Tag: Leave

  • De echte reden waarom Remain verloren heeft

    De echte reden waarom Remain verloren heeft

    Nu het Verenigd Koninkrijk de EU heeft verlaten, maakt gevierd columnist Fintan O’Toole de balans op. Hoe kon het dat een stel witte mannen van middelbare leeftijd meer stemmen trok dan een jong en divers team?

    Aan de vooravond van de laatste campagnedag voor het brexitreferendum van juni 2016 bracht BBC het Grote Debat, live vanuit de Wembley Arena. De twee campagnes hadden elk drie sprekers afgevaardigd. De ene kant had een trio parlementsleden uit de gevestigde partijen: allemaal boven de vijftig, geen van drieën vertegenwoordigde een kiesdistrict buiten het zuiden en midden van Engeland. Hun tegenstanders schoven geen parlementsleden naar voren, maar kozen voor een jonger, diverser team dat veel meer overeenkomst vertoonde met het hedendaagse Groot-Brittannië.

    Als je niet beter wist en je had begrepen dat er in het land ontevredenheid over de status quo heerste, had je uit dit rijtje sprekers makkelijk kunnen afleiden wie over twee dagen de meeste stemmen zou krijgen. Natuurlijk zouden de middelbare establishment-types verliezen.

    Alleen: dat gebeurde niet. De drie witte, middelbare parlementsleden waren Gisela Stuart, Andrea Leadsom en Boris Johnson. Hun tegenstanders waren Ruth Davidson, Sadiq Khan en Frances O’Grady.

    Je kunt je goed voorstellen hoe ingenomen de Remain-campagne moet zijn geweest met de samenstelling van haar trio: een Schotse die ook lesbienne, ex-militair en lid van de Conservatieve Partij is, een Londenaar uit de arbeidersklasse met Brits-Pakistaanse wortels en de eerste vrouw ooit in de top van de Britse vakbondsbeweging. Het plaatje dat zij samen lieten zien had nauwelijks inclusiever kunnen zijn of beter afgestemd op de complexe werkelijkheid van Groot-Brittannië in 2016.

    Remainers werden bezield door veel verschillende dingen. Leavers werden gedefinieerd door één groot ding

    Het was natuurlijk ook tamelijk zinloos. Complexiteit en variatie leidden Remain in 2016 niet naar de overwinning. Ook in de strijd om een zeer harde brexit te voorkomen bleken deze kwaliteiten niet alleen ineffectief, maar zelfs duidelijk contraproductief.

    In normale tijden lijkt het duidelijk dat een brede alliantie in een democratie altijd beter is dan een smalle beweging. Het probleem voor Remain was dat het geen normale tijden waren. Wanneer nationale identiteit het overheersende onderwerp wordt, verstoort dat de vertrouwde melodie. Het wordt veel gemakkelijker om op één noot te blijven hameren dan om een orkest met te veel instrumenten te willen dirigeren.

    Je kunt bijna niet anders dan met het oude (en ja, clichématige) Griekse beeld komen van de vos die veel dingen weet en de egel die één belangrijk ding weet. Remainers werden bezield door veel verschillende dingen. Leavers werden gedefinieerd door één groot ding.

    Weggaan uit de Europese Unie was eruit zijn. Blijven was erin zijn. Maar wáárin precies? Er waren veel te veel antwoorden op die vraag en de meeste botsten met elkaar.

    Wat voor staatsvorm, wat voor plek, wat voor imaginaire gemeenschap konden Nicola Sturgeon en Keir Starmer, Gerry Adams en Dominic Grieve, Caroline Lucas en David Cameron met zijn allen bedenken? Die was er niet, omdat die er niet kon zijn. De Remainers hadden over vrijwel alles behalve over de wenselijkheid om niet uit de EU te vertrekken, diepgaand verschillende opvattingen van wat het Verenigd Koninkrijk zou moeten zijn en ze verschilden zelfs hevig van mening over de vraag of dat Verenigd Koninkrijk überhaupt zou moeten bestaan.

