Tag: kledingindustrie

  • Vinted: hoe een Litouwse start-up de modewereld op zijn kop heeft gezet

    Vinted: hoe een Litouwse start-up de modewereld op zijn kop heeft gezet

    Het duurzame en circulaire Litouwse bedrijf Vinted heeft meer dan 100 miljoen geregistreerde gebruikers en biedt ongeveer een half miljard tweedehands kledingstukken aan. Dat ging niet over één nacht ijs, maar dit succes zou de mode-industrie kunnen veranderen.

    Dit verhaal begint en eindigt met een kledingwinkel. Daartussenin zitten een paar honderd miljoen gebruikte broeken, shirts en hoodies, handtassen en jurken die elk jaar met behulp van Vinted van eigenaar wisselen. Vinted is nu het grootste online platform voor tweedehands mode in Europa, met gebruikers in twintig landen.

    De kledingkast waar het allemaal mee begon had de grootte van een garage. Het was namelijk een garage, die in 2008 in de buurt van de Litouwse hoofdstad Vilnius stond. De toen tweeëntwintigjarige Milda Mitkute had zo veel mode verzameld tijdens een post-Sovjet-shoppingtrip dat er niet veel ruimte meer over was in de garage van haar ouders toen ze haar spullen er een tijdje opsloeg. Haar ouders waren daar niet blij mee, vertelt Mitkute, en ze besefte dat ze iets weg moest doen. Ze kon ook wel wat geld gebruiken, en sprak op een feestje met programmeur Justas Janauskas. Die avond besloten de twee een website op te zetten waar Mitkute, en al snel iedereen, hun overtollige kleding kon verkopen. Vinted was geboren, toen nog onder de naam Manu Drabužiai, wat ‘mijn kleren’ betekent.

    ‘Aanvankelijk noemde ik Vinted “mijn project”, het was een hobby,’ vertelt Mitkute tijdens een bijeenkomst in Vilnius. Maar toen begonnen Justas en zij te dromen ‘dat het een beweging kon worden, dat we de maatschappij konden veranderen’.

    Sindsdien zijn er bijna zestien jaar verstreken. Mitkute, een slanke vrouw die nooit stilzit in een gesprek, die aandachtig antwoordt maar tegelijkertijd altijd tijd tekort lijkt te komen, werkt niet meer bij Vinted, maar heeft nog wel aandelen. Ze heeft vier kinderen gekregen, twee opleidingen afgerond, geïnvesteerd in start-ups en heeft net haar volgende bedrijf opgericht.

    Veranderd koopgedrag

    Vinted ging in die beginperiode bijna ten onder, maar vandaag de dag heeft het platform meer dan 100 miljoen geregistreerde gebruikers en biedt het ongeveer een half miljard gebruikte kledingstukken aan, voornamelijk dames- en kindermode, maar ook luxe handtassen en herenkleding. Vinted heeft nu zijn eerste netto jaarwinst voor 2023 gerapporteerd.

    Tweedehands was lange tijd een marginaal fenomeen. Wat had een ‘rommelmarkt’ te bieden in vergelijking met de collecties van H&M, Zara en C&A? Het koopgedrag is echter veranderd, parallel met het nieuw aangezwengelde debat over het klimaatbeleid sinds 2018. Tweedehandswinkels kregen bovendien een boost door de pandemie, toen veel mensen ineens tijd hadden om hun oude spullen aan te prijzen. Sindsdien kopen consumenten elk jaar meer tweedehands spullen in het kader van milieuvriendelijk gedrag. En Vinted had hiervoor het juiste platform – net als haar concurrenten Kleinanzeigen (voorheen eBay Kleinanzeigen), Momox en Sellpy. Maar is tweedehands groot genoeg om de mode-industrie te veranderen?

    Het hoofdkantoor van Vinted ligt aan de rand van Vilnius. De omliggende straten doen denken aan de tijd dat Litouwen deel uitmaakte van de Sovjet-Unie: houten huizen van één verdieping die typerend waren voor het eenvoudige, om niet te zeggen arme leven dat veel mensen er in de twintigste eeuw leidden. Een paar honderd meter verderop staan kleine autoreparatiewerkplaatsen, snackbars en benzinestations langs de straat, met hier en daar verweerde bakstenen gevels van voormalige socialistische bedrijven.

    In het kantoor van Vinted zijn ruimtes voor spelletjes en kinderopvang, yoga en krachttraining

    Ondertussen heeft Vinted een kantoor ingericht voor zijn ongeveer dertienhonderd werknemers dat nauwelijks eigentijdser kan zijn. Onder het plafond lopen zichtbare ventilatiesystemen en toevoerleidingen en op de bovenste verdiepingen ligt een tapijt van gerecyclede denimvezels. Voorwerpen die op rommelmarkten en in antiquairs op de kop zijn getikt versieren de verder sobere grijze en zwarte inrichting. Er zijn ruimtes voor spelletjes en kinderopvang, yoga en krachttraining. En: op het dak houdt iemand bijen. De voormalige garage is een bedrijf geworden dat net zo goed in Berlijn of Amsterdam gevestigd had kunnen zijn.

    De opmars van het bedrijf tot een van de meest succesvolle Europese digitale platforms en icoon van de Litouwse economie begon echter met een beslissing die bijna het einde betekende.

    Het was 2016 en Vinted was op dat moment alleen redelijk populair in Litouwen en Duitsland, waar het bekendstond onder de naam Kleiderkreisel. De kosten van het platform bedroegen een miljoen euro per maand, en er waren nauwelijks inkomsten, vertelt de derde oprichter Mantas Mikuckas in een videogesprek. ‘Daarom introduceerden we een vergoeding in Duitsland. Iedereen die een kledingstuk kon verkopen, moest ons 20 procent van de opbrengst geven. Dat leek ons redelijk – en de enige manier om onze kosten te dekken.’ Maar dat pakte rampzalig uit. Gebruikers haakten af, het bereik stortte in en het leek er even op dat de oprichters hun platform van de ene op de andere dag hadden geruïneerd.

    Redding

    ‘Onze investeerders adviseerden ons om het bedrijf te sluiten. We waren wanhopig, maar wilden niet opgeven,’ zegt Mikuckas. ‘Gelukkig hadden we kort daarvoor risicokapitaal opgehaald. De Duitse uitgeverij Burda was bijgesprongen, dus we hadden nog een kans.’ Het geld was genoeg voor acht maanden en een laatste poging. Mikuckas lacht als hij aan die tijd terugdenkt. ‘In deze crisis waren mijn aandelen niets meer waard, ik had een salaris van 1500 euro per maand. Wat had ik te verliezen?’ 

    De redding kwam uit New York: een van de investeerders kende een Nederlander die op dat moment niets te doen had, bekend was met het online verkopen van tweedehands spullen en net zijn laatste start-up in New York had verkocht: Thomas Plantenga. De oprichters leerden hem kennen in een videogesprek. In eerste instantie wilde hij niets weten van Vinted. New York verlaten? Voor een bijna-failliete start-up aan de oostelijke rand van Europa? Maar ze lokten hem voor een zomer naar Vilnius om een reddingsplan te ontwikkelen – en hij bleef. Tot vandaag.

    Een man in een oversized baggy broek en een dun shirt met lange mouwen buigt zich voorover naar een geschoren koningspoedel op de eerste verdieping van het hoofdkantoor van Vinted. Hij krabt hem, praat een tijdje tegen hem, gaat dan rechtop staan en borstelt zijn blonde, schouderlange haar achter zijn oor. Dit is Thomas Plantenga vandaag, CEO van Europa’s grootste online platform voor tweedehands kleding. ‘Ik was verrast dat de oprichters mijn reddingsplan accepteerden. Het was extreem. Ze moesten praktisch alles veranderen,’ zegt Plantenga terwijl hij gaat zitten voor het interview. ‘Maar ze waren dapper. En ik mocht ze wel. Daarom ben ik gebleven, aanvankelijk zonder salaris. Ik wilde alleen maar helpen. En naïef als ik was, dacht ik dat ik na een paar weken weer terug zou zijn in New York.’

    Vinteds voetafdruk

    Met elke tweedehands aankoop op Vinted wordt gemiddeld 1,8 kilo CO2 bespaard.

    De wereldwijde verkoop van tweedehands kleding steeg vorig jaar met 18 procent tot een waarde van 197 miljard dollar, volgens een rapport van GlobalData. In de VS groeide de tweedehands markt zeven keer sneller dan de totale modeverkoop. Behalve door het toenemende bewustzijn rond duurzaamheid en het gemak in gebruik komt dit ook doordat er meer gebruikte kleding wordt gekocht wanneer het dagelijks leven duurder wordt en het consumentenvertrouwen afneemt.
    Grote modemerken spelen in op deze trend. Zalando heeft bijvoorbeeld een categorie voor tweedehands kleding geïntroduceerd, terwijl Tommy Hilfiger een programma voor het inruilen en hergebruiken van kleding is begonnen.
    Een van de nadelen van de groei is het benodigde transport voor alle aankopen en het gevaar van overproductie. Vinted heeft naar de ‘ecobalans’ van het eigen platform gekeken en de emissiewaarden voor de productie van nieuwe kleding onderzocht. Aan de hand van die gegevens berekende het bedrijf de CO2-besparing, door de gemiddelde CO2-uitstoot van een nieuw kledingstuk te vermenigvuldigen met het aantal aankopen op Vinted dat een nieuwe aankoop vervangt.
    Deze besparing paste het vervolgens toe op alle transacties. Het resultaat: met elke tweedehands aankoop op Vinted wordt gemiddeld 1,8 kilo CO2 bespaard.
    Om de verzending milieuvriendelijker te maken, experimenteert het bedrijf momenteel met ‘Vinted Go’-stations in Frankrijk, België en Nederland, waar gebruikers hun bestellingen kunnen ophalen.
    Het is nog niet duidelijk hoe Vinted zijn eigen CO2-uitstoot (van onder meer zijn kantoren en servers) tot nul wil reduceren. Daarover zal het bedrijf dit jaar een plan presenteren.

    In plaats daarvan nam hij het roer van Vinted over. Hij ontsloeg bijna de helft van het personeel, sloot vestigingen buiten Litouwen en schafte de vergoedingen voor verkopers af. Als vervanging verschoof hij de kosten van de verkoper naar de koper op het platform. En na maandenlang gebruikersgegevens te hebben doorgespit op zoek naar tekenen van een kentering, realiseerde Plantenga zich dat het werkte.

    Er waren jaren waarin het er vooral om ging op de een of andere manier de eindjes aan elkaar te knopen. Tot 2018, toen Friday for Future en het nieuwe klimaatdebat het koopgedrag veranderden. Tweedehands kwam symbool te staan voor een bepaalde levenshouding, miljoenen mensen meldden zich aan bij het platform. En dat leidde tot het moment dat niemand bij Vinted, en waarschijnlijk in heel Litouwen, zal vergeten: in 2019 haalde het bedrijf opnieuw geld op bij investeerders – en werd het gewaardeerd op meer dan een miljard euro. Start-ups die zo ver komen, staan in de industrie bekend als ‘unicorns’, omdat ze zo zeldzaam zijn.

