Hij beeldde Poetin onder andere af in de armen van Jozef Stalin
De Poolse politie onderzoekt de moord op een Russische kunstenaar die zeer kritisch was over de Russische president Vladimir Poetin, meldt de BBC. Robert K., bekend onder zijn pseudoniem Semyon Skrepetski, werd maandagochtend doodgeschoten in de Poolse stad Biała Podlaska, op ongeveer 40 km van de Wit-Russische grens, aldus de Poolse openbare aanklagers.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘De satirische cartoons van Skrepetsky beeldden Poetin af in de armen van de Sovjetdictator Jozef Stalin, [de Wit-Russische leider Alexander] Loekasjenko als Adolf Hitler met een emmer aardappelen, en [de Tsjetsjeense leider Ramzan] Kadyrov en zijn zoon Adam met varkenssnuiten,’ meldde de Britse omroep.
Op de heuvels van Yeka in Addis Abeba moet de nieuwe ambtswoning van Abiy Ahmed komen te staan, een luxueus paleis ter waarde van 10 miljard dollar. Net als andere staatshoofden die een groots paleis lieten bouwen, kan de premier van Ethiopië rekenen op stevige kritiek.
Ooit kon je op de heuvels van Yeka in alle rust uitkijken over de stad Addis Abeba, nu bevindt zich er een enorme bouwput. Zelfs ’s nachts zijn ze met graafmachines en bulldozers bezig om het bos en akkerland daar weg te halen. Er wordt gewerkt aan een van de duurste infrastructuurprojecten in de Ethiopische geschiedenis: een gigantisch paleiscomplex dat als de officiële residentie van premier Abiy Ahmed zal gaan dienen. Vooral de premier zelf is er enthousiast over en gaat regelmatig kijken hoe het zogenaamde Chakaproject ervoor staat. ‘Het lawaai gaat de hele dag door,’ zegt een ambassadeur die vlak bij het bouwproject woont. ‘De bouw verstoort ons leven hier. Maar er wordt weinig aandacht besteed aan onze klachten.’
503 hectare
Naast een paleis komt er op het 503 hectare tellende complex een luxehotel, gastenverblijven voor bezoekende staatshoofden, ministerwoningen, high-end huizenblokken en drie kunstmeren omringd door kunstpalmbomen. Er wordt 29 kilometer aan wegen neergelegd en ook een ondergrondse tunnel gegraven om bij een noodsituatie – ofwel een couppoging – te kunnen ontsnappen. De overheid benadrukt dat het geen megalomaan project is, maar bijdraagt aan de ontwikkeling van Ethiopië. ‘Door het te bestempelen als “een paleis voor de premier” wordt er jammer genoeg een heel simplistisch beeld neergezet, dat boze reacties moet uitlokken,’ reageert Billene Seyoum, woordvoerder van de premier, op vragen van The Continent. ‘Terwijl we met het Chakaproject een satellietwijk willen creëren die het imago en de omgeving van Addis Abeba zal veranderen.’
De oorlog van een Nobelprijswinnaar
Op 3 november 2020 maakte de Ethiopische premier Abiy Ahmed, die in 2019 de Nobelprijs voor de Vrede ontving, op Facebook bekend dat zijn regering een militaire interventie was begonnen in Tigray, een van de regionale staten van Ethiopië.
Tigray werd vervolgens op meerdere fronten aangevallen door troepen uit de naburige Ethiopische regiostaat Amhara, en door het Ethiopische en Eritrese leger.
Abiy beweerde dat de oorzaak van de oorlog de aanval van Tigray op militaire bases in de regio was. Maar uit zijn ‘overwinningstoespraak’ voor het voormalige parlement kort daarvoor bleek dat gedetailleerde voorbereidingen voor een oorlog al ruim twee jaar geleden waren begonnen.
Sinds het begin van de oorlog zijn miljoenen mensen gevlucht. Medische faciliteiten zijn doelbewust aangevallen en burgers geëxecuteerd. Tienduizenden mensen staken de grens over naar Soedan. Ethiopië zelf biedt al jaren onderdak aan mensen die voor natuurrampen zijn gevlucht uit Somalië, Soedan, Eritrea en Zuid-Soedan.
Maar niet alleen dichtbij wonende ambassadeurs zijn tegen het project. Andere tegenstanders uiten kritiek op het buitensporige bedrag dat er aan wordt uigegeven, helemaal nu zo’n 20 miljoen Ethiopiërs in hongersnood verkeren en er in een deel van het land dringend geld nodig is voor wederopbouw na conflicten. Seyoum wuift die kritiek weg door te zeggen dat het project veel werkgelegenheid schept: ‘Dit soort klachten komt vaak uit de mond van mensen die ontwikkeling als “liefdadigheid” beschouwen.’