    Het is ook heel moeilijk om een overtuigend idee van het hedendaagse Groot-Brittannië te belichamen. Is Ruth Davidson het soort Tory met wie de meeste Engelse conservatieven zich kunnen identificeren? Roept de arbeidersklasse-achtergrond van Sadiq Khan een gevoel van solidariteit op onder kiezers uit de arbeidersklasse in de Midlands? Hoeveel politiek gewicht legt de vakbeweging van Frances O’Grady werkelijk nog in de schaal?

    In elk land is het lastig om een collectieve identiteit te definiëren, maar het is nog veel moeilijker in een multinationaal koninkrijk met verschuivende en onzekere opvattingen over zijn eigen verleden, zijn plaats in de wereld, de relaties tussen de verschillende delen waaruit het bestaat, sociale politiek en houding tegenover migratie en globalisering.

    Collectieve identiteit

    De grote ironie van brexit is dat die voor Remainers wel degelijk een soort collectieve identiteit genereerde. Maar alleen als reactie op de nederlaag. Remain verloor omdat zijn enige echte verbindende factor een gevoel van verlies was. Het moest eerst verslagen worden voordat het een collectief zelf kon vinden. Dat was per definitie te laat.

    Natuurlijk is het zo dat Leavers het niet met elkaar eens waren over wat de brexit echt betekende. Maar het cruciale verschil is dat zij dat ook niet hoefden te zijn. Want het enige belangrijke dat nationalistische bewegingen weten is niet wie ‘wij’ zijn. Het is wie we níet zijn. Leavers hadden een diepgeworteld besef van hun Ander: hun afkeer van en wantrouwen tegen de EU. Voor Remainers waren alleen de Leavers de Ander. Als, zoals W.B. Yeats beweerde, er ‘meer substantie zit in onze vijandschappen dan in onze liefde’, dan hadden de Leavers het grote voordeel dat de substantie van hun vijandschappen in eeuwen was gevormd en niet in enkele jaren.

    Voor een Ier, zoals ik, was het heel grappig om te zien dat de brexiteers Engeland (en het was heel erg Engeland) neerzetten als een onderdrukte natie, een gekoloniseerd land dat nu de kans kreeg om zijn imperialistische overheersers omver te werpen. (De afbeelding op de deur van Nigel Farages kantoor in het Europees Parlement was geen portret van hemzelf, maar van de negentiende-eeuwse Ierse nationalist Charles Stewart Parnell.)

    Ik weet nog dat ik hardop moest lachen toen Johnson bij zijn laatste woord in dat Grote Debat zei dat ‘donderdag de onafhankelijkheidsdag van ons land kan worden’, een bewering die Farage dan ook herhaalde toen de uitslag van het referendum binnenkwam. Dit beeld van Engeland als Kenia of Ierland of India aan het eind van het Britse koloniale rijk leek mij een te overdreven vertoon van slachtofferschap om de kiezers te kunnen aanspreken.

    Ik had het mis. Blijkbaar was het idee van brexit als de opstand van een geknechte natie voor veel kiezers wel heel reëel. En is dat eenmaal het geval, dan zit je in een heel andere wedstrijd. Want als Ier weet je ook dat nationale opstanden een groot voordeel hebben. Ze presenteren het idee van vrijheid als doel op zich – ze hoeven niet te zeggen wat je dan vrij zult zijn om te doen.

    Eerst worden we onafhankelijk. Daarna besluiten we wat we met onze vrijheid gaan doen

    Is eenmaal het geloof gewekt dat we ons op een weg naar onafhankelijkheid bevinden, dan ontstaat er een volgorde in tijd. Eerst worden we onafhankelijk. Daarna besluiten we wat we met onze vrijheid gaan doen. Er kunnen verschillende beloften worden gedaan over de dingen die we willen doen als we ons van onze onderdrukker hebben bevrijd, maar die bestaan in een andere tijdzone, de tijd die pas duidelijk wordt nadat we onze ketenen hebben verbroken.