    Wederopstanding

    In dit opzicht is het verhaal van Vinted er ook een van wederopstanding. Het laat zien hoe kwetsbaar jonge bedrijven zijn, hoe makkelijk de poging om iets nieuws te creëren had kunnen mislukken. En dat de tijdgeest mede bepaalt of een nieuwe start slaagt. ‘Op een gegeven moment begon ik me te realiseren: Dit kan echt iets groots worden. Iets wat nuttig is voor de maatschappij. Kapitalisme kan hier bijdragen aan sociale vooruitgang,’ zegt Plantenga. Vandaag is het bedrijf ‘duurzaam winstgevend. Ik heb het over echt geld. Tweedehands is een winstgevende business en heeft nog steeds veel potentieel.’ 

    Managementconsultant PwC schat dat wereldwijd al in 2026 zo’n 200 miljard euro kan worden gegenereerd met tweedehands kleding. Dat zou goed zijn voor tien procent van de hele modemarkt.

    Om nog sneller te groeien, probeert Vinted nu de tweedehandsmarkt voor luxeartikelen te betreden: handtassen van Bottega Veneta, tweedehands voor 1600 euro, sneakers van Nike in samenwerking met het Off-White-label van wijlen sterontwerper Virgil Abloh voor 500 euro. Het oudste item ooit verhandeld op Vinted was een kist van Louis Vuitton uit 1860.

    Wie bij aankoop tien euro extra betaalt, kan een artikel van honderd euro of meer op echtheid laten controleren

    Maar zijn de items echt? Om daar zeker van te zijn, heeft Vinted een bedrijf in Hamburg overgenomen van 3000 vierkante meter en meerdere verdiepingen om te controleren of een koper niet wordt misleid. Vrachtwagenladingen aan pakketten uit heel Europa komen aan op de begane grond. Wie bij aankoop tien euro extra betaalt, kan een artikel van honderd euro of meer op echtheid laten controleren. Een sportschoen? Misschien niet de moeite waard. Maar een jasje van Gucci? Dan wel.

    Een voor een leggen werknemers de pakjes op een lopende band; als het stoplicht op groen springt, brengt een vorkheftruck ze naar de volgende verdieping. Daar wordt elk pakket geopend en de inhoud geregistreerd. In een plastic krat glijdt het pakket over een transportband naar de volgende kamer, waar een tiental mannen en vrouwen de items controleren. De locatie in Hamburg is ontworpen voor enkele duizenden zogenaamde ‘nepdetecties’ per dag, maar zoveel zijn het er zeker nog niet.

    Het hoofd van de eenheid pakt een handtas met het insigne van Louis Vuitton. Hij ruikt eraan, streelt de buitenkant en beoordeelt de kleur van de binnennaden. Zijn oordeel: nep. Het logo heeft de verkeerde grootte, het lettertype is niet precies hetzelfde als het origineel. Er lijkt een originele factuur te zijn bijgevoegd. Maar ook hiervan zegt de expert dat deze niet echt is. Het is het verkeerde papier. Wat nu? Vinted belt de politie niet, want er hoeft geen sprake te zijn van opzettelijke fraude: de verkoper kan zelf de dupe zijn van oplichting. Dus de tas wordt discreet teruggestuurd. En krijgt de koper zijn geld terug.

    Luxe

    Deze tweedehands luxemarkt is nog klein en geen enkel bedrijf heeft al bewezen dat het er op lange termijn geld mee kan verdienen. Maar Thomas Plantenga is ervan overtuigd dat het kan. Dat is de reden dat hij opnieuw miljoenen heeft geïnvesteerd in Hamburg. ‘We zijn nu een integraal onderdeel van de mode-industrie en zullen niet verdwijnen. Tweedehands is een stap in de richting van een circulaire economie – en wij maken deel uit van een langetermijnoplossing.’ 

    Dat is een behoorlijk groot statement. Maar niet alleen adviesbureaus, ook Greenpeace kijkt er zo tegenaan. Ecovezels zijn leuk en belangrijk, maar het centrale probleem in de industrie is overproductie, schrijft de milieuorganisatie. Een duurzame mode-industrie is alleen denkbaar als we erin slagen de cyclus af te remmen waarin steeds weer nieuwe producten op de markt komen. Ze spreken van ‘slowing the flow’; de goederenstroom vertragen. Tweedehands kan daarbij een sleutelrol spelen.

    En inderdaad gaven in een representatief onderzoek van Greenpeace Duitsers aan dat ze minder kleding bezitten dan vroeger. In 2015 was het gemiddelde 95 kledingstukken, sindsdien daalt het aantal gestaag. Vooral onder jongvolwassenen. Zij kopen niet alleen veel tweedehands kleding, maar bezitten ook aanzienlijk minder; gemiddeld hebben zij 74 jurken, broeken, shirts en sokken in hun kledingkast.  

  • Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Ze hebben het over duurzaamheid én dromen van privéjets. Er is geen klantengroep die ondernemingen meer hoofdbrekens bezorgt dan Generatie Z. Waar geven jongeren hun geld aan uit? En hoe kun je ze bereiken zonder dat ze het cringe vinden?

    Als Sally Özcan, een influencer van 34 jaar, uitlegt hoe haar wereld eruitziet, komen zelfs keukenbedrijven als Miele, Vitra en Bosch naar haar luisteren. Ook managers van andere traditionele bedrijven zijn naar München gekomen om iets van haar op te steken. Het gaat erom hip en aantrekkelijk te worden voor een jonge doelgroep, wier wensen niet meer worden begrepen. Ze heeft een hand-out meegenomen, een to-do-list voor de nieuwe tijd. Het allerbelangrijkste is volgens haar de app die je gebruikt. 

    Facebook? De mensen daar zijn ‘oud en koopkrachtig’ en die zijn het gemakkelijkst te bereiken met nostalgie, met slogans in de trant van ‘Vroeger was alles beter’. Generatie Z moet je elders zoeken, vertelt Özcan. Op feelgoodsite Pinterest bijvoorbeeld (‘veel geld, veel vraag’) of op TikTok (‘laag inkomen, korte aandachtsspanne’). Om de heel jonge consumenten te bereiken moet de bedrijfstak in elk geval zijn oude reclamespotjes overboord gooien. Wat voor hen telt, is geloofwaardigheid. ‘Dat is wat Generatie Z zoekt. Ze willen geen reclame, ze willen transparantie.’

    Geloofwaardigheid

    Via haar website Sallys Welt (shop, blogs, filmpjes) bereikt Özcan miljoenen kijkers. Op YouTube bakt ze Schwarzwälder Kirschtorte, op TikTok legt ze uit hoe een spuitzak werkt, op Facebook post ze foto’s van haar boekhouding. Ook al hoort ze daar zelf niet bij, voor Generatie Z – de mensen die geboren zijn tussen 1995 en 2010 – is Özcan een ster. Zij weet hoe je de ‘zoomers’ moet aanspreken.

    ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid’

    Om de maand maakt ze een ‘grote keukeninrichtingsvideo’ voor het dure merk Nobilia. Ze werkt samen met KitchenAid en Bosch, waarvan ze producten gebruikt om taarten en quiches te bakken. Sallycon Valley, dat ze samen met haar man runt in Waghäusel in Baden, heeft een miljoenenomzet en bijna honderdvijftig werknemers. Haar simpele formule: ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid,’ zegt Özcan. En dat mag wat kosten.

    Inmiddels proberen bijna alle ondernemingen de jonge klanten aan zich te binden, maar de manier waarop ze dat doen komt vaak nogal hulpeloos over. Meubelfabrikant XXXLutz gebruikt jongerentaal in zijn reclamespots. Deutsche Telekom probeert met behulp van een jonge vrouwelijke rapper van zijn dure imago af te komen. Ryanair gooit het over een andere boeg en steekt op de sociale netwerken de draak met ontevreden klanten.

    Generatie Z is op de consumentenmarkt inmiddels de grootste machtsfactor. Over een paar jaar zal ze de millennials als grootste kopersgroep voorbijstreven. Business Insider schat haar koopkracht in de VS nu al op 360 miljard dollar. Jonge mensen kopen meer nieuwe kleding en elektronica dan voor de pandemie en zetten trends die hun leeftijdsgroep overstijgen: recession core, bijvoorbeeld, minimalistische beige mode voor een leven in crisistijd. Met traditionele middelen zijn ze intussen nauwelijks nog te bereiken. Meer dan een derde van de Duitse Generatie Z kijkt geen tv en verdeelt reclamespotjes in twee categorieën: belachelijk of irritant.

    Is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe, oftewel totaal gênant wordt?

    Het grootste probleem voor ondernemers is dat de vertegenwoordigers van deze generatie zo tegenstrijdig lijken. Volgens een enquête vindt bijna twee derde van hen het belangrijk zijn winkelwagen te vullen met duurzame producten. Tegelijkertijd zijn veel van de populairste producten heel schadelijk voor het milieu. Wegwerp-e-sigaretten van ELFBAR: van plastic. Fast fashion van Shein: uit China. Bontgekleurde fidget toys met plopeffect: gekocht uit verveling. Wat wil deze generatie nou echt? Hoe kunnen bedrijven zo’n ambivalente leeftijdsgroep bereiken? En is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe wordt, dat wil zeggen: zonder het risico te lopen dat het totaal gênant wordt?

    Volgens Mathias Horsch wel. Hij is 28 – Patagoniahemd, Birkenstocks, Apple Watch – en start-up-ondernemer. Met zijn vrienden Fredi en Philipp heeft hij een paar jaar geleden Holy opgericht. In het begin maakten ze gaming boosters: energydrinks in poedervorm die de prestaties bij videogames moeten verbeteren. Highscores door cafeïne, een absolute hit bij jonge gamers. Tegenwoordig is het bedrijf in Berlijn gespecialiseerd in softdrinks in poedervorm. Horsch ziet Red Bull en Coca-Cola als zijn belangrijkste concurrenten, hij krijgt er per maand 15.000 nieuwe klanten bij. Dat kan alleen als je concessies doet.

    ‘Onze producten zijn suikervrij, maar er zit natuurlijk wel een zoetstof in omdat ze anders niet smaken,’ zegt hij; veel klanten vinden dat ongemakkelijk. De kakelbonte Holy-verpakking moet duurzaam zijn, maar er moet wel een plastic deksel op omdat het poeder anders hard wordt. Horsch zucht en bestelt een curryworst – van vlees, maar met vegan mayo.

