Tag: klooster

  • Deze kungfu-nonnen breken met conventies in Nepal

    Deze kungfu-nonnen breken met conventies in Nepal

    In het Himalayaanse boeddhisme werden nonnen lange tijd in hun religieuze rol beperkt door regels en genderbarrières. Nu brengt één religieuze groep daar verandering in, door meditatie te combineren met vechtkunst en milieuactivisme.

    Boven de besneeuwde toppen van de Himalaya priemen de eerste zonnestralen door de wolken. Jigme Rabsal Lhamo, een boeddhistische non, trekt van achter haar rug een zwaard tevoorschijn. Met een zwaai slaat ze haar tegenstander tegen de grond.

    ‘Houd je ogen op het doel! Concentreer je!’ schreeuwt Lhamo tegen de gevloerde non, terwijl ze haar recht in de ogen aankijkt. We bevinden ons buiten bij een witgekalkte tempel in het Druk Amitabha-nonnenklooster. Het gebouw staat op een heuvel die uitkijkt over Kathmandu, de hoofdstad van Nepal.

    Lhamo en de andere leden van haar religieuze orde staan bekend als de kungfu-nonnen. Ze maken deel uit van een achthonderd jaar oude boeddhistische sekte die Drukpa heet, wat in het Tibetaans ‘draak’ betekent. In de Himalaya, maar ook in de rest van de wereld, combineren volgelingen van de sekte meditatie met vechtkunst.

    Elke dag verruilen de nonnen hun donkerrood gewaad voor een kastanjebruin uniform en beoefenen ze de eeuwenoude Chinese vechtkunst kungfu. Onderdeel van hun spirituele missie is het streven naar gendergelijkheid en fysieke fitheid. Hun boeddhistische geloof schrijft bovendien voor dat ze een milieuvriendelijk leven leiden.

    Tijdens de ochtenden waarop de nonnen trainen onder leiding van Lhamo, klinkt het gedreun van voetstappen en het gekletter van zwaarden. De wijde uniformen van de nonnen ritselen door de ruimte als ze radslagen maken en elkaar stoten en trappen uitdelen.

    Genderbarrières

    ‘Kungfu helpt ons om genderbarrières te doorbreken en zelfvertrouwen te ontwikkelen,’ zegt Lhamo (34), die twaalf jaar geleden naar het nonnenklooster kwam vanuit Ladakh, in het noorden van India. ‘Het leert ons ook voor anderen te zorgen in tijden van crisis.’

    Zo lang als boeddhistische geleerden zich kunnen herinneren, rustte er een stigma op Himalayaanse nonnen die streefden naar spirituele gelijkwaardigheid ten opzichte van monniken. Dat stigma werd veroorzaakt door de ideeën van religieuze leiders en algemene sociale conventies.

    Monniken werden aangemoedigd om diepzinnige filosofische debatten aan te gaan, maar vrouwen mochten niet deelnemen. Ze mochten alleen klusjes doen als koken en schoonmaken in kloosters en tempels. Ze mochten geen activiteiten verrichten waarbij fysieke inspanning nodig was, geen gebeden leiden en zelfs niet zingen.

    In de afgelopen decennia zijn deze belemmeringen onderwerp geworden van een hevige strijd. Deze wordt gevoerd door duizenden nonnen, afkomstig uit vele verschillende sekten van het Himalayaanse boeddhisme.

    Aan het hoofd van de strijd om verandering staan de kungfu-nonnen, wier Drukpa-sekte dertig jaar geleden onder leiding van Jigme Pema Wangchen een hervormingsbeweging begon. Wangchen, die ook wel bekendstaat als de twaalfde Gyalwang Drukpa, was bereid eeuwenlange tradities te doorbreken. Hij wilde ervoor zorgen dat nonnen de religieuze boodschap van de sekte buiten de kloostermuren zouden uitdragen. ‘We willen grote veranderingen teweegbrengen,’ aldus kungfu-non Konchok Lhamo (29). ‘In een klooster op een kussen zitten en mediteren is niet genoeg.’

    Conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken

    Vandaag de dag houden Drukpa-nonnen zich niet alleen bezig met kungfu. Ze leiden ook gebeden en maken maandenlange pelgrimstochten om plastic afval op te rapen en mensen in te lichten over klimaatverandering.

