In de twintigste eeuw heeft het Westen internationale hegemonie, maar ook een obsessie met fysiek geweld ontwikkeld, aldus de redactie van Equator.
In de winter van 1940, enkele maanden nadat de Wehrmacht de inname van Frankrijk had afgerond, publiceerde de eenendertigjarige filosoof Simone Weil in het tijdschrift Cahiers du Sud een opstel over de Ilias van Homerus. In ‘L’Iliade ou le poème de la force’ interpreteerde ze het oude epos als een panorama van wreedheden dat lessen bood voor het heden. Ze noemt het gedicht een ‘portret van uitersten en van onredelijk geweld’, een compromisloze schets van wat geweld doet met zowel de slachtoffers als de plegers. Want geweld ‘maakt een mens tot een steen’ en ‘in het uiterste geval’, schrijft ze, ‘maakt het een mens tot een lijk’.
De hedendaagse relevantie van Weils boodschap heeft niet alleen betrekking op wat geweld doet met individuele mensen, maar op wat het doet met samenlevingen en beschavingen die ervan in de ban raken. Veel van de morele en politieke crises waar wij tegenwoordig mee kampen, vinden hun oorsprong in wat Weil met betrekking tot het Europese fascisme omschrijft als de ‘verheerlijking van macht in zijn meest brute gedaante’.
Het ordinaire geweld van de Israëlische en Amerikaanse oorlog tegen Iran is weer een nieuwe blijk van Weils profetische gaven. Sinds het begin van de bombardementen doen de oorlogvoerende partijen amper moeite om met een ethische of juridische rechtvaardiging te komen voor de slachtoffers die ze maken. Ze beschouwen hun overmacht platweg als een vrijbrief om mensen te doden. Door geen enkele coherente rechtvaardiging te bieden voor wat inmiddels een regionaal conflict met onafzienbare gevolgen is, geven Trump en Netanyahu een duidelijk signaal af: ze doen dit simpelweg omdat ze het kunnen.
‘Geweld maakt een mens tot een steen en in het uiterste geval maakt het een mens tot een lijk’
De Amerikaanse minister van Oorlog Pete Hegseth pocht dat de Iraniërs ‘dag en nacht dood en verderf vanuit de lucht’ te wachten staat, en hij zegt: ‘We slaan ze nu ze op de grond liggen, en zo hoort het.’ Dwight Macdonald (de eerste die Engelstalige lezers met Weils essay kennis liet maken door het in 1945 in zijn maandblad Politics te publiceren) heeft dit recept ooit omschreven als ‘maximale fysieke verwoesting met minimale menselijkheid’.
Net als in de Ilias is geweldsverheerlijking ‘de ware held, het ware thema’ van onze tijd geworden. Al onze huidige nachtmerries zijn ermee verweven: genocide en oligarchie, vacuümbommen en door AI samengestelde dodenlijsten, een fascistische mannelijkheidscultus en onversneden machismo, gemaskerde mannen die in Amerika kinderen van de straat plukken en narco-executies in de Caraïben, gevangeniseilanden en immigranten in kooien, defensieministeries die tot ministerie van Oorlog worden omgedoopt en nieuwe wapenwedlopen, gewapende conflicten van Soedan tot Oekraïne en nu ook luchtbombardementen en drone-aanvallen in het Midden-Oosten.
In de loop van deze eeuw zien we steeds meer bot machtsvertoon zonder enige rechtvaardiging of morele verantwoording. Met de val van het Oostblok ontstond er een wereld met één grote mogendheid die dominant was en niet langer door een tegenmacht tot terughoudendheid werd gedwongen. Voor het eerst in de moderne tijd kon de VS zijn gang gaan zonder dat een andere mogendheid tegenwicht bood of tot zelfbeheersing noopte. De aard van die nieuwe wereldorde werd in de jaren negentig grotendeels verdoezeld door de taal van de globalisering, die een beeld schetste van vrij verkeer en onderlinge afhankelijkheid, in plaats van een wereld die draait om één enkel militair en economisch machtscentrum. De Amerikaanse dominantie kreeg het mildere etiket ‘hegemonie’ opgeplakt, dat instemming en vrijwillige ondergeschiktheid suggereert. Het was ook een onheroïsche tijd, waarin de geopolitiek zich beperkte tot ‘chirurgische’ opruimoperaties en vanuit de lucht gepleegde ‘interventies’ onder de inhoudsloze banier van ‘menselijkheid’.
