Tag: leuning

  • De stoel: 5000 jaar oud

    De stoel: 5000 jaar oud

    Een stoel brengt op unieke wijze mode en functionaliteit samen. In de loop der jaren zijn ze niet per se ‘beter’ geworden. Maar hoe we willen zitten, en waar we op willen zitten, zegt veel over ons.

    Daar stond ik dan, voor mijn interview met de architect Witold Rybczynski, over zijn nieuwe boek, een overzicht van de stoel en zijn vijfduizend jaar oude geschiedenis. Ik interviewde Rybczynski vanachter een stabureau. Vlak naast me stond een zeer gerieflijke bureaustoel met allerlei moderne snufjes, zoals een pneumatisch in hoogte verstelbaar zitvlak en kunststof armleuningen. Maar die stoel lonkte niet echt, misschien omdat de American Heart Association net mijn plezier in stoelen had vergald met het advies om minder te zitten en meer te bewegen, ter voorkoming van diabetes en hart- en vaatziekten. Ik vroeg Rybczynski of hij van mening was dat de stoel werd gedemoniseerd in het tijdperk van het stabureau en de zitbal.

    Je bent hoe je zit

    ‘Ik geloof eigenlijk niet dat het tijdperk van het stabureau is aangebroken,’ antwoordt Rybczynski. ‘Volgens mij is het een trend die wel weer overwaait. Er zijn altijd mensen geweest die staand hebben gewerkt – Winston Churchill, Ernest Hemingway.’ (Ook het fiets- of loopbureau doet Rybczynski af als ‘malligheid’.) De gezondheidswaarschuwingen die tegenwoordig geregeld worden gegeven, zijn erop gericht om langdurig zitten af te wisselen met bewegen. De stoel op zich is niet echt het probleem.

    Een van de redenen dat Rybczynski besloot om een boek te schrijven over de stoel, is dat de stoel op unieke wijze mode en functionaliteit samenbrengt. Rybczynski was ook getroffen door het feit dat stoelen, in tegenstelling tot wapens of communicatietechnologie, in de loop der jaren niet per se ‘beter’ worden. ‘Als je bijvoorbeeld plaatsneemt in een Windsorstoel is dat min of meer dezelfde stoel als die waar George Washington en Benjamin Franklin in hebben gezeten,’ zegt hij. ‘Er is niets anders uit die tijd, afgezien van de Amerikaanse grondwet, dat [in een dergelijke bruikbare vorm] intact is gebleven.’ Met andere woorden: de geschiedenis van de stoel is meer een culturele dan een evolutionaire ontwikkeling. ‘Hoe we willen zitten, en waar we op willen zitten, zegt veel over ons: onze normen en waarden, onze smaak, wat we belangrijk vinden’, schrijft Rybczynski in zijn boek, Now I Sit Me Down. Je bent hoe je zit.

    ‘Een oude stoel kan nu net zo goed dienstdoen als hij in het verleden heeft gedaan,’ zegt hij. ‘En dat is een essentieel verschil met de meeste, of in ieder geval met veel, vormen van technologie. Neem nou een smartphone, die verandert elk jaar weer. Over twintig jaar is een smartphone van nu een curiosum. Dan zal hij geen enkel functioneel doel meer hebben.’ (Natuurlijk is niet van alle zitmeubels de functionaliteit even tijdloos. Probeer je maar eens voor te stellen dat je een bord pasta eet terwijl je aanligt op een antiek Romeins bankje. Het scheelde dat rijke Romeinen bedienden hadden.)

    Klismos, ca. 500 v Chr., Griekenland. Ontwerper: onbekend.
    Klismos, ca. 500 v Chr., Griekenland. Ontwerper: onbekend.

    De eerste stoel die Rybczynski in geschiedkundige werken heeft aangetroffen is geen fysieke stoel, maar een beeldje van een stoel, afkomstig van een van de Cycladeneilanden in de Egeïsche Zee. Het wordt gedateerd in de periode 2800-2700 v.Chr. Het is een beeldje van iemand die harp speelt, gezeten op wat een typische keukenstoel lijkt te zijn, met een rechte rug en vier poten. Bij de oude Egyptenaren was zitten al uitgegroeid tot een statussymbool: iedereen zat op krukjes of op de grond, en stoelen met een rug of met armleuningen waren voorbehouden aan de elite.

