Tag: kweken

  • Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Uit Pools onderzoek blijkt dat eetbare insecten uitermate geschikt zijn om milieuproblemen als de hoge CO2-uitstoot en overbevissing tegen te gaan. Maar zullen we ze ooit lekker gaan vinden?

    Tijdens het proeven van eetbare insecten kwam ik erachter dat ik een fobie heb voor nieuwe gerechten. En ik was nog wel naar de Economische Universiteit van Wroclaw (UEW) gekomen in de overtuiging dat ik alles zou gaan proberen. Als het laboratorium van de opleiding Levensmiddelentechnologie zou worden omgetoverd tot een restaurant met een menu à la carte, dan zou je onder andere kunnen kiezen uit linzenpasta, broodjes en brosse koekjes waarin huiskrekelmeel is verwerkt, een chocoladedrankje waaraan versnipperde krekel is toegevoegd en complete insecten met verschillende smaken: honing-mosterd, zure room met uitjes, chili met limoen of gewoon met zeezout.

    ‘Ze zijn echt heel lekker,’ beweert Agnieszka Orkusz, professor aan de UEW.

    De zojuist genoemde kotelet was een combinatie van ‘gewoon’ vlees en larven, die niet versnipperd waren, maar in hun geheel waren toegevoegd, zoals je rozijnen in een kwarktaart doet.

    In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram

    ‘De verhoudingen kun je helemaal zelf kiezen. Hoe meer insecten je toevoegt, hoe meer eiwitten je binnenkrijgt. In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram. Daarnaast zit er ook nog calcium, zink en ijzer in. Het is dus een zeer rijke voedingsbron,’ gaat Orkusz verder.

    Het eiwitgehalte van verschillende soorten eetbare insecten ligt tussen de 13 en 81 procent. Ter vergelijking: rundvlees en pluimvee bevatten 19 tot 26 procent eiwit, en vis en zeevruchten 13 tot 28 procent.

    In het geval van insecten is er echter sprake van een barrière. Misschien geldt het niet voor iedereen, maar veel mensen krijgen spontaan een groen gezicht als het over het eten van insecten gaat. Bij de koteletjes zit het probleem hem in het feit dat de larven zichtbaar zijn. Een kotelet met larven associeer ik met iets wat bedorven is, en dat zullen de meeste mensen hebben. Bij sprinkhanen is de drempel waarschijnlijk wat lager, maar ook dan moet je nog een aardige stap zetten voordat je je eraan waagt. En zelfs het besef dat insecten zo veel voedingswaarden bevatten, zal niet altijd helpen.

    Weerzin 

    Het zal dus niet meevallen om zo’n aanbod succesvol op de markt te brengen. We zijn nu eenmaal geen culinaire lekkernijen met insecten gewend, zoals mensen in het Verre Oosten, waar insecten als dagelijkse kost gezien worden. Ook eet men ze daar als streetfood, met alles erop en eraan: pootjes, haartjes, en voelsprieten en dergelijke.

    ‘Dat zijn producten voor degenen die hun weerzin al overwonnen hebben,’ merkt Orkusz droogjes op.

    Die weerzin verdwijnt wanneer er geen insecten te zien zijn. En het maken van zulke producten levert geen enkel probleem op. Het eerder beschreven brood met krekelmeel erin, dat ik moeiteloos weghapte, bevatte 10 procent insectenmeel, maar ze hebben hier al broden gebakken met maar liefst 40 procent insectenmeel, broden met een erg hoog eiwitgehalte dus. Versnipperde insecten zijn ook geschikt voor verschillende soorten worst.

    Er zijn heel wat argumenten die voor het eten van insecten pleiten: ze hebben een hoge voedingswaarde en je hebt er maar weinig voor nodig om ze te produceren, zeker in vergelijking met het fokken van slachtvee. Zo hebben krekels zes keer zo weinig voedsel nodig als koeien, vier keer zo weinig als schapen en twee keer zo weinig als varkens en kippen. Daar komt nog bij dat insecten minder broeikasgassen en ammoniak uitstoten dan boerderijdieren.