Maar de aanslagen van 11 september leidden tot de heropleving van hardere begrippen als ‘imperium’ en ‘imperialisme’, nu vaak gebruikt voor de eenzijdige wijze waarop Amerika de wereld zijn wil probeert op te leggen. De neoconservatieven die vanuit hun denktank Project for the New American Century zo konden instromen in de regering van George W. Bush, erkenden openlijk dat ze de Amerikaanse werelddominantie niet beschouwden als een kruis dat het land te dragen had, maar als een lotsbestemming die het actief moest nastreven. Zoals een adviseur van Bush het in 2004 verwoordde: ‘We zijn nu een wereldrijk en met alles wat wij doen, scheppen we onze eigen werkelijkheid.’ Resultaat: de oorlogen in Afghanistan en Irak, geheime gevangenissen, memo’s over martelingen, elektronische surveillancesystemen, binnenlandse politiediensten die met militair materieel worden uitgerust.
Pogingen de Amerikaanse suprematie met militaire middelen af te dwingen verliepen in Helmand en Fallujah rampzalig en in eigen land ging Wall Street onderuit. Die fiasco’s hebben geresulteerd in iets wat nog gevaarlijker is dan de Koude Oorlog of de periode van eenzijdige dominantie. De VS heeft misschien nog een hegemonisch overwicht in Europa, waar gewillige satrapen als Merz en Von der Leyen voor Washington buigen, maar in de rest van de wereld is Amerika geen baken of gidsland meer. ‘Het uiteenvallen van het neoconservatieve project,’ schreef Giovanni Arrighi in 2009, ‘leidt in de praktijk tot een terminale crisis van de Amerikaanse hegemonie, oftewel van de verandering daarvan in louter overheersing.’
Met zijn huidige regime heeft Amerika de wereld niet veel meer te bieden dan schaamteloze dwang en verwoesting. Trump en zijn handlangers lijken te handelen in een roes van straffeloosheid. Zonder enig oog voor het internationaal recht of het creëren van draagvlak voeren ze een gangsterachtig intimidatiebeleid waarin vijandige staatshoofden simpelweg worden ontvoerd of geliquideerd. ‘Even onverbiddelijk als het slachtoffer door de macht wordt verpletterd, laat degene die macht heeft of denkt te hebben zich daardoor het hoofd op hol brengen,’ schrijft Weil. Die bedwelmende overwinningsroes van mensen die ontdekken dat ze straffeloos tekeer kunnen gaan was in haar ogen de ergste en meest ingrijpende ramp. Wie geweld pleegt, ervaart de eigen macht als de natuurlijke orde en kan zich niet voorstellen dat de dingen anders zouden gaan, of dat de mensen tegen wie het geweld is gericht – vrouwen, immigranten, moslims, linkse en progressieve mensen – überhaupt mensen zijn.
Deze verheerlijking van brute kracht is het evangelie van lieden die graag spotten met alles wat zij als minderwaardig beschouwen. ‘De rest van onze cultuur mag dan soft, verwijfd en beschaamd geworden zijn,’ schrijft Hegseth in zijn boek The War on Warriors (2024), ‘maar ons leger kan zich dat niet veroorloven. Stoer, mannelijk en ongegeneerd dodelijk, dat is ziel en wezen van de strijder.’ In weinig beelden is dit zo sterk symbolisch uitgedrukt als in een recente foto van Andrew Tate op sociale media. De van mensenhandel verdachte kickbokser heeft een grote schare volgers vergaard met tirades dat de wereld uiteenvalt in overheersers en onderworpenen en echte mannelijkheid berust op het uitbannen van tederheid. Op de tweede dag van de oorlog zette Tate een filmpje van zichzelf online met de tekst ‘Ik in Dubai terwijl de bommen vallen’. (Naar verluidt zat hij op dat moment helemaal niet in het land.) Het is de uiting van een man die gevangen zit in het vertoon van zijn eigen mannelijke onkwetsbaarheid, de verheerlijking van kracht in zijn zuiverste vorm.
