Tag: liberalisme

  • Steeds weer onderschatten we de veerkracht van een open samenleving

    Steeds weer onderschatten we de veerkracht van een open samenleving

    Van links tot rechts groeit de overtuiging dat pluralisme tot verdeeldheid leidt, dat de rechtsstaat de overheid in de weg zit en dat de wispelturigheid van de kiezer echte verandering onmogelijk maakt. Maar Ben Connelly betoogt dat deze schijnbare zwakheden juist de kracht zijn van open samenlevingen.

    Zowel bij nieuw rechts als in het kamp van klimaatlinks heerst momenteel de opvatting dat juist de kwaliteiten waarop Amerika zich vroeger liet voorstaan, het land in feite verzwakken. Pluralisme, zo hoor je vaak, leidt tot een verdeelde en onbestuurbare samenleving. De regels van de rechtsstaat zitten de overheid in de weg bij de aanpak van grote problemen. En door de wispelturigheid van de kiezer moeten politici vaak alweer weg voordat ze de kans hebben gehad blijvende verandering door te voeren. Sommige populisten voor wie een zwakke staat een groter schrikbeeld is dan een totalitaire staat, zouden de diversiteit van onze samenleving graag verruilen voor volstrekte eendracht. Onder milieuactivisten neigt men tot de gedachte dat de omvang van de klimaatcrisis geen ruimte meer laat voor de keuzevrijheid van de democratische rechtsstaat.

    Maar al deze critici zien kracht voor zwakheid aan. Vooral bij nieuw rechts zien velen het verschil niet tussen krachtpatserij en echte kracht. Ze denken dat onze vijanden ons voorbij dreigen te streven, dat Rusland en China de toekomst hebben en dat Amerika en het hele Westen onherroepelijk in verval zijn. Maar echte kracht is vaak meer een kwestie van flexibiliteit dan van eenvormigheid. Een open samenleving is meestal buigzamer dan een gesloten samenleving. In een tijd waarin de lokroep van de gesloten samenleving onverbiddelijk aanzwelt, moeten we niet vergeten dat we dit scenario in de loop van de twintigste eeuw al zo vaak hebben zien aflopen met de ondergang van gesloten samenlevingen, of die nu fascistisch of communistisch waren. Het is goed om in deze tijd voor ogen te houden hoe robuust open samenlevingen in feite zijn, en waarom er zo’n hardnekkige neiging bestaat om hun veerkracht te onderschatten.

    De muis en de olifant

    Nassim Nicholas Taleb, de derivatenhandelaar die ook filosoof is en boeken schrijft over onzekerheid, geeft het voorbeeld van de muis en de olifant. De olifant is veel en veel groter. Maar als een olifant van tweemaal zijn eigen hoogte valt, breekt hij alle botten in zijn lijf. Een muis kan van tien keer zijn eigen hoogte vallen en daarna doodleuk wegrennen. Omdat onze soort geëvolueerd is in een omgeving waarin grootte gelijkstond aan kracht, hebben we de neiging een autoritair regime dat zich grootmaakt ook sterk te wanen. We beseffen niet hoe broos de botten van de olifant zijn. Taleb betoogt dat ons gezond verstand (het primitieve deel van onze hersenen) ons vaak in de weg zit in de uiterst complexe omgevingen waarin we nu leven. Dat we behoefte hebben aan een andere manier van denken, die meer uitgaat van redundantie, risicospreiding, openheid en misschien nog het voornaamst van al: een diepe laag nederigheid.

    En het is inderdaad opvallend dat telkens opnieuw dezelfde denkfout wordt gemaakt. In de twintigste eeuw waren er altijd wel vooraanstaande commentatoren die verkondigden dat de vrije wereld in verval was en autocratie de toekomst had. Zij bleken het telkens bij het verkeerde eind te hebben, en toch blijft die oude voorspelling de kop opsteken. In de Koude Oorlog dachten veel anticommunisten dat ze een verloren strijd voerden. Op links dachten veel mensen dat de Sovjet-Unie te werk ging met een overtuiging en doelmatigheid die het Westen nooit kon evenaren. In de jaren en twintig en dertig werd zowel het communisme als het fascisme door Amerikaanse journalisten en wetenschappers op gejuich onthaald. Zoals in de befaamde uitspraak van de grote onderzoeksjournalist Lincoln Steffens na zijn bezoek aan de Sovjet-Unie: ‘Ik ben naar de toekomst geweest, en die werkt.’ Hij zei ook dat God ‘Mussolini uit de rib van Italië geschapen’ had. Vooral Mussolini was geliefd bij Amerikaanse intellectuelen, van de rector magnificus van Columbia University tot journalisten als Ida Tarbell en Anne O’Hare McCormick.

    Zelfs tegenstanders van totalitarisme waren bang dat die staatsvorm toch onvermijdelijk was

    Zelfs tegenstanders van totalitarisme waren bang dat die staatsvorm toch onvermijdelijk was. Iets van die fascinatie met autocratisch machtsvertoon zie je ook in James Burnhams boek The Managerial Revolution (1941), dat in sommige rechtse kringen nu weer populariteit geniet. Burnham dacht dat het kapitalisme zou plaatsmaken voor een nieuwe ‘managersklasse’, die een geleide economie zou opleggen. Elders in zijn werk stelde hij het ‘fanatisme’ van de nazi’s tegenover de veronderstelde ‘apathie’ van Frankrijk en Groot-Brittannië. Uit al zijn werk spreekt de vrees dat vrije samenlevingen te zwak zijn om zich tegen een sluipend despotisme te verzetten.

    Maar Burnhams betoog werd eigenlijk al grotendeels ontkracht door de gebeurtenissen in zijn eigen tijd, zoals George Orwell in 1946 opmerkte in zijn essay ‘Bedenkingen bij James Burnham’. Hij schreef:

    Overdreven ontzag voor macht vertroebelt de politieke blik, omdat het bijna onvermijdelijk uitloopt op de overtuiging dat de huidige trends zich onveranderd zullen voortzetten. (…) Dat moet wel tot verkeerde voorspellingen leiden, want zelfs al wordt de richting van de ontwikkelingen juist ingeschat, het tempo zal verkeerd worden ingeschat. Binnen vijf jaar tijd voorspelde Burnham zowel dat Duitsland door Rusland zou worden bedwongen als het omgekeerde. In beide gevallen volgde hij hetzelfde instinct: het instinct om te buigen voor de overwinnaar van het moment, om de huidige trend als onomkeerbaar te beschouwen.

    Uitgeteld

    Wat Orwell bij Burnham constateert, zie je tegenwoordig terug bij schrijvers die betogen dat Amerika is uitgeteld en dat er een vorm van ‘postliberalisme’ nodig is om onze verkalkte cultuur nieuw leven in te blazen. Denkers zoals Burnham zagen de trend van het moment – zwakke democratieën, de schijnbaar niet te stuiten opkomst van totalitaire staten – en gingen ervan uit dat aan die trend nooit meer een einde zou komen. Tekenen van verdeeldheid en balkanisering zijn voor de hedendaagse tegenhangers van Burnham in Amerika niet moeilijk te vinden. Alleen trappen ze in dezelfde valkuil als hij door er klakkeloos van uit te gaan dat die trends zich in een rechte lijn zullen doorzetten en onze ondergang moeten inluiden.

    Maar zo werkt de geschiedenis niet. Crises zijn meestal onvoorzien, evenals de oplossing ervan. In een levendige en dynamische samenleving als de onze, waarin plaats is voor een breed scala aan verschillende instituties, is er ook meer kans dan in een centraal geleide samenleving dat de elementen al voorhanden zijn om een crisis te weerstaan en er zelfs sterker uit te komen.

    In zijn boek Antifragiel: dingen die baat hebben bij wanorde (2012) probeerde Taleb deze schijnbare paradox te verklaren vanuit het verschil tussen de relatief eenvoudige omgevingen waarin het ‘gezond verstand’ van de mens is ontstaan en de veel complexere omgevingen waarin we tegenwoordig leven: omgevingen waarin de kans op ‘zwarte zwanen’ steeds groter wordt en waarin je systemen nodig hebt die ‘antifragiel’ zijn. Een perfect voorbeeld van het tekortschieten van gezond-verstandoplossingen is ‘het stelselmatig voorkomen van bosbranden “voor de veiligheid”, wat de grote bosbranden juist veel erger maakt’.

    De spreiding van macht en de vrijheid om te innoveren zijn eigenschappen die een samenleving bestand maken tegen schokken

    Zo is ons beleid vaak in de greep van een achterhaald soort gezond verstand dat onze samenleving veel kwetsbaarder maakt. We denken dat we de economie beschermen door de staat er meer macht over te geven, maar in feite werpen we zo alleen maar belemmeringen op voor het aanpassen van die economie wanneer interne of externe schokken dat vereisen. We denken dat het onze samenleving sterker maakt om verstrekkende bevoegdheden bij één instantie te concentreren – terwijl je dat in een hypercomplexe omgeving nu juist niet moet doen. We hopen dat we de uitdagingen van de komende eeuw het hoofd kunnen bieden door ons overheidsapparaat uit te breiden. Maar hoe meer we onze economie in banen willen leiden, vooral van bovenaf, hoe meer we die economie juist verzwakken en voor mislukking rijp maken. Taleb gaf in 2007 een eerste schets van zijn denkbeelden in het boek De zwarte zwaan, dat achteraf een van de beste verklaringen lijkt te bieden voor de financiële crisis die een jaar later uitbrak: hij wees op de beperkingen van het ‘optimaliseringsdenken’ en de onvermijdelijkheid van allesbepalende ‘zwarte zwaan’-gebeurtenissen.

    De remedie is volgens Taleb om af te stappen van ons gezond verstand-denken en de primitieve behoefte alles in de hand te houden, en om te leren enige mate van willekeur en onvoorspelbaarheid te accepteren. De vrije markt, tegenpool van een geleide economie, is niet alleen beweeglijker en flexibeler en daardoor beter in staat om schokken op te vangen, maar vermijdt ook de versterkende effecten die in strak gereguleerde markten schering en inslag zijn en die een kleine crisis kunnen aanwakkeren tot een systeemcrisis. Redundantie, de spreiding van macht en de vrijheid om te innoveren zijn eigenschappen die een samenleving bestand maken tegen schokken waar een geharnast en met dwang geleid systeem aan ten onder gaat.

    Een decentrale machtsverdeling

    Je ziet ook iets van die dynamiek in de onvrede over de Amerikaanse grondwet die momenteel om zich heen grijpt. Die grondwet heeft inderdaad veel weg van een niet helemaal geoptimaliseerd managementsysteem. Zowel linkse als rechtse denkers betogen dat hij niet berekend is op de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. Maar met behulp van Talebs inzichten kunnen we constateren dat dit een misvatting is die de essentiële kracht van die grondwet onderschat. Onze grondwet tuigt een federaal stelsel op met overlappende bevoegdheden, met als hoogste macht een landsregering die bevoegdheden moet delen met afzonderlijke regeringen van deelstaten die voor hun mandaat niet van die landsregering afhankelijk zijn. Het is juist deze decentrale machtsverdeling (die lijkt op de federale structuur van de Zwitserse kantons, zoal Taleb schrijft) die de Amerikaanse samenleving behoedt voor de snelle regimewisselingen die we tegenwoordig op verscheidene plaatsen in de wereld zien. Of zoals James Madison in het tiende essay van de Federalist Papers schreef: ‘onbehoorlijke of kwaadwillende plannen zullen niet zo snel het hele staatsbestel van de Unie in hun greep krijgen, hooguit één afzonderlijk onderdeel daarvan; net zoals een ziekte eerder een specifiek district zal treffen dan een hele staat’.

    De grondleggers van de Verenigde Staten kenden het werk van zowel de klassieke als de verlichtingsfilosofen. Maar ze hadden zich ook verdiept in de geschiedenis van republikeinse regeringsvormen en de oorzaken waardoor die waren mislukt, om te weten hoe ze zo’n mislukking konden voorkomen. Het resulteerde in de oudste grondwet ter wereld die nog steeds van kracht is.

    Onze grondwet is een schoolvoorbeeld van een antifragiel systeem

    Taleb wijst op het ‘Lindy-effect’: hoe langer een technologie bestaat, hoe meer kans die maakt om ook in de toekomst overeind te blijven, en hoe nieuwer een technologie is, hoe sneller die achterhaald zal raken. Dat onze grondwet het zo lang heeft uitgehouden, zegt iets over de duurzaamheid ervan. Maar die duurzaamheid is meer dan toeval. Door zijn opzet is deze grondwet robuuster en beter bestand tegen schokken dan de meeste andere grondwetten. Het is een schoolvoorbeeld van een antifragiel systeem, een structuur met ingebakken redundanties en schijnbare ondoelmatigheden. En juist de kenmerken die vaak tot onvrede leiden en niet helemaal ‘geoptimaliseerd’ zijn, maken deze grondwet zo schokbestendig.

    Dat de macht gedecentraliseerd is bijvoorbeeld. En dat verandering langzaam gaat. En dat er vaak verkiezingen zijn, zodat coalities zelden lang genoeg aan de macht zijn om het land volledig hun wil op te leggen, tenzij zo’n regering werkelijk vertolkt wat een stabiele meerderheid van de bevolking in een meerderheid van de staten wil. Een autocratische leider kan simpelweg per decreet afkondigen welke richting een land moet inslaan, maar in een samenleving als de onze moet zo’n besluit door een duurzame meerderheid worden gedragen. Als onze maatschappij een nieuwe richting inslaat, moet dat dus wel een diepere en bredere (en daardoor reëlere) ontwikkeling zijn dan in een van bovenaf geleide samenleving waarin kortstondig spierballenvertoon de plaats inneemt van daadwerkelijke verandering in de samenleving zelf.

    Buigzaam

    Aan die schokbestendigheid van onze grondwet kunnen we een voorbeeld nemen bij de uitdagingen die ons in de komende decennia wachten. Omdat de toekomst niet te voorspellen valt, zo stelt Taleb, kunnen we ons niet op schokken voorbereiden. Het beste wat we daarom kunnen doen, is ervoor zorgen dat onze systemen redundant en buigzaam genoeg zijn om schokken te kunnen opvangen.

    De critici van de vrije samenleving hebben gelijk als ze zeggen dat zo’n samenleving alle kanten tegelijk op wordt getrokken door vakbonden, het bedrijfsleven, de kerken, maatschappelijke organisaties, universiteiten, non-profitorganisaties en duizenden andere instellingen. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat autocratische samenlevingen een vorm van eendracht aan de dag leggen waaraan het ons ontbreekt, of ze nu doelen op het Rusland van Poetin of het Italië van Mussolini. Maar ze zitten ernaast als ze denken dat verscheidenheid de vrije samenleving zwakker maakt, of dat eenvormigheid een gesloten samenleving sterker maakt. Het zijn juist de vrije samenlevingen die beter zijn toegerust om in een onzekere toekomst te overleven en zelfs te gedijen, en de gesloten samenlevingen die hun zwakte verhullen.

    Dat wil niet zeggen dat vrije samenlevingen altijd van gesloten samenlevingen zullen winnen, of dat de historische ontwikkeling altijd in de richting van meer vrijheid gaat. Mensen zullen waarschijnlijk dezelfde fouten blijven maken die we in de loop van de geschiedenis altijd hebben gemaakt. Maar aan iedereen die in naam van de kracht nu onze vrijheid wil afdanken: laat je niet verblinden door de illusie van macht.

