Tag: liberale democratie

  • Bestaat er een remedie tegen de allesoverheersende angst?

    Bestaat er een remedie tegen de allesoverheersende angst?

    Kenmerkend voor dit tijdsgewricht van opkomend populisme, klimaatverandering en politieke crisis is een allesoverheersende en verlammende angst. Wat zijn de gevolgen, en doen we ertegen? vraagt de Britse essayist Gavin Jacobson zich af.

    ‘Wij zien ons tijdsgewricht als een tijd van problemen, een eeuw van angst. De grond onder onze beschaving, onder onze zekerheid, verkruimelt onder onze voeten, en vertrouwde ideeën en instituties verdwijnen voor we ze kunnen vastgrijpen, als schaduwen in de invallende schemering.’

    Deze overpeinzing, geïnspireerd op het lange gedicht The Age of Anxiety van de Engels-Amerikaanse dichter W.H. Auden, komt uit het boek van de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger Jr., The Vital Center: The Politics of Freedom (1949). Hij schreef het in de gespannen periode vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin een nucleaire apocalyps voorstelbaar was, toen mensen zich zorgen maakten over de loop van de menselijke geschiedenis en politiek engagement moeilijk te vinden was en nog moeilijker vast te houden. Maar de passage had ook gemakkelijk in onze tijd geschreven kunnen zijn. Sinds de financiële crash van 2008 heerst er in Europa en de Verenigde Staten een ‘Sense of an ending’ (om de titel van het boek van literatuurcriticus Frank Kermode te lenen): een eindtijdgevoel. Liberale opvattingen hebben moeten wijken voor radicale twijfel. Populistische bewegingen staan op tegen de politieke en economische orde die de afgelopen vijftig jaar hebben geheerst. Electoraten staan voor een ongewisse toekomst.

    De grond onder de beschaving zal niet zozeer onder onze voeten verkruimelen, als wel wegzakken onder smeltende ijskappen en stijgende zeespiegels, terwijl de bekende indicatoren voor vooruitgang – levensverwachting, gelijkheid, geluk en vertrouwen in politieke instituties – in veel delen van de wereld afnemen. Krantenkoppen geven de stemming weer: ‘Geluk neemt af in de VS, volgens VN-rapport’ (The Guardian, maart 2017), ‘Vertrouwen daalt sterk in Amerika’, (The Atlantic, januari 2018), ‘Levensverwachting in Amerika twee achtereenvolgende jaren gedaald, (The Economist in januari 2018), ‘Neemt de ongelijkheid toe of af?’ (eveneens The Economist, maart 2018), allemaal ondersteund door de publicatie van het World Inequality Report Executive Summary, 2018 door Thomas Piketty et al. Ook de Wereldbank heeft gemeld dat er weliswaar minder mensen op de wereld in extreme armoede leven, maar dat de afname van de armoede is vertraagd.

    Naast dit verhaal van vermindering en verval zijn er ook meer positieve opvattingen, zoals die van psycholoog Steven Pinker, over een vreedzame en verlichte koers van de mensheid. Maar tot nu toe blijken de optimisten minder overtuigend: ze zijn er niet in geslaagd het tij van het doemdenken te keren.

    Lees ook:

    Lui lijfeigenschap

    We hoeven niet verbaasd te zijn over deze alarmistische verhalen. Al in de jaren negentig van de vorige eeuw luidde een hele verzameling van intellectuelen en commentatoren de alarmbel over toekomstige stormen (al werd dat geluid gedempt door een onstuitbare Amerikaanse hegemonie). Sommigen, zoals politiek wetenschapper John Mearsheimer, vreesden voor de terugkeer van nationale rivaliteiten die lang onderdrukt waren geweest door de bipolaire wereldorde van de Koude Oorlog. Anderen, onder wie historicus Paul Kennedy, grepen terug op malthusiaanse schrikbeelden zoals ‘demografische onevenwichtigheden over de hele wereld’.

    De vroegere nationale veiligheidsadviseur van Jimmy Carter, Zbigniew Brzezinski, voorzag ook een groot aantal gevaren voor de wereld en waarschuwde dat ‘mondiale verandering niet meer in de hand te houden is’, terwijl de mensheid afstevende op ‘politieke wanorde en filosofische verwarring’. Filosoof John Gray, politiek adviseur Edward Luttwak en miljardair George Soros wezen – vanuit verschillende invalshoeken en in verschillende toonaarden – op de schadelijke effecten van de vrije markt. Journalist Robert Kaplan fulmineerde tegen de kermis der ijdelheden van het rechtse Amerikaanse kapitalisme en voorspelde ‘The Coming Anarchy’, zoals hij het noemde (The Atlantic, maart 1994), een Mad Max-achtige wereld van welig tierende criminaliteit en ecologische afbraak.

    De meest verontrustende, maar minst begrepen waarschuwing kwam echter van Francis Fukuyama. Zijn essay The End of History?, dat hij in 1989 publiceerde in National Interest (en in 1992 uitwerkte tot een boek waarin het vraagteken nadrukkelijk was verdwenen), werd de oertekst van het post-Koude Oorlog-tijdperk. Fukuyama’s stelling – dat de liberale democratie het eindstation is van onze ideologische evolutie – wordt vaak gelezen als een verdediging van ongebreideld kapitalisme en van de Anglo-Amerikaanse interventies in het Midden-Oosten.