Uit premier Abiy Ahmeds opmerkingen in het parlement is af te leiden dat het totaalbedrag van het project zou kunnen oplopen tot 10 miljard dollar. Dat is meer dan de helft van de Ethiopische jaarlijkse begroting voor 2024-’25, die uit 17 miljard dollar bestaat. Volgens Abiy Ahmed wordt het project niet met de staatskas gefinancierd, maar met particuliere investeringen. Het is alom bekend dat de regering van de Verenigde Arabische Emiraten een grote investeerder is. Tegelijkertijd beweren sommige lokale ondernemers dat ze onder druk zijn gezet om een financiële bijdrage te leveren. Een van hen vertelde aan de The Globe and Mail dat hij ‘constant telefoontjes, bedreigingen en waarschuwingen kreeg’. Hij zou ‘geen officiële contracten meer kunnen sluiten’ als hij geen geld doneerde.
Om ruimte te maken voor de nieuwe gebouwen zijn alle boeren en bewoners uit het gebied verbannen
Daarnaast zijn om ruimte te maken voor de nieuwe gebouwen alle boeren en bewoners uit het gebied verbannen. Uitzettingsbevelen werden op de muren van een lokale kerk geplakt, met de tekst: ‘Als je naam op deze lijst staat, heb je een paar dagen om je spullen te pakken.’ Bewoners die weigerden mee te werken, werden met geweld uitgezet, in tijdelijke noodgevangenissen geplaatst of mishandeld door veiligheidstroepen. Verdrevenen kregen te horen dat ze afhankelijk van hun etniciteit een nieuwe plek moesten vinden.
Seyoum verklaarde dat het uitzetten volgens de wet is gedaan. ‘Land in Ethiopië is eigendom van de staat; de grondwet zegt dat de regering binnen de kaders van de wetgeving land ten volle kan ontwikkelen,’ verklaarde ze. ‘Bovendien was het grootste deel van het gebied waar het Chakaproject wordt uitgevoerd onbewoond (…) lokale bewoners weten welke consequenties uitbreiding van de openbare infrastructuur kan hebben.’
Ook kerkgangers die naar de rotskerk Washa Mikael gingen en sporters die op de heuvels trainden, mogen er nu niet meer komen. Verkeer in en uit het gebied wordt nauwlettend in de gaten gehouden met controleposten langs de wegen. Verder lopen er politieagenten in burgerkleding rond om te voorkomen dat er foto’s van de bouwplaats worden genomen.
De nieuwbouw op de heuvels van Yeka is het recentste en tot nu toe duurste omstreden project van Abiy Ahmed om Addis Abeba te moderniseren en te verfraaien. Eerder liet hij het keizerlijk paleis van Menelik II renoveren om Unity Park te realiseren, dat een museum en een dierentuin bevat.
Extravagante projecten
Andere Ethiopische staatsambtenaren hebben zich laten inspireren door Abiy Ahmed en zijn in vergelijkbare extravagante projecten gaan investeren. Zo is Shimelis Abdisa, de president van Oromia – de regio rondom Addis Abeba –, begonnen met de bouw van een eigen paleis, dat naar verwachting volgend jaar af zal zijn. Het zal zo’n 6 hectare beslaan in een welvarend deel van de hoofdstad en de bouw ervan zou meer dan een miljard dollar kosten. Ook voor dit project werden huizen afgebroken en bewoners verbannen.
Abiy Ahmed is trouwens niet het enige staatshoofd dat voor zichzelf een nieuwe pompeuze woning laat bouwen. Generaal Sisi van Egypte pompt 59 miljard dollar in de stichting van een nieuwe hoofdstad met de fantasierijke naam Nieuwe Administratieve Hoofdstad en het presidentiële paleis als middelpunt. In Turkije voltooide president Erdoğan in 2014 net buiten Ankara zijn 1100 kamers tellende ‘witte paleis’ van 615 miljoen dollar, als een symbool voor het machtige en welvarende ‘nieuwe Turkije’.
Het gloednieuwe republikeinse paleis van de Soedanese president Omar al-Bashir vormde een van de redenen dat men in opstand kwam tegen zijn autoritaire regime. Maar misschien is het meest beruchte presidentiële paleis dat van de Zaïrese dictator Mobutu Sese Seko. Hij liet zijn voorouderlijk huis in Gbadolite ombouwen tot ‘het Versailles van de jungle’. Het kreeg een atoombunker en een vliegveld waar een Concorde kon landen. Vandaag de dag is er slechts een ruïne van over, net als van zijn zelf uitgeroepen republiek. Wellicht kan dit als waarschuwing dienen voor de grootse ambities van Abiy Ahmeds.
Wat voor ‘anders’ of ‘de ander’ doorging is eeuwenlang bepaald door de koloniale Europese samenleving. Volgens Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy, grondlegger van de xenologie, is elke vorm van anders-zijn een construct. In zijn leer gaat het altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.