    In de vijfde eeuw v.Chr. ontstond in Griekenland de klismos_, een stoel met gekromde poten en een gekromde rugleuning. Rybczynski omschrijft de klismos als ‘een van de mooiste stoelen ooit gemaakt’. In zijn boek stelt hij dat stoelen van ‘een vergelijkbare schoonheid als de klismos’ pas tweeduizend jaar later weer opdoken, in de ‘gouden eeuw’ van de stoel, de achttiende eeuw, een bloeitijd van creatief vakmanschap en wereldwijde handel, die sierlijk bewerkte voorwerpen voortbracht, zoals de Franse Louis XV-stoel en de Chinees-Engelse meubels met cabrioolpoten.

    Zigzagstoel, 1932, Nederland. Ontwerper: Gerrit Rietveld.
    Zigzagstoel, 1932, Nederland. Ontwerper: Gerrit Rietveld.

    In de kunst van de oude Grieken ‘zit vrijwel iedereen op een klismosstoel. We zien vrouwen, mannen, goden, en mensen die duidelijk belangrijk zijn, musici, arbeiders,’ zegt Rybczynski. Het was een aangename, ‘democratische stoel’, geen troon. De klismos heeft ook iets geheimzinnigs: hij dook ineens uit het niets op, het ontwerp was volstrekt origineel, geen variatie op een thema uit het verleden. Vervolgens verdween hij weer enkele millennia uit beeld, om pas weer terug te keren als deel van het neoclassicisme van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw.

    In de Middeleeuwen werd zitten weer een kwestie van status. (Door de hele geschiedenis heen zien we dat zitgewoonten schommelen tussen een democratische en een elitaire aangelegenheid. Vergelijk de stoelen uit de jaren zestig voor directeuren, leidinggevenden en secretaresses met de egalitaire Aeron-bureaustoel van vandaag de dag. De technische naam van de stoel die ik op mijn werk heb, luidt ‘Mesh-back Manager’s Chair’, maar deze stoel is bepaald niet voorbehouden aan managers.) De gewone man had meestal maar weinig meubels en zat op wat maar voorhanden was – een bankje, een ton, de vloer. Stoelen met een rugleuning en armleuningen waren slechts weggelegd voor heel belangrijke mensen. De zestiende-eeuwse Vlaamse schilder Pieter Bruegel de Oude heeft deze verhoudingen vastgelegd in zijn vele schilderijen van het boerenleven.

    Meest gebruikte stoel ter wereld

    De iconische stoelen van onze tijd zijn onder meer de luie televisiestoel, de ‘ergonomische werkstoel’ en niet te vergeten de stapelbare plastic stoel. Die laatste kan massaal worden vervaardigd en is zeer goedkoop, waardoor hij een razendsnelle opmars heeft gemaakt en is uitgegroeid tot de meest gebruikte stoel ter wereld. Deze stoelen zijn een voorbeeld van de homogeniserende gevolgen van de globalisering, maar volgens Rybczynski getuigen ze ook op subtiele wijze van lokale innovatie. Plastic stoelen worden zelden geïmporteerd; in plaats daarvan kopen fabrikanten in ontwikkelingslanden machines en mallen in het rijke Westen, en maken vervolgens stoelen ‘waarin lokale motieven zijn verwerkt. Dat kan de kleur van de stoel zijn. Vaak is de rugleuning versierd op een manier die je niet snel hier in The Home Depot zult aantreffen.’

    De toekomst van de stoel, schrijft Rybczynski, zit misschien ergens tussen de ergonomische stoel en de stapelbare plastic stoel in – ‘ergens tussen een stoel die zich kan voegen naar een ongekende veelvormigheid aan lichamen en houdingen, en een goedkope stoel voor de grote massa’.

    1) Chair of Reniseneb, ca. 1450 v. Chr., Egypte, 2) Middeleeuwse stoel, ca. 1480–1500, Noordwest-Europa, 3)  Ashanti-stoel, 17e eeuw, Afrika, 4) Side chair, ca. 1763–64, Duitsland, Johann Michael Bauer, 5) Chippendale Chair, ca. 1772, VK, Thomas Chipp
    1) Chair of Reniseneb, ca. 1450 v. Chr., Egypte, 2) Middeleeuwse stoel, ca. 1480–1500, Noordwest-Europa, 3) Ashanti-stoel, 17e eeuw, Afrika, 4) Side chair, ca. 1763–64, Duitsland, Johann Michael Bauer, 5) Chippendale Chair, ca. 1772, VK, Thomas Chipp

    Een van de meest opmerkelijke stellingen van Rybczynski is dat het allesbehalve natuurlijk, of logisch, is dat mensen op een stoel zitten, al gaat de stoel meer dan vijfduizend jaar terug. Er zijn twee soorten mensen binnen het bestek van Rybczynski’s onderzoek: mensen die op de grond zitten en mensen die op een stoel zitten. In Now I Sit Me Down gaat Rybczynski nader in op die tweedeling.