    Toch valt er weinig verlossing te verwachten van Fukuyama’s liberale eindstadium. Hij dacht zelfs dat de posthistorische toekomst gevaar liep een ‘leven van meesterloze slavernij’ te worden, een wereld van bederf en culturele verlamming, ontdaan van elke onzekerheid en gecompliceerdheid.

    ‘De laatste mens’ zou gereduceerd zijn tot homo economicus, die zich alleen liet leiden door de rituelen van consumptie, en ontdaan was van de bezielende deugden en heroïsche drijfveren die de geschiedenis hebben voortgestuwd. Hij waarschuwde dat mensen ofwel deze toestand zouden aanvaarden, ofwel, en dat was eerder te verwachten, in opstand zouden komen tegen de sleur van hun eigen bestaan: ‘Ik voel zelf en zie in anderen om me heen een sterke nostalgie naar de tijd dat de geschiedenis nog bestond (…) Misschien zal juist het vooruitzicht van eeuwige verveling aan het eind van de geschiedenis dienen om de geschiedenis weer op gang te brengen.’

    De idee dat angst, meer dan hoop of zekerheid, mensen tot daden aanzet, is vooral door klimaatdeskundigen en -activisten omarmd

    Het moderne Amerika vertoonde al tekenen van dit luie lijfeigenschap, klaagde Fukuyama, en andere landen, waaronder ook Groot-Brittannië volgden snel. Het verval van ideologieën ter linker- en rechterzijde dat was ingezet in de jaren zeventig, had in de jaren negentig zijn dieptepunt bereikt. De gevestigde politiek was niet meer zo geïnteresseerd in vragen over de verdeling van macht en hulpbronnen of over de strijd voor gelijkheid (deze kwamen bij partijen in de marge terecht) – zij richtte zich op het besturen en op technocratische aanpassingen vanuit het midden. Met zeldzaam retorische precisie schreef Slavoj Zizek in The Ticklish Subject: The absent centre of political ontology (1999) dat ‘het conflict van mondiale ideologische opvattingen, belichaamd in verschillende partijen die om de macht strijden, plaats heeft gemaakt voor de samenwerking van verlichte technocraten (economen, pr-specialisten…) en liberale multiculturalisten; via het proces van onderhandeling over belangen wordt een compromis bereikt vermomd als een min of meer algehele consensus.’ Tony Blairs idee over het Radicale Midden was volgens Zizek een volmaakte illustratie van deze verschuiving.

    Wankele moraliteit

    Met het verdwijnen van de politieke antagonismen, de grote verhalen van de geschiedenis en de labels ‘links’ en ‘rechts’, verdampte ook het fiere manifest van deugden en waarden dat burgers inspireerde. De samenleving leek al snel haar Sittlichkeit te hebben verloren, de morele en spirituele orde die dient als brandpunt voor eenheid en betrokkenheid. Zoals Frank Furedi betoogt in How Fear Works, Culture of Fear in the 21st century, is de dominante rol van de angst in ons leven nauw verbonden met deze ‘motivationele crisis die voortkomt uit de wankele staat van het moreel gezag’. Het gebrek aan positieve morele idealen, zoals moed, plicht, hoop, ideologie, liefde en solidariteit, heeft een ‘op angst gebaseerde, negatieve opvatting van gezag’ opgeleverd. (Het was natuurlijk dit gat dat de presidentscampagne van Barack Obama in 2008 blootlegde.)

    Furedi’s klaagzang volgt een vertrouwd pad. In een eerder boek, Culture of Fear: Risk taking and the morality of low expectation (1997), had hij al betoogd dat samenlevingen ‘die nog niet zo lang geleden hun triomf over de Sovjet-Unie vierden, nu te kampen hadden met een allesoverheersend gevoel van maatschappelijke malaise’. Overal zag hij ‘een groeiende aandacht voor risico’, terwijl veiligheid ‘de belangrijkste deugd van de samenleving’ werd, die elk facet van het leven kleurde, van de manier waarop we omgaan met nieuwe technologieën tot de manier waarop we omgaan met elkaar. In dit nieuwe boek keert Furedi terug naar dit thema en er klinkt een enigszins geërgerde toon in door, alsof het hem irriteert hoe angstig en verzwakt samenlevingen zijn geworden. Maar de verwarde en fragiele morele wereld die hij schetst (de wereld die Fukuyama heeft voorspeld), verklaart waarom een gevoel van angst ‘overal is’, opgewekt door de apocalyptische dreigingen, zoals klimaatverandering en kernoorlog, of door zorgen over schulden, eetpatronen, ouderschap en pedofilie.

    Furedi geeft een diagnose en een historische verklaring voor de bronnen van deze angst. Hij laat zien hoe angst in de klassieke wereld en tot aan het interbellum werd gezien als een morele kwestie die was gebaseerd op ideeën over goed en kwaad en werd bestreden met deugden zoals moed, en hoe vanaf de jaren twintig de intellectuele dominantie van de psychologie niet alleen leidde tot ‘het ont-moraliseren van angst’, maar ook ‘bijdroeg aan de vorming van een discours dat angst afschilderde als een onbeheersbare, autonome en verlammende kracht.’ De inaugurele rede van president Franklin D. Roosevelt in 1933 waarin hij zei: ‘het enige dat we te vrezen hebben (…) is de angst zelf’, koos bewust voor deze interpretatie door angst te beschrijven als ‘de onberedeneerde en ongerechtvaardigde doodsangst die mensen verlamde.’

