Tag: kelder

  • In deze Oekraïense kelder ontstond een mogelijke oplossing voor de oorlog

    In deze Oekraïense kelder ontstond een mogelijke oplossing voor de oorlog

    Een Oekraïense familie bracht tijdens de invasie drie weken door met vijf Russische soldaten. Ze aten samen, ze wandelden en ze praatten. De kelder in Loekasjivka werd een soort microkosmos van het oorlogspropagandafront. Algauw was niet meer duidelijk wie de slachtoffers waren.

    Toen het Russische leger een begin maakte met de beschieting van Loekasjivka, een dorp in Noord-Oekraïne, vluchtten tientallen bewoners naar de kelder van de familie Horbonos. Kinderen, zwangere vrouwen, bedlegerige gepensioneerden en de familieleden zelf scholen er onder de perzikenboomgaard en de groentebedden van de familie en wachtten af. Tien dagen lang hoorden ze meermalen per uur granaten boven hun hoofd fluiten en inslaan. Door de aanvallen ontstonden diepe kraters in het land, werd de auto van de familie in de as gelegd en werd het dak van hun huis verwoest. Op 9 maart was uiteindelijk te horen hoe zwaar wapentuig en tanks het dorp binnenrolden: het Russische leger had Loekasjivka ingenomen.

    Soldaten sommeerden de verschrikte dorpelingen tevoorschijn te komen en gooiden vervolgens een granaat in de kelder, voor het geval daar nog Oekraïense soldaten verborgen zaten. De familie Horbonos – Irina van vijfenvijftig, Sergej van negenenvijftig en hun vijfentwintig jaar oude zoon Nikita – brachten de nacht erna door in de kelder van een buurman, maar het was daar zo nat en koud dat ze besloten naar die van henzelf terug te gaan. Toen ze daar aankwamen, ontdekten ze dat er inmiddels vijf Russische soldaten bivakkeerden. 

    ‘En waar moeten wij dan heen? Dit is ons huis’

    ‘En waar moeten wij dan heen?’ vroeg Irina. ‘Dit is ons huis.’ De soldaten vertelden de familie dat ze terug konden komen – ze konden daar met z’n allen wonen. En dus trok het drietal weer in.

    Ze zouden zo’n drie weken met die vijf Russische soldaten doorbrengen en samen eten, wandelen en praten. De Russen legden onzinnige verklaringen af over hun vermeende missie en stelden verbijsterend onnozele vragen over Oekraïne, maar ze gaven ook inzicht in hun motivatie en moreel. Vader, moeder en zoon ontzenuwden hun beweringen, gaven luid uiting aan hun woede, maar hieven ook het glas met hen en gebruikten dat blijk van vertrouwen om het geloof van de soldaten in Vladimir Poetins oorlog af te zwakken.

    Gedurende die weken, vertelde de familie mij en mijn collega Andri Basjtovy, veranderde de kelder in Loekasjivka in een soort microkosmos van het oorlogspropagandafront. Aan de ene kant had je de Russen die niets anders deden dan de onjuistheden herhalen die hun over hun invasie op de mouw waren gespeld; aan de andere kant was daar de Oekraïense familie die zich afvroeg hoe het bestond dat hun huis was kapotgeschoten door agressors die handelden vanuit een waanidee. 

    Maar toen ik de familie Horbonos en in dezelfde week hun nationale leider, president Volodymyr Zelensky, had gesproken, drong in volle hevigheid tot me door dat de ervaringen van de familie ook interessant waren in verband met een vraag die al die politici, functionarissen, journalisten en activisten in Oekraïne en daarbuiten, die wanhopig proberen deze oorlog tot een einde te brengen, bezighoudt: hoe krijg je Russen die een oneindige reeks leugens door de strot is geduwd zover dat ze hun steun voor Poetins invasie in Oekraïne laten vallen?

    Elkaar leren kennen

    In het begin waren de familie Horbonos te bang om hun mond open te doen tegen hun Russische huisgenoten. De soldaten van hun kant hielden hun geweren de hele tijd stevig vast. Ze verlieten de kelder enkel als ze in actie moesten komen, net als hun gastheren bang voor het spervuur boven hun hoofd terwijl het Oekraïense en Russische leger strijd leverden om de regio rond de nabijgelegen stad Tsjernihiv. 

    De groepen leerden elkaar beter kennen door het gesprek te beperken tot onderwerpen die als neutraal werden ervaren

    Maar na enkele dagen leerden de twee groepen elkaar beter kennen door aanvankelijk het gesprek te beperken tot onderwerpen die als neutraal werden ervaren, zoals eten en populaire Oekraïense recepten. De familie Horbonos kwam erachter dat de vijf soldaten militaire technici waren. Een van hen, met 31 jaar de jongste, was kapitein. Drie anderen waren in de veertig. Twee van hen hadden in Syrië gediend; het gezicht van de ene was verbrand toen een voertuig waarin hij zat een mijn onklaar maakte op de weg naar Loekasjivka en hij vloekte wanneer hij zijn gezicht met zalf insmeerde. Ze kwamen alle vier uit Siberië. De vijfde was eveneens een veertiger, een Tataar, een etnische groepering met haar eigen grote republiek in Centraal-Rusland. De anderen vonden het irritant dat hij almaar Tataarse liedjes zong en plaagden hem met zijn klaarblijkelijke lafheid, want hij leek altijd als eerste de kelder in te rennen als het spervuur begon. 

    Aanvankelijk kraamde de kapitein fervent Kremlin-propaganda uit: hij en zijn landgenoten waren in Oekraïne om de familie Horbonos te redden, zei hij; de soldaten vochten niet tegen de Oekraïners maar tegen de Amerikanen; dit was geen oorlog maar een ‘speciale militaire operatie’. Was die eenmaal voorbij, dan konden ze allemaal met elkaar in vrede leven onder Poetins bewind, zei hij.

    Lik op stuk

    Irina gaf hem lik op stuk. Zij hoefde niet gered te worden, zei ze. Er waren geen Amerikaanse soldaten of bases in Loekasjivka of waar ook in Oekraïne. Ze wilde niet onder Poetin leven. Toen de kapitein zei dat hij had gehoord dat Oekraïners geen Russisch mochten spreken, vertelde zij hem dat ze iedere taal die ze wilden mochten spreken. (Ik spreek Russisch met de familie Horbonos.)