  • ‘Vrije markt en duurzaamheid kunnen heel goed samengaan’

    ‘Vrije markt en duurzaamheid kunnen heel goed samengaan’

    Klimaatactivisten dringen aan op verboden, marktfanatici begrijpen de grenzen van de planeet niet. Hoog tijd voor een derde weg, vindt deze journalist van Frankfurter Allgemeine Zeitung: het ecoliberalisme.

    Wie zich rond de millenniumwisseling begon bezig te houden met de wereldwijde ecologische crisis, had niet kunnen vermoeden dat nu, twee decennia later, jongeren zich aan de weg vastplakken, schoolkinderen op vrijdag spijbelen en activisten kunstwerken ondergooien met aardappelsoep uit bezorgdheid over de planeet. Wat destijds een probleem in de verre toekomst leek, is nu een acute dreiging.

    De debatten erover zijn echter zo warrig, zo versnipperd en worden tussen zo totaal verschillende kampen gevoerd dat je je afvraagt of de partijen het eigenlijk wel over hetzelfde hebben. Team-Geheelonthouding en Team-Technologie houden voortdurend elkaars tekortkomingen tegen het licht. Midden in de grootste energiecrisis sinds het midden van de jaren zeventig subsidieert de staat eerst tankstations om gedragsveranderingen uit te stellen tot de toekomst. Even later wil zij de installatie van nieuwe oliegestookte verwarmingsinstallaties verbieden. En er is een culturele strijd losgebarsten over het einde van verbrandingsmotoren in auto’s.

    Het feit dat deze kwesties zo bitter worden uitgevochten, is het gevolg van volledig uiteenlopende visies op de wereldwijde milieucrisis en op wat geschikte instrumenten zijn om deze op te lossen. Velen die van het begin van de jaren zeventig de doctrine hebben omarmd dat de biosfeer door de menselijke activiteit tot een breekpunt wordt gedreven, zullen sympathieker staan tegenover strenge maatregelen. Voorstanders van vrijemarktoplossingen daarentegen onderschatten vaak de ernst van de overbelasting van natuurlijke putten van verontreinigende stoffen, zoals de atmosfeer en de oceanen. Milieuactivisten roepen om verboden, markteconomen bagatelliseren de milieuproblemen.

    Toch zou het eigenlijk andersom moeten zijn. Want in theorie en praktijk is een marktgerichte benadering efficiënter, goedkoper en effectiever gebleken om de doelstellingen van het economisch beleid te bereiken. Het vrije spel van de markt is dus zeker wel verenigbaar met het stellen van ecologische grenzen. Maar op een andere manier dan velen tot nu toe voor ogen hadden. Het is dringend tijd om duurzaamheid vanuit vrijheid te realiseren.

    Uitstervingen

    In maart 2021 oordeelde het Bundesverfassungsgericht dat de Duitse politiek bij het klimaatbeleid alleen vrijheidsbeperkende maatregelen mag nemen als dat noodzakelijk is om de aarde te redden. Maar vrijheid is om nog een andere reden cruciaal: duurzaamheid werkt alleen als genoeg mensen eraan meewerken. Noch dirigisme, noch marktgerichte laissez-faire zullen dit bereiken. Veelbelovender is de filantropische stroming van het ecoliberalisme.

    Nooit eerder in de menselijke geschiedenis moest een probleem zo groot als dat van de klimaatverandering in zo’n korte tijd worden opgelost. Om te begrijpen hoe ernstig het probleem is, is het de moeite waard om eens terug in de tijd te blikken, zoals ook de Amerikaanse wetenschapsjournalist Peter Brannen deed als onderzoek voor zijn boek The Ends of the World. Hij stelde zich ten doel om met de hulp van paleontologen op zoek te gaan naar de oorzaken van de vijf bekende massale uitstervingen van soorten op aarde in de afgelopen 445 miljoen jaar, van het uitsterven van de trilobieten tot en met het einde van de dinosauriërs in het Krijt.

    Meer dan ooit begrijpen we dat overexploitatie van grondstoffen en overbelasting van de oceanen en de atmosfeer het goede leven op aarde bedreigen

    Zijn bevindingen gaan radicaal in tegen een belangrijk argument van klimaatveranderingsontkenners. Zij beweren dat klimaatverandering altijd heeft bestaan en daarom niet zo erg is. Het klopt dat het klimaat ook in het verleden is veranderd. Maar dat heeft wel vijf keer het gevolg gehad dat er nauwelijks nog leven op aarde overbleef. Brannen concludeert dat bij elk van de vijf massa-extincties een verstoring van de tot dan toe bestaande koolstof-zuurstofkringloop een zeer grote rol heeft gespeeld, zo niet de doorslag heeft gegeven.

    De mensheid kon haar welvaart pas exponentieel vergroten toen ze manieren vond om de fossiele brandstoffen in de aardkorst te benutten. Zij zijn de sleutel tot de huidige bloei en tegelijkertijd het potentiële einde ervan. In korte tijd zijn zo veel van deze miljoenen jaren oude planten- en dierenresten verbrand dat nu een CO2-niveau in de atmosfeer is bereikt vergelijkbaar met dat vóór de vijf grote aardhistorische rampen.

    Hier komen de belangen van paleontologen, klimaatwetenschappers en economen op een productieve manier bij elkaar. De een erkent en definieert ecologische grenzen. De anderen vinden manieren om ze op een zinvolle manier na te leven. Met meer kennis dan begin jaren zeventig kunnen begrijpen we nu waarvoor onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) waarschuwden in hun sensationele rapport The Limits to Growth dat gericht was aan de Club van Rome: dat overexploitatie van grondstoffen en overbelasting van de oceanen en de atmosfeer het goede leven op aarde bedreigen. Wanneer de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering aanbeveelt de CO2-uitstoot tegen het midden van de eeuw tot nul te reduceren en staten zich daartoe laten verbinden, is dat een erkenning van een stelling die al veel te lang wordt betwist: de biofysische grenzen zijn bereikt.

    Degrowth

    Dat één onderzoeksgebied zich al ruim vijftig jaar bezighoudt met alle oorzaken en gevolgen van deze erkenning en toch nog een schimmig bestaan leidt, kan nauwelijks anders verklaard worden dan door de bekrompenheid van anderen. De ecologische economen rond Nicholas Georgescu-Roegen, Kenneth Boulding en Herman Daly waren er vroeg bij om ons te herinneren aan de materiële basis van economische activiteit. Door concepten van de thermodynamica op te nemen in de economische analyse konden zij aantonen hoe gevaarlijk onomkeerbare schade aan de planeet is.

    Zij stelden hun discipline open voor wetenschappelijke kennis en kregen een duidelijker beeld van de aanpak van de ecologische crisis. Ze zijn de enigen in de economie die consequent de biofysische grenzen hebben erkend als een beperking van de economische ontwikkelingsmogelijkheden. Dit heeft ervoor gezorgd dat ze nu aansluiting kunnen vinden bij klimaatwetenschappers, die deze grenzen vanuit een andere invalshoek benaderden.

    Ook al hebben sommige deskundigen geflirt met het idee van een selectieve inkrimping van de economie (‘degrowth’), de meerderheid van de ecologische economen is stevig verankerd in de vrijemarkttraditie van Adam Smith via David Ricardo tot John Stuart Mill. Hun voorwerk vormt ook de basis van de socialemarkteconomie die in Duitsland zo succesvol is geweest. In het tijdperk van biodiversiteit en klimaatcrises moet dit echter een orde zijn die biofysische grenzen respecteert. Want zonder begrenzing kunnen de temperatuurstijging en het uitsterven van soorten niet worden gestopt.

    In het ecoliberalisme is emissiehandel een goed instrument om vervuilende stoffen te beperken

    Daarom is er in deze onderzoekslijn veel sympathie voor een ‘cap and trade’-systeem, zoals dat in Europa is ingevoerd met de CO2-emissiehandel. Dit stelt een fysieke limiet aan de uitstoot van koolstofdioxidel; in de huidige concentraties een natuurlijke maar gevaarlijke vervuilende stof. Van handelsperiode tot handelsperiode worden de emissierechten verminderd, tot ze in 2050 tot de nul zijn teruggebracht. Dan zal de prijs van de CO2-uitstoot onbetaalbaar zijn en zal de uitstoot binnen de industrie, de energieproductie, het vervoer en de verwarming illegaal zijn. In het ecoliberalisme is emissiehandel een goed instrument om vervuilende stoffen te beperken. De staat stelt harde grenzen aan het gebruik, maar laat het aan de handelende personen en instellingen over om te beslissen hoe ze zich daaraan houden.

    Wie de huidige discussies over verbrandingsmotoren, olieverwarming en vleesconsumptie volgt, vindt daarin slechts een rudimentaire versie van dit idee terug. Bijna niemand houdt rekening met de ernstige veranderingen waartoe een CO2-prijs in combinatie met de handel in emissierechten zal leiden. Om te zien wat klimaatneutraliteit in het dagelijks leven betekent, loont het te experimenteren met de online calculators van het Federaal Milieuagentschap en het Wuppertal Instituut voor Klimaat, Milieu en Energie. Vandaag bedraagt de gemiddelde uitstoot van broeikasgassen per inwoner in Duitsland elf ton, als de invoer wordt meegerekend. In slechts zeventwintig jaar moet de genoemde waarde van de grondstof die het meest cruciaal is voor onze welvaart, dalen tot nul ton.

    Om in zo’n korte tijd een volledige decarbonisatie te bereiken, zijn noch technische vooruitgang noch geheelonthouding voldoende. Als we de klimaatverandering met succes willen bestrijden, hebben we beide nodig, een mix van strategieën: minder gemotoriseerd particulier vervoer (onthouding), betere verwarmingssystemen en woningisolatie (vooruitgang), een ander dieet (onthouding), hernieuwbare energie in intelligente netwerken (vooruitgang).

    John Stuart Mill

    Het ecoliberalisme heeft een aantal voorvaders van wie we veel kunnen leren over de aanpak van klimaatverandering. John Stuart Mill veredelde de klassieke economische theorie in het midden van de negentiende eeuw. Hij volgde Adam Smith op, die eigenbelang beschouwde als de motor van economische ontwikkeling, maar als moraaltheoloog ethische deugden eiste van de mens. Mill was een vroege ecoloog. Hij onderkende het gevaar dat economische activiteit de natuur zou kunnen vernietigen. Hij geloofde in een stabiele toestand zonder verdere groei – ergens in de toekomst, na een lang proces van vooruitgang. Daarmee voorzag hij wat ons zou kunnen overkomen als het ecoliberalisme met harde ecolimieten wordt doorgevoerd. Het is onduidelijk wat er dan met de groei zal gebeuren. Die kan tot stilstand komen, of losgekoppeld worden van de milieuconsumptie. Op Smith en Mill volgde de Oostenrijkse Friedrich August von Hayek, die in Der Weg zur Knechtschaft van begin jaren veertig afstand nam van de toen wijdverbreide socialistische ideeën over de juiste aanpak.

    Hij maakte duidelijk dat een economie waarin de gedecentraliseerde kennis van alle marktdeelnemers is verwerkt, veel innovatiever is dan een centraal geplande economie. Bureaucraten konden nooit beter dan de uit alle informatie afgeleide prijs weten welke kant een ontwikkeling op ging. Dat dit in zijn tijd niet ter harte werd genomen, was voor Hayek een bewijs van de arrogantie van geleerden.

    Naar aanleiding van het besluit van EU-parlementariërs over wanneer verbrandingsmotoren of kolencentrales moeten worden afgebouwd, is het de moeite waard Hayek nog eens aan te halen. Vanuit thermodynamisch oogpunt is er veel voor te zeggen dat elektrische auto’s technisch efficiënter zijn dan auto’s die op e-brandstoffen rijden. Maar zou het niet beter zijn om door middel van een bindend reductiepad een grens te stellen voor het Europese verkeer en autofabrikanten vrij te laten om te beslissen of zij zich dure experimenten met waterstof en synthetische brandstoffen op andere continenten willen veroorloven? Wie weet of de investering van een fabrikant zal leiden tot de uitvinding van een processtap die de technologie vooruitbrengt.

    De derde ecoliberale pionier die moet worden genoemd is de Indiase econoom en filosoof Amartya Sen. Hij heeft een complex concept van vrijheid geschetst dat veel verder gaat dan de opvatting dat mensen helemaal vrij moeten zijn om te bepalen wat ze willen consumeren. In enkele zeer scherpzinnige lezingen en essays heeft Sen duidelijk gemaakt dat de mens alleen in harmonie met de natuur kan leven als hij zijn eigen behoeften niet centraal stelt in alle overwegingen – zoals de economische wetenschappen vaak meer normatief dan descriptief doen.

    Alternatieven

    Er zijn veel hindernissen op de weg naar een functionerend ecoliberalisme. Bijvoorbeeld de toenemende spanningen tussen sociale kampen, die worden aangewakkerd door de sociale media. In het regelgevingsvacuüm dat er nog altijd is, wordt de politiek vervangen door morele terechtwijzingen: individuele groepen beschuldigen anderen van hun nalatigheid ten aanzien van duurzaamheid. Tegelijkertijd mogen we bij de poging om vanuit vrijheid een concept van duurzaamheid te vinden niet opnieuw de fout maken die veel politici de afgelopen decennia maakten: doen alsof er geen alternatieven zijn. Natuurlijk is het spectrum breed. Het loopt vanaf het model van een aan de ecologische behoeften aangepaste oorlogseconomie, voorgesteld door de bestsellerauteur Ulrike Herrmann, tot en met een ecoliberale benadering met verantwoordelijke consumenten die ook zonder regelgeving wel beseffen wat er aan de hand is.

    Het ecoliberalisme heeft als voordeel dat het aantrekkelijker is dan deze alternatieven. Met het beprijzen van ecosysteemdiensten biedt het een aanpak om de dreigende uitsterving van soorten een halt toe te roepen. Het is verenigbaar met ideeën zoals de Transition Towns, die al twee decennia lang een grondstofbesparende levensstijl met sterke regionale netwerken uitproberen om indien mogelijk te leven alsof er geen olie meer beschikbaar zou zijn op aarde. En het laat ruimte om te zoeken naar de beste duurzame oplossingen voor die plaatsen waar mensen het meest geconfronteerd worden met de gevolgen ervan en erover kunnen meepraten: in hun eigen stad, in hun eigen dorp.

    De mens moet zijn onverzadigbare honger naar meer laten varen en de weg terugvinden naar de matigheid

    Kenneth Boulding, pionier van de ecologische economie, schetste ooit hoe groot de opgave van de omslag in duurzaamheid is: gedurende honderdduizend jaar, en vooral in de afgelopen tienduizend jaar, heeft de mensheid eigenschappen ontwikkeld die nodig waren om hem te ondersteunen in zijn expansie. Nu loopt het tijdperk van expansie echter ten einde. Daarom moeten zo snel mogelijk nieuwe instellingen en ideeën worden ontwikkeld.

    Of, om de woorden te gebruiken van twee andere pioniers van deze onderzoekstroming, de Heidelbergse economen Malte Faber en Reiner Manstetten: de mens moet zijn onverzadigbare honger naar meer laten varen en de weg terugvinden naar de matigheid. Dit is het laatste ontbrekende stukje van de puzzel voor duurzaamheid vanuit vrijheid. De mens moet laten zien dat hij de fundamenten van het leven op aarde wil beschermen en zijn economisch gedrag vrijwillig aan de regel van matigheid onderwerpen. Een indicator voor deze matigheid is de ecologische voetafdruk. Naast de politiek draagt ieder individu daarvoor verantwoordelijkheid.