    Concessies

    Het zijn concessies die vermoedelijk elk jong bedrijf moet doen. Maar Holy heeft ze in zijn eigen voordeel leren gebruiken. Zijn concept: radicale nabijheid. Horsch en zijn medeoprichters leggen op Instagram continu uit wat ze doen, ze rijden met een omgebouwde frietkar door het hele land en laten leden van de Holy Squad, zoals de hardcore-klanten zich noemen, stemmen over toekomstige varianten. ‘Er is zo veel oninteressant spul op de markt,’ zegt Horsch. Als je jongeren wilt bereiken, moet je eerlijk zijn. ‘Dan zijn ze ook authentiek gehypet.’

    Traditionelere producenten hebben het daar moeilijk mee. Thomas Wlazik leidt het marketingteam van TikTok voor de Duitstalige markt. Hij moet bedrijven telkens weer leren op hun apps geen klassieke tv-spots te gebruiken. Dat zou gewoon te gênant zijn.

    ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging’

    Als voorbeeld van een bedrijf dat de boodschap heeft begrepen, noemt hij Deutsche Bahn. ‘Hun posts zitten vol zelfspot en laten gewoon de werkelijkheid zien,’ zegt hij. In de eerste video van DB is een aankondiging te horen: ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging.’

    Merken die bij Generatie Z scoren, zijn vooral de merken die zich door een persoon laten presenteren. Meer dan de helft van de jongvolwassenen vindt influencers geloofwaardiger dan klassieke reclamespotjes.

    Zelfs het blauwe mosterdpotje van Bautz’ner wordt nu op de markt gezet via content creators die in de camera grijnzen terwijl ze mosterd naar binnen lepelen. Het doel is de mosterd neer te zetten als de ‘zelfironische love brand van Gen Z’, schrijft reclamebureau WeCreate, zonder ‘de vaste klanten (met name in Oost-Duitsland) van zich te vervreemden’.

    ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon’

    Wanneer je als merk niet heel vroeg in iemands leven aanwezig bent, ben je gewoon nooit aanwezig, zegt Yaël Meier: ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon.’ Meier weet waar ze het over heeft: grote concerns bellen haar als ze in verband met Generatie Z weer eens met de handen in het haar zitten. De 22-jarige Zwitserse is een soort exegeet voor gearriveerde marketingafdelingen; samen met haar levenspartner runt ze het managementadviesbureau Zeam in Zürich; ‘team’, maar dan met een z.

    Als ze met bedrijven praat, moet ze vaak vooroordelen uit de weg ruimen, zegt Meier terwijl ze van haar matchathee nipt. Bijvoorbeeld dat jonge mensen nauwelijks geld hebben om uit te geven. ‘Dat klopt niet,’ zegt ze. ‘Jongeren hebben geen vermogen, maar wel geld. En dat geven ze graag uit, liefst aan luxe zaken.’ Aan Rolexhorloges, kleren van Yves Saint Laurent of een peperdure haardroger van Dyson. Ook BMW, zegt Meier, is ongelooflijk populair bij Gen Z, ‘omdat het merk erin is geslaagd aansluiting te vinden bij de digitale wereld’. Het automerk uit München zet inmiddels inderdaad zijn logo op gamestoelen en computermuizen. Een sportwagen past nu eenmaal niet in de kinderkamer.

    First class

    Ook luxe reizen zijn bij Generatie Z ongelooflijk in opkomst, beweert Meier. ‘In mijn Instabubbel is het tegenwoordig absoluut trendy om business of first class te vliegen.’ Bedrijven als Solutions Holding, dat wereldwijd meer dan vijftig hotels exploiteert of beheert, profiteren daarvan. Ronja Gerhard (37), erfgename van het bedrijf, ontwikkelde een half virtuele, half analoge avonturenreis voor jonge vrouwelijke vakantiegangers: Sisters of Paradise.

    De kern ervan is een soort speurtocht met websitebegeleiding, waarbij je een bende meisjes helpt die op zoek gaan naar hun verdwenen broer. Op elke vakantielocatie van Gerhard wordt een nieuw hoofdstuk van de participatieroman geactiveerd. Een trip die het midden houdt tussen rollenspel en voorleesboek. Juist jonge mensen, zegt Ronja Gerhard, willen geen doorsneehotels, maar een story.

    ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z’

    Zulke trends zorgen bij veel bedrijven voor verwarring. Was het niet deze generatie die niet van straat weg te krijgen was omdat ze opkwam voor het klimaat? Hadden ze het niet zojuist nog over vliegschaamte?

    Marc Herz (41), marktonderzoeker en partner bij het strategiebureau K’UP in Berlijn, heeft begrip voor deze ambivalentie: ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z.’ Over elkaar heen buitelende crises zijn deel van het dagelijks leven van deze leeftijdsgroep, die is opgegroeid met corona, de klimaatcrisis en de Russische oorlog tegen Oekraïne. En die nu ook weleens wat anders wil. Bij een deel constateert Herz een ‘vlucht naar schoonheid’, die af en toe doorslaat naar verspilling.

    Uit onderzoek blijkt dat 20 procent van de jongeren tussen 14 en 29 jaar schulden heeft.

    Herz ziet dat deze generatie in een zingevingscrisis zit. Jongeren zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid en zouden vaak ook meer aan biologische producten willen uitgeven. En dan moeten ze voor zichzelf verantwoorden dat ze geen weerstand kunnen bieden aan snelle modetrends. ‘Dan zeggen ze dat iedereen het immers doet en dat je toch niets goed kunt doen,’ zegt Herz. Een kwart van de 18- tot 25-jarigen vindt het in eerste instantie een taak van de overheid om milieuproblemen aan te pakken, slechts 13 procent geeft zichzelf de schuld. Chinese webwinkels als AliExpress en Temu, razend populair bij Generatie Z, passen in dit beeld: hier speelt een schoon geweten dan even geen rol.

    Jongere consumenten die het anders willen doen, zie je op zaterdagochtend in Kulturkirche Altona in Hamburg. Start-up Vinokilo verkoopt er vintage kleren; de rekken hangen vol geruite overhemden, spijkerrokjes en bloemetjesjurken. De clou is dat je hier per kilo betaalt, de prijzen liggen tussen de 40 en 55 euro. Zo’n honderd jongvolwassenen verdringen zich tussen de rijen. Sehraa (20) stopt kleren in een fruitkrat die op een weegschaal staat. ‘Vijf kilo?’ zegt ze lachend en ongelovig. Ze duwt haar metgezel twee jassen in handen en weegt alle items nog eens, een voor een. Ze heeft al zo veel kleren, zegt ze. Ze koopt ze toch.

    Achter Vinokilo zit ondernemer Robin Balser (33), die al als student een soort kledingruilbeurs runde. Sinds 2017 verkoopt hij beroepsmatig tweedehands spullen en heeft hij het oude idee van verkoop per kilo voor een nieuwe generatie aantrekkelijk gemaakt. Sehraa en andere klanten hebben het evenement ontdekt op Instagram. ‘Don’t let fashion rule you,’ schrijft Vinokilo daar. Dat past bij hun levensstijl: wie vintage koopt, draagt zowel individualiteit als duurzaamheid uit.

    De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’

    In de ogen van de kopers, zegt Robin Balser, is tweedehands kleding van een soort vodden veranderd in een premium product. De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’. Zo’n driekwart van Generatie Z zegt wel eens tweedehands kleding te hebben gekocht. De koopzucht wordt in elk geval niet minder, ze verandert alleen. Neem Henri, negentien jaar, die met zijn vingers snel door de mannenoverhemden gaat. Minder consumeren is belangrijk voor hem, zegt hij. ‘Maar nog belangrijker is hoe dingen eruitzien.’

    Het lijkt alsof deze generatie klem zit tussen twee uitersten: fast fashion en slow vintage, verspilling en duurzaamheid. Maar er is een derde weg en ook die is allang een trend geworden. Met deinfluencing willen jonge mensen corrigeren wat influencers hebben aangericht. Ze gaan voor een camera zitten, laten allerlei producten van Amazon of Chinese webwinkels zien en zeggen wat niemand anders zegt: ‘Dit heb je helemaal niet nodig.’

  • Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    De afgelopen jaren is de kledingindustrie zich steeds bewuster geworden van de noodzaak om kleding te recyclen. Een veelbelovende ontwikkeling, maar is het genoeg om de enorme jaarlijkse hoeveelheid afgedankte kleding te verwerken?

    Het bedrijf Renewcell heeft in het Zweedse kustplaatsje Sundsvall een nieuwe textielrecyclingfabriek geopend die zo groot is dat werknemers een fiets gebruiken om van de ene kant van de productielijn naar de andere te komen. Grote balen katoenafval worden op een lopende band gestort, aan flarden gescheurd en in een natte smurrie veranderd met behulp van chemicaliën. Deze smurrie, die oplossende pulp wordt genoemd, wordt vervolgens gebleekt, gedroogd en tot vellen geperst die lijken op gerecycled kraftpapier en onder de merknaam Circulose naar fabrieken worden gestuurd om tot textielsoorten als viscose te worden verwerkt voor kleding.

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen of is ze gemaakt van waterflessen, visnetten en oude tapijten. (Er bestaat al technologie om polyester tot polyester te recyclen maar die is zo duur dat ze maar zelden wordt gebruikt.)

    De fabriek van Renewcell is een van de eerste stappen naar een systeem om van oude kleding nieuwe hoogwaardige kleding te maken die geheel uit gerecyclede weefsels bestaat. Het is ook een manier om de bergen textielafval aan te pakken die zich overal op de wereld ophopen en te zorgen dat er minder bomen uit ecologisch gevoelige bossen worden opgeofferd voor de vervaardiging van kledingweefsels. (Volgens Canopy, een Canadese non-profit die zich samen met de papier- en kledingindustrie inzet voor vermindering van ontbossing, worden er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen gekapt om oplossende pulp te produceren voor uit cellulose vervaardigde vezels als rayon, viscose, modal en lyocell.)

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen

    Veel consumenten lijken zich steeds ongemakkelijker te voelen over wat er met hun oude kleren gebeurt en kledingbedrijven zoeken naar manieren om te blijven uitbreiden en zich tegelijkertijd aan hun belofte te houden om hun negatieve ecologische voetafdruk te verminderen door via een circulair systeem te voorkomen dat afgedankte kleding op de vuilstort belandt. De Europese Unie heeft al haar lidstaten verplicht hun textielinzameling voor 2025 te intensiveren, wat naar verwachting tot een aanzienlijke afname zal leiden van de hoeveelheid kledingresten waarvoor geen bestemming bestaat.

    ‘Heel opwindend,’ noemt Ashley Holding, consultant op het gebied van duurzaam textiel en oprichter van het Duitse duurzaamheidsadviesbureau Circuvate, de opening van de fabriek. ‘Geweldig om te zien dat ze al zo ver zijn gekomen.’