    Gaandeweg begon hij wat in te binden, niet alleen vanwege Irina’s protesten maar ook door de grimmige realiteit van de oorlog. In de begindagen van het conflict was hij goedgehumeurd en verkeerde in de veronderstelling dat de overwinning nooit lang kon uitblijven. Hij stormde soms de kelder binnen met kreten als ‘Kyiv is omsingeld! Tsjernihiv staat op vallen!’ Maar naarmate de weken verstreken en Kyiv noch Tsjernihiv viel, werd hij somberder. Sergej vertelde me dat hij de kapitein op een gegeven moment Kyiv op de kaart had moeten aanwijzen en dat de Rus verbaasd was geweest toen hij zag dat de stad niet in de buurt lag, zoals hij had aangenomen, maar zeker 150 kilometer verderop. 

    Langzaam maar zeker ontstond er een soort vertrouwensband

    De andere soldaten waren minder fanatiek dan hun kapitein. Twee van hen namen hun toevlucht tot cynisme en waren net zo min bereid verslagen of berichten te vertrouwen van de kant van de Russen als van de Oekraïners. De man met het verbrande gezicht was net zo fel anti-Poetin als de kapitein pro. Hij vervloekte de president openlijk en noemde hem een pias. Hij had nog nooit op zijn partij gestemd. 

    Langzaam maar zeker ontstond er een soort vertrouwensband. Op een avond zwalkte er een dronken Russische sergeant-majoor in een leren jack met een Sovjet-insigne door Loekasjivka die dreigde lokale bewoners te vermoorden als wraak voor de soldaten die hij had verloren. Hij was te dronken om zijn dreigement gestand te doen, maar het incident stond niet op zichzelf: de jongere soldaten dronken veel en riepen als ze aangeschoten waren naar de Oekraïners dat ze stuk voor stuk moesten worden ‘gestraft’. Vader, moeder en zoon waagden zich zelden buiten hun boomgaard. Ze voelden zich veiliger in de kelder, bij hun vijf soldaten.

    Als de Russen de kelder verlieten om iets te drinken of te roken, vroegen ze Sergej mee. De groep lengde pure alcohol aan met een beetje water en Sergej rolde tabak in krantenpapier. Hun gesprekken kregen een meer bespiegelend karakter. ‘Wat doen jullie hier eigenlijk?’ vroeg Sergej bijvoorbeeld. ‘Waar slaat deze oorlog op?’ Het moedeloze antwoord van de Russen was dat ze geen gevecht hadden verwacht, maar een viering. Ze waren, zei een van hen, gekomen ‘voor een overwinningsmars in Kyiv’.

    Lage moreel

    Het lage moreel van de soldaten en hun cynisme en wantrouwen zijn niet echt verrassend. Poetins beruchte propagandamachine draaide altijd minder om het wekken van enthousiasme dan om het zaaien van twijfel en onzekerheid door zo veel versies van ‘de waarheid’ te verspreiden dat het volk de weg kwijt raakt en zich tot een autoritaire leider wendt om hen door de duisternis te leiden. In een binnenlandse politieke context kan zo’n tactiek goed uitpakken: het volk blijft passief, onzeker over wat er nu echt gebeurt. Maar deze aanpak voldoet duidelijk niet wanneer een land moet worden opgezweept tot de laaiende geestdrift die nodig is voor een oorlog.

    Ik woonde en werkte als tv-producent en documentairemaker in Rusland gedurende Poetins eerste twee termijnen als president, van 2000 tot 2008. Zoals een van Poetins spindoctors me toen vertelde, heeft het Kremlin altijd moeite gehad met het motiveren van de bevolking. Altijd als het nodig was om een proregeringsdemonstratie te organiseren, werden functionarissen gedwongen om ambtenaren tegen extra betaling te charteren. Opvallend is dat ondanks de buitensporige censuur duizenden mensen zijn vastgezet vanwege protesten tegen de oorlog. Ondanks alle binnenlandse steun die het Kremlin voor de invasie zegt te hebben, zijn massale demonstraties ten gunste van de regeringsmaatregelen in de straten van de Russische steden achterwege gebleven. 

    Hoe langer de oorlog zich voortsleept, des te meer de bevolking zich zal afvragen of het Kremlin wel weet waar het mee bezig is

    Zelfs voor al die Russen die geloven in de complottheorieën – dat hun land wordt bedreigd door de VS, dat Rusland een wereldrijk verdient – blijft het de vraag of het Kremlin competent genoeg is om zijn ambities na te streven. Hoe langer de oorlog zich voortsleept, des te meer de bevolking zich zal afvragen of het Kremlin wel weet waar het mee bezig is. Mannen zoals de officier die bij de familie Horbonos woonde zullen op een gegeven moment gaan twijfelen aan wat het land nog kan wanneer het met de werkelijkheid wordt geconfronteerd.

    Er zijn ook tekenen die erop wijzen dat de Russen niet helemaal overtuigd zijn door het verhaal dat het Kremlin de wereld in stuurt. Een paar van de populairste recente zoekopdrachten op het Russische internet betroffen de vraag naar het verblijf van de minister van Defensie, Sergej Sjojgoe, die op mysterieuze wijze een poosje verdween nadat hij verantwoordelijk was gesteld voor tegenslagen aan het front. Andere populaire zoekopdrachten betroffen de gruwelijkheden die werden toegeschreven aan het Russische leger toen het zich terugtrok uit Boetsja, een voorstad van Kyiv. Onderzoekers aan het Publiek Sociologisch Laboratorium, een onafhankelijke instelling, hielden 134 diepte-interviews met Russen en kwamen tot de bevinding dat zelfs degenen die op zich geloof hechtten aan het idee dat hun land omringd was door vijanden en dat de oorlog in Oekraïne de schuld was van de NAVO, twijfels hadden over de bewijzen waar Moskou mee kwam. Een van de onderzoekers die de studie leidden, Natalja Savaljeva, concludeerde: ‘Bij velen schommelt hun houding tussen steun en verzet. Ze begrijpen de redenen voor de invasie niet en praten anderen na. Ze geven blijk van verwarring als het gaat over een “informatieoorlog” die wordt gevoerd door alle betrokken partijen en “propaganda” die van beide kanten komt.’ 

    Onnodige schade

    Enquêtes in een dictatuur zijn op hun best een hachelijke zaak. Hoe eerlijk verwacht je dat mensen zijn als zelfs het gebruik van het woord ‘oorlog’ een gevangenisstraf van vijftien jaar kan betekenen? Toch lijkt het erop dat het moreel niet alleen laag is onder soldaten, zoals de vijf die verbleven bij de familie Horbonos, maar ook onder gewone Russen. Vlak na het begin van de invasie toonde onderzoek dat circuleerde onder een kleine groep academici en waar ik de hand op legde dat weliswaar bijna de helft van de deelnemers aan een landelijk representatieve enquête Poetins ‘speciale operatie’ steunde, maar dat de emoties die daarmee gepaard gingen oppervlakkig waren: hoop en trots. Daarentegen gaf de 20 procent die tegen de oorlog was uiting aan veel intensere gevoelens, zoals schaamte, schuld, woede en ook verontwaardiging. Ongeveer een kwart zei geen duidelijke mening te hebben of steunde de oorlog met enige reserve, maar gewaagde ook van bedroefdheid. 