    Remainers, verward door de absurditeit die besloten lag in het idee van een tot slaaf gemaakt Groot-Brittannië, hebben dit nooit helemaal begrepen. Zij hielden vast aan twee aannames die niet langer opgingen toen het de Leavers eenmaal gelukt was het idee van de brexit als nationalistische revolutie te scheppen. De ene was dat het toch zeker van het grootste belang moest zijn dat de brexiteers hun beloftes verbraken. De andere was dat het iets uitmaakte dat ook de brexiteers geen eensluitend idee hadden over de vorm die Groot-Brittannië moest krijgen.

    Dus toen de brexiteers heel snel de beruchte belofte op de zijkant van de bus – 350 miljoen pond per week voor de National Health Service – lieten vallen, verwachtten de Remainers woede bij de kiezers die zo cynisch waren misleid. Die kwam niet, omdat de belofte over het leven erna ging, de tijd aan de andere kant van het grote bepalende moment van onafhankelijkheid. Die had zich toch altijd al in een andere categorie van de werkelijkheid bevonden.

    Hetzelfde geldt trouwens voor alle dreigementen van de Remain-kant, zelfs als die goed onderbouwd waren, in tegenstelling tot het Project Fear-visioen van een onmiddellijk enkeltje naar de hel. Ook die bestonden voor de Leavers alleen in dat vage Land van Ooit van de toekomst, een ander land, een land waar ze de dingen anders doen.

    De brexiteers beloofde herwonnen soevereiniteit, gouden tijden, zonnige verten

    Het brexitproject werd ook niet werkelijk verzwakt door de dingen waardoor het in een ander politiek discours tot mislukken gedoemd zou zijn geweest. De diepe interne verdeeldheid over de vraag of het VK binnen, of tenminste nauw verbonden met de Europese interne markt moest blijven, wekte de schijn dat het Leave-kamp onder de druk van zijn eigen tegenstellingen zou imploderen. Het leek niet zo gek om dit te geloven terwijl de onhandigheid van Theresa May verlamming werd, die overging in anarchie.

    Maar in feite vormde zelfs deze wanorde een soort kracht voor de Leave-kant. Dankzij de totale onzekerheid over wat vertrekken in werkelijkheid zou betekenen, kon de brexit blijven wat hij was: een gebaar, een idee, een eenmalige bevrijdingsactie. Daardoor kon hij op het niveau blijven waar hij het meest onkwetsbaar was, niet gehinderd door nuchtere details: herwonnen soevereiniteit, gouden tijden, zonnige verten.

    Vaagheid

    Denk daarentegen eens aan de vraag waarom de SNP in 2014 het referendum over de Schotse onafhankelijkheid verloor. De partij leverde de details: 900 pagina’s waarin beschreven stond hoe een onafhankelijk Schotland eruit zou zien. Dit was een makkelijke schietschijf en unionisten konden alle zwakke plekken zien waarop ze hun pijlen konden richten. Juist de vaagheid van de brexit redde hem van zijn ondergang. Remainers wisten tot aan het eindspel toe nooit wat de deal zou worden. Ze joegen op een schaduw.

    Wat hadden de Remainers anders kunnen doen? Nou, zoals we in Ierland zeggen: je zou niet hier beginnen. Als er een echt groot debat kwam over de vraag hoe de volkeren van het VK zichzelf zien, dan zou je niet beginnen met David Camerons gladde belofte van een referendum over Europa om zijn interne strubbelingen te sussen. Je zou niet beginnen met een arrogante aanname dat identiteitskwesties wel de kop ingedrukt konden worden met dreigende waarschuwingen over handel.

    Je zou begonnen zijn met de erkenning dat na het Akkoord van Belfast in 1998 en de instelling van de decentrale regeringen in Wales in Schotland het jaar daarop, het gevoel ergens bij te horen binnen het VK zwaar verstoord was. Je zou je vooral ook hebben beziggehouden met de groeiende tekenen sinds de eeuwwisseling van een opkomend maar ongevormd Engels nationalisme en erover nagedacht hebben hoe dat vorm kon krijgen, niet alleen maar als ‘niet zij’, maar als een positief ‘wij’.

