Tag: leiderschap

  • Palestijnen moeten zelf hun leiders kiezen

    Palestijnen moeten zelf hun leiders kiezen

    Het huidige Palestijnse leiderschap wordt ofwel als afwezig beschouwd, ofwel als onwettig. Als de oorlog is afgelopen moet het niet alleen maar in een nieuw jasje worden gestoken, er moet verandering komen.

    Sinds de afkondiging van een staakt-het-vuren in Gaza richt een groot deel van de wereld zich op de directe gevolgen van de vernietiging in de strook. De discussie gaat vooral over de vraag welke instanties hulp zullen verlenen, hoe een begin met de wederopbouw kan worden gemaakt, welke internationale actoren een rol kunnen spelen en wat de voorwaarden voor het fragiele staakt-het-vuren moeten zijn.

    Dat zijn allemaal belangrijke kwesties. Maar één ding ontbreekt aan deze discussie en aan het staakt-het-vurenakkoord, namelijk de Palestijnen zelf en hun politieke agenda. Ook zullen de volgende vragen moeten worden gesteld: wat zal er na het einde van deze oorlog met de Palestijnse nationale beweging gebeuren? Wie zal namens de Palestijnen spreken en onderhandelen over de voorwaarden voor mogelijke overeenkomsten met Israël? Zijn de eerdere onderhandelingskaders nog wel relevant?

    Natuurlijk zijn de Palestijnen opgelucht dat het staakt-het-vuren eindelijk is afgekondigd, na vijftien maanden van onvoorstelbare verwoesting die door veel experts als genocide wordt omschreven. De oorlog heeft de Nakba, de etnische zuivering van 1948 waarbij ongeveer 750.000 Palestijnen uit hun huizen werden verdreven, in omvang overtroffen.

    Ernstige zorgen

    Over de voorwaarden voor het staakt-het-vuren bestaan ernstige zorgen. Volgens één expert kan de overeenkomst in feite een ‘wurgcontract’ zijn, bedoeld om een pauze in de gevechten in te lassen en tegelijkertijd de feitelijke situatie ter plaatse te veranderen. Dat Israël op precies hetzelfde moment een militaire repressiecampagne op de Westelijke Jordaanoever heeft gelanceerd, Operatie Iron Wall, is bijzonder alarmerend. En een tweede regering-Trump, die geheel achter volledige Israëlische overheersing van de Westelijke Jordaanoever staat, bevestigt de Palestijnse angsten alleen maar. Het akkoord spreekt zich niet uit over de kwestie van Palestijns bestuur. De voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken had geopperd dat de Palestijnse Autoriteit, gesteund door internationale partners, toezicht zou kunnen houden op het gebied, maar daarover moet nog worden onderhandeld.

    Desondanks zien veel Palestijnen de huidige situatie tot op zekere hoogte als een overwinning. De bevolking van Gaza is massaal ontheemd maar niet verdreven. Na hier met klem om te hebben gevraagd is hun toestemming verleend om terug te keren naar wat er over is van hun huizen in het noorden van de strook. Bovendien zijn de identiteit en het nationalisme van de Palestijnen nog springlevend en is de wereldwijde steun voor en erkenning van de Palestijnse rechten het afgelopen oorlogsjaar alleen maar toegenomen. Dat zijn allemaal opmerkelijke ontwikkelingen.

    Dit brengt ons bij de grootste crisis waardoor de interne Palestijnse politiek nu wordt getroffen: een leiderschap dat in vele ogen afwezig of onwettig is.

    Palestijnse Autoriteit

    Het Palestijnse leiderschap kent momenteel twee vormen. Er is het politieke bureau van Hamas, waarvan het waarnemend hoofd onderhandelt in Qatar, en de door Fatah gerunde Palestijnse Autoriteit in Ramallah. Geen van beide heeft tot dusver het heft in handen genomen of duidelijk gemaakt hoe ze de aanspraken op een nationale Palestijnse staat in de toekomst willen realiseren. Dat er twee actoren zijn die beweren het volk te vertegenwoordigen is tekenend voor de politieke stagnatie waarmee de Palestijnen worden geconfronteerd.

    Sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw mag de door Fatah gerunde Palestijnse Autoriteit (PA), met steun van de VS en in samenwerking met Israël, delen van de Westelijke Jordaanoever besturen. Deze instantie heeft voortdurend aangedrongen op internationale legitimiteit, maar al die tijd geweigerd verkiezingen te houden of duidelijk verantwoording aan de Palestijnen af te leggen. 