    De familie Horbonos merkte dat de Russische soldaten doorkregen hoeveel onnodige schade ze hadden aangericht

    Naarmate de weken verstreken merkte de familie Horbonos dat de Russische soldaten doorkregen hoeveel onnodige schade ze hadden aangericht. Het huis van de familie, dat dertig jaar daarvoor was gebouwd, was volledig verwoest; hun boekenkasten smeulden twee dagen na en eindigden in een hoopje puin. Als Irina het te kwaad had, moest ze huilen en schreeuwde ze de soldaten in het donker van de kelder toe: ‘We hadden alles wat ons hartje begeerde! Wat doen jullie hier?’ De Russen gaven geen antwoord en zaten daar maar, in het donker.

    Op een ochtend nam zij hen mee om wilde kruiden te zoeken voor de thee. Terwijl ze wandelden door het weinige dat over was van het leven van de familie Horbonos verontschuldigden de soldaten zich voor alle vernieling. Het zou zo veel beter zijn, zei er een, als ze hen op een dag konden bezoeken als gasten. Sergej was witheet. ‘Jullie zijn hier gekomen om mij te doden en mijn huis kapot te schieten,’ zei hij, ‘en dan worden we verondersteld vrienden te zijn? We kunnen alleen maar vijanden zijn.’ De Russen verontschuldigden zich opnieuw en algauw zei de een na de ander dat de oorlog zinloos was. Ze begonnen het zelfs een ‘oorlog’ te noemen.

    De soldaten werden niet gedreven door nationale trots of expansiedrift, maar door geld

    De familie Horbonos kreeg ook een ongewoon inkijkje in de motieven van de Russen. Toen ik Sergej vroeg wat hen volgens hem dreef, was hij ondubbelzinnig. De soldaten, zei hij, werden niet gedreven door nationale trots of expansiedrift, maar door geld. De soldaten vertelden stuk voor stuk dat ze schulden hadden – hypotheken, leningen, doktersrekeningen – en hun soldij nodig hadden. En zelfs dat was niet toereikend. Het was hun taak als technici om tanks te repareren, maar met hun deskundigheid konden ze die dingen ook uit elkaar halen. Als het schieten even stillag zochten ze naar beschadigde of vernielde Russische voertuigen en smolten ze platen met gouden bedrading om. Eén zo’n stuk metaal zou thuis 15.000 roebel of ongeveer 200 dollar opleveren.

    Andere soldaten waren minder creatief. Op de dag dat het Russische leger het dorp verliet, graaiden velen van hen alles bij elkaar wat ze te pakken konden krijgen; hun tanks waren hoog opgetast met matrassen en koffers, hun pantservoertuigen volgeladen met lakens, speelgoed en wasmachines. (Toen de Tataarse soldaat afscheid kwam nemen, vertelde hij Sergej dat hij binnenkort het leger zou verlaten en beloofde hij de familie een deel van zijn pensioen te sturen.)

    Oppervlakkig beschouwd bejubelen Russische functionarissen Poetins nieuwe model van splendid isolation en beweren ze dat hun mensen niet geven om sancties, dat ze geen enkel ander land nodig hebben, dat Rusland zichzelf kan bedruipen. Maar het gedrag van de Russen suggereert iets anders: zie de enorme toeloop bij IKEA voordat de Zweedse meubelketen zijn winkels in het land sloot of het wijdverspreide gebruik van VPN-verbindingen en mirror sites om op Instagram en Netflix te kunnen. 

    Van westerse makelij

    Economen maken verschil tussen aangegeven voorkeuren – wat mensen zeggen te willen – en verborgen voorkeuren, wat zij op grond van hun handelingen echt blijken te willen. Russen kunnen wel beweren dat zij het Westen niet nodig hebben, maar uiteindelijk waren verreweg de meeste producten waarop die Russische soldaten bij hun plunderingen in Oekraïne gebrand waren van westerse makelij. 

    Bijna niemand denkt zo veel na over de vraag hoe je het Russische publiek kunt bespelen als Volodymyr Zelensky. Hij roept sympathie op door naar raakvlakken met zijn publiek te zoeken. Dat deed hij als acteur, als stand-upcomedian en als satiricus in sketchshows. Ik ontmoette hem samen met Jeffrey Goldberg en Anne Applebaum voor een interview voor The Atlantic. Zodra ik hem had verteld dat ik in Kyiv was geboren, praatte hij tegen me zonder één ogenblik het oogcontact te verbreken – hij had zijn raakvlak met mij gevonden. Dat is de sleutel tot zijn communicatiestrategie op alle niveaus, met mensen en met landen. Iedere keer dat hij zich tot het parlement van een ander land richt, doen hij en zijn team onderzoek naar de geschiedenis van dat land om overeenkomsten te vinden met wat Oekraïne momenteel doormaakt: voor Groot-Brittannië was dat de Blitzkrieg, voor de VS was het 9/11.

    Vanaf het allereerste begin van de invasie heeft hij geprobeerd Russen rechtstreeks aan te spreken door te zeggen dat hij weet dat er onder hen ook goede mensen zijn. Natuurlijk, vertelde hij ons in ons interview, zijn er altijd Russen geweest die dachten dat Oekraïne geen echt land was, maar velen zagen dat anders en gingen graag in Oekraïne op vakantie. Het probleem, zei hij verder, was dat deze laatste groep niet meer door zijn berichten werd bereikt. Afgezien van bij een kleine kring verbannen Russische democraten lijken zijn appèl en dat van andere Oekraïners niet aan te komen. Enquêtes, hoe problematisch ook, laten in Rusland een overweldigende steun voor de invasie zien, en verhalen over Oekraïners die bekenden in Rusland opbellen om hun over de oorlog te vertellen zijn ontmoedigend – de meesten lijken zelfs bewijsmateriaal dat hun eigen familie aandraagt te verwerpen. Rusland zit in een ‘informatiebunker’, zei Zelensky tegen ons, in zowel psychologisch als technologisch opzicht.

