van de Sovjet-Unie kwam het tot uitbarsting. Georgië en Abchazië riepen [in 1991] tegelijkertijd hun onafhankelijkheid uit en kozen elk hun eerste president: Edoeard Sjevardnadze en Vladislav Ardzinba. Georgië tekende meteen protest aan tegen de onafhankelijkheidsclaim van Abchazië. Vervolgens zijn beide landen begonnen aan gecompliceerde en eindeloze onderhandelingen. Op 14 augustus 1992 maakte de Opperste Sovjet van Abchazië zich onder voorzitterschap van Ardzinba op om een ontwerp voor een federale grondwet met Georgië te ondertekenen. Maar diezelfde ochtend vielen Georgische troepen Abchazië binnen en trokken op naar Soechoemi.
In deze oorlog tussen Georgië en Abchazië [die tot eind 1993 heeft geduurd] stond Rusland officieel aan Georgische zijde. En Abchazië, dat soldaten noch wapens bezat, kreeg geen enkele steun uit Moskou. Integendeel. Nadat het als door een wonder de Georgiërs had teruggedreven, heeft het acht jaar lang te maken gehad met een economische blokkade van Rusland. Pas in 2000 is die blokkade weer opgeheven. In augustus 2008 heeft Rusland de onafhankelijkheid van Abchazië erkend. De Abchazen zijn daar enorm dankbaar voor. Maar ook al zeggen ze ‘voor de Russen’ te zijn, de machadzjirstvo, de oorlog en de blokkade vergeten ze niet. Voor Abchazië vloeit de keuze voor Rusland voort uit de geschiedenis. Een lastige keuze is het wel. ‘Ik heb een hele militaire uitrusting thuis. Ljosja ook. We zijn hier allemaal goed bewapend. Mijn kinderen konden al op hun zesde schieten,’ zegt Nodar kalm. Hij lacht. Abchazië staat duidelijk klaar om zijn onafhankelijkheid tegenover wie dan ook te verdedigen. Georgië, Rusland, de Verenigde Staten, voor die jongens daar is het allemaal één pot nat.
Vrijheid: een groot goed
De moderne geschiedenis van Abchazië start met de oorlog tegen Georgië. Maar alles begon al veel eerder, met de voorouders van de Hettieten die drieduizend jaar voor Christus uit Klein-Azië kwamen. Abchazië is een van de zeldzame streken op de wereld waar de oorspronkelijke bevolkingsgroepen zich hebben weten te handhaven.
Abazijnen, Oebychen, Adygeërs, Kabarden en Tsjerkessen: ze zijn allemaal verwant aan de Abchazen. Wanneer die laatsten je beginnen te vertellen over de geschiedenis van hun land, dan wordt het een ware mythologie, of het nu over de moderne tijd of de oudheid gaat. Hun vermogen om uit elke gebeurtenis een tijdloze, universele les te trekken, is iets wat Europeanen irriteert omdat ze er een vorm van propaganda in zien. Toch gaat het hier niet alleen om een verschil in perceptie, maar ook om een andere verhouding tot de tijd. Gebeurtenissen herhalen zich en elk nieuw hoofdstuk in de geschiedenis heeft voor Abchazen hetzelfde gewicht als gebeurtenissen van duizenden jaren her, als je ze tenminste als universeel relaas opvat. Europeanen zien dat als vorm van primitief bewustzijn, terwijl het voor de Abchazen een vorm van wijsheid is die zorgt voor continuïteit van de geschiedenis.
Bij Ljosja Agrba drinken we elke avond zoete wijn in de grote serre van zijn huis. Buiten rommelt de donder en valt er regen. ‘Weet je,’ begint Ljosja ernstig, ‘wij zijn altijd vrij geweest. Hier is nooit sprake van lijfeigenschap geweest, bij ons kon elke boer tegen zijn landheer zeggen wat hij dacht. En de landheren vertrouwden hun kinderen toe aan de dorpelingen, zodat ze opgroeiden met de tradities van hun land.’
Door de hele geschiedenis van Abchazië heen is er vreemd genoeg maar zelden sprake van ambitie. Geen oorlogen – hooguit defensieve – geen pogingen om zich te onderwerpen aan de hoogste bieder of om een uiterst bescheiden economie te versterken. Het gevolg is klip en klaar: in Europese ogen is Abchazië straatarm. Er is hier niets wat oligarchen zou kunnen aantrekken of de interesse van de georganiseerde misdaad kan opwekken. De negen jaar durende economische blokkade heeft de lokale industrie de genadeslag gegeven. De landbouw is het net zo vergaan. Zelfs nu is er voor de thee, tabak en de mandarijnenoogst nog geen goed georganiseerd exportsysteem. ‘Zie je die bergtoppen?’ vraagt Ljosja verbitterd terwijl hij naar een bergketen wijst. ‘Ik heb er vier hectare land. Het paradijs. Ik heb er honderd ananasguaves geplant. En kaki’s, mandarijnen, avocado’s. En dat allemaal voor niets. Alles staat daar weg te rotten. Ik heb hier niemand aan wie ik dat fruit kan verkopen. En hoe krijg ik het naar Rusland? Ik ga het er echt niet zelf naartoe brengen.’