    Fatah heeft alternatieve leiderschapskandidaten en tegenstanders van de zittende president Mahmoud Abbas buitenspel gezet. Belangrijk is dat de PA de Palestijnen niet heeft kunnen beschermen tegen het toegenomen geweld van Israëlische kolonisten en militairen. Extra schokkend is het dat de PA Israël heeft geholpen bij de veiligheidscoördinatie en geweldpleging tijdens de oorlog in Gaza. Maar zolang ze haar rol als veiligheidscoördinator voor Israël bleef vervullen, maalde niemand in de internationale gemeenschap erom dat de PA voor haar eigen volk haar legitimiteit allang had verloren.

    De afgelopen vijftien maanden is gebleken dat deze status quo nooit houdbaar is geweest

    Hamas daarentegen kreeg de touwtjes in Gaza in handen nadat het in 2006 de Palestijnse parlementsverkiezingen had gewonnen en greep de macht in de Gazastrook toen die verkiezingsresultaten niet door de VS en hun bondgenoten werden erkend. Sindsdien heeft niemand in de internationale gemeenschap iets willen doen aan het feit dat de Palestijnse gebieden afzonderlijk worden bestuurd, of dat de mensen in Gaza een zware blokkade hebben moeten doorstaan sinds Hamas de controle over de strook overnam. Tot 7 oktober 2023 vertrouwden de beleidsmakers erop dat het ‘gewelddadige evenwicht’ tussen Hamas en Israël wel zou standhouden en dat deze status quo van gedeeld bestuur, niet-aansprakelijk leiderschap en een gebrek aan politieke oplossingen voor het Israëlisch-Palestijnse conflict houdbaar zou blijven.

    De afgelopen vijftien maanden is gebleken dat deze status quo nooit houdbaar is geweest. We weten dat het Palestijnse volk aandringt op zelfbestuur en zelf zijn zaken wil regelen, ook met onmiddellijke ingang in Gaza. Misschien zijn de twee belangrijkste Palestijnse facties zich van dit algemene gevoelen bewust en hebben ze daarom samen besloten een technisch comité op te richten dat zich na het staakt-het-vuren met de dienstverlening in de Gazastrook zal bezighouden. Of dit comité in het akkoord zal worden opgenomen is overigens nog maar de vraag.

    Dus wat nu? Een meerderheid van de Palestijnen is tegen het idee dat de Palestijnse Autoriteit als enige Gaza zal besturen. De PA wordt verantwoordelijk gehouden voor de verslechtering van de levensomstandigheden en de nationale zaak. PA-instellingen leveren weliswaar een aantal basisdiensten, maar het is in het Palestijnse discours inmiddels gebruikelijk om Abbas en de PA ervan te beschuldigen dat ze de Palestijnse zaak verraden.

    Legitimiteit Hamas

    Het is belangrijk om te erkennen dat Hamas sinds het begin van de oorlog enige legitimiteit onder de Palestijnen heeft verworven, ook al blijft de internationale verontwaardiging groot en spreken de VS en hun bondgenoten van een terroristische organisatie. Uit opiniepeilingen blijkt dat de organisatie momenteel meer steun geniet dan vóór de aanslagen van 7 oktober, waarschijnlijk omdat oorlog er nu eenmaal toe leidt dat mensen zich onder één vlag scharen. In september 2023 vond 27 procent van de ondervraagde Palestijnen dat Hamas het meest in aanmerking kwam om het Palestijnse volk te vertegenwoordigen en te leiden, tegen 43 procent in september 2024. De laatste peiling wijst echter ook uit dat een derde van de Palestijnen vindt dat geen van beide partijen voor het leiderschap in aanmerking komt. Ook geeft de meerderheid van de Palestijnen er de voorkeur aan dat beide partijen na de oorlog een eenheidsregering vormen. Het idee om terug te keren naar een gedeeld bestuur, waarbij de ene organisatie Gaza in handen heeft en de andere de Westelijke Jordaanoever, is onbestaanbaar voor de velen voor wie de eenheid van Palestina op de eerste plaats komt.

    Ten slotte is het belangrijk op te merken dat maar weinig Palestijnen instemmen met interventie van buitenaf. Dit staat haaks op de plannen van bijvoorbeeld de Verenigde Arabische Emiraten, volgens welke Arabische troepen in samenwerking met Israël Gaza zouden ‘veiligstellen’ na een staakt-het-vuren.

    Gemakkelijke antwoorden bestaan hier niet. Duidelijk is in elk geval dat de Palestijnen hun buik vol hebben van de status quo en dat elke poging om de huidige leiderschaps- en bestuursstructuren alleen maar in een nieuw jasje te steken in hun ogen geen genade zal vinden.