    Waar het Kremlin bijzonder goed in is, is verantwoordelijkheid afschuiven

    ‘Russen,’ aldus Zelensky, ‘huiveren om schuld te bekennen. Hoe ga je daarmee om? Ze moeten leren de waarheid te accepteren.’ Hij beschreef drie stappen die hiervoor nodig zijn: een omslag in het mediaklimaat, een politieke elite die erkent schuldig te zijn aan de agressie en tot slot gewone mensen die zelf verantwoordelijkheid nemen.

    Waar het Kremlin bijzonder goed in is, is verantwoordelijkheid afschuiven. Rusland had ‘geen keus’ en moest zijn ‘speciale operatie’ in Oekraïne wel beginnen, zei Poetin onlangs. Het is aan de cultuur, de media, het onderwijs en de rechtspraak om daar verandering in te brengen. Maar zulke processen kosten tijd. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog zagen de meeste Duitsers zichzelf niet als daders maar als slachtoffers – zowel van de nazileiding als van de bombardementen door de geallieerden. Pas na de oorlogstribunalen in Neurenberg, waarbij de Holocaust in zijn volle verschrikking aan het licht kwam, en na decennialange culturele en educatieve inspanningen kwam daar verandering in. 

    De situatie in de kelder van de familie Horbonos was uniek. Het komt niet vaak voor dat Russen zo rechtstreeks met de werkelijkheid of met hun slachtoffers worden geconfronteerd. Maar de ervaring van de familie wijst ook op een mogelijke manier om het Russische volk te bereiken – en het einde van Poetins oorlog te bespoedigen.

    Motivatie

    Anders dan je zou denken is de oorlog niet per se het thema om op te focussen. Het gaat eerder om kwesties die de Russen in hun dagelijks leven raken en die hun gedrag bepalen: hypotheken, medicijnen, scholen, de toekomst van hun kinderen en hun verlangen deel uit te maken van een grotere wereld. 

    Voor de doeltreffendheid van zijn systeem is Poetin afhankelijk van miljoenen mensen, inclusief dokters, soldaten, academici en politieagenten, die allemaal gemotiveerd moeten blijven om mee te doen. Die motivatie is langzaam uit het systeem aan het sijpelen. Of Poetin voldoende repressieve middelen heeft om louter door angst te zaaien aan te blijven is niet duidelijk: de gevangenissen zitten al vol. Het meest dramatische eindspel dat zich in Rusland kan voltrekken is een machtswisseling, of zelfs een revolutie. Het volk hoeft alleen maar zijn steun in te trekken omdat het inziet dat de regering niet langer bekwaam is of in hun belang handelt. (Iets dergelijks gebeurde halverwege de jaren tachtig in de Sovjet-Unie: het systeem liep vast doordat het volk afhaakte, wat de top ertoe bracht hun koers te veranderen. Toen was het een zinloze oorlog in Afghanistan die de moedeloosheid katalyseerde. Vandaag de dag zou Oekraïne een overeenkomstige rol kunnen spelen.)

    Democratisch gezinde media en berichtgeving – vanuit onafhankelijke Russische bronnen, het Westen of Oekraïne – kunnen dit proces versnellen. Ondanks de sluiting van websites en bepaalde socialemediaplatforms zijn er wel degelijk technische middelen om het Russische volk te bereiken: radio, Telegram-kanalen, satelliet-tv, beveiligde berichtendiensten, mirror sites en VPN’s.

    Desastreus

    De Russische staatsmedia verspreiden momenteel kamerbrede politieke propaganda, wat altijd desastreus uitpakt. De Russen zullen spoedig naar ander vermaak uitzien. Dat soort behoefte biedt mogelijkheden om onconventionele bronnen te steunen. Steun aan de (nu grotendeels verbannen) onafhankelijke Russische media is van vitaal belang. Deze exponenten van de vrije meningsuiting spraken in het verleden met name een al prodemocratisch publiek aan. Zij en anderen moeten worden aangemoedigd om groepen buiten de liberale bubbel, met hun eigen prioriteiten, voor zich te winnen.

    Maar niet alleen de agenda’s en doelgroepen behoeven nadere beschouwing; het gaat ook om de manier waarop. We weten allemaal hoe het Kremlin zijn informatieoorlog met het buitenland voert, door middel van trollenfabrieken, complotten spuiende staatsmedia en smalende woordvoerders die iedereen die kritiek op hen durft te uiten kleineren en uitschelden. De pogingen van democratische regeringen om de gewone Rus te bereiken moeten hier totaal van verschillen. Denk aan onlineburgerberaden met deelname van doorsnee-Russen waar westerse beroemdheden met een grote Russische aanhang, zoals Arnold Schwarzenegger (wiens recente video-oproep aan zijn Russische fans miljoenen keren werd bekeken) een ander Rusland voorspiegelen. Denk aan praatprogramma’s waarin Russen kunnen vragen naar bijzonderheden over wat er aan het front gebeurt en antwoorden krijgen die op aantoonbare feiten zijn gebaseerd. Denk aan onlineplatforms waar dokters uiteenzetten hoe gewone mensen het hoofd kunnen bieden aan de dreigende crisis in de Russische gezondheidszorg, of aan YouTube-kanalen waar psychologen ingaan op de psychische spanningen waarmee Russen te kampen hebben.

    De familie Horbonos had ons aanknopingspunten getoond om een eind te maken aan deze oorlog

    Terug naar Loekasjivka, waar Irina Horbonos me vertelde dat ze zich soms bizar genoeg gelukkig voelde. Haar dorp waren de ergste gruwelen die zich voordeden terwijl het leger van Poetin de aftocht blies uit Kyiv en Tsjernihiv bespaard gebleven. Ja, zei ze, haar huis was in puin geschoten en alles waar Sergej en zij hun hele leven voor hadden gewerkt was weg, maar het had nog erger gekund.

    Terwijl ik terugreed naar Kyiv dacht ik na over haar verhaal en over wat Zelensky ons een paar dagen daarvoor had verteld. Irina leek te geloven dat het enige wat zij had gedaan overleven was, maar eigenlijk hadden zij en haar gezin veel meer gedaan. Zelensky, met zijn onvermoeibare streven naar empathie en verantwoordelijkheidsgevoel, en de familie Horbonos, met de lessen die ze hadden geput uit hun opmerkelijke gesprekken met hun Russische vijanden, hadden ons aanknopingspunten getoond om een eind te maken aan deze oorlog en zelfs te fantaseren over een ander Rusland.

  • Onder de oppervlakte kijken

    Onder de oppervlakte kijken

    Wanneer was u voor het laatst in uw kelder? Geïnspireerd door Im Keller, de nieuwe film van Ulrich Seidl, daalde Zeit Magazin af in de ‘onderwereld’. Of zoals Seidl zegt: ‘Waar de echte ziel huist.’