    Winstoogmerk

    Circulariteit op kledinggebied is niet altijd zo ingewikkeld geweest. Vóór de industrialisering maakten de meeste mensen hun eigen kleren van geheel natuurlijke materialen. De rijken gaven hun oude kleren aan hun personeel, dat ze vervolgens weer aan mensen in plattelandsgemeenten gaf door wie ze werden versteld totdat ze niet langer draagbaar waren, waarna ze bij de voddenboer belandden. Uiteindelijk werd er papier van gemaakt of kunstwol (teruggewonnen wol) voor goedkope dekens en jassen.

    Als gevolg van het ontstaan van de kledingindustrie aan het eind van de negentiende eeuw begonnen mensen die voorheen al hun kleren thuis naaiden sommige kledingstukken in winkels te kopen. Adam Minter, auteur van het boek Secondhand: Travels in the New Global Garage Sale, schrijft in een e-mail: ‘Naarmate kleding in waarde daalde en meer vrouwen in fabrieken gingen werken, hadden consumenten minder reden en tijd om hun kleding te verstellen en repareren.’

    De stroom aan ongewenste goederen nam toe en het Leger des Heils, dat aan het eind van de negentiende eeuw het licht zag in New York, begon geld voor liefdadige doelen te verdienen met het repareren en doorverkopen van kleding en huishoudelijke artikelen, aldus Minter. ‘Maar rond 1910 was de hoeveelheid ongewenste kleding en andere consumentenproducten in de VS zo groot dat liefdadigheidsinstellingen de reparaties staakten.’

    ‘Tegenwoordig eindigt de kleding van ons Amerikanen grotendeels op de vuilstort,’ zegt Maxine Bédat, die in 2021 het boek Unraveled: The Life and Death of a Garment publiceerde. ‘Het is moeilijk om aan betrouwbare cijfers te komen over hoeveel er wordt afgedankt, vooral in de Verenigde Staten. Maar we gooien onze kleding voornamelijk weg.’ 

    Voor Europa is meer data beschikbaar. Volgens een recente studie eindigt in zes West-Europese landen 62 procent van de kleding die jaarlijks op de markt komt op de vuilstort of in een verbrandingsoven.

    Wat in de VS niet wordt weggegooid komt meestal nog steeds bij liefdadigheidsinstellingen als Goodwill terecht, die alles wat onverkoopbaar is doorsluizen naar sorteerbedrijven met een winstoogmerk, aldus Maxine Bédat. Nog draagbare kleding wordt verkocht aan doorverkopers in ontwikkelingslanden en ondraagbaar textiel wordt tot lompen en laagwaardige vezels verwerkt voor bijvoorbeeld isolatie. Kleding die via inzamelingsacties bij boerenmarkten of goedkope kledingbedrijven belandt, komt meestal ook bij de eerder genoemde sorteerbedrijven met een winstoogmerk terecht.

    Zo’n 40 procent van wat de westerse wereld naar een van de grootste doorverkoopmarkten in het Ghanese Accra verscheept wordt als afval beschouwd, aldus de Or Foundation die zich inzet voor een betere verwerking van kledingafval. Bergen oude kleding zijn gefotografeerd op stranden, vuilstortplaatsen en in woestijnen in Afrika en Latijns-Amerika. ‘De doorverkoopmarkt wordt in wezen verpletterd door het gewicht van de hoeveelheid afval die ze ontvangen,’ zegt Rachel Kibbe, die leiding geeft aan het kledingadviesbureau Circular Services Group. ‘We zien bedrijven die in feite afvalverwerkers aan het worden zijn.’

    We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld

    Op dit moment wordt van maar heel weinig textielafval nieuwe kleding gemaakt. Volgens het internationale platform Fashion for Good wordt maar 2 procent van het ingezamelde textiel – zuivere wol, zuiver katoen en acryl – mechanisch tot nieuw textiel gerecycled, voornamelijk modderkleurige dekens van kunstwol voor rampenbestrijding of goedkoop katoen dat met zuiver katoen moet worden vermengd voor nieuw textiel. Tellen we de lage inzamelingsgraad daarbij op, dan komt het erop neer dat minder dan een procent van de in West-Europa verkochte kleding tot nieuwe vezels wordt gerecycled. ‘We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld,’ zegt Kibbe.

    Circulose

    De nieuwe fabriek van Renewcell accepteert alleen zuiver katoenafval, en veel kleding wordt van synthetische mengsels gemaakt. Toch zal er een heleboel zuiver katoenafval kunnen worden verwerkt, meer dan 120.000 ton per jaar. Volgens een recente studie van Fashion for Good zijn West-Europese landen jaarlijks goed voor zo’n 163.000 ton laagwaardig katoenafval dat rijp is voor chemische recycling.

    Van wereldwijd ingezameld katoen van denimfabrikanten en tweedehandswinkels maakt de fabriek vellen gedroogde oplossende pulp, Circulose genaamd, die worden verkocht als hoofdbestanddeel voor door mensen gemaakte synthetische vezels als viscose, rayon en modal. ‘Wij creëren circulariteit binnen de kledingindustrie,’ zegt Patrick Lundström, CEO van Renewcell. ‘Op dit moment bestaat circulariteit nog niet echt in de kledingindustrie. We praten al twintig jaar over hoe belastend de sector is voor het milieu, maar er is tot dusver maar bitter weinig vooruitgang geboekt.’

    De oprichters van Renewcell, onderzoekers Mikael Lindstrom en Gunnar Henriksson van het Koninklijk Instituut voor Technologie in Stockholm, ontwikkelden de technologie voor de verwerking van katoenafval in 2012. In 2014 produceerde het bedrijf genoeg gerecyclede stof voor een jurk en in 2017 werd er een demonstratiefabriekje gebouwd. Dat wekte de belangstelling van merken als Stella McCartney, dat een levenscyclusanalyse financierde waaruit bleek dat Circulose de laagste klimaatimpact had van tien verschillende synthetische vezels. In 2017 nam H&M een minderheidsaandeel in het bedrijf.

    Het bedrijf ging naar de beurs en werd in 2020 in Zweden opgenomen in de Eerste Noordelijke Groeimarkt van Nasdaq. H&M, Levi Strauss en Bestseller, een internationale kledingketen uit Denemarken, verwerken inmiddels Circulose in hun kleding. (In 2021 startte Levi’s met een capsulecollectie die 16 procent Circulose bevatte.)

    ‘De Circulose die wordt geproduceerd is heel erg waardevol omdat het een gerecycled weefsel is met de eigenschappen van onbewerkte stof,’ zegt Paul Foulkes-Arellano, de oprichter van Circuthon, een adviesbureau voor circulaire economie.

    Ook een handvol andere bedrijven nam deel aan de wedloop om op een commerciële schaal gerecyclede weefsels te produceren. Twee Finse start-ups, Spinnova en Infinited Fiber Company, hebben een patent op de technologie om van plantaardig afval weefsels te maken die aanvoelen als katoen. Spinnova zegt in 2024 op commerciële basis te zullen gaan draaien. Infinited hoopt in 2026 een fabriek te openen. De Amerikaanse start-up Evrnu zegt 31 miljoen dollar te hebben opgehaald voor zijn recyclingtechnologie en verwacht in 2024 open te gaan.

    De technologie voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels loopt nog wat achter terwijl die mengsels een groot deel vormen van de oude kleding die wordt afgedankt. De Australische start-up Block Texx hoopt in 2023 de eerste recyclingfabriek voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels op commerciële basis te openen. De Britse start-up Worn Again Technologies verklaarde afgelopen oktober meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald en bouwt in Zwitserland een fabriek voor het sorteren en recyclen van textielmengsels. De Amerikaanse start-up Circ maakte afgelopen juli bekend meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald via een financieringsronde die werd geleid door Breakthrough Energy Ventures van Bill Gates en waartoe ook een investering behoorde van Inditex, het moederbedrijf van Zara.

    ‘Plotseling loopt het storm,’ zegt Kathleen Rademan, directeur van het innovatieplatform van Fashion for Good dat een aanjager is voor duurzame kledingtechnologie. ‘Maar ik denk dat we nog maar aan het begin staan. Er wordt in dit stadium nog gevochten om geld.’

    Adviesbureau McKinsey schatte in een rapport uit 2022 dat er tot 2030 6 tot 7 miljard euro zou moeten worden geïnvesteerd om ten minste 18 procent van het in Europa gegenereerde textielafval te verwerken.

    De duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken

    Gloeiende plaat

    Critici wijzen erop dat het de duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken, zoals in de negentiende eeuw gebeurde.

    Zelfs Renewcell, dat op waterkracht draait, is niet helemaal circulair omdat het geen katoen van katoen maakt, al moet daar wel bij worden gezegd dat Levi’s bij sommige producten Circulose heeft gebruikt ter gedeeltelijke vervanging van katoen en dat laboratoriumtesten aantonen dat dit proces tot zeven keer toe kan worden herhaald, net als papierrecycling.

    ‘Recycling is energie-intensief,’ zegt Foulkes-Arellano. ‘Als we verstandig zouden zijn zouden we gewoon alle oude denim en T-shirts in stukken knippen en tot nieuwe kleding verwerken. Ik bedoel, er zijn een heleboel echt goede bedrijven die geupcycled denim verkopen. Maar grote bedrijven willen nu eenmaal nieuwe stoffen.’

    Rademan denkt dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat iemand een versleten sweatshirt zal kunnen recyclen zoals een aluminium blikje. Volgens haar is er meer geïnvesteerd kapitaal nodig voor de bouw van recyclingfabrieken, meer bereidheid bij merken om gerecyclede vezels te kopen en meer bereidheid bij kledingfabrikanten om gerecyclede producten in hun aanvoerketen op te nemen. Volgens haar zal er ze pas over tien jaar gerust op kunnen zijn dat als ze een trui in de afvalbak gooit, die niet op een slechte plek terecht zal komen. Maar in de Verenigde Staten, zegt ze, is vooruitgang afhankelijk van het politieke landschap. ‘Het ligt er maar aan wie het voor het zeggen heeft.’ 

    Holding voorspelt dat het nog tot 2050 zal duren voordat textiel op wereldwijde schaal tot nieuw textiel wordt gerecycled. Hoewel Renewcell een belangrijke ontwikkeling is, is het volgens hem nog maar een druppel op een gloeiende plaat vergeleken bij de bestaande hoeveelheid te verwerken textiel en de hoeveelheid materiaal die er elk jaar bij wordt geproduceerd.

    Lees ook:

  • Hoe huurmode big business werd

    Hoe huurmode big business werd

    Een op de acht Britten koopt elke week een nieuwe outfit. Kan het huren van kleding onze verslaving aan wegwerpmode genezen – en is het wel zo goed voor het milieu als velen beweren?

    We zijn eraan gewend geraakt om in het huis van vreemden te verblijven via Airbnb, boeken te lenen via Kindle en gebruik te maken van betaal-voor-wat-je-rijdt clubjes van deelauto’s zoals Zipcar om naar Ikea te gaan, maar kleding huren was tot voor kort een relatief nieuwe ervaring.