    In een gezaghebbende studie naar de houdingen van de mens over de hele wereld (uit 1950) beschreef antropoloog Gordon W. Hewes maar liefst honderd gebruikelijke zithoudingen. ‘Minstens een kwart van de mensheid ontlast geregeld de voeten door te hurken, zowel in de vrije tijd als op het werk,’ stelde hij vast. De hurkzit geniet grote populariteit in Zuidoost-Azië, Afrika en Latijns-Amerika, maar de kleermakerszit is vrijwel net zo geliefd. Veel Aziaten koken, eten, werken en ontspannen in die houding. De zithouding die je veel ziet bij Japanners, Koreanen, Euraziaten en biddende moslims, is met de knieën op de grond en de billen op de hielen.

    Rybczynski heeft geen duidelijke, consistente patronen kunnen ontdekken die verklaren waarom de wereld is opgedeeld in vloerzitters en stoelzitters. Je zou kunnen denken dat mensen in een koud, nat klimaat eerder geneigd zijn om op een stoel plaats te nemen teneinde de onaangename vloer te mijden. Maar de Japanners, die strenge winters kennen, zitten van oudsher op een matje op de vloer, terwijl de oude Egyptenaren, die in een warm, droog klimaat leefden, de opklapbare stoel zouden hebben uitgevonden.

    Stoelzitten is ook niet per se cultuurgebonden; sommige nomadengroepen trekken rond met opklapbare meubels, anderen niet. Het hoeft ook niet per se te maken te hebben met economische of technologische vooruitgang; de welvarende Japanners waren zich er al langere tijd van bewust dat mensen in andere delen van de wereld op een stoel zaten – zij verkozen echter dat niet te doen. Sommige culturen, zoals de Chinese, hebben een ontwikkeling doorgemaakt van overwegend vloerzitten naar overwegend stoelzitten. In andere landen, zoals India, zie je beide vormen door elkaar lopen.

    Plastic tuinstoel, onbekend, wereldwijd. Ontwerper: onbekend.
    Plastic tuinstoel, onbekend, wereldwijd. Ontwerper: onbekend.

    Wat Rybczynski wel heeft geconstateerd is dat het feit of je deel uitmaakt van een vloerzittende of een stoelzittende samenleving, bepalend is voor veel meer dan alleen je manier van zitten. Het kan invloed hebben op van alles, van je kleren tot de inrichting van je huis tot je spierontwikkeling, schrijft hij.

    Als je op een vloermat zit, ligt het voor de hand dat er een etiquette ontstaat waarbij je je schoeisel uittrekt voordat je naar binnen gaat. Het ligt ook meer voor de hand om sandalen of slippers te dragen in plaats van veterschoenen, en ruimvallende kleren waarin je gemakkelijk kunt hurken of je benen kunt kruisen. Vloerzitters hebben meestal geen al te hoge kasten – het is veel gemakkelijker om dingen op te bergen in kasten of laden die dicht bij de grond zijn. Wie op een matje zit zal ook eerder op een matje slapen, zoals stoelzitters eerder geneigd zullen zijn om in een bed te slapen.

    In stoelzittende samenlevingen zal een verscheidenheid aan meubels worden ontworpen, zoals eettafels, kaptafels, salontafels, werktafels en bijzettafels. Op de vloer zitten is ook van invloed op de architectuur: op blote voeten of sokken door het huis lopen vraagt om gladde vloeren – geen splinters –, het liefst van warm hout in plaats van steen; plekken om te zitten zullen vermoedelijk zijn voorzien van zachte matten of geweven tapijten; hoge raamkozijnen en hoge plafonds lijken weinig aantrekkelijk.

    Tot slot heeft de zithouding ook directe lichamelijke gevolgen. Door een leven lang zonder steun op de vloer te zitten ontwikkel je spieren die niet nodig zijn bij stoelzitten. Dat is de reden dat stoelzitters, die niet gewend zijn om in kleermakerszit te zitten, die houding al na korte tijd ongemakkelijk vinden. En omgekeerd. In India zie je geregeld mensen in de trein, of op een bankje in een wachtruimte, in kleermakerszit, omdat ze dat prettiger vinden dan met hun benen bungelend over de rand van de zitting.

    Zoals Rybczynski aantoont, gaan de ontwikkelingen niet per se in de richting van de stoel, laat staan van de betere stoel. Wat de klismos en de Aeron-bureaustoel en het matje op de vloer met elkaar verbindt, is de menselijke behoefte om moede voeten rust te gunnen. Zeker na een lange dag achter een stabureau.

    Auteur: Uri Friedman
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.