Kweekvlees is vooralsnog alleen beschikbaar voor huisdieren
Het Verenigd Koninkrijk wordt het eerste land in Europa dat ‘in het laboratorium gekweekt’ vlees op de markt brengt, nadat voedselautoriteiten toestemming gaven voor het gebruik van uit dierlijke cellen gekweekte kip in diervoeding. Dat bericht Financial Times. De Britse voedselstart-up Meatly wil dit jaar nog beginnen met de verkoop van gekweekte kip aan fabrikanten.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De CEO en medeoprichter van Meatly, Owen Ensor, zei tegen de Britse zakenkrant dat het verkrijgen van goedkeuring in het VK mogelijk was dankzij Brexit, waardoor het mogelijk was om af te wijken van EU-regelgeving. In tegenstelling tot plantaardige vleesvervangers die worden gemaakt van soja- of erwteneiwit, wordt kweekvlees gemaakt van dierlijke cellen die in vaten worden gekweekt. Het Verenigd Koninkrijk moet de producten nog goedkeuren voor menselijke consumptie, maar Israël, Singapore en de VS hebben dat al gedaan. De EU wil kweekvlees voorlopig nog niet toestaan, onder andere Italië onder leiding van Giorgia Meloni verzet zich fel tegen in het laboratorium gekweekte vleesproducten.
Het Italiaans parlement heeft gisteren een wetsvoorstel goedgekeurd dat de productie en verkoop van kweekvlees verbiedt, aldus Corriere della Sera. De Senaat had de wet al eerder aangenomen. Volgens het Italiaanse Ministerie van Landbouw, Voedselsoevereiniteit en Bosbouw is het doel van deze maatregel de bescherming van de gezondheid van burgers, maar ook het behoud van het Italiaanse culinaire erfgoed en al die producten die ‘van strategisch belang zijn voor de nationale voedselzekerheid’.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Kweekvlees, dat ten onrechte ‘synthetisch’ of ‘kunstmatig’ wordt genoemd, aldus de Italiaanse krant, is een soort vlees dat in het laboratorium wordt gemaakt van dierlijke cellen die via een biopsie worden afgenomen en vervolgens in een voedingsrijke oplossing worden gekweekt. ‘Vanuit het oogpunt van voedselveiligheid brengt kweekvlees geen risico’s met zich mee’, legt Fondazione Veronesi, een stichting ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek, uit aan het dagblad. Maar omdat het een nieuw voedingsmiddel is, staat het onder streng toezicht van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Singapore is vooralsnog het enige land ter wereld waar je kweekvlees kunt consumeren.
Oppositiepartijen zijn tegen de wet en wijzen erop dat de veeteelt een van de sectoren is met de grootste milieu-impact in Italië. Ook vormt de veehouderij een risico voor de volksgezondheid, bijvoorbeeld door infecties en ziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen of het grootschalige gebruik van antibiotica in de sector die leidt tot resistente bacteriën.
Kweekvlees zal eerst in toprestaurants beschikbaar zijn
De Verenigde Staten staan toe dat in het laboratorium gekweekt kippenvlees op de markt wordt gebracht. ‘Het is een historische stap die het voedsellandschap onherroepelijk zal veranderen’, aldus Time Magazine. Op woensdag werden de Verenigde Staten het tweede land, na Singapore, dat de weg vrijmaakt voor kunstmatig vlees op ons bord door goedkeuring te geven aan de Californische bedrijven Upside Foods en Good Meat om hun producten op de markt te brengen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Tal van start-ups streven ernaar om zogenaamd ‘kweekvlees’ te produceren en op de markt te brengen, zodat mensen dierlijke eiwit kunnen consumeren zonder dierenleed te veroorzaken. Time wijst er echter op dat de producten van Upside Foods en Good Meat naar verwachting niet onmiddellijk in supermarkten verkrijgbaar zullen zijn. De twee bedrijven plannen ‘een geleidelijke uitrol, te beginnen met toprestaurants’ in de VS.
‘Het nieuws uit de VS is een opwindende ontwikkeling voor het hele ecosysteem van cellulaire landbouw,’ zegt Maarten Bosch tegen Time. Bosch is de CEO van Mosa Meats, een in Nederland gevestigd bedrijf dat een van de eerste was die met deze technologie aan de slag ging. Kweekvlees wordt gemaakt van een klein aantal stamcellen dat in een bad met voedingstoffen in een bioreactor wordt opgekweekt tot een volwaardig stukje vlees.
Om onze vleesconsumptie te verminderen is nepvlees nodig dat minstens net zo lekker is als vlees waarvoor een dier is geslacht. Deze Amerikaanse start-up heeft de oplossing: plantaardig vlees met toegevoegd varkensvet dat gekweekt is in een laboratorium.
Vorige maand werd ik aan een eettafel in een zonnige hotelsuite in New York City volledig verrast door een reepje nepbacon. Ik was er voor de proeverij van een nieuw soort plantaardig vlees. Net als de meeste Amerikanen had ik dat al eens eerder geprobeerd, al had ik er nooit zo’n zin in als in echt vlees. Maar nog voor ik de bacon geproefd of zelfs maar gezien had, wist ik al dat dit anders was. De geur van zout, rook en sissend vet die uit de nabijgelegen keuken kwam leek onmiskenbaar echt. De knapperige baconreepjes zagen er ook echt uit: tijgerstrepen met goudkleurig vet, gepresenteerd op een miniatuur BLT-sandwich. De knapperigheid maakte plaats voor een bevredigende beet, gevolgd door een walnootachtige smaak en de onvergelijkbare sappigheid van dierlijk vet.
Ik wist dat het geen echte bacon was, maar even tuimelde ik er bijna in. De bacon was inderdaad gemaakt van planten, net als de hamburgers die je kunt kopen van merken als Impossible Foods en Beyond Meat. Maar het was gemengd met echt varkensvet. Nou ja, soort van. Wat door het ‘vlees’ marmerde was niet afkomstig van een geslacht varken, maar van een levend varken waarvan vetcellen waren afgenomen die vervolgens waren opgekweekt in een vat.
Dat in het lab gekweekte of ‘gecultiveerde’ vet wordt gemaakt door Mission Barns, een startup uit San Francisco die als doel heeft om mensen te overtuigen van de kwaliteit van plantaardig vlees. En het lijkt erop dat veel mensen overtuigd moeten worden. Producenten van plantaardig vlees, voor wie een paar jaar geleden succes verzekerd leek, hebben het nu moeilijk. Toen de nieuwigheid van het ‘bloeden’ van plantaardig eiwitten eenmaal voorbij was, werd het voor consumenten lastiger om de hoge prijs, de matige voedingswaarde en de ‘best-wel-oké’-smaak van plantaardig vlees voor lief te nemen, zeggen voedseldeskundigen. In 2021 en 2022 verloren veel fastfoodketens die ooit een grote rol speelden op dit gebied – Burger King, Dunkin’, McDonald’s – de interesse om het nog te verkopen. In de afgelopen vier maanden hebben de twee meest zichtbare bedrijven die plantaardig vlees maken, Beyond Meat en Impossible Foods, ontslagen aangekondigd.
Ondertussen ligt de toekomst van andere alternatieven voor vlees – een laboratoriumvariant die moleculair gezien identiek is aan echt vlees – nog minstens enkele jaren in het verschiet, ergens tussen science fiction en werkelijkheid in. Maar we kunnen niet wachten met minder vlees eten. Het is een van de beste dingen die we als burgers kunnen doen voor het klimaat en het neemt ook nog eens de zorgen over dierenleed en gezondheid weg. Vet uit laboratoria zou de brug kunnen zijn. Het wordt op dezelfde manier gemaakt als vlees uit laboratoria, maar is veel eenvoudiger te produceren en kan worden gemengd met bestaande plantaardige voedingsmiddelen, vertelt Elysabeth Alfano, CEO van investeringsbedrijf VegTech Invest. Als zodanig zal het waarschijnlijk veel eerder commercieel beschikbaar worden – misschien zelfs al binnen een paar jaar. Mogelijk is alles wat nodig is om nepvlees te redden slechts een beetje dierlijk vet.