Eeuwenlang werden geschiedenis en filosofie bepaald door de koloniale Europese samenleving. Die definieerde wat voor anders doorging, en creëerde zo perspectief, hiërarchie en uitbuiting. Met zijn eigen ervaringen in de vroegere Duitse kolonie Kameroen als vertrekpunt ontvouwde Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy een theorie die hem tot een pionier in de postkoloniale kritiek maakte. De xenologie die hij ontwikkelde maakt het anders-zijn los van het subject en heeft in plaats daarvan oog voor systemen die, gedreven door belangen, het concept ‘anders’ gebruiken om macht te kunnen uitoefenen. Een gesprek over een theorie die niet alleen inzichten wil bieden, maar ook gerechtigheid tot doel heeft.
Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn
Professor Duala-M’bedy, men ziet u als de grondlegger van de xenologie. Wat is de kern van haar kennisleer?
Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn, en daarmee een principiële kritiek op antropologie en etnologie. Ten grondslag aan de klassieke etnologie ligt het evolutionistische denken dat een hiërarchische indeling van de mensheid rechtvaardigt. Het schortte echter aan een wetenschappelijk gefundeerd vertoog tegen een dergelijke denkwijze. Met mijn theorie van de xenologie is dat veranderd.
Welke gedachte ligt aan deze theorie ten grondslag?
In de xenologie worden het anders-zijn en ook de wijze van omgaan met het anders-zijn vervangen door het concept van het ‘xenische systeem’.
Uw vertrekpunt is dus niet het anders-zijn maar het extern ontwikkelde systeem.
Precies, want achter het fenomeen ‘anders’ schuilt geen subject maar een construct, een systeem. Het ‘xenische systeem’ is dus een filter waardoor elke samenleving een andere samenleving omzet in taal en symbolen. En zoals bij ieder systeem gaat het hierbij om ideologie.
WIE IS DUALA-M’BEDY?
Léopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy (Duala, 1936) is een Kameroens politicoloog, socioloog, etnoloog en xenoloog. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke discipline van de xenologie. Duala-M’bedy komt uit het geslacht Duala-Bell, het koningshuis van Kameroen. Op veertienjarige leeftijd ging hij in Parijs naar een middelbare school; daarna studeerde hij er aan de Sorbonne. In 1962 promoveerde hij aan de Universiteit van Wenen en in 1972 habiliteerde hij (een soort tweede promotie waarmee het doceerrecht wordt verworven) als Alexander von Humboldt-bursaal bij de geschiedfilosoof Eric Voegelin. Zijn belangrijkste boek Xenologie: Die Wissenschaft vom Fremden und die Verdrängung der Humanität in der Anthropologie verscheen in 1977.
Met als consequentie?
Het discours over anders-zijn is altijd ook een discours over macht. Met behulp van de xenologische methode analyseren we zulke systemen om te achterhalen wie het anders-zijn creëert, en met welk doel. Want ten principale bestaat anders-zijn niet. Elke vorm van anders-zijn is een construct. Xenologie is niet alleen de wetenschap van het andersoortige en van de extern ontwikkelde systemen, ze ziet zichzelf ook als de wetenschap van die mensen die in de perceptie van de Europeanen geen geschiedenis hebben.
Wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens
Hegel bijvoorbeeld schreef dat Afrika geen geschiedenis had; Afrika had geen aanspraak op geschiedenis. Maar wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens. De mensen uit het zogeheten Zuiden werd daarmee het mens-zijn ontzegd, in een dergelijke logica bestonden zij eenvoudigweg niet. Dat is het lot van allen die ‘ontdekt’ werden, dus van alle mensen die ‘ontdekt’ werden door mensen die het wetenschappelijke discours domineerden. Ik heb daarom gezocht naar een wetenschappelijke categorie die recht doet aan het fenomeen ‘anders’. Het door mij ontwikkelde xenische narratief benoemt elke manifestatie van het anders-zijn en legt de machtsberekening bloot. Overigens doe ik met deze kennisleer niet alleen recht aan de Afrikaanse mens, het gaat in de xenologie altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.
Heeft u in de ontwikkeling van de xenologie eigen ervaringen verwerkt?
De xenologie kent een sterke biografische impuls, mijn levensverhaal volgt het voetspoor van de veroveraars van Afrika. Het begint bij de invloed van mijn ouders. Wij waren een godsdienstig gezin, gingen regelmatig naar de kerk. Mijn vader heeft me bijgebracht wat rechtvaardigheid betekent, mijn uitgesproken gevoel voor gerechtigheid heb ik van hem. Mijn moeder gaf me rechtlijnigheid en scherpzinnigheid mee. Beiden wilden dat ik priester werd, mijn zus woont als abdis in Zuid-Frankrijk. De eerste kerkmensen die bij ons in Duala arriveerden, waren Duitse protestanten. Mijn vader sprak vloeiend Duits en ook vloeiend Engels. In ons gezin werd Frans gesproken, de taal van de kolonisator.
WAT IS XENOLOGIE?