    De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee

    ‘De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee. Daarom zijn insecten een belangrijk alternatief voor de productie van kostbare eiwitten. De verwerking ervan stelt weinig voor: je hoeft ze alleen maar te drogen en te vermalen. Met deze grondstof kun je heel goed producten maken die rijk zijn aan eiwitten en vezels. Je kunt je natuurlijk afvragen in welke vorm. We hebben hier een aantal standaardproducten, zoals koteletten, koekjes en brood. Maar je kunt van insecten bijna alles maken,’ vertelt Joanna Harasym, professor aan de UEW en directeur van de leerstoel Biotechnologie en Voedselanalyse op de afdeling Vormgevingstechniek.

    In de werkplaats voor levensmiddelentechnologie aan de UEW worden de mogelijkheden van 3D-printers onderzocht. Er wordt gebruikgemaakt van printers met een extruder; die verwerken een basis – een pasta gemaakt van versnipperde insecten vermengd met water –  tot producten met iedere gewenste vorm en smaak.

    ‘Nadat je er een bepaalde vorm aan gegeven hebt, wordt het product gebakken of gedroogd. Insecten bevatten veel onverzadigde vetzuren, daarom moet de warmtebehandeling heel precies gebeuren. Het belangrijkste is dat we op deze manier een product kunnen maken dat aantrekkelijk is voor onze zin-tuigen en niet meer doet denken aan een insect,’ verklaart Harasym.

    In een 3D-printer kun je verschillende pasta’s mengen, bijvoorbeeld van insecten, vlees, groente et cetera. Op die manier kunnen onder andere evenwichtige maaltijden worden samengesteld voor oudere mensen, bijvoorbeeld in de vorm van gelei.

    Neofobie

    Wetenschappers van de UEW hebben een grootschalig onderzoek uitgevoerd om erachter te komen welke factoren onze neofobie voor eetbare insecten minimaliseren. Eén factor ligt erg voor de hand. Het bleek dat iemand die in Azië of Afrika geweest is overduidelijk minder last heeft van neofobie dan mensen die een dergelijke ervaring niet hebben opgedaan. ‘Denk je dat eens in: we gaan naar Azië en onze afschuw verdwijnt compleet. Ineens wagen we ons aan die schorpioen op een stokje of een ander insect.’ 

    Harasym vervolgt: ‘Uit het onderzoek bleek verder dat mensen die naar eigen zeggen van zeevruchten hielden zich vaker onverschrokken aan de insecten waagden. Zowel het een als het ander heeft pootjes en haartjes; een garnaal ziet er eigenlijk gewoon uit als een wit of rood insect.’

    Is het dus puur een kwestie van gewenning? Het punt is dat er in Europa nog weinig gelegenheid is om gerechten te nuttigen met insecten in de hoofdrol. 

    Op de wereld is er een enorme hoeveelheid eetbare insecten te vinden, meer dan 1900 soorten maar liefst. Geschat wordt dat meer dan twee miljard mensen op de wereld verschillende soorten insecten eten. Wie weet of het over een tijdje in Europa mogelijk is om schorpioenen uit een lokale kwekerij te nuttigen, misschien op een stokje of met een laagje suiker? Voorlopig hoeven we daar echter nog niet op te rekenen.

    Tot nu toe heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid drie soorten eetbare insecten groen licht gegeven: sprinkhanen, huiskrekels en meelwormen. De twee laatste vormen de basis van de onderzoeken die op dit moment aan de UEW worden uitgevoerd. Waarom die twee? ‘Ze zijn het goedkoopst en het makkelijkst te produceren. De grondstof halen we uit het buitenland. Voor zover ik weet worden deze krekels en larven in Polen nog niet gekweekt voor menselijke consumptie, maar er zijn enkele bedrijven die met zulke plannen bezig zijn. Sprinkhanen zijn nog niet zo lang toegestaan, daarom is het nog vrij lastig om die bij gecertificeerde bedrijven in te kopen. Dat zal over een jaar al makkelijker zijn,’ aldus Orkusz.

    We moeten ons door een diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen

    De meeste kwekerijen voor eetbare insecten zijn op dit moment actief in Nederland en Italië. ‘Mocht er iemand zijn die in Polen zoiets wil opzetten, in samenwerking met ons, dan is hij van harte welkom. Ook op het gebied van receptuur beschikken wij over alle nodige kennis. Het is nog helemaal niet zo eenvoudig om iets te maken wat qua smaak acceptabel is,’ voegt Orkusz toe. ‘We moeten ons alleen door die diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen. Aan de andere kant is de mens nieuwsgierig van aard, dus als het er aantrekkelijk uitziet en het ruikt lekker, dan zal hij het graag willen proberen.’