    Er is een trap. Er zijn treden. Er is een lichtknop. De weg naar beneden is eigenlijk heel gemakkelijk. Dan komt de deur. Achter de deur wordt het moeilijk.

    Achter de deur zijn kisten, balen, zakken, plastic tasjes, de hometrainer, de slee en het pierenbadje. De VHS-cassettes, de lamp met franjekap, plattegronden van Londen, Parijs en Goslar, de oude tv, de handstofzuiger, de keukendeur en de kattenbakkorrels, de sta-asbak, de golfstok, het nooit gebruikte broodrooster en de met veters samengebonden tennisschoenen. De lucht smaakt stoffig.

    Als je je nu omdraait en weer naar boven gaat, is het ergste achter de rug. Maar het is er nog wel.

    Mens en kelder kunnen goed met elkaar overweg, zolang ze elkaar met rust laten. In huis is de kelder het minste onder de vertrekken. Hij komt zelfs nog na de garage. Bescheiden verricht hij zijn taak. Hij vraagt niet – zoals de woonkamer – of de tafel wel bij de bank past. Hij vraagt niet eens of er nog wel wat bij kan. Klakkeloos laat hij zich volzetten. Hij wordt niet, zoals de keuken, elke dag schoongemaakt, vrijwel nooit gezogen. De kelder accepteert alles zonder klagen. Maar er komt een dag dat hij gaat praten.

    De mens komt de kelder binnen en hoort ineens een stem: je zou eens. Je moest misschien. Je had toch allang. En eigenlijk kon je wel. Dat is het moment waarop het serieus wordt. De kelder is de probleemzone in het huis: alles wat er afgedankt, opgehoopt, ingeperst ligt, uit zich in verwijten. Wat verdrongen was komt onverteerd weer boven en vraagt om verwerking.

    De kelder verzamelt niet alleen de afgedankte dingen, maar ook al het verlangen, al het wensen, al het mislukken, al het afkeuren dat hen hierheen gebracht heeft. De schoenen met hakken waar niet op te lopen viel. De ski met de krukken ernaast. De saxofoon, de diaprojector, de cd-rom met de cursus Spaans, de vruchtenpers die slechts één zomer in de keuken werd geduld. Allemaal duur betaald. En allemaal nog goed.

    © Clara Roellinghoff
    © Clara Roellinghoff

    Voor later

    Of nog redelijk goed, zoals de misschien nog complete puzzel. Redelijk goed is de fauteuil met vlekken, het landschapje met de vrijwel onzichtbare deuk, het theemeubel van namaaknotenhout. De cassetterecorder heeft tot het laatst toe vlekkeloos gefunctioneerd. Hij zit helaas niet in een plastic tas; nu is hij met gruis gepaneerd. Je kunt hem afstoffen en direct aansluiten, misschien verkopen, de verpakking compleet met piepschuim en gebruiksaanwijzing moet nog ergens liggen, daarachter tussen de kartonnen dozen. Komt wel, later.

    ‘Nog goed’ en ‘voor later’ – het zijn de terreurwoorden van het bezitten die daar beneden klinken als de mens de kelder antwoordt. Maar gewoon weggooien na eeuwig opbergen – hoe moet dat in vredesnaam? En daar zoemt ook nog de vrieskist met diepgevroren inhoud.

    De kelder is een overloopbekken. Langzaam stijgt het waterpeil. Maar helaas, het bekken is vol. Er is geen kelder voor de kelder. In huis is hij het eindstation.

    De kelder is de deur die terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme

    Maar weinig dingen weten vanuit de onderwereld terug te komen naar het licht. Het zijn de seizoenarbeiders onder de spullen: de tuinstoelen, de kerstboomstandaard of de sneeuwschuiver. Ze zijn bevoorrecht en mogen naar de garage als hun bezitters al dat traplopen te veel vinden worden. Vanwege de wanorde die er heerst heeft de kelder iets provisorisch. Maar dat is maar schijn. Wat in de kelder belandt, is voor het huis verloren. Wat de kelder verlaat, moet ook het huis verlaten. De vraag is alleen hoe en waarheen.

    De rommelmarkt en eBay, het zijn de verlossingsfantasieën van wie veel bezit. Daarachter ligt de idee dat hoe langer iets opgeslagen ligt, hoe waardevoller het wordt. Door er gewoon te zijn en de tijd zijn werk te laten doen, wordt de kelder een schatkamer, die kan worden geplunderd als we niet genoeg geld hebben om op vakantie te gaan. Er is zelfs een televisieserie over, Der Trödel-King. Op de WDR bellen gezinnen deze rommelkoning om hun verzonken have te laten taxeren. De oude kachel brengt beslist nog 500 euro op! De tuinkabouters met Beatlekapsel en de in prima staat verkerende Bismarckbuste zijn zonder meer curiositeiten! De rommelkoning vraagt advies aan deskundigen over de echte waarde en biedt de waar aan liefhebbers aan. De kachel: slechts 150 euro waard, plus 100 voor de pijp. Wanneer niemand zich meldt, blijft alleen de rommelmarkt over. De tuinkabouters, de hele set voor 20 euro. Het namaak Meissner-porselein 10 euro; de kopergravure, een hert tussen bomen, gaat weg voor 8 euro. Die leeslamp krijg je er gratis bij. Wat je voor design hield, is vaak maar Deco.

    En nog altijd staat daar in de kelder de fondueset, de elektrische ventilatorkachel, de luchtbevochtiger. Het rapport met een voldoende voor wiskunde en kijk daar, het diploma van het sportfeest van 1986 – was dat niet, toen…?


    Een pakhuis vol herinneringen, met voorwerpen waaraan verhalen zijn verbonden die je allang weer was vergeten. Gedoofde liefdes vlammen op als daar ineens de brieven weer zijn die je altijd hebt bewaard. Waarom eigenlijk? Voor een moment als dit?

    Maar je weet ook: weggooien doe je ze niet. In de 
kelder ligt het heilige naast het profane, het dagboek naast de Römertopf. Waar elders klontert Zijn en Hebben zo samen als hier? En als cultuur betekent: ‘bewaren’, is de kelder dan niet de tempel van een diepere cultuur? Met de inhoud van al onze kelders zou je misschien het hele land kunnen meubileren, een B-versie van wonen en bezitten.

    De verstandigste mens in een vertrek is het vertrek, heeft de Amerikaanse techniekfilosoof David Weinberger gezegd. En geen vertrek in huis weet zo veel over de bewoners als de kelder. Je kunt hem lezen als een boek. Wat een leven in karton, dozen en zakken! En tussen karton, dozen en zakken. De kelder is ook het schaduwrijk van suspecte medebewoners. Het hoeven geen ratten of muizen te zijn. Wanneer het licht aangaat glippen de zilvervisjes onder de opgestapelde waar. Ze zetten zich aan het textiel, het katoen of de lijm van boekbanden en laten er hun sporen achter: kleine vraatgaatjes.