Behalve de Abchazen zelf heeft niemand interesse voor de rijkdommen van dit land: een fantastische flora met meer dan 3500 soorten – waarvan de helft inheems –, een bijzondere fauna, bossen en rivieren vol wild en vissen, en ten slotte ongelooflijk goede grond waarop alles wil groeien, van wortels tot avocadobomen. Maar in deze tijd weegt de rijkdom van de natuur niet meer op tegen de armoede van de overheid. En gek genoeg lijkt niemand zich daar hier druk over te maken.
‘Praktisch gezien lijken we misschien in een wat lastige situatie te zitten,’ geeft regeringswoordvoerder Beslan Goerdzjoea toe, terwijl hij een fles Lychny [wijn] ontkurkt. ‘Maar filosofisch gezien gaat alles goed.’ We zitten in een café aan zee in Soechoemi. Achter ons tekenen zich de spookachtige silhouetten van de haven af met zijn kranen, die gelukkig recentelijk zijn vernieuwd. Oude Abchazen met de hoekige gezichten van bergbewoners wandelen trots over de promenade. ‘Je moet de situatie niet met een Europese blik bekijken,’ vervolgt Goerdzjoea. ‘Neem nu centrale verwarming. Die hebben we niet, dat klopt. Maar de winters zijn hier erg zacht en alle gebouwen hebben elektrische verwarming. Door onze eigen energiebronnen is elektriciteit hier spotgoedkoop.’ Met zijn bergrivieren is Abchazië een paradijs voor energietechnologen. Tegenwoordig kan de waterkrachtcentrale aan de Ingoeri het hele land van licht voorzien en ook nog energie aan Georgië leveren. Bij gebrek aan vraag liggen vier andere centrales stil. Deze economie die zo zwak lijkt, is dankzij de eigen energievoorziening en de landbouwproductie in staat om te overleven, zelfs tijdens de diepste laagconjunctuur.
Het volk heeft het laatste woord
‘Maar er ook een democratisch paradijs van maken, dat kunnen jullie niet. Door de corruptie.’ ‘Dat klopt. Maar wij zien de democratie niet als een paradijs. Voor ons betekent democratie dat het volk het laatste woord heeft. In die zin zijn wij democratischer dan Rusland. Als onze president zich morgen laat omkopen door Poetin en een referendum zou organiseren over aansluiting van Abchazië bij Rusland, dan werd hij binnen twee uur afgezet. De politie zou niet eens hoeven in te grijpen.’
Net als in de hele post-sovjetwereld moet hier politiek behoedzaam worden gemanoeuvreerd. Mocht Rusland besluiten de schaar te zetten in de kaart van Abchazië, dan wordt het oorlog. In dat geval heeft Abchazië de beste kansen. Vooral omdat het beleid van het ministaatje – balancerend tussen respect voor de gemeenschappelijke belangen en een modernisering die niet gericht is op economische slavernij maar op ontwikkeling – laat zien welke kant het op moet.
Tijdens de oorlog leidde Nodar aan het oostfront een patrouille verkenners. Toen de Georgische troepen de grens overkwamen, was dat net in het toeristisch hoogseizoen. De kinderen op de stranden wezen lachend naar de vliegtuigen. Die vliegtuigen waren op weg om de hoofdstad te bombarderen. Binnen amper drie dagen bereikten de Georgiërs Soechoemi en bezetten de stad. Ook Gagra werd ingenomen. Het kleine Abchazië maakte zich onmiddellijk op voor de strijd. De jachtgeweren werden van zolder gehaald. De oorlog heeft aan Abchazische kant vijfduizend doden geëist. Op een totale bevolking van 250 duizend mensen is dat ontzettend veel. En ontzettend is ook het woord dat alle Abchazen gebruiken als dit conflict ter sprake komt.
Nodar steekt een sigaret op en schenkt iedereen nog een rondje van die heerlijke zoete wijn in. ‘Oorlogen beginnen in de grote steden en bij de banken,’ zegt hij terwijl hij zijn glas heft. ‘Daar tellen ze de miljoenen. Hier komen we in opstand, we strijden en we vallen. Daarginds is het niet meer dan een spel, hier is het de werkelijkheid. Je vroeg me naar de zin van die oorlog. Die zit in wat we hebben meegemaakt.’ Hij heft zijn glas. ‘Laten we drinken op de vrijheid!’
Nieuwsmagazine, onderdeel van de Kommersant-groep die ook de grote Russische bladen Expert en Kommersant (beide gericht op ondernemers) uitgeven. Deze publicatie heeft als doelgroep de middenklasse en besteedt extra aandacht aan fotografie.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.