    Sterker, angst is altijd opgevat als bron van politieke vitaliteit of, zoals John Locke het stelde ‘de belangrijkste, zo niet de enige prikkel voor de menselijke bedrijvigheid’. Vandaag echter gaat het bij de politiek van de angst niet zozeer om het leggen van een negatief moreel fundament waarop mensen in vrede samenleven, als wel over een groeiende afhankelijkheid van nationale verleiders die ons veiligheid beloven. Donald Trumps beweringen in januari 2017 dat ‘safety will be restored’ en dat ‘we will make America safe again’, zijn een voorbeeld van de manier waarop veiligheid de fundamentele waarde van het politieke leven blijft. Maar de oorspronkelijke idee dat angst, meer dan hoop of zekerheid, mensen tot daden aanzet, is in bepaalde regionen omarmd, vooral misschien wel door klimaatdeskundigen en -activisten. Het dramatische artikel van David Wallace-Wells in New York Magazine over ‘The Uninhabitable Earth’ (juli 2017), waarin hij beschrijft hoe het er aan het eind van deze eeuw met de planeet voor kan staan – hongersnoden, economische ineenstorting, besmettelijke ziekten en torenhoge temperaturen – is typerend voor het doemdenken van het klimaatactivisme, bedoeld om mensen uit angst milieubewust en veranderingsgezind te laten worden.

    Een belangrijk debat onder klimaatdeskundigen gaat niet zozeer over wetenschap, als wel over retorische stijl, en wordt gevoerd tussen mensen als Wallace-Wells en Guy McPherson (die in The New York Times een ‘apocalyptisch ecoloog’ werd genoemd) en mensen als Michael Mann die betogen dat er ‘een gevaar in zit om de wetenschap al te veel nadruk te geven op een manier die het probleem [van de klimaatverandering] voorstelt als onoplosbaar en een gevoel van noodlottigheid, onvermijdelijkheid en hopeloosheid voedt.’ Furedi is het daarmee eens en beschouwt het ecologische catastrofisme en andere verhalen over het einde van de wereld als bewijs dat ‘het uit de Verlichting stammende, optimistische geloof in het vermogen van de mensheid om het onbekende te bedwingen, heeft plaatsgemaakt voor een overtuiging dat de mensheid niet bij machte is af te rekenen met de gevaren die haar bedreigen.’

    © Jeff Sheldon
    © Jeff Sheldon

    Hoeveel van onze angsten worden gewekt door de media? Niet zo veel als vaak wordt gedacht, volgens Furedi. Het verband tussen de media en angst is niet nieuw. In de negentiende eeuw hielden commentatoren de massa-oplages van kranten en tabloids verantwoordelijk voor uitbarstingen van collectieve angst en hysterie. Mensen die de media ervan beschuldigen dat ze morele paniek zaaien met hun griezelverhalen, gebruiken daarvoor vaak dezelfde alarmistische retoriek die ze in anderen veroordelen, en zo maken ze van de media nóg een kwaadaardige kracht waar je bang voor moet zijn. Furedi twijfelt er niet aan dat media en sociale media inspelen op de angsten van mensen omdat ze daarmee hun aandacht kunnen trekken. Maar volgens hem is het al te simpel om met een beschuldigende vinger naar de media te wijzen.

    Om te beginnen zijn er ook nog directe ervaringen, persoonlijke omstandigheden en specifieke sociale verhoudingen die beïnvloeden hoe en wat we vrezen. ‘Sociale en culturele variabelen,’ zegt Furedi, ‘leiden tot een gedifferentieerde reactie op de dreigingen die de media ons voorspiegelen.’ Onderzoeken wijzen erop dat leeftijd, geslacht, sociale klasse en onderwijsniveau bepalend zijn voor de reactie van mensen op dreigingen als klimaatverandering en misdaad. Volgens Furedi creëren de media niet zozeer angst, maar kunnen ze een al bestaande fatalistische stemming wel versterken – en er munt uit slaan. De centrale rol van de media, schrijft Furedi, zit hem in het ‘normaliseren van een taal en een systeem van symbolen en betekenis voor het interpreteren van wat de samenleving ervaart’. Hij geeft als voorbeeld de toename van de angst voor pedofilie, waarbij de media die angst niet hebben veroorzaakt, maar wel ‘een belangrijke rol hebben gespeeld in het scheppen van de symbolen en beelden die door onze verbeelding spoken’.