    Dat zou wel eens kunnen veranderen aangezien een groot aantal merken en verkopers kledinghuur tot een levensvatbare optie voor vaste klanten heeft gemaakt. Zo voegde H&M een huurafdeling toe aan zijn vernieuwde winkel in Regent Street in Londen, terwijl M&S onlangs aankondigde het aanbod uit te breiden op verhuurplatform Hirestreet, waar het bedrijf een jaar geleden voor het eerst kledingstukken begon te verhuren. Ook LK BennettJohn Lewis en Jigsaw bieden hun klanten de mogelijkheid om online te huren in plaats van te kopen.

    Ook beroemdheden omarmen langzamerhand deze meer circulaire benadering van mode

    Elders lanceerde de luxe webwinkel MatchesFashion pasgeleden een collectie feestkleding van ontwerpers: een maliënkolderjurk van Paco Rabanne die voor 2500 pond, ruim 2800 euro, te koop is, kan gedurende vier dagen voor 219 pond worden gehuurd. In plaats van een meme-waardig tasje in de vorm van een chipszakje of chocoladeverpakking van het Britse accessoiremerk Anya Hindmarch aan te schaffen voor 995 pond, kun je er een huren voor 23 pond per dag.

    Ook beroemdheden omarmen langzamerhand deze meer circulaire benadering van mode. Eerder deze maand droeg Kate Middleton tijdens de Earthshot Prize in Boston een limoengroene Solace-jurk, gehuurd van het platform Hurr voor 74 pond, in plaats van die te hebben gekocht voor 350 pond. Acteur Priyanka Chopra Jonas en reality-tv-ster Kourtney Kardashian zijn fan van huurmode, net als Carrie Johnson, de vorige bewoner van Downing Street nr. 10. Haar complete garderobe voor de G7-top in 2019 was naar verluidt gehuurd, terwijl ze haar bruidsjurk van de Griekse ontwerper Christos Costarellos voor 45 pond per dag huurde bij My Wardrobe HQ.

    Schadeverzekering

    Tot nu toe richten de grootste spelers op de Britse verhuurmarkt voor mode – waaronder website Hurr en de app By Rotation – zich op het aanbieden van een selectie topmerken en ‘sweet-spot brands’, zoals de mode-industrie ze graag noemt – zoals Ganni en Rixo London, met verkoopprijzen van rond de 250 pond. Ging je het afgelopen jaar naar een bruiloft, dan droeg ten minste één gast gegarandeerd een bedrukte zijden jurk afkomstig uit deze groep. De huurprijs is meestal ongeveer 10 procent van de verkoopprijs, en de huurcontracten duren meestal vier dagen. Je kunt ook vaak een kleine schadeverzekering afsluiten, bijvoorbeeld voor gemorste wijn of een kapotte rits. Verhuur van grote merken begint al vanaf 7 pond per dag.

    Het Verenigd Koninkrijk gaat graag kledingshoppen. Volgens milieugroep Wrap koopt een op de acht mensen elke week een nieuw kledingstuk, terwijl de kledingkasten thuis circa 1,6 miljard stuks ongedragen kleding bevatten. Een kwart van wat we bezitten, hebben we al een jaar niet gedragen.

    Tot voor kort werd de huurmarkt grotendeels gevoed door Generatie Z, die over het algemeen bewust is over het milieu en de rechten van werknemers, maar die toch ook graag nieuwe kleding wil om mee te pronken op sociale media. Nu de kosten van levensonderhoud maar blijven toenemen, voelen consumenten zich steeds meer gedwongen te kiezen tussen duurzaamheid en prijs.

    Met dit in het achterhoofd blijkt 2022 een keerpunt te zijn geweest wat de verhuur van mode betreft. Volgens GlobalData, een bedrijf dat data analyseert, bedraagt de Britse markt voor kledingverhuur tegen het einde van het jaar naar verwachting 142 miljoen pond, met een groei van 62 procent in 2023 en een voorspelde groei van 164 procent in de daaropvolgende jaren tot 2026. Geen wonder dat de bekende merken ook graag mee willen doen.

    Cara, een dertigjarige financieel medewerker uit Londen, zegt dat ze liever grote merken huurt omdat dat voordeliger is. ‘Ik heb de duurdere verhuursites bekeken, maar voor 180 pond die ze daar vragen, kan ik een jurk kopen in plaats van huren. Het huren van bekende merken bespaart me geld.’

    De verhuur werkt op verschillende manieren. Het meest gebruikelijk is persoonlijke verhuur, waarbij mensen rechtstreeks van elkaar kleding lenen tegen betaling. Voor het aanbieden van hun garderobe brengt een platform de uitlener dan een commissie in rekening, meestal zo’n 10 tot 15 procent.

    Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes

    Er is ook een service die bekendstaat als ‘white label’ en die steeds populairder wordt. Hierbij gebruikt een detailhandelaar, zoals Jigsaw, een verhuurplatform (in het geval van Jigsaw is dat My Wardrobe HQ) dat de logistiek verzorgt maar het doet voorkomen alsof de klant rechtstreeks van de retailer huurt. Dit is een gemakkelijke manier om klanten aan te trekken die anders misschien afgeschrikt zouden worden door een specifieke verhuursite. In plaats van een ronde te moeten maken langs allerlei merken, navigeren ze op de site van een bedrijf waarmee ze al vertrouwd zijn.

    Victoria Prew, oprichter en CEO van Hurr, zegt dat haar bedrijf voor een hybride aanpak kiest. Naast het hosten van een grote persoon-tot-persooncommunity (artikelen moeten minder dan twee jaar oud zijn en meer dan 120 pond kosten) verricht Hurr alle ingewikkelde zaken zoals het organiseren van retourzendingen, het reinigen en opnieuw verzenden van elk artikel. Het bedrijf doet dat voor meer dan 130 merken, waaronder Hugo Boss. Hurr verzorgt ook de verhuur voor retailers als Selfridges, John Lewis en sinds kort ook Matches Fashion. ‘Wat inkomsten betreft groeien we met 700 procent op jaarbasis,’ zegt ze.

    Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes

    Met hun gelikte branding en glamoureuze reclamecampagnes verpersoonlijken deze platforms de Generatie Z-klant die ze hopen te lokken: denk aan met veren afgezette mini-jurkjes van 16 Arlington, torenhoge hakken van Prada en piepkleine tasjes van Jacquemus die zijn ontworpen om likes te krijgen op Instagram. Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes.

    Populaire verhuurders zoals Hirestreet, hanteren een bescheidener aanpak. Oprichter en CEO Isabella West zegt dat ze werd geïnspireerd om het bedrijf op te zetten nadat ze zich realiseerde dat er een gat in de markt was voor goedkopere verhuur. Naast M&S zijn er ook Britse ketens als French Connection en River Island te vinden. Daarnaast zijn er ook speciale collecties voor groot, klein of plus-size, uiteenlopend van de Britse maten UK 4 tot UK 32.

    ‘Wij zijn niet het bedrijf waar je heengaat als je 100 pond hebt om een jurk van 1000 pond te huren,’ zegt West. ‘Ons populairste aanbod op dit moment zijn twee jurken voor 30 pond. We doen dergelijke aanbiedingen omdat onze klanten lieten weten dat dit het bedrag is dat ze normaal gesproken in een winkel als H&M zouden uitgeven voor bijvoorbeeld kerst.’

    De kosten van levensonderhoud zijn duidelijk een drijvende kracht achter de populariteit van Hirestreet. Het begon in 2018 en nu heeft het bedrijf meer dan 1,5 miljoen gebruikers. Het biedt geen lopend abonnement; gebruikers kunnen kledingstukken huren van 4 tot 30 dagen. Mensen die sinds januari zijn aangesloten, huurden de afgelopen 10 maanden elk gemiddeld 10 keer.

    Weekendje weg

    ‘Vroeger gaven mensen misschien 5 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan mode, maar nu hebben ze 3 procent extra nodig voor essentiële zaken, zoals boodschappen,’ vertelt West. ‘Toch gaan ze nog steeds naar evenveel evenementen, terwijl ze minder hebben te besteden. Duurzaam zijn wordt voor hen steeds moeilijker.’

    Terwijl de meeste platforms zich richten op kleding voor evenementen zoals feesten en bruiloften, richt M&S zich met zijn nieuwste Hirestreet-aanbod op vrijetijdskleding, zoals blijkt uit de lancering van zes ‘capsulecollecties’ met namen als Autumn Warmth en Comfy Cool, bestaande uit onder meer hoodies, donzen jacks en jeans met rechte pijpen. De huurprijzen variëren van 39 pond voor 5 dagen tot 59 pond voor 30 dagen.

    ‘De huurmarkt wordt vaak geassocieerd met evenementen, maar we weten dat 35 procent van onze klanten ook iets eenvoudigers wil huren, zoals voor een weekendje weg,’ zegt Richard Price, managing director Clothing and Home van M&S.

    Met het opnemen van bestsellers in themacollecties, wil M&S laten zien ‘hoe basisartikelen kunnen worden gebruikt om tot 10 verschillende outfits te komen – perfect dus om meer uit je besteedbare budget te halen,’ aldus Price. De City Knits-capsule, die bestaat uit een jersey broek met wijde pijpen, een fleece gilet en een Bretonse gestreepte trui, is het populairst en is al tot januari in de meeste maten volgeboekt.

    Cara huurt behalve gelegenheidskleding sinds kort ook basiskleding, zoals T-shirts. ‘Momenteel moet ik beter nadenken over elke aankoop die ik doe. Ook het basics kosten veel geld en gezien de kwaliteit en de mate waarin ik ze zou dragen, zouden ze de winter niet overleven. Huren is duurzamer, maar ik heb nog wel steeds de onmiddellijke voldoening dat ik elk weekend iets nieuws aanheb.’

    Hurr is een gecertificeerde B Corporation, wat betekent dat het bedrijf voldoet aan gecontroleerde normen met betrekking tot sociale en milieuprestaties. Het streven naar duurzaamheid behelst onder meer een exclusief partnerschap met Oxwash – een stomerij die geen chemicaliën gebruikt – en verpakkingen die gemiddeld 30 keer kunnen worden hergebruikt. Dit betreft echter alleen de zaken die Hurr rechtstreeks beheert.

    Hoewel alle verhuursites beweren dat ze zich inzetten voor duurzame mode, valt dat moeilijk te meten

    Bij persoonlijk uitlenen moeten de uitleners zelf voor het transport van het kledingstuk zorgen, wat eventuele duurzaamheidsclaims over afname van de hoeveelheid kleding in de modecyclus verder bemoeilijkt. Sommige uitleners kopen namelijk specifiek kledingstukken om te verhuren, en dat leidt tot topuitleners die tot 20.000 pond per jaar verdienen. Is verhuren dan nog een duurzame bijverdienste? Dat wordt steeds vager.