Mondgevoel
Dierlijk vet is culinaire magie. Het geeft een hamburger zijn sappigheid en laat een boterachtig laagje achter op de tong. Het ontbreken ervan is de reden dat kipfilet zo flets smaakt. Vet, schreef kok Samin Nosrat in Salt, Fat, Acid, Heat, is ‘de bron van een rijke smaak en van een specifiek gewenste textuur’. Het nepvlees dat nu op de markt is, schiet tekort op het gebied van smaak en textuur. De meeste producten benaderen vlezigheid met een mengsel van plantaardige oliën, smaakstoffen, bindmiddelen en zout, dat zeker vleziger is dan de vroegere burgers van bonen, maar nog verre van perfect. Voedselblog Serious Eats wees bijvoorbeeld op onaangename geuren, althans vóór het koken, zoals die van kattenvoer en kokos. Op moleculair niveau heeft plantaardig vet moeite om zijn dierlijke tegenhanger na te bootsen. Kokosolie, dat vaak wordt gebruikt in plantaardig vlees, is bij kamertemperatuur vast, maar smelt bij relatief lage hitte, zodat het tijdens het koken in de pan achterblijft. Daardoor is het mondgevoel van plantaardig vlees eerder vettig dan weelderig.
Als we die plantaardige oliën vervangen door gekweekt dierlijk vet, dat bij verhitting zijn structuur behoudt, zouden de smaak en sappigheid behouden blijven die je van echt vlees verwacht, zegt Audrey Gyr. Ze is specialist startupinnovatie bij het Good Food Institute, een non-profit die zich inzet voor vleesalternatieven. In zekere zin is de techniek waarbij dierlijk vet wordt ingezet om planten op smaak te brengen niet nieuw. Kippenvet wordt al sinds lang gebruikt om een rijke nootachtige smaak aan aardappelkoekjes te geven; gesmolten guanciale [Italiaans wangspek] geeft een klassieke pasta amatriciana zijn sappigheid. Plantaardige bacon versterkt met varkensvet volgt dezelfde culinaire traditie, maar is zeer hightech. In enorme bioreactoren worden vetcellen van een levend dier opgekweekt en gevoed met van planten afkomstige suikers, eiwitten en andere groeicomponenten. Na verloop van tijd vermenigvuldigen ze zich tot een massa vetcellen: een zachte, bleke vaste stof met een robuuste smaak, die doet denken aan de witte substantie die om een varkenskarbonade zit of in een biefstuk marmert.
Zo uit de bioreactor lijkt het vet ‘een beetje op margarine’, zegt Ed Steele, medeoprichter van het in Londen gevestigde bedrijf Hoxton Farms. Het is een ingewikkeld proces, maar wel veel makkelijker dan de ontwikkeling van kweekvlees, waarbij veel celtypen moeten worden omgezet in stijve spiervezels. Vet bestaat maar uit één type cel en is als vormloze klodder het meest bruikbaar. Net als in het menselijk lichaam zijn enkel tijd, ruimte en een gestaag infuus van suikers, oliën en andere vetten nodig, zegt Eitan Fischer, CEO van Mission Barns. De bacon van mijn proeverij was gemaakt door gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit, het mengsel te pekelen en te roken en het vervolgens in baconachtige reepjes te snijden. Door slechts 10 procent gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit kan een product al smaken en aanvoelen als echt vlees.
Gekweekt vet kan met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is
Gekweekte vetproducten zijn al in zicht. Mission Barns is van plan zijn gekweekte vet te verwerken in zijn eigen plantaardige producten; Hoxton Farms hoopt zijn vet rechtstreeks te verkopen aan bestaande fabrikanten van plantaardig vlees. Andere bedrijven, zoals de Belgische startup Peace of Meat, het in Berlijn gevestigde Cultimate Foods en het op vis gerichte ImpacFat uit Singapore, werken ook aan hun eigen versies van gekweekt vet. In theorie kan het vet worden gemengd met vrijwel elk soort plantaardig vlees, zoals vleesklompjes, worstjes of paté. In de VS ligt de weg naar de markt al open. Afgelopen november kreeg gekweekte kip van de Californische startup Upside Foods toestemming van de Food and Drug Administration (FDA); nu is het wachten op aanvullende toestemming van het ministerie van Landbouw. In afwachting van wettelijke goedkeuring zegt Mission Barns klaar te zijn om haar producten in een paar supermarkten en restaurants te lanceren. Daaronder ook een overtuigende, varkensvleesachtige gehaktbal op plantaardige basis die ik ook op de proeverij heb geprobeerd. In afwachting van de FDA-toestemming moest ik een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen voordat ik mocht proeven.
Ik verliet de proeverij met dierlijk vet op mijn lippen en een nieuwe overtuiging in mijn hoofd: voor de juiste prijs zou ik deze bacon kopen in plaats van het gewone spul. Omdat gecultiveerd vet kan worden gemaakt zonder dieren te schaden – de vetcellen in de bacon die ik proefde waren afkomstig van een vrolijk scharrelvarken genaamd Dawn, aldus een pr-medewerker van Mission Barns – kan het aantrekkelijk zijn voor flexitariërs zoals ik, die gewoon minder vlees willen eten.
Hoewel er geen garantie is dat het thuis net zo goed zou smaken als na de bereiding door de privékok van Mission Barns, kan gekweekt vet met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is. Volgens Jennifer Bartashus, analist verpakte levensmiddelen van Bloomberg Intelligence, is gekweekt vet ‘de volgende stap in het smakelijker maken van milieuvriendelijk voedsel voor de doorsneeconsument’.
Pakkende naam
Maar gekweekt vet heeft wel nog steeds te kampen met enkele van dezelfde problemen die ons van plantaardig vlees hebben afgehouden. De huidige producten op de markt zijn niet bijzonder gezond en gekweekt vet zou daar niets aan veranderen. Het opbouwen van consumentenvertrouwen en vertrouwdheid met de producten kan ook een probleem zijn. Sommige mensen zijn huiverig voor plantaardige producten omdat ze niet weten waar ze van gemaakt zijn. Het meer complexe begrip ‘gekweekt vet’ is op z’n best net zo onappetijtelijk. ‘We weten nog steeds niet precies hoe de consument zal denken over gekweekt vet,’ zegt Gyr. Een pakkende naam voor deze producten zou zeker helpen, maar het kost me moeite om een omschrijving te vinden die minder stroef klinkt dan ‘plantaardig vlees op smaak gebracht met gekweekt dierlijk vet’. Tenzij bedrijven met gecultiveerd vet hun marketing echt goed aanpakken, zouden ze wel eens dezelfde weg kunnen afleggen als ‘gemengd vlees’– mengsels van plantaardig eiwit en echt vlees die in 2019 werden geïntroduceerd door drie vleesbedrijven, wat ‘nogal een mislukking’ was, aldus Gyr.
Het belangrijkst is echter de prijs ten opzichte van die van traditioneel vlees. De hogere kosten van plantaardig vlees zijn deels de oorzaak van de ineenstorting van de sector, en producten met gekweekt vet zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk niet goedkoper worden. Fischer, van Mission Barns, zegt dat de huidige kleine productieschaal van zijn bedrijf de producten ‘vrij duur’ maakt in vergelijking met traditionele vleesproducten. Steele van Hoxton Farms zegt te hopen dat bedrijven die gekweekt vet in hun plantaardige vleesrecepten gebruiken niet meer hoeven uit te geven dan nu.