    Leave bood een soort antwoord – al was het een heel slecht antwoord. Remain snapte de vraag nauwelijks

    De Leavers hadden het over identiteit, ook al was dat voornamelijk op een reactionaire en vaak absurde manier. Remainers wezen dat soort gepraat meestal minachtend af als verwerpelijk. Maar een identiteitscrisis verdwijnt niet als je haar negeert. Leave bood een soort antwoord – al was het een heel slecht antwoord. Remain snapte de vraag nauwelijks.

    Kijkend vanaf de andere kant van de vijver heb ik de indruk dat de werkelijke reden waarom Remain verloor was dat de Remainers nooit hun best hebben gedaan om een tegenargument te bieden tegen de echte motivatie voor Leave: de soevereine macht weghalen bij de onverkozen bureaucraten in Brussel en teruggeven aan het verkozen parlement in Westminster. Er kwam geen erkenning dat er soevereiniteit verloren was gegaan in ruil voor de voordelen van het EU-lidmaatschap, zo geformuleerd dat dat werd gepresenteerd als voordelige ruil voor de gemiddelde burger van het VK. In plaats daarvan was het tegenargument (en nogmaals, dit is hoe het er vanuit de verte uitzag) dat de enige mogelijke motivaties om Leave te steunen vooroordelen tegen Oost-Europeanen en een romantische nostalgie naar het Empire zouden zijn en beide verdacht te maken. Niet echt een argument waar je mee wint.

    Openingsbeeld: Drie pro-brexitdemonstranten voor het Britse parlement op 29 maart 2019, de dag dat het VK de EU in eerste instantie zou verlaten. De deadline werd uiteindelijk uitgesteld naar 31 januari 2020 om 11 uur ’s avonds.

    Over de auteur

    Fintan O’Toole (Dublin, 1958) is auteur en politiek commentator voor onder andere The Irish Times, waarvoor hij sinds 1988 scherpe columns schrijft. Voor zijn bijdragen over brexit ontving hij de European Press Prize. O’Toole is ook toneelcriticus en schrijft regelmatig voor The New York Review of Books.

    fintan zw 1
  • Brexit breekt de Britten op

    Brexit breekt de Britten op

    Theresa May heeft nog vier maanden om een deal uit de Brexit-onderhandelingen te slepen waar de Britten achter staan. Dat lijkt een schier onmogelijke taak te worden. De Leave-stemmers willen iets wat niet kan, en de oppositie weigert met alternatieven te komen.

    Dus eindelijk hebben de onderhandelingen over de Brexit tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie een overeenkomst opgeleverd [die op 25 november is getekend door de 27 resterende Europese lidstaten]. Het is een compromis dat in de verste verte niet tegemoetkomt aan de hoge verwachtingen van juni 2016, toen de Britten ervoor kozen uit de EU te stappen. Het zal Groot-Brittannië lange tijd binden aan de douane-unie en de interne markt van de EU. Niks roemrijke vlucht naar de onafhankelijkheid: Groot-Brittannië wordt een satelliet die rondjes draait om de planeet Europa en moet gehoorzamen aan wetten waarover het niets te zeggen heeft.

    Het is een oefening in schadebeperking, geen moedige breuk met het recente verleden. Maar de vraag is of het Britse politieke stelsel met deze minst kwade uitkomst kan leven. Theresa May heeft de overeenkomst aan haar kabinet voorgelegd en zal er in Westminster een parlementaire meerderheid voor moeten zien te vinden. Zal het verdeelde politieke establishment een manier vinden om dit complexe, ambigue en teleurstellende noodzakelijke kwaad te slikken? Tot nu toe wijst niets erop dat het gemakkelijk zal worden.