    De honger van deze insecten is niet zo groot dat 
ze alle opgeslagen waar wegknagen en verteren. Maar ze zullen zeker het kwaliteitsniveau ‘nog goed’ in ‘beschadigd’ veranderen.


    Mythische diepgang

    De wetenschap heeft nauwelijks belangstelling voor de kelder. We hebben op de kop af één doctoraalscriptie over het onderwerp kunnen vinden, voor de faculteit Filosofie van de Berlijnse Humboldt-universiteit. In 1998 heeft de cultuurwetenschapper Miriam G. Möllers 190 pagina’s ‘over de doorwerking van het natuurlijk gegroeide onderaardse in de kelder van de twintigste eeuw’ geschreven. De probleemstelling wijst op een mythische diepgang. We lezen over oprijzende schaduwen, ongelooflijke griezeligheden, de kelder als dodenrijk, over ‘drempel- en verticale ervaringen.’

    Deze drempel- en verticale ervaringen bestaan uit het afdalen in de kelder. En volgens Möllers huist daar meer dan rommel en kruipbeestjes, namelijk een ‘beeldenwereld van buitengewone 
verscheidenheid en ambivalentie’.
    Enerzijds is de kelder het hol dat leven schenkt en beschermt, dat de mens sinds oertijden als woonplaats, toevluchtsoord, opslagplaats of cultusoord heeft gediend. Van daar naar de ongeopende verhuisdozen met duikbrillen, zwemvliezen en de lucifersdoosjesverzameling is voor de cultuurwetenschap een kleine stap. Anderzijds is het hol in diskrediet geraakt. Wie aan overgeleverde vormen van wonen vasthoudt, geldt sinds het neolithicum als een 
zonderling.

    Het hol werd het terrein van alles wat mysterieus en bedreigend is. Sindsdien huizen er reuzen, beesten en ongedierte, vreemd genoeg ook kabouters, misschien vanwege de hoogte, en verder geesten, goden en heksen. Hoewel er geen beren of wolven te verwachten vallen – die kunnen rustig 
van de lijst met verschrikkingen worden afgevoerd – is er ook zonder hen aan demonen geen gebrek.

    Nazi's in een Oostenrijkse kelder in de documentaire Im Keller van Ulrich Seidl
    Nazi’s in een Oostenrijkse kelder in de documentaire Im Keller van Ulrich Seidl

    De kelder kan ook als het onderbewuste van het huis worden opgevat. De psychoanalyticus C.G. Jung ontdekte dit in 1909 in zijn slaap: ‘Ik droomde dat ik “bij mij thuis” was, in een behaaglijke woonkamer, ingericht in achttiende-eeuwse stijl. (…) Ik ging (…) naar beneden de kelder in en zag daar een deur waardoor je bij een stenen trap kwam die naar een groot gewelf voerde. Op de vloer lagen grote steenplaten en de muren leken heel oud. (…) Ik raakte steeds opgewondener. In een hoek ontdekte ik aan een steenplaat een ijzeren ring. Ik tilde de plaat op en zag een tweede smalle stenen trap die naar een soort hol leidde, 
kennelijk een prehistorisch graf waarin twee schedels, verscheidene botten en aardewerkscherven lagen. Toen werd ik wakker.’

    De Pools-Amerikaanse schrijver Mark Z. Danielewski pakt dit motief 91 jaar later weer op in zijn sciencefictionroman Het kaartenhuis: fotograaf Will Navidson wil met zijn gezin vakantie houden in een oud huis op het platteland. Met die vakantie is het gedaan wanneer hij constateert dat het huis van binnen een paar millimeter groter is dan van buiten. Achter de muur in de woonkamer ontdekt hij een gang die de bestemming wordt van urenlange expedities. Steeds weer nieuwe gangen doemen op. Uiteindelijk komt hij in een grote hal met een wenteltrap die omlaag loopt in het niets.
    ‘We hebben een paar fakkels naar beneden gegooid die we niet horen landen. Ik geloof dat je, wanneer het daarbinnen zo leeg, koud, stil enzovoort is, dat je dan echt elke speld moet kunnen horen vallen, maar de duisternis heeft de dingen gewoon opgeslokt.’ – ‘Het is zo diep joh, bijna als in een droom.’


    In zekere zin is de kelder het ‘darknet’ van het huis

    Doar in die doar!

    Een nachtmerrie over een kelder waarin alles verdwijnt wat men er achterlaat: wat een omdraaiing van gewone ervaringen. Waar de eigen kelder sommigen met zijn onverbiddelijke behoud van massa en energie (plus vocht en minus mottenvraat) tot last is, raken anderen van hun evenwicht door een kelder die alles meteen maar opslokt. Wat in werkelijkheid zijn goede kanten heeft, het huis met de ingebouwde afvoer voor het grofvuil, wordt in fictie alleen horror.

    Op de smalle richel tussen onderzoek en levenskunst balanceert het in Graz uitgegeven tijdschrift Kuckuck, dat zich richt op alledaagse cultuur. Een van de 
nummers laat ons kennismaken met de Marburger etnoloog Alexander Edmund Rissmann en diens zeer onconventionele werk. Hij gaat op onderzoek in kelders waarover hij gehoord heeft. Uit die inspecties met de eigenaren komen fantastische woordverslagen voort, niet zelden in dialect.
    Rissmann: Waar is nou de puinhoop?

    Eerste vrouw: Doar in die, in die doar! Doarinne. Doar heb ik welles kiekt. Doarachter in het gaat. Hehe. Joa ien het gaat. Kiek, viend ik unne holtblok – vaan unne dieng. Unne holtblok viend ik zunder kop (hoest). Doar heb ik welles kiekt doarin.

    Tweede vrouw: Da ies zo unne Lourdes-Madonna.

    Eerste vrouw: Doar ies olles zo an vulles … kiek es. D’oude skoar, na, kiek es. Kiek es skoen. Hiahe.

    Rissmann beschrijft een ‘atmosfeer onder het huis’, die maar moeilijk verandert, waar hopen ballast opgestapeld liggen waarmee een mens liever niet geconfronteerd wordt.

    De kelder is niet alleen de spiegel van de gemoedstoestand en de bezinksels van het ik, maar ook de spiegel van maatschappelijke veranderingen.