Ondanks deze obstakels is geteeld vet veelbelovend voor de kwijnende plantaardige vleesindustrie, omdat het absoluut lekker is. Gekweekt vet zou ‘kunnen leiden tot een nieuwe ronde van innovatie die weer consumenten zal aantrekken’, aldus Bartashus. Plantaardig en echt vlees zullen immers rond 2026 op een gelijke prijs kunnen uitkomen, waardoor mogelijk meer bedrijven geïnteresseerd zullen raken in de vleesalternatieven. Gekweekt vet zou ons warm kunnen maken voor de toekomst van volledig gekweekt vlees. En na verloop van tijd kan een in het laboratorium gekweekte kipfilet net zo saai worden als gewone kipfilet.
Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen
Aan het enthousiasme over gekweekt vet, en nepvlees in het algemeen, hangt een uitgesproken techno-optimistisch tintje – alsof het gemakkelijk zal worden om alle vleeseters over te halen om in baconvet gehulde planten te omarmen. ‘Uiteindelijk is ons doel om de huidige conventionele vleesprijzen te overtreffen, of het nu gaat om gehaktballen of bacon,’ aldus Fischer. Maar zelfs nu de problemen rond het eten van vlees alleen maar duidelijker zijn geworden, blijft de consumptie ervan in de VS stijgen. Mondiaal gezien zal de vleesconsumptie in landen als India en China de komende jaren naar verwachting explosief stijgen. Gekweekt vet biedt de consument op zijn minst een andere optie. Biefstuk bij de ene maaltijd en plantaardig vlees bij de volgende kan al als winst worden gezien.
Sinds de proeverij heb ik vaak nagedacht over de reden waarom de bacon me zo perplex deed staan. Knagend op de knapperige gouden rand van een van de reepjes wist ik dat ik echt baconvet at. Maar mijn hersenen worstelen nog steeds met het idee dat het niet rechtstreeks van een stuk varkensvlees afkomstig was. Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen. Als gekweekt vet de tijd kan overbruggen totdat vlees werkelijk in een laboratorium kan worden gekweekt, hebben deze nieuwe producten hun steentje al bijgedragen. En in de tussentijd vinden we ze misschien wel goed genoeg.
Cellulaire landbouw, oftewel kweekvlees, lijkt het medicijn voor alle kwalen van de bio-industrie, zoals dierenleed en milieuschade, zonder dat de consument zijn dagelijkse stukje vlees ervoor hoeft op te geven. Het is daarom tijd dat de overheid flink gaat investeren, betogen deze wetenschappers in The Guardian.
Amerikanen gaan dit jaar een slordige twee miljard kipnuggets eten. Deze frituursnack is een manier om geld te slaan uit wat je overhoudt na het wegsnijden van de borst, poten en vleugels van de pakweg negen miljard bio-industriekippen die in de VS elk jaar worden geslacht. Zoals bij zoveel alledaagse artikelen is ook de productie van kipnuggets in handen van een klein groepje gigantische bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een waslijst aan maatschappelijke en ecologische misstanden. En zoals zoveel van de consumptiegoederen die uit dit systeem voortkomen, zijn de nuggets van bedenkelijke kwaliteit, goedkoop, verleidelijk en gemakkelijk weg te kauwen.
Nuggets bevatten niet eens veel vlees, maar bestaan voor het grootste deel uit vet en allerlei restmateriaal – zoals huid, bot en zenuw- en bindweefsel – dat met allerlei toevoegingen eetbaar wordt gemaakt. De politieke economen Raj Patel en Jason Moore noemen het een gehomogeniseerde hapklare manifestatie van de wijze waarop het kapitalisme zo veel mogelijk waarde aan menselijk en niet-menselijk leven en arbeid onttrekt.
Cellulaire landbouw
Maar als kipnuggets symbool staan voor het moderne kapitalisme, dan zijn ze ook rijp voor vernieuwing. Een van de veelbelovendste nieuwe kandidaten om de kipnugget te vervangen is misschien wel een radicaal ander soort vlees: eetbaar weefsel uit de reageerbuis, opgekweekt uit stamcellen in de zogenaamde cellulaire landbouw. Het verkooppraatje voor deze nieuwe technologie volgt het klassieke stramien van Silicon Valley: hiermee kun je een verouderde technologie (in dit geval dieren) overbodig maken en geld verdienen door goed te doen.
In de intensieve veehouderij, waar de nuggets en ook bijna al het andere door Amerikanen consumeerde vlees worden geproduceerd, blijven de prijzen kunstmatig laag als gevolg van de enorme schaalvoordelen van massaproductie en het afwentelen van de kosten daarvan op mens, dier en milieu. Het leidt tot ontbossing, de uitstoot van honderden miljoenen broeikasgassen per jaar, afschuwelijke arbeidsomstandigheden in slachthuizen en weerzinwekkende staaltjes van dierenmishandeling op veehouderijen, terwijl de sector zich bovendien bezondigt aan prijsafspraken, lobbyt voor minder regelgeving op het gebied van arbeid en milieu en zich sterk maakt voor ongrondwettelijke wetgeving die klokkenluiders moet ontmoedigen.
Het probleem is dat mensen dol zijn op vlees, dat de mondiale productie en consumptie daarvan nog steeds gestaag toenemen en dat een collectieve bekering tot het vegetarisme niet in het verschiet lijkt te liggen. Dat maakt de intensieve veehouderij zo’n lastig probleem: onmiskenbaar schadelijk, maar politiek en maatschappelijk ook zo diep in ons bestaan verankerd dat je als hervormer niet goed weet waar je moet beginnen. En dan lijkt de cellulaire landbouw een uitweg te bieden: een sociaal-technische ‘hack’ die veel van de in het huidige systeem aangerichte schade kan voorkomen zonder dat de consument er zijn lapje vlees voor hoeft op te geven.
Het in Australië gevestigde Vow wil buiten de gebaande paden treden met kweekvlees van zebra’s, jaks en kangoeroes
Die cellulaire landbouw was altijd al voer voor gedachte-experimenten van filosofen en sciencefictionschrijvers, maar begint nu in rap tempo werkelijkheid te worden. In december 2020 hield het in San Francisco gevestigde bedrijf Eat Just in de Singaporese club 1880 het eerste commercieel verkrijgbare kweekvlees ten doop. De gekozen vorm, een kipnugget, was deels symboliek, deels noodzaak: de technologie is nog niet zover dat je er een kipfilet, kippenvlerk of kippenpoot mee kunt maken. Maar in principe kun je straks wel het hele dierenrijk repliceren. Het allereerste prototype van cellulaire landbouw dat aan de wereld werd gepresenteerd, was de hamburger die wetenschappers van de Universiteit Maastricht in 2013 maakten. Het bedrijf dat uit hun project is voortgekomen, Mosa Meat, is nu hard op weg om runderkweekvlees op de markt te brengen. De Israëlische start-up Aleph Farms maakt met 3D-printtechnologie een lendenbiefstuk. Het Singaporese Shiok Meats kweekt garnalen zonder garnalen. Finless Foods uit Berkeley is bezig aan de met uitsterven bedreigde blauwvintonijn. En het in Australië gevestigde Vow wil buiten de gebaande paden treden met kweekvlees van zebra’s, jaks en kangoeroes.
Deze ontwikkeling wordt vooral gedragen door een snelgroeiend aantal start-ups in de grote technologische hubs van de wereld. Die worden gesteund door een wereldwijd netwerk van extreem vermogende beleggers en durfkapitalisten die de afgelopen tien jaar al meer dan zeven miljard dollar in alternatieve eiwitten hebben gestoken, waaronder zo’n 900 miljoen dollar in kweekvlees. Richard Branson, Bill Gates en een hele reeks andere miljardairs hebben zich met hun geld en enthousiasme achter deze technologie geschaard. De Maastrichtse hamburger was mede gefinancierd door Sergey Brin, een van de oprichters van Google. Maar ook grote bedrijven laten zich niet onbetuigd: de farmagigant Merck investeert in Mosa Meats en vleesgigant Tyson Foods financiert het Californische Upside Foods.