    Furedi wijst ook op de belangrijke wisselwerking tussen tekst en beeld; gevoelens van dreigend gevaar en wanhoop worden volgens hem veroorzaakt door retorische hulpmiddelen en metaforen zoals tikkende tijdbommen en dozen van Pandora. Deze drukken waarschuwingen uit over een onzekere toekomst, en ‘moedigen de samenleving niet alleen aan om bang te zijn, maar om het ergste te vrezen’. Vooral de tijdbommetafoor is een illustratie van onze voorliefde voor het denken in worstcasescenario’s, net als de ‘Doomsday Clock’ die in het jaar dat Audens gedicht uitkwam begon te tikken. Zo ontstaat niet alleen de suggestie van een dreigende ontploffing, maar ook van de tijd die onverbiddelijk voort tikt naar een explosieve toekomst. Het leven lijkt een race om iets te doen voor het te laat is. Zo laat Sky News tijdens zijn uitzendingen bijvoorbeeld een ‘Brexit Deadline’-klok in beeld zien (nog 53 dagen, 5 uur, 34 minuten en 24 seconden op het moment dat ik dit schrijf), en New Yorkers kunnen omhoog kijken naar de National Debt Clock in Manhattan, om de (slechte) gezondheidstoestand van de economie van hun land te zien. Furedi noemt deze tijdwaarneming een ‘Manhattan-teleologie van het noodlot’ – een goede beschrijving voor de manier waarop wij over de relatie tussen het heden en de toekomst denken.

    Het gezag van de wetenschap wordt verpakt in het zelfgenoegzame idioom van goed en kwaad

    De cultuur van de angst wordt levend gehouden door een soort terugkerend vingerwijzen, waarbij degenen die de waarschuwingen van deskundigen in de wind slaan, gehekeld worden om hun zorgeloosheid of zelfs immoraliteit. Het gezag van de wetenschap wordt verpakt in het zelfgenoegzame idioom van goed en kwaad, en zo spreekt de samenleving mensen bestraffend toe omdat ze roken, zonnebaden, drinken, poedermelk gebruiken, ongezond eten en niet bewegen. Het gaat er Furedi niet om mee te zingen met het afgezaagde refrein van ‘te ver doorgedreven gezondheid en veiligheid’. Voor hem is het wezenlijke punt dat deze morele superioriteit erop gericht is om angst aan te jagen, anderen moreel te veroordelen, door gewone of dagelijkse ervaringen van het leven – zoals tegenwoordig ook het gebruik van plastic en wegwerp-koffiebekers – te veranderen in praktijken die voortdurend kritisch bekeken worden vanwege de risico’s die ze vormen voor mens en planeet.

    In deze opvatting van angst als een soort negatieve waarheid waaraan de politiek haar bestaansrecht ontleent, en in zijn beroep op deugden als ‘moed, verbeeldingskracht en idealisme’, om weer een meer positieve kijk op het leven te krijgen, komt het sociologische werk van Furedi overeen met Martha Nussbaums beknoptere filosofische verhandeling. Net als Furedi keert Nussbaum terug naar bekend terrein – de afgelopen jaren heeft zij zich vooral beziggehouden met emoties en met een poging om een nieuw stoïcisme te formuleren dat de kloof tussen gedachte en gevoel moet overbruggen – met een hernieuwd doelbewustzijn. Haar boek The Monarchy of fear: A philosopher looks at our political crisis kwam tot stand na de verkiezing van Trump, toen Nussbaum besefte dat ‘angst het probleem was, een wazige en veelvormige angst waarvan de samenleving doortrokken was.’

    Puttend uit de theorieën van de oude wijsgeren, met name filosoof-dichter Lucretius, zegt Nussbaum in essentie dat angst ook de wieg en medeplichtige is van die andere giftige emoties – woede, haat en jaloezie – waarvan we ooit dachten dat ze verdwenen waren uit de politieke organen van het Westen. ‘Angst,’ schrijft ze, ‘kaapt vaak het gevoel van verontwaardiging en protest en maakt daarvan een giftig verlangen naar genoegdoening. En angst voedt de uit walging ontstane aversie tegen sterfelijkheid en inlijving, door strategieën te produceren die uitsluiten en onderwerpen.’ Angst ligt ook aan de wortel van afgunst: ‘de angst om niet te hebben wat je erg nodig hebt.’

    Kraamkamers van hoop

    Zoals altijd schrijft Nussbaum in een koele, afstandelijke stijl, gehoorzaam aan haar eigen opdracht een stap terug te doen en ‘diep adem te halen (…) en dit moment van afstand te gebruiken om erachter te komen waar angst en aanverwante emoties vandaan komen en waar ze ons naartoe leiden.’ Ze gebruikt Martin Luther King en Nelson Mandela als leiders in morele actie, heroïsche voorbeelden van broederschap die hun kwelgeesten veroordeelden zonder in haat te vervallen. Nussbaum negeert niet de specifieke thema’s van dit politieke moment, maar ze toont hier een zekere dofheid; haar proza en zelfs haar ideeën lijken niet te passen bij de urgentie van deze tijd.

    Nussbaums punt over de socialiserende ‘ervaringen van kunst’, bijvoorbeeld, ‘wanneer mensen samenkomen om te zingen of dansen, of een toneelstuk op te voeren, of zelfs om mee te zingen met de cd van Hamilton’, mag dan op een enigszins naïeve manier aardig zijn, maar is nauwelijks serieus – zeker omdat Nussbaum niet echt uitlegt hoe kunst de kloof kan overbruggen tussen mensen die, tenminste in de VS, elkaar geregeld wegzetten als ‘fascist’ aan de ene kant, of ‘cultuurmarxist’ aan de andere. Wel wijst ze terecht op protestorganisaties en brede volksbewegingen zoals Black Lives Matter – als de kraamkamers van een meer hoopvolle politiek, waarin ideeën over het algemeen welzijn misschien in ere hersteld en versterkt kunnen worden, en waar gevoelens van individuele hulpeloosheid opgaan in collectieve macht. En ze is bereid afstand te nemen van haar poëtische visie op een politiek gebaseerd op liefde, hoop en vertrouwen, om een theorie te ontvouwen over rechtvaardigheid voor de liberaal-democratische staat gebaseerd op de kansen die alle burgers moeten krijgen – leven, fysieke gezondheid, ergens bij horen, spelen, controle over je omgeving, enzovoort – wil een land zich zelfs maar minimaal rechtvaardig kunnen beschouwen.