Nemesis
In Weils lezing van de geschiedenis was het oude Rome de eerste beschaving waarin deze verheerlijking van kracht een complete cultuur werd. De Romeinen waanden zich volgens haar ‘verheven boven het leed dat het algemeen menselijk lot is’. Ze meenden dat hun volk was uitverkoren om ‘heer en meester van de wereld’ te zijn. En die overtuiging van de eigen uitzonderlijkheid resulteerde in minachting voor vreemden en vijanden, voor al wie zwak en kwetsbaar was: die mochten de Romeinen naar hun eigen idee zonder wroeging geweld aandoen.
In Amerika is het exceptionalisme, het geloof in de eigen uitzonderingspositie, aan beide zijden van het politieke spectrum een rotsvast geloofsartikel geworden. Deze overtuiging dat de VS niet gehouden is aan de regels die het land anderen oplegt, dat het andere landen mag binnenvallen, bombarderen, destabiliseren of met sancties treffen zonder zich iets van het internationaal recht aan te trekken, getuigt van een Romeins-imperialistisch zelfbeeld. Datzelfde geldt voor de Israëlische doctrine van absolute militaire superioriteit die resulteert in apartheid en de systematische vernietiging van een heel volk.
Binnen het frame van Weil is Israël in de wereld van vandaag het theologisch meest uitgewerkte voorbeeld van dit antieke Romeinse denken. Politiek rechts heeft in Israël een complete intellectuele, juridische en religieuze onderbouwing opgetuigd voor deze roes van onbeteugelde geweldsuitoefening. Die begint bij de Hebreeuwse Bijbel, omvat ook de stichtingsmythen van de nieuwe staat en culmineert onder Netanyahu en zijn coalitie van kolonisten en ultranationalisten nu in oorlogen waarin ze zelf handenwrijvend over totale vernietiging praten.
‘Het westen is dit begrip [karma] kwijtgeraakt, heeft er zelfs in geen van zijn talen nog een woord voor’
In haar opstel over de Ilias brengt Weil een begrip naar voren dat in het Westen volgens haar letterlijk onbespreekbaar is geworden: het begrip ‘Nemesis’, dat in haar ogen kenmerkend is voor het Griekse denken over mens en natuur. Ze oppert dat het onder de naam karma in de boeddhistische traditie van het Oosten terecht is gekomen. Maar het Westen, schrijft Weil, ‘is dit begrip kwijtgeraakt, heeft er zelfs in geen van zijn talen nog een woord voor’. De begrippen beperking, maatvoering en evenwicht die ons volgens haar in het leven tot leidraad zouden moeten dienen, bestaan in het Westen alleen nog, zo stelt ze haarscherp en vernietigend vast, ‘in de vaktaal der techniek’.
Nemesis is meer dan simpelweg wraak, het is de vergelding die onontkoombaar volgt op verheerlijking en misbruik van macht. Zij die zich gedragen alsof ze boven het lot van de mens verheven zijn, zullen uit de aard der zaak met verdubbelde kracht door dat lot worden getroffen. Dat is geen ethisch gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar een kenmerk van de werkelijkheid: de onvermijdelijke wijze waarop ongebreideld geweld uiteindelijk de pleger zelf fataal wordt. Dit was voor de Grieken ‘de ziel van het epos’ en het kernmotief van hun treurspelen, omdat zij heel helder inzagen wat het Westen is vergeten: dat ongebreideld geweld geen oplossing voor, maar juist een vernietigende uiting van het menselijk tekort is.
Van Gaza tot Iran, van detentiecentra tot privévliegtuigen, van online ‘shitstorms’ tot pay-per-view-kooigevechten: het Westen is volledig in de ban geraakt van de verheerlijking van geweld. Voor Weil was de hamvraag of een beschaving waarin geweld de voornaamste ethische leidraad is nog over een zelfcorrigerend mechanisme beschikt, of dat die beschaving net als eerdere beschavingen alleen nog kan wachten op de komst van Nemesis.
