Door ons vele gebruik van het internet, websites en apps speelt een deel van ons leven zich online af. Deze data is zelfs een afspiegeling van onze identiteit, ondervond Thomas Chatterton Williams. ‘Paniek bekroop me toen ik me realiseerde dat ik mijn hele inbox had gewist.’
Een paar maanden geleden begonnen onheilspellende waarschuwingen mijn inbox binnen te stromen, maar toen negeerde ik ze nog. Vroeger waren Gmail-berichten altijd in zekere zin humoristisch of speels, maar deze e-mails waren dat totaal niet. Wel kort, en enigszins dreigend, alsof ze de alomtegenwoordige domper van financiële ineenstorting en bezuiniging probeerden te vatten. Het onderwerp: ‘Uw Gmail is bijna leeg.’ De inhoud, in mijn woorden: wij persen u af – betaal tot in de eeuwigheid voor een abonnement, want alleen dan zullen we u de toegang tot uw eigen leven en herinneringen blijven geven die we u ooit gratis en voor niets beloofden.
De boodschap had niet zo veel weerstand bij me opgeroepen, als ik niet tegelijkertijd vanuit alle andere hoeken van mijn digitale leven precies hetzelfde te horen had gekregen. Als Apple bijvoorbeeld niet mijn zakken al had leeggeroofd om mijn immer groeiende fotoarchief te onderhouden en de ‘zorg’ voor mijn steeds duurder wordende verzameling Appleproducten te verzekeren en te financieren. Als Microsoft me niet had gedwongen een abonnement te nemen om van zijn tekstverwerkingssoftware gebruik te kunnen maken. Als zovelen van mijn getalenteerde, ondernemende vrienden en kennissen niet afhankelijk waren geweest van donaties via Substack en Patreon. Als ik mijn muziek niet had hoeven huren van Spotify in plaats van een eigen platencollectie te gebruiken. Als ik Amazon niet had hoeven betalen om mijn pakketjes met de post te ontvangen en om professioneel tennis te kijken. Als ik niet verplicht was geweest om Netflix-, Canal+- en AppleTV-accounts aan te maken zodat mijn kinderen zich in het vliegtuig koest hielden. Als Elon Musk niet had gedreigd mijn tweets onzichtbaar te maken als ik hem niet maandelijks acht dollar zou betalen. Tegen de tijd dat ik onmogelijk nog die verdomde Gmail-verzoeken kon negeren, had ik het toppunt van microbetaling al bereikt: ik verdronk in de abonnementen.
Paniek bekroop me toen ik besefte dat ik mijn hele inbox had gewist
Dus besloot ik dat ik duizenden onnodige berichten zou gaan verwijderen. Een eenvoudig klusje, zo dacht ik. Op een ochtend schonk ik mezelf een kop koffie in, koos een geschikte podcast uit en ik begon. Eerst leegde ik de map met concepten, daarna die met de reclame, en vervolgens de map ‘sociaal’. Zoveel berichten verwerken kost tijd. Eenmaal bij mijn inbox aangekomen, bleef ik maar klikken, op zoek naar categorieën die ik in hun geheel naar de prullenmand kon verplaatsen. Toen ging de telefoon, en ik verloor mijn concentratie. Ik weet niet wat er precies gebeurde, maar toen ik ophing, zag ik dat ik meer dan 13 van de 15 beschikbare gigabytes aan opslagruimte had vrijgemaakt. Paniek bekroop me toen ik besefte dat ik mijn hele inbox had gewist.
Internetcafé
Drie maanden na mijn afstuderen verhuisde ik van mijn ouderlijk huis in New Jersey naar de regenachtige postindustriële stad Lille, dertig minuten van de Belgische grens vandaan. Dat was in september 2003. Inmiddels kost het me moeite om mentaal en emotioneel terug te gaan naar die periode van de technologische ontwikkeling. Ook al is het zo kort geleden, mijn belevingswereld was toen compleet anders. In die tijd had ik een flip phone, een zogenaamde Motorola Razr, en een laptop van Compaq. Ik haalde als student altijd veel plezier – en, vooral in de vorm van gratis muziekdownloads, ook winst – uit een snelle ethernetverbinding. Maar het kwam niet eens in me op om in mijn minuscule appartement een wifinetwerk te installeren. Een of twee keer per week ging ik naar het internetcafé om de hoek om mijn e-mails te lezen en beantwoorden.
Ik was aanvankelijk naar Frankrijk verhuisd om dichter bij een zeker meisje te zijn, maar zij had het in de zomer uitgemaakt, waardoor ik door schade en schande ondervond hoe het was om echt eenzaam te zijn. De eerste maanden bracht ik ofwel door in mijn kleine onderkomen, waar ik onder het genot van percolatorkoffie luisterde naar de MP3’s die ik had gedownload, ofwel in cafés, waar ik mijn belachelijk bescheiden inkomen in één keer uitgaf en een warm gevoel kreeg terwijl ik de regen langs de ramen zag stromen. Dat waren, zoals Junot Díaz ze noemt, mijn ‘ontdekkingsjaren’. Ik zwierf door de stad, high van het leven en altijd in de ban van allerlei dagdromen. Tussen de momenten van stierlijke verveling werd ik verheven door openbaringen, waarvan ik inmiddels weet dat ze de ware rijkdom van jonge en onervaren mensen zijn. Ik schreef alles op wat ik dacht en voelde, en deelde dat in de vorm van lange en gedetailleerde e-mails met mijn beste studievriend, die naar Rusland was verhuisd, en met mijn moeder. Zij stuurden mij op hun beurt prachtige, uitgebreide antwoorden.
E-mail gold niet meer als mijn enige of zelfs voornaamste belangrijkste contactmiddel, en lange brieven aan mijn naasten werden sporadischer
Veel van die uitwisselingen hadden dezelfde sentimentele lading als papieren brieven, en de hoge mate waarin ze bevlogen observaties en intense verlangens uitdrukten heb ik zelfs in mijn gepubliceerde werk zelden kunnen evenaren. Toch stonden ze, gevaarlijk genoeg, opgeslagen op de servers van Yahoo en Hotmail. Tegen de tijd dat ik het jaar daarop naar Manhattan verhuisde om langzaam uit te zoeken wat ik nu zou gaan doen, was Gmail de nieuwe grote speler. Snel genoeg belandden al die smartelijke, extatische verhalen en empathische reacties op hetzelfde digitale kerkhof waar vervallen Napsterbestanden en complete iPhotoarchieven staan die niet meer functioneren op de geüpgradede besturingssystemen. Ik rouwde om hun verlies, maar geloofde, jong en onwetend als ik was, dat mijn belangrijkste herinneringen en gesprekken nog altijd binnen handbereik zouden liggen. In elk geval was ik in 2004 nog niet bezig met wat ik verloren had, toen mijn collega Daria me zegende met een felbegeerde Gmail-uitnodiging. ‘Hoe voelt het om nu een G te zijn?’ schreef ze.
Vanaf dat moment werd Gmail mijn belangrijkste communicatiemiddel. Wat de makers van Gmail mogelijk hadden gemaakt, voelde als buitengewoon altruïsme – een sterk verbeterde gebruikerservaring die dan wel beperkt werd door de opslaglimiet, maar die – net als de horizon – op wonderlijke wijze leek te verdwijnen naarmate je deze naderde. Ik bleef lange, digitale brieven schrijven en ontvangen, maar de uitwisselingen verliepen in steeds hoger tempo. De berichten werden korter, vluchtiger en veel talrijker. Gmail zelf werd een bestemming, en de chatfunctie bleef de hele werkdag openstaan op mijn bureaublad. Mijn vrienden en ik begonnen onze eerste chatgroepen, waarvan sommige nu nog steeds bestaan. Al snel begonnen we daarnaast sms’jes te typen op onze mobiele telefoons en berichtjes te schrijven op elkaars Myspace- en Facebookpagina’s.
Sneeuwvlokje
Tegen 2007, toen de iPhone op de markt kwam, waren internet en constante bereikbaarheid de norm, waardoor mijn vroegere relatie met technologie en het tempo waarin ik daarvoor had gecorrespondeerd haast onherkenbaar waren geworden. E-mail gold niet meer als mijn enige of zelfs belangrijkste contactmiddel, en lange brieven aan mijn naasten werden sporadischer. Maar nog steeds schreef ik, met veel aandacht en zorg, diepgaande stukken over conflicten, misverstanden en romantische overpeinzingen. Mijn Gmail-inbox bevatte het merendeel van mijn meest oprechte reflecties en uitlatingen.
Toen ik begon te schrijven voor mijn levensonderhoud in plaats van voor mijn plezier, nam mijn Gmail-account (samen met de notitie-app) ook het stokje over van de papieren kladboekjes die ik altijd had volgeschreven met inzichten, berichten aan mezelf en ideeën voor de toekomst. Ik bewaarde mijn manuscripten en lopende projecten door mezelf Word-documenten te sturen. Mijn Gmail-inbox veranderde in een archief waarin niet alleen mijn persoonlijke beproevingen stonden opgeslagen, maar ook mijn professionele inspanningen en prestaties. Elke romantische relatie die ik als volwassene heb gehad, is begonnen en beëindigd – en bovendien beschreven en geanalyseerd – met een gekmakende reeks Gmail-berichten. Daartoe behoorde het jubelende verslag van mijn verliefdheid en van het huwelijk dat eruit voortkwam. Daartoe behoorden hartverscheurende ruzies en moeizame verzoeningen. Het verhaal van mijn vrijgezellenfeest, zowel mijn versie als die van mijn bruidsjonkers. De vreugde over de geboorte van mijn kinderen, inclusief foto’s. Dat alles stond zij aan zij met reisgegevens, ontvangstbewijzen, spam, zinloos geklets en vele duizenden overbodige meldingen van Twitter en Facebook. Mijn inbox was zo uniek als een sneeuwvlokje, ongeveer twee decennia in de maak en goed voor 90.000 berichten. En nu is hij weg.