Qua kennistheorie bouwt de xenologie voort op de basisveronderstelling dat ‘de ander’ als zodanig niet bestaat, maar dat de aanduiding van mensen als ‘anders’ altijd wordt ingegeven door belangen met als oogmerk het creëren van machtsverschil. Het racistische discours over de ‘ander’ dat sinds de ontdekking van Amerika de relatie tussen Europa en de niet-Europese wereld heeft bepaald, komt volgens Duala-M’bedy voort uit het idee dat niet-Europese culturen een ‘voorstadium van de hoogontwikkelde Europese samenleving’ zijn. Die gedachte diende ter rechtvaardiging van onderwerping, ontrechting en uitbuiting van de niet-Europese koloniale wereld tot ver in de twintigste eeuw.
Ten tijde van de Franse kolonisatie zat u in Kameroen op school. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?
Ik ervoer het als een groot onrecht. Met mijn broer Moise, die later diplomaat werd, nam ik een boot naar Europa. We arriveerden in de haven van Marseille, waar twee van onze oudere broers ons afhaalden. We woonden in Parijs bij een oom. Daar dompelde ik me als veertienjarige onder in een ander leven. Natuurlijk waren er ook heimwee, tranen, nostalgie en verlangen naar mijn ouders en naar Kameroen. De romantische kant in mijn denken vindt hier zijn oorsprong.
Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière
Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière.
Ja, en die stond in het teken van de idee van gerechtigheid. Ik kwam naar Europa, ging me er bezighouden met etnologie en kreeg daar te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis behoorde. Etnologen doceerden mij een ‘surrogaatverhaal’.
Hoe bedoelt u dat?
De etnologie bood ons mensen die zogenaamd geen geschiedenis hebben een schadeloosstelling aan: ‘We doceren jullie geschiedenis. Alsjeblieft, hier is een cadeautje van ons: dit is jullie geschiedenis.’ Dat choqueerde me, het raakte mij ook persoonlijk, want aan de positieve ervaringen van het gezin waarin ik was opgegroeid werd volledig voorbijgegaan. In deze schok ligt de grondslag voor mijn wetenschappelijke werk.
U promoveerde in Wenen bij de etnoloog Walter Hirschberg, die van meet af aan een vurig nationaal-socialist was en ook na 1945 als overtuigd racistisch evolutionist naar buiten trad. Ook was hij voorstander van het rekolonisatieproject. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?
Geen van de docenten sprak over het onrecht dat aan Afrikanen ieder historisch vermogen werd ontzegd. Er was geen enkele gevoeligheid voor onrecht. Walter Hirschberg begeleidde in Wenen jonge promovendi in de etnologie. Hij werd dus ook geacht mij en mijn kritische dissertatie te begeleiden, maar ik kreeg geen steun van hem, integendeel. Ik moest heel lang op zoek naar een promotor, naar een spirituele mentor. Ik volgde colleges van de etnoloog Claude Lévi-Strauss in Parijs over het structuralisme, maar hij maakte geen indruk op mij. Pas toen stuitte ik op Eric Voegelin, voor mij een geweldige gebeurtenis.
Wat was er zo bijzonder aan uw ontmoeting met Voegelin?
Eindelijk iemand die verstandige taal uitsloeg! (lacht) Zijn colleges gaven me een goed gevoel. Hij deed niet neerbuigend, hij kleineerde ons niet. Hij was inclusief en fair. Nooit eerder had ik een academicus ontmoet die eerlijk was in de omgang. Hij behandelde zijn studenten haast als collega’s. We zogen elk woord op dat hij doceerde.
Kunt u die integere benadering concreet maken?
Hij deed absoluut geen misplaatste of neerbuigende uitlatingen. Hij maakte korte metten met het concept ‘ras’ vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs daarvoor. Als bursaal van de Alexander von Humboldt Foundation werkte ik als onderzoeker samen met hem aan de Universiteit van München. Cruciaal was voor mij het moment dat hij voor het eerst mijn ouders ontmoette. Mijn vader en mijn docent spraken Duits met elkaar, en mijn vader zei: ‘Mijn zoon heeft me veel over u verteld.’ Voegelin antwoordde: ‘Uw zoon heeft een voortreffelijke studie geschreven.’
Hoe heeft Voegelin uw zelfbesef als wetenschapper gevormd?
Voor mij is hij de grootste denker van de twintigste eeuw. Voegelin schreef een cultuurgeschiedenis van het begrip ‘ras’; hij plaatste er negatieve connotaties bij, hij zag het als een nieuwe classificatie ter vervanging van het oude klassensysteem van de aristocratie. Voegelin hechtte ook sterk aan het maken van onderscheid tussen realiteit en ideologie.
Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit
Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit. Zijn in 1956 verschenen boek Order and History is een klassieker. Voegelin zag de geschiedenis als Casus Philosophicus. Hij benaderde de geschiedenis als geschiedfilosoof en zag haar niet als een verzonnen verhaal. Rechts georiënteerde studenten uit de Bondsrepubliek probeerden hem in diskrediet te brengen. Maar ik was zijn denken toegedaan. Ik pretendeerde te voltooien wat Voegelin had laten liggen. En ik heb die pretentie heel serieus genomen.