    Radicaler is misschien haar voorstel voor een driejarige nationale dienstplicht, waarbij jonge mensen uitgezonden worden door heel Amerika om nuttig werk te gaan doen – zorg voor ouderen, kinderopvang, infrastructurele projecten – om zo een gevoel voor solidariteit en het algemeen belang te krijgen (Fukuyama stelt dit trouwens ook voor in zijn nieuwe boek Identity: Contemporary identity politics and the demand for recognition). Nussbaums redenering dat ‘we in een tijd van een terugtredende overheid eenvoudigweg niet meer de mankracht hebben om veel essentiële diensten te verlenen’, doet misschien denken aan David Camerons Big Society-programma, maar het idee van een nationale dienstplicht past in een lange traditie van maatschappijfilosofie, van Locke en Rousseau met hun meer militair gerichte theorieën en William James met zijn ‘morele equivalent van oorlog’, tot John F. Kennedy en zijn Peace Corps.

    De vraag die Nussbaum echter ontwijkt is hoe te voorkomen is dat die gevoelens van solidariteit weer verdwijnen, zodra iemand klaar is met zijn dienstplicht en terugkeert naar het onpersoonlijke domein van de kapitalistische economie. Hoe voorkom je dat burgers weer eenlingen worden door het individualisme en het nuttigheidsdenken die horen bij de liberale staat? Uiteindelijk komen Nussbaums voorstellen om een tegenwicht te bieden aan de politiek van de angst neer op een filosofie van goede bedoelingen, en bevestigen ze alleen wat de meeste redelijk denkende mensen geacht worden te geloven – dat liefde beter is dan angst, dat een politiek van hoop beter klinkt dan een politiek die gebaseerd is op haat en dat Martin Luther King een voor de hand liggend rolmodel is. In die zin past het boek in een opkomende trend (getypeerd door bestsellergoeroes als Yuval Noah Harari) die pleiten voor ‘jezelf kennen’ en voor vormen van zelfonderzoek die meer lijken op strategieën om het in je eentje te redden dan op een politiek van solidariteit en collectieve strijd. Het doet ook denken aan de post-politieke tijdgeest van de jaren negentig en aan de ‘sentimentaliteit van het gebaar’ zoals journalist Alexander Cockburn het noemde, die zijn hoogtepunt bereikte tijdens het presidentschap van Bill Clinton en nu uit de politiek verdwenen lijkt.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/wat-er-te-doen-valt-%e2%80%a8tegen-angstzaaien/

    Eind jaren negentig viel Arthur Schlesinger in het blad Slate Clinton aan, omdat die zijn term ‘het vitale midden’ had misbruikt:

    ‘Toen ik het boek dat ik in 1949 schreef, The Vital Center noemde, was het “midden” waar ik op doelde de liberale democratie, afgezet tegen de internationale doodsvijanden daarvan – fascisme op rechts, communisme op links. Ik gebruikte die term in een mondiale context. President Clinton gebruikt hem in een binnenlandse context. Wat bedoelt hij ermee? Zijn bewonderaars [van de Democratic Leadership Council] hopen waarschijnlijk dat hij ‘de middenweg’ bedoelt, die voor hen dichter bij Ronald Reagan ligt dan bij Franklin D. Roosevelt. Zoals ik elders al heb gezegd is ‘de middenweg’ naar mijn idee bepaald niet het “vitale midden”. Het is het dode midden.’

    Nu, eenentwintig jaar later, lijkt dat dode midden nog steeds niet tot leven te komen. Nussbaums boek, met al zijn indrukwekkende filosofische vakmanschap en vriendelijke ethiek, vertegenwoordigt een soort zombie-liberalisme, zonder enige frisse of zelfs uitvoerbare politieke gedachte die rekening houdt met de ongelijkheden en materiële problemen – loonstagnatie, onbetaalbare woningen, onzekere banen, en bezuinigingen op publieke diensten, bijvoorbeeld – waar de 99 procent mee te kampen heeft. En hoe absurd, oneerlijk of stuitend kreten als ‘Bouw een muur’, ‘Weg met Obamacare!’, ‘350 miljoen dollar per week’ ‘Take back control’ ook zijn, ze zijn… iets, en electoraal wint iets het altijd van niets.

    Waarom zouden mensen überhaupt iets om de liberale democratie geven, waarom zouden deugden zoals liefde en normen van fatsoen en gelijkheid heilig zijn?