Mijn Gmail-inbox veranderde in een archief waarin niet alleen mijn persoonlijke beproevingen stonden opgeslagen, maar ook mijn professionele inspanningen en prestaties
Die ochtend tolde mijn geest terwijl ik tevergeefs probeerde om de observaties en emoties die in de Google-servers waren vastgelegd maar nu de ether in waren verdwenen, terug te halen. Een plots rouwgevoel maakte zich van me meester, waar ik nog steeds niet overheen ben. Maar tot mijn verrassing voelde ik daarnaast nog iets anders: een verwarrend gevoel van opluchting en zelfs lichtheid. Ik zou al die e-mails nooit vrijwillig hebben gewist, maar ik kan toch ook niet helemaal ontkennen dat er een bepaalde catharsis schuilt in het afwerpen van duizenden opeengestapelde teleurstellingen en verwijten, van hartstochtelijke en zinloze ruzies en drama’s, zelfs van al die inzichten en opwellingen – van elke ingewikkelde maar vergankelijke laag van eerdere versies van mezelf. Ik begon te accepteren dat ik, als ze echt de moeite waard waren, via mijn verbeelding toegang moest krijgen tot mijn eerdere mentale toestanden. Mocht dat onmogelijk blijken, dan was het verlies te overzien. Ik deed mijn laptop dicht, wandelde naar buiten, in dat kleine stukje Frankrijk waar ik door de keuzes van al mijn vroegere zelven was beland, en werd overspoeld door een gevoel van hoop.
In het zand krioelt het van de kleine wezens, vaak maar tienden van millimeters groot. Maar onder de microscoop worden het ‘komkommerachtige en geschubde gasten met uitstulpende interne organen’.
Vakantie aan zee: halfnaakte mensen liggen te zonnen op bontgekleurde handdoeken, kinderen bouwen zandkastelen en slotgrachten, sportievelingen joggen of worstelen met de golven. Maar op het strand is er nog meer aan de hand. Want niet alleen op, maar ook onder het badlaken krioelt het van leven. In het vochtige labyrint van zandkorrels kruipen, kronkelen en woelen piepkleine beestjes, zo klein dat het blote oog de meeste niet kan zien.
‘In een handvol zand kunnen honderden, soms duizenden organismen leven,’ zegt Andreas Schmidt-Rhaesa, conservator bij het Centrum voor Natuurkunde in Hamburg en specialist in ongewervelde dieren. De samenstelling van die populatie is zeer divers: de rand van de zee wordt bevolkt door tienduizenden soorten. In microscopisch kleine ruimten die zijn achtergelaten door minerale deeltjes, die zelf vaak slechts een fractie van een millimeter groot zijn, wonen ze in poriën die gevuld zijn met water dat een wijdvertakt systeem van minikanaaltjes heeft gevormd. De bewoners hebben zich goed aangepast aan deze ongewone habitat. Vooral in het gebied met hoog- en laagwater hebben zij voortdurend te kampen met temperatuurschommelingen en een wisselend gehalte aan voedingsstoffen, maar ook met stormen die hun habitat kunnen wegvagen en de kolkende zee, die soms met tonnen wegende brekers op het strand neerklettert.
Complexe structuur
Deze interstitiële fauna, oftewel de dierenwereld die tussen de zandkorrels leeft, is een van de meest fascinerende gemeenschappen op de planeet. Een wereldwijde inventarisatie ervan is nog in volle gang. Telkens weer vinden biologen nieuwe, onbekende familieleden, zoals onlangs nog op de stranden van Italië. Onderzoekers willen weten welke rol elk afzonderlijk dier speelt in de zeer complexe structuur. Ze willen ook weten hoe de minder mobiele wezens erin zijn geslaagd om biotopen in de hele wereld te veroveren en hoe milieuveranderingen, zoals vervuiling van de zee, de gemeenschappen beïnvloeden. Er zijn nog veel leemten in de kennis over het rijk der zandkloofjes.
De wezens die de kuststrook bevolken zien er bizar uit. Ze zijn vaak slechts tienden van millimeters groot, maar onder de elektronenmicroscoop groeien ze uit tot vreemde en angstaanjagende monsters. Voor het oog van de waarnemer verschijnen borstelige wezens zonder ogen, komkommerachtige en geschubde gasten, soms met zuigende proboscisorganen [langwerpige, multifunctionele snuiten], soms met uitstulpende interne organen.
In de kuststrook wonen ook dinoflagellaten, organismen die normaal gesproken uit slechts één cel bestaan
In de kuststrook wonen ook dinoflagellaten, organismen die normaal gesproken uit slechts één cel bestaan. Zij kunnen noch bij dieren, noch bij planten worden ingedeeld en vormen een zelfstandige tak in de stamboom van het leven. Omdat veel soorten een schild van cellulose dragen, worden ze ook wel ‘gepantserde flagellaten’ genoemd.
De meeste hebben twee lange flagellen [zweepharen]: ranke aanhangsels die hen helpen door de waterige poriën te roeien en van richting te veranderen. Sommige dinoflagellaten kunnen de energie die ze nodig hebben zelf produceren met behulp van chlorofyl, dat in hun cellen wordt opgeslagen en van generatie op generatie wordt doorgegeven. Het licht dat ze nodig hebben voor fotosynthese halen ze uit de bovenste, zonovergoten zandlagen, en koolstof komt uit het zeewater.
Buikharigen
Ook gastrotricha of buikharigen bevolken de zandbodem. Met trilhaartjes aan de buikzijde kruipen of glijden ze door de fijne gangenstelsels, terwijl zintuigharen op hun kop de omgeving scannen. Hun favoriete voedsel bestaat uit kiezelalgen en bacteriën. Die zuigen ze op met hun slokdarm in het darmkanaal dat door hun hele lichaam loopt. Wanneer ze dreigen weg te spoelen, scheiden ze uit klieren aan hun achterste een soort lijm af waarmee ze zich in een oogwenk aan een zandkorrel kunnen hechten; andere klieren produceren dan weer een soort oplosmiddel, dat hen helpt om los te komen. ‘Bovendien lijken gastrotricha verdedigingsstoffen te produceren waarmee ze zich beschermen tegen roofdieren zoals platwormen,’ zegt Alexander Kieneke van het Duitse Centrum voor Onderzoek naar Mariene Biodiversiteit in Wilhelmshaven, dat onderzoek doet naar deze diertjes. Hij en zijn collega’s kennen tot nu toe bijna duizend soorten. Toch is dat maar een fractie van de werkelijke diversiteit. ‘In zandkloofjes leven ongeveer vijfduizend tot achtduizend soorten in totaal,’ schat de bioloog.
Andere specialisten in de jungle van zandkorrels:
Tardigrades oftewel beerdiertjes. Deze soorten die in het zand leven, zijn ongeveer een millimeter groot en hun mollige lichaam verplaatsen ze met acht pootstompjes. Daarmee klauteren ze over minerale deeltjes, waaraan ze zich met klauwen of kleefschijfjes kunnen vasthouden. Ze voeden zich met algen of gaan op jacht. Ze vangen rotifera oftewel raderdieren, draadwormen of andere beerdiertjes, die ze uitzuigen. Dat doen ze door de kegel van hun bek tegen hun prooi aan te drukken, waarna er scherpe stekels naar buiten schieten om het slachtoffer te steken. Om actief te kunnen zijn is een dun laagje water al genoeg voor ze. Soortgenoten die op korstmossen en mossen leven, weten zelfs hoe ze zich moeten behelpen als hun territorium opdroogt. Dan trekken ze hun poten in, scheiden een groot deel van hun lichaamsvocht uit en verschrompelen tot een tonnetje. In die doodse toestand kunnen deze overlevingskunstenaars het jaren uithouden – totdat de omgeving weer vochtig wordt.
Dan zijn er dieren die oorspronkelijk in grotere maten in het water of op het land leefden en in de loop van de evolutie zijn gekrompen tot dwergformaat om zich te kunnen aanpassen aan de omstandigheden op de bodem: slakken, krabben en kwallen. De Parhedyle cryptophthalma bijvoorbeeld, een piepklein, schelploos slakje, of de Pleurocope dasyura, een schaaldier. De Halammohydra, een 1,3 millimeter grote medusa, is tijdens deze verkleining zelfs zijn schild kwijtgeraakt; daarmee had hij onmogelijk vooruit kunnen komen in het nauwe kanalenstelsel. Naast deze organismen, die hun hele bestaan doorbrengen in het verborgene, zijn er ook andere, tijdelijke gasten. ‘Dat zijn jongere stadia van dieren die uiteindelijk groter worden; ze maken alleen gebruik van deze ruimtes zolang ze erin passen,’ zegt Kieneke. Daaronder bevinden zich de nakomelingen van veel mariene anneliden, oftewel ringwormen.
De bedrijvigheid in de kuststrook is ongelijk verdeeld: landinwaarts, waar ook bij het hoogste getij geen golven meer zijn, wordt die steeds minder. Daar is alleen nog iets te vinden in zeer diepe, vochtige lagen. Dichter bij de zee, in het gebied van eb en vloed, gedijt alles weelderig, tot in zee, waar zand de bodem bedekt. ‘Sommige bewoners migreren ook, hetzij in een jaarlijkse cyclus, hetzij in de loop van hun leven, hetzij met de getijden,’ zegt Schmidt-Rhaesa. Zo hebben tardigrades de neiging om in de zomer en de herfst in de bovenste lagen te blijven, en in de winter en de lente naar grotere diepten weg te kruipen.
Tot hun verbazing vonden ze soms dezelfde soorten op plekken die ver van elkaar verwijderd zijn
Op alle continenten hebben biologen inmiddels op stranden gegraven. Tot hun verbazing vonden ze soms dezelfde soorten op plekken die ver van elkaar verwijderd zijn. Sommige soorten lijken zelfs kosmopoliet te zijn, en dat ondanks het feit dat de meeste van hen nauwelijks in staat zijn hun woonplek te verlaten. Evenmin laten ze in het water larven los, die naar nieuwe kusten zouden kunnen drijven. ‘We hebben nu met behulp van genetische analyses kunnen aantonen dat de soorten waarvan we aanvankelijk dachten dat ze identiek waren, vaak niet meer dan zeer nauwe verwanten zijn,’ zegt Kieneke. ‘Maar toch moeten hun gemeenschappelijke voorouders ooit enorme afstanden hebben afgelegd voordat zij nieuwe populaties op verre kusten konden vestigen.’
De onderzoeker uit Wilhelmshaven wilde samen met een internationaal expeditieteam te weten komen hoe de diertjes dat voor elkaar kregen. Aan boord van het Duitse onderzoeksschip Meteor voeren ze in 2018 naar de Azoren. Daar namen ze monsters van de zandgronden in de ondiepe wateren voor de eilanden en van nabijgelegen onderwaterbergen. Ze zijn nog steeds aan het evalueren wat ze mee naar huis hebben genomen, maar het is nu al duidelijk dat er soorten voorkomen die voorheen alleen bekend waren van de kusten op het vasteland. ‘Blijkbaar speelden oceanische eilanden in de uitgestrekte diepzee een belangrijke rol als bruggenhoofd voor geleidelijke verspreiding,’ zegt Kieneke. Hij wil nu met genetische analyses duidelijk krijgen in hoeverre het genetisch materiaal van de levende soorten die ver uit elkaar leven met elkaar overeenkomt.