Dat particulier kapitaal overuren draait om met synthetische biologie een omwenteling teweeg te brengen in de traditionele landbouw, is voor zowel voorstanders als critici waarschijnlijk reden genoeg om hun mening hierover al klaar te hebben. Techno-optimisten zien een toekomst voor zich van alom verkrijgbaar ‘schoon vlees’ dat ecologisch en ethisch net zo superieur is aan gewoon vlees als zonne-energie aan steenkool. Tegenstanders zien een toekomst van door het bedrijfsleven gedomineerd laboratoriumvlees dat naadloos past in het manke kapitalistische voedselsysteem dat we hebben.
Mogelijkheden en gevaren
In beide zienswijzen zit een kern van waarheid, maar ze gaan er allebei ten onrechte van uit dat de uitkomst al vaststaat. Er was niets onvermijdelijks aan de krachten die het voedselsysteem de afgelopen eeuw in de richting hebben gedreven van steeds verdergaande mechanisering, de uitbuiting van arbeiders en de verwoesting van het milieu: dat was een gevolg van collectieve en individuele politieke keuzes. Wij hoeven dus ook niet de gevangene te worden van monopolisten die een grauwe klodder reageerbuisvlees op ons bord kwakken. Wat wij nodig hebben, is een analyse van de kansen die de cellulaire landbouw biedt: wat deze nieuwe levensmiddelentechnologie, met het juiste beleid en de juiste investeringen, mogelijk kan maken voor consumenten, werknemers, dieren en het milieu.
Om te begrijpen wat de mogelijkheden en de gevaren van de cellulaire landbouw zijn, hebben we inzicht nodig in het systeem dat hierdoor zou veranderen. Ons huidige landbouwbeleid en de huidige praktijken in de veehouderij richten grote schade aan, en het zal een enorme collectieve inspanning vergen om daar iets aan te doen. Maar de geschiedenis wijst uit dat zulke systemen wel degelijk radicaal kunnen veranderen, zelfs binnen één generatie.
Voor consumenten kenmerkt het huidige systeem zich vooral door enorme overvloed en lage prijzen. Amerikanen geven nog geen 10 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan voedsel, minder dan bijna overal ter wereld, en ze eten maar liefst 122 kilo vlees per jaar, waarvan 55 kilo kip. (Ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk ligt dat op circa 80 kilo per persoon, waarvan 32 kilo kip. Lager, maar nog steeds ecologisch onhoudbaar.) [In Nederland at men in 2018 gemiddeld 77 kilo vlees per jaar] Die lage prijs eist een hoge tol. Miljarden genetisch identieke kippen slijten een miserabel leven in enorme megastallen die volledig zijn ingericht op maximale efficiëntie en minimale kosten. Drie grote vleesverwerkende bedrijven, Tyson, Perdue en Koch, hebben het grootste deel van de Amerikaanse markt voor kippenvlees in handen. De sector functioneert praktisch als een monopsonie, een kopersmonopolie waarin het aantal afnemers zo gering is dat zij de prijzen en productievoorwaarden dicteren; soms is er sprake van een zodanige verticale integratie dat de industrie bijna de hele waardeketen bepaalt.
Er is sprake van arbeiders die aan de slachtlijn een luier moesten dragen omdat ze geen toiletpauze kregen
Dit geeft de industrie een enorme economische macht over boeren, arbeiders en consumenten. Boeren die een contract aangaan met de grote vleesverwerkers, moeten zo hard met elkaar concurreren dat ze blij mogen zijn als ze geen verlies lijden. In de abattoirs verrichten de arbeiders loodzwaar maar laagbetaald en gevaarlijk werk aan razendsnelle slachtlijnen, waar ze honderdveertig kippen per minuut moeten slachten. In een Oxfam-rapport uit 2015 is sprake van arbeiders die aan de slachtlijn een luier moesten dragen omdat ze geen toiletpauze kregen en arbeiders die invalide zijn geworden van de eindeloos herhaalde bewegingen. Verder hebben de kipgiganten Tyson en Pilgrim’s Pride onlangs voor honderden miljoenen aan schikkingen getroffen in rechtszaken over prijsafspraken die tegen hen waren aangespannen door supermarkten, restaurants en individuele consumenten. De concerns zijn zo groot en zo rijk dat ze ook veel politiek gewicht in de schaal leggen. Een sterk staaltje daarvan deed zich voor in april 2020, toen Donald Trump op aandringen van de sector een oude defensiewet aangreep om af te dwingen dat de slachthuizen tijdens de pandemie open bleven, ook al kregen duizenden arbeiders corona.
Ondertussen heeft het op elkaar proppen van dieren in megastallen en het kappen van bos om land vrij te maken voor de verbouw van voedergewassen de kans op uitbraken van zoönotische ziekten zoals varkensgriep, vogelgriep of covid-19 alleen maar vergroot. En het systeem eist nog meer dodelijke slachtoffers door ziekten die niet eens besmettelijk zijn: de veranderingen in ons eetpatroon hebben in de afgelopen zestig jaar sterk bijgedragen aan de buitengewone groei van het aantal Amerikanen met obesitas, diabetes en hartkwalen.
Het hele stelsel is primair gericht op het gewin van grondbezitters en grote boerenbedrijven, op kosten van de belastingbetaler
Er zijn twee factoren die tot deze onverkwikkelijke situatie hebben geleid. De eerste is het door winstbejag ingegeven streven naar steeds grotere efficiëntie in de landbouw dat al minstens twee eeuwen aan de gang is. De tweede is de wildgroei aan stimuleringsprogramma’s voor de landbouw die met name in de VS hebben geleid tot een schier onuitputtelijke voorraad aan landbouwsubsidies, gekoppeld aan een groot gebrek aan regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden en milieu. Het hele stelsel is primair gericht op het gewin van grondbezitters en grote boerenbedrijven, op kosten van de belastingbetaler.
Dat is nergens zo duidelijk zichtbaar als in de vleessector. Het slachten van dieren werd eind negentiende eeuw al geïndustrialiseerd door de slachthuizen in Chicago, waar veertigduizend zwarte arbeiders en immigranten voor doorgaans lage lonen elk jaar miljoenen runderen en varkens slachtten. Vleesverwerking op zo’n grote schaal vereiste een gestandaardiseerde input (voor het graan en de dieren die daarmee werden gevoerd) ter stroomlijning van het industriële proces. Dat werd gestimuleerd door de Amerikaanse overheid, die in het begin van de twintigste eeuw met behulp van onderzoeksprogramma’s, belastingvoordelen en de promotie van nieuwe technologie op de uitbreiding van de intensieve landbouw aanstuurde – om zo, in de woorden van de historica Deborah Fitzgerald, van elke boerderij een fabriek te maken.
Verkipping
Dat resulteerde in de opkomst van de bio-industrie na de Tweede Wereldoorlog. Kip had tot die tijd nooit een belangrijke rol gespeeld in het Amerikaanse eetpatroon, maar kippen bleken bijzonder geschikt voor industrialisatie, omdat ze zich snel voortplanten en je door slim te fokken hun grootte en eierproductie makkelijk kunt beïnvloeden. Met een reclamebombardement wisten de vleesbedrijven een nieuwe markt voor kippenvlees te creëren, en al snel werd het model van de fabrieksboerderij ook overgenomen in de varkenshouderij en leidde het tot de ontwikkeling van steeds grotere rundveehouderijen. Dr. Ellen Silbergeld, een deskundige op het gebied van gezondheid en milieu, noemt dit de ‘verkipping’ van de landbouw.
Er is geen gebrek aan intelligente progressieve kritiek op dit systeem, alleen behelzen de voorgestelde alternatieven meestal het opknippen van de grote voedselconcerns en de inkrimping of diversificatie van Amerikaanse boerenbedrijven. Maar beter mededingingsbeleid alleen is niet genoeg om iets te doen tegen de schade die de intensieve veehouderij aanricht op het vlak van dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden en milieu. Als je de grote concerns opknipt, leidt dat misschien alleen maar tot meer, zij het dan iets kleinere en minder productieve fabrieksboerderijen.