    De meeltor ‘kweken’ we onbewust (in meelproducten) en krekels springen bij ons in de wei rond, maar die kunnen we beter met rust laten. Misschien zijn ze ook geschikt als voedsel voor mensen, maar vanwege de voorschriften zal niemand er brood in zien om ze op industriële schaal te kweken.

    In Polen worden wel insecten geproduceerd voor in dierenvoer. Er zijn echter nog geen kwekerijen die eetbare insecten voor mensen produceren.

    ‘Eetbare insecten moeten worden gekweekt binnen een gesloten systeem, onder de juiste omstandig-heden en mogen alleen worden verkocht wanneer ze veilig zijn voor de consument. De eisen die hieraan gesteld worden, zijn vastgelegd in Europese verordeningen,’ benadrukt Harasym. ‘In het buitenland zijn ze gewoon eerder begonnen met de productie voor menselijke consumptie. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat dat bij ons ook gebeurt. Ik hoop dat deze vorm van productie binnen twee jaar in Polen van start zal gaan.’

    Economische voordelen

    En wat gebeurt er verder als de insecten eenmaal gekweekt zijn? Op dit punt is het productieproces relatief eenvoudig en goedkoop. Dan worden ze in-gevroren, vervolgens gedroogd, en daarna kun je ze op verschillende manieren gebruiken bij de bereiding van bepaalde voedingsproducten.

    Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart

    ‘De kweek van eetbare insecten levert veel economische voordelen op. Er is weinig inzet van kapitaal of grondgebied voor nodig. Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart. Deze markt zal in de toekomst zeer invloedrijk worden,’ concludeert Orkusz.

    Ook niet onbelangrijk is het feit dat de veeteelt momenteel verantwoordelijk is voor bijna 20 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast kun je moeilijk tot in het oneindige koeien, varkens en pluimvee blijven fokken. Daar zijn enorme hoeveelheden voer en water voor nodig, en ook steeds grotere stukken grond. Of kan de groeiende wereldbevolking haar eiwitten dan misschien uit de zeeën en oceanen halen? Die hebben helaas steeds meer te lijden onder overbevissing. Insecten hebben dus potentieel. Temeer omdat ze voor een groot deel van de mensheid een vertrouwd en welbekend culinair fenomeen zijn. 

    Lees ook:

  • Na nederwiet ook nedervanille?

    Na nederwiet ook nedervanille?

    Filip van Noort van de landbouwuniversiteit Wageningen wil op grote schaal vanille gaan kweken in Nederland. Een lucratief idee, want het goedje kost 600 euro per kilo. De Zwitserse krant Le Temps zocht hem op in het Westland.

    Lange groene lianen strijken in de tuinbouwkas langs de bezoekers in laboratoriumkleding en met overschoenen aan. ‘Je hoeft je neus niet dicht te houden, er valt toch niets te ruiken,’ fluistert Filip van Noort van de landbouwuniversiteit Wageningen. In grote experimentele kassen in Bleiswijk, een uurtje rijden van de universiteit, kweekt de landbouwkundige papaja, peper en medicinale cannabis.

    Maar zijn grootste zorg gaat uit naar vanille, waarvan hij het productieproces steeds beter onder de knie krijgt. Als alles goed gaat, zullen er over niet al te lange tijd naast de Nederlandse tulpenvelden reusachtige vanillekassen verrijzen: echte ‘nedervanille’.

    Op dit moment komt nog 80 procent van alle vanille van het straatarme eiland Madagaskar. De vanilleteelt is daar goed voor 200.000 banen. In 2016 exporteerde het land 1600 ton vanille met een marktwaarde van zo’n 850 miljoen euro. De prijs van vanille steeg tussen 2010 en 2015 van 25 euro per kilo tot wel 600 euro. Dankzij deze prijsexplosie kunnen de kwekers op het eiland met één oogst miljonair worden.