    Ook heeft Nussbaum geen poging gedaan om onder ogen te zien dat het de afgelopen paar jaar liberalen zijn geweest, en ook rechtse demagogen, die de politiek van de angst hebben aangewend, al was het maar omdat angst, net als terreur ‘een gemakkelijke begrijpelijkheid bezit’, zoals politiek denker Corey Robin uiteenzette in Fear: The history of a political idea (2004), en er ‘geen diepe filosofie, of verheven denkwerk voor nodig is om het kwade ervan vast te stellen: iedereen weet wat het is en dat het slecht is’. Maar als, zoals in de recente stroom boeken wordt betoogd, de democratie haar einde nadert, is het niet voldoende om te geloven dat we, met een beetje emotioneel lapwerk hier en daar, misschien kunnen terugkeren naar een paradijselijke tijd van vóór het populisme alles omvergooide. Liberalen zullen de moeilijkere vragen onder ogen moeten zien: waarom mensen überhaupt iets om de liberale democratie zouden geven, waarom deugden zoals liefde en normen van fatsoen en gelijkheid heilig zouden zijn en waarom we, in de woorden van John Milton, de voorkeur zouden geven aan ‘Moeilijke vrijheid boven het gemakkelijk juk/Van slaafse praal’.

  • 1. Het einde van de liberale democratie

    1. Het einde van de liberale democratie

    De beroemde essayist Francis Fukuyama, die in 1989 ‘het einde 
van de geschiedenis’ aankondigde, buigt zich over het populistisch nationalisme dat overal in het Westen opgeld doet.

    De onverwachte nederlaag die Donald Trump toebracht aan Hillary Clinton vormt een waterscheiding, niet alleen in de Amerikaanse politiek, maar in de hele wereldorde. Het lijkt erop dat we op de drempel staan van een nieuw, populistisch-nationalistisch tijdperk, waarin de dominante liberale orde die sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw is opgebouwd wordt aangevallen door opgewonden, boze democratische meerderheden. Er bestaat een levensgroot gevaar dat we afglijden naar een wereld van elkaar bevechtende en even boze nationalistische entiteiten, en als dat gebeurt, beleven we een omslag die net zo belangrijk is als de val van de muur in 1989.

    De manier waarop Trump zijn overwinning heeft behaald, zegt veel over de sociale basis van de beweging die hij om zich heen heeft gevormd. Een blik op de stemverdeling leert dat de steun voor Clinton geografisch gezien geconcentreerd was in steden langs de kust, terwijl grote stukken van landelijk en kleinsteeds Amerika overduidelijk voor Trump hebben gestemd. Het verrassendst was de verschuiving in Pennsylvania, Michigan en Wisconsin, drie noordelijke industriële staten die hij aan zijn kant kreeg, terwijl ze bij vorige verkiezingen zo standvastig Democratisch waren dat Clinton niet eens de moeite nam om in die laatste staat campagne te voeren. Trump won dankzij de vakbondsarbeiders, slachtoffers van de de-industrialisatie, die hij met zijn ‘make America great again’ beloofde dat hij hun verdwenen fabrieksbanen zou terugbrengen.

    Klassensysteem

    Dit hebben we eerder gezien. Het is het verhaal van de Brexit, waar de kiezers die voor een vertrek stemden ook voornamelijk op het platteland en in kleine dorpen en steden buiten Londen woonden. Hetzelfde verhaal gaat op voor Frankrijk, waar kiezers uit de arbeidersklasse van wie de ouders en grootouders altijd op de communistische en socialistische partijen hebben gestemd, nu kiezen voor het Front National van Marine Le Pen.

    Maar populistisch nationalisme is een veel breder verschijnsel. Vladimir Poetin blijft impopulair onder de beter opgeleide kiezers in grote steden als Sint-Petersburg en Moskou, maar geniet in de rest van het land enorme steun. Hetzelfde geldt voor de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, die zijn enthousiaste aanhangers vindt in de conservatieve lagere middenklasse van het land, en voor de Hongaarse premier Viktor Orban, die overal populair is, behalve in Budapest.

    Sociale klasse, tegenwoordig bepaald door opleidingsniveau, lijkt in veel geïndustrialiseerde en opkomende economieën het allerbelangrijkste sociale indelingscriterium. Het klassensysteem wordt gevoed door de globalisering en de opmars van de technologie, die zich weer konden ontwikkelen dankzij de voornamelijk door de VS gecreëerde liberale wereldorde.

    Als we het over een liberale wereldorde hebben, bedoelen we het gereguleerde systeem van internationale handel en investeringen dat de afgelopen jaren de basis heeft gevormd van een wereldwijde groei. Dankzij dit systeem kunnen in de week voor Kerstmis in China iPhones worden gemaakt en naar klanten in de VS en Europa verscheept. Hetzelfde systeem heeft miljoenen mensen ertoe aangezet om vanuit armere landen naar rijkere te trekken, waar meer kansen liggen voor henzelf en hun kinderen. Dit systeem heeft zijn belofte waargemaakt: tussen 1970 en de financiële crisis van 2008 in de Verenigde Staten, is de wereldwijde productie van goederen en diensten verviervoudigd, en zijn honderden miljoenen mensen de armoede ontstegen, niet alleen in China en Zuid-Amerika, maar ook in Afrika ten zuiden van de Sahara.