Echte kracht wordt verward met eenvormigheid, terwijl het meer een kwestie is van flexibiliteit, van veerkracht. Het zijn juist de vrije, niet totalitaire samenlevingen die beter zijn toegerust om in een onzekere toekomst te overleven, volgens deze auteur.
Zowel bij nieuw rechts als in het kamp van klimaatlinks heerst momenteel de opvatting dat juist de kwaliteiten waarop de Verenigde Staten zich vroeger lieten voorstaan, het land in feite verzwakken. Pluralisme, zo hoor je vaak, leidt tot een verdeelde en onbestuurbare samenleving. De regels van de rechtsstaat zitten de overheid in de weg bij de aanpak van grote problemen. En door de wispelturigheid van de kiezer moeten politici vaak alweer weg voordat ze de kans hebben gehad blijvende verandering door te voeren.
Sommige populisten voor wie een zwakke staat een groter schrikbeeld is dan een totalitaire staat, zouden de diversiteit van onze samenleving graag verruilen voor volstrekte eendracht. Onder milieuactivisten neigt men tot de gedachte dat de omvang van de klimaatcrisis geen ruimte meer laat voor de keuzevrijheid van de democratische rechtsstaat.
Nieuw rechts
Maar al deze critici zien kracht voor zwakheid aan. Vooral bij nieuw rechts zien velen het verschil niet tussen krachtpatserij en echte kracht. Ze denken dat onze vijanden ons voorbij dreigen te streven, dat Rusland en China de toekomst hebben en dat de VS en het hele Westen onherroepelijk in verval zijn. Maar echte kracht is vaak meer een kwestie van flexibiliteit dan van eenvormigheid. Een open samenleving is meestal buigzamer dan een gesloten samenleving. In een tijd waarin de lokroep van de gesloten samenleving onverbiddelijk aanzwelt, moeten we niet vergeten dat we dit scenario in de loop van de twintigste eeuw al zo vaak hebben zien aflopen met de ondergang van gesloten samenlevingen, of die nu fascistisch of communistisch waren. Het is goed om in deze tijd voor ogen te houden hoe robuust open samenlevingen in feite zijn, en waarom er zo’n hardnekkige neiging bestaat om hun veerkracht te onderschatten.
Nassim Nicholas Taleb, de derivatenhandelaar die ook filosoof is en boeken schrijft over onzekerheid, geeft het voorbeeld van de muis en de olifant. De olifant is veel en veel groter. Maar als een olifant van tweemaal zijn eigen hoogte valt, breekt hij alle botten in zijn lijf. Een muis kan van tien keer zijn eigen hoogte vallen en daarna doodleuk wegrennen. Omdat onze soort geëvolueerd is in een omgeving waarin grootte gelijkstond aan kracht, hebben we de neiging een autoritair regime dat zich grootmaakt ook sterk te wanen. We beseffen niet hoe broos de botten van de olifant zijn. Taleb betoogt dat ons gezond verstand (het primitieve deel van onze hersenen) ons vaak in de weg zit in de uiterst complexe omgevingen waarin we nu leven.
Dat we behoefte hebben aan een andere manier van denken, die meer uitgaat van redundantie, risicospreiding, openheid en misschien nog het voornaamst van al: een diepe laag nederigheid.
En het is inderdaad opvallend dat telkens opnieuw dezelfde denkfout wordt gemaakt. In de twintigste eeuw waren er altijd wel vooraanstaande commentatoren die verkondigden dat de vrije wereld in verval was en autocratie de toekomst had. Zij bleken het telkens bij het verkeerde eind te hebben, en toch blijft die oude voorspelling de kop opsteken.
Zelfs tegenstanders van totalitarisme waren bang dat die staatsvorm toch onvermijdelijk was. Iets van die fascinatie met autocratisch machtsvertoon zie je ook in James Burnhams boek The Managerial Revolution (1941), dat in sommige rechtse kringen nu weer populariteit geniet. Burnham dacht dat het kapitalisme zou plaatsmaken voor een nieuwe ‘managersklasse’, die een geleide economie zou opleggen. Elders in zijn werk stelde hij het ‘fanatisme’ van de nazi’s tegenover de veronderstelde ‘apathie’ van Frankrijk en Groot-Brittannië. Uit al zijn werk spreekt de vrees dat vrije samenlevingen te zwak zijn om zich tegen een sluipend despotisme te verzetten.