    Lees ook:

  • Polen en Hongarije willen terug naar oude nationalistische waarden

    Polen en Hongarije willen terug naar oude nationalistische waarden

    Na de val van het communisme hebben Polen en Hongarije hun economie weliswaar hervormd naar westers ideaal, maar de open liberale samenleving keren ze de rug toe. ‘Orbán heeft weinig op met het westerse mensenrechtendiscours.’

    In de zomer van 1992 bracht een 29-jarige Hongaar met politieke ambities voor het eerst een bezoek aan de VS. Zes weken lang toerde hij met een coterie van jonge Europeanen door het land op kosten van het German Marshall Fund, een Amerikaanse denktank voor trans-Atlantische samenwerking. 

    Viktor Orbán was al lange tijd gefascineerd door Amerika, maar toen het gezelschap door het centrum van Los Angeles liep, dat nog aan het bijkomen was van de Rodney King-rellen twee maanden eerder, leek hij niet erg betrokken en onder de indruk. Een Nederlandse journalist die ook aan de reis deelnam herinnert zich dat de Oost-Europeanen in de groep hun daggeld liever aan ‘een walkman en andere elektronica’ besteedden dan aan eten of dure hotels. De vrije markt en geavanceerde technologie spraken Orbán duidelijk meer aan dan de Amerikaanse strijd voor gelijkheid, gerechtigheid en de rechten van mensen van kleur.

    Dat het lot van westerse minderheden Orbán koud liet werd nog duidelijker tijdens een rondleiding door het reservaat van de Umatilla-indianen in Oregon. Orbán en een van zijn reisgenoten, de Poolse journaliste Malgorzata Bochenek, luisterden naar de klachten over economisch onrecht. Hij reageerde met vragen over landverdeling. Waarom ontwikkelden de inheemse stammen geen strategie om hun gemeenschappelijke grond te gelde te maken? Dat hadden kleine Hongaarse pachtboeren zoals zijn ouders tenslotte ook met de collectieve landbouwbedrijven gedaan na het eind van het communisme. Orbán begon een businessplan voor het reservaat te ontvouwen, maar toen de Umatilla met wie hij sprak niet enthousiast genoeg reageerden, verloor hij algauw zijn belangstelling.

    Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden

    Wat Orbán het meest fascineerde tijdens de rest van de trip was de hogere politiek. De rondreis eindigde in juli in New York City, waar hij de Democratische Nationale Conventie bijwoonde en Bill Clinton genomineerd zag worden op de klanken van Don’t Stop van Fleetwood Mac. Deze opwindende gebeurtenis maakte veel indruk op Orbán. Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden.

    De aard van de aantrekkingskracht die het Westen op jonge Oost-Europeanen uitoefende was in die tijd aan het veranderen. In 1989, toen Orbán in Oxford studeerde met een beurs van de Soros Foundation, stonden de westerse waarden van de Koude Oorlog – gedereguleerd kapitalisme, sociale stabiliteit en nationale tradities – nog fier overeind. Dat waren de waarden die hij mee terug wilde nemen naar zijn vaderland. Drie jaar later, tijdens zijn rondreis door de VS, was er een kentering merkbaar. Hoewel de vrije markt nog oppermachtig was, waren de Europese en Noord-Amerikaanse cultuur introspectiever geworden. Orbán stond achter de clintonistische benadering van economie en bestuur, maar hij had weinig op met het westerse mensenrechtendiscours, de discussies over gender en ras of de erfenis van kolonialisme en de holocaust.

    Orbáns enthousiasme voor de Amerikaanse economie en zijn onverschilligheid jegens Amerikaanse culturele aangelegenheden waren een voorbode van de richting die Hongarije en Polen de volgende decennia uiteindelijk zouden inslaan. In de jaren negentig gingen de twee landen de rest van Oost-Europa voor in een economische shocktherapie, met verdergaande markthervormingen dan hun westerse adviseurs eisten. Maar in cultureel opzicht kozen Polen en Hongarije een conservatievere koers. Het gevolg is dat beide landen zichzelf als in- en in-Europees zijn blijven zien, ook al zijn ze steeds meer afstand gaan nemen van het liberalisme van de EU.

    Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek

    Tien jaar nadat ze samen met Orbán het Umatilla-reservaat in Oregon had bezocht, werd Malgorzata Bochenek adviseur van de Poolse president Lech Kaczynski, samen met zijn broer Jaroslaw de oprichter van de conservatief-nationalistische partij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) die nu de steun van bijna 45 procent van het Poolse electoraat geniet. Orbáns partij Fidesz bezet een supermeerderheid van twee derde van de zetels in het Hongaarse parlement. Beide partijen voeren een overeenkomstig beleid: het aanstellen van regeringsgezinde rechters en journalisten bij rechtbanken en media; het verdrijven van linkse en liberale ngo’s, academici en universiteiten; het schenden van het EU-handvest van de grondrechten door het beperken of verbieden van abortus en het niet wettelijk erkennen van transgenders; en het negeren van pogingen van Europese instituties om hen voor deze provocaties aansprakelijk te stellen.

    Tegelijkertijd staan vier op de vijf burgers van Polen en Hongarije achter het EU-lidmaatschap van hun land. Het is de anti-liberalen in Boedapest en Warschau te doen om autonomie binnen Europa, niet om onafhankelijkheid daarbuiten.

    Hoe komt het dat de revolutionairen van 1989 in de jaren tien en twintig van deze eeuw zo teruggrijpen op oude nationalistische waarden? Er is een aantal antwoorden op deze vraag, variërend van geleidelijke vervreemding, of een gedwongen terugkeer naar het eigenbelang als gevolg van een externe shock, tot de puberale opstand van leerlingen tegen hun voormalige leraren.

    In hun boek Falend licht uit 2019 pleiten de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en de Amerikaanse hoogleraar rechten Stephen Holmes voor de opstandhypothese. Zij betogen dat de overgang van het communisme naar de kapitalistische democratie werd gedreven door ‘liberalistische na-aperij’. De Oost-Europeanen namen de gewoonten, normen en instituties van de westerse wereld over om deelgenoot te worden van de welvaart en vrijheid daarvan. Het probleem, volgens Krastev en Holmes, was dat onderwerping aan dit ‘imitatiegebod’ tot ‘inherente spanningen’ leidde en ‘emotioneel belastend’ was. Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek. Onder invloed van dit vernederende minderwaardigheidscomplex grepen Orbán en Kaczynski de economische en migratiecrises uit de periode 2008-2015 aan om het westerse liberalisme te verwerpen en met een illiberaal alternatief te komen.

    Groot-Hongarije

    Krastev en Holmes zien de emigratie uit centraal Oost-Europa als een bepalende factor voor de aantrekkelijkheid van nationalistische politiek. De decennialange braindrain, zo betogen ze, heeft tot een demografische paniek geleid die volgens hen de angst voor de komst van immigranten uit het Midden-Oosten en Afrika aanwakkert. Vooral in Hongarije is de anti-immigratiepolitiek inderdaad hand in hand gegaan met pogingen de bevolkingsafname als gevolg van lage geboortecijfers en emigratie te remmen. Orbán heeft een ambitieus en populair gezinsbeleid ontwikkeld met maatregelen als nationalisatie van ivf-klinieken en genereuze leningen en belastingvrijstellingen voor jonggehuwden en grote gezinnen. Ook heeft hij burgerrechten verleend aan meer dan een miljoen in Slowakije, Roemenië, Kroatië, Servië en Oekraïne woonachtige etnische Hongaren en daarmee een diasporisch, door Fidesz geleid maatschappelijk middenveld gecreëerd in wat Hongaarse nationalisten als een ‘Groot -Hongarije’ beschouwen.

    Maar andere landen hebben miljoenen burgers zien emigreren zonder tot illiberalisme te vervallen. Letland is tussen 1989 en 2017 27 procent van zijn bevolking kwijtgeraakt, Litouwen 22,5 procent, Kroatië 22 procent en Bulgarije 21 procent. Maar deze staten aan de Oostzee en in de oostelijke Balkan zijn niet in dezelfde mate veranderd als Polen en Hongarije. Hoewel ook daar een oude nationalistische tendens bestaat, is die niet dominant geworden in de nationale politiek. In Bulgarije is een EU-gezinde protestbeweging afgelopen lente als tweede geëindigd bij de parlementsverkiezingen en de vertrekkende premier van het land, Boyko Borisov, heeft benadrukt dat hij wil dat de ‘Euro-Atlantische oriëntatie van het land duidelijk zichtbaar is’. In Roemenië, waar een vijfde van de bevolking sinds 1990 is vertrokken, zijn geen sterke mannen dominant maar fanatieke corruptiebestrijders en protesterende EU-aanhangers. Polen en Hongarije daarentegen, waar het illiberalisme het verst gevorderd is, kennen de laagste netto emigratiepercentages in de regio.

    Migratie doet de hang naar oude nationalistische waarden herleven, maar is geen afdoende verklaring voor de bredere crisis van het liberalisme. Anti-immigratiebeleid wordt in de meeste Europese landen gevoerd. Maar ondanks een algemeen anti-immigratiesentiment is het alleen in het VK, Polen en Hongarije dat nationalistische regeringen uit de Europese Unie zijn gestapt dan wel de waarden daarvan hebben afgezworen, en alleen in Boedapest en Warschau liggen het liberale maatschappelijk middenveld en de rechtsstaat onder vuur. Kaczynski en Orbán nemen niet vanwege hun chauvinisme een bijzondere plaats in onder de Europese nationalisten, maar vanwege hun autoritaire optreden tegen opponenten in eigen land en tegen Europese en internationale instituties.

    In 2002 was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen

    De regeringspartijen in Polen en Hongarije voeren een breuk met het verleden door die in hun eigen ogen radicaler is dan de schijntransitie van 1989. Het antiliberale nationalisme in Oost-Europa is meer dan een uitbarsting van onbeheersbare hartstochten. Net als in 1989 wordt gedacht dat er sprake is van een historische opdracht en dat het eind van het communisme alleen maar het begin van de weg naar nationale bevrijding was. Het feit dat deze ideeën werden gevormd tijdens het transitiedecennium duidt er ook op dat de illiberale democratie een gericht project is en niet alleen reactief, met duidelijke eigen ideologische doelstellingen.

    De opstand tegen het liberalisme begon in de late jaren negentig en het begin van deze eeuw, toen steeds meer rechts georiënteerde Polen en Hongaren op een radicalere breuk met het verleden begonnen aan te dringen. Tijdens Orbáns eerste premierschap, van 1998 tot 2002, toen Fidesz samen met de conservatieve Partij van Kleine Landbouwers (FKgP) regeerde, werden holocaustontkenning en racisme jegens de Roma aangemoedigd en steun uitgesproken voor de extreemrechtse regering van Jörg Haider in het naburige Oostenrijk. Maar omdat de Hongaarse economie gestaag groeide en het land in 1999 lid werd van de NAVO, werd het rechtse beleid van het kabinet al snel vergeten in de westerse hoofdsteden.

    In 2002, toen hij de verkiezingen nipt verloor van de socialisten, was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen. Toen Hongarije in 2004 lid werd van de EU, vloeiden er enorme sommen Europees geld naar een groep liberale politici rond de centrumlinkse premier Ferenc Gyurcsány, een econoom die in de jaren tachtig leiding gaf aan de communistische jeugdbeweging KISZ. Tijdens de transitie van communisme naar democratie hadden Gyurcsány en zijn oude kameraden een klein fortuin verdiend met pop-up-adviesbureaus die luisterden naar namen als Eurocorp International Finance Inc. Rond 2004 waren ze vaste gasten in Davos. Hoewel zo’n door opportunisme gedreven economische gedaanteverwisseling schering en inslag was in Midden- en Oost-Europa, maakten deze associaties het makkelijker voor Orbán om het Sovjetcommunisme en het Europese liberalisme af te schilderen als opeenvolgende vormen van buitenlandse overheersing.

    Net als in Hongarije zorgde de rol van Poolse post-communisten bij de versoepeling van de politieke transitie naar een liberale democratie uiteindelijk voor een radicalisering van rechts. In 1997 begonnen conservatieve denkers voor het eerst om een ‘vierde Poolse republiek’ te roepen ter vervanging van de derde herhaling van zetten die was gevolgd op het communisme. Vier jaar later stichtten Lech en Jaroslaw Kaczynski PiS, met de belofte de Poolse samenleving radicaal te zuiveren en politiek te vernieuwen. Doel van de Kaczynski’s was om de uitvoerende en wetgevende macht met volle kracht in te zetten voor een definitieve afrekening met de ‘besmetting’ van het staatssocialisme. Vele jaren lang had het Poolse constitutionele hof pogingen gedwarsboomd om staatsinstituties en het maatschappelijk middenveld te zuiveren van iedereen met communistische banden, een proces dat ‘lustratie’ werd genoemd. Deze bescherming werd gesteund door EU-wetten ter bewaking van de persoonlijke waardigheid en levenssfeer.

    Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit, maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen

    Maar toen PiS in 2005 voor het eerst aan de macht kwam, werd de lustratie geïntensiveerd. Er kwam een wetsvoorstel dat ervoor zou hebben gezorgd dat 350.000 ambtenaren, journalisten, academici, leraren en directeuren van staatsbedrijven vroegere communistische banden hadden moeten erkennen, hoe oppervlakkig ook, op straffe van baanverlies. Massaal verzet van de progressieve Poolse elite tegen deze zeer ingrijpende zuivering zorgde er mede voor dat de Kaczynski’s in 2007 het veld moesten ruimen voor het liberale pro-Europese Burgerplatform van Donald Tusk.

    Deze eerste mislukte poging om de Poolse samenleving grootscheeps te zuiveren vormt de achtergrond van de hernieuwde aanval die PiS sinds 2015 op het Poolse rechtssysteem onderneemt en die meer internationale aandacht heeft getrokken dan de eerdere. Maar de illiberale agenda van PiS was niet, zoals Krastev en Holmes doen voorkomen, een reactie op het imiteren van het Westen. Het is juist het verlangen van de Poolse antiliberalen naar een grondiger uitbanning van het communistische verleden, zonder acht te slaan op de beschermende EU-wetten, dat hen ertoe heeft gebracht de rechtbanken en de progressieve burgerbeweging van het land onder vuur te nemen. Net als in Hongarije heeft precies datgene wat de transitie van communisme naar een liberale democratie zo vreedzaam heeft doen verlopen, het onderhandelingsproces, een kliek rechtsnationalistische opstandelingen gekweekt die de mythe verspreidt dat er in 1989 geen zuivere machtsoverdracht heeft plaatsgevonden, maar een massale rehabilitatie van de elite. Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit – iets waaraan de Polen nooit hebben getwijfeld – maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen.

    Uiteindelijk heeft het Poolse en Hongaarse verzet tegen EU-normen en individuele burgerrechten niet tot een overeenkomstig verlangen naar economische soevereiniteit geleid, zoals bij de Brexiteers. De Brusselse geldkraan is simpelweg te aanlokkelijk. Ook al heeft Orbán liberale instituties ontmanteld, toch heeft hij enorme sommen EU-geld weten aan te trekken om het bedje te spreiden voor een loyale oligarchie van Fidesz-getrouwe tycoons en agrarische ondernemers. Ook conservatieve nationalisten in Polen hebben materiële steun binnen geharkt van een politieke en economische unie waarvan ze de invloed steevast laken.