Hoe ervoer u de sfeer op de Duitse universiteiten in de jaren zeventig en tachtig?
De universiteiten en onderzoeksinstellingen in Duitsland waren uitermate homogeen qua etniciteit, geslacht en sociale herkomst. Dat zijn ze nog altijd. Wie op enigerlei wijze als anders wordt gezien, maakt minder kans op een hoogleraarschap, op wetenschappelijke onderscheidingen, op toegang tot onderzoeksgelden en invloedrijke posities. De bevoegdheid om te duiden wat vanuit wetenschappelijk oogpunt valide is en wie gekwalificeerd is een bijdrage te leveren aan kennisgeneratie, ligt nog altijd vast verankerd in koloniaal bepaalde structuren. Dat moet ter discussie worden gesteld. Het onvermogen de waarheid te onderkennen was en is mijn thema; voor mij is de functie van theorie dat zij de waarheid aangeeft. Wetenschap dient in dienst te staan van de waarheid. Zij moet observeren, analyseren, vragen naar het waarom, heroverwegen. Maar dat gaat niet wanneer een groot deel van de mensheid met zijn ervaringen, perspectieven en mogelijkheden van dit proces is uitgesloten. Een wetenschap die spreekt vanuit de positie van een kleine homogene groep is falsifieerbaarheid noch universeel.
De xenologie is een enorme theoretische prestatie, ze heeft een groot deel van het Europese begrip van de ‘ander’ op losse schroeven gezet. Heeft deze aanval op de antropologische en etnologische status quo een tegenreactie uitgelokt?
De redacteur van de uitgeverij waar ik mijn boek publiceerde zei destijds: ‘Hier maakt u vijanden mee.’ En zo is het ook gegaan. Er was veel onwetendheid en weinig discussie met mij, maar er was in de jaren tachtig en negentig ook sprake van een enorme boost in aanverwante disciplines. Interculturele germanistiek en filosofie kwamen tot ontwikkeling. In Bayreuth kwam een cultuurwetenschappelijke xenologie van de grond, die echter mijn eigen theorie van de xenologie links laat liggen. In Bochum werd de fenomenologie van het andere ontwikkeld, en daar was ik al evenmin bij betrokken. Aan de universiteit, en dat geldt vooral in Duitsland, moet je vechten om gezien te worden. Collegialiteit komt maar zelden voor. Het ontbrak zichtbaar aan steun, de omgangsvormen waren vaak kwetsend en vulgair.
KONING RUDOLF
Van 1884 tot 1918 was het West-Afrikaanse Kameroen een Duitse kolonie. Van 1908 tot 1914 regeerde koning Rudolf Duala Manga Bell. Hij had zijn opleiding genoten in Duitsland en stond in hoog aanzien bij het Duitse koloniale bestuur in Duala. Na de gewelddadige verdrijving en brute onteigening van de Duala door het koloniale bestuur, stelde de jonge koning zich aan het hoofd van een verzetsbeweging en protesteerde hij tegen het buitensporige geweld door de Duitse koloniale machthebbers. Met petities probeerde hij de Duitse regering ertoe te bewegen de met de Duala gesloten verdragen na te komen. Daarmee wekte hij het ongenoegen van de voorstanders van koloniale onteigening. Beschuldigd van hoogverraad werd hij in 1914 op 41-jarige leeftijd ter dood veroordeeld en opgehangen. Bij zijn procesgang werden zelfs de minimale wettelijke normen niet in acht genomen. Drie dagen lang hing zijn lijk aan de galg – ter afschrikking.
Toen u begin jaren zeventig uw theorie over de xenologie presenteerde, was rassenscheiding nog een belangrijk issue in de VS. Ook de antikoloniale strijd was nog maar net achter de rug en Zuid-Afrika kende een systeem van apartheid.
Het intellectuele dispuut over het kolonialisme begon doorgaans pas nadat de militante confrontatie was beëindigd. Wetenschappers als Frantz Fanon, Aimé Cesaire, Léopold Senghor en Cheikh Anta Diop waren de eersten die het kolonialisme benaderden als een politiek en ideologisch systeem. De xenologie past in de reeks revolutionaire geschriften van toen. Wereldwijd kreeg de wetenschappelijke eis van rechtvaardigheid de wind mee. Ik las toen alles wat ik maar te pakken kon krijgen, ik luisterde aandachtig naar alles wat fluitend langs mijn oren vloog.
Vanaf de jaren negentig ontstond er een veelheid aan postkoloniale theorieën. Als baanbrekend boek geldt Edward Saids in 1978 verschenen studie over het oriëntalisme, terwijl u uw xenologie al een jaar eerder presenteerde. Staan de huidige postkoloniale theorieën in de traditie van uw werk?