Maar Burnhams betoog werd eigenlijk al grotendeels ontkracht door de gebeurtenissen in zijn eigen tijd, zoals George Orwell in 1946 opmerkte in zijn essay ‘Bedenkingen bij James Burnham’. Hij schreef:
‘Overdreven ontzag voor macht vertroebelt de politieke blik, omdat het bijna onvermijdelijk uitloopt op de overtuiging dat de huidige trends zich onveranderd zullen voortzetten. (…) Dat moet wel tot verkeerde voorspellingen leiden, want zelfs al wordt de richting van de ontwikkelingen juist ingeschat, het tempo zal verkeerd worden ingeschat. Binnen vijf jaar tijd voorspelde Burnham zowel dat Duitsland door Rusland zou worden bedwongen als het omgekeerde. In beide gevallen volgde hij hetzelfde instinct: het instinct om te buigen voor de overwinnaar van het moment, om de huidige trend als onomkeerbaar te beschouwen.’
Trend
Wat Orwell bij Burnham constateert, zie je tegenwoordig terug bij schrijvers die betogen dat Amerika is uitgeteld en dat er een vorm van ‘postliberalisme’ nodig is om onze verkalkte cultuur nieuw leven in te blazen. Denkers zoals Burnham zagen de trend van het moment – zwakke democratieën, de schijnbaar niet te stuiten opkomst van totalitaire staten – en gingen ervan uit dat aan die trend nooit meer een einde zou komen. Tekenen van verdeeldheid en balkanisering zijn voor de hedendaagse tegenhangers van Burnham in de VS niet moeilijk te vinden. Alleen trappen ze in dezelfde valkuil als hij door er klakkeloos van uit te gaan dat die trends zich in een rechte lijn zullen doorzetten en onze ondergang moeten inluiden.
Maar zo werkt de geschiedenis niet. Crises zijn meestal onvoorzien, evenals de oplossing ervan. In een levendige en dynamische samenleving als de onze, waarin plaats is voor een breed scala aan verschillende instituties, is er ook meer kans dan in een centraal geleide samenleving dat de elementen al voor handen zijn om een crisis te weerstaan en er zelfs sterker uit te komen. In zijn boek Antifragiel: Dingen die baat hebben bij wanorde (2012) probeerde Taleb deze schijnbare paradox te verklaren vanuit het verschil tussen de relatief eenvoudige omgevingen waarin het ‘gezond verstand’ van de mens is ontstaan en de veel complexere omgevingen waarin we tegenwoordig leven: omgevingen waarin de kans op ‘zwarte zwanen’ steeds groter wordt en waarin je systemen nodig hebt die ‘antifragiel’ zijn. Een perfect voorbeeld van het tekortschieten van gezondverstandoplossingen is ‘het stelselmatig voorkomen van bosbranden “voor de veiligheid”, wat de grote bosbranden juist veel erger maakt’.
Gezondverstanddenken
Zo is ons beleid vaak in de greep van een achterhaald soort gezond verstand dat onze samenleving veel kwetsbaarder maakt. We denken dat we de economie beschermen door de staat er meer macht over te geven, maar in feite werpen we zo alleen maar belemmeringen op voor het aanpassen van die economie wanneer interne of externe schokken dat vereisen.