    Afgezien van een corona-gerelateerde onderbreking hebben de nonnen de afgelopen twintig jaar elk jaar ruim tweeduizend kilometer gefietst om duurzaam vervoer te promoten. De reis begint in Kathmandu en eindigt in Ladakh, een hoog in het Himalaya-gebergte gelegen streek. Onderweg stoppen de nonnen om mensen op zowel het Nepalese als Indiase platteland voor te lichten over gendergelijkheid en over het feit dat ook meisjes ertoe doen.

    In 2008 kwamen de nonnen van de sekte voor het eerst in contact met de vechtkunst. Ze leerden erover van volgelingen uit Vietnam, die naar het klooster waren gekomen om geschriften te bestuderen en de instrumenten te bespelen die tijdens het gebed worden gebruikt. Sindsdien zijn ongeveer achthonderd nonnen getraind in de basisbeginselen van de vechtkunst. Zo’n negentig van hen hebben een intensief lesprogramma doorlopen om trainer te worden.

    De twaalfde Gyalwang Drukpa heeft de nonnen ook opgeleid tot zangmeesters, een post die vroeger alleen aan mannen was voorbehouden. Bovendien zorgde hij ervoor dat ze het hoogste niveau van onderwijs kregen: mahamudra. Het is een geavanceerd meditatiesysteem dat zijn naam ontleent aan het Sanskriet woord voor ‘grote zegel’.

    De nonnen genieten inmiddels grote bekendheid, zowel in het overwegend Hindoestaanse Nepal – dat voor ongeveer 9 procent uit boeddhisten bestaat – als in het buitenland. Maar de veranderingen die de sekte teweegbrengt, worden niet zonder slag of stoot geaccepteerd: conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken.

    ‘Ons leven wordt beperkt door heel veel regels; die gaan zelfs over wat voor zakken je in je gewaad mag hebben’

    Wanneer de nonnen over steile hellingen van het klooster naar de plaatselijke markt gaan, worden ze vaak uitgescholden door monniken van andere sekten. Dat schrikt ze naar eigen zeggen niet af. Als ze in hun open busjes door de streek rijden, lijken ze met hun kaalgeschoren hoofden op soldaten. Ze zien eruit alsof ze in de frontlinie thuishoren en elk vooroordeel onderuit kunnen halen.

    Op de enorme campus van de sekte wonen driehonderdvijftig nonnen. Ze leven er samen met eenden, kalkoenen, zwanen, geiten, twintig honden, een paard en een koe – allemaal dieren die ofwel uit de handen van de slager ofwel van de straat zijn gered. De vrouwen werken als schilder, kunstenaar, loodgieter, tuinier, elektricien en metselaar, en ze beheren tevens een bibliotheek en een medische kliniek voor leken.

    ‘Wanneer mensen naar het klooster komen en ons zien werken, zien ze plotseling in dat een nonnenbestaan niet “nutteloos” is,’ aldus Zekit Lhamo (28). Daarmee verwijst ze naar een belediging die de nonnen geregeld naar het hoofd geslingerd krijgen. ‘We bekommeren ons niet alleen om onze religie, maar ook om de samenleving.’

    Inspiratie

    Het werk van de nonnen heeft andere vrouwen in de hoofdstad van Nepal geïnspireerd. ‘Als ik naar hen kijk, wil ik ook non worden,’ zegt Ajali Shahi, die afstudeert aan de Tribhuvan-universiteit in Kathmandu. ‘Ze zien er zo cool uit. Je krijgt zin om je leven ervoor overhoop te gooien.’

    Elke dag ontvangt het nonnenklooster minstens twaalf verzoeken om te mogen intreden. Die komen van verre, bijvoorbeeld uit Mexico, Ierland, Duitsland en de Verenigde Staten. ‘Maar niet iedereen kan dit,’ zegt non Jigme Yangchen Ghamo. ‘Van de buitenkant ziet het er aantrekkelijk uit, maar je weet niet hoe zwaar het leven hierbinnen is.’ Ze gaat verder: ‘Ons leven wordt beperkt door zoveel regels. Er is zelfs voorgeschreven wat voor zakken je in je gewaad mag hebben.’