Biologische groente en scharrelvlees vers van de boerderij is niet wat iedereen wil, laat staan dat iedereen het kan betalen
En wat betreft de kleine boerderijen die nu al op meer holistische wijze landbouw bedrijven: de gedachte is wel dat die duurzamer zijn, meer werkgelegenheid in stand houden en lokale winkels voorzien van diervriendelijk rundvlees en sappige biologische tomaten van oude rassen. Maar een heel landbouwsysteem van kleine boeren opzetten dat economisch rendabel is en het grootste deel van de bevolking van voedsel voorziet, kan nog weleens een hele opgave worden. Biologische groente en scharrelvlees vers van de boerderij is niet wat iedereen wil, laat staan dat iedereen het kan betalen of überhaupt kan krijgen. Wat mensen wel kunnen krijgen, zijn nuggets. En voorstanders van kleinschalige landbouw kunnen vaak niet goed uitleggen hoe je hun ideeën ook in de praktijk kunt brengen op grotere schaal en voor een prijs die laag genoeg is om de economische status quo te doorbreken, binnen een tijdsbestek waarin dat nog een uitweg biedt uit onze ecologische crisis.
Intussen zijn de mensen met verstand van de milieueffecten van ons voedselsysteem het er in grote lijnen over eens dat we veel minder vlees moeten eten. Sommigen zien de oplossing in een overstap naar een vegetarisch of veganistisch dieet. En ook in voorstellen die vlees niet in de ban doen, zoals het modeldieet van de EAT-Lancet-commissie, wordt wel aangedrongen op drastische vermindering van de vleesconsumptie, zeker op het noordelijk halfrond, en op afschaffing van de bio-industrie als voornaamste productiemethode. Maar het lijkt erop dat alleen een direct wettelijk verbod op bio-industrievlees tot de benodigde vermindering zou kunnen leiden, en dat is politiek geen haalbare kaart.
Kiploze nuggets
En daar komt de cellulaire landbouw om de hoek kijken. Misschien ligt de oplossing voor de verkipping van ons voedselsysteem niet in scharrelkip, maar in de massaproductie van kiploze nuggets.
Winston Churchill verkondigde al in 1931 dat de mens dankzij de technologie ooit zou kunnen ‘ontkomen aan de absurde noodzaak dat je een hele kip moet kweken om een vlerk of borst te kunnen eten, door deze delen uiteindelijk afzonderlijk te kweken in een daarvoor geschikt medium’. Tot in de jaren negentig kon je die woorden nog aanhalen als een voorbeeld van de futiliteit van de futurologie. Maar door snelle ontwikkelingen in de biotechnologie en de medische wetenschap begint cellulaire landbouw nu werkelijkheid te worden. In de jaren zestig werd de stamcel in kaart gebracht, de bouwsteen van de meeste organismen. In de jaren zeventig werd het mogelijk om spierweefsel in de reageerbuis te kweken, en in 2005 verscheen het eerste gerenommeerde wetenschappelijke artikel over de reageerbuisproductie van vlees.
Voor zo’n geavanceerde biotechniek is cellulaire landbouw eigenlijk een vrij simpel proces. Het begint met stamcellen, die meestal met een biopsie uit een levend dier worden gehaald. Die cellen gaan in een bioreactor, een aseptisch stalen vat met instelbare temperatuur en luchtdruk, samen met een voedzaam groeimedium, in wezen een soepje van suikers en eiwitten. In die omstandigheden beginnen de cellen zich te vermenigvuldigen en weefsel te vormen. Uit de bioreactor komt een eetbare maar nog weinig appetijtelijke substantie, ‘natte massa’, die vervolgens verder bewerkt moet worden om er nuggets en gehakt en dergelijke van te maken. Het nabootsen van complexere stukken vlees, een filet mignon bijvoorbeeld, vergt nog meer techniek: dan moeten ook spier- en vetcellen worden gekweekt op kleine ‘steigertjes’ van ander materiaal, zoals collageen. Het is een soort bouwkunde, maar dan op microscopisch niveau.
Met kweekvlees verklein je de kans op ziektes die overspringen van mens op dier
De potentiële voordelen van deze technologie zijn legio. Uit de meeste analyses van deze procedés blijkt dat ze tot veel minder land- en waterverbruik en minder CO2-uitstoot leiden dan de productie van rundvlees en zuivelproducten. Als de bedrijven dan ook nog gebruikmaken van schone energie (een hele opgave, maar niet onmogelijk) kan dit procedé milieuvriendelijker worden dan de productie van varkens- en kippenvlees. Zo maak je een eind aan het martelen en doden van miljarden dieren per jaar en verklein je de kans op ziektes die overspringen van mens op dier. Reageerbuisvis kan zelfs nog grotere ecologische voordelen opleveren, als je daarmee de druk op bedreigde ecosystemen verlicht en de grootschalige vervuiling terugdringt die de visserij nu veroorzaakt.
Als er geen slachthuizen meer nodig zijn, komt daarmee ook een eind aan hun inherent slechte arbeidsomstandigheden. De productie van kweekvlees vraagt vooral hoogtechnologische arbeid: onderhoud, controle en afstelling van de bioreactoren, zonder de kwetsbare aseptische omgeving te verstoren die de celgroei vereist. Heel anders dan het razende tempo waarin dieren moeten worden geslacht in abattoirs, met in de VS als bijkomend resultaat ook gemiddeld twee afgehakte handen, vingers, voeten of ledematen per week. Fabrieken voor kweekvlees zouden veel beter betaald werk opleveren dan slachthuizen en ook een veel veiligere en gezondere werkomgeving bieden (zij het waarschijnlijk niet aan dezelfde arbeidskrachten).
Tegelijkertijd wordt er hard gewerkt aan de ontwikkeling van plantaardige alternatieven voor dierlijke producten. Aangezien die gemaakt kunnen worden met bestaande technologie en gewassen die al op grote schaal worden verbouwd, kunnen de productiemethoden daarvan snel en tegen lage kosten worden opgeschaald. Daarom zullen deze producten op korte termijn waarschijnlijk eerder de strijd aangaan met de conventionele veehouderij. De mondiale markt voor vleesvervangers en zuivel zal de komende vijf jaar naar verwachting groeien tot meer dan 75 miljard dollar, inclusief vegetarische nepkipnuggets van een hele trits bedrijven zoals Beyond, de makers van de Beyond Burger. Maar uiteindelijk bieden die toch niet meer dan knappe imitaties en moeten ze maar hopen dat de consument daar uiteindelijk de voorkeur aan geeft boven vlees.
Met cellulaire landbouw produceer je echt vlees en kun je proberen de vleesindustrie, goed voor een mondiale omzet van 1 biljoen dollar, op haar eigen terrein te verslaan. Je haalt dan ‘de ethische angel uit de discussie’ over vlees (in de woorden van het Good Food Institute, een internationale organisatie die het gebruik van alternatieve eiwitten propageert) en kunt louter op basis van marktmechanismen proberen het consumentengedrag te beïnvloeden. Dat vergroot de kans dat kweekvlees de traditionele veehouderij werkelijk op zijn kop kan zetten. Wat nu nog luchtfietserij lijkt, kan dan echte kilometers gaan maken.
Velen zouden liever zien dat iedereen gewoon veganist of vegetariër werd
Deze visie op cellulaire landbouw lijkt als twee druppels water op het soort grootspraak dat Silicon Valley maar al te graag uitvent. Voor een groeiend aantal critici riekt de hele onderneming naar ‘solutionisme’, het blinde geloof in technologie als panacee voor alle netelige maatschappelijke en politieke problemen. Sommige kritische deskundigen zien in cellulaire landbouw gewoon de zoveelste oefening in ‘ecomodern techno-optimisme’. Volgens hen blijft men blind voor het feit dat ‘daadwerkelijke modernisering concrete en soms heel heftige gevolgen heeft gehad voor de mensen en samenlevingen die gemoderniseerd werden’, in de woorden van Erik Jönsson, geograaf aan de universiteit van Uppsala. Velen zouden liever zien dat iedereen gewoon veganist of vegetariër werd.