    De nieuwe vanillebaronnen rijden nu in grote dure auto’s door het stadje Antalaha, het centrum van de vanilleteelt in het noordoostelijke deel van het eiland. In maart vorig werd 30 procent van de oogst vernield door de cycloon Enawo, maar deze ramp maakte het product alleen nog maar waardevoller, al leed de kwaliteit er wel onder. ‘In Nederland gaan we vanille van constante kwaliteit produceren,’ voorspelt Van Noort. ‘Door de gecontroleerde productie in kassen zijn kwantiteit en kwaliteit van het product gegarandeerd. Voor de voedselindustrie is dat een groot voordeel.’

    In een ruimte die nog het meest op 
een hamam lijkt, “stomen” de peulen onder grote dekplaten uit tot ze een mooie glanzende, bruine kleur hebben

    Filip van Noort is nog nooit op Madagaskar geweest. Zijn successen bij het telen van de plant dankt hij vooral aan het werk van de Israëlische onderzoekster Daphna Havkin. Zij werkt al 25 jaar aan de transformatie van de vanilleplant en organiseert elke twee jaar een symposium over vanilline, het molecuul dat de plant zijn karakteristieke aroma geeft. De industrie is er trouwens allang in geslaagd om artificiële vanilline te maken en op de markt te brengen, maar die haalt het volgens de fijnproevers absoluut niet bij het natuurproduct. Van Noort vond ook inspiratie in de kweekmethode van de Mexicaanse botanist Juan Hernandez, die in verschillende klimaten vanille probeert te kweken.

    In Nederland probeerde Van Noort in de kassen een zacht en constant klimaat te scheppen dat zoveel mogelijk de omstandigheden in het struikgewas van een tropisch woud imiteert. Welke temperatuur is ideaal, welke vochtigheidsgraad, wat voor soort licht, welke voeding, hoe zuur moet de grond zijn? En hoe kan de orchidee Vanilla planifolia eigenlijk het best groeien? Hangend? Kronkelend over de aarde in de kas? 
Of klimmend langs kale pvc-pijpen? ‘Vaak moet je maanden of zelfs een jaar wachten om de effecten van kleine wijzigingen waar te nemen in de omstandigheden waarin je de plant laat groeien,’ zegt Van Noort.

    Voor het bereiken van de juiste vochtigheid in de kas gebruikt Van Noort luchtbevochtigingsapparatuur, en boven in zijn kassen hangen reflecterende schilden. Daarmee wordt het invallende licht op alle gedeelten van de plant gericht en de schilden sluiten zich zodra de buitentemperatuur onder de 10 °C komt, zodat de warmte in de kas blijft hangen.

    © Getty
    © Getty

    ‘Voor andere experimenten, met frambozen en tomaten, gebruik ik ledverlichting. Het is bewezen dat die het gehalte aan vitamine C in bepaalde vruchten verhoogt. Als ik het hele jaar door vanille zou kunnen produceren, dus twee oogsten in plaats van één, 
zou ik die verlichting ook gebruiken, maar helaas lukt dat nog niet.’

    Van Noort verwacht dat kwekers, zodra de productie uit het experimentele stadium komt, energiezuinige geothermie zullen gaan gebruiken, zoals dat in de grootschalige Nederlandse tuinbouw al gangbaar is. Zelf stond hij aan de basis van het innovatieve prototype beglazing dat momenteel in het nabije Wateringen in de orchideeënkas Ter Laak wordt gebruikt. ‘De glasplaten van het dak zijn optisch geslepen. Ze zetten een deel van het invallende licht om in warmtestralen, die gericht staan op een rooster van buizen met water. In de zomer wordt dit water ondergronds bewaard en ’s winters voor verwarming gebruikt,’ legt de eigenaar van de kas Eduard ter Laak uit.

    Bestuiving met de hand

    Geheel volgens Europese regelgeving is Filip van Noorts vanille niet transgeen. De plant groeit op de klassieke manier en komt in twee jaar tot wasdom, waarna de bloei maar één dag duurt. De wetenschapper bestuift zijn planten vooralsnog met de hand. Twee maanden later draagt de plant dan dikke groene peulen. Op het moment dat 
die beginnen te vergelen, zijn ze klaar om te worden geplukt.