Koloniseren
En hoe overbrugden deze kleine dieren de modderige, bijna zandloze bodem van de uitgestrekte oceanen om vervolgens eerst eilanden op volle zee en daarna verre kusten te koloniseren? ‘Plukjes bruine algen die op het water drijven of zwemmende zeeschildpadden kunnen ze hebben vervoerd,’ zegt Kieneke. ‘Kloofbewoners voelen zich thuis op planten en de pantsers van dieren.’
Andere wetenschappers onderzoeken wat menselijk ingrijpen in de natuur voor de kleintjes in de kloof betekent. Olielozingen op stranden en grootschalige zandwinning brengen grote en langdurige schade toe aan het onderaardse volk. Uit studies blijkt dat klimaatverandering het ecosysteem aantast door verzuring en stijging van de watertemperatuur. Biologen houden bij hoe het aantal en de diversiteit van de strandbewoners verandert.
Ook fijngemalen plastic afval uit zee is in de zandkloofjes terechtgekomen. ‘We vinden nanodeeltjes en nanovezels in de diertjes. Ze verwarren die vreemde dingen met voedsel en krijgen ze binnen,’ zegt Andreas Schmidt-Rhaesa uit Hamburg. ‘We weten echter nog niet of en hoe dit schadelijk is voor individuele organismen.’ Effecten op de wereld van deze kleine wezens zijn uiterst moeilijk te meten en het onderzoek ernaar is nog maar net begonnen.
_____
Uit studies is gebleken dat sommige tardigrades bestand zijn tegen kou van min 200 graden en hitte van 148,9 graden. Ze wonen niet alleen in het zand, maar in een verscheidenheid van extreme habitats. Omdat ze zo veerkrachtig zijn, konden ze zelfs op de maan landen: onderzoekers vermoeden dat enkele duizenden exemplaren de crash van een Israëlische sonde daar in 2019 hebben overleefd.
In 1933 werd de term ‘interstitiële fauna’ voor het eerst gebruikt door de Duitse zoöloog Adolf Reman, voor kleine diertjes met een lengte tussen ongeveer 30 micro- en 1 millimeter die zich tussen zandkorrels kunnen voortbewegen zonder dat de korrels verschuiven.
Auteur Traci Brimhall wordt in het hospice waar ze vrijwilligerswerk doet gegrepen door iemand die uit de boeketten van haar moeders begrafenis nieuw leven tovert.
Ik scheur de harten in stukken en laat ze snipper voor snipper in de blender vallen. Soms trek ik het papier rond bepaalde woorden los en andere keren scheur ik zomaar wat en zie de geometrische vormen kleiner worden. Ik doe er water bij. Dan het harde zoemen van het mes dat de oude liefdesbrieven vol aanbidding en verontschuldigingen tot verse pulp vermaalt.
Jaren geleden kwamen de briefjes, met viltstift beschreven roze harten, uit een prentenboek gevallen. Ik had voor mijn zoon een verhaal over een panda met een gestreept broekje en een rode parasol gekocht en toen ik de glanzende pagina’s opensloeg, vielen daar zowaar veertig harten van tekenpapier in verschillenden tinten roze uit.
De kleinste zijn slechts gekleurd en hebben die klassieke vorm. Op de iets grotere staan stukjes tekst, met de verering die daaruit spreekt: ‘jouw stem’, ‘jouw haar’, ‘jouw geluk’. Hoe groter het hart hoe uitgebreider de boodschap. De verliefde vertelt de geliefde hoeveel hij of zij van hem of haar houdt. De verliefde bedankt de geliefde voor alle zorgzaamheid en omdat die ook zo graag Animal Crossing speelt. De verliefde zegt zich altijd te zullen verheugen op netflixen in ondergoed en met bloody mary’s.
Ik geniet meer van de specifieke dingen van hun relatie dan van de algemene liefdesbetuigingen, maar op het moment dat de harten in mijn schoot dwarrelen, weet ik: deze vondst in een verkocht boek betekent dat de liefde voorbij is. De stem van de beminde fluistert nu lieve woordjes tegen iemand anders. In het haar woelen nu de vingers van een ander. Of misschien niet. Misschien giet de geliefde nu tomatensap en wodka in een thermosfles en rijdt naar de bergen om alleen van de zonsopkomst te gaan genieten.
Zo lagen oude briefjes van andermans liefde over mijn benen verspreid, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te gooien en daarom legde ik ze boven in de kast van mijn zoon. Het geschenk tussen verliefde en geliefde was voor een paar dollar verkocht, de boodschappen erop waren vergeten. Natuurlijk vond ik dat ik geen recht had op de intieme zielenroerselen van een ander, maar deze onbekenden hadden ooit hoopvol liefgehad en ik wilde dit deel van hun verhaal tot een ander einde brengen.
Catalogus van rouw
Iemand in mijn hospice-vrijwilligersgroep stuurt een artikel over bloemen als rouwritueel door en zo ontdek ik Janet. In het stuk lees ik hoe Janet de gedroogde bloemen van haar moeders begrafenis gebruikt om honderd dagen lang elke dag een nieuwe compositie te maken. Elke dag creëert ze met de bloemblaadjes en stengels een nieuwe vorm, maakt daar een foto van, haalt het dan allemaal uit elkaar en bergt de gedroogde stukjes bloem weer op.
Ik begin haar Instagramaccount te volgen en verlang telkens weer naar de schok van oude rozen die tot vogels zijn gemaakt of geplette anjers die zijn veranderd in de segmenten van een rups die zich van een tak verheft. Je ziet vaak vogels en insecten als verschijningsvormen van de doden. Alles wat vliegt, van monarchvlinders tot Emily Dickinsons bromvlieg is wel eens met de dood geassocieerd, maar het mooie van Janets werk is dat die verschijningen als het ware iets oproepen: een nieuw leven uit een gedroogd bloemblad.
Ik vind het prachtig dat er niets wordt verspild. Alles is rijp voor transformatie
Haar honderd dagen voelen als een catalogus van rouw. Het werk lijkt zo snel te veranderen: op sommige dagen speelt ze met de schaduwen die de verschillende gedroogde bloemen werpen; op andere maakt ze abstracte vormen. Tegen het eind van haar project worden haar creaties figuratiever. Sommige natuurmaterialen kiest ze vaker, zoals een blad dat ze net zo lang gebruikt tot het in stukken breekt. Sommige kapotte stukken worden opzijgeschoven, andere krijgen een nieuwe toepassing: een blad dat zo is verkruimeld dat alleen de harde nerven overblijven, wordt opeens een vogelklauw. Ik vind het prachtig dat er niets wordt verspild. Alles is rijp voor transformatie.
Janets beelden zijn privé en teder, al weet ik niet of ik zou hebben begrepen dat ze over rouw gingen als ik dat niet in het artikel had gelezen. Ze zijn zo teer en vol humor dat ik ze misschien wel mooi had gevonden, maar niet verder had gekeken en niet hun vragen had gezien, hun onmiskenbare verlangen.
Ik lees de commentaren van andere mensen op haar posts. Iedereen is zo geraakt door Janets verdriet en hoe ze daar iets moois van heeft gemaakt. De beelden zijn schitterend, dat is waar, net als het verhaal erachter, maar ik het verbaast me dat in een cultuur waarin zo weinig plaats is voor rouw, haar account met de dag meer volgers krijgt.
Heel veel mensen willen op een foto reageren, hun eigen interpretatie eraan geven, hun eigen verdriet in haar bladeren en dode bloemknoppen zien. Iemand vraagt zelfs of de foto’s geen boek kunnen worden en veel anderen betuigen met een hartje hun steun voor zo’n einde aan deze periode van verlies.
Ik vind het mooi dat vreemden de rouw van iemand anders herkennen en zich erbij betrokken willen voelen, maar ik krijg ook de neiging tot beschermen, want ik wil niet dat mensen veranderingen voorstellen aan wat Janet doet. Haar rouw gaat niet over wat zíj willen. Maar wat ik ook vind van anderen die iets van Janet willen, ik maak me er zelf ook schuldig aan. Ik schrijf haar. Ik vraag of ik in haar verdriet mag delen.
Groeiende deken
Mijn moeder is al vier jaar dood wanneer ik besluit om een jaar lang dekens voor een hospiceorganisatie te gaan maken. Ik heb nooit eerder een deken gemaakt, maar ik haal het in mijn hoofd om twaalf maanden lang elke maand een plaid te haken, telkens met een nieuw patroon.
Op dat moment zie ik geen verband met mijn moeder, die zo plotseling stierf dat ze nooit hospicezorg heeft gekregen. Ik zie niet, misschien wíl ik niet zien hoe symbolisch het is voor haar en de handwerkwinkel die ze ooit vanuit onze garage dreef dat ik nu een nieuwe handwerktechniek ga leren.
Ik zie niet waarom het belangrijk is dat de zak garen die ik uit de kast vis van mijn ex-schoonmoeder is geweest, die me probeerde te leren breien: al die strengen weggeborgen garen als getuigen van mijn mislukkingen. Ik trek bollen bontgekleurd garen uit de zak die me ooit mooi leken voor mutsen, dikke blauwgroene wol, ooit bedoeld voor sokken, en pastelkleurig garen waarvan ik ooit niet-verwelkende bloemen heb geprobeerd te maken. Ik neem een donkerblauwe bol waarvan ik de herkomst niet meer weet en ik begin.
Alles wat vliegt, van monarchvlinders tot Emily Dickinsons bromvlieg, is wel eens met de dood geassocieerd
Ik scrol door tutorials op YouTube die laten zien hoe je een ‘restjesdeken’ maakt. Elk onlinefilmpje verzekert me dat dat heel makkelijk is, maar ik maak een ketting en haal hem weer uit. Ik tel mijn steken en raak het spoor bijster, ik haak dubbel, ik sla er een over, ik keer mijn werk om.
Elke avond neem ik mijn groeiende deken mee naar boven en haak de ene toer na de andere terwijl mijn zoon in bad zit. Als het bedtijd is, houdt hij zijn boek open zodat ik hem kan voorlezen terwijl mijn handen bezig blijven. Ik zit in de schommelstoel te wachten tot hij in slaap valt en kies een nieuwe kleur uit de zak. De deken wordt zwaar en ondanks mijn pogingen om wat vrolijker kleuren toe te voegen, de onafgemaakte bloemensjaals van hun bloemblaadjes te ontdoen en de nooit gedragen mutsen van hun bovenkant, zit de tas vol blauwtinten. Gênant, deze eerste poging.