    Achtbaanrit

    Lady Bracknell uit The Importance of Being Ernest van Oscar Wilde ging nog net niet zover om te zeggen dat het een kwestie van pech is wanneer een regering haar verstand verliest, maar dat het op slordigheid begint te lijken wanneer dat ook voor de oppositie geldt. Ze zou daar echter rotsvast van overtuigd zijn geweest als ze de Brexit zou hebben meegemaakt. De Brexit-route die de Britse regering tot nu toe heeft afgelegd, doet denken aan een achtbaanrit: op elke uitzinnige vlaag van optimisme volgt een ijzingwekkend steile afdaling naar de wanhoop.

    Het is gemakkelijk om May en haar bitter verdeelde Conservative Party er de schuld van te geven dat met nog maar vier maanden te gaan een deal is gesloten waarvan nog lang niet zeker is of die doorgaat. Gemakkelijk omdat het volledig terecht is: de Tories hebben hun land in de grootste crisis na de Tweede Wereldoorlog gestort en lijken niet in staat tot geloofwaardig, coherent en collectief leiderschap.

    Maar wat de crisis nog erger maakt, is dat het ontbreekt aan wat je normaal gesproken in een parlementaire democratie zou verwachten: dat de belangrijkste oppositiepartij een helder alternatief biedt voor de falende, zwabberende regering. De leden van Labour zijn in overgrote meerderheid tegen de Brexit: in september wees een peiling uit dat 86 procent een tweede referendum wil.

    In een recent, groot onderzoek van Channel 4 News zei 75 procent van de Labour-achterban de nauwe banden van het Koninkrijk met de EU te willen behouden. Uit onderzoek blijkt dat in het oude, industriële thuisland van de partij, waar arbeiders zich in 2016 krachtig uitspraken vóór de Brexit, de opinie verschuift in de richting van een nieuw referendum.
    Maar Labour-leider Jeremy Corbyn zei vorige week tegen de Duitse krant Der Spiegel dat Artikel 50 (de in maart 2017 door May aangehaalde bepaling in het Europese Verdrag op grond waarvan een lidstaat de Unie mag verlaten) onherroepelijk is en dat zijn partij ‘moet proberen te begrijpen waarom mensen voor een vertrek hebben gestemd’.

    Hij werd bijna onmiddellijk tegengesproken door zijn woordvoerder Buitenland, Emily Thornberry, en zijn woordvoerder Brexit, Keir Starmer, die allebei volhielden dat een tweede referendum nog steeds mogelijk is. De breuklijn binnen de partij is intussen even duidelijk zichtbaar als die binnen de Tories.

    Welk lid wil de verantwoordelijkheden en de kosten van een lidmaatschap voor zijn rekening nemen als de faciliteiten gratis toegankelijk zijn voor niet-leden?

    Labour wordt net als de Tories bijeengehouden door niet veel meer dan een fantasie. Officieel luidt het standpunt van de partij dat ze de Brexit steunt, maar zich zal verzetten tegen elke deal met de EU die niet ‘precies dezelfde voordelen oplevert als we op dit moment als lid van de interne markt en de douane-unie hebben’. Dat is óf zeer misleidend óf – en waarschijnlijker – een leugen. De EU kan een niet-lidstaat niet ‘precies dezelfde voordelen’ geven als de leden.

    In dat geval zou ze ophouden te bestaan. Welk lid wil de verantwoordelijkheden en de kosten van een lidmaatschap voor zijn rekening nemen als de faciliteiten gratis toegankelijk zijn voor niet-leden? De Labour-leiding weet dat ongetwijfeld ook, maar houdt de illusie in stand om met twee monden te kunnen spreken: de Brexit steunen, maar May veroordelen omdat ze er niet in is geslaagd een resultaat uit de onderhandeling te slepen dat praktisch onmogelijk is.

    Dus wat is hier aan de hand? Uit het recente onderzoek van Channel 4, het grootste in zijn soort sinds het Brexit-referendum, blijkt dat het Verenigd Koninkrijk er op dit moment met een meerderheid van 54 tegen 46 procent voor zou hebben gestemd om binnen de EU te blijven. Daaruit blijkt op zijn minst dat een groot aantal kiezers tegen de Brexit is, gezien de eis dat elke deal die de onderhandelingen (al dan niet) opleveren aan het volk moet worden voorgelegd. Hoe is het mogelijk dat het Britse politieke stelsel niet in staat lijkt de burgers in tijden van een nationale crisis duidelijke alternatieven te bieden?