    Deze ongevoeligheid voor politiek gedrag is het gevolg van de manier waarop de EU geld aan haar leden verstrekt, namelijk in grote tranches die over een groot aantal jaren zijn verspreid volgens een van tevoren opgesteld bestedings- en investeringsplan; actuele politieke wrijvingen tussen nationale regeringen en Brussel zijn niet van invloed op deze langjarige financiële verplichtingen. Tussen 2007 en 2020 hebben Oost-Europese lidstaten 395 miljard euro ontvangen, waarvan de helft naar Hongarije en Polen is gegaan.

    Hoe moeilijk het is geworden om het illiberalisme binnen de EU te beteugelen bleek eind 2020. Terwijl EU-leiders een ongeëvenaard begrotings- en stimuleringspakket van 1,8 biljoen euro voorbereidden als reactie op de pandemie, lieten Boedapest en Warschau de onderhandelingen bijna ontsporen. Omdat ze bezwaar hadden tegen een mechanisme dat financiering automatisch aan wettelijke toetsing onderwierp, dreigden Polen en Hongarije de hele EU-begroting voor de komende zes jaar te vetoën.

    Als lidstaten betoogden Polen en Hongarije dat ze het volste recht hadden op hun aandeel in het financieringsplan; illiberale regeringen bleken de wettelijke en verdragsrechtelijke taal vloeiend te spreken. Uiteindelijk werd op het laatste moment de lont uit het kruitvat gehaald door middel van een ‘interpretatieve verklaring’ waarin werd gegarandeerd dat het wettelijke sanctiemechanisme moest worden goedgekeurd door het Europese Hof van Justitie voordat het kon worden toegepast. Of het daarvan zal komen is maar de vraag.

    Voorlopig zal de financiering aan betrekkelijk weinig regels zijn gebonden. De strijd tussen liberalen en illiberalen in Oost-Europa zal zich op zijn belangrijkste slagveld blijven voltrekken: de politieke, wettelijke en culturele instituties. Zoals de landelijke vrouwenstaking tegen het wettelijke verbod op abortus in oktober 2020 heeft aangetoond, is dit een noodzakelijk en belangrijk gevecht. Maar wat niet ter discussie staat, is het economische model van de regio. De liberalen en illiberalen zijn het erover eens dat na het eind van het communisme het kapitalisme de enige manier is om hun maatschappij verder te ontwikkelen.

    Bescherming en veiligheid

    Waar Krastev en Holmes het Poolse en Hongaarse verzet tegen het westerse liberalisme als een psychologische reactie beschouwen, komt de befaamde Duitse historicus Philipp Ther met een andere verklaring. Volgens hem is het nieuwe nationalisme niet zozeer een reactie op het imiteren van het Westen, als wel op de blootstelling van hele samenlevingen aan de grillen van de wereldmarkt. In zijn boek Das Andere Ende der Geschichte schrijft hij dat nationalistisch rechts een ‘coherent wereldbeeld heeft, dat kan worden gekenschetst als een pakket beloften dat bescherming en veiligheid biedt’.

    Ther stelt dat de snelle transitie van staatssocialisme naar vrijemarktkapitalisme een behoefte aan zelfbescherming heeft aangewakkerd. In 1993 en 1994 bleek tijdens verkiezingen in verschillende landen dat de bevolking in grote onzekerheid verkeerde. Poolse en Hongaarse kiezers kozen centrumlinkse kabinetten met flink wat ex-communisten erin, maar dat bood weinig bescherming. De Poolse privatisering vertraagde maar stopte nooit. In Hongarije drukte de nieuwe regering algauw een strenger bezuinigingspakket door. Een andere koers werd gevolgd in Slowakije, waar premier Vladimír Mečiar niet alleen brak met het neoliberalisme van zijn Tsjechische collega Vaclav Klaus, maar bovendien de verenigde Tsjecho-Slowaakse staat ontbond. Tijdens Mečiars bewind in de jaren negentig was Slowakije in alle opzichten een voorloper van het huidige illiberalisme, waarin populisme, nationalisme en beschermende welvaart werden gecombineerd om een steeds autocratischer bewind te verbloemen. Als gevolg van Mečiars eigenmachtige optreden werd Slowakije in 1999 ongeschikt geacht voor het NAVO-lidmaatschap; het land sloot zich vijf jaar later bij de organisatie aan dan zijn Midden-Europese buurlanden.

    De Oost-Europese transitie naar de vrije markt in de jaren negentig werd bemoeilijkt door de plaatselijke zwakte van de bij het liberalisme favoriete bewerkstelligen van een kapitalistische overgang, de onroerend goed bezittende bourgeoisie. De sociologen Iván Szelényi, Gil Eyal en Eleanor Townsley beschrijven deze uitdaging als ‘het creëren van kapitalisme zonder kapitalisten’. West-Europese geldschieters gaven aanvankelijk voorrang aan marktexpansie boven democratisering: van 1990 tot 1996 ging maar 1 procent van het internationale EU-hulpprogramma voor voormalige socialistische staten naar de financiering van politieke partijen, onafhankelijke media en andere burgerorganisaties. Maar waar de markten opbloeiden, bleef de middenklasse anemisch.

    Dertig jaar later zijn de voordelen van de vrije economie ongelijk verdeeld; de inkomenskloof tussen stad en platteland is in Oost-Europa groter dan waar ook op het continent. Maar het vrijemarktdenken is inmiddels alomtegenwoordig in de regio. In zijn beroemde toespraak van juli 2014, waarin hij de noodzaak van een ‘illiberale democratie’ voor Hongarije uiteenzette, voorspelde Orbán dat ‘samenlevingen die op liberale organisatieprincipes zijn gebaseerd de komende jaren hun concurrentiepositie in de wereld niet zullen kunnen handhaven en waarschijnlijk met een terugval zullen worden geconfronteerd’ en kondigde hij aan dat ‘we zoeken naar een organisatievorm die ons concurrerend zal maken in deze grote wereldrace’.

    Toch zou het verkeerd zijn deze overstap op wereldwijd kapitalisme geheel aan verwestersing toe te schrijven. In hun boek 1989: A Global History of Eastern Europe laten James Mark, Bogdan Iacob, Tobias Rupprecht en Ljubica Spaskovska er geen twijfel over bestaan dat het belang van de Oost-Europese elites bij het kapitalisme voorafging aan hun democratische gezindheid. Hervormingsgezinde bureaucraten tijdens de laatste jaren van het socialisme hadden hun blik vooral op Oost-Azië gericht. De successen van Deng Xiaopings China waren een voorbeeld voor de latere economische hervormingen van Gorbatsjov. In de jaren tachtig waren de marktgeoriënteerde hervormingen in Polen en Hongarije deels naar het voorbeeld van Zuid-Korea gemodelleerd, waar het autoritaire kapitalisme voor grote economische groei had gezorgd.

    Oost-Europa beschouwde niet alleen andere regio’s als zijn einddoel. De Oost-Europese transitie in de jaren negentig groeide uit tot een ‘nieuw wereldwijd scenario’ voor Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen. Van Mexico tot Zuid-Afrika, overal waren de Oost-Europese democratisering en economische liberalisering een lichtend voorbeeld voor zowel de regerende elite als de oppositie. Oost-Europeanen kwamen na verloop van tijd in een positie waarin ze hun eigen ervaring konden gebruiken om anderen te adviseren. In 2003 maakte de architect van de Poolse liberale hervormingen, Leszek Balcerowicz, een rondgang door Washington DC om te vertellen hoe de VS de Iraakse economie moesten oppeppen. Tijdens de Arabische Lente bezocht Lech Walesa Tunesië ‘om hun te vertellen hoe wij het hebben gedaan’, in de woorden van de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Radoslaw Sikorski, die zelf naar Benghazi vloog om de Libiërs van advies te dienen die Gaddafi hadden verdreven.

    Gemeenschappelijke Europese erfenis

    Het feit dat Oost-Europeanen uiteindelijk als ambassadeurs van het Westen optraden versterkte het idee dat 1989 een te lang uitgebleven terugkeer was naar een natuurlijk cultureel thuis. Maar die ommekeer was al lang voor het eind van het communisme in gang gezet. In de jaren zeventig en tachtig namen de Tsjecho-Slowaakse, Poolse en Hongaarse en elites en dissidenten steeds meer afstand van het anti-imperialisme en de socialistische solidariteit met de Derde Wereld, en legden ze steeds meer nadruk op hun ‘gemeenschappelijke Europese erfenis’.

    Deze focus op hoge Europese cultuur had duidelijk een zowel anti-Afrikaanse als anti-islamitische bijklank. In 1985 verklaarde de Hongaarse minister van Cultuur dat ‘Europa een culturele erfenis’ bezat, ‘een specifieke intellectuele hoedanigheid, namelijk het Europese karakter’. Tijdens een bezoek aan Boedapest twee jaar later kreeg de Spaanse koning Juan Carlos de vestingwallen te zien die de Habsburgse troepen in 1686 op de Ottomanen hadden veroverd, een communistische lofzang op de strijd van het christelijke Europa tegen de islam. Naar aanleiding van de gewelddadigheden van de moedjahedien verklaarde de Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu dat de islamitische wereld ‘miljarden fanatiekelingen telt. Een langdurige oorlog kan het gevolg zijn.’

    Ondertussen vielen Roemeense ballingen Ceaușescu zelf aan als een buitenlandse heerser die hun land een ‘tropisch despotisme’ had opgedrongen. De dissident Ion Vianu schreef in 1987 dat ‘het huidige Roemenië meer op een Afrikaans dan een Europees land lijkt’. Hij hekelde ‘de desorganisatie van het openbare leven, het onvermogen van de regering om het niveau van het oude continent te bereiken; de staat van de wegen, de smerigheid van de straten, de lege winkels, de wijdverbreide corruptie; de willekeur van de politie’. Dit alles, schreef hij, deed hem aan Haïti denken. ‘Roemenen met westerse idealen zijn een soort zwijgende meerderheid in het huidige Roemenië.’

    Voordat er een eind kwam aan het communisme had bij veel Oost-Europeanen al een nieuw gevoel van culturele verwantschap postgevat. Deze toenemende identificatie van hun respectievelijke banden met Europa en het christendom verklaart waarom de anti-immigratieretoriek over een ‘Fort Europa’ dat migranten uit Afrika en het Midden-Oosten buiten moet houden, het afgelopen decennium zo’n vruchtbare bodem heeft gevonden in de regio.

    Gesloten samenlevingen

    Om die reden stond het jaar 1989 uiteindelijk voor een moment waarop Oost-Europa zich afsloot voor oude invloeden en zich openstelde voor nieuwe ideeën. De socialistische planeconomie en de internationale solidariteit met ontwikkelingslanden werden vaarwel gezegd, terwijl identificering met een smallere Europese beschaving gepaard ging met integratie in de geliberaliseerde wereldeconomie. Momenteel is deze combinatie van open en gesloten kenmerken nog altijd zichtbaar in Oost-Europa. Hongarije is het duidelijkste voorbeeld van deze hybride benadering: onder Orbán heeft het land het liberale idee van een open samenleving verworpen, maar onderhoudt het desondanks nauwe banden met de transnationale Europese auto-industrie en, via de EU en NAVO, met de militaire netwerken van het atlanticisme.

    Orbán heeft de vragen over zijn internationale loyaliteit gecompliceerd door nauwe banden met Moskou en Beijing te onderhouden. Rusland voorziet Hongarije van energie, terwijl Chinese staatskapitalisten een regionale hub van het land hebben gemaakt voor de pogingen van Huawei om de 5G-technologie over Europa uit te rollen. Ook is Boedapest het eindstation van de nieuwe Balkanspoorweg die van de Griekse havenstad Piraeus door Belgrado loopt, onderdeel van het Chinese Belt & Road Initiative, een wereldwijd infrastructureel project ter bevordering van de handel. De aanleg van deze vrachtspoorlijn kost 2 procent van het Hongaarse bnp, het grootste investeringsproject in de Hongaarse geschiedenis.

    Halverwege maart 2020, toen het coronavirus zich door Europa verspreidde, sloot Hongarije zijn grenzen voor niet-ingezetenen. Tijdens de Hongaarse lockdown waren de enige buitenlanders in het land driehonderd Zuid-Koreaanse ingenieurs die de versnelde opening moesten afronden van de tweede fabriek in het land die accu’s voor elektrische voertuigen produceert.

    Koreaanse conglomeraten zijn recentelijk in Hongarije en Polen neergestreken als hoofdleveranciers van accu’s voor de Europese auto-industrie. Omdat VW, Audi, BMW, Mercedes-Benz en Renault zaten te springen om accu’s, lichtte ook de Poolse regering de hand met de quarantaineplicht zodat specialisten van het Koreaanse chemiebedrijf LG Chem konden doorgaan met de bouw van een enorme fabriek in de buurt van Wroclaw, een 2,8 miljard euro kostend project dat wordt gesteund door de Europese Investeringsbank. 35 jaar nadat Oost-Europese economen Seoel als een voorbeeld van autoritair kapitalisme bestempelden, lopen de industriële reuzen van Zuid-Korea de regio onder de voet.

    Sinds het begin van de pandemie waarschuwen liberale commentatoren geregeld voor het gevaar dat nationalisme en conflicten tussen grootmachten tot een ineenstorting van de internationale politieke en economische orde zullen leiden. Maar waarschijnlijker dan zo’n dramatische deglobalisering is dat we overal op de wereld nationalistische leiders zullen zien die politiek gesloten samenlevingen bouwen op de grondvesten van een open economie: een globalisering zonder globalisten.

    ANP 359374329 kopie 3 e1628082175797
    Voormalig president Bill Clinton en de Hongaarse premier Viktor Orban beantwoorden vragen tijdens een fotosessie voorafgaand aan hun Oval Office-ontmoeting in het Witte Huis in 1998. © Paul J. Richards / AFP
  • De open brief die een einde moest maken aan de afrekencultuur

    De open brief die een einde moest maken aan de afrekencultuur

    De open brief in Harper’s Magazine die Thomas Chatterton Williams schreef om zich uit te spreken tegen de onverdraagzaamheid in de ‘vrije uitwisseling van informatie en ideeën’ veroorzaakte een lawine aan reacties. Critici zagen een sinistere poging de landelijke discussie over raciale rechtvaardigheid na Black Lives Matter te ondermijnen. Bewees Chatterton hiermee zijn eigen gelijk?

    Wat ging er om in het hoofd van Thomas Chatterton Williams toen hij besloot om een korte open brief te schrijven over de gevaren van het liberalisme en het vrije debat, en om enkele gelijkgestemde intellectuelen te vragen die te ondertekenen?

    Hij dacht aan de Poetry Foundation, van wie de leiders terugtraden nadat hun verklaring van vier zinnen ter ondersteuning van Black Lives Matter als te halfslachtig werd bestempeld door de meer dan achttienhonderd mensen die een petitie tekenden. En hij dacht aan de National Book Critics Circle, waarvan het bestuur struikelde over hun poging een dergelijke verklaring op te stellen.