    De nonnen worden om drie uur ’s nachts wakker om in hun slaapzaal te gaan mediteren. Vóór zonsopkomst lopen ze naar de hoofdtempel, waar zangmeester Tsondus Chuskit de gebeden leidt. In kleermakerszit zitten de nonnen op banken en bladeren ze op hun iPads door de gebedsteksten – dit om zo weinig mogelijk papier te gebruiken. Dan beginnen ze eenstemmig te zingen, en de felgekleurde tempel vult zich met het geluid van trommels, hoorns en bellen. Na de gebeden verzamelen ze zich buiten.

    Jigmet Namdak Dolker was ongeveer twaalf jaar oud toen ze een groep Drukpa-nonnen langs het huis van haar oom in het Indiase Ladakh zag lopen. Ze rende naar buiten en liep met ze mee. Dolker, die geadopteerd is, wilde ook non worden en smeekte haar oom om haar naar het Drukpa-nonnenklooster te laten gaan, maar hij weigerde.

    Vier jaar later liep ze op een dag weg van huis om zich aan te sluiten bij de duizenden mensen die de verjaardag van Jigme Pema Wangchen, het hoofd van de sekte, vierden. Uiteindelijk kwam ze in het klooster terecht. Ze is er nooit meer weggegaan.

    En? Hoe voelt ze zich zeven jaar later, waarvan er zes in het teken stonden van kungfu? ‘Trots. Ik voel de vrijheid om te doen wat ik wil,’ zegt ze. ‘En ik voel me zo sterk van binnen dat ik alles aankan.’

    Lees ook:

  • Dit klooster geeft kunstenaars de ruimte om te rebelleren

    Dit klooster geeft kunstenaars de ruimte om te rebelleren

    In het betoverende zestiende-eeuwse Chiostro del Bramante in Rome werden eenentwintig internationale kunstenaars uitgenodigd om vrij van welke aardse beperking dan ook een werk te maken voor de tentoonstelling Crazy: Madness in Contemporary Art.

    Curator en kunstcriticus Danilo Eccher stelde een tentoonstelling samen geïnspireerd door en vernoemd naar een boek van een van de meest toonaangevende psychiaters in Italië, Eugenio Borgna. Crazy: Madness in Contemporary Art verkent de scheidslijn tussen verbazingwekkende creativiteit en ‘waanzin’ of gekte, zonder meteen met het afgesneden oor van Van Gogh op de proppen te komen. Als kunst bij uitstek in staat is om de menselijke conditie te verbeelden of te verwoorden, dan is het niet verwonderlijk dat kunst en gekte dicht naast elkaar liggen. In het Chiostro del Bramante, een museum in een oud klooster in Rome, kregen eenentwintig internationale kunstenaars de mogelijkheid om een installatie te ontwerpen die ‘rebelleert tegen de norm’, zich niet houdt aan gevestigde schema’s en wars is van elk rigide kader.

    Ian Davenport laat pigment de buitentrap afstromen om een andere ruimtelijke ervaring af te dwingen. Het neon van de maatschappelijke betrokken Chileense Alfredo Jaar is van buitenaf zichtbaar. Levensechte mannequins van Sun Yuang & Peng Yu poseren op manieren die wij niet van hen gewend zijn en ook de zwarte motten van de Mexicaanse kunstenaar Carlos Amorales hebben hun weg gevonden naar het betoverende renaissancegebouw dat rond 1500 door Donato Bramante werd ontworpen. Alfredo Pirri daagt de bezoeker uit zich niet te beperken tot een reflectie op het oppervlak van zijn werk, maar zich te verliezen in de duizeling ervan en fysiek een voetafdruk achter te laten op de gebroken vloer.

    Crazy: Madness in Contemporary Art is t/m 8 januari 2023 te zien in Chiostro del Bramante, Rome.

    10 Crazy Shoplifter 1
    Shoplifter / Hrafnhildur Arnadottir, Hypermania (2022). – © Hrafnhildur Arnadottir
    04 Crazy Amorales
    Black Cloud Fashion van Carlos Amorales. – © Carlos Amorales

    01 Crazy SunYuanPengYu
    Sun Yuan & Peng Yu, Teenager Teenager (2011). – © Sun Yuan & Peng Yu / Galleria Continua
  • Gezocht: 
uw doodgewone hersenen

    Gezocht: 
uw doodgewone hersenen

    Hersenonderzoekers zitten te springen om gezonde hersenen. Maar donoren zijn schaars. Daarom benaderen ze nu zelfs specifieke groepen, zoals nonnen.