De zorg is reëel dat voedselconcerns en Silicon Valley zulke nieuwe technologieën kunnen gebruiken om hun greep op de voedselvoorziening te verstevigen en hun kwalijke agrikapitalisme met een schijn van milieubewustheid ‘groen te wassen’. De huidige kweektechnieken voor vlees en de daarvoor gebruikte stamcellijnen zijn waardevol intellectueel eigendom, afgeschermd door een hele batterij advocaten en geheimhoudingsclausules. Critici vrezen dat deze nieuwe sector precies hetzelfde gebrek aan transparantie en controleerbaarheid zal vertonen als de industrie die ervoor plaats moet maken. Zij zien in de cellulaire landbouw de slechtste kanten van het huidige voedselsysteem ten top gedreven: de massaproductie van nuggets met een bedenkelijke voedingswaarde die worden verkocht in uniforme fastfoodzaken.
Een daling van de vraag naar veevoer zou meer ruimte scheppen voor een progressiever voedselbeleid
Er zijn drie dingen die je hiertegen in kunt brengen. Ten eerste dat de potentiële voordelen van cellulaire landbouw ruimschoots opwegen tegen al deze nadelen. Stel dat met behulp van deze technologie de productie en consumptie van conventioneel vlees drastisch kan worden verminderd: ook al gebeurt dat dan met behulp van het grote geld en het neoliberale agrikapitalisme, dan is dat ethisch en ecologisch nog steeds te verkiezen boven de huidige stand van zaken. Gevestigde vleesbedrijven als Tyson en Cargill zijn per slot van rekening ook geen filantropische ondernemingen die de wereld voeden uit de goedheid van hun hart. Anders gezegd: wie wil suggereren dat een wereld van kweekvlees en van bio-industrie ook maar in de verte met elkaar vergelijkbaar zijn, heeft zijn perspectief op het voedselsysteem verloren.
Ten tweede kan de cellulaire landbouw, als die op grote schaal wordt ingevoerd, bijdragen aan de hervorming van het landgebruik: een daling van de vraag naar veevoer zou meer ruimte scheppen voor een progressiever voedselbeleid. Als een door de overheid gefinancierde bank zelfs maar een klein deel zou opkopen van de 320 miljoen hectare die in de VS momenteel wordt gebruikt voor de productie van veevoer, zou die vervolgens miljoenen hectares tegen gunstige voorwaarden kunnen doorverkopen voor spannende nieuwe doelen: het opzetten van ecologische en regeneratieve boerderijen, met het oog op gezondere plattelandsgemeenschappen en beter landschapsbeheer; financiële steun voor boerderijen die worden beheerd door een collectief van buurtbewoners of arbeiders; landuitgifte aan mensen uit bevolkingsgroepen die in het verleden structureel werden onteigend of uitgesloten van landbezit; de teruggave van land aan inheemse naties; initiatieven voor de bescherming en verwildering van natuurgebieden. Veel van deze ideeën worden ook omarmd door critici van de nieuwe technologie, die vaak suggereren dat kweekvlees onverenigbaar is met het holistische ecologische ideaal van klein, langzaam en lokaal. Maar al deze ideeën kunnen met commercieel levensvatbare cellulaire landbouw juist makkelijker worden verwezenlijkt.
Tot slot is het niet inherent aan de technologie van cellulaire landbouw dat die gepaard gaat met durfkapitalisme en een militante opstelling over intellectueel eigendom. Als je wil dat de cellulaire landbouw zijn hooggestemde potentieel waarmaakt, moet je niet alleen somberen over de kwaadaardige invloed van het kapitaal, maar zoeken naar praktische manieren om aan dat kapitalisme paal en perk te stellen. Wat hier nodig is, is de politieke wil en visie om deze technologie uit de greep van het bedrijfsleven te bevrijden en in te zetten voor het radicale doel om het leven van mens en dier overal ter wereld beter te maken.
Schaalvergroting
Maar wil de cellulaire landbouw het in de toekomst ook echt beter doen dan het systeem dat het moet vervangen, dan hebben de critici wel gelijk als ze zeggen dat deze nieuwe technologie moet groeien op een manier die de werkelijke kosten van de productie niet afwentelt op arbeiders, consumenten en milieu. Of de productie wel op veilige en betaalbare wijze kan worden opgeschaald, is momenteel nog zeer de vraag, en aan sommige praktijken in de cellulaire landbouw moet beslist een einde komen. Veel bedrijven, waaronder Eat Just met zijn in Singapore gelanceerde nuggets, leunen nog op een techniek waarbij voor het groeimedium van de stamcellen gebruik wordt gemaakt van foetaal kalfsserum, tijdens de slacht gewonnen uit ongeboren kalveren.
Maar schaalvergroting is misschien evenzeer een maatschappelijke en politieke als een zuiver technische aangelegenheid. Er vindt aan de universiteiten wel onderzoek naar cellulaire landbouw plaats met publiek geld en steun van ngo’s zoals GFI en New Harvest, maar het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technieken worden toch merendeels met particulier geld betaald. Er is veel kapitaal nodig voor onderzoek en ontwikkeling en het vinden van commerciële toepassingen. Maar het feit dat de particuliere sector potentie ziet in een technologie die overheden grotendeels genegeerd hebben, is een politiek probleem. Er is behoefte aan publieke instellingen die de cellulaire landbouw zowel stimuleren als in toom houden door middel van overheidsinvesteringen, regelgeving en vergunningen. Bedrijven die zwemmen in durfkapitaal zullen heus wel manieren vinden om de productie van kweekvlees flink op te schalen en goedkoper te maken. Maar het is bijna onvermijdelijk dat ze dat vooral zullen doen om waarde te creëren voor hun investeerders, niet voor het maatschappelijk welzijn.
Het opschalen en betaalbaar maken van de productie van kweekvlees stuit nu nog op flinke problemen. Volgens een onafhankelijke analyse uitgevoerd voor Open Philanthropy wordt de ‘natte massa’ pas rendabel als de kostprijs 25 dollar per kilo bedraagt. Momenteel kost de productie van dat ruwe product nog 37 dollar per kilo. En dat resulteert in een paradox: het kweekvlees dat men nu kan maken, zou vooral geschikt zijn als vervanging van het meest gestandaardiseerde, breed verkrijgbare, in de fabriek geproduceerde vlees dat er bestaat: de kipnugget. Maar de nuggets van Eat Just kostten 17 dollar per portie: met zo’n prijs kan het op de consumentenmarkt nooit wat worden, en dan was die prijs uit marketingoverwegingen wellicht nog sterk verlaagd. Kipnuggets kosten veel en veel minder dan 25 dollar per kilo – dat is eerder de prijs die je zou betalen voor scharrelrundvlees.
Investeringen van de overheid in cellulaire landbouw zouden heel goed kunnen passen in de Green New Deal
De beste oplossing voor deze problemen zou weleens dezelfde strategie kunnen zijn die de Amerikaanse overheid een eeuw geleden hanteerde om de landbouw te industrialiseren: flink investeren in onderzoek en ontwikkeling via openbare universiteiten, nationale laboratoria en royale subsidies. Met al het enthousiasme voor de Green New Deal en de klimaatambities van Bidens regering is er nu ongewoon veel ruimte voor overheidsinvesteringen in duurzame technologie. Substantiële en structurele investeringen van de overheid in cellulaire landbouw zouden heel goed kunnen passen in het beleidspakket dat hier uiteindelijk uit rolt. En in algemenere zin zouden regeringen er goed aan doen om te luisteren naar economen zoals Mariana Mazzucato, die redeneren dat gerichte publieke investeringen in innovatie van cruciaal belang zijn voor het algemeen welzijn. We zien nu al initiatieven voor dit soort proactieve investeringen en regelgeving in staten als Singapore en Israël.