De deken is ongelijkmatig en saai geworden, maar ik maak er in de wachtkamer van het ziekenhuis toch een foto van. Als ik hem naar boven breng, is de hospicecoördinator vol lof; ze benadrukt hoeveel de deken zal betekenen voor de familie die hem op een dag zal krijgen. Zij noemt het een ‘geschenk’ en legt hem in een kast tot hij nodig is.
Instincten
Het lichaam heeft instincten voor rouw, maar ik heb die nooit goed begrepen. Als ik een vriendin vertel dat mijn ex-man onze zoon aan zijn nieuwe vriendin gaat voorstellen, vraagt ze hoe ik me voel. Ik zeg dat ik moet gaan hardlopen om daar achter te komen en dat is waar. Blijkbaar kan ik alleen als ik in beweging ben bij mijn rauwe emoties, ongefilterd door redelijkheid of de zeef van de objectiviteit, eerlijkheid en empathie.
Als ik hardloop heb ik medelijden met mezelf en kan ik huilen. Dan kan ik treuren om de toekomst die ik voor me dacht te hebben, om het gezin dat ik opbouwde. Zonder de vermoeiende lichaamsbeweging kan ik de signalen die mijn lichaam me stuurt vrijwel nooit goed interpreteren.
Na mijn scheiding vertelt mijn vriendin me dat de vlinders in je buik bij een nieuw iemand misschien niet op de opwinding van de aantrekkingskracht duiden, maar op een flits van angst: je lichaam waarschuwt je dat je op het punt staat een verkeerd patroon te herhalen.
De eerste paar maanden dat ik dekens maak, krijg ik kramp in mijn handen en dat vind ik eigenlijk wel prettig: het fysieke bewijs van mijn inspanningen. Dat overkomt me nooit als ik schrijf; misschien zijn die polsbewegingen te goed geoefend. Maar door het nieuwe van het haken voel ik de doffe pijn van het scheppen.
Op de een of andere manier vormt de pijn een gang, een rij deurtjes en zo kan ik gemakkelijker bij mijn herinneringen. Mijn werkpijn wordt beloond met iets tastbaars, iets van troost, van warmte. Ik weet dat het dwaas is, dat fysiek lijden niet nodig is, maar ik ben blij met dit bewijs dat ik iets heb gemaakt.
Door het nieuwe van het haken voel ik de doffe pijn van het scheppen
In mijn eerste zoektocht naar de wetenschap van het rouwen vind ik alleen kwantitatieve data uit dierenonderzoek bij ratten, honden en apen. De meeste onderzoeken gaan over de scheiding tussen moeder en kind. Ik wil denken dat ik iets universeels heb ontdekt, maar ik weet dat dit over jonge nakomelingen gaat, niet over volwassenen die volwassen ouders verliezen. Maar de onderzoeken verzekeren me dat verlies invloed heeft op de hormonen, het immuunsysteem en het autonome zenuwstelsel.
Ik weet niet precies welke conclusie ik zoek, of waarom ik denk dat ik, als ik het biologische effect van rouw begrijp, zal leren hoe ik ervan kan herstellen.
Primatoloog Edwin van Leeuwen van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek zegt: ‘De dood is een van de zwaarste sociale gebeurtenissen bij een sociale soort’, en het is gemakkelijk om het daarmee eens te zijn, ook al heb ik me nooit in het gedrag van primaten verdiept. Zwaar is wel het woord dat ik voor mijn lijden wil.
Wil ik gemakkelijke conclusies, een beproefd ritueel om weer blijheid te mogen voelen?
Ik lees dat hartziekten het grootste bewijs vormen voor de biologische gevolgen van verlies. Zelf dacht ik dat al, maar hier zeggen de data het ook: verlies zet het hart onder druk. Voor het eerst bedenk ik dat mijn moeder aan hartritmestoornissen, hartinfarct en hartfalen leed, de kwalen die het meest met rouw worden geassocieerd. Het is ook de eerste keer dat ik nadenk over het feit dat mijn moeder in het jaar voor ze stierf haar eigen moeder had verloren.
De neiging in mij om meer in wetenschappelijk onderzoek te geloven dan in kunst, amuseert me, alsof de wetenschap een goede methodologie zou kunnen leveren om van dood of scheiding te herstellen. Wil ik gemakkelijke conclusies, een beproefd ritueel om weer blijheid te mogen voelen? Of ben ik misschien op zoek naar de bevestiging van wat ik al weet: dat verlies zijn tol van een lichaam eist.
Zwaartekracht
Voor het fatale einde van de missie van het ruimteveer Columbia had de bemanning dagenlang in het gezelschap van austronaut Ken Bowersox in het internationaal ruimtestation (ISS) experimenten uitgevoerd, vol blijdschap dat zij tot de weinigen behoorden die een zwaartekrachtloos bestaan meemaakten en de aarde vanuit de verte konden zien. Toen het veer in de aardeatmosfeer terugkeerde, viel het uiteen en alle zes de bemanningsleden kwamen om.
In een documentaire zegt Bowersox: het moeilijkst was het fysieke deel van het verdriet. Het duurt een tijd voor je alles hebt verwerkt dat je moet verwerken.’ Ik ben opgetogen over zijn antwoord en zie het als bewijs dat gewicht en kracht invloed hebben op de manier waarop je rouwt. Ik denk aan hem daarboven in het ISS nadat hij het nieuws te horen had gekregen, terwijl de zwaartekracht op geen van de normale manieren op zijn lichaam inwerkte.
Ik wil weten of iemand in de ruimte kan huilen. Astronaut Chris Hayfield zegt dat je ogen er wel tranen kunnen vormen, maar die niet kunnen laten vloeien, dus als je ze niet wegveegt vormen je tranen een bolletje dat aan je oog blijft kleven. Hij waarschuwt dat zo’n bolletje prikt, maar ik vraag me af of dit misschien geheime voordelen kan hebben: dat je zo je verdriet buiten je lichaam kunt zien, het van je oog kunt plukken en weg kunt zien drijven?
Creativiteit en verdriet plaatsen je buiten zelfbewustzijn en tijd
Ik vraag Ken Bowersox in een brief of ik zijn citaat goed heb begrepen. Bedoelt hij dat een van de voordelen van de zwaartekracht voor ons lichaam is dat die het verdriet eruit helpt komen? Hij schrijft niet terug.
Verloren toekomsten
Janet wil wel met me praten over haar honderd dagen durende project met de bloemen van haar moeders begrafenis. Voor ze haar verhaal vertelt, vraagt ze naar het mijne en ik vertel haar over mijn moeder, alle sterfgevallen waarvoor ik er niet was, waarom ik nu vrijwilligerswerk in een hospicezorg, dat ik getrouwd ben geweest met iemand die dezelfde psychische ziekte had als mijn moeder en hoe ik nu om twee verloren toekomsten treur.
Ze laat me praten en dat doe ik, al schaam ik me wel dat ik even openhartig ben als mijn moeder en veel te veel ontboezemingen doe aan iemand die me niet kent. Maar Janet luistert en vertelt dan over de diagnose, behandeling en achteruitgang van haar eigen moeder. Het is een ongewone ervaring, maar ik vind het wel prettig om iemand eerst te leren kennen via haar verliezen.
Als Janet me deze details over haar moeder vertelt, ben ik geschokt. Ik had dan wel haar artistieke proces gevolgd en het artikel over haar honderddagenproject gelezen, maar er is zo veel dat ik niet wist, zo veel dat anders klinkt nu ze het zelf vertelt dan toen ik het las in de woorden van een journalist.
Het fijnst vind ik dat ik meer te weten kom over het achtergrondverhaal van het project. Janet en haar zussen besloten dat ze iets met de bloemstukken van hun moeders begrafenis moesten doen. Ze wisten niet wat ze wilden doen of hoe je bloemen moest drogen, maar ze ruimden de eettafel leeg en installeerden een pers. Ik denk graag aan dat werk, dat gedeeltelijk uit catalogiseren bestaat en gedeeltelijk uit fysieke inspanning.
Ze zijn drie weken bezig geweest de boeketten te conserveren en zorgvuldig in bakken op te bergen, waar ze maanden in zouden blijven liggen. Ik knik aan mijn kant van de telefoon: soms moet je wachten.
Emoties
Na dit proces begon Janets honderd dagen durende project. Elke dag trok ze wat tijd uit om iets te creëren met de geperste bloemen en dat werd voor haar een soort moment voor zichzelf, een kans om tevreden te zijn met wat eruit kwam en hoe ze zich voelde. Elke morgen begon ze zonder plan aan haar proces en elke dag maakte ze de foto en postte die op Instagram, voordat ze zich echt realiseerde wat ze had gemaakt.
Mensen zeiden altijd wel iets over de emoties in haar werkstukken, maar zij was zich terwijl ze die maakte niet bewust van wat ze voelde. Ik knik weer aan mijn kant van de lijn: creativiteit en verdriet plaatsen je buiten zelfbewustzijn en tijd.
Ze vertelt me ook dat ik niet de enige ben die over dit project wil praten. Nadat de lokale radio een reportage over de honderd dagen had gemaakt, werd die op grote schaal gedeeld; mensen uit het hele land zochten contact met haar en vertelden haar hun eigen rouwverhaal.
Iemand vroeg of ze een menselijke figuur wilde maken zodat haar dochter daar verhaaltjes over kon schrijven. Mensen willen haar creaties op muziek zetten. Ze willen een koffietafelboek van de foto’s hebben. Ik ben minder duidelijk over wat ik wil als ik met Janet praat, maar misschien hebben we allemaal hetzelfde eenzame verlangen: je verlies omhooghouden zodat iemand het ziet.
‘Ik weet niet waarom het zo veel weerklank vindt,’ zegt Janet. ‘Het was de naarste dag van mijn leven, maar ik weet dat het iets uitmaakt dat je er niet alleen in bent.’
Met haar stem aan de andere kant van de telefoon voel ik me niet alleen. Ik maak aantekeningen. Ik kijk hoe tulpen de tuin roze kleuren.