    Als politieke en beleidsmatige oplossingen uitblijven, zal de gewapende actie onvermijdelijk toenemen

    Het is verbazingwekkend dat na meer dan een jaar oorlog één simpel feit niet duidelijk is geworden: een oplossing voor dit conflict is onmogelijk zonder het Palestijnse volk. En wie denkt dat de Palestijnen niet zullen reageren op de existentiële bedreigingen voor hun leven en identiteit als gevolg van bombardementen, repressie, aanvallen van kolonisten en wat al niet meer, maakt zichzelf iets wijs. Als politieke en beleidsmatige oplossingen uitblijven, zal de gewapende actie onvermijdelijk toenemen. Dat hebben we ook gezien op de Westelijke Jordaanoever en minister Blinken verklaarde begin januari al dat Hamas bijna net zoveel nieuwe militanten had gerekruteerd als het had verloren. Het zou voor iedereen bijzonder verontrustend moeten zijn dat de omstandigheden die aan deze oorlog voorafgingen alleen maar zijn verslechterd.

    Oplossingen zijn alleen houdbaar als de Palestijnse samenleving erachter staat. Dat betekent dat de Palestijnen zelf hun leiderschap moeten kunnen kiezen, zodat degenen die namens hen onderhandelen in hun ogen legitiem zijn. Het betekent ook dat de Palestijnen de ruimte moeten krijgen om intern te onderhandelen, zonder represailles en moorden, zodat de keus ruimer is dan alleen Fatah of Hamas. En het betekent ten slotte dat de internationale gemeenschap gedurfde en creatieve oplossingen serieus moet nemen, in plaats van de Palestijnse agenda te negeren.

    Alleen dan zal de huidige crisis van lijden en verwoesting in Gaza worden opgelost, en alleen dan zal er langdurige vrede komen.  

  • Opkomst en ondergang van de Europese meritocratie

    Opkomst en ondergang van de Europese meritocratie

    Waarom botert het zo slecht tussen de Europese elite en een groot deel van de kiezers? Omdat ze weinig of niets meer met elkaar gemeen hebben, schrijft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.

    Als je niet begrijpt waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen, kun je jezelf er maar beter van overtuigen dat mensen niet weten wat ze doen. Dat hebben de leiders van de Europese politiek, zakenwereld en nieuwsmedia gedaan als reactie op de populistische golf die het oude continent overspoelt. Ze zijn geschokt dat zo veel landgenoten op onverantwoordelijke demagogen stemmen. Ze kunnen de oorzaak van de woede jegens de meritocratische elites, waarvan de goed opgeleide, competente ambtenaren in Brussel het meest sprekende symbool zijn, maar moeilijk begrijpen.

    Waarom staan mensen met een goede opleiding in zo’n kwaad daglicht in een tijd waarin de complexiteit van de wereld erop duidt dat die het hardste nodig zijn? Waarom weigeren mensen die hard werken om hun kinderen te laten afstuderen aan de beste universiteiten ter wereld mensen te vertrouwen die al aan deze universiteiten zijn afgestudeerd? Hoe kan iemand het eens zijn met Michael Gove, de pro-Brexit-politicus, die zei dat mensen ‘genoeg hebben van deskundigen’?

    Het zou duidelijk moeten zijn dat meritocratie – een systeem waarin de meest getalenteerde en capabele, best opgeleide mensen die het hoogste scoren bij examens – beter is dan plutocratie, gerontocratie, aristocratie en misschien zelfs de macht van de meerderheid, democratie.

    Maar de meritocratische elites van Europa worden niet alleen gehaat vanwege de onverdraagzame stompzinnigheid van populisten of de verwarring van de gewone man.

    Michael Young, de Britse socioloog die halverwege de vorige eeuw de term ‘meritocratie’ muntte, zou niet verbaasd zijn over deze ommekeer. Hij legde als eerste uit dat hoewel ‘meritocratie’ de meeste mensen misschien goed in de oren klinkt, een meritocratische maatschappij een ramp zou zijn. Dat zou een maatschappij zijn van egoïstische en arrogante winnaars, en boze en wanhopige verliezers. De triomf van de meritocratie, zo begreep Young, zou ten koste gaan van de politieke gemeenschapszin.

    Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden

    Wat meritocraten zo onverdraaglijk maakt voor hun critici is niet zozeer hun succes als wel hun aanspraak dat ze zijn geslaagd omdat ze harder hebben gewerkt dan anderen, omdat ze nu eenmaal beter gekwalificeerd zijn dan anderen en omdat ze voor de examens zijn geslaagd waarvoor anderen zijn gezakt.

    De paradox van de huidige politieke crisis in Europa is geworteld in het feit dat de Brusselse elites precies de schuld krijgen van datgene waarop ze zich laten voorstaan: hun kosmopolitisme, hun weerstand tegen publieke druk en hun mobiliteit.

    In Europa is de meritocratische elite een elite van huurlingen die niet veel verschilt van de manier waarop de beste voetballers overal op het continent aan de succesvolste clubs worden verhandeld. Succesvolle Nederlandse bankiers verhuizen naar Londen; competente Duitse bureaucraten verhuizen naar Brussel. Europese instellingen en banken geven, net als voetbalclubs, gigantische hoeveelheden geld uit om de beste ‘spelers’ binnen te halen. Meestal zorgt dit systeem voor overwinningen op het veld of in de bestuurskamer van de centrale bank.

    Maar wat gebeurt er als deze teams beginnen te verliezen of wanneer de economie hapert? Dan laten hun supporters hen in de steek. Dat komt doordat er geen andere relatie tussen de ‘spelers’ en hun supporters is dan het vieren van overwinningen. Ze komen niet uit dezelfde buurt. Ze hebben geen gemeenschappelijke vrienden of herinneringen. Veel spelers komen zelfs niet uit hetzelfde land als hun team. Je kunt de ingehuurde ‘sterren’ bewonderen, maar je hebt geen reden om medelijden met hen te hebben.

    In de ogen van de meritocratische elites is hun succes buiten hun vaderland een bewijs van hun talent, maar in de ogen van veel mensen is deze zelfde mobiliteit een reden om hen niet te vertrouwen.

    Loyaliteit

    Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden. Paradoxaal genoeg zijn het de uitwisselbare competenties van de huidige elites, het feit dat ze even goed een bank kunnen leiden in Bulgarije als in Bangladesh of even goed les kunnen geven in Athene als in Tokio, waardoor mensen hen zo wantrouwen. Ze zijn bang dat de meritocraten er in moeilijke tijden vandoor zullen gaan in plaats van de kosten van het blijven te delen.

    Het wekt dan ook geen verbazing dat loyaliteit – namelijk de onvoorwaardelijke loyaliteit aan etnische, religieuze of sociale groepen – de kern vormt van de aantrekkingskracht van het nieuwe Europese populisme. Populisten beloven de mensen dat ze hen niet alleen op hun merites zullen beoordelen. Ze beloven solidariteit, maar niet per se rechtvaardigheid.

    Anders dan een eeuw geleden zijn populaire leiders vandaag de dag niet geïnteresseerd in het nationaliseren van industrieën. In plaats daarvan beloven ze de elites te nationaliseren. Ze beloven niet dat ze de mensen zullen redden, maar dat ze bij hen zullen blijven. Ze beloven dat ze de nationale en ideologische beperkingen weer zullen invoeren die door de globalisering zijn afgeschaft. Kortom, wat populisten hun kiezers beloven is niet competentie, maar innige verbondenheid. Ze beloven dat ze de band zullen herstellen tussen ‘de elites’ en ‘het volk’. En velen in het huidige Europa vinden dat een aantrekkelijke belofte.

    De Amerikaanse filosoof John Rawls sprak namens veel liberalen toen hij betoogde dat het minder pijnlijk was om een verliezer te zijn in een meritocratische samenleving dan in een openlijk onrechtvaardige samenleving. Naar zijn idee zou de eerlijkheid van het spel mensen verzoenen met hun mislukking. Nu lijkt het erop dat de grote filosoof het bij het verkeerde eind had.

    Auteur: Ivan Krastev
    Vertaler: Peter Bergsma

    Ivan Krastev is voorzitter het Center for Liberal Strategies in Sofia, fellow bij het Institute for Human Sciences in Wenen, en columnist van The New York Times.

    Ivan Krastev neemt op 16 februari deel aan een rondetafelconferentie over Oekraïne.
    Castrum Peregrini in Amsterdam | Aanvang 20 uur, entree 7,50 euro | Castrumperegrini.org

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Zijn Afrikaanse leiders te oud?

    Zijn Afrikaanse leiders te oud?

    Afrikaanse leiders worden vaak bekritiseerd om hun hoge leeftijd. Maar is het echte probleem niet dat ze te lang blijven regeren?