    Vanessa, een schoonheidsspecialiste uit Londen, verdiende onlangs 1000 pond in een week en wil ‘dat momentum vasthouden’ in de aanloop naar de feestdagen. Ze zegt dat ze zich richt op ‘avondjurken, glitterdingen en dingen met veren – items die je één keer draagt’. Haar best presterende merken zijn The Vampire’s Wife, 16Arlington en Alessandra Rich. ‘De meeste mensen kunnen hun prijzen niet opbrengen, zegt ze, over winkelprijzen die gemiddeld rond de 1500 pond liggen. ‘Bij mij betaal je een fractie van de winkelprijs voor de huur.’

    Hirestreet een eigen magazijn in Glasgow heeft, waar het naar eigen zeggen de chemische reinigingsmiddelen tot een minimum beperkt en probeert het plastic afval van bijvoorbeeld kleerhangers te verminderen. Toch denkt West dat de grootste impact van verhuur schuilt in de verandering van consumentengedrag, vooral van de mentaliteit ‘één keer kopen, één keer dragen’.

    ‘Negentig procent van de CO2-afdruk van een artikel ontstaat in de productiefase. Het huren van een artikel biedt de mogelijkheid om dat te verdelen over elke persoon die het artikel draagt,’ zegt ze.

    In een moeilijk economisch klimaat biedt verhuur ook een enorme kans voor retailers. Cara zegt dat M&S over het hoofd zou hebben gezien voordat ze het merk via Hirestreet huurde. Een leren broek, gehuurd voor 32 pond in plaats van gekocht voor 179 pond, deed haar van gedachten veranderen. Bij Hirestreet kun je overigens ook vaak meerdere maten huren, en ongedragen kledingstukken leveren dan krediet op dat je kunt gebruiken voor toekomstige huurcontracten.

    Vijftig kledingstukken

    In 2020 sloot Oasis al haar winkels nadat bewindvoerders lieten weten de modeketen niet te kunnen redden. De kledingvoorraad werd verkocht aan herstructureringsbedrijf Hilco. Deze zomer groeide het merk uit tot een van de populairste op de site van Hirestreet.

    ‘Veel van onze klanten zoeken op gelegenheid in plaats van op merk,’ zegt West. ‘We bevelen ze een selectie van zo’n vijftig kledingstukken aan. Ze kijken eerder naar een stijl dan naar een label. Ze kozen er misschien niet voor om naar de website van een bepaald merk te gaan, dus wij kunnen fungeren als de perfecte herintroductie tot een merk.’

    Kan modeverhuur een manier zijn om winkelketens toekomstbestendig te maken in een onzekere markt, gezien de berichten over leeglopende stadscentra en winkelsluitingen? Nu veel merken op verschillende locaties al wekenlang geboekt zijn, is dit misschien wel de oplossing waar de sector naar hunkert. De tijd en de sociale media zullen het uitwijzen.

    Lees ook:

  • Duurzame mode bestaat niet

    Duurzame mode bestaat niet

    Iedere consument zou moeten weten dat er 7500 liter nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek. En dat de kledingindustrie een van de vervuilendste industrieën ter wereld is. Niet de voetafdruk maar de prijs bepaalt nog altijd het dwangmatige koopgedrag van het winkelend publiek.

    Onderzoek wijst uit dat de kledingindustrie haar ecologische voetafdruk moet verkleinen. Een verplichting die een ingrijpende verandering vereist van de productie- en marketingmethodes van de branche, maar ook van ons consumptiegedrag.

    De cijfers over de CO2-afdruk van de mode-industrie zijn het gesprek van de dag op Instagram en TikTok. De sector is goed voor 10 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgas. Het is waarschijnlijk een van de vervuilendste industrieën ter wereld, na de energie- en de voedingsmiddelensector. Iedere consument zou moeten weten hoeveel water er nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek: 7500 liter. De stranden van Ghana zijn vervuild door tonnen gebruikte kleding, terwijl de Atacama-woestijn in Chili een treurige reputatie geniet als gigantische dumpplaats van tweedehandskleding, het niet-gerecyclede overschot van de 59.000 ton aan kledingstukken die jaarlijks in de haven van Iquique arriveert. Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand. 

    Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand

    Het woord ‘duurzaam’ ligt tegenwoordig op ieders lippen. De Franse start-up Circle Sportswear, in 2019 opgericht door Romain Trébuil, maakt zijn kleding van ‘gerecyclede of recyclebare materialen’, waaronder lyocell, een stof die gemaakt is van cellulose. ‘Het milieu zo min mogelijk belasten, dat is de plicht van onze generatie,’ zegt Adrien Garcia, oprichter van de modesite Réuni die gespecialiseerd is in pre-orderverkoop. En om hun clientèle te behouden die haar consumptie steeds meer wil vergroenen, beginnen ook de grootste kledingfabrikanten en -distributeurs op het gebied van ‘fast fashion’ zich aan te passen.

    De Amerikaanse jeansfabrikant Levi’s heeft sinds april 2021 een nieuwe slogan: ‘Buy better, wear longer’. ‘Wereldwijd is de kledingconsumptie de afgelopen vijftien jaar verdubbeld. Dat kunnen we helpen veranderen door te mikken op betere kwaliteit,’ aldus de fabrikant van de 501 in een reclamespot. ‘We hebben het nu voor het eerst openlijk over duurzaamheid. Maar daar is onze bedrijfscultuur al meer dan dertig jaar op gericht,’ verzekert Diana Dimitian, adjunct-directeur van Levi’s Zuid-Europa. Het Spaanse Inditex, het grootste kledingbedrijf ter wereld, nodigt zijn klanten uit om hun oude kleding voor recycling in te leveren bij een van zijn acht ketens, waaronder Zara. Het Zweedse H&M, ook een grote speler op de fastfashionmarkt, heeft eveneens bakken neergezet die bestemd zijn voor recycling. Geef ons uw oude spijkerbroek in ruil voor een tegoedbon, aldus de distributeur van goedkope kleding.

    En alle grote merken verzekeren dat ze hun toevlucht zullen nemen tot minder vervuilende materialen. Inditex belooft vanaf 2023 in al zijn Zara-winkels alleen nog maar duurzame katoen aan te bieden en vanaf 2025 alleen nog linnen of gerecyclede polyester. H&M zal tussen nu en 2030 volledig overstappen op duurzame materialen. Het Duits-Nederlandse C&A gebruikt al meer dan tien jaar biokatoen, om ‘ons milieu, de katoenproducenten en hun leefomgeving te beschermen’. Het Japanse Fast Retailing belooft aanpassingen op het gebied van zijn beroemde gewatteerde Uniqlo-jacks; in 2020 heeft het merk een voor 100 procent gerecycled jack gelanceerd. Het moederbedrijf garandeert dat zijn CO2-uitstoot in 2050 zal zijn teruggebracht tot nul, en dat in 2030 de helft van de kleding deels van gerecyclede vezels zal worden gemaakt.

    Taboeonderwerp

    Het meest luxe en modieuze segment blijft niet achter. Het LIFE-programma van de Franse groep LVMH (Louis Vuitton Moët Hennessy) richt zich met name op de strijd tegen klimaatverandering en belooft een groter beroep te zullen doen op de kringloopeconomie, terwijl Kering (met onder andere Balenciaga, Brioni, Gucci en Yves Saint Laurent) zegt zich ‘vooral op de aanvoerketen te concentreren’, omdat ‘het behoud van de biodiversiteit en het verkleinen van onze ecologische voetafdruk beginnen bij het “sourcen” van grondstoffen’.

    Toch gaan er steeds meer stemmen op, onder meer van Maxine Bédat van de Amerikaanse denktank New Standard Institute, die zeggen dat dit allemaal niet genoeg is. ‘Omdat duurzame mode geen kwestie van grondstoffen is,’ verduidelijkt Guillaume Declair, medeoprichter van het Franse merk Loom. ‘De hele sector geeft hoog op van de kringloopeconomie en het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Maar als je ziet hoe weinig van alles wat er wordt verkocht gerecycled is, is kringloopmode geen oplossing. Er is een paradigmaverschuiving nodig, een andere manier van produceren,’ meent Elisabeth Laville, oprichter van het adviesbureau Utopies, dat bedrijven begeleidt bij de transitie naar een duurzame toekomst.

    Akkoord van Parijs

    Om zich te houden aan het Akkoord van Parijs van 2015, dat bepaalt dat de gemiddelde temperatuur van de planeet ten opzichte van het pre-industriële tijdperk met niet meer dan 2 graden mag stijgen, zou de kledingproductie tot 2050 met twee derde moeten worden teruggebracht. Maar welk merk is bereid om zijn productie en verkoop te verminderen? Om zich van zijn gematigde kant te laten zien? ‘De groei van het aantal verkochte producten blijft de norm,’ zegt Dimitri Caudrelier, algemeen directeur van adviesbureau Quantis; hij pleit ervoor ‘vraagtekens te zetten bij de businessmodellen van de industrie’. Volgens deze specialist op het gebied van de klimaatstrategie van bedrijven ‘is het onderwerp volume 
    nog altijd taboe in de bedrijfstak’.

    Dat blijkt wel uit het Fashion Pact dat in 2019 werd ondertekend op instigatie van de Franse president Emmanuel Macron, na de G7-top in Biarritz. Meer dan tweehonderd internationale merken zegden toe ‘hun gebruik van milieuvriendelijke materialen tot 2025 met 25 procent te verhogen, en hun gebruik van duurzame energie tot 2025 met 50 procent en tot 2025 met 100 procent’. De overige afspraken gaan over biodiversiteit en de bescherming van de oceanen ‘door beperking van de hoeveelheid plastic verpakkingsmateriaal’. Tot de ondertekenaars behoorde een aantal luxe merken, zoals Chanel, Saint Laurent en Gucci, maar ook merken voor een groter publiek, zoals Adidas, Decathlon, Mango en H&M.

    ‘Maar het Fashion Pact rept met geen woord van fast fashion,’ zegt Elisabeth Laville. ‘Die term komt niet eens in de tekst voor. Dit pact is hooguit een poging om de milieu-impact van fast fashion te beperken. Het lijkt wel of ze hun economische model willen bestendigen zonder er vraagtekens bij te zetten. Dat is ontoelaatbaar,’ zegt ze, verwijzend naar ‘de grote jongens die hun businessmodel niet willen loslaten, ook al is het achterhaald’. Oftewel de grootschalige productie in lage-lonenlanden en de permanente vernieuwing van hun winkelcollecties.

    Ook bij Quantis leeft ergernis. ‘Leidt het Fashion Pact tot een vermindering van de ecologische voetafdruk? Ja, dat is het voornaamste doel. Maar tot een volumeverlaging? Nee,’ zegt Dimitri Caudrelier geïrriteerd. Alma Dufour, woordvoerder van de Franse milieu- en mensenrechtenbeweging Amis de la Terre, noemt het Fashion Pact ‘de grootste grap van de sector. Wie kan geloven dat ze hun CO2-uitstoot zullen reduceren door het gebruik van meer biokatoen en meer ledlampen in hun winkels?’ 