    Neuroloog David Bennett, 
die in Chicago aan het hoofd staat van een centrum voor onderzoek naar de ziekte van Alzheimer, stond half oktober in Saint Louis voor een auditorium vol nonnen. 
Zijn doel was om hen over te halen 
hun hersenen ter beschikking te 
stellen aan de wetenschap.

    Bennett grapt wel eens dat politici een kamer in kunnen lopen en mensen hun geld afhandig maken. ‘Maar ik 
kan een kamer inlopen en mensen 
hun hersenen afhandig maken.’ Wat Bennett betreft is het urgenter dan ooit dat mensen hun hersenen doneren. Er zijn steeds meer hersenen nodig voor wetenschappelijk onderzoek, omdat er steeds meer geld is voor onderzoek naar hersenaandoeningen, ouderdomshersenziekten vaker voorkomen, de instrumenten waarmee hersenen onderzocht worden steeds geavanceerder worden, en het besef groeit dat onderzoek aan dieren niet altijd voldoende inzicht geeft in 
ziekten bij mensen. De beste behandelmethode blijft dan buiten beeld.

    Een groot probleem bij het onderzoek is dat de onderzochte hersenen 
(Bennett beheert in Chicago een enorme voorraad ingevroren hersenweefsel) meestal sporen vertonen van vergevorderde alzheimer of van andere ziekten die leiden tot dementie. 
Relatief gezonde hersenen daarentegen, die wetenschappers in staat 
stellen om achter de precieze oorzaak van dementie te komen, en te ontdekken wat ons ertegen beschermt, zijn veel zeldzamer.

    Om dat tekort te verhelpen zijn Bennett en andere wetenschappers nu hard bezig om voorraden aan 
te leggen van een kostbaar goed: de hersenen van mensen als zuster Carleen Reck. Deze vrome non besloot na een van Bennetts spreekbeurten gehoor 
te geven aan zijn verzoek hersenen te doneren; zij tekende meteen een donorverklaring.

    Mensen met hersenziekten liggen zelden in ziekenhuizen waar hun gevraagd wordt om hun hersenen te doneren

    Ondanks haar tachtig jaar is Reck nog scherp van geest en gezond als een vis. Zij is altijd actief geweest in haar gemeenschap en leidde zeventien jaar lang een organisatie die voormalige gevangenen hielp 
te herintegreren. Sinds haar pensioen bezoekt zij parochieleden, doet de boekhouding en leert melodion spelen, een toetsinstrument waarop geblazen moet worden. ‘Ik heb pas één optreden weten te regelen,’ zegt ze bescheiden.

    Bennetts collectie hersenweefsel is een van de 
zogenaamde hersenbanken die het land rijk is. Onderzoekers halen er het materiaal vandaan voor hun hersenenexperimenten. Sommige van deze 
hersenbanken zijn gespecialiseerd in materiaal voor onderzoek naar ouderdomsziekten. Onlangs vormden zes van deze instellingen de NeuroBioBank, 
een door het Nationaal Institute of Health (NIH) geïnitieerd netwerk dat de verdeling van hersen-materiaal soepeler moet laten verlopen.

    ‘Als maar één procent van alle Amerikanen met en zonder hersenziekten hun hersenen zouden doneren voor wetenschappelijk onderzoek, dan zou dat een revolutionaire vooruitgang betekenen bij het diagnosticeren, voorkomen en genezen van hersenziekten’ schreef een groep NIH-directeuren vorig jaar in een pleidooi voor hersendonaties. Het ging hun daarbij vooral om gezonde hersenen.

    Uiteraard moeten onderzoekers ook naar zieke 
hersenen kijken, maar die kunnen ze nooit goed begrijpen zonder ze met gezonde hersenen te vergelijken. Zo is in de hersenen van mensen die qua 
cognitie en functioneren geen problemen hadden bijvoorbeeld een type kluwens gevonden dat neuronen kan doden. Deze kluwens vertonen een sterke associatie met de ziekte van Alzheimer, maar schijnbaar kunnen sommige mensen ondanks deze 
tekenen van hersenbeschadiging heel oud worden. Bij sommigen gaan ze gepaard met alzheimer of 
parkinson, anderen ondervinden er geen last van. ‘Zo’n ontdekking kan nieuwe therapieën opleveren,’ vertelt Bennett.