    Toen de 73-jarige Ronald Reagan zich in 1984 kandideerde voor een tweede presidentstermijn, verklaarde hij: ‘Leeftijd speelt voor mij geen rol: ik zal de jeugdigheid en onervarenheid van mijn opponenten niet uitbuiten voor politiek gewin.’ Met deze handige omdraaiing maakte de Republikeinse politicus van zijn hoge leeftijd – in principe zijn zwakke plek – juist zijn kracht. De voormalig acteur werd herkozen. Dertig jaar later vormt de leeftijd van Hillary Clinton – 69 jaar oud tegen de tijd dat ze zal moeten aantreden – opnieuw onderwerp van discussie.

    Kan iemand vanaf een bepaalde leeftijd nog wel regeren? Bij opiniepeilingen over dit thema hangt het antwoord veelal af van de politieke voorkeur van de ondervraagde: Democraten die eerst Reagan te oud vonden, geven nu ontwijkend antwoord op de vraag of het aantal lentes van Clinton een probleem vormt of niet. De kiezer denkt er schijnbaar pragmatisch over.

    Ook Afrika ontsnapt niet aan deze polemiek. De lawine aan commentaren die de benoeming van de negentiger Robert Mugabe als hoofd van de Afrikaanse Unie losmaakte, was te voorzien. ‘Mugabe is te oud om zich nog te kunnen concentreren,’ reageerde de Zuid-Afrikaanse politicoloog William Gumede. Sowieso hoor je vaak dat er op het continent wel erg veel oude despoten al decennialang aan de macht zijn.

    De leeftijd van de leiders ligt nauwelijks boven het wereldwijde gemiddelde

    Toch zien we dit niet terug in de cijfers. Weliswaar komen drie van de vijf oudste presidenten ter wereld van het Afrikaanse continent, maar de gemiddelde leeftijd van de leiders is er nauwelijks hoger dan het wereldwijde gemiddelde: 63 versus 61 jaar. Is de vraag niet veel wezenlijker hoelang iemand al aan de macht is? Op dit punt scoort Afrika inderdaad het allerhoogst.

    Alleen al het drietal Teodoro Obiang Nguema Mbasogo (Equatoriaal-Guinea), José Eduardo dos Santos (Angola) en Paul Biya (Kameroen) regeert samen al meer dan een eeuw. Of neem Omar Bongo Ondimba (Gabon): hij was 41 jaar lang ononderbroken aan de macht, heel wat langer dan de 31 jaar van Fidel Castro of de 21 jaar van de Noord-Koreaan Kim Il-sung… Macht is slopend en veel leiders beseffen dat te laat: ‘Ik merk dat ik, na dertig jaar in de slangenkuil van de politiek, doodop ben,’ gaf de president van Burkina Faso, Blaise Compaoré, kort na zijn val toe. Werden Ben Ali en Mubarak dan soms verdreven omwille van hun leeftijd? Absoluut niet. Maar de wijsheid schijnt met de jaren te komen. Dan zouden deze aan het pluche verslaafde heersers toch moeten inzien dat ze beter kunnen plaatsmaken, als ze de teugels niet uit handen willen laten glippen.

    Te oud? Niet per se. Te lang aan de macht? Zodra die vraag zich voordoet, is het antwoord bijna altijd een volmondig ‘inderdaad’.


    Wat zegt de grondwet? In de meeste Afrikaanse landen vermeldt de grondwet een minimumleeftijd om je verkiesbaar te mogen stellen als president (35 tot 40 jaar). Maar er zijn er maar weinig waar ook een maximumleeftijd geldt. Congo (70 jaar), Ivoorkust (75 jaar) en Tsjaad (70 jaar) zijn zulke uitzonderingen. Veel gebruikelijker is het dat een grondwet stipuleert dat een kandidaat gezond moet zijn. In Niger bijvoorbeeld bestaat geen maximumleeftijd, maar wel de grondwettelijke bepaling dat ‘niemand het presidentschap mag bekleden die niet in goede geestelijke en lichamelijke gezondheid verkeert’. De tekst gaat zelfs nog verder en eist ‘een goede moraal, vast te stellen door een hiertoe geëigende overheidsdienst’. In de Algerijnse grondwet is zo’n clausule niet opgenomen, tot grote spijt van de Algerijnen: de kranten staan vol van de gezondheidsproblemen van president Abdelaziz Bouteflika.

    Michael Pauron

    Muurschildering van Abdelaziz Bouteflika. - © Thierry Ehrmann / Flickr
    Muurschildering van Abdelaziz Bouteflika. – © Thierry Ehrmann / Flickr