    Prijs bepaalt

    Wat moet er dan gebeuren? De kleding-productie terugverhuizen naar Europa? ‘Door in Frankrijk te produceren in plaats van in China kunnen we de CO2-voetafdruk van de kledingindustrie halveren,’ stelt het Franse verbond van kledingproducenten. Op papier heeft ‘made in France’ alleen maar voordelen. Sommige Franse producenten hebben hun productie al terugverhuisd, in navolging van FashionCube, een groep kledingmerken van het Franse familiebedrijf Mulliez dat afgelopen februari een jeansfabriek heeft geopend in de buurt van de Noord-Franse stad Tourcoing.

    Maar veel Franse merken lopen tegen aanvoerproblemen op. ‘De nationale leveranciers van onze basismaterialen blijven in gebreke,’ zegt een vertegenwoordiger van een confectiebedrijf. Bovendien bieden niet alle sectoren van de kledingmarkt ruimte voor de extra kosten van productie in eigen land. Zo kosten de jeans van FashionCube in Tourcoing 60 euro, wat tweeënhalf keer zo duur is als de gemiddelde vrouwenjeans die in Frankrijk worden verkocht.

    Kunnen we nu zeggen dat de duurzame mode is aangepast aan de economische realiteit van de kledingmarkt? Want de keus van de consument wordt nog altijd bepaald door de prijs. Voor 41 procent van de Fransen is de prijs het eerste aankoopcriterium, terwijl maar 4 procent de voorkeur geeft aan het ecologische en ethische aspect. Tweedehandskleding, die vaak als een middel tegen milieukwalen wordt gezien, ontsnapt niet aan dit fenomeen: 70 procent van de Fransen koopt die om economische redenen.

    Dat is niet erg, volgens Elisabeth Laville, die voorspelt dat de prijs ‘geen obstakel zal zijn voor een duurzamer aankoopgedrag’. Als we haar mogen geloven, zou in de toekomst ‘om zowel economische als ecologische redenen’ kunnen worden gekozen voor een duurzamere modeconsumptie, zoals dat op vervoersgebied met autodelen gebeurt. Alles zou in dat geval afhangen van de mate waarin het consumptiegedrag kan worden aangepast.

    Overconsumptie

    Eenvoudig zal dat niet zijn. Want de goedkope mode heeft ons gedrag ingrijpend veranderd. De marketingmethodes van de fast fashion op sociale media zetten ertoe aan om te kopen zonder rekening te houden met je behoeften, dus tot overconsumptie. En de neurowetenschap heeft aangetoond hoezeer die methodes ons zelfbeeld strelen en onze dopamine, het hormoon van de onmiddellijke behoeftebevrediging, activeren. Onze hersenen ‘zijn een vijand van de planeet’, oppert neurowetenschapper Sébastien Bohler in zijn essay Le bug humain. 

    Er moet een remedie komen tegen ‘dwangmatig koopgedrag’, zegt Dimitri Caudrelier. En een manier om de consumenten te genezen van de boulimie die zich van hen meester kan maken wanneer ze de Primark binnenlopen, het Ierse merk dat ‘ongelooflijke mode voor ongelooflijke prijzen’ belooft, of wanneer ze op de Chinese site Shein klikken, het walhalla voor pubers.

    Diverse milieubewegingen beijveren zich ervoor de sector aan banden te leggen. Zo bepleit Greenpeace een verbod op reclame die schadelijk is voor het milieu ‘door het creëren van kunstmatige waarden, zoals het associëren van koop- en consumptiegedrag met zelfverwezenlijking en plezier’. Het collectief En Mode Climat, afkomstig uit de Franse kledingsector zelf, dringt ook aan op ‘bestraffing van strategieën die de consumptie sterk aanwakkeren’. Bijna vierhonderd Franse kledingbedrijven hebben zich aangesloten bij deze in 2021 opgerichte beweging, die ‘meer regulering’ eist en voorstelt de huidige Franse milieubijdrage van 6 cent per kledingstuk te verhogen tot 5 euro in 2025 voor de vervuilendste kledingmerken.

    Zijn dit allemaal zoete dromers in een gemondialiseerde sector? De Ellen MacArthur Foundation, opgericht door en vernoemd naar de voormalige Britse zeilster, pleit voor een andere weg, die van de persoonlijke kringloopeconomie: ze roept consumenten op te dragen wat ze in hun kast hebben hangen of liggen. Vaker en langer. 

  • Ethiopië wil de volgende textielreus worden

    Ethiopië wil de volgende textielreus worden

    Met miljarden aan Chinees kapitaal denkt Ethiopië de concurrentie aan te kunnen met goedkope kledingproducenten in Azië. Tenzij er een burgeroorlog komt.

    Opgetogen staat Raghav Pattar, vicedirecteur van Indochine International, in het zonnige kantoor van de splinternieuwe fabriek van dit kledingbedrijf. Het is november, nauwelijks een half jaar sinds Hawassa Industrial Park werd geopend en er zijn al veertienhonderd lokale arbeiders aan het werk. Pattar streeft ernaar om in 2019 twintigduizend Ethiopiërs in dienst te hebben. ‘Twee jaar geleden was de grond waar deze fabriek op staat nog landbouwgrond,’ vertelt hij. ‘Welk land kan in twee jaar tijd zo snel veranderen? Ethiopië!’

    Pattar is een enthousiaste immigrant uit India, die ook in Bangladesh en Egypte in de kledingindustrie heeft gewerkt. Vanuit het raam van zijn kantoor heeft hij zicht op de fabrieksvloer, waar tientallen vrouwen zomen naaien, logo’s stempelen en ondergoed aan het persen zijn voor Warner’s, een merk dat voornamelijk bij Walmart wordt verkocht. ‘De overheid werkt enorm mee,’ zegt hij. ‘Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week hebben ze hier mensen aan het werk gezet om dit complex mogelijk te maken. En er is geen corruptie. Helemaal niet!’

    Hawassa Industrial Park werd heel snel gebouwd, dankzij een Chinees staatsbouwbedrijf dat in hoog tempo 56 identieke rood-grijze metalen grote loodsen neerzette, waar volgens de Ethiopian Investment Commission in negen maanden tijd al voor 250 miljoen dollar textiel is geproduceerd. Maar Pattar is zo enthousiast omdat hij Belay Hailemichael op bezoek heeft, de vriendelijk pratende manager die de leiding heeft over het centrale helpcentrum. Belay helpt bedrijven aan import- en exportvergunningen en visa voor hoger personeel en stroomlijnt de aanvoer van nieuwe arbeidskrachten. Dat zijn vooral vrouwen, die een lange stoffige busreis uit hun dorpje achter de rug hebben en urenlang hebben gewacht om te solliciteren naar een baan met een basissalaris van 25 dollar per maand. Het helpcentrum test hun handvaardigheid en verdeelt ze in drie categorieën: de getalenteerden, die achter de naaimachine komen te zitten en de minder getalenteerde ‘tweetjes’ en ‘drietjes’, die dozen moeten inpakken en de vloer moeten aanvegen.

    Ethiopische arbeidsters aan het werk in een fabriek van het Chinese schoenenbedrijf Huajian vlak bij de hoofdstad Addis Abeba. Het is een van de grootste schoenenfabrieken ter wereld. – © HH
    Ethiopische arbeidsters aan het werk in een fabriek van het Chinese schoenenbedrijf Huajian vlak bij de hoofdstad Addis Abeba. Het is een van de grootste schoenenfabrieken ter wereld. – © HH

    We staan aan het begin van een nieuw tijdperk in de kledingindustrie. Dit door droogte geteisterde, nergens aan zee grenzende land met honderd miljoen inwoners in de Hoorn van Afrika komt onder in de distributieketen te staan die zogenaamde fast fashion en sportsokken van ‘vijf voor een tientje’ produceert. Gelokt door belastingvoordelen, beloofde investeringen in de infrastructuur en zeer goedkope arbeidskrachten zijn landen waar de westerse wereld eerst hun productie naartoe verhuisden, met name China en Sri Lanka, nu de tussenpersonen geworden die de productie hier opvoeren voor Guess, Levi’s, H&M en andere merken. Deze ondernemingen waarderen Ethiopië omdat de regering hun zo veel goedkope arbeidskrachten en belastingvoordelen levert als ze maar willen. De opening van het Hawassa Industrial Park is slechts het recentste onderdeel van een uitgebreid gecentraliseerd programma: sinds 2014 heeft Ethiopië vier reusachtige door de staat gerunde industrieterreinen geopend, en er staan er tot 2020 nog acht in de planning.

    De ondernemingen die zich hier vestigen zijn de eerste vijf jaar gevrijwaard van inkomensbelasting en hoeven ook geen belasting te betalen op de import van kapitaalgoederen en bouwmateriaal. Ethiopië kan zo gul zijn omdat het land heel veel geld uit China ontvangt: volgens het China Africa Research Initiative aan de John Hopkins University School of Advanced Studies 10,7 miljard dollar aan leningen tussen 2010 en 2015. Nu wordt veel van dat geld besteed aan lucratieve contracten met Chinese bedrijven die met behulp van Ethiopische arbeidskrachten dammen, wegen en mobiele netwerken aanleggen. Met deze infrastructuur zal het land volgens de Ethiopische regering bij de mondiale middenklasse gaan behoren. ‘Het plan is dat er eind 2025 in totaal 2 miljoen banen gecreëerd zijn in de verwerkende industrie,’ aldus Belachew Mekuria van de Ethiopian Investment Commission. ‘We zijn nu een agrarisch land, maar dat gaat veranderen.’

    Burgeroorlog

    Tenzij er eerst een burgeroorlog komt. Tijdens de Olympische zomerspelen in Rio de Janeiro van 2016 vroeg marathonloper Feyisa Lilesa aandacht voor de crisis waar zijn land in verzeild dreigde te raken. Toen hij als tweede over de eindstreep kwam, hief hij zijn armen in een ‘X’ – een antiregeringssymbool. Feyisa behoort tot de grootste etnische groep in het land, de Oromo. Sinds 2015 organiseren de Oromo massademonstraties om hun ongenoegen te uiten over onder andere de landroof van boeren ten behoeve van door de autocratische regering geplande fabrieken. De Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) heeft de macht in het parlement en beweert alle meer dan zeventig etnische groepen van Ethiopië te vertegenwoordigen, maar in de praktijk hebben vooral Tigray het voor het zeggen, die slecht zes procent uitmaken van de bevolking. De afgelopen jaren zijn tijdens onlusten honderden Oromo omgekomen, fabrieken afgebrand en veel dissidenten in de gevangenis beland.