    Hij dacht aan David Shor, een politiek analist die werd ontslagen na een tweet over een onderzoek waarin werd geopperd dat de verkiezingen van 1968 dankzij gewelddadige straatprotesten waren uitgevallen in het voordeel van de Republikeinen; hij dacht aan Colin Kaepernick, een quarterback die uit de NFL werd gezet na zijn antiracisme-protest bij conservatieve fans in het verkeerde keelgat was geschoten.

    ‘In het bredere politieke spectrum hoorde je overal de roep om meer controle en minder ruimte om je te uiten,’ zegt Williams, een cultuurcriticus die uitvoerig over ras heeft geschreven.

    Daarom stelde hij samen met vier anderen ‘A Letter on Justice and Open Debate’ op – waarin wordt gewaarschuwd dat ‘de vrije uitwisseling van informatie en ideeën’ wordt beknot door ‘een onverdraagzaamheid jegens tegengestelde meningen, een trend om mensen publiekelijk aan de schandpaal te nagelen’ en ‘een tendens om complexe politieke vraagstukken terug te brengen tot een rigide moreel standpunt.’ De brief, die op 7 juli werd gepubliceerd door Harper’s, is ondertekend door 153 bekende mensen uit de wereld van de wetenschap, media en cultuur. Er staan namen onder als Noam Chomsky, Gloria Steinem, Margaret Atwood, Salman Rushdie en Wynton Marsalis.

    De reacties kwamen snel en waren venijnig – en voor veel van de ondertekenaars zeer onverwacht.

    De brief werd allerminst enthousiast onthaald als een hoogstaand eerbetoon aan vrijheid van meningsuiting en de positieve effecten van het politieke debat, maar neergesabeld omdat hij een boodschap zou uitdragen waarvan de auteurs bezweren dat ze die nooit zo hebben bedoeld. Sommige mensen zagen er een sinistere poging om de landelijke discussie over raciale rechtvaardigheid te ondermijnen. Transgender-activisten zagen de brief als een verhulde aanval op hun gemeenschap. Links las hem als de aloude aanklacht tegen politieke correctheid. Een paar ondertekenaars wilden hun naam weer laten weghalen toen ze zich ineens in het kamp leken te bevinden van hun ideologische vijanden. 

    Maar de meest vernietigende kritiek kwam van cynici die de brief afdeden als een afspiegeling van het gekwetste ego van de beroemde ondertekenaars – die zich door social media ineens gedwongen zagen te reageren op kritiek van de gewone man, en die het gevoel hadden dat daarmee hun eigen vrijheid van meningsuiting onder druk kwam te staan.

    Hoe dan ook heeft de brief ruime aandacht gekregen, redeneert Williams. ‘Drie alinea’s zouden nooit wereldwijd zoveel weerklank vinden als de inhoud geen hout zou snijden,’ zegt hij.

    Sommigen zagen de reacties al van verre aankomen. Bari Weiss hoogst waarschijnlijk ook – al valt te betwijfelen of dat haar ervan zou hebben weerhouden te tekenen. De brief verscheen een week voordat deze opinieredacteur van de New York Times op dramatische wijze ontslag zou nemen, met een eigen ingezonden brief waarin ze scherp uithaalde naar de redactie, die volgens haar de oren zou laten hangen naar twitteraars die met alle geweld willen vasthouden aan een links-orthodoxe koers en naar collega’s van de Times die haar zouden hebben getreiterd omdat zij – in haar eigen woorden – voor het midden koos.

    Maar goed, Weiss is ook weer iemand die graag de confrontatie mag opzoeken. Haar specialiteit bij de Times was deels het aankaarten van de afrekencultuur. Ze maakte zich sterk voor het werk van het ‘intellectuele dark web,’ dat volgens haar door de mainstream media werd gemeden vanwege de heersende opvattingen. En toen online critici haar wezen op bepaalde denkfouten in haar stukken, deed ze dat af als een aanval van een linkse ‘bende’.

    De laatste tijd organiseerde ze met enige regelmaat etentjes in de Comedy Cellar in Manhattan, waar gelijkgestemde bekendheden hun ongenoegen konden delen. Een van die avonden werd voortgezet in het huis van schrijfster Katie Roiphe, in Brooklyn. Dit samenzijn werd schertsend de ‘Thought Crimes Party’ genoemd, verwijzend naar George Orwells 1984, en zowel de lijst van aanwezigen als de besproken onderwerpen waren off the record. Het feestje ging door tot twee uur ’s nachts, zegt Roiphe, en iedereen had het reuze naar zijn zin.

    Enkele anderen, die zich wel kunnen vinden in Williams’ boodschap, neigen veel minder naar Weiss’ strijdlustige aanpak.

    ‘Dit is geen al te beste timing,’ aldus Robert Reich, econoom en voormalig minister van werkgelegenheid, die zich achter de geest van de brief schaarde, maar toch weigerde te tekenen.

    De brief sluit aan bij enkele controverses die vragen oproepen over de grenzen van wat nog acceptabel is binnen de politieke strijd. Zo was er op 7 juni het opstappen van James Bennet, de redacteur van de opiniepagina van de New York Times, na grote onenigheid binnen de redactie omdat Bennet een ingezonden stuk had geplaatst van Tom Cotton (de Republikeinse senator van Arkansas), die zich een voorstander verklaarde van het sturen van troepen naar steden waar de demonstraties op rellen waren uitgelopen. Later erkende Bennet dat hij het stuk niet had gelezen voordat het werd geplaatst en zei hij dat het niet voldeed aan de criteria van de krant. 

    En op dezelfde dag dat Weiss ontslag nam, zorgde de semi-conservatieve schrijver Andrew Sullivan voor bijna net zoveel ophef met de mededeling dat hij opstapte bij New York Magazine omdat ‘mijn collega’s niet langer met me willen samenwerken.’ (De hoofdredacteur, David Haskell, formuleerde het iets neutraler: ‘Het publiceren van conservatief getinte stukken… is een delicate kwestie in 2020.’)

    De brief viel ook midden in de anti-racismedemonstraties die in steeds meer Amerikaanse steden om zich heen grepen – protesten die zich aanvankelijk richtten tegen op het politiegeweld, maar die de katalysator werden voor een bredere herijking binnen culture instellingen en mediabedrijven, waarbij een al veel langer sluimerende ontevredenheid over ongevoeligheden en salarisongelijkheid naar buiten kwam.

    Reich omschrijft dit als ‘een ontkiemende beweging van mensen van kleur die de rest van Amerika iets duidelijk maakt over systemisch racisme, en van vrouwen die zich moedig teweer stellen tegen systemisch misbruik.’ Hij vreesde dan ook dat de brief ‘het risico in zich droeg om, al was het nog zo indirect, die mensen af te schilderen als obstinaat of overgevoelig.’

    En inderdaad hebben veel lezers die boodschap meegekregen in de derde zin van de brief. Daar staat dat ‘deze hoognodige herijking’ (en die is echt hoognodig, haastten de auteurs eraan toe te voegen) heeft geleid tot ‘een versterking van een nieuw stelsel van normen en waarden… dat onze norm van een open debat waarin ruimte is voor verschillen dreigt te ondergraven, ten gunste van ideologische conformiteit.’

    De reden dat Jill Abramson niet heeft getekend? ‘Ik dacht dat de brief deel uitmaakte van een anti-wokeness-campagne, een tegenbeweging vermomd als vrijheid van meningsuiting,’ zegt de voormalig executive editor van de New York Times onomwonden.

    ‘IJdel, zelfgenoegzaam geneuzel,’ schreef Richard Krim, editorial editor van HuffPost, die ook weigerde te tekenen, ‘dat alleen de mensen die ze zeggen te willen bereiken, zou trollen.’ Een deel van het probleem schuilt in de vage formuleringen van de brief –mensen die volgens de ondertekenaars ten onrechte de mond werd gesnoerd of die aan de schandpaal waren genageld, werden niet bij naam genoemd: ‘Redacteuren worden ontslagen omdat ze omstreden stukken plaatsen; boeken worden van de markt geweerd omdat ze onwaarheden zouden bevatten; journalisten wordt belet over bepaalde onderwerpen te schrijven; er wordt een onderzoek ingesteld naar hoogleraren omdat ze tijdens colleges literaire werken hebben geciteerd; een onderzoeker is ontslagen omdat hij een peer reviewed wetenschappelijk onderzoek heeft laten rondgaan; mensen die aan het hoofd staan van een organisatie worden aan de kant gezet vanwege iets wat in sommige gevallen niet meer dan een onhandigheid is.’

    Over welke gevallen gaat het hier precies? Degenen die het opschreven, wisten dat. Of in ieder geval meenden ze het te weten. Verder moet iedereen zelf maar proberen duiding te vinden in de namen van de 153 mensen die de brief hebben ondertekend – van wie sommigen zich al diep in de meer omstreden wateren van het huidige politieke discours hadden gewaagd en al doende mensen tegen zich in het harnas hadden gejaagd. 

    Denk aan: J.K. Rowling, vooral bekend als de auteur van de Harry Potter-boeken, maar ook iemand die onlangs haar ongerustheid heeft uitgesproken over het groeiende aantal kinderen dat genderbevestigende zorg verlangt, en iemand die onlangs mopperde dat de zinsnede ‘mensen die menstrueren’ (als aanduiding van zowel vrouwen als transgender mannen) kwetsend was voor vrouwen – waarmee ze zich de woede op de hals haalde van enkele trans-activisten die er vervolgens, omdat Rowling ook had ondertekend, van uitgingen dat de hele brief een frontale aanval op hén was.

    Of neem Steven Pinker, een psycholoog aan Harvard die ook heeft ondertekend, en wiens provocerende uitspraken over de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen, en de gevolgen daarvoor voor de intelligentie, heftige reacties hebben opgeroepen. Een van die reacties bestond uit een petitie, getekend door 550 academici, om Pinker zijn leerstoel bij de Linguistic Society of America af te nemen, vanwege zijn tweets waarin hij beweert dat ras geen belangrijke rol speelt bij police shootings, en nog een handvol andere tweets die naar hun mening ‘een poging zijn de stem te smoren van mensen die hebben te lijden onder racistisch en seksueel geweld.’

    En dan is er natuurlijk nog Weiss zelf, die velen aan de linkerkant van het politieke spectrum tegen de haren in heeft gestreken met haar columns waarin ze zich uitspreekt vóór culturele toe-eigening en waarin ze de spot drijft met wat zij ziet als een links ‘kastestelsel’ – gebaseerd op de mate waarin bepaalde identiteitsgroepen zich erop kunnen beroepen onderdrukt te zijn.

    Naar later bleek hadden zelfs de auteurs van de brief verschillende drijfveren. Williams zal vermoedelijk de Poetry Foundation in gedachten hebben gehad, en George Packer zal Bennet in gedachten hebben gehad. ‘Dat hij onder druk was opgestapt en dat er vervolgens een huivering door de burelen van de New York Times trok, baarde ons zorgen,’ zei Packer. Hij refereerde ook aan het geval van Alexis Johnson, een van de weinige zwarte verslaggevers van de Post-Gazette in Pittsburgh, die van de redactie geen verslag meer mocht doen van de demonstraties tegen raciale ongelijkheid omdat hij een ironische tweet had geplaatst waaruit naar de mening van de hoofdredactie een vooroordeel sprak (ze had een foto geplaatst van een terrein dat vol troep was achtergelaten na een countrymusic-show, met een grappende verwijzing naar de recente hype over plunderingen). Packer, die voor de Atlantic schrijft, wil duidelijk maken dat het er haar om gaat op te komen voor ánderen die met onverdraagzaamheid worden geconfronteerd. ‘Er is niets persoonlijks aan deze brief of aan de ervaring van de vijf opstellers.’

    Packer zegt dat ze heel bewust  hebben geprobeerd handtekeningen te verzamelen van een eclectische groep intellectuelen – ‘een lijst die zo divers zou zijn, als je kijkt naar identiteit en politieke overtuiging, dat er niet één stempel op zou zijn te plakken, zodat niemand ons zou kunnen afdoen als een kliekje, of zou kunnen zeggen dat het altijd weer  dezelfde mensen zijn,’ zegt hij. ‘Ik wilde een lijst waarvan mensen zich zouden afvragen: “Wat bindt al deze mensen? Welke overtuiging hebben ze gemeen?”’

    Williams vroeg ook de conservatieve econoom Glenn Loury, hoogleraar aan Brown University, die zich gevlijd voelde maar bedankte voor de eer: Als conservatief had hij het gevoel dat het debat ‘heel erg beperkt was tot een bepaald clubje’ – te weten een clubje liberalen – ‘en ik maak niet echt deel uit van die club.’

    De opstellers, zegt Packer, wilden niet de indruk wekken zich kritisch op te stellen ten aanzien van de demonstraties tegen politiegeweld. Maar: ‘Je kunt erop wachten dat iemand je bedoelingen verkeerd interpreteert, want er zal altijd iemand zijn die je bedoelingen verkeerd opvat.’

    Drie dagen na de Harper’s-Brief ondertekende een groep van meer dan 150 journalisten, wetenschappers en schrijvers een reactie, waarin werd gesteld dat het Harper’s-Manifest voorbij ging aan de heersende machtsstructuren en aan het feit dat ‘gemarginaliseerde stemmen binnen de journalistiek, de academische wereld en de uitgeefwereld, al generaties lang de mond worden gesnoerd.’

    ‘Zwarte mensen, bruine mensen en LGBTQI+’ers – met name zwarten en transmensen – kunnen nu publiekelijk kritiek leveren op de elite en die ter verantwoording roepen,’ valt te lezen in de reactie. ‘Dat lijkt de grootste zorg van de briefschrijvers.’

    ‘Ik weet niet zo goed wat ik met die kritiek moet,’ zegt Williams, die bi-raciaal is. Hij heeft de lijst van ondertekenaars ‘ongekend divers’ genoemd, met namen als Reginald Betts, een Afro-Amerikaanse dichter en memoiresschrijver die acht jaar in de gevangenis heeft gezeten omdat hij op zijn zestiende een auto heeft gestolen; Orlando Patterson, een van oorsprong Jamaicaanse socioloog aan Harvard die erom bekend staat dat hij zich veel bezighoudt met rassenkwesties; en Kian Tajbakhsh, een Iraans-Amerikaanse hoogleraar urban studies aan Columbia, die jaren in Iran in de gevangenis heeft gezeten voordat hij terugkeerde naar de Verenigde Staten. ‘Het idee dat het zou gaan om een stelletje elitaire witten is uitgegroeid tot een retorische stellingname die geen recht doet aan wat we hebben neergezet,’ aldus Williams.

    Hoewel de Harper’s-brief de schuld niet expliciet bij de ‘afrekencultuur’ legt, is dat voor veel lezers wel de subtekst – een belangrijk aspect van het debat dat zorgt voor zoveel ophef binnen elitaire culturele instellingen.

    Voor sommigen staat de afrekencultuur voor een schrikbeeld van online bendes die erop aansturen dat mensen worden ontslagen om redenen die kunnen variëren van een oude tweet tot een onbenullige opmerkingen die niet strookt met een bepaalde progressieve opvatting die op dat moment in zwang is. Volgens anderen is dat helemaal niet aan de orde – zij zeggen dat die manier van formuleren alleen al een poging is om jongeren of minderheden of LGBTQ-groepen die gebruik maken van social media om de machtigen ter verantwoording te roepen, buiten spel te zetten.