Voorgevoel
Een paar weken na mijn gesprek met Janet pak ik de hartvormige liefdesbrieven van de onbekende uit de kast van mijn zoon. Ik weet wat ik ermee wil doen. Ik lees ze nog een keer door, de kleine intieme ontboezemingen van deze liefde raken me, maar ze roepen ook een ander gevoel op. Eerder had ik niet herkend dat tussen alle liefdesbetuigingen ook verontschuldigingen staan, een van de twee heeft er spijt van ziekte of een slechte bui op de ander te hebben afgereageerd.
Tussen de grapjes en de liefdesverklaringen zijn er ook beloften om de geliefde te behandelen zoals die verdient. Ik voel nog steeds iets van mijn vroegere verdriet om deze anonieme onbekenden, die jong en oprecht klinken in hun liefdesbetuigingen, maar nu ben ik ook opgelucht dat het voorbij is. Het boek staat nog steeds op de plank van mijn zoon en wordt nog steeds gelezen, maar het bewijs van wat die twee mensen zo graag wilden bereiken is nu roze pulp in mijn blender.
Ik ga naar boven en haal de schoenendoos met mijn eigen oude liefdesbrieven uit mijn kast. Sinds mijn man uit ons huis is vertrokken heb ik muren geschilderd, kamers anders ingedeeld en oude meubels opgeknapt, maar de doos met zijn oude trouwdags- en verjaardagskaarten, de briefjes die hij op parkeerplaatsen onder mijn ruitenwissers stopte, heb ik niet aangeraakt.
In kleermakerszit op de vloer vouw ik ze open en lees ze, sommige vluchtig, andere aandachtig om elk woord te kunnen zien en voelen, wetend dat dit de laatste keer is dat ze gelezen zullen worden. De brok brandt in mijn keel, maar er komen geen tranen. Mijn eigen liefdesbrieven voelen net zoals die van de onbekenden en daar treur ik ook om, om wat we ooit voor elkaar betekenden en hoe de overtuigingskracht van die woorden nu weg is, niet eens meer herkenbaar voor mij.
Ik neem de doos mee naar beneden en gooi de brieven in de vuilnisbak, maar houd één vel achter. Daarop staat een lijstje onder de titel: ‘Dingen aan jou waar ik van hou’. Ik scheur het in gelijke strookjes en doe die ook in de blender.
Er is geen enkele pijn, alleen concentratie en de moeite die mijn vingers doen om alle strookjes precies even groot te maken. Ik weet niet waarom mijn eigen mislukte liefdesgeschiedenis bij de harten van iemand anders hoort, maar ik vertrouw op mijn instinct en draai de knop naar de langzame stand.
Bloemenbed
Mijn eerste hospicedeken is gênant en blauw en mijn tweede is nog lelijker, maar de derde keer maak ik iets dat bijna mooi is. Voor Kerstmis wil ik mijn zoon geven wat mijn vader mij vroeger gaf: liever ervaringen dan dingen. Dus boek ik plaatsen voor ons in de trein van Kansas City naar Chicago, waar we een nacht in het natuurhistorisch Field Museum zullen doorbrengen.
We kijken naar de winterse velden buiten en mijn vingers vormen het spiergeheugen van garen om een haak slaan en doorhalen. Mijn zoon wil naar de panoramawagen, dus dat doen we, we gaan zitten, we kijken naar het panorama. Ik haal cranberry, lavendel en zeewier door lussen, hecht ze af, maak een nieuwe halve vaste. Midden in de winter wordt mijn schoot een bloemenbed. Mijn zoon ligt met zijn hoofd op mijn dij en ik trek de draad zachtjes over zijn voorhoofd, hecht een nieuwe kleur aan, terwijl ik naar de witte velden kijk die voor ons raam voorbijrollen.
Als we van ons reisje terugkomen en ik de gehaakte vierkantjes over de vloerbedekking uitspreid, zie ik bloemenpatronen verschijnen, maar ik zie ook de treinstations, de tekenfilmochtenden in hotelkamers, de nacht naast opgezette vogels, omslaand en doorhalend terwijl mijn zoon met de andere kinderen op de museumvloer lag te snurken.
Ik leer nieuwe steken om afzonderlijke lapjes aan elkaar te haken, roze en paars aan blauwgroen en geel, en zo een geheel te maken van afzonderlijke kleurige delen. Ik krijg pijn in mijn rug van het gebogen over de vierkantjes zitten, al combinerend, herschikkend. Deze wil ik niet weggeven.
Eindelijk heb ik iets goeds gemaakt, iets waarvoor ik mijn hele lichaam heb moeten inzetten en dat mijn herinneringen bevat: het schommelen van de restauratiewagen, de opgevroren trottoirs in Chicago, het moment dat ik mijn zoon door de geschiedenis van de aarde droeg om T-Rex Sue te gaan bekijken. Hij legde zijn handen tegen mijn wangen en vroeg waarom ik niet luisterde als hij zei dat hij bang was. En ik lachte van blijdschap omdat ik deze jongen had die zijn gevoelens kende en wist dat ze belangrijk waren.
Mijn eigen liefdesbrieven voelen net zoals die van de onbekenden en daar treur ik ook om
Ik droeg hem het donkere doolhof van de tijd uit en we zochten een plek op die we allebei prettiger vonden: de Plantenhal, waar alles wordt bewaard en opgesteld in verschillende groeistadia. Op het laatst haak ik een witte rand om de vierkantjes.
Ik breng de deken naar het ziekenhuis, drapeer hem over een stoel in de wachtkamer om er een foto van te maken voordat ik hem naar de hospicecoördinator breng, die me opnieuw vertelt dat dit echt een geschenk is. En dat is het. Dat weet ik. Maar het doet nog steeds pijn om er afstand van te doen.
Gewicht
In zijn autobiografische werk A Grief Observed [in het Nederlands vertaald als Verdriet, dood en geloof] stelt C.S. Lewis de vraag of de doden de pijn van de scheiding net zo voelen als de levenden. Was zijn dode vrouw aan gene zijde dan ook in de rouw, zonder haar lichaam maar nog steeds met haar verdriet? Die eenzaamheid doet me pijn, ook al weet ik dat Lewis nu dood is en dus herenigd, mits de liefde die genade na de dood vergund wordt.
Hij publiceerde zijn boek onder pseudoniem, had de naam van een onbekende nodig om met anderen te delen hoeveel verdriet hij voelde, hoe bang hij was dat zijn vrouw nog steeds pijn leed waar hij haar niet meer kon helpen. Ik stel me liever een leven na de dood voor waarin het lichaam in gras verandert, en niet een bestaan waarin je bewustzijn – ook al heeft het een andere vorm of geen vorm – nog steeds je herinneringen bevat.
Mijn favoriete mislukte wetenschapper, Duncan MacDougall, wilde in 1907 niet bewijzen dat zielen net als de levenden rouwen, maar dat zielen überhaupt bestonden en dat ze een gewicht hadden. Hij vond zes patiënten op het randje van de dood en woog ze op een professionele weegschaal, vóór en nadat ze waren gestorven, om te zien of hun lichaam lichter was geworden nadat de ziel het had verlaten.
Geen kraaien
Waar voorheen de meeste begrafenissen een uiterst plechtige en formele laatste bijeenkomst behelsden, hebben de zogenaamde ‘kraaien’ hun plaats afgestaan aan familieleden of vrienden en zijn er meerdere mogelijkheden om afscheid van iemand te nemen dan een kist of een urn.
Ook voor het verwerkingsproces is meer aandacht gekomen. Onderzoek van de Universiteit van Brighton wijst uit dat traumatisch verlies nabestaanden zo kan overspoelen dat rouw eindeloos blijkt, wat nog meer ontmoedigt. Kunstenaars en schrijvers, kunst en literatuur, kunnen derhalve bijdragen aan de gemoeds- toestand van de treurende. Vaak geciteerd wordt de Amerikaanse essayiste Joan Didion met haar The Year of Magical Thinking, waarin zij haar dubbele persoonlijk verlies publiek maakte.
Slechts één van de gestorvenen in MacDougalls experiment bleek iets lichter geworden, 21 gram, en het is nooit meer gelukt om dit resultaat te herhalen. Toch verklaarde MacDougall zijn onderzoek tot een succes en ik kan het hem niet kwalijk nemen. Het is verleidelijk te denken dat het lichaam bewijs levert voor wat er na de pijn gebeurt en kennelijk wilden mensen in zijn tijd zijn bevindingen maar al te graag aanvaarden. Het kleinste zuchtje bewijs vormde voor sommigen een troost en zij gaven het verhaal door als een evangelie.
Ik denk aan de hospicezorg en hoe het lichaam al koud begint te worden, omdat het bloed zich concentreert in de vitale organen. Ik heb mijn dekens nooit gewogen, maar ik besluit ze zwaarder te maken, om warmte vast te helpen houden, zelfs als het lichaam die niet meer nodig heeft.
Jaren na zijn experiment raakte MacDougall ervan overtuigd dat de ziel ook onderhevig moest zijn aan de zwaartekracht. Hij stelde camera’s op rond de stervenden en probeerde de ziel te fotograferen wanneer die op het moment van overlijden het lichaam verliet.
Hij heeft nooit iets concreets in beeld gebracht, maar op zijn foto’s leek iets zichtbaar te worden dat hij ‘de interstellaire ether’ noemde, een licht rond de schedel van de patiënt. Dit sprak minder tot de verbeelding van rouwende onbekenden dan het gewichtsexperiment, maar ik heb bewondering voor zijn vasthoudendheid, zijn gebruik van verschillende meetmethoden om zichzelf en de wereld te verzekeren dat een deel van ons zonder ons lichaam verdergaat.
Eindelijk begrijp ik dat pijn een manier is om nee te zeggen
Nadat ik de mooie lapjesdeken vol herinneringen aan mijn zoon heb weggegeven, lukken de meeste dekens die ik maak goed. Ik maak een deken in log cabin-patroon, een in drunken granny-steek, een in ‘a-mile-a-minute’ gehaakte deken, een in veelkleurige golfjes. Elke maand probeer ik een nieuw patroon uit. Ik maak fouten. Ik word beter.
Als ik de dekens naar het ziekenhuis breng en ze over stoelen drapeer voor de foto, begin ik complimenten te krijgen, en ik geloof wat ik hoor. Mijn creaties zijn mooi en kleurig. Ik maak er een met zonnebloemen, met een zelfbedacht patroon.
Dat doet me eraan denken dat Janet me vertelde wat voor haar de belangrijkste dag was: dag 87. Zoals alle dagen daarvoor begon ze ook op die dag iets te maken zonder een vooropgezet plan, maar onder haar handen verschenen een moeder en een kind. Ze had niet het gevoel dat zij daar zelf een rol in speelde, maar het gebeurde gewoon, het was een boodschap.