    Met de komst van de aardappel kwam de aardappelkelder, een update van de voorraadkelder. Met de verbreiding van de kachel trokken kolen (en de haardluis) erbinnen. Vervolgens kwamen de bommen die de mensen de schuilkelder in dreven. Na de oorlog werd de bestemming gewijzigd in die van partykelder. Non-stopdancing op muziek van James Last! Na het feesten kwam de hobbykelder. Voor de man. Later kwam de vrouw er ook bij, en namen ze samen plaats in de ingebouwde sauna. Volkomen anders, zweten in plaats van kleumen, maar nog altijd nat. En daarna, onder het laatkapitalisme, de wijnkelder.

    Belangrijke voorwaarde voor deze evolutie was de komst van elektriciteit. De waskeuken had net zo goed stroom nodig als de hobbyspoorbaan.

    Regisseur Ulrich Seidl heeft niet zo lang geleden 
een documentaire gemaakt over de kelder in Oostenrijkse dorpen. Hij treft er nazi’s, wapens, sm. Dat kon je verwachten. Niet alleen vanwege de combinatie Oostenrijk en kelder, niet alleen vanwege Josef Fritzl en Natascha Kampusch, maar omdat zoiets gewoon voor de hand ligt: wat in de kelder gebeurt, gebeurt daar vermoedelijk niet zonder reden. Wie zich terugtrekt in de kelder, wil zich onttrekken aan de blik van anderen.
    In tijden van groeiende transparantie, glazen wanden en plafonds, ramen tot aan de vloer en zogenaamde smart homes die data bijhouden over de gewoontes van de huisgenoten, is de kelder de laatste plek voor het heimelijke. In zekere zin is hij het ‘darknet’ van het huis.

    In de kelder wordt het, metaforisch gesproken, steeds donkerder, terwijl het boven in huis steeds lichter wordt. Want ook de zolder verandert. Hij is niet langer een hogere opbergruimte, maar doelwit van huiselijke expansie. Hij is uitgebouwd, wordt juist uitgebouwd of zou binnenkort uitgebouwd kunnen worden. Als kamer voor de groter wordende kinderen of als atelier voor de ambities van de echtgenoten.

    In de symboolleer van succes is de hoogste etage inmiddels zeer gewild. Dat het er schuin loopt nemen we op de koop toe. Kasten kunnen immers op maat gemaakt worden. Op naar het penthouse met daktuin en begaanbare buitentrap! En is het niet geweldig, dat uitzicht?

    In oorsprong was de fascinatie voor de zolder een andere. In boeken vinden jongens er de tovermantel van een grootvader, geleerden de vergeten aantekeningen van een overleden genie. Of de werkster 
ontdoet een tot dan toe onbekende Rembrandt van het stof – iets kostbaars onder een witte doek die iemand daar ooit overheen heeft gehangen. Anders dan in de kelder is het op zolder immers droog, zolang het niet inregent tenminste.

    Heeft de kelder nog toekomst? Verzamelt de moderne mens nog wel zo veel levensballast? De flexibele tijdgenoot, zoals afgebeeld in managementmagazines en inrichtingshandboeken, bezit steeds minder en wat hij bezit, kiest hij zorgvuldig. Simplify your life! Het werd al een imperatief in de jaren negentig. Sindsdien 
vertonen meubeltijdschriften spartaans aandoende interieurs waarin vrijwel enkel een tafel staat, een bed, alles wit, misschien nog een bloem in een vaas en verder: strakke lijnen, geen franje.

    Voor het levensgevoel van deze na hard trainen 
verworven ascese is de kelder een onwelvoeglijke 
verleiding – zoals de sigarettenautomaat voor de deur van een ex-roker. De kelder is de deur die 
terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme.

     © eLKayPics/Flickr Creative Commons
    © eLKayPics/Flickr Creative Commons

    In de cloud

    Het bezit van morgen daarentegen vervluchtigt. Boeken die net nog in kasten stonden, staan nu op een harde schijf. Dossiers die net nog uit Leitz-ordners barsten, verdwijnen naar usb-sticks. De cd-verzameling zit op de smartphone of in de cloud, het digitale bovenkamertje dat de mensheid momenteel uitbouwt als virtuele zolder. Boven onze hoofden zweeft geestelijk eigendom, even alomtegenwoordig als ongrijpbaar, even onuitwisbaar als fragiel. Denkt u daar maar eens over na! Toch zijn er nog altijd dingen die zich niet laten dematerialiseren, noch in overvolle kelders passen, de analoge erfstukken van onze opa’s en oma’s bijvoorbeeld. Waarnaartoe met de nog goede cd-speler, de grote Winkler Prins, de messing pannen, de kristallen glazen, het dressoir?

    Daarvoor hebben we sinds een paar jaar selfstoragecentra. Het zijn paradoxale doorgangsstadia op de route van bezit naar niet-bezit. In de grote steden, aan de uitvalwegen, rijzen steeds vaker zulke blokken op, als kelders die de lucht in groeien. Vanbuiten lijken ze reusachtige containers, inclusief veiligheidshekken en laadzone. Vanbinnen: smalle gangen, deuren met nummers, videocamera’s overal waar je gaat.

    In een selfstoragecentrum kun je opslagruimte huren die niet meer naar oppervlakte, maar naar inhoud berekend wordt, wat direct in de papieren loopt. De kleinste eenheid, 1 m3 – dus 1 bij 1 bij 1 – kost in Hamburg bijvoorbeeld 39 euro per maand. Daarbij vergeleken is elke nog zo dure huurwoning een koopje.
Merkwaardigerwijs presenteert deze eerste klas opslagruimte zich meer als magazijn dan als kelder. Geen donkere gaten, geen houten afschuttingen 
met draadgaas, geen vocht langs de muren, geen ongedierte, maar neonlicht en metaal zoals in de extra beveiligde afdeling van een gevangenis. Het selfstoragecentrum lijkt op een strafkamp voor zaken die lang moeten zitten.

    Die indruk is in strijd met de korte verblijfsduur van veel goederen. Omdat de opslag zo duur is, heeft hij op de psyche van de bezitter de uitwerking van een duurbetaalde therapeut. Al na enkele maanden kan de huur hoger zijn dan de gevoelswaarde van de spullen. Geld neemt dan de plaats in van pijn en versnelt het afscheid van erfstukken die men immers toch niet kan gebruiken.

    Menig selfstoragecentrum probeert de arbeidsintensieve wisseling van huurders te reduceren door zichzelf aan te prijzen voor goederen die gevoelig zijn voor tijd. Pickens in Hamburg, een pionier in deze jonge, opkomende branche, biedt externe wijnkelders aan. Geweldig voordeel: de lucht wordt bevochtigd, het muffe dus hydro-elektrisch nagedaan. Maar pissebedden worden er – in elk geval tot op heden – niet uitgezet.