    Je zou dat aan slecht leiderschap kunnen wijten, en daarvan is er meer dan genoeg. Maar er is veel meer aan de hand. Het grote probleem is openheid. Om twee belangrijke kwesties – allebei pijlers onder de Brexit – wordt met een grote boog heen gelopen. Ze blijven onbesproken omdat het dé grote tegenstellingen binnen de crisis zijn. De EU heeft bij herhaling haar frustratie laten blijken over het onvermogen van de Britten om precies te verwoorden wat ze willen.

    Maar het gaat hier niet om een kwestie van slecht onderhandelen. De technocraten van de Britse regering kunnen niet precies zeggen wat ze willen, omdat ze niet het achterste van hun tong willen laten zien. Achter de Brexit gaan twee kwesties schuil die niet bij naam mogen worden genoemd.

    In Noord-Ierland loopt een student langs een anti-Brexit-billboard. De grens tussen de Republiek Ierland en Noord-Ierland is een heet hangijzer in de onderhandelingen. – © Getty Images
    In Noord-Ierland loopt een student langs een anti-Brexit-billboard. De grens tussen de Republiek Ierland en Noord-Ierland is een heet hangijzer in de onderhandelingen. – © Getty Images

    De Brexit wordt treffend samengevat in de briljante slogan van de Leave-campagne van 2016, Take back control [‘Pak de zeggenschap terug’]. Die ís zo briljant omdat hij soepel langs twee bijzonder ongemakkelijke vragen manoeuvreert: wat houdt ‘zeggenschap’ eigenlijk in? En wie zou die moeten krijgen?

    Een ander woord voor ‘zeggenschap’ is ‘wetgeving’. De fundamentele aantrekkingskracht van de Brexit is dat de Britten zich daarmee bevrijden van de vele wetten die hun door Brussel zouden zijn opgelegd en voortaan zichzelf mogen besturen. Ze willen graag eigen baas zijn over milieu, voedselveiligheid, mededinging en monopolies. Inderdaad gaat de EU over veel van die kwesties, en dat de Britten er zelf over willen beslissen is heel goed verdedigbaar. Om die reden hebben de meeste mensen voor de Brexit gestemd en verwachten ze autonomie.

    Maar daar draait de Brexit helemaal niet om. De ware agenda van de harde brexiteers gaat niet over eigen wetgeving, maar over minder wetgeving. Dominic Raab, de inmiddels afgetreden Brexit-minister, droomt niet van zelfregulering, maar van de voltooiing van het deregulerende, neoliberale project dat in 1979 in gang werd gezet door Margaret Thatcher.

    De fantasie achter de Brexit is een ‘open’ en ‘geglobaliseerd’ Groot-Brittannië, bevrijd van de ketenen van EU-wetgeving, met ruimere milieu-, gezondheids- en arbeidsregels, waarmee de weg wordt geplaveid voor een nieuw, gouden tijdperk van roofzuchtig hyperkapitalisme. Ook dat is heel goed verdedigbaar, hoewel abject. Alleen vinden de meesten Leave-stemmers niet dat de Brexit daarover zou moeten gaan. En die kloof maakt het onmogelijk om te zeggen wat ‘de Britten’ willen: ze willen verschillende dingen.

    Daar komt het tweede onderwerp waarover niet mag worden gesproken om de hoek kijken: het Engelse nationalisme

    Vraag twee is wie die ‘zeggenschap’ zou moeten krijgen. Waaruit bestaat, met andere woorden, ‘het volk’ dat de macht zou moeten terugkrijgen? En daar komt het tweede onderwerp waarover niet mag worden gesproken om de hoek kijken: het Engelse nationalisme. De Brexit is deels een reactie op een ontwikkeling die al sinds de millenniumwisseling speelt. Met het Goedevrijdagakkoord uit 1998 zette Noord-Ierland een stap in de richting van bestuurlijke zelfstandigheid, terwijl Schotland hetzelfde deed met de instelling van een eigen parlement in 1999. Als gevolg daarvan zijn de Engelsen in korte tijd heel anders tegen hun nationale identiteit gaan aankijken.