    Griezelig

    Neurowetenschapper Sabina Berretta van de Harvard Medical School vertelt dat gedoneerde gezonde 
hersenen onderzoekers steeds meer inzicht geven in de werking van de hersenen. Zelf ontdekte Berretta een paar jaar geleden samen met haar collega’s, diep verborgen in de tussencelvloeistof, nog onbekende structuren.

    Tot voor kort werd de tussencelvloeistof gezien 
als een kleverig goedje louter bedoeld om cellen bij elkaar te houden. Volgens Berretta blijkt het echter fascinerende functies te hebben, niet alleen tijdens de ontwikkeling van de hersenen maar ook als ze volgroeid zijn.

    Samen met haar collega’s ontdekte ze dat er in gezonde hersenen veel meer van deze mysterieuze structuren – inmiddels CS-6 clusters gedoopt – zaten dan in de hersenen van mensen met schizofrenie of een bipolaire stoornis.

    ‘We komen er langzaam achter dat deze structuren in de hersenen een belangrijke rol spelen bij het 
verwerken van onze ervaringen,’ vertelt Berretta. 
Ze benadrukt dat niet alleen in haar laboratorium recentelijk zulke ontdekkingen zijn gedaan.

    ‘We merken hoe weinig we eigenlijk nog maar van 
de menselijke hersenen afweten,’ aldus Berretta.

    Helaas is het veel eenvoudiger om donoren te vinden voor bloed of voor organen dan voor hersenen. Mensen met hersenziekten liggen zelden in ziekenhuizen waar hun gevraagd wordt om hun hersenen te doneren. En al is de NIH met de NeuroBioBank gestart, de organisatie gaat zich niet actief inzetten voor hersendonatie, zoals het Rode Kruis wel bloeddonatie werft.

    De directeur van de NIH NeuroBioBank, Michelle Freud, zegt erover: ‘Het klinkt griezelig: “De regering wil je hersenen hebben.” Daarom houden we ons liever afzijdig.’ Mensen als Bennett en Berretta zullen dus zelf aan de bak moeten.

    Bennett werft al lang donoren en geeft met dat doel op allerlei plekken voordrachten, van de arme buitenwijken van Chicago tot in verzorgingshuizen. Het was een gouden ingeving van hem dat nonnen en priesters misschien best hun organen zouden willen afstaan als het voor een goed doel is. Inmiddels werkt Bennett samen met 45 religieuze ordes in het hele land. 
Hij kijkt zelfs over de grens. ‘In Brazilië bestaat een wet die zegt dat je een autopsie moet ondergaan als er op je overlijdensverklaring geen doodsoorzaak staat. Daarom zijn overal in het land autopsiecentra opgericht.’ Van 
het NIH kreeg hij een beurs om in 
Amerikaanse autopsiecentra met familieleden over hersendonatie te spreken. Berretta op haar beurt wil sociale media gaan gebruiken om donatie te stimuleren. (‘Met een 
hersendonatie doe je kennis cadeau’, luidt een van haar slagzinnen.) Hiervoor moet ze nog wel toestemming krijgen van het Institutional Review Board, een langdurig proces, maar een vereiste voor al het onderzoek aan menselijk weefsel. Ook werkt zij samen met organisaties voor maatschappelijk werk, die veel ervaring hebben met het voeren van serieuze gesprekken op 
kritieke momenten in een mensenleven. Wellicht zijn zij in de positie om stervenden vriendelijk te vragen hun hersenen af te staan.

    Neuroloog David Bennett, hoofdonderzoeker aan het centrum voor de ziekte van Alzheimer in Chicago.
    Neuroloog David Bennett, hoofdonderzoeker aan het centrum voor de ziekte van Alzheimer in Chicago.

    Hersenbanken in New York en Baltimore werken samen met lokale patholoog-anatomen, die hen in contact kunnen brengen met familieleden. 
Die kunnen dan voorzichtig worden benaderd met de vraag of zij de hersenen van een overleden verwante af willen staan.

    Een veelbelovend nieuw kanaal waarlangs hersenen ter beschikking komen is de vorig jaar opgerichte liefdadigheidsorganisatie Brain Donor Project. Initiatiefnemer is Tish Hevel, een communicatiespecialist en voormalig nieuws-redacteur die tot haar vader in 2014 gediagnosticeerd werd met Lewy body dementie, vrijwel niets van }hersendood afwist. De familie doneerde na zijn overlijden in maart van het jaar daarop zijn hersenen aan de NeuroBioBank. Hevel: ‘Dat bleek zo ingewikkeld dat we naar het NIH toestapten en zeiden: we gaan jullie helpen.’