    De echte vraag zou niet moeten zijn waarom het populisme in 2016 is opgekomen, maar waarom het zo lang heeft geduurd voor het de kop opstak

    Maar zoals iedereen nu moet erkennen, hebben de voordelen van dat systeem niet de hele bevolking bereikt. De werkende klassen in de ontwikkelde wereld zagen hun banen verdwijnen als gevolg van de outsourcing en tot het uiterste doorgevoerde efficiëntie waarmee bedrijven de meedogenloze concurrentie op de wereldmarkt aangingen.

    Dit langetermijnverhaal kwam in een sterke stroomversnelling terecht door de hypotheekcrisis in de VS en de eurocrisis die Europa een paar jaar later trof. In beide gevallen ging het om een door de elite ontworpen systeem – in het geval van de VS geliberaliseerde financiële markten, in Europa bijvoorbeeld het interne migratiesysteem van Schengen – die dramatisch ineenstortten als gevolg van een externe schok. Weer betaalden gewone, werkende mensen een veel hogere prijs voor deze mislukkingen dan de elites zelf. Sindsdien zou de echte vraag niet moeten zijn waarom het populisme in 2016 is opgekomen, maar waarom het zo lang heeft geduurd voor het de kop opstak.

    In de VS was sprake van een politiek falen, in die zin dat het systeem de traditionele werkende klasse niet genoeg vertegenwoordigde. De Republikeinse partij werd gedomineerd door de Amerikaanse bedrijven en hun bondgenoten die flink hadden geprofiteerd van de globalisering, terwijl de Democratische partij was verworden tot identiteitspartij, een coalitie van vrouwen, Afro-Amerikanen, Hispanics, milieuactivisten en de LHBT-gemeenschap, die zich niet meer bezighield met economische vraagstukken.

    Het onvermogen van Amerikaans links om de werkende klasse te vertegenwoordigen, wordt in heel Europa weerspiegeld. De Europese sociaaldemocratie heeft zich al een paar decennia geleden verzoend met de globalisering, in de vorm van het Britse centrisme of het soort neoliberaal reformisme dat de sociaaldemocraten van Gerhard Schröder in het eerste decennium van deze eeuw aanhingen.

    Maar het bredere onvermogen van links was dat het dezelfde fout maakte als in de aanloop naar 1914 en de Eerste Wereldoorlog, toen, zoals de Brits-Tsjechische filosoof Ernest Gellner het zo mooi verwoordt, een brief die geadresseerd was aan ‘klasse’, per ongeluk werd bezorgd bij ‘natie’. Natie gaat bijna altijd boven klasse, omdat het kan putten uit een krachtige identiteitsbron, het verlangen naar verbinding met een natuurlijke culturele gemeenschap. Deze hang naar identiteit neemt nu de vorm aan van de Amerikaanse alt-rightbeweging, een voorheen nauwelijks serieus genomen verzameling groepen die allemaal een vorm van blank nationalisme aanhingen.

    Maar behalve deze extremisten begonnen ook veel gewone Amerikaanse burgers zich af te vragen waarom er zo veel immigranten hun gemeenschap binnenkwamen, en wie de drijvende kracht was achter een politiek correct taalgebruik waarin je niet eens over het probleem kon klagen. Dit is de reden waarom Donald Trump ook veel stemmen kreeg van beter opgeleide en rijkere kiezers, die geen slachtoffer van de globalisering waren, maar toch het idee hadden dat hun land ze werd afgepakt. Onnodig te zeggen dat deze dynamiek ook ten grondslag lag aan de Brexit-stem.

    Een aanmoediging voor Donald Trump op een verlaten huis in Schuylkill County, Pennsylvania. – © Mark Makela / Getty Images
    Een aanmoediging voor Donald Trump op een verlaten huis in Schuylkill County, Pennsylvania. – © Mark Makela / Getty Images

    Dus wat zullen de concrete gevolgen van Trumps overwinning zijn voor het internationale systeem? In tegenstelling tot wat zijn critici zeggen heeft Trump wel degelijk een consequent en doordacht standpunt: hij is nationalist op het gebied van economisch beleid en in relatie met het wereldwijde politieke systeem. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij bestaande handelsakkoorden als NAFTA en waarschijnlijk ook de WTO wil openbreken, en dat hij bereid is daaruit te stappen als hij niet krijgt wat hij wil. En hij heeft zijn bewondering geuit voor ‘sterke’ leiders zoals Poetin in Rusland, die met hun doortastendheid tenminste resultaten boeken. Veel minder vriendelijk is zijn opstelling tegenover traditionele VS-bondgenoten, zoals de leden van de NAVO of Japan en Zuid-Korea, die hij ervan heeft beschuldigd dat ze profiteren van de Amerikaanse militaire macht. Dit duidt erop dat ook voor de steun aan die landen opnieuw onderhandeld moet worden over de bestaande kostenverdeling.

    De gevaren van deze standpunten, zowel voor de wereldeconomie als voor het mondiale veiligheidssysteem, kunnen niet genoeg benadrukt worden. De wereld van vandaag gonst van het economisch nationalisme. Een open handels- en investeringsstelsel is altijd in stand gehouden door de hegemonie van de VS. Als Amerika nu eenzijdig de voorwaarden van het contract verandert, zijn er in de rest van de wereld veel machtige spelers die de VS maar al te graag met gelijke munt willen terugbetalen, en zo ontstaat een neerwaartse economische spiraal die herinneringen oproept aan de jaren dertig van de vorige eeuw.