    In bepaalde liberale kringen gaan alle haren overeind staan zodra het woord afrekencultuur valt, al helemaal nu conservatieven de bal meteen terugspelen. Toen nog tachtig medewerkers van de Post-Gazette uit Pittsburgh te horen kregen dat ze geen verslag mochten doen van de protesten omdat ze per tweet hun steun hadden betuigd aan Jones, kreeg het verhaal landelijke bekendheid en schoof de hoofdredacteur bij Fox News de schuld in de schoenen van de ‘Twitter mob’ – een klassiek eufemisme binnen de afrekencultuur – die hem zou hebben afgeschilderd als racist.

    Michelle Goldberg, een linkse columniste van de New York Times, wilde de brief pas ondertekenen toen een verwijzing naar de ‘afrekencultuur’ eruit was gehaald. Het specifieke probleem, zo schreef ze, zijn de gevallen waarin activisten niet alleen iemand op een verkeerde argumentatie wijzen, maar erop aansturen dat diegene wordt ontslagen. ‘Wat mij de meeste zorgen baart is de betrokkenheid van het humanresourcemanagement dat in een wurggreep wordt gehouden door snel veranderende normen over hoe mensen zich moeten uiten en hoe het debat moet worden gevoerd.’

    Jonathan Chait, een columnist bij New York Magazine, heeft niet getekend, maar dat is alleen omdat hij principieel weigert mee te doen aan open brieven. Hij is ook van mening dat links ‘in het debat over identiteitsvraagstukken tegenwoordig regels hanteert die het onmogelijk maken om welke beschuldiging van racisme of seksisme dan ook te weerleggen.’ Wie ergens van wordt beticht, zegt hij, ‘rest geen andere mogelijkheid dan zich binnen de discussie de verontschuldigende rol aan te meten.’

    Masha Gessen, die verschillende boeken over autocratie en totalitarisme op haar naam heeft staan, is niet gevraagd te tekenen – misschien omdat Gessen zich al in het openbaar had uitgesproken over de suggestie van de opstellers dat het fenomeen van social media die het debat de kop indrukken even kwalijk is als onderdrukking door de staat. ‘De totalitaire ideologie wordt gesteund door de macht van de staat,’ schreef Gessen in juni in de The New Yorker. ‘De demonstranten in de straten van de Amerikaanse steden, en de journalisten die achter hen staan, worden niet gesteund door de staat of door een institutionele macht. Integendeel: ze staan op elk vlak tegenover elkaar.’

    Yascha Mounk, die wel heeft getekend, onderschrijft het onderscheid dat Gessen maakt, maar hij waarschuwt dat links zich wel degelijk zorgen zou moeten maken over het onderdrukken van de vrijheid van meningsuiting, omdat hij heeft gezien hoe het van kwaad tot erger kan gaan. Mounk is expert op het gebied van populisme en illiberalisme aan de Johns Hopkins School for Advanced International Studies, en zijn grootouders hebben in Polen gevochten voor een communistisch regime dat zich uiteindelijk tegen hen keerde en hen tijdens antisemitische pogroms heeft gedeporteerd. Mounk weet als geen ander dat bewegingen die een nobel doel lijken na te streven, kunnen ontsporen. Hij ziet hoe de autoritaire tendensen onder Trump het debat aan de andere kant van het politieke spectrum vergiftigen.

    Enkele dagen voor het verschijnen van de Harper’s-brief lanceerde Mounk een online publicatie, Persuasion, gewijd aan het open debat. Meer dan 25 duizend mensen hebben zich aangemeld voor de mailinglist – veel meer dan hij had verwacht. Hij wil dat het een veilige haven wordt voor mensen die zich gemuilkorfd voelen door wat hij ziet als het inperken van de vrijheid van meningsuiting in mainstream publicaties.

    Schrijvers als… Bari Weiss of Andrew Sullivan, misschien?

    Die twee lijken inmiddels hun eigen veilige haven te hebben gevonden. Sullivan heeft laten weten dat hij terugkeert naar een onafhankelijk blogging platform. Weiss heeft, in een mail, laten weten dat ze goede hoop heeft een manier te vinden om te helpen ‘de ongekende honger te stillen naar eerlijke journalistiek en integere debatten.’ Nog geen specifieke bestemming, maar volgens vrienden zijn er investeerders die maar wat graag haar volgende project willen steunen.

  • Noord-Korea experimenteert met kapitalisme

    Noord-Korea experimenteert met kapitalisme

    Al jaren geleden werd in Noord-Korea een liberalisering van het economische systeem in gang gezet. Een journalist uit Hongkong ging ter plaatse kijken en gaf zich uit voor investeerder.

    Onder de grijze hemel strekt een vlak landschap zich tot in het oneindige uit. Een oude trein, afkomstig uit Dandong in de Chinese provincie Liaoning en met bestemming de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang, doorkruist het landschap onder het uitspuwen van rookpluimen.

    Het verstoort de rust van deze geïsoleerde plek. De wagon zit vol oude Chinezen die de Culturele Revolutie van 1966 tot 1976 nog hebben meegemaakt en die de afstand en de moeilijke reis trotseren om in Noord-Korea hun oude socialistische droom nieuw leven in te blazen.

    Dan komen er plotseling enkele vrouwen met gouden kettingen, met edelstenen bezette oorbellen en zijden blouses de coupé binnen. Vanwege hun reistassen van Hugo Boss en hun perfecte beheersing van het Mandarijn hield ik hen in eerste instantie voor Chinezen die een uitstapje maakten, maar vervolgens zag ik op hun borst een bordje gespeld met ‘Kim Il-sung, Kim Jong-il’, en dat verried hun identiteit. Een koude douche voor de groep oude Chinezen. ‘Voor nostalgie is geen plaats meer’, leek het verzorgde uiterlijk van deze Noord-Koreaanse vrouwen duidelijk te maken.

    Modelstad

    Het eerste halfjaar van 2018 was rijk aan opzienbarend nieuws op het Noord-Koreaanse schiereiland, maar nu was dan toch de tijd aangebroken voor de langverwachte opheffing van de sancties en de openstelling van het land. Een week voor de top tussen de Verenigde Staten en Noord-Korea begaf ik me naar vijf grote Noord-Koreaanse steden, waar ik me uitgaf voor investeerder.

    Gedurende deze dagen heb ik proefondervinderlijk kunnen vaststellen wat de deskundigen van internationale betrekkingen bedoelen als ze het hebben over de ‘risico’s’ (stroomuitval in het hotel, een geannuleerde vlucht…). Maar één ding blijft als een paal boven water: de Engelstalige boodschap van het ontvangstcomité: ‘We welcome foreign investment’.

    We vertrekken vanuit hotel Ryugyong.

    Deze piramidevormige wolkenkrabber van 105 verdiepingen in de wijk Potonggang van Pyongyang is onlangs op het elektriciteitsnet aangesloten – een hele gebeurtenis. Het is een prestigeproject dat een mooi beeld geeft van de staat van de Noord-Koreaanse economie. Het kostte niet minder dan dertig jaar om het hotel te bouwen; het werd ‘het langst durende bouwwerk uit de geschiedenis’ genoemd. De werkzaamheden lagen een tijdlang stil als gevolg van geldgebrek en diverse keren moesten delen weer worden gesloopt. Aan het interieur lijkt nog het een en ander te moeten gebeuren, maar de gevel kan als voltooid worden beschouwd.

    Als je naar een plattegrond van Pyongyang uit 2012 kijkt, ontbreken er drie verkeersaders: Changjon Street, Mirae Scientists Street (straat van de Toekomstige Wetenschappers) en Ryomyong Avenue. Deze straten zijn pas na 2012 aangelegd – overigens wel binnen een jaar, dankzij een mobilisatie van het leger. De ‘modelstad’ die Pyongyang is, blijft zich voortdurend vernieuwen: er worden nieuwe hotels gebouwd en andere gerenoveerd, en er worden nieuwe winkelcentra in gebruik genomen.

    Als de werkzaamheden zijn voltooid, hebben de rode slogans op een witte ondergrond van weleer dikwijls plaatsgemaakt voor in grijs graniet gegraveerde inscripties met een minder uitgesproken politieke connotatie. Het belang van de economie laat zich steeds sterker voelen en de skyline van Pyongyang blijft nauwelijks meer achter bij die van Hongkong.

    Duizenden Noord-Koreanen stromen toe voor de openingsceremonie van Ryomyong Street, een nieuw woongebied in Pyongyang met 5000 hypermoderne flats. – © Getty
    Duizenden Noord-Koreanen stromen toe voor de openingsceremonie van Ryomyong Street, een nieuw woongebied in Pyongyang met 5000 hypermoderne flats. – © Getty

    De ene wolkenkrabber na de andere schiet uit de grond, want volgens Noord-Koreakenners is Kim Jong-un commerciëler ingesteld en minder aan ideologie gehecht dan Kim Il-sung en Kim Jong-il, zijn grootvader en vader. Terwijl het land eerder voorrang gaf aan het leger en daarop mikte voor zijn ontwikkeling, heeft Kim Jong-un duidelijk te kennen gegeven dat hij ‘alle pijlen op de economie’ wil richten.

    Eerder al had de jonge leider in alle discretie enkele maatregelen genomen om de economie te liberaliseren, zoals het vaststellen van productiequota per huishouden, het toestaan dat landbouwers oogstoverschotten voor eigen gebruik behielden en het creëren van verscheidene speciale economische zones.

    Al moet de effectiviteit van deze maatregelen nog worden aangetoond, de inwoners van Pyongyang kunnen eindelijk op een andere manier door het leven. De mensen gaan niet langer gekleed in ‘de kleuren van het socialisme’ (zwart, wit, grijs of blauw) en de wachtkamer voor binnenlandse vluchten op Sunan International Airport biedt inmiddels een totaal andere aanblik dan die van uitgehongerde en sjofele Noord-Koreanen die ik had verwacht: de jonge moeders doen denken aan pas getrouwde Japanse vrouwen, met hun ton sur ton-outfits en hun westers geklede kinderen. Zelfs de ajumma (wat boerse vrouwen van middelbare leeftijd) pronken met tassen van Prada.

    Natuurlijk, het gaat hier maar om een minderheid van nieuwe rijken, maar in slechts zeven dagen heb ik kunnen constateren dat ook buiten de hoofdstad, zoals in Sinuiju, kinderen rondlopen op sneakers van Adidas. Zijn dat geïmporteerde producten die worden gedistribueerd door de staat? ‘Zeker niet, die hebben de mensen zelf gekocht’, zegt een inwoner. Het laat niet alleen zien dat ouders bereid zijn veel geld uit te geven voor hun kind, maar ook dat de Noord-Koreanen over talrijke kanalen beschikken om artikelen te kopen die zijn geïmporteerd.

    150 noord korea 1

    ‘Toen hij in 2011 zijn vader opvolgde als leider van Noord-Korea, kondigde Kim Jong-un niet aan dat hij het economische beleid van zijn land drastisch wilde veranderen. Dat beleid is in grote lijnen gehandhaafd, al zijn er onmiskenbaar veranderingen doorgevoerd’, meldt het Zuid-Koreaanse weekblad Sisa In. De Noord-Koreaanse economie zou langzaam gezonder worden, al ‘blijft het aandeel van de buitenlandse handel in de sterke ontwikkeling beperkt’.

    Er zijn verscheidene verklaringen gegeven voor deze verbetering: ‘Allereerst wordt op institutioneel niveau de vrije markt inmiddels getolereerd. Ook bemoedigend is dat de staat zijn investeringen heeft herverdeeld in het kader van een pragmatischere benadering, die voorrang geeft aan terreinen met een snel rendement. Bovendien heeft, naast de diversificatie van de in het land geproduceerde producten, de vooruitgang op het gebied van wetenschap en technologie positieve effecten, zoals de modernisering van talrijke sectoren.’

    Het blad licht toe: ‘Op de markten en in de winkels concurreren steeds meer lokaal gefabriceerde producten met producten die uit China zijn geïmporteerd. Apparaten waaraan nieuwe technologie te pas komt, hebben de wind mee dankzij de toegenomen welvaart van de beter gesitueerden, en de assemblage ervan vindt vaak plaats in het land zelf, met enkele geïmporteerde onderdelen.’ Ook op energiegebied zou de situatie sterk verbeteren, dankzij door de staat toegestane investeringen in de renovatie van hydro-elektrische en thermische centrales, evenals in duurzame energie.

    Volgens een andere inwoner kost een Adidas-outfit 200 dollar, ‘en dat kunnen de mensen nog betalen’. Al heeft de langdurige boycot verhinderd dat Noord-Korea veel buitenlands kapitaal kon aantrekken, toch is het land erin geslaagd talrijke buitenlandse producten naar zijn grondgebied te halen. Om de koopkracht van de Noord-Koreanen te meten is er geen betere maatstaf dan de spullen van Adidas.

    Wat het bruto binnenlands product per inwoner betreft, bevindt Noord-Korea zich op het niveau van Myanmar en Cambodja, de twee laatste landen met een autocratisch regime voordat ze hun handelsgrenzen opengooiden. ‘In 2017 bedroeg het gemiddelde jaarinkomen per inwoner 1500 dollar, maar volgens andere schattingen is dat 2000 à 3000 dollar’, zegt Rick Chu, de eerste academicus die onderwijs over Noord-Korea geeft in Taiwan.

    Volgens hem blijven de regionale verschillen groot en komt men, zodra men Pyongyang verlaat, in een andere wereld. Desondanks erkent de onderzoeker ‘dat de economische situatie van Noord-Korea de afgelopen zes jaar aanzienlijk is verbeterd’. Ik had nooit kunnen vermoeden dat ik zo veel dure merken (Gucci, Michael Kors, Louis Vuitton) zou tegenkomen tijdens mijn verblijf. In een kledingzaak aan Ryomyong Avenue telde ik een keur aan merken waarop de ‘buitenwereld’ jaloers kan zijn.

    Ook al gaat het bij deze merken veelal om fraaie kopieën, goedkopere luxeartikelen zijn volop aanwezig. De inwoners van de wijk, veelal docenten aan de Kim Il-sung-universiteit, zijn behoorlijk koopkrachtig. Volgens een inwoner die elke dag de winkels afgaat, ‘kun je beter iets kopen als je het ziet, want morgen is het er niet meer’. Je hoort geregeld dat Noord-Koreaanse vrouwen een voorkeur hebben voor Franse parfums en tassen van Hermès. Hier steken de mensen hun liefde voor dure merken niet onder stoelen of banken, al zijn die meestal nep. Als ik een tas van Hermès omdraai om de prijs te bekijken, lees ik ‘90 dollar’.

    Het is een beetje een déjà vu. ‘Noord-Korea doet denken aan China rond 1980’, zeggen veel analisten de laatste tijd, en ze constateren ‘een overdaad aan goede namaak’. In China konden maar weinig mensen in de jaren tachtig zich een echte Louis Vuitton veroorloven. Als het in een land dat economisch achterloopt beter begint te draaien, kunnen de burgers maar zelden echte producten betalen. Hoeveel Noord-Koreanen zouden deze ‘Hermès’ kunnen betalen als er twee nullen achter de prijs zouden staan? Het voorbeeld van China laat zien dat het tijd kost om consumenten van dure producten te kweken.

    Handelhausse

    Maar hoe heeft een land dat lange tijd onder een embargo gebukt is gegaan, zich zodanig kunnen ontwikkelen? Sinds 1995 publiceert Noord-Korea geen cijfers meer, maar Zuid-Korea maakt elk jaar een schatting. Daaruit blijkt dat Noord-Korea in 2016 een groei van 3,9 procent zou hebben gerealiseerd, de hoogste van de afgelopen zeventien jaar en hoger dan die van Zuid-Korea zelf.