Ja, want net als bij de huidige uitingen van de postkoloniale theorie gaat het bij het xenologische werk om het analyseren van extern ontwikkelde systemen – en zodoende ook om het analyseren van asymmetrische relaties. De belangrijkste vragen zijn: welke machtsverhoudingen liggen aan die systemen ten grondslag en in hoeverre begunstigen ze uitbuitingsstructuren? Welke hiërarchieën zijn immanent, en welke vormen van culturele representatie en politieke controle maken dat die telkens weer in stand kunnen blijven? In mijn boek Xenologie is deze fundamentele kritiek op die Europese perceptie- en duidingspatronen met betrekking tot de niet-Europese mens al te vinden; sinds Saids werk wordt zij ook opgepakt en bediscussieerd in postkoloniale theorieën. Veel antiracistische debatten en bewegingen van nu beroepen zich op dat brede spectrum van kritische confrontatie met historische en hedendaagse machtsverhoudingen.
Als wetenschapper en academisch docent heeft u het denken van diverse generaties studenten gescherpt en gevormd. Wat vond u in uw onderwijs belangrijk?
Ik probeerde zo fundamenteel mogelijk te denken. Het ging me om het vermogen tot kritisch denken en om inzicht. Om een taal die veraf ligt van de hiërarchisering door de etnografie, een etnografie die spreekt van ‘stammen’, ‘natuurmensen’, ‘opperhoofden’ en ‘primitieven’. Zo’n taal bestaat nog niet. De ideologische vervorming door taal en wetenschappelijke categorieën moest ik tegemoet treden met theoretische precisie en taalgevoeligheid. Het ging om het blootleggen van machts- en gezagsverhoudingen, om vragen naar het waarom van privileges en om reflectie op waarderingssystemen. Ik heb heel veel gedoceerd en veel voortreffelijke scripties en afstudeeropdrachten begeleid. Met veel oud-studenten heb ik tot op de dag van vandaag contact.
Welke bijdrage kan de theorie van de xenologie leveren aan het huidige wetenschappelijke discours?
Het xenologische denken draagt bij aan het onderzoek van machtsverhoudingen en uitbuiting. Naast haar belangstelling voor wetenschappelijke inzichten heeft de xenologie ook een normatieve kant: ze wil gerechtigheid. Ze wil elk mens centraal stellen. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken.
Xenologie heeft ook een normatieve kant. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken.
Welke betekenis heeft de xenologie voor het actuele politieke debat over bijvoorbeeld genderrechtvaardigheid, uitsluiting en racistisch geweld, waaruit bewegingen zoals Black Lives Matter zijn voortgekomen?
Black Lives Matter heeft het racisme en de creatie van het andere op de politieke agenda gezet. Hoewel er in dit specifieke geval vanuit Europa graag werd gewezen naar de VS, vonden er ook hier straatprotesten plaats, waarbij een relatie werd gelegd met het koloniale verleden. En eindelijk wordt er nu geruzied over de omgang met museumschatten die in de koloniale tijd werden buit-gemaakt. Denk aan het debat over het teruggeven van roofkunst uit de voormalige koloniën. Nieuw aan deze discussies is enerzijds de aanwezigheid van sterke, goedopgeleide jongeren die hun recht opeisen en anderzijds het bestaan van wetenschappelijke categorieën om dit debat te voeren, zodat er dus begrippen zijn waarmee onrecht ook theoretisch kan worden benoemd.
Ook in Duitsland wordt er voor het eerst breed gediscussieerd over koloniale herstelbetalingen.
Om een voorbeeld te geven: de genocide die tussen 1904 en 1908 door Duitse koloniale troepen op de Nama en Herero werd gepleegd, bepaalt tot op de dag van vandaag de bestaansbasis van deze volkeren in Namibië. Destijds werd bijna 80 procent van het Hererovolk uitgeroeid. Door erkenning van deze genocide erkent Duitsland voor het eerst zijn rol in de misdaden uit de koloniale tijd. Maar helaas laat Duitsland het afweten als het weigert de toegezegde gelden uit te betalen aan de nakomelingen – en als deze gelden geen ‘herstelbetalingen’ mogen heten maar ‘ontwikkelingshulp’. De oplossing voor de vele disputen van tegenwoordig moet ook niet alleen van de wetenschappelijke theorievorming komen. Er is op heel veel vlakken nog heel veel te doen, maar ik heb groot vertrouwen in de kritische, mondiaal denkende jongeren.
Door haar Napolitaanse vierluik is ze in het buitenland de ster van de Italiaanse literatuur geworden. Is die reputatie terecht? Schrijver Paolo Di Paolo heeft zo zijn twijfels.