    Ze voelen zich niet zozeer Brits als wel Engels. Geen enkele grote politieke partij laat zich daarover uit, terwijl onderzoek aantoont dat de Engelsen steeds meer vervreemd raken van de overheid in Londen. De Brexit, vooral een Engels verschijnsel, is voor een deel een uiting van die frustratie. Om het (bot) met Anthony Barnett te zeggen, in zijn boek T_he Lure of Greatness: England’s Brexit and America’s Trump_ uit 2017: ‘Omdat ze Groot-Brittannië niet konden verlaten, kozen de Engelsen voor het op één na beste en zeiden ze tegen de EU dat ze kon oprotten.’

    Niet de ‘onzen’

    Er is overtuigend bewijs voorhanden dat de Engelsen die voor de Brexit stemden over het algemeen niets om het Verenigd Koninkrijk geven en vooral niet om Noord-Ierland. Toen Leave-stemmers en Conservatieven onlangs in een enquête over de toekomst van Engeland werd gevraagd of ‘mislukking van het vredesproces in Noord-Ierland’ als prijs ‘de moeite van het betalen waard is’ om met de Brexit ‘de zeggenschap terug te krijgen’, was maar liefst 83 procent van de Leave-stemmers en 73 procent van de Conservatieve kiezers in Engeland het daarmee eens.

    Dat is geen hersenloze wreedheid, er spreekt een diepe overtuiging uit dat de Noord-Ieren niet ‘de onzen’ zijn, dat wat ‘daar’ gebeurt niet ‘onze’ verantwoordelijkheid is. Uit het onderzoek van Channel 4 blijkt iets vergelijkbaars. Toen Leave-stemmers werd gevraagd wat ze ervan zouden vinden als Noord-Ierland als gevolg van de Brexit ‘het Verenigd Koninkrijk zou verlaten en zich aansluit bij Ierland’, antwoordde 61 procent dat ze daar ‘niet erg bezorgd’ of ‘helemaal niet bezorgd’ over waren.

    Dat mag onthutsend zijn, het is ook een duidelijke boodschap. Het probleem is alleen dat geen van beide grote partijen die onder ogen wil zien. Een van de plaagstootjes van de geschiedenis is dat deze Engelse nationale revolutie, want dat is de Brexit, ertoe heeft geleid dat de Noord-Ierse Democratic Unionist Party, een ultra-unionistische splinterpartij, voor het machtsevenwicht in Westminster zorgt en Theresa May – nog – in het zadel houdt.

    En zo komt het dat de Leave-stemmers al afscheid van het Verenigd Koninkrijk hebben genomen terwijl May het (in dit geval met steun van Labour) in alle toonaarden de liefde verklaart: ‘Ik zal er altijd voor vechten onze kwetsbare, dierbare unie in stand te houden en te versterken.’ De toekomst van het Verenigd Koninkrijk is nu zelfs een belangrijk onderdeel geworden van de onderhandelingen met de EU. Elke einddeal wordt uiterst complex.

    Dat komt vooral doordat de Britten geen afspraken willen over een harde grens in Ierland waardoor Noord-Ierland zal afwijken van de rest van het Verenigd Koninkrijk. Er valt geen heldere Brexit te formuleren zolang het gevecht voor een kwestie waar de Leave-stemmers niets om geven tot heilig doel is verklaard. Zoals Lady Bracknell al zei: ‘De draaikonterij over de kwestie is absurd.’

    Auteur: Fintan O’Toole

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte bijdragen van grote schrijvers en journalisten als 
J.M. Coetzee, Orhan Pamuk en eerder 
Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.