    Om een aromarijk vanille te verkrijgen, hebben de peulen aandachtige zorg nodig. Van Noort droogt ze uiteraard niet in de zon, maar in een klimaatkamer, waar hij de temperatuur en 
de vochtigheid kan controleren. ‘Om 
ze te drogen, plaats ik ze een paar minuten in een ruimte van 63° C en laat ze daarna een paar dagen in zeer vochtige lucht bij 50° C uitwasemen.’

    In een ruimte die nog het meest op 
een hamam lijkt, ‘stomen’ de peulen onder grote dekplaten uit tot ze een mooie glanzende, bruine kleur hebben. Wanneer Van Noort een van de platen oplicht, stroomt een sterke, zoete vanillegeur de ruimte binnen en is hij op slag gelukkig. Zijn onderzoek wordt financieel gesteund door twee tuinbouwers, twee tomatentelers en een Nederlandse specerijenhandelaar, gezamenlijk opererend onder de naam The Dutch Vanilla Producers.


    Natuurlijk vanille-extract wordt gebruikt in banket, koekjes, toetjes, suiker en likeur, maar ook in cosmetica, vanwege de antioxidanten. ‘Door vanille in een kas te produceren kun 
je het vanillegehalte sturen. Het is een stofje dat bijvoorbeeld ook helpt tegen mondinfecties. We werken samen met onderzoekers uit Wageningen om die effecten te bestuderen.

    Mijn belangrijkste motivatie is toch wel om een plant volledig te leren kennen. Ik ga uit van zeer lokale variëteiten, die in principe niet op een andere breedtegraad kunnen groeien. Dan probeer ik pesticides overbodig te maken en het rendement te maximaliseren. Het is erg duur om een kas in bedrijf te houden, dus je moet zo efficiënt mogelijk werken.’

    Van Noort geeft zichzelf nog een jaar om zijn studie af te ronden en aansluitend een jaar om de productie te optimaliseren. ‘Als mijn aanpak werkt, zet dat de huidige producerende landen aardig onder druk.’

    Auteur: Jordan Pouille
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Krant voor Franstalige Zwitsers. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden.

  • Webdocu: Bistro in Vitro. Een inkijkje in het restaurant van de toekomst

    Webdocu: Bistro in Vitro. Een inkijkje in het restaurant van de toekomst

    Bistro in Vitro is het eerste kweekvleesrestaurant ter wereld.

    Voor het kweken van vlees worden uit de stamcellen van een levend dier in drie weken minuscule stukjes spierweefsel gekweekt en aan elkaar geplakt tot er een hamburgervorm ontstaat, of een gehaktbal, een worst of een kippenbout. Momenteel is het nog een omstreden bezigheid, omdat het proces inefficiënt zou zijn en buitengewoon kostbaar is. Maar de toekomst van kweekvlees lijkt onvermijdelijk.

    De eerste kweekhamburger werd al in 2013 door de Nederlandse Mark Post in Londen gepresenteerd. Het stukje vlees, nu te zien in het Boerhaave Museum te Leiden, kostte bijna 3 ton (ruim 2 miljoen per kilo), die werden betaald met geld van Google-oprichter Sergey Brin.

    Vorig jaar werd in de VS voor 35.000 euro per kilo de eerste kweekgehaktbal geproduceerd door Memphis Meats – een biotechpionier uit Silicon Valley. Het Israëlische bedrijfje Supermeat legt zich erop toe de eerste kweekkip te maken.

    Sciencefictionrestaurant

    Submarine Channel maakte in samenwerking met Next Nature Network een documentaire over te toekomst van vleesconsumptie. Bistro in Vitro is vormgegeven als restaurantwebsite, die u zelf kunt verkennen. Via onderstaande link komt u bij de filmpjes, korte interviews met experts en koks, sciencefictionvisualaties van future meat, en veel meer. Een inkijkje in het restaurant van de toekomst.

    Klik hier om de filmpjes, interviews en visualisaties te bekijken en de site zelf verder te verkennen.

  • Kraamkamer voor bedreigde zalm

    Kraamkamer voor bedreigde zalm

    In Californië worden jonge zalmen opgekweekt in braakliggende rijstvelden, zodat ze een betere kans hebben om te overleven. Zowel de vis als de boeren profiteren van het project.

    Rijst groeit op ondergelopen land; vissen hebben water nodig. En in Californië, dat nu voor het vijfde jaar op rij wordt geteisterd door droogte, staan boeren en milieuactivisten meestal met elkaar op gespannen voet in hun strijd om de natuurlijke bronnen van de staat.