Pijn
Ik haal het bijna, maar maak het jaar dat ik had gepland niet vol. Er trekt een pijn door mijn handen en mijn benen en de dokter adviseert me om geen dekens meer te maken, geen piano meer te spelen, niet meer hard te lopen. Ik weet niet wat er binnenin me wakker wordt of eruit probeert te komen.
Na twee maanden gaat de pijn weg. Het is een opluchting om niet meer bang te zijn voor mijn eigen lichaam, maar ik mis het omslaan en doorhalen van steken waardoor herinneringen makkelijker en in kleur op konden komen.
De dokters vinden nooit een naam voor de pijn en ik krijg het bijgelovige idee dat mijn lichaam hiermee liet merken dat het niet langer wilde rouwen via creatie. Ik heb nooit begrepen hoe het lichaam communiceert, maar ik wil graag geloven dat ik het deze keer wel snap. Eindelijk begrijp ik dat pijn een manier is om nee te zeggen.
‘Dus jij zegt dat verdriet en kunst allebei een proces zijn’
Janet haalt de honderd dagen, maar zegt dat de bloemen er nog niet aan toe zijn dat ze ermee ophoudt. Een collega vertelt haar dat haar werk geleidelijk aan vrolijker wordt en dat lijkt te kloppen. Ik vind haar vroege werk met schaduwen prachtig, maar zij zegt dat ze pas op dag 60 of 70 meer overtuigd raakte van het proces. De beelden werden gedetailleerder en verfijnder en toen de materialen begonnen te verbrokkelen, werd het werk zowel moeilijker als bevrijdender. De schaal van het werk veranderde.
Verdriet verbeelden
In Edge of Grief gebruikte Jules Findley rafelig en beschadigd papier, fragmenten van portretten en tweehonderd ongebakken papieren kleifiguren. Een verwijzing naar de offers bij taoïstische begrafenissen.
De installatie moet de symbolische breekbaarheid weerspiegelen en een erkenning dat handwerk en herhaling verdriet kunnen kanaliseren. Jane Fox wandelde na een sterfgeval in het krijtlandschap van de South Downs in Zuidoost-Engeland en vroeg zich af hoe de steen die zij opraapte kon helpen om haar verdriet te verwoorden. Haar bevindingen werden samengebracht in The Mourning Project. De lijst van kunstenaars die verlies hebben weten te verwerken, of te verzachten, vooral in de ambachtelijke totstandkoming van een project, is lang en divers.
Tot 6 juni 2021 presenteert het New Museum ‘Grief and Grievance: Art and Mourning in America’, een tentoonstelling oorspronkelijk bedacht door Okwui Enwezor (1963-2019), die zevenendertig kunstenaars uit ver- schillende media verenigde onder het concept ‘rouw, herdenking en verlies’ in een reactie op racistisch geweld in de Verenigde Staten.
Edge of Grief, Jules Findley.
Er verschijnt langzaam meer licht en verrukking in, een speelsheid, een vrolijkheid die zelfs tevoorschijn komt uit bloemen die doodgegaan zijn en platgeperst om het leven van hun kleuren vast te houden. Ik denk aan mijn eigen kleuren van verdriet, van de gênante blauwtinten bij mijn eerste poging tot de gouden zonnebloemen die ik als laatste heb gemaakt, en ik wil dat het waar is dat mijn werk net als dat van Janet vooruit is gegaan in kleur en vakmanschap, alsof háár creativiteit in verdriet iets kan aantonen in de mijne, alsof de zich ontwikkelende vrolijkheid een teken is dat ik echt herstel. Weer wil ik me opdringen, mezelf zien in wat zij doet.
‘Dus jij zegt dat verdriet en kunst allebei een proces zijn.’
‘Ja, en je moet de lelijke dagen ook laten bestaan,’ verzekert ze me.
In kunst en rouw zijn er dagen waar je niet trots op bent, dagen waarin de emoties lelijk worden, dagen waarop de beelden niet uitpakken zoals jij wilt. Maar dat is de mens in ons en het hoort bij het proces.
Het lijden zelf maakt je niet per se beter. Het haalt zelfs vaak de rommelige menselijkheid naar boven, de boosheid, de niet genezen wonden. Maar, zegt Janet, ‘je moet voor jezelf uitvinden hoe je het proces gebruikt om een beter mens te worden’.
We praten over rouwen met hoop, over de noodzaak om te erkennen, te vragen, eerlijk te zijn. Als ik de lichtroze pulp van andermans liefdesbrieven vermengd met de mijne in een schepraam giet, erken ik dat ik na al die jaren nog steeds verdrietig ben. Wat ik moet vragen weet ik niet, maar ik weet wel dat wat ik nodig heb van het proces zal komen, niet van het product.
Beginnerskunst
Ik haal gedroogde orchideeënbloesems tevoorschijn. Mijn man en zoon kwamen op een dag thuis met dit cadeau, een orchidee die daarna nooit meer gebloeid heeft. Ik heb altijd mooi gevonden hoe de bloemen in hun geheel gedroogd waren, maar nu trek ik ze uit elkaar en druk hun verouderde witte bloemblaadjes in het papier.
Ik spons, ik klop, ik druk de pulp weer in de vorm, genietend van de mechanische kant van het papiermaken met zijn simpele herhalingen. Ik leg de drie velletjes voor de rest van de dag in de zon, een drieluik van hartzeer.
Als ik er de volgende dag aan voel, zijn ze droog. Ik zie de lussen van het schuine handschrift van mijn ex-man, ik zie de ronding van een e in de viltstift van een onbekende. De orchideeën zijn niet van de brieven te onderscheiden, alles is vlekkerig en roze en rimpelig onder mijn vingertoppen. Dan zie ik wat het moet worden, wat al die tijd al voor de hand lag.
Ik pak mijn schaar en knip uit de gerecyclede liefde drie nieuwe harten. Ik hang ze op in mijn woonkamer waar de beginnerskunst door anderen gezien kan worden, tot een vraag kan uitnodigen en een verhaal kan worden. Daar in mijn huis, verdriet als bewijsmateriaal, beter dan nieuw.
Zoute tranen
De Japanse kunstenaar Motoi Yamamoto (Hiroshima,1966) werkte tot zijn tweeëntwintigste op een scheepswerf toen hij besloot zich fulltime op de kunst te richten.
Zes jaar later stierf zijn jongere zusje aan hersenkanker. Om haar leven en dood te herdenken en het zout van zijn eigen tranen niet te verspillen, bedacht hij een labyrintische installatie die hem zou helpen bij zijn rouwproces. Eerst liet hij het zout door zijn handpalm lopen en maakte er figuren mee als een vorm van meditatie, niet wetende dat die korrels het begin vormden van Return to the Sea: Salt Works.
Met zeven ton keukenzout vormde hij als ode aan zijn zusje een driedimensionaal brein in honderden uren nauwgezet gieten. Als een zoutpatroon lang genoeg is tentoon- gesteld wordt bezoekers gevraagd het werk gezamenlijk te vernietigen en het zout in zakken te verpakken en terug naar zee te brengen.
Yamamoto plant zorgvuldig en improviseert afhankelijk van de ruimte waarin hij doorgaat met zijn ‘genezing’. Zo is de vochtigheidsgraad van de lucht belangrijk en het zout zelf, dat overal anders is. Wat nooit verandert is zijn methode. Hij begint altijd in het midden en werkt naar buiten toe.
De lange uren die hij dagelijks besteed aan zijn Salt Works, brengt hij door in kleermakerszit op een yogamatje, leunend op de hardhouten vloer. Yamamoto houdt er niet van om tijdens de eerste dagen van deze meditatieve fase gestoord te worden. Als het midden eenmaal af is en hij naar buiten begint te werken, mag het publiek de kunstenaar aan het werk zien. Zijn doel is om met deze concentratie herinneringen aan zijn zus te bewaren, als stiksels of als borduurwerk. Het doet denken aan de kunst van het quilten.
Volgens de Amerikaanse natuurkundige staan we op de drempel van een nieuwe beschaving die ons naar de sterren zal leiden – voordat het te laat is.
Keuze uit ons archief
Onlangs kwamen de Amerikaanse inlichtingendiensten met een rapport dat stelt dat het niet uit te sluiten is dat buitenaards leven een mogelijke verklaring is voor zogenaamde unidentified flying objects oftewel ufo’s. Ook Michio Kaku denkt dat er mogelijk buitenaardse wezens op aarde zijn, die ook nog eens verder ontwikkeld zijn dan wij. Maar die gaan ‘echt niet zitten rotzooien met vliegende schotels. Vliegende schotels zijn zo achterhaald. Zij transporteren zich per laser door het heelal.’
Een gloedvol betoog van deze bestseller schrijvende natuurkundige over waarom we ons universum moeten verkennen en uiteindelijk zelfs verlaten.
Van kilobytes naar petabytes, van nullen en enen naar qubits: onze toekomstmogelijkheden nemen zulke vormen aan dat de alarmbellen afgaan bij befaamde futuristen als Ray Kurzweil en Max Tegmark, en inmiddels ook bij Michio Kaku, een van de pioniers van de snaartheorie en schrijver van goedverkopende populairwetenschappelijke boeken. Kaku is een van de populairste wetenschappers ter wereld en een van de zeer weinigen die zo over wetenschap kan praten dat bijna iedereen het begrijpt.
In zijn laatste boek, The Future of Humanity, waagt hij zich aan het voorspellen van onze toekomst. Hij schetst een toekomst waarin nieuwe wetenschappelijke inzichten en technologie de mens zo machtig zullen maken dat we ons moeten herbezinnen op onze plaats in het universum. Een toekomst waarin Mars kan worden bewoond, de mens niet langer het enige intelligente leven is, onsterfelijkheid meer dan alleen een vergezochte fantasie wordt en we uiteindelijk ook zullen uitzwermen naar andere universums. Maar, zegt Michio Kaku, de eerste stap is dat we deze binnenkort onbewoonbare planeet aarde verlaten. Dan begint onze verkenningstocht.
Uw vorige boek, Physics of the Future, sprak me enorm aan. Sindsdien ben ik gefascineerd door de schaal van Kardasjov [zie onderstaand kader]. In uw nieuwe boek borduurt u daarop voort door te zeggen dat we langzaam naar een Type 1-beschaving toe bewegen. Kunt u uitleggen wat dat betekent en waarom we de aarde misschien al snel moeten verlaten als we willen overleven?