Het amusantst is het klakkeloos verwijzen naar Elena Ferrante. Zodra er in het buitenland een vertaling van een Italiaanse roman verschijnt, wordt ze van stal gehaald. Komt de roman La Ferocia van Nicola Lagioia uit in de Verenigde Staten, dan ademt het boek de sfeer van Elena Ferrante. Verschijnt Lettera a Dina van Grazia Verasani in Portugal, dan ‘zullen de fans van Elena Ferrante hun geluk niet op kunnen’. Zelfs Anna Maria Ortese, oneindig veel briljanter dan ‘de ster van de Italiaanse letteren’, ziet zich met haar vergeleken: het toppunt is wel dat op het omslag van de Engelse uitgave van Orteses boek Il mare non bagna Napoli een zin van Elena Ferrante prijkt.
Moeten we daar blij om zijn, of is het reden voor ongerustheid? Het lijdt geen twijfel dat het buitenland door dit verpletterende succes de indruk heeft gekregen dat de Italiaanse literatuur niet is gestorven met Italo Calvino en Umberto Eco. Met name in de Amerikaanse cultuur waren het essay ‘Lezioni americane’ van de eerste en de roman De naam van de roos van de tweede de laatste teksten die de muur van de academische en intellectuele elite hadden geslecht. Elena Ferrante is nog verder gegaan door zowel miljoenen lezers als de critici te verleiden. Italiaanse faculteiten in het buitenland laten geen gelegenheid voorbijgaan om De geniale vriendin aan een kritische analyse te onderwerpen. In Italië heeft de universiteit over het algemeen weinig op met contemporaine creaties. Maar het feit blijft dat de schrijfster zonder gezicht een uitgevershype is geworden.
Marketing
Marketing alleen is duidelijk niet voldoende (zoals meestal) om deze geestdrift te verklaren. Recentelijk is mij door een Franse en een Zweedse journaliste naar de redenen gevraagd voor dit immense succes van Elena Ferrante. Ik kwam niet verder dan wat bête gestamel. Maar het verstandigste antwoord is ook het meest voor de hand liggende: ik weet het niet.
Eminente bewonderaars, variërend van Ferrante-vertaalster Ann Goldstein en romanschrijfster en Pulitzer-winnares Jhumpa Lahiri tot Hillary Clinton en Jonathan Franzen, hebben op de Amerikaanse markt duidelijk gewicht in de schaal gelegd. Maar ook in Duitsland, Frankrijk, Nederland en Spanje voert Elena Ferrante de bestsellerlijsten aan.
De fervente aanhangers van de schrijfster zien daarin een bewijs van haar grootsheid, van de universele kracht van haar verhalen en haar personages. Maar als we het alleen maar over Nutella of Kindersurprise hadden, zou het adjectief ‘goed’ volstaan. Literair gezien echter zou die vlag de lading naar ik vrees hooguit bij benadering dekken. Met als resultaat dat willekeurig welke vertaalde Italiaanse schrijver aan Elena Ferrante doet denken. Dat is niet goed, en het is jammer.
Elena Ferrante heeft weinig te maken met de rest van de Italiaanse literatuur van de afgelopen jaren, of preciezer gezegd met de meest vernieuwende literatuur van de afgelopen jaren. Ze praat met een zachte en lichtelijk fletse stem die aan een boek uit rond 1950 doet denken. Het is een schrijfster (of schrijver, je weet maar nooit, in elk geval nog niet) die door de leden van de literaire bewegingen Gruppo 63 of Cannibali uit de jaren negentig als ongenietbaar zou zijn beschouwd. Ze mist de inventiviteit en de herkenbare stijl van haar evenzeer aanbeden (Franse) generatiegenote Annie Ernaux – en wie het tegendeel beweert begrijpt weinig van boeken.
Les Années van Annie Ernaux volgt zijn personages grosso modo gedurende een even lange periode als De geniale vriendin, met dien verstande dat Ernaux de kaarten opnieuw schudt, ze door elkaar husselt, ze in stukjes hakt, er lyriek van maakt, een elegie, er een unieke stem aan geeft. Elena Ferrante rangschikt de feiten in een lineaire volgorde, met een futloze stem die niet valt te onderscheiden van een menigte identieke stemmen. De surrealisten karikaturiseerden in één zin – ‘Om vijf uur verliet de markiezin het huis’ – alles wat hun aan de realisten tegenstond. Gingen ze daarmee niet een beetje ver? Jawel. Maar in de romans van Elena Ferrante kun je lezen – al is dat op zichzelf niet slecht, let wel – dat ‘ze op een avond op de deur klopten’.
Er schuilt altijd veel waars in gemeenplaatsen. Maar je kunt niet zeggen dat het Napels van Ferrante een Napels is dat afwijkt van de platgetreden paden, een Napels waarvan de lezer in Parijs, Düsseldorf of Manhattan zal opkijken
Als je de tweetalige lezers mag geloven is de Amerikaanse vertaling van Goldstein mooier dan het origineel, rijker. De Duitse vertaling is Duitser, de Franse vertaling eleganter. Een glibberig terrein, waar objectiviteit praktisch onmogelijk is. Je kunt je waarschijnlijk gemakkelijker afvragen of het imaginaire van haar verhalen vertaalbaar is en zo ja, tot op welke hoogte.