    Maar er is nu ook een groep zogenaamde tegenstanders die de handen ineen heeft geslagen, op zoek naar oplossingen. Het Nigiri-project, genoemd naar de klassieke sushi waarin rauwe vis en witte rijst samenkomen, is een groots opgezet project van [universiteit] UC Davis, het California Department of Water Resources en California Trout, waarbij jonge zalm wordt uitgezet in de natte rijstvelden. Daar kunnen de zalmen sterker worden dan in de rivier, voordat ze hun weg naar zee zoeken. En ondertussen wordt er gebruikgemaakt van land dat anders braak zou liggen.

    In sommige gevallen zijn de vissen van het verdronken land bijna twee keer zo groot als hun leeftijdsgenoten

    Alle levende organismen in Californië ondervinden de gevolgen van de droogte, maar de zalm is bij uitstek kwetsbaar. Zalm is afhankelijk van koude, stromende rivieren als de Sacramento en de Klamath om de paaicyclus van drie jaar vol te maken. (In het kort: zalm wordt aan de bovenloop van de rivier geboren en zakt dan af naar zee, gewoonlijk via de Golden Gate, een zeestraat waar sommige soorten het grootste deel van hun leven doorbrengen. Vervolgens zwemmen de vissen weer stroomopwaarts naar de bovenloop, waar ze kuitschieten en sterven.) Door meer dan een eeuw van hydraulische ontginning, uitdijende steden, indamming van rivieren en nog meer menselijk ingrijpen, is zowel het leefgebied van de zalm als het aantal zalmen afgenomen. Toen door de aanhoudende droogte bovendien het waterpeil zakte, werd het probleem nog eens verergerd. In 2015 overleefde slechts 3 procent van de jonge winterzalm in Californië de tocht naar zee.

    Het Nigiri-project is aangezwengeld in het begin van de jaren negentig, toen onderzoekers van het California Department of Water Resources de zalmmigratiepatronen in het noorden van Californië onder de loep namen en zich afvroegen of de kleine vissen sneller zouden groeien op stukken verdronken land, die meer dan een eeuw eerder op natuurlijke wijze waren ontstaan. In 2012 kreeg het experiment de naam Nigiri-project.

    Ongebruikt land

    Zowel de boeren als de belangen van de zalm zijn gediend met dit project. Door het betrekkelijk korte groeiseizoen van rijst – slechts vier tot vijf maanden, van juni tot oktober – liggen de drassige rijstvelden er het grootste deel van het jaar ongebruikt bij. Slimme rijstboeren bedachten dat ze hun krachten zouden kunnen bundelen met milieugroeperingen als de National Audubon Society en California Trout, teneinde op hun braakliggende land een (min of meer) natuurlijke visgrond te creëren.

    De zalm leeft grofweg van januari tot maart op de rijstvelden, maar dat is lang genoeg, zegt Carson Jeffres van het UC Davis Center for Watershed Sciences. Jeffres is een van de mensen die het Nigiri-project trekken. ‘Het is een betrekkelijk korte periode in een vissenleven, maar het is wel een heel belangrijke periode. Hoe groter een vis is wanneer hij de zee in zwemt, des te groter de kans dat hij als volwassen vis zal terugkeren,’ aldus Jeffres. ‘In onze optiek helpen we de zalm om zijn spullen te pakken en naar zee te trekken.’

    De resultaten zijn tot nog toe zeer hoopgevend: men beweert dat deze zalmpopulatie de snelst groeiende vispopulatie in de Central Valley is – kweekvijvers niet meegerekend. In sommige gevallen zijn de vissen van het verdronken land bijna twee keer zo groot als hun leeftijdsgenoten, aangezien er in het warme, ondiepe water van de rijstvelden een overdaad aan voedsel is, al helemaal in vergelijking met het snelstromende rivierwater. In een goed jaar wordt er in Californië dik tweeduizend vierkante kilometer rijst verbouwd. Volgens sommigen zouden al die vierkante kilometers ook dienst kunnen doen als leefomgeving voor de vissen, waarmee dit in heel Californië een van de meest veelbelovende samenwerkingen is tussen landbouw en natuur.