Een Type 1-beschaving is planetair, in de zin dat zo’n beschaving alle planetaire energiebronnen beheerst: al het zonlicht kan oogsten dat op de planeet valt, het weer kan aansturen. Het duurt nog zo’n honderd jaar voor we daar zijn. Het is simpel te berekenen wat de totale energieproductie van de wereld is, uitgedrukt in joules, en als je de energieproductie van een Type 1-beschaving berekent, zie je dat we rond het jaar 2100 zover zijn. Daarna komt Stella, Type 2, dan hebben we de energie van een ster. Dan spelen we met sterren. Denk aan de Federatie van Planeten in Star Trek, dat zou een Type 2-beschaving kunnen zijn. En dan heb je Type 3-beschavingen, dat is zoals in Star Wars. Elke beschaving is ongeveer tien miljard keer geavanceerder dan de vorige. Dus de energieproductie van het ene type vermenigvuldigd met tien miljard is de energieproductie van het volgende type.
Waarom is dat van belang? Omdat we op het punt staan een Type 1-beschaving te worden. Het internet is de eerste Type 1-technologie die werkelijk planetair is. Daarom is het internet zo belangrijk. Het is de eerste Type 1-technologie op aarde. Je ziet overal tot wat voor ingrijpende cultuuromslag dat leidt. Een Type 0-beschaving heeft nog de primitiviteit van de holbewoner. Wij kampen ook nog steeds met nationalisme en fundamentalisme en zo. Maar als we eenmaal het stadium van Type 1 bereiken, hebben we de meeste van die problemen opgelost. Tegen de tijd dat we bij Type 2 komen, worden we onsterfelijk. De wetenschap kent geen middel dat een beschaving van Type 2 kan vernietigen.
Schaal van Kardasjov
De astrofysicus Nicolaj Kardasjov (1932) is een Russische sterrenkundige, verbonden aan de afdeling sterrenkunde van de Russische Academie van Wetenschappen en onderdirecteur van het Russische ruimtevaartcentrum. In 1963 bestudeerde hij de extreem zware ster CTA-102 in het eerste Russische wetenschappelijk onderzoek naar buitenaards leven. Hoewel hij daar geen sluitend bewijs voor vond, ontstond bij Kardasjov de overtuiging dat ergens in het heelal beschavingen moesten bestaan die miljoenen of zelfs miljarden jaren ouder (en verder) waren dan de aardse beschaving, die vanaf de eerste mens gerekend wellicht 300.000 jaar geleden kan zijn ontstaan.
Hij ging nog een stapje verder: hij bracht die onbewezen beschavingen in een schema onder met drie types, die onderling verschillen in het niveau van energiegebruik. Het laagste niveau van beschaving, Type 1, heeft volgens deze Schaal van Kardasjov een technologisch peil ‘dat redelijk dicht in de buurt komt van de huidige stand van zaken op de planeet aarde: een energieconsumptie van vier maal 1012 Watt’. Type 2 is al een stukje verder: een beschaving ‘die in staat is alle energie voor eigen gebruik te benutten die de eigen ster uitstraalt’, en de beschaving Type 3 zou zelfs ‘beschikken over alle energie op de schaal van het eigen Melkwegstelsel’.
Om het perspectief enigszins aan te scherpen: het energieverbruik door de beschaving op de planeet aarde bereikte in 1998 een niveau van 1012 Watt, opgebouwd in drieduizend eeuwen. Dat moet dus nog flink omhoog de komende tijd, met een factor 4 zelfs, wil deze beschaving haar entree maken, op het laagste niveau, op de Schaal van Kardasjov.
Nicolaj Kardasjov kreeg vier jaar geleden, op 82-jarige leeftijd, de Demidov-prijs, ook wel beschouwd als de Russische Nobelprijs, maar dan veel ouder (uit 1832).
In uw boek ontvouwt u een verstrekkende toekomstvisie. Vol boude ideeën en technologische en wetenschappelijke hoogstandjes. Sterrenschepen die aan terravorming doen, onsterfelijkheid, een hogere beschaving. Dat is toch ook een enorme stap in het onbekende?
Inderdaad. Maar ik ben natuurkundige, dus we kunnen wel een begin maken met de kwantificering van het onbekende. Als ik sciencefiction schreef, zou ik allerlei maffe dingen bij elkaar kunnen fantaseren die de natuurwetten met voeten treden. Maar ik ben natuurkundige, ik weet wat de energieproductie is en wat er voor deze technologieën verder nodig is.
Om een van de specifieke ideeën te noemen waarover u schrijft: lasertransport. Kunt u kort uitleggen wat dat is?
Ja, hoor. Tegen het einde van deze eeuw gaan we onszelf digitaliseren. Alle gegevens over ons, onze persoonlijkheid, zelfs onze herinneringen, worden dan gedigitaliseerd. Kijk naar het Connectome Project, dat is opgestart onder president Obama, om alle neurale verbindingen in de hersenen in kaart te brengen.
Je hebt nu al een digitale voetafdruk. Al je betalingen, je Instagram-foto’s, filmpjes. Een fikse digitale voetafdruk. Maar tegen het einde van deze eeuw kan er ook een afdruk worden gemaakt van je hersenen. Zo krijg je een compositiefoto van wie je bent. Dat kunnen we digitaliseren en met een laserstraal naar de maan schieten. In een seconde ben je op de maan, in twintig minuten ben je op Mars, in een dag ben je op Pluto en in vier jaar heb je de sterren bereikt. Zonder je te hoeven bekommeren om stuwraketten, ongelukken, gewichtloosheid of kosmische straling. En vooruit, laat ik mijn nek eens uitsteken en zeggen dat het volgens mij al bestaat. Buitenaardse wezens die veel verder dan wij zijn, gaan echt niet zitten rotzooien met vliegende schotels. Vliegende schotels zijn zo achterhaald. Zij transporteren zich per laser door het heelal. Misschien loopt er vlak naast de aarde wel een lasersnelweg waarover miljarden zielen zich door de Melkweg teleporteren, en zijn wij gewoon te dom om het te zien.
Vliegende schotels zijn zo achterhaald. Het is veel geavanceerder om op een laserstraal door de ruimte te reizen
Is dat domheid? Of gewoon het feit dat we nog steeds ergens tussen 0 en 1 op de Kardasjov-schaal zitten?
Allebei. Er is sprake van een zekere domheid omdat we arrogant zijn. We denken dat we alles weten. We denken dat we buitenaards leven kunnen vinden door naar de radio te luisteren. Dat vind ik vrij dom. Als we op een primitieve beschaving stuiten, kunnen wij wel denken dat ze morse gebruiken, maar uiteindelijk zullen ze het hele elektromagnetische spectrum gebruiken. Wij gaan er in principe van uit dat buitenaardse wezens in morse seinen, dat ze hooguit van Type 1 zijn. We gaan ervan uit dat ze misschien honderd jaar verder zijn dan wij. Dat ze vliegende schotels hebben. Maar waarom? Dat is twintigste-eeuws denken. Het is veel geavanceerder om op een laserstraal door de ruimte te reizen.
Bestaan er in wetenschappelijke kringen grote bezwaren tegen de ideeën in uw boek?
Nee. Ik ben natuurkundige en heb er collega’s naar laten kijken. Geen van mijn ideeën druist tegen de natuurwetten in. Als dat wel zo was, zou ik het natuurlijk met andere wetenschappers aan de stok krijgen. Maar niets in mijn boek druist tegen de natuurwetten in. Alles wat ik beschrijf, valt binnen de natuurwetten.
Een van de dingen waar uw boek veel nadruk op legt, is de gedachte dat de macht verschuift van de overheid naar particuliere burgers. Het idee dat we het lot van de wereld in eigen hand hebben, mensen als Jeff Bezos en Elon Musk dan, al hebben die natuurlijk vele miljarden meer dan de gemiddelde burger. Maar zij zien een nieuwe tijd aanbreken, en de NASA lijkt ook overbodig te worden. Is dit het tijdperk waarin grote ondernemers het heft in handen nemen, zoals u in het boek suggereert?
Ik denk dat het hand in hand kan gaan. Toen president Obama het spaceshuttleprogramma schrapte, wist hij dat de particuliere sector in die leemte kon voorzien. De NASA is voorzichtig omdat het een bureaucratie is. Veiligheid staat daar voorop. Voor kapitalisten is veiligheid, nou ja, ook wel belangrijk, maar misschien niet de eerste zorg. Die willen dingen snel en efficiënt van de grond krijgen. De particuliere sector kan met frisse ideeën en deadlines komen waardoor dingen sneller gebeuren dan bij de NASA. En omdat de NASA een bureaucratie is, is alles daar ook een compromis. Ga maar na, toen de spoorwegen werden opgesplitst in maatschappijen voor goederenvervoer en reizigersvervoer, werden ze veel gestroomlijnder, zuiniger en efficiënter. De bureaucraten wilden één ding voor iedereen, en dat werd niets voor niemand. Zo is de bureaucratie met de spaceshuttle ontspoord.
Dus als ik het goed begrijp, zijn dat de dromers van deze wereld: Jeff Bezos, Elon Musk, Richard Branson? En nu spelen zij met de gedachte om terravorming uit te proberen op een andere planeet. Kunt u eens schetsen op welke termijn ik dat voor me moet zien?
Ten eerste zijn we nu al bezig met terravorming op aarde, dus dat gebeurt al.
Maar micro-organismen hebben geen agenda.
We kunnen het in stapjes doen. Eerst moet je met methaangas de atmosfeer een beetje opwarmen. Dan heb je zonnespiegels in de ruimte nodig om de ijskappen te laten smelten. En als je de temperatuur eenmaal zes graden kunt laten stijgen, krijg je een vliegwieleffect. Dan jaagt het zichzelf aan. Dus meer hoef je niet te doen. De planeet zes graden opwarmen. Wij warmen de aarde nu al één graad op, zonder het zelf te beseffen. Op Mars zouden we de temperatuur doelbewust met een graad of zes moeten verhogen. En dan moet je het natuurlijk nog leefbaar maken, met genetisch gemodificeerde planten die kunnen leven in een atmosfeer van kooldioxide. Die passen we genetisch zo aan dat ze op Mars kunnen overleven. Dan halen we water en raketbrandstof uit het aanwezige ijs, we ontwikkelen genetisch gemodificeerde gewassen die je daar kunt telen, we smelten de ijskappen. Over zo’n honderd jaar kunnen we daarmee beginnen. Niemand zegt dat we dat nu al kunnen doen, maar in de volgende eeuw, als we eenmaal een kolonie op Mars hebben, kunnen we ermee beginnen.