Het Napels uit het eerste deel, De geniale vriendin, staat bol van de clichés: het rumoerige verkeer, de stemmen, de kleuren, de feestelijke sfeer die overal heerst. Er is meteen al een pizzabakker, een verkoper van groente en fruit. De Vesuvius heeft een tere pastelkleurige vorm, met aan de voet de witte stenen van de stad, het aardkleurige silhouet van het Castel dell’Ovo, de zee. En wat voor zee! Vreselijk woelig, die zee. Er hangt een buitengewoon licht en vervolgens, bij wijze van contrast, de zwartheid van een wijk die verzadigd is van spanning en geweld. De stralende stad en de zwarte stad.
Er schuilt altijd veel waars in gemeenplaatsen. Maar je kunt niet zeggen dat het Napels van Ferrante een Napels is dat afwijkt van de platgetreden paden, een Napels waarvan de lezer in Parijs, Düsseldorf of Manhattan zal opkijken. Het is geen Malaparte, geen Domenico Rea, geen Raffaele La Capria en zelfs geen Fabrizia Ramondino, met wie Ferrante toch vergeleken is. Het is op en top Ferrante – met heel wat minder verrassingen, zowel qua taal als qua beelden.
Elena (bijgenaamd Lénu) en Lila, de twee vriendinnen uit het vierluik, zijn zonder twijfel sterke personages die indruk maken, en hoewel Elena Lila als de kwaaie pier afschildert, is haar eigen personage ook niet bepaald sympathiek. Je krijgt vaak het idee dat het aan het personage ligt wie de grootste gemenerik is, en ook de mannen doen hier een niet onbelangrijke duit in het zakje. De sage blijft op koers, het is een vervolgverhaal in de goede zin van het woord (binnenkort te zien als televisieserie van de hand van Saverio Costanzo), maar de lof die de onzichtbare Ferrante van haar Italiaanse collega’s krijgt toegezwaaid lijkt desondanks lichtelijk overdreven.
Idolate hofhouding
Ook al zijn ze nog niet half zo lovend over andere succesauteurs – en verwaardigen ze zich niet eens die te lezen – hun bewondering voor Elena Ferrante steken ze niet onder stoelen of banken. Het is de idolate hofhouding van de Onzichtbare, of liever gezegd Semi-Onzichtbare, sinds ze een wekelijkse column op pagina 3 van The Guardian ondertekent. En als ik er nog een ironisch schepje bovenop mag doen, sommigen putten zich uit in conformisme en pluimstrijkerij; lees alleen maar de begeesterde interviews in de bundel La Frantumaglia, waaruit een eerbied spreekt waarop zelfs Elsa Morante in haar hoogtijdagen niet hoefde te rekenen.
In een recent interview zei de grote Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss, in plaats van als een papegaai de naam van Elena Ferrante te herhalen, van Fleur Jaeggy te houden. En raad eens in welke taal Fleur Jaeggy schrijft? In het Italiaans. En ze schotelt ons schitterende bladzijden voor. Het immense succes van een schrijfster zonder gezicht is op zichzelf niet slecht, integendeel, maar de Italiaanse literatuur van gisteren en vandaag is allesbehalve ‘geferrantiseerd’. Ik zal nooit nalaten daarop te wijzen. Zo wordt het tenminste ergens geboekstaafd.
Sinds 1976 de krant voor de intellectuele en zakelijke elite van Italië, staat politiek dicht bij de Democratische Partij (PD).
Elena Ferrante
Ondanks talloze naspeuringen is de identiteit van Elena Ferrante nog steeds niet met zekerheid bekend, behalve dat we weten dat het om een man, een vrouw of meerdere personen gaat. De schaarse interviews die de schrijfster/schrijver heeft gegeven waren schriftelijk. Haar Napolitaanse vierluik, in Italië gepubliceerd tussen 2011 en 2014, is in meer dan veertig talen vertaald. Het dagblad La Repubblica wist in oktober 2017 te melden dat er wereldwijd al meer dan tien miljoen exemplaren over de toonbank waren gegaan. De afgelopen weken hebben diverse Italiaanse schrijvers in L’Espresso het fenomeen Elena Ferrante besproken, hetzij om de intrinsieke kwaliteiten van haar werk te benadrukken, hetzij om die te relativeren, zoals Paolo Di Paolo hier doet.
Paolo Di Paolo
Paolo Di Paolo (Rome, 1983) heeft Italiaanse taal- en letterkunde gestudeerd en diverse literaire prijzen ontvangen. Hij debuteerde in 2003 met de verhalenbundel Nuovi cieli, nuove carte en heeft sindsdien romans, toneelstukken en verhandelingen over met name Italiaanse literatuur geschreven. Hij publiceert regelmatig in kranten en tijdschriften.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.