De remedie is volgens Taleb om af te stappen van ons gezondverstanddenken en de primitieve behoefte alles in de hand te houden, en om te leren enige mate van willekeur en onvoorspelbaarheid te accepteren. De vrije markt, tegenpool van een geleide economie, is niet alleen beweeglijker en flexibeler en daardoor beter in staat om schokken op te vangen, maar vermijdt ook de versterkende effecten die in strak gereguleerde markten schering en inslag zijn en die een kleine crisis kunnen aanwakkeren tot een systeemcrisis. Redundantie, de spreiding van macht en de vrijheid om te innoveren zijn eigenschappen die een samenleving bestand maken tegen schokken waar een geharnast en met dwang geleid systeem aan ten onder gaat.
laat je niet verblinden door de illusie van macht
De critici van de vrije samenleving hebben gelijk als ze zeggen dat zo’n samenleving alle kanten tegelijk op wordt getrokken door vakbonden, het bedrijfsleven, de kerken, maatschappelijke organisaties, universiteiten, non-profitorganisaties en duizenden andere instellingen. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat autocratische samenlevingen een vorm van eendracht aan de dag leggen waaraan het ons ontbreekt, of ze nu doelen op het Rusland van Poetin of het Italië van Mussolini. Maar ze zitten ernaast als ze denken dat verscheidenheid de vrije samenleving zwakker maakt, of dat eenvormigheid een gesloten samenleving sterker maakt. Het zijn juist de vrije samenlevingen die beter zijn toegerust om in een onzekere toekomst te overleven en zelfs te gedijen, en de gesloten samenlevingen die hun zwakte verhullen.
Dat wil niet zeggen dat vrije samenlevingen altijd van gesloten samenlevingen zullen winnen, of dat de historische ontwikkeling altijd in de richting van meer vrijheid gaat. Mensen zullen waarschijnlijk dezelfde fouten blijven maken die we in de loop van de geschiedenis altijd hebben gemaakt. Maar aan iedereen die in naam van de kracht nu onze vrijheid wil afdanken: laat je niet verblinden door de illusie van macht.
Na de vernietigende aardbeving in 2010 in Haïti probeerde burgemeester Rony Colin controle te krijgen over de haveloze stad Canaan. Dat mislukte, omdat de president en het kabinet wilden voorkomen dat Colin te veel zeggenschap zou krijgen in de verkiezingen. Een stem op Colin was een stem tegen henzelf.
Op een warme dag in de nieuwste stad van Haïti stonden honderden mensen zwetend rond een politiebureau. Ze wachtten op de man die het eerste bureau van de stad officieel zou openen. Er was bijna negen jaar verstreken sinds de ramp die de aanleiding was voor het ontstaan van deze plaats: een aardbeving van 7 op de schaal van Richter die tussen de 46.000 en 316.000 mensen het leven kostte – het precieze aantal weet niemand. De regering van Haïti schat dat zo’n anderhalf miljoen mensen – een op de zeven Haïtianen – bij de ramp dakloos raakten. Enkele weken later begonnen de VN en internationale ngo’s een aantal ontheemden over te brengen naar een braakliggend stuk land ten noorden van de hoofdstad, een gebied dat Canaan wordt genoemd. Weldra volgden er heel wat meer. Ze sliepen in tenten en krakkemikkige keten en begonnen na verloop van tijd stukjes grond te claimen waarop ze hun eigen huis bouwden. Hun aantal nam toe van honderden tot duizenden, vervolgens tienduizenden en ten slotte honderdduizenden. Bijna tien jaar na de aardbeving noemden zo’n driehonderdduizend mensen Canaan hun thuis.
Er was alleen één probleem: deze stad had geen bestuur. Tegen de tijd dat ik er een bezoek bracht hadden de inwoners zich verspreid over talloze bestaande gemeentes, maar niemand had zich officieel ingeschreven. Het was onmogelijk om het eigendomsrecht op een perceel te verwerven: geen formulieren om te ondertekenen, geen kantoor om naartoe te gaan, geen ambtenaren om een beroep op te doen. Er was geen bestuur dat de verantwoordelijkheid nam voor het graven van putten of voor de aanleg van parken of busstations. En er was geen politie.
Colin, het type ‘van krantenjongen tot miljonair’, besloot, terecht of onterecht, dat Canaan zijn grondgebied was
Eén man beloofde daar verandering in te brengen: Rony Colin, de burgemeester van de naburige stad Croix-des-Bouquets. Colin, het type ‘van krantenjongen tot miljonair’, besloot, terecht of onterecht, dat Canaan zijn grondgebied was.