Dit kan voor het bedrijfsleven de drempel verlagen om er ook in te stappen en kan bijdragen aan de ontwikkeling van regelgeving, zoals een moratorium op het gebruik van kalfsserum en de invoering van sectorbrede veiligheidsnormen. Met regelgeving moet je ook afdwingen dat de kweekvleesindustrie onder vakbondstoezicht komt te staan en dat bij de werving van personeel waar mogelijk voorrang wordt gegeven aan afgevloeide maar gekwalificeerde werknemers uit de conventionele vleesindustrie. Het intellectueel eigendom van de technologie kan in publieke handen blijven.
De kritiek op cellulaire landbouw is veelal dystopisch: een toekomstvisioen van voedselgiganten die een weerloze bevolking nepvlees door de strot duwen en aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Ironisch genoeg is dat een accurate beschrijving van het voedselsysteem dat we nu hebben. Een wereld waarin de nugget uit de bio-industrie wordt vervangen door een nugget uit de bioreactor zou een grote stap voorwaarts zijn voor dier en milieu. En gepaard aan een vooruitstrevend industrie- en landbouwbeleid kan het ook een grote stap voorwaarts zijn op het gebied van arbeid, publieke investeringen, landgebruik en duurzame landbouw. Nee, dit is geen magische remedie tegen alles wat er mis is met onze voedselproductie; zo’n panacee bestaat niet. Maar het is een begin. Kipnuggets staan misschien voor alles wat er mis is met ons huidige voedselsysteem, maar kweeknuggets zouden best eens kunnen bijdragen aan een duurzamere toekomst.
Singapore is hard op weg het Silicon Valley van de foodtech te worden. De kleine stadstaat wil vanaf 2030 30 procent van zijn voedsel lokaal produceren – met behulp van alternatieve eiwitbronnen, kweekvlees en verticale boerderijen.
Het is een warme avond in Singapore en bij restaurant 1880 aan de oever van de rivier genieten chique gasten van gerechten met intrigerende namen als ‘bosgrond’ en ‘overstroomde toekomst’. Maar de echte sterren van de avond zijn twee minder flamboyant klinkende hoofdgerechten: chicken and waffles en chicken bao.
De gebakken kip op de borden is stevig en gemakkelijk met een vork uit elkaar te trekken. Maar dit is geen gewoon kippenvlees. Het is gemaakt van stamcellen uit een kippenveer en opgekweekt in een speciale bioreactor.
De aanwezigen in het restaurant behoren tot de eerste betalende gasten die kippenvlees uit een laboratorium voorgeschoteld krijgen.
‘Ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen’
Kaimana Chee, chef-kok bij Eat Just, de in San Francisco gevestigde culinaire start-up die de kip heeft gefabriceerd, heeft geholpen bij de bereiding van het diner. ‘Ik was tot tranen toe geroerd, want ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen,’ zegt hij tegen Nikkei Asian Review.
Vanwege alle belemmerende regels en het wereldwijde wantrouwen tegenover in het laboratorium gekweekt vlees was de 43-jarige Chee ervan overtuigd dat het jaren zou duren voor er groen licht kwam. Hij dacht dat het bij Eat Just, waar hij in 2016 kwam werken, zijn missie was om inspirerende gerechten te bedenken die ‘het zaadje moesten planten voor een volgende generatie’. Dus toen Singapore in december 2020 als eerste land de verkoop van dit type eiwit goedkeurde, was Chee stomverbaasd.
Veel waarnemers in deze bedrijfstak waren minder verrast. ‘Het is geen toeval dat Singapore de eerste markt ter wereld voor kweekvlees is,’ verklaart Mirte Gosker van het non-profit Good Food Institute Asia Pacific (GFI APAC). ‘De overheid heeft geïnvesteerd in een gunstig ecosysteem voor voedselinnovatie.’
Betrouwbare voedselvoorziening
Dat Singapore zich op het terrein van laboratoriumvlees en eiwitalternatieven – gemaakt van planten, insecten, algen en schimmels – begeeft, is onderdeel van een welbewust beleid om in de toekomst veerkrachtiger te zijn als er zich schommelingen voordoen in het voedselaanbod.
De stadstaat heeft in Azië het voortouw genomen in de zoektocht naar een betrouwbare voedselvoorziening. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn in deze regio meer dan 350 miljoen mensen ondervoed, terwijl zo’n 1 miljard mensen in 2019 te kampen kregen met matige of ernstige voedselonzekerheid, waarbij het moeilijk was om aan eten te komen of ze daadwerkelijk zonder voedsel kwamen te zitten, soms dagenlang. De uitdaging is nog urgenter geworden sinds het coronavirus toesloeg, waardoor de voedselonzekerheid in Azië nog groter is geworden en overheden alarmerende voorproefjes hebben gekregen van de manier waarop een crisis de voedselvoorraden kan bedreigen.
Een van de maatregelen die Singapore heeft genomen is dat het nu voedsel importeert uit meer landen dan voorheen: ongeveer 170 landen en regio’s, zo’n 30 meer dan in 2004.
In het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn
Singapore streeft er ook naar om zelfvoorzienender te worden. In maart 2019 kondigde de stadstaat de doelstelling ‘30 in 30’ aan: in het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn, terwijl dat nu 10 procent is.
‘Veerkracht betekent het vermogen hebben om verstoringen in de voedseltoevoer op te vangen,’ zegt Paul Teng, expert op het gebied van voedselzekerheid bij de Nanyang Technological University (NTU) in Singapore.
Toen Teng en zijn collega’s rond 2005 onderzoek gingen doen naar voedselveerkracht, lag de focus vooral op voedselzekerheid. ‘Niemand luisterde toen naar ons,’ vertelt hij.
Het is een subtiel, maar belangrijk verschil. Als het om voedselzekerheid gaat, is de situatie in het rijke Singapore behoorlijk gunstig: het staat negentiende op de lijst van landen met de hoogste voedselzekerheid die in 2020 is opgesteld door de Economist Intelligence Unit – maar dat wil niet zeggen dat Singapore achterover kan leunen. ‘De strategie van de overheid was indertijd: ‘Als we ons bbp vergroten en de middelen hebben om voedsel te kopen, dan hoeven we ons geen zorgen te maken, want er zal altijd wel ergens voedsel te koop zijn,’ vertelt Teng. ‘Dat is allemaal goed en wel als er geen verstoringen plaatsvinden in de voedselproductie en in de aanvoerketen.’
Maar grote prijsschommelingen tijdens de financiële crisis van 2008, de exportstop van Maleisië op vis in 2014 en andere gebeurtenissen hebben kwetsbaarheden blootgelegd. En toen kwam de pandemie.
Buffer
‘Covid-19 heeft wereldwijd verstoringen veroorzaakt, doordat sommige exportlanden de uitvoer van bepaalde voedingswaren gingen verbieden om aan hun eigen binnenlandse behoefte te kunnen voldoen, of doordat ze in lockdown gingen,’ zegt Melvin Chow, topman bij de afdeling voedselinfrastructuur, -ontwikkeling en -management van de Singapore Food Agency. Volgens hem zou het vergroten van de voedselproductie volgens de ‘30 in 30’-strategie zorgen voor een buffer om verstoringen in het buitenland op te vangen. Maar meer voedsel kweken is gemakkelijker gezegd dan gedaan in Singapore, dat 50 bij 27 kilometer groot is. Dit op twee na dichtst bevolkte gebied ter wereld heeft maar 1 procent van zijn land beschikbaar voor landbouw.
De stadstaat, die altijd behendig heeft weten om te gaan met zijn beperkte ruimte en hulpbronnen, wil nu zijn ‘capaciteiten op het gebied van wetenschap en technologie aanwenden om innovatieve oplossingen te ontwikkelen’, zegt Chow. En daar komen Eat Just en vergelijkbare start-ups om de hoek kijken. ‘Voor eiwitten die gebaseerd zijn op planten en cellen heb je veel minder ruimte en hulpmiddelen nodig om toch evenveel voedsel te produceren als met traditionele voedselbronnen,’ zegt Bernice Tay, hoofd voedselfabricage bij Enterprise Singapore, een overheidsorganisatie die zich bezighoudt met de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven.