    Sinds de oprichting van de organisatie een jaar geleden tekenden al ruim duizend hersendonoren in 
vijftig Amerikaanse staten een donorverklaring. Hevel schat dat ongeveer een derde van deze donoren als gezonde controlepersonen aangemerkt zullen worden, al zullen sommigen tegen de tijd dat ze overlijden ook een hersenziekte hebben.

    Net als Bennett en Berretta beschouwt Hevel elke donatie als een onschatbare daad van wetenschappelijke liefdadigheid. ‘De hersenen vormen de basis van je identiteit,’ zegt Hevel. ‘Als je zoiets in je handen houdt, besef je hoe enorm belangrijk en betekenisvol zo’n gift is.’

    Als de non Reck sterft, zal binnen enkele uren haar hoofdhuid tot aan haar wenkbrauwen worden afgestroopt, haar schedel opengemaakt, het ruggenmerg doorgesneden en haar hersenen verwijderd. En 
terwijl haar lichaam klaar wordt gemaakt voor de begrafenis, zullen haar hersenen op weg gaan naar hun laatste rustplaats in Chicago. Een patholoog zal de hersenen in tweeën snijden en er vervolgens 
pannekoekdikke plakken vanaf snijden, die stuk voor stuk onderzocht worden op afwijkingen. Dan gaat 
de ene helft de diepvries in en de andere helft in een bak met formaline, waar die blijft liggen totdat een onderzoeker erom vraagt. En als haar hersenen geen sporen van alzheimer of andere ouderdomsziekten vertonen, zullen Recks hersenen, in Bennetts 
woorden, een ‘extreem waardevolle’ aanwinst zijn, juist omdat ze zo doodgewoon zijn.

    ‘Als ik dood ben heb ik toch niets meer aan mijn 
hersenen,’ antwoordt Reck op de vraag waarom zij ervoor koos donor te worden. ‘Dus waarom niet?’

    Auteur: Rae Ellen Bichell
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: Nonnen in Vaticaanstad. – © Franco Origlia / Getty Images

    Undark
    VS | undark.org

    Undark is een Amerikaans onlinetijdschrift over het snijvlak van wetenschap en samenleving, ‘de plek waar wetenschap zich doet gelden in de politiek, in de economie, voelbaar en wezenlijk wordt in ons leven van alledag’. De naam is rechtstreeks ontleend aan de merknaam waaronder de US Radium Corporation tussen 1917 en 1938 een lichtgevende verf op de markt bracht die voornamelijk werd gebruikt op de wijzerplaten van klokken en horloges. Velen, voornamelijk vrouwen, de zogeheten Radium Girls, die er in fabrieken mee moesten werken, werden ziek en sommigen gingen dood aan radiumvergiftiging. Ze hadden de gewoonte om aan de penselen te likken waarmee ze de verf op wijzerplaten moesten aanbrengen. Het magazine wordt gefinancierd door de onafhankelijke Knight Foundation, een fonds opgericht door en genoemd naar mediamagnaten uit het predigitale tijdperk. Artikelen uit Undark worden met regelmaat overgenomen door tijdschriften als The Atlantic, Mother Jones, Scientific American en Newsweek.

  • Laatste bastion tegen IS

    Laatste bastion tegen IS

    Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.

    Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer 
afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.

    Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.

    Toch zochten tientallen christelijke 
families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de 
val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij 
chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.

    Mar Mattai – © Emmanuelle Veuillet/Flickr Creative Commons
    Mar Mattai – © Emmanuelle Veuillet/Flickr Creative Commons

    Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.

    Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub 
(letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak 
forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.

    ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’

    Vluchten

    ‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich 
terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’

    In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten 
het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.

    Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. 
De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, 
en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.


    Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over

    Ultimatum

    Op 18 juli gaven de luidsprekers van 
de moskeeën een ultimatum van de 
jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’

    Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’

    Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze 
eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer 
en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.

    Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.

    Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.

    Mar Mattai. – © Corbis
    Mar Mattai. – © Corbis

    Wapens

    ‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden 
gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.

    Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’

    ‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.

    De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.

    Émilienne Malfatto