    Half februari verraste de Ethiopische regering het land door honderden gevangen vrij te laten – een verzoenend gebaar naar de Oromo en misschien ook naar de investeerders van wie de transitie in Ethiopië afhankelijk is. Bovendien trad premier Haile Mariam Desalegne af.

    Het Hawassa Park heeft tot weinig protesten geleid. De vijfhonderd kleinschalige boeren die het veld moesten ruimen voor het industrieterrein, dat vlak buiten het stadje Hawassa ligt, zijn Sidama, een etnische groep die weinig politieke invloed heeft. Maar hun beschuldigingen van landroof zijn een herhaling van de aanklachten van de Oromo. Urese Dinsa (69), een boer en voormalig voorzitter van de kieswijk waar het terrein nu gesitueerd is, zegt dat hij erin werd geluisd met de belofte van 37.000 dollar en banen voor zijn kinderen in ruil voor het achterlaten van het stukje grond van 1 hectare waarop hij zeventien jaar had verbouwd. Hij merkt op dat in het begin veel van hun stukje grond verdreven vrouwen werk in de fabriek konden bemachtigen, maar dat nu nog niet eens tien procent daar nog werkt. Ze zijn niet gewend aan de strak geregelde werkdagen. ‘Ze krijgen maar een half uur om te lunchen,’ vertelt Urese. ‘Ze hebben pijn in hun rug. Ze zijn doodmoe. Van dat werk wordt iedereen ziek.’

    Veel van de managers op het industrieterrein – vooral Sri Lankanen die zijn ingevlogen om de efficiënte werkmethoden over te brengen die in de naaiateliers in hun land zijn ontwikkeld – zouden die kritiek zien als een illustratie van een van hun belangrijkste klachten: de geschiedenis van Ethiopië heeft zijn burgers niet geschikt gemaakt voor de ontberingen van de industrie. ‘Ethiopië is nooit gekoloniseerd geweest,’ legt David Müller uit, die uit Sri Lanka was overgekomen om personeelsmanager te worden van Hela Indochine, een Chinees-Sri Lankaans kledingbedrijf in een van de loodsen op het industrieterrein. ‘Daar zijn ze trots op en dat brengt een zekere opstandigheid met zich mee.’

    Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopische Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren

    Efficiency is een probleem en Müller is strikt. Al zijn werknemers krijgen eerst een vijfdaags introductieprogramma waarin de nadruk wordt gelegd op persoonlijke hygiëne, persoonlijke verzorging en discipline. ‘Het is een lastig proces,’ vertelt Müller, ‘en soms pikken ze het niet op.’

    Een Ethiopische vrouw met een afgeronde opleiding, die anoniem wil blijven omdat ze represailles vreest, beschrijft hoe ze in een depressie geraakte nadat ze zes weken lang leiding had gegeven aan veertig vrouwen die aan een productielijn werkten waar broeken werden gemaakt. ‘Steeds als de vrouwen een doel niet haalden, begonnen de bazen te schreeuwen,’ vertelt ze. Als gevolg hiervan gingen de vrouwen langzamer werken, verstopten ze zich op het toilet of gingen buiten een luchtje scheppen in plaats van dat ze harder gingen werken. Ze heeft vaak gezien dat een naaister op haar rug werd geslagen. Als ze op hun enige vrije dag moesten werken of moesten overwerken, kregen ze niet het beloofde extra loon. (Pattar zegt niets te weten van problemen met de betaling of van mishandelingen.) ‘Ik zei tegen mijn chefs: “Die vrouwen zijn niet opgeleid of geschoold. Je kan niet verwachten dat ze honderdtwintig broeken per uur afleveren. Als je ze opjaagt, zullen ze alleen maar slechte producten afleveren.”’ Ze nam ontslag en werkt nu als receptioniste in een hotel waar ze 63 dollar per maand verdient, iets meer dan in de fabriek.

    Bijna net zo lastig als het leidinggeven aan niet-opgeleide arbeidskrachten die in een hoog tempo goederen moeten produceren is het om die goederen de fabriek uit te krijgen. Hawassa Industrial Park ligt 270 kilometer van de hoofdstad Addis Abeba en 1000 kilometer van de dichtstbijzijnde haven in Djibouti. Het ligt dus eigenlijk enorm afgelegen. Alemayehu Geda, een econoom verbonden aan de universiteit van Addis Abeba, denkt dat, hoewel de bedrijven het industrieterrein dichterbij de haven gebouwd hadden willen hebben, ‘de regerende partij de indruk wil wekken dat ze iedereen tevreden proberen te stellen’.

    Het transport naar de kust zou binnenkort al sneller kunnen. De China Civil Engineering Construction Corp. heeft een 3,4 miljard dollar kostende, 750 kilometer lange spoorweg aangelegd van de hoofdstad naar Djibouti. Die is sinds januari al in gebruik voor passagiers, maar het vrachtvervoer kan pas van start gaan als de politieke onrusten voorbij zijn. Voorlopig moeten Hawassa’s fabrikanten hun goederen per vrachtwagen naar de haven vervoeren. Dat is een ramp. De route loopt dwars door het woongebied van de Oromo. Demonstrerende boeren blokkeren urenlang het verkeer. Uitgebrande bussen en vrachtwagens liggen verspreid over het droge landschap en botsingen tussen grote vrachtwagens en kamelen komen regelmatig voor. Bovendien zijn er drie douaneposten met steeds heel veel papierwerk. Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren. Het gevolg is dat chauffeurs twee of drie dagen vast komen te zitten bij een douanepost en in hun vrachtwagen moeten slapen.

    Ook levert het problemen op als je Ethiopische spullen wilt kopen. Een Sri Lankaans bedrijf dat overhemden produceert, de Hirdaramani Group, importeert iedere maand vijf scheepscontainers met kartonnen dozen uit hun eigen land. ‘Als je ze in Ethiopië koopt,’ legt manager Gayan Nanayakkara uit, ‘zitten er nietjes in en dan komen ze bij de douane niet langs de metaaldetector.’

    Dat zou in theorie een kans zijn voor kleine, lokale ondernemingen. In 2014 begon de Wereldbank een project van 270 miljoen dollar om ‘de Ethiopische competitiegeest’ aan te wakkeren, deels door ‘de banden tussen de industriële zone en de lokale economie te versterken’. Maar daarvoor moeten culturele verschillen worden overbrugd. Al langer dan drie jaar is de Wereldbank zeven binnenlandse bedrijven – producenten van dozen, knopen en afgewerkt leer – aan het klaarstomen voor hun entree in de mondiale distributieketen. Susan Kayonde, een ontwikkelingsspecialist bij de Wereldbank, schreef in een e-mail dat ‘de impact van onze steun (bijvoorbeeld hogere verkoopcijfers, toegenomen werkgelegenheid) pas over drie tot zes maanden gemeten kan worden’. De nieuwe bedrijven zijn net begonnen met het aanschaffen van machines en het opleiden van werknemers.

    Het verschil tussen het initiatief van de Wereldbank en de leningen van de Chinese regering is dat bij die leningen geen filantropische richtlijnen zitten, die op zijn minst de illusie wekken dat Ethiopië zijn eigen groei controleert. Stefan Dercon, een ontwikkelingseconoom aan de Universiteit van Oxford die onlangs een jaar lang onderzoek heeft gedaan bij Ethiopische fabrieken, vreest dat het land ‘tegen de wind in vaart en kan omslaan. Ik vind echt dat ze zouden moeten minderen met de leningen en de ontwikkeling van de infrastructuur.’ Hij is echter wel voorstander van meer industrie in Ethiopië. ‘Als meer buitenlandse bedrijven zich daar vestigen en gaan concurreren bij de werving van personeel, zullen uiteindelijk de lonen omhooggaan,’ aldus Dercon. Tot dan is een baan in de fabriek beter dan het alternatief: ‘Die vrouwen zullen anders de hele dag niets anders doen dan van koeienvlaaien brandstofplaggen maken.’

    ‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’

    Alemayehu is sceptisch. Volgens hem zullen de industrieterreinen in Ethiopië het niet redden. Ik heb een artikel gelezen over een Chinees schoenenbedrijf, Huajian,’ vertelt hij. ‘Hun logistieke kosten zijn verachtvoudigd in Ethiopië. ‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’ Alemayehu heeft de bewering van zijn regering dat de economie jaarlijks elf procent zou groeien tegen het licht gehouden, en schat dat de werkelijke groei ongeveer zes procent zal zijn. Hij hekelt de regering voor haar pogingen om buitenlandse investeerders te lokken door haar munteenheid te devalueren. Vorig jaar oktober bijvoorbeeld verlaagde het land de waarde van de birr met vijftien procent. ‘Ik heb honderd exportfirma’s geïnterviewd,’ zegt hij, ‘en niemand noemde de wisselkoers een probleem. Iedereen noemde de logistiek en de bureaucratie als de grote problemen in Ethiopië. Door de birr te devalueren worden alleen de armen getroffen. De voedselprijzen zijn al gestegen.’

    Desalniettemin zijn sommige jonge arbeiders razend enthousiast. ‘We hebben het nu beter in de stad,’ vertelt een arbeidster die broekzomen naait voor Indochine. (Ze vroeg om niet haar naam te vermelden.) Ze is met zeven broertjes en zusjes opgegroeid op een boerderij met 1 hectare grond op tachtig kilometer van de stad en deelt nu een kamer met een andere arbeidster in een betonnen flat met een golfplaten dak in een buitenwijk van Hawassa. ‘Ver weg van de stad kunnen we ons niet schoon en netjes houden. En we doen hier ervaring op,’ zegt ze.

    Ze hoopt dat ze ooit een zelfstandige kleermaakster kan worden. Haar maandsalaris bedraagt 23,70 dollar, plus 7,30 dollar voor maaltijden en als ze elke dag aanwezig is geweest, een aanwezigheidsbonus van 7,30 dollar. Haar deel van de huur is 9 dollar per maand, dus dan houdt ze 29,30 dollar over als ze haar bonus heeft gekregen. Ze geeft per dag ongeveer 50 cent uit aan eten en houdt maar net genoeg geld over om wasmiddel en vervoer naar de kerk te kunnen betalen. ‘Wasmiddel is duur,’ zegt ze.

    Onlangs heeft ze een dag moeten missen op haar werk omdat ze kou had gevat. Toen kreeg ze haar bonus niet en ze is bang dat ze nu schulden moet maken. Haar kamer wordt verlicht door één enkel bungelend peertje. Ze slaapt op het kale beton en ook de muren zijn bijna helemaal kaal, op een doek na waarop staat: ‘Of ik nu een makkelijk of een moeilijk leven heb, ik ben God dankbaar.’

    Auteur: Bill Donahue
    Vertaler: Paul Bruijn

    Bloomberg Businessweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 980.000

    Businessweek schrijft zinnig en intelligent over het zakenleven wereldwijd.* Aarzelt niet om een mening te geven of standpunt in te nemen.* Sinds 2009 onderdeel van Bloomberg News, met 15.000 medewerkers.