Dit is een heel serieus idee dat weerklank begint te vinden. Het vooruitzicht dat we de aarde gaan verlaten zou waarschijnlijk nogal wat angst veroorzaken onder de meer dan zeven miljard mensen die haar nu bevolken. U lijkt onder de indruk te verkeren dat we tussen twee ijstijden in zitten. Sommige sceptici zouden zeggen dat verhuizen naar een andere planeet in feite neerkomt op het verlaten van de aarde, maar dat we iets moeten doen omdat de aarde uitgeput raakt. Wat zegt u tegen die critici?
Volgens mij slaan ze allemaal de plank mis. Niemand zegt dat we de aarde moeten verlaten om naar Mars te gaan. Dat gaat niet gebeuren. Er zijn te veel mensen op aarde en Mars is heel ver weg. Het is alleen iets om op terug te vallen. Maar mensen zien het helemaal verkeerd. We moeten de opwarming van de aarde bestrijden en niet denken dat we kunnen vluchten door naar Mars te gaan.
U stelt veel vertrouwen in de vierde golf van technologie en wetenschap, die volgens u tot een nieuwe welvaartsrevolutie zal leiden. Maar de aarde verlaten en Mars bewoonbaar maken zal ook weer tot hoogmoed en egoïsme leiden, die we moeten beteugelen. Is er een soort verdrag nodig?
Ik denk dat we verdragen nodig hebben. Kijk naar het Ruimteverdrag van 1967. Dat voorziet niet in de mogelijkheid dat particulieren een stuk van de maan claimen. Toch is dat nu mogelijk. Als ik in 1967 tegen je had gezegd dat ooit een particulier zijn eigen maanraket zou bouwen om een vlag op de maan te planten en dat te claimen, had je me voor gek verklaard. Maar nu is het zover. Daarom zaten vorige maand miljoenen mensen naar die beelden te kijken. Omdat het een maanraket was. En hoeveel heeft die raket de belastingbetaler gekost? Niets. Geen cent. Dat had niemand in 1967 kunnen denken. Daarom heb je nieuwe verdragen nodig, want je weet nu al dat China naar de maan gaat. China heeft al gezegd dat het zijn vlag op de maan gaat planten. We hebben verdragen nodig, want particuliere ondernemers zullen hoe dan ook naar de maan gaan. Het kost niet zoveel om naar de maan te gaan. In de toekomst zullen de mensen op huwelijksreis gaan naar de maan. Honeymoon op de maan, een toeristische attractie.
De exploitatie van al die nieuwe technologie zal volgens u een heel nieuw tijdperk van ontdekkingen inleiden. Een van de hoogleraren die u in uw boek aanhaalt, doet een fascinerend uitspraak waar ik u graag eens over wil horen. Ze zegt: ‘We hebben nog steeds geen kopieën van ons zonnestelsel gevonden, we hebben zelfs zoveel vreemde resultaten dat de astronomen te weinig theorieën hebben om ze te kunnen verklaren. Hoe meer we vinden, hoe minder we ervan begrijpen. Het is één grote puinhoop.’ Kunt u dat alstublieft wat nader uitleggen?
Op de lagere school leerden wij nog dat alles netjes en overzichtelijk was. Dat ons zonnestelsel bestond uit rotsachtige planeten zoals de aarde en Mars, uit gasreuzen zoals Saturnus, en uit kometen. Alles was heel simpel. Alle planeten cirkelden in een baan om de zon en alles was pais en vree. Van dat hele idee is niets meer over. Waarom? Omdat er zonder zo’n mooie cirkelende baan om de zon geen leven mogelijk is. Leven is in het heelal heel zeldzaam. Er is rust en een gematigde omgeving nodig om het ontstaan van leven mogelijk te maken. Het is een ruwe bedoening in het heelal, hemellichamen beschrijven grillige banen, planeten botsen de hele tijd op elkaar. Wij zijn de uitzondering. Waarom? Hier is leven. Leven op een planeet is enorm moeilijk. Dat vereist een stabiele, rustige omgeving. Miljarden jaren van stabiliteit. Maar in het heelal vindt om de zoveel duizend jaar weer ergens een ramp plaats. Waarin verschilt de aarde dan zo van alle andere zonnestelsels die we zien? Dat hier leven is. DNA kan alleen onder heel strikte voorwaarden ontstaan. Als kinderen bijvoorbeeld leren dat het heelal heel oud is, vragen ze: ‘Waarom is het heelal zo oud?’ De meeste mensen staan dan met de mond vol tanden, hè. Maar de reden dat het heelal zo oud is, is dat het zo lang heeft geduurd om DNA van de grond te krijgen. Vlak na de oerknal was er geen DNA, het heeft ongeveer 13 miljard jaar geduurd om in deze sector van het melkwegstelsel DNA van de grond te krijgen.
De dinosauriërs hadden geen ruimtevaartprogramma. Daarom zijn zij er nu niet meer
Maar het feit dat wij hier zijn ontstaan en het al zo lang volhouden is toch vreemd? Past uw multiversumtheorie wel in dat idee?
Ja, dat is de oplossing voor het probleem van de fijnafstemming. Het leek wel of het universum wist dat wij eraan kwamen. Alle krachten in het heelal waren precies goed afgestemd om leven op aarde mogelijk te maken. Als de kracht van kernfusie sterker was geweest, zou de zon miljarden jaren geleden al zijn opgebrand. Als die zwakker was geweest, zou de zon nooit ontbrand zijn. Dus de kernkracht is precies goed voor het produceren van zonlicht, wat heel zeldzaam is. Zo kun je een heel lijstje afgaan van allerlei toevalligheden. Dus ofwel God bestaat of het is één groot dobbelspel.
Kunt u het idee van een multiversum kort uitleggen?
Het heelal is een zeepbel. Wij leven in het vlies van die bubbel en die is aan het groeien. Dat is de oerknaltheorie. Nu geloven wij in een heel bubbelbad, tal van universums die rondzweven en soms tegen elkaar botsen, dat is de oerknal. Dus wat is er gebeurd voor Genesis 1:1, toen God zei dat er licht was? Wat gebeurde er daarvoor? Vlak daarvoor zijn universums op elkaar gebotst. En op een dag gaan we met behulp van zwaartekrachtgolfdetectoren babyfoto’s van het heelal maken. Ik denk dat we over een paar jaar foto’s hebben van het heelal in de babyfase. Dan zien we het heelal uit de baarmoeder komen, en misschien zien we ook de navelstreng die ons babyuniversum dan nog verbindt met een moederuniversum.
Daarover zegt u: ‘De natuurwet is een doodvonnis voor al het intelligente leven.’ Dus uiteindelijk, over vele triljoenen jaren, zal het universum uitsterven. Bedoelt u dat die zeepbellen op den duur uiteen zullen spatten en plaatsmaken voor nieuwe zeepbellen?
Nou, uiteenspatten kunnen ze niet, want dat druist in tegen de theorie van Einstein, maar ze worden steeds groter en groter en kouder en kouder. En als die expansie zich eeuwig voortzet vriezen we uiteindelijk allemaal dood. Dat wordt de Big Freeze genoemd. Dat staat nog niet vast, want het proces kan ook worden omgekeerd, maar op dit moment lijkt het universum te versnellen. Het loopt gierend uit de klauw. Het universum is op hol geslagen.
Dan rijst natuurlijk de gedachte dat we dit universum moeten verlaten, vandaar uw hoofdstukken over interstellaire ruimtevaart. U zegt dat die mogelijk wordt als we gebruik kunnen maken van Planck-energie. Kunt u een idee geven van wat dat is en wat je daaraan hebt?
Planck-energie is de ultieme energie. Tien tot de negentiende macht elektronvolt. Een biljard keer zo krachtig als de Hadron Collider. Bij zo veel energie wordt de stabiliteit van de ruimte aangetast. Als je water verhit, gaat het toch uiteindelijk koken? Als je lege ruimte verhit, begint die ook te koken. Dan vormen zich luchtbellen en die bellen zijn universums. De meeste daarvan springen weer terug in het vacuüm en verdwijnen voorgoed, maar sommige blijven uitdijen, en dat is ons universum. Waarschijnlijk is ons universum zo begonnen. Maar op een dag wordt ons universum zo groot en koud dat er niets meer kan leven, en wij fysici hebben veel artikelen geschreven over hoe er leven kan blijven bestaan als het universum echt heel, heel koud wordt. Als deze uitdijing doorgaat, zal uiteindelijk al het leven op aarde sterven. Ik vind: als het universum gaat sterven, moeten wij het universum verlaten.
U sprak heel toepasselijk van een dobbelspel. Hoeveel kans geeft u ons dat we de komende honderd jaar in onze huidige staat overleven?
99,9 procent van al het leven op aarde is al uitgestorven. Uitsterven is de norm. Wij denken dat Moeder Natuur warm en knuffelbaar is, maar de natuur kan net zo goed wreed en onverschillig zijn. Het kan de natuur niet schelen of wij een voetnoot in de geschiedenis van het leven worden. Maar ik denk dat wij verschillen van de 99,9 procent die is uitgestorven. De dinosauriërs hadden geen ruimtevaartprogramma. Daarom zijn zij er nu niet meer. Ze horen bij de 99,9 procent. Toen hier een meteoor insloeg, hadden zij geen idee wat te doen. Wij hebben een ruimtevaartprogramma, wij kunnen onze maatregelen nemen.
Toen bijna honderd jaar geleden de kwantumfysica werd ontdekt, druiste dat in tegen de logica van het wereldbeeld dat natuurkundigen tot dan toe hadden. Denk u dat er weer zoiets kan worden ontdekt, een nieuw soort energie of een aspect van het heelal waardoor we ineens dingen zien waar we nu blind voor zijn?
Ik denk niet dat we fundamenteel nieuwe dingen gaan ontdekken. Als zich nog opzienbarende en verbluffende nieuwe ontwikkelingen voordoen, zal dat eerder op het vlak van de techniek dan de natuurkunde zijn. We begrijpen namelijk redelijk goed hoe het heelal natuurkundig in elkaar zit, van protonen tot de oerknal. Van het binnenste van een proton tot de uiterste randen van het universum. Dus daar verwachten we niet echt verrassingen meer van, tenzij we natuurlijk in een proton kunnen doordringen naar wormgaten of zoiets, of naar dingen buiten ons universum zoals de hyperruimte. Maar in de techniek, ja, op dat vlak kun je nog allerlei opzienbarende vernieuwingen verwachten, en ook op het gebied van bio-engineering.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.