    Het gevaar voor de internationale veiligheidssystemen is al even groot. Rusland en China zijn de afgelopen decennia opgekomen als belangrijke, autoritaire grootmachten die allebei territoriale ambities hebben. Vooral Trumps houding tegenover Rusland is verontrustend: hij heeft nooit een woord van kritiek op Poetin geuit en zelfs gesuggereerd dat diens annexatie van de Krim misschien wel gerechtvaardigd was. Gezien zijn onwetendheid over de meeste aspecten van buitenlands beleid, doen zijn uitspraken met betrekking tot Rusland vermoeden dat Poetin een of andere verborgen macht over hem heeft, misschien in de vorm van schulden aan Russische bronnen die zijn zakenimperium drijvende houden. Als Trump inderdaad een poging doet om ‘beter op te schieten’ met Rusland, zullen de eerste slachtoffers daarvan Oekraïne en Georgië zijn, twee landen die als wankele democratieën de steun van Amerika nodig hadden om hun onafhankelijkheid te behouden.

    De invloed van Amerika heeft altijd meer afgehangen van zijn “soft power” dan van domme inzet van geweld

    Breder gezien zal een presidentschap van Trump het eind aankondigen van het tijdperk waarin Amerika zelf een symbool van democratie vormde voor mensen die overal ter wereld onder corrupte, autoritaire regimes leven. De invloed van Amerika heeft altijd meer afgehangen van zijn ‘soft power’ dan van domme inzet van geweld, zoals de invasie in Irak. De Amerikaanse keuze bij de afgelopen verkiezingen betekent een wisseling van de wacht, van het liberale, internationalistische kamp naar het populistische, nationalistische kamp. Het is niet toevallig dat Trump krachtige steun kreeg van UKIP-voorman Nigel Farage, en dat een van de eersten die hem feliciteerden Marine le Pen van het Franse Front National was.

    Het afgelopen jaar is er een nieuwe populistisch-nationalistische internationale opgestaan, waarin gelijkgestemde groepen elkaar over de grenzen heen informatie en steun bieden. Het Rusland van Poetin levert daar een enthousiaste bijdrage aan, niet omdat het iets geeft om de nationale identiteit van anderen, maar simpelweg om onrust te stoken. De informatieoorlog die Rusland heeft ontketend door het e-mailverkeer van het Democratic National Committee te hacken, heeft al een zeer schadelijk effect gehad op Amerikaanse instellingen, en het is te verwachten dat dit nog doorgaat.

    Grote onzekerheden

    Er blijven nog grote onzekerheden bestaan rond dit nieuwe Amerika. Trump mag dan in zijn hart een uiterst consequent nationalist zijn, hij is ook heel pragmatisch. Wat zal hij doen als hij ontdekt dat andere landen niet bereid zijn om opnieuw over bestaande handelsverdragen of bondgenootschappen te onderhandelen? Zal hij genoegen nemen met de beste deal die hij kan krijgen, of gewoon weglopen? Er is veel gepraat over het gevaar van Trumps vinger op de kernwapenknop, maar naar mijn idee is hij in de grond veel meer een isolationist dan iemand die graag overal ter wereld militair geweld wil gebruiken. Als hij te maken krijgt met de realiteit van de burgeroorlog in Syrië, kan het heel goed zijn dat hij een pagina uit het tactiekboekje van Obama opslaat en ook maar gewoon blijft wachten tot het voorbij is.

    Hier komt de persoonlijkheidskwestie om de hoek kijken. Net als veel andere Amerikanen kan ik moeilijk een persoonlijkheid bedenken die minder geschikt is als leider van de vrije wereld dan Trump. Dit heeft maar gedeeltelijk te maken met zijn concrete politieke opvattingen, en veel meer met zijn ijdelheid en zijn overgevoeligheid voor wat hij ziet als een gebrek aan respect. Vorige week bestond hij het om op een podium met winnaars van de Medal of Honor – de Amerikaanse onderscheiding voor opvallende moed – te roepen dat hij óók heel moedig was: ‘financieel moedig’. Hij heeft aangekondigd dat hij van al zijn vijanden en critici genoegdoening zal eisen. Stel dat hij te maken krijgt met andere wereldleiders die hem niet genoeg respect betonen, zal hij dan reageren als een uitgedaagde maffiabaas, of als een pragmatisch zakenman?

    De grootste uitdaging voor de liberale democratie komt nu niet zozeer van openlijk autoritaire grootmachten als China, maar van binnenuit. In de VS, Groot-Brittannië, Europa en veel andere landen komt het democratische deel van het politieke systeem in opstand tegen het liberale deel, en dreigt het zijn ontegenzeggelijke legitimiteit te gebruiken om korte metten te maken met de regels die tot nu toe gedrag beheersten en een vrije, open en tolerante wereld waarborgden. De liberale elites die het systeem hebben gecreëerd, moeten luisteren naar de boze stemmen aan de poorten en zich realiseren dat sociale gelijkheid en identiteit de meest urgente kwesties zijn die ze moeten aanpakken.

    Hoe dan ook hebben we een paar zware jaren voor de boeg.

    Auteur: Francis Fukuyama
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.