    In de notoir onderbetaalde kelder thuis blaast niet het geld maar het gebrek aan ruimte het uiteindelijk provisorische reservoir op. Er zijn zo veel spullen dat de eigenaar tijd tekortkomt om ervoor te zorgen. Het goede kan alleen uit daden blijken, staat in een deeltje uit het verzamelde werk van Kästner dat bovenop ligt.

    Ook eBay verlangt een reeks handelingen. 
Foto, beschrijving, verpakking, naar de post brengen, geld innen. Er bieden zich al gedienstige geesten aan die onze spullen op eBay voor ons willen verkopen. 
Je kunt ze vinden in de kleine annonces van de advertentieblaadjes. Natuurlijk willen ze wel provisie.

    Tegenover de lol van afdingen onder de vrije hemel staat het beginsel van de meestbiedende op het veilingplatform. Buiten het net prijzen de verkopers de excellentie van hun waar luid aan, op het net geldt dat ze verhaal willen voorkomen. Dat gaat het best door zuinigjes te doen over de kwaliteit. Spullen die nog goed zijn worden bewust onder de prijs verkocht, liefst zelfs als ‘kapot’, opdat niemand zich na afloop hoeft te beklagen.

    Nadat alle mogelijkheden van potentieel en feitelijk hergebruik zijn uitgeput, slaat het uur voor het grofvuil. Opgehaald op aanvraag. Mannen in felgekleurde jasjes rijden voor, niet zelden al ’s ochtends om zeven uur. In Hamburg doen bijvoorbeeld Hüseyin Kücükkaya en Musa Pehlivan al meer dan twintig jaar dit werk. Meestal worden zij en hun team hartelijk begroet. De klanten waarderen de kundigheid van deze mannen die hen zonder veel omhaal bevrijden van hun in huis gehaalde ballast. Maar ze zijn ook bang voor hen. Hun verschijnen betekent dat afvoer nu onherroepelijk is geworden. Wat goed dat de mannen niet tot discussie neigen. Ze doen denken aan een masseur die over de manier van toetasten, het moment van aanpakken, geen tegenspraak wil. Tegelijkertijd beschikken ze over de nodige tact.

    ‘De bank is vijftig jaar oud, maar nog goed,’ citeert Kücükkaya een dagelijks gehoorde inschatting. In Duitsland is nu eenmaal alles voor de lange termijn, ook de woonkamer – wellicht een collectieve reflex 
op de tapijtbombardementen waaraan exact zeventig jaar geleden een einde kwam.

    Het probleem met het ophopen van dingen is echter hun houdbaarheid. Als ze kapot waren of niet meer te repareren, zou het afscheid eenvoudiger vallen. 
Anders krijgt de bezitter last van een slecht geweten. 
De bank was een huisdier dat met weinig tevreden was. Nu is hij broos en zwak en moet hij naar de shredder. Hoe vreselijk ondankbaar is dat toch.

    Kücükkaya en Pehlivan lossen het probleem op hun manier op. De bejaarde bank zetten ze in de goede vrachtwagen, de wagen die zijn lading later bij de gemeentelijke kringloop zal afleveren. Ze springen achter het stuur, zwaaien misschien de eigenaren van de bank vanuit het opengedraaide raampje nog even toe en gaan dan verder met hun inzamelingsrit door de stad.

    Grofvuil. – © Thomas Kohler / Flickr Creative Commons
    Grofvuil. – © Thomas Kohler / Flickr Creative Commons

    Grofvuildag

    Maar twee straten verderop stoppen de beide vrachtwagens van het team en de bank wordt vanuit de goede vrachtauto naar de vraatzuchtige wagen gesjouwd, waar een pers van het meubilair kleinhout maakt dat in de vuilverbrandingsoven belandt. In de vorm van elektriciteit of warmte keert het misschien nog eenmaal terug naar huis om het daar voor het laatst behaaglijk te maken. ‘Er zijn ook dingen die pas een jaar oud zijn,’ zegt Kücükkaya, ‘dan heeft de man een nieuwe vrouw die de kleur niet mooi vindt.’ In zo’n geval helpt ‘nog goed’ niet. Dan moet er snel gehandeld worden. Als je wat extra betaalt komen 
de vuilnismannen direct de volgende dag om het erotisch negatief beladen meubilair op te halen.

    Vroeger werd datgene wat uit de kelder vloog langs de straat gezet. Grofvuildag heette dat toen en de hele wijk leek op een rommelmarkt, alleen was alles gratis. Inmiddels halen de mannen van de gemeente de spullen liever direct uit de kelder om de gieren van eBay voor te zijn en er wat bruikbaars uit te vissen voor de gemeentelijke winkel voor bijstandtrekkers.

    In de kelder blijven de vuilophalers maar kort. Ze pakken de spullen die aangemeld waren en dan staan ze alweer buiten. Ze hebben geen gevoel voor de poëzie van het souterrain. Anders zouden ze in de bijkeuken van een meergezinshuis achter plakplastic het ‘wasplan’ kunnen zien, waar de bewoners hun gewenste ‘wastijden’ noteren om gehakketak rond de machines te voorkomen. En ook de oproep van de conciërge om een wasdag die wel gepland was, maar niet doorgaat, alstublieft duidelijk door te strepen, ‘zodat er geen vertraging optreedt in het aan de juiste persoon doorgeven van de bijkeukensleutel’. Je kunt vermoeden wat voor drama’s zich hier al tussen 30 en 60 graden afgespeeld hebben.

    En wat staat al die kelderspullen die het huis uit weten te komen te wachten? Ze komen in een kringloopwinkel waar het ‘nog’ in goede staat bedrukkend voelbaar wordt. Zijn de spullen eenmaal aan de romantiserende blik van hun eigenaren ontsnapt, dan springen de gebreken vanzelf naar voren. Elke deuk, elke schram wordt een esthetisch manco. Wie iets zou willen kopen mag zich in elk geval geen aansteller tonen.

    Niet duidelijk is wat de kopers met het verworvene doen. Misschien neemt het de plaats in van andere objecten die op hun beurt afdalen naar de kelder. Of het belandt regelrecht onder de oppervlakte, waar het later weer wordt afgedankt en opnieuw de markt op komt.

    Voor zover die goederen telkens weer gekocht en verkocht worden, is er sprake van echte recycling, een eeuwige kringloop van waren. Dan kunnen we hoog opgeven van eindelijk bereikte duurzaamheid of flink vloeken: we raken die zooi gewoon nooit kwijt.

    David Hugendick en Ulricht Stock