De overheid wil de voedseltechnologie graag stimuleren en heeft tot 2025 144 miljoen Singaporese dollar (ruim 90 miljoen euro) vrijgemaakt voor voedselgerelateerde R&D-programma’s. Enterprise Singapore is ook een samenwerking aangegaan met verscheidene mondiale investeringsmaatschappijen, waaronder Big Idea Ventures, dat een fonds van 50 miljoen dollar (ruim 42 miljoen euro) heeft voor alternatieve eiwitten.
‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech’
In april heeft Singapore de Future Ready Food Safety Hub (FRESH) opgericht, een samenwerkingsverband tussen overheid, bedrijfsleven en de academische wereld, om onderzoek te doen naar de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen en het onderzoek van de bedrijven zelf te ondersteunen. En vanaf september 2021 biedt NTU in samenwerking met GFI APAC studenten de mogelijkheid om een semester lang eiwitalternatieven te bestuderen en kennis op te doen over de commerciële mogelijkheden ervan.
Andre Menezes, medeoprichter van Next Gen Foods, een in Singapore gevestigd bedrijf dat in maart 2021 op soja gebaseerde kippendijen op de markt bracht, noemt de stad een ‘compleet ecosysteem op een heel klein, dichtbevolkt eiland’.
‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech, zegt Menezes, wiens kippendijproduct nu in meer dan 45 plaatselijke restaurants op de kaart staat. In februari haalde Next Gen Foods 10 miljoen dollar op bij een groep investeerders, waaronder de Singaporese maatschappij Temasek International. Het is het grootste investeringsbedrag tot nu toe voor een bedrijf in op planten gebaseerde voedseltechnologie. In juni opende Next Gen Foods nieuwe vestigingen in Hongkong, Macao en Kuala Lumpur.
Binnenboerderijen
Er zijn in Singapore de afgelopen twee jaar meer dan vijftien bedrijven gestart die ‘nieuwe’ eiwitten produceren. Naast Eat Just en Next Gen Foods zijn dat internationale spelers zoals de Californische producent van zuivelvervangers Perfect Day en de bedrijven Shiok Meats en Gaia Foods, die in Singapore zelf zijn opgekomen en respectievelijk werken aan de productie van gekweekte vis, schelp- en schaaldieren en gekweekt rood vlees.
Nog een pijler onder de ‘30 in 30’-doelstelling van Singapore is hightech indoorlandbouw in stedelijk gebied. Er bestaan al 31 van dergelijke ‘boerderijen’, 28 voor groenten en 3 voor vis.
Het feit dat de boerderijen binnen zijn, maakt ze ‘bestand tegen enkele van de gevolgen van klimaatverandering’, zegt Chow. Ze maken gebruik van smart technologieën die ‘het mogelijk maken om meer te verbouwen met minder’, met opbrengsten die per hectare grond tien tot vijftien keer zo hoog liggen als bij traditionele landbouw of op land gevestigde viskwekerijen.
Een van die boerderijen, Commonwealth Greens, kan jaarlijks wel honderd ton groenten oogsten, bijna 1 procent van alle bladgroenten die ter plaatse worden verbouwd. In hoge ruimtes van een groot bedrijfspand verbouwt het bedrijf rijen groene mosterdplanten, snijbiet, zuring en verschillende soorten sla in plastic bakken. Elke groeibak is ongeveer een meter lang en heeft zijn eigen strip felle ledlampen die vanaf het plafond omlaaghangen als verticale jaloezieën.
‘Met het Internet der Dingen kunnen we grote hoeveelheden data verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten’
Voor in elke ruimte liggen de ‘hersens’ van de boerderij: twee sensoren. De ene regelt luchttemperatuur, vochtigheidsgraad, koolmonoxidegehalte en zuurgraden. De andere bepaalt de hoeveelheid en de samenstelling van de vloeibare voedingsstoffen die aan de planten worden toegediend.
‘Onze technologie maakt gebruik van het Internet der Dingen, waardoor we grote hoeveelheden data kunnen verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten,’ vertelt Sven Yeo, medeoprichter en hoofd technologie van Archisen, het agritechbedrijf dat deze boerderij runt. ‘Voor elk gewas dat we verbouwen hebben we iets dat we een recept noemen.’ Dit is in wezen een reeks parameters: licht, pH, temperatuur enzovoort, die Yeo en zijn team precies afstemmen om een plant zo te laten groeien dat die ‘zijn maximale voedingswaarde en smaakprofiel haalt’.
Het op hydrocultuur gebaseerde systeem verbruikt 95 procent minder water en 85 procent minder meststoffen dan traditionele, op aarde gebaseerde systemen. Volgens voorstanders bieden indoorboerderijen en alternatieve eiwitten betere opbrengsten en schoner vlees, met minimaal of helemaal geen gebruik van de pesticiden, antibiotica of hormonen die in de tegenwoordige voedselproducten zitten.
‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten’
‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten,’ zegt Aileen Supriyadi, onderzoeker van marketingresearchbureau Euromonitor International. Met name sinds de recente coronapandemie, en nu de Afrikaanse varkensgriep de veestapels in de regio bedreigt, maken consumenten zich meer zorgen over voedselveiligheid. Toch zijn veel mensen ook sceptisch, vooral tegenover gekweekt vlees. In een YouGov Omnibus-onderzoek onder 1068 inwoners van Singapore in december 2020 zei 48 procent van de ondervraagden dat ze zulk vlees niet zouden eten. Uit een onderzoek van Euromonitor in 2020 bleek dat 36,5 procent van de consumenten in Azië/Oceanië een voorkeur had voor geheel natuurlijke producten, tegen 33,3 procent in Europa en 28,4 procent in Noord-Amerika.
Maar voor Singapore bieden de hightechboerderijen goede mogelijkheden om de voedselproductie op te voeren.
Sommige experts denken dat ook andere Aziatische landen er profijt van zouden kunnen hebben. Indoorboerderijen zijn niet nieuw. Volgens Teng van NTU bestaan er in heel Azië al zo’n vierhonderd. Maar deze compacte landbouwmethode met haar hoge opbrengsten komt vooral goed van pas in sterk verstedelijkte gebieden waar de koopkracht groot is en vastgoedprijzen hoog zijn, aldus Yeo van Archisen.
Jakarta is een goed voorbeeld, zegt Christian Prokscha, oprichter van Eden Towers, dat daar in februari een verticale boerderij begon. ‘Je kunt dingen verbouwen op de heuvels buiten Jakarta,’ zegt hij, ‘maar het probleem is dat je logistieke lijnen dan heel lang zijn.’
Voor indoorboerderijen zijn vooral de kosten van de gebouwen en de geavanceerde apparatuur een grote uitdaging, zegt Yeo. Singapore heeft de afgelopen jaren genereuze subsidies verstrekt, en lanceerde nog in april een fonds van 60 miljoen Singaporese dollar (37,5 miljoen euro), dat ondernemers die een boerderij willen beginnen helpt de eerste bouwkosten op te brengen. Maar weinig Zuidoost-Aziatische landen hebben zulke diepe zakken als Singapore.
Als het om ‘nieuwe’ eiwitten gaat vormen de hoge verkoopprijzen ook een hoge horde om te nemen. Niettemin is Azië bij uitstek geschikt om te profiteren van de verschuiving naar eiwitalternatieven, aldus Gosker van GFI APA, die wijst op de ‘vruchtbare landbouwgronden, uitgebreide infrastructuur en productiekracht, wereldvermaarde innovatiecentra en ongeëvenaarde marktvolume. Lokale producenten kunnen nu een vrijwel ongelimiteerd aantal verschillende ingrediënten krijgen, die volgens nieuwe en innovatieve methodes verwerken en zo de volgende generatie plantaardige vleesvervangers maken – allemaal op hetzelfde stukje van de wereld.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.