    Om te begrijpen waarom het zo’n succes is, is het goed om even te bekijken hoe het land er zo’n honderd jaar geleden uitzag. De Sacramento Valley, waar de natuur op zijn beloop werd gelaten, liep vrijwel elk jaar onder wanneer regen en smeltwater uit de Sierra’s door de rivieren kolkte, op weg naar zee. In grote delen van de vallei stond een dun laagje water, dat het zonlicht filterde en zo de planten bereikte, fotosynthese in gang zette en zorgde voor een ongekende groei van zowel dierlijk als plantaardig plankton. De zalm die door de rivier naar zee zwom, at deze minuscule schepsels en werd groot en sterk.

    Zalmen in een rijstveld. – © Carson Jeffres
    Zalmen in een rijstveld. – © Carson Jeffres

    Dat natuurlijke proces werd in de twintigste eeuw verstoord, toen de overheid gigantische projecten in gang zette om het water in te dammen. Het gebied rond Sacramento, met een groot risico op overstromingen, werd ingedamd en omgeleid met behulp van enkele keerdammen en kanalen, die tezamen de Yolo Bypass worden genoemd. Het gebied overstroomde niet langer wanneer het waterpeil steeg, maar tegelijkertijd werd het minder toegankelijk voor zalm en trekvogels.

    Momenteel wordt 97 procent van alle rijst in Californië verbouwd in Sacramento Valley, en boeren zoals John Brennan werken samen met het Nigiri-project en andere groeperingen om op hun terrein in ieder geval een aantal van de natuurlijke kenmerken van het verdronken land te herstellen. Buiten het rijstseizoen heeft het gebied veel weg van moerasland, zegt Brennan. Hij is maar al te blij met de vogels en alle andere dieren op zijn rijstvelden, die zo’n 25 tot 30 vierkante kilometer beslaan; de dieren helpen zelfs bij het afbreken van de rijststengels, een taai bijproduct dat de meeste boeren anders na de oogst verbrandden. De Californian Rice Commission schat dat de rijstvelden in Californië, zoals die van Brennan, jaarlijks zeven miljoen eenden en andere trekvogels voorzien van voedsel en een rustplaats.


    Brennan is oprecht blij dat hij hiermee de vogels kan helpen, maar ziet het ook als een unieke kans om de levensvatbaarheid van zijn rijstvelden te garanderen, in een tijd waarin er goed moet worden bekeken hoe het schaarse Californische water wordt verdeeld, en amandelbomen een hogere opbrengst hebben. ‘We gebruiken het water niet alleen voor de rijst, we gebruiken het om te investeren in het milieu,’ zegt hij. ‘Dat heeft meer waarde dan alleen voor de rijstbouw.’

    Het Nigiri-project stelt zich ten doel om de projecten uit te breiden en ervoor te zorgen dat de Californische zalm de reis naar zee overleeft. Afgelopen winter heeft men onderzoek gedaan op een aantal stukken grond bij de Yolo Bypass en nog wat verder in het achterland, om te kijken of de resultaten standhouden. Ook op al die andere velden heeft men een vergelijkbare, snelle groei van de zalm geconstateerd. Er wordt gehoopt op een miljoen of meer vissen in de komende twee tot vijf jaar.

    Voor Jeffres draait het Nigiri-project ook om meer dan alleen het helpen van de zalm – het is een manier waarop technologische landbouw en natuur de krachten kunnen bundelen, in plaats van tegen elkaar in te werken. En dat wordt steeds belangrijker naarmate de natuurlijke hulpbronnen van de staat uitgeput raken.
    ‘Het idee is dat het land meer kan voortbrengen dan één gewas. Rijst, watervogels, vis: het landschap kan door meerdere organismen worden benut; het een hoeft het ander niet uit te sluiten,’ zegt hij. ‘Het vergt alleen enige aanpassingen in de manier van beheren.’
    Anna Roth

    Auteur: Anna Roth
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: Een medewerkster van UC Davis met een emmer jonge zalm. – © Gregory Urquiaga / UC Davis

    Lucky Peach
    VS | kwartaaltijdschrift | oplage 100.000

    Vrolijk Amerikaans culinair kwartaaltijdschrift, in 2011 opgericht door de Koreaans-Amerikaanse restaurateur David Chang en voormalig voedselcolumnist Peter Meehan.