    In feite is dit land ‘achter een ijzeren gordijn’ niet langer op zichzelf aangewezen: de handel met het buitenland beleeft een hausse en levert deviezen op. Noord-Korea exporteert voornamelijk wapens, drugs (met name heroïne) en steenkool. De wapens vinden vooral aftrek in Afrika, de andere twee producten in China. De lange duur van het embargo heeft de ‘immuniteit’ van Noord-Korea alleen maar versterkt, en de ‘Koreaanse rijkdom’ heeft zich steeds meer gediversifieerd.

    Het socialistische Noord-Korea kent allang geen planeconomie meer. ‘Rantsoenen zijn van twintig jaar geleden, alle mensen slaan hun slag op de zwarte markt’, legt een zekere meneer Kim me uit, rustig gezeten in zijn huis in Zuid-Korea. Ik interview hem via Skype over zijn leven in Noord-Korea, voordat hij de wijk nam naar het zuiden. Tijdens de grote hongersnood van de jaren negentig is het rantsoeneringssysteem bezweken: omdat de staat geen middelen meer had om in voedsel en andere basisbehoeften te voorzien, begonnen de mensen stiekem onderling handel te drijven.

    Volgens een enquête die de Nationale Universiteit in Seoul in 2015 hield onder Noord-Koreaanse vluchtelingen, kwam meer dan de helft van het voedsel in die tijd van de zwarte markt. Maar wat het meest opleverde, volgens meneer Kim, waren ‘drugs, artikelen voor dagelijks gebruik, Zuid-Koreaanse tv-series, usb-sticks en cd’s met K-pop’.

    Donju

    Deze zwarte markt heeft op een verkapte manier aan de wieg gestaan van de eerste generatie Noord-Koreaanse kapitalisten. Die maakten aanvankelijk naam met smokkelwaar, om vervolgens langzaam maar zeker geld te verdienen aan het doorverkopen van goederen. Tegelijkertijd werd hun handel steeds exclusiever, van eenvoudige zaken als mais tot bankbiljetten in buitenlandse valuta (deviezen).

    Twintig jaar later, na het vergaren van een flink fortuin, zijn ze ‘geldmeesters’ geworden, donju in het Koreaans. Ze vormen een opkomende kapitalistische klasse die zich vooral bezighoudt met grensoverschrijdende handel, bijvoorbeeld het samen met Chinezen exploiteren van mijnen, het met grote winstmarges exporteren van farmaceutische producten of thee naar Europa, of de handel in zeevruchten.

    De Noord-Koreaspecialist Andrej Lankov schat dat privéondernemingen 30 tot 50 procent bijdragen aan het Noord-Koreaanse bbp. Ook de gewone arbeiders profiteren van het nieuwe elan dat de donju aan de economie verlenen. De afgelopen tien jaar zijn de salarissen in de staatsbedrijven met meer dan 250 procent gestegen, en in de niet-officiële sector (zoals privéondernemingen) zelfs met 1200 procent. Dat schept nieuwe commerciële perspectieven voor de donju op de binnenlandse markt, met name voor consumptieartikelen van de lichte industrie.

    Noord-Korea is al lange tijd een geïndustrialiseerd land, maar voorheen waren politici geneigd voorrang te geven aan de zware industrie. Volgens de Duitse econoom Rüdiger Franck heeft Noord-Korea zijn lichte industrie herhaaldelijk opgeofferd aan de chemische en zware industrie. Vóór het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, aan het eind van de jaren tachtig, hielpen socialistische landen elkaar nog. Ook kon Noord-Korea, hoewel zijn lichte industrie niet in staat was aan de binnenlandse vraag te voldoen, kleding onder zijn inwoners distribueren, al was die qua snit niet bepaald origineel en qua kleur nog minder.

    De Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un opent Ryomyong Street. – © Getty
    De Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un opent Ryomyong Street. – © Getty

    Maar dat is allemaal verleden tijd. Als je over de grote avenues wandelt, zie je dat de Noord-Koreanen bijdetijds zijn geworden en liefhebbers van buitenlandse producten. Hoe komen ze daaraan? Via de vrije markt. De staat gedoogt dat mensen bedrijfjes beginnen, bijvoorbeeld een dameskledingwinkel. ‘Veel Noord-Koreaanse vrouwen zouden graag een winkel openen, maar ze laten zich vaak afschrikken door de administratieve rompslomp’, wordt me uitgelegd door een Noord-Koreaanse die vaak een handje helpt in dat soort winkeltjes.

    Talrijke plekken die onzichtbaar zijn voor de ogen van toeristen bruisen van de commerciële activiteit. Zo werd me in een wijk in de buurt van het Kim Il-sung-plein (die vanwege zijn vele wolkenkrabbers door buitenlandse inwoners ‘Pyongattan’ wordt genoemd, een samentrekking van Pyongyang en Manhattan) verteld dat een winkel daar zeer veel winst maakt met de verkoop van kleding van Uniqlo.

    Om succesvol te zijn in de verkoop van confectie in Noord-Korea, moet men twee belangrijke zaken in het oog houden. Ten eerste moeten de kleren voldoen aan de kledingregels: Noord-Koreaanse vrouwen dragen over het algemeen vrij elegante kleren die ze opluisteren met een broche. Ze dragen gewoonlijk jasjes die de armen bedekken en rokken die tot de knieën reiken. Strakke kleding is verboden, evenals kleding die lichaamsdelen bloot laat.

    In de tweede plaats verdient het aanbeveling om Japanse kleding te importeren, want als verstandige consumenten weten Noord-Koreanen dat die wereldwijd bekend staat om de kwaliteit.

    Ze mopperen over de Chinese producten van slechte kwaliteit die je aantreft op Taobao, de Chinese verkoopsite die tal van Noord-Koreanen hebben uitgeprobeerd.

    Europese producten daarentegen zijn te duur en hebben vaak een snit die niet beantwoordt aan de Noord-Koreaanse normen. Wel tref je artikelen aan van het Chinese merk Miniso, dat door sommigen in Hongkong wordt beschouwd als een illegale kopie van het Japanse Muji. Ze zijn erg gewild in Pyongyang, vooral bij de elite die zich de luxe kan permitteren, en worden veel verkocht door de winkels aan Ryomyong Avenue. Toch vertelde een vertegenwoordiger van het merk me dat het bedrijf geen filiaal in Noord-Korea heeft.

    De Chinezen hebben oog gekregen voor de enorme commerciële mogelijkheden die de stad biedt: ‘Je kunt een fortuin verdienen als je het goed aanpakt’

    Gezien de ontwikkeling die Noord-Korea doormaakt, is Pyongyang niet meer de enige bestemming waar de mensen naartoe stromen. Ze begeven zich ook naar Sinuiju, een stad die door zijn ligging in de buurt van het Chinese Dandong veelvuldig contact met Chinezen mogelijk maakt.

    Onder hun invloed hebben de mogelijkheden om via internet te communiceren zich vermenigvuldigd, en veel inwoners van Sinuiju zijn bekend met Taobao, het sociale netwerk WeChat en ‘Xi Dada’, zoals [de Chinese] president Xi Jinping wel in de volksmond heet. De Chinezen hebben oog gekregen voor de enorme commerciële mogelijkheden die de stad biedt: ‘Je kunt een fortuin verdienen als je het goed aanpakt’, vertrouwde een inwoner me toe. ‘Sinuiju is tamelijk vrij.’

    Hervormers

    De woorden ‘vrijheid’ en ‘kiezen’ maken steeds vaker deel uit van het dagelijkse spraakgebruik in Noord-Korea. In zijn boek See You Again in Pyongyang: A Journey into Kim Jong-un’s North Korea schrijft de Amerikaanse auteur Travis Jeppesen dat de donju een klasse vormen waarvan de regering niet op aan kan, omdat ze geen onvoorwaardelijke aanbidders van Kim Jong-un zijn en niet klakkeloos geloven wat de propaganda zegt.

    De hervormers zijn altijd bang geweest dat het ‘gif van het kapitalisme’ de Noord-Koreanen zal besmetten en tot oproer zal leiden. De term ‘donju’ heeft een zeer individualistische connotatie, die misplaatst lijkt in een land dat onbekend is met het begrip privébezit – maar geen enkele regel is heilig.

    De onroerendgoedsector beleeft inmiddels een ongekende bloei. Volgens Zuid-Koreaanse onderzoeksorganisaties geven verscheidene Noord-Koreaanse steden tot op zekere hoogte toestemming om onroerend goed in privébezit te nemen. Zo kent Pyongyang een regeling die transacties tussen particulieren toestaat. Ook Sinuiju en Nampo gedogen dat een deel van het bestand aan onroerend goed in privébezit overgaat.

    Maar laten we niet vergeten dat we in Noord-Korea zijn. ‘Natuurlijk, marktwerking wordt inmiddels oogluikend toegestaan, maar iedereen moet zich wel naar de staatsmarkt richten’, zegt de naar Zuid-Korea uitgeweken meneer Kim. De regering heeft privéhandel verboden; elke markt valt onder staatstoezicht, ‘zodat er belasting kan worden geheven’. De ‘onzichtbare hand’ begint zich te roeren in Noord-Korea, hetgeen Travis Jeppesen doet opmerken dat ‘als Noord-Korea een verdrag met de Verenigde Staten sluit, Kim Jong-un zelf misschien ook wel tot de gelederen van de donju zal toetreden’.

    Andrej Lankov op zijn beurt legt uit dat ‘privéondernemingen op zijn Noord-Koreaans ondernemingen in handen van de staat zijn, die worden geleid door iemand die een deel van de winst zelf mag houden en de rest moet afdragen aan de overheid’. Deze ondernemingen, die actief zijn in onroerend goed, de mijnbouw en zelfs het toerisme, werken geheel volgens een kapitalistisch model. Maar uiteindelijk heet de directeur… Kim Jong-un.

    CONTEXT: 1,46

    
… miljoen Zuid-Koreaanse won (ca. 1140 euro). Dit was het bruto nationaal product per inwoner van Noord-Korea in 2017, volgens berekeningen van de centrale bank van Zuid-Korea. Dat komt neer op 4,4 procent van de inkomsten per inwoner van Zuid-Korea.

    CONTEXT: Krimp

    In 2017 heeft de Noord-Koreaanse economie zwaar te lijden gehad onder de internationale sancties ten gevolge van de ballistische en nucleaire proeven van het land.

    Auteur: Lee Yun-yan

    Shun Po Monthly
    Hongkong | maandblad | monthly.hkej.com

    Het maandblad Shun Po (Hong Kong Economic Journal), dat sinds 1977 verschijnt, biedt lange reportages en onderzoeksartikelen op economisch gebied, maar ook over politiek, cultuur en maatschappij. Het richt zich voornamelijk op Hongkong en China, maar ook op de rest van de regio. Een deel van de artikelen is alleen toegankelijk via de website.

  • Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.

    Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het 
liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. 
De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van 
de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.

    Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een 
bijeenkomst aan Rutgers University, 
in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.

    Gevaren

    Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel 
die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.

    In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en 
kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het 
Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, 
verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat 
al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses 
bij de kop, maar ook verschillende 
politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante 
Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse 
theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.

    Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd 
op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij 
me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.

    Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement

    Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is 
privacy een groot goed. Precies om 
deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk 
opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.

    Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren 
we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.

    Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, 
en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld 
in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat 
is wat veel van de hardwerkende 
Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk 
op Trump gestemd.

    Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als 
je naar hun website kijkt, zegt Lilla. 
Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.

    Mark Lila
    Mark Lila

    Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.

    De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. 
De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet 
is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een 
destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.

    De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis 
en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en 
activistische bewegingen, en terug-
keren naar de politiek van partijen en instellingen.

    Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die 
de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later 
de obsessie, met identiteit, bracht de 
uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits-
politiek een verruiming, en geen 
vernauwing, van de sterk individualistische tendens.

    Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig

    Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets 
misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden 
dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het 
feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan 
Hispanics of dikke vrouwen. Of dat 
de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun 
volstrekt unieke zelfdefinitie.

    Daaruit volgt dat er binnen deze 
kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.

    Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in 
een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. 
Hij voerde verhitte discussies met 
zijn klasgenoten en wilde hun het 
religieuze licht laten zien.

    Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.

    Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de 
Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en 
kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig.

    Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit 
dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.

    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP
    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP

    Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen 
uit, maar bepleitten realistische, 
concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat 
er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de 
vijanden van de vijanden van de 
arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk 
veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’

    Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School 
of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.

    Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’

    En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de 
Democraten echt iets mee kunnen.

    Ontmanteling van coalities

    Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van 
Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet 
het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.

    Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van 
de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een 
paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.

    De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt 
van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was 
overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
    Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote 
deel van de hoogopgeleide Amerikanen 
verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.

    Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, 
‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’

    Auteur: Gadi Taub
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    ‘Sign of the Times: The struggle for Identity’.
    Stadsschouwburg, 2 juni, 20.30

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 
1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • 5. Polen maakt jacht op communistische symbolen

    5. Polen maakt jacht op communistische symbolen

    Of het nu om Lenin gaat of Karl Marx, de regerende Poolse conservatieve partij is vastbesloten alle herinneringen aan het communistische verleden uit te wissen.

    Dankzij een in de lente van 2016 aangenomen wet hadden de Poolse steden tot 2 september van dit jaar om alle straten, gebouwen en openbare plekken om te dopen die ‘personen, organisaties, evenementen of data eren die gelieerd zijn aan het communisme of een ander totalitair regime’.

    Deze wet past bij de manier waarop de ultraconservatieve partij Recht en Rechtvaardigheid (Pis), die sinds bijna twee jaar in Polen aan de macht is en het vaste voornemen heeft de revolutie van 1989 te vervolmaken, omgaat met het verleden. Volgens de PiS werd er tijdens de onderhandelingen die destijds tot een vreedzame overgang van communistische dictatuur naar democratie leidden, onvoldoende gebroken met het oude systeem en werd de verantwoordelijkheid van mensen die zich aan misdaden hadden schuldig gemaakt verzwegen. Al had Polen in het begin van de jaren negentig iedere verwijzing naar de meest controversiële figuren, zoals Lenin en Stalin, uit de publieke ruimte verwijderd, de journalistieke onderzoekssite OKO-press noemt een aantal andere namen die, hoewel ze gelieerd waren aan het communisme, niet per se in ongenade hoeven te vallen: Karl Marx, de verdedigers van Stalingrad of de Poolse vrijwilligers in de jaren dertig van de vorige eeuw.

    ‘De kabouters van Wroclaw’: een serie bronzen kabouters ter ere van verzetsbeweging Oranje Alternatief, die de kabouter als symbool gebruikte. Sinds 2001 worden de beeldjes verspreid door de stad geplaatst. – © Michael Gottschalk/Photothek/Getty
    ‘De kabouters van Wroclaw’: een serie bronzen kabouters ter ere van verzetsbeweging Oranje Alternatief, die de kabouter als symbool gebruikte. Sinds 2001 worden de beeldjes verspreid door de stad geplaatst. – © Michael Gottschalk/Photothek/Getty

    De oppositiekrant Gazeta Wyborcza onthult welke strategie sommige steden volgen om de wet te omzeilen. In Warschau, waar de liberalen de meeste zetels hebben in de gemeenteraad, ‘zullen zes straten van naamgever veranderen. De nieuwe naamgevers hebben dezelfde achternaam maar een andere voornaam en een andere biografie.’

    De burgemeester van Gdańsk, ook een liberaal, weigert vierkant de wet toe te passen, die hij zowel ‘absurd als strijdig met het principe van plaatselijke autonomie en de wil van de burgers’ noemt. De opstandige gemeenten zullen het moeten opnemen tegen de regioprefecten, die allemaal door PiS zijn benoemd toen de partij eind 2015 aan de macht kwam. De laatsten kunnen met de wet in de hand het omdopen van openbare plekken forceren als het Instituut voor Nationale Herinnering dat nodig acht.

    Met het risico dat je straten met twee namen krijgt? Het nationalistische weekblad Gazeta Polska looft niettemin het Poolse ‘model’ en legt uit ‘hoe Polen Oost-Europa van de communistische smet zou moeten ontdoen’, met name Oekraïne, de Baltische staten en Moldavië.

    Vertaler: Peter Bergsma

    Courrier International
    Frankrijk | weekblad | oplage 205.000

    De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.

  • 1. Het einde van de liberale democratie

    1. Het einde van de liberale democratie

    De beroemde essayist Francis Fukuyama, die in 1989 ‘het einde 
van de geschiedenis’ aankondigde, buigt zich over het populistisch nationalisme dat overal in het Westen opgeld doet.

    De onverwachte nederlaag die Donald Trump toebracht aan Hillary Clinton vormt een waterscheiding, niet alleen in de Amerikaanse politiek, maar in de hele wereldorde. Het lijkt erop dat we op de drempel staan van een nieuw, populistisch-nationalistisch tijdperk, waarin de dominante liberale orde die sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw is opgebouwd wordt aangevallen door opgewonden, boze democratische meerderheden. Er bestaat een levensgroot gevaar dat we afglijden naar een wereld van elkaar bevechtende en even boze nationalistische entiteiten, en als dat gebeurt, beleven we een omslag die net zo belangrijk is als de val van de muur in 1989.

    De manier waarop Trump zijn overwinning heeft behaald, zegt veel over de sociale basis van de beweging die hij om zich heen heeft gevormd. Een blik op de stemverdeling leert dat de steun voor Clinton geografisch gezien geconcentreerd was in steden langs de kust, terwijl grote stukken van landelijk en kleinsteeds Amerika overduidelijk voor Trump hebben gestemd. Het verrassendst was de verschuiving in Pennsylvania, Michigan en Wisconsin, drie noordelijke industriële staten die hij aan zijn kant kreeg, terwijl ze bij vorige verkiezingen zo standvastig Democratisch waren dat Clinton niet eens de moeite nam om in die laatste staat campagne te voeren. Trump won dankzij de vakbondsarbeiders, slachtoffers van de de-industrialisatie, die hij met zijn ‘make America great again’ beloofde dat hij hun verdwenen fabrieksbanen zou terugbrengen.

    Klassensysteem

    Dit hebben we eerder gezien. Het is het verhaal van de Brexit, waar de kiezers die voor een vertrek stemden ook voornamelijk op het platteland en in kleine dorpen en steden buiten Londen woonden. Hetzelfde verhaal gaat op voor Frankrijk, waar kiezers uit de arbeidersklasse van wie de ouders en grootouders altijd op de communistische en socialistische partijen hebben gestemd, nu kiezen voor het Front National van Marine Le Pen.

    Maar populistisch nationalisme is een veel breder verschijnsel. Vladimir Poetin blijft impopulair onder de beter opgeleide kiezers in grote steden als Sint-Petersburg en Moskou, maar geniet in de rest van het land enorme steun. Hetzelfde geldt voor de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, die zijn enthousiaste aanhangers vindt in de conservatieve lagere middenklasse van het land, en voor de Hongaarse premier Viktor Orban, die overal populair is, behalve in Budapest.

    Sociale klasse, tegenwoordig bepaald door opleidingsniveau, lijkt in veel geïndustrialiseerde en opkomende economieën het allerbelangrijkste sociale indelingscriterium. Het klassensysteem wordt gevoed door de globalisering en de opmars van de technologie, die zich weer konden ontwikkelen dankzij de voornamelijk door de VS gecreëerde liberale wereldorde.

    Als we het over een liberale wereldorde hebben, bedoelen we het gereguleerde systeem van internationale handel en investeringen dat de afgelopen jaren de basis heeft gevormd van een wereldwijde groei. Dankzij dit systeem kunnen in de week voor Kerstmis in China iPhones worden gemaakt en naar klanten in de VS en Europa verscheept. Hetzelfde systeem heeft miljoenen mensen ertoe aangezet om vanuit armere landen naar rijkere te trekken, waar meer kansen liggen voor henzelf en hun kinderen. Dit systeem heeft zijn belofte waargemaakt: tussen 1970 en de financiële crisis van 2008 in de Verenigde Staten, is de wereldwijde productie van goederen en diensten verviervoudigd, en zijn honderden miljoenen mensen de armoede ontstegen, niet alleen in China en Zuid-Amerika, maar ook in Afrika ten zuiden van de Sahara.

    De echte vraag zou niet moeten zijn waarom het populisme in 2016 is opgekomen, maar waarom het zo lang heeft geduurd voor het de kop opstak

    Maar zoals iedereen nu moet erkennen, hebben de voordelen van dat systeem niet de hele bevolking bereikt. De werkende klassen in de ontwikkelde wereld zagen hun banen verdwijnen als gevolg van de outsourcing en tot het uiterste doorgevoerde efficiëntie waarmee bedrijven de meedogenloze concurrentie op de wereldmarkt aangingen.

    Dit langetermijnverhaal kwam in een sterke stroomversnelling terecht door de hypotheekcrisis in de VS en de eurocrisis die Europa een paar jaar later trof. In beide gevallen ging het om een door de elite ontworpen systeem – in het geval van de VS geliberaliseerde financiële markten, in Europa bijvoorbeeld het interne migratiesysteem van Schengen – die dramatisch ineenstortten als gevolg van een externe schok. Weer betaalden gewone, werkende mensen een veel hogere prijs voor deze mislukkingen dan de elites zelf. Sindsdien zou de echte vraag niet moeten zijn waarom het populisme in 2016 is opgekomen, maar waarom het zo lang heeft geduurd voor het de kop opstak.

    In de VS was sprake van een politiek falen, in die zin dat het systeem de traditionele werkende klasse niet genoeg vertegenwoordigde. De Republikeinse partij werd gedomineerd door de Amerikaanse bedrijven en hun bondgenoten die flink hadden geprofiteerd van de globalisering, terwijl de Democratische partij was verworden tot identiteitspartij, een coalitie van vrouwen, Afro-Amerikanen, Hispanics, milieuactivisten en de LHBT-gemeenschap, die zich niet meer bezighield met economische vraagstukken.

    Het onvermogen van Amerikaans links om de werkende klasse te vertegenwoordigen, wordt in heel Europa weerspiegeld. De Europese sociaaldemocratie heeft zich al een paar decennia geleden verzoend met de globalisering, in de vorm van het Britse centrisme of het soort neoliberaal reformisme dat de sociaaldemocraten van Gerhard Schröder in het eerste decennium van deze eeuw aanhingen.

    Maar het bredere onvermogen van links was dat het dezelfde fout maakte als in de aanloop naar 1914 en de Eerste Wereldoorlog, toen, zoals de Brits-Tsjechische filosoof Ernest Gellner het zo mooi verwoordt, een brief die geadresseerd was aan ‘klasse’, per ongeluk werd bezorgd bij ‘natie’. Natie gaat bijna altijd boven klasse, omdat het kan putten uit een krachtige identiteitsbron, het verlangen naar verbinding met een natuurlijke culturele gemeenschap. Deze hang naar identiteit neemt nu de vorm aan van de Amerikaanse alt-rightbeweging, een voorheen nauwelijks serieus genomen verzameling groepen die allemaal een vorm van blank nationalisme aanhingen.

    Maar behalve deze extremisten begonnen ook veel gewone Amerikaanse burgers zich af te vragen waarom er zo veel immigranten hun gemeenschap binnenkwamen, en wie de drijvende kracht was achter een politiek correct taalgebruik waarin je niet eens over het probleem kon klagen. Dit is de reden waarom Donald Trump ook veel stemmen kreeg van beter opgeleide en rijkere kiezers, die geen slachtoffer van de globalisering waren, maar toch het idee hadden dat hun land ze werd afgepakt. Onnodig te zeggen dat deze dynamiek ook ten grondslag lag aan de Brexit-stem.

    Een aanmoediging voor Donald Trump op een verlaten huis in Schuylkill County, Pennsylvania. – © Mark Makela / Getty Images
    Een aanmoediging voor Donald Trump op een verlaten huis in Schuylkill County, Pennsylvania. – © Mark Makela / Getty Images

    Dus wat zullen de concrete gevolgen van Trumps overwinning zijn voor het internationale systeem? In tegenstelling tot wat zijn critici zeggen heeft Trump wel degelijk een consequent en doordacht standpunt: hij is nationalist op het gebied van economisch beleid en in relatie met het wereldwijde politieke systeem. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij bestaande handelsakkoorden als NAFTA en waarschijnlijk ook de WTO wil openbreken, en dat hij bereid is daaruit te stappen als hij niet krijgt wat hij wil. En hij heeft zijn bewondering geuit voor ‘sterke’ leiders zoals Poetin in Rusland, die met hun doortastendheid tenminste resultaten boeken. Veel minder vriendelijk is zijn opstelling tegenover traditionele VS-bondgenoten, zoals de leden van de NAVO of Japan en Zuid-Korea, die hij ervan heeft beschuldigd dat ze profiteren van de Amerikaanse militaire macht. Dit duidt erop dat ook voor de steun aan die landen opnieuw onderhandeld moet worden over de bestaande kostenverdeling.

    De gevaren van deze standpunten, zowel voor de wereldeconomie als voor het mondiale veiligheidssysteem, kunnen niet genoeg benadrukt worden. De wereld van vandaag gonst van het economisch nationalisme. Een open handels- en investeringsstelsel is altijd in stand gehouden door de hegemonie van de VS. Als Amerika nu eenzijdig de voorwaarden van het contract verandert, zijn er in de rest van de wereld veel machtige spelers die de VS maar al te graag met gelijke munt willen terugbetalen, en zo ontstaat een neerwaartse economische spiraal die herinneringen oproept aan de jaren dertig van de vorige eeuw.

    Het gevaar voor de internationale veiligheidssystemen is al even groot. Rusland en China zijn de afgelopen decennia opgekomen als belangrijke, autoritaire grootmachten die allebei territoriale ambities hebben. Vooral Trumps houding tegenover Rusland is verontrustend: hij heeft nooit een woord van kritiek op Poetin geuit en zelfs gesuggereerd dat diens annexatie van de Krim misschien wel gerechtvaardigd was. Gezien zijn onwetendheid over de meeste aspecten van buitenlands beleid, doen zijn uitspraken met betrekking tot Rusland vermoeden dat Poetin een of andere verborgen macht over hem heeft, misschien in de vorm van schulden aan Russische bronnen die zijn zakenimperium drijvende houden. Als Trump inderdaad een poging doet om ‘beter op te schieten’ met Rusland, zullen de eerste slachtoffers daarvan Oekraïne en Georgië zijn, twee landen die als wankele democratieën de steun van Amerika nodig hadden om hun onafhankelijkheid te behouden.

    De invloed van Amerika heeft altijd meer afgehangen van zijn “soft power” dan van domme inzet van geweld

    Breder gezien zal een presidentschap van Trump het eind aankondigen van het tijdperk waarin Amerika zelf een symbool van democratie vormde voor mensen die overal ter wereld onder corrupte, autoritaire regimes leven. De invloed van Amerika heeft altijd meer afgehangen van zijn ‘soft power’ dan van domme inzet van geweld, zoals de invasie in Irak. De Amerikaanse keuze bij de afgelopen verkiezingen betekent een wisseling van de wacht, van het liberale, internationalistische kamp naar het populistische, nationalistische kamp. Het is niet toevallig dat Trump krachtige steun kreeg van UKIP-voorman Nigel Farage, en dat een van de eersten die hem feliciteerden Marine le Pen van het Franse Front National was.

    Het afgelopen jaar is er een nieuwe populistisch-nationalistische internationale opgestaan, waarin gelijkgestemde groepen elkaar over de grenzen heen informatie en steun bieden. Het Rusland van Poetin levert daar een enthousiaste bijdrage aan, niet omdat het iets geeft om de nationale identiteit van anderen, maar simpelweg om onrust te stoken. De informatieoorlog die Rusland heeft ontketend door het e-mailverkeer van het Democratic National Committee te hacken, heeft al een zeer schadelijk effect gehad op Amerikaanse instellingen, en het is te verwachten dat dit nog doorgaat.

    Grote onzekerheden

    Er blijven nog grote onzekerheden bestaan rond dit nieuwe Amerika. Trump mag dan in zijn hart een uiterst consequent nationalist zijn, hij is ook heel pragmatisch. Wat zal hij doen als hij ontdekt dat andere landen niet bereid zijn om opnieuw over bestaande handelsverdragen of bondgenootschappen te onderhandelen? Zal hij genoegen nemen met de beste deal die hij kan krijgen, of gewoon weglopen? Er is veel gepraat over het gevaar van Trumps vinger op de kernwapenknop, maar naar mijn idee is hij in de grond veel meer een isolationist dan iemand die graag overal ter wereld militair geweld wil gebruiken. Als hij te maken krijgt met de realiteit van de burgeroorlog in Syrië, kan het heel goed zijn dat hij een pagina uit het tactiekboekje van Obama opslaat en ook maar gewoon blijft wachten tot het voorbij is.

    Hier komt de persoonlijkheidskwestie om de hoek kijken. Net als veel andere Amerikanen kan ik moeilijk een persoonlijkheid bedenken die minder geschikt is als leider van de vrije wereld dan Trump. Dit heeft maar gedeeltelijk te maken met zijn concrete politieke opvattingen, en veel meer met zijn ijdelheid en zijn overgevoeligheid voor wat hij ziet als een gebrek aan respect. Vorige week bestond hij het om op een podium met winnaars van de Medal of Honor – de Amerikaanse onderscheiding voor opvallende moed – te roepen dat hij óók heel moedig was: ‘financieel moedig’. Hij heeft aangekondigd dat hij van al zijn vijanden en critici genoegdoening zal eisen. Stel dat hij te maken krijgt met andere wereldleiders die hem niet genoeg respect betonen, zal hij dan reageren als een uitgedaagde maffiabaas, of als een pragmatisch zakenman?

    De grootste uitdaging voor de liberale democratie komt nu niet zozeer van openlijk autoritaire grootmachten als China, maar van binnenuit. In de VS, Groot-Brittannië, Europa en veel andere landen komt het democratische deel van het politieke systeem in opstand tegen het liberale deel, en dreigt het zijn ontegenzeggelijke legitimiteit te gebruiken om korte metten te maken met de regels die tot nu toe gedrag beheersten en een vrije, open en tolerante wereld waarborgden. De liberale elites die het systeem hebben gecreëerd, moeten luisteren naar de boze stemmen aan de poorten en zich realiseren dat sociale gelijkheid en identiteit de meest urgente kwesties zijn die ze moeten aanpakken.

    Hoe dan ook hebben we een paar zware jaren voor de boeg.

    Auteur: Francis Fukuyama
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.