Van een chauffeur uit Colins geboorteplaats aan zee hoorde ik het levensverhaal dat over hem de ronde doet: de jonge Colin, die kampte met tegenslag, ging een bos in om een waarzegger te raadplegen. De man wist Colins drie geluksgetallen op te roepen en zei hem dat hij loten moest kopen waarop die voorkwamen. Colin liep het bos uit, kocht drie loten en won twee keer. De opbrengst bedroeg 7,5 miljoen Haïtiaanse gourde, destijds het equivalent van ruim 2 miljoen dollar.
Zand
Al decennia voor de aardbeving gebruikte Colin zijn winst om een bouwbedrijf te beginnen. Hij kocht machines in Canada, die hij naar de Dominicaanse Republiek liet verschepen, vanwaar ze met vrachtwagens over de grens naar Haïti werden gebracht. Na de aardbeving had Haïti dringend behoefte aan de bouw of herbouw van duizenden huizen en gebouwen die waren beschadigd of verwoest. Voor bouw is beton nodig en voor beton zand. Colin had het geluk dat hij een kleine 670 duizend hectare aan zandmijnen bezat aan de noordrand van Canaan, de lucratiefste van al zijn investeringen. Elke dag vervoerden tientallen kiepauto’s het zand naar Port-au-Prince en andere steden. Het is een inkomstenbron die waarschijnlijk pas zal opdrogen als er geen korrel zand meer in de mijnen te vinden is. ‘Dat is allemaal van mij,’ zei Colin terwijl hij me op de afgegraven flanken wees. ‘De mijnen leveren me een hoop geld op.’
Binnen de kortste keren ging Colin in de politiek en begon hij een radiostation dat hij bemande met politiek commentatoren. In 2015 werd hij gekozen tot burgemeester van Croix-des-Bouquets. Colins toenemende macht hield gelijke tred met de toevloed van internationale hulp die volgde na de aardbeving. Hulporganisaties als het Rode Kruis hadden miljarden dollars ingezameld voor de wederopbouw van Haïti, maar het ontbrak aan iemand met gezag om de bouw groen licht te geven. Colin was hun man. Hij keurde projecten goed en legitimeerde ngo’s, die hem op hun beurt legitimeerden. De meeste ngo’s keerden hun geld uit en vertrokken weer, zodat de inwoners van de stad alleen nog met burgemeester Colin te maken hadden.
Ze verlangden naar dingen waarin een bestuur zou moeten voorzien: verharde wegen, veiligheid, elektriciteit
Sommige inwoners van Canaan zagen hem als een kans. Ze verlangden naar dingen waarin een bestuur zou moeten voorzien: verharde wegen, veiligheid, elektriciteit. Ze wilden kunnen stemmen, ze wilden veilig zijn. Bendes begonnen namelijk te infiltreren en inwoners af te persen, net als in Port-au-Prince: een realiteit van het leven in de hoofdstad waaraan de inwoners van Canaan hier nu juist wilden ontkomen. Daar was het nieuwe politiebureau voor. Zou Colin een weldoener zijn, die legitimiteit, welvaart en veiligheid bracht? Of zou hij een politicus zijn die zijn eigenbelang najaagde en de inwoners in de weg zat?
De federale regering van Haïti had tot die tijd nog maar weinig in Canaan voor elkaar gekregen. Ngo’s betaalden steekpenningen aan ambtenaren en kochten benzine voor onderbetaalde medewerkers om zich naar Canaan te wagen en taxaties te doen voor projecten en grondaankoop. Overal waar ik in Canaan kwam, zeiden mensen dat hun nieuwe stad nog niet tot bloei was gekomen omdat de staat nog niet tot besturen was gekomen. Nu was Colin misschien hun laatste redding.
Wijkvertegenwoordigers
Nadat Colin voor het nieuwe politiebureau een toespraak had gehouden, werd hij omringd door tientallen aanhangers die ‘Tien jaar! Vijftien jaar!’ scandeerden, een belofte om hem nog vele malen te herkiezen. Colin glimlachte, haalde een stapel bankbiljetten uit zijn zak en begon die uit te delen als snoepgoed. Mensen worstelden om het geld terwijl Colin in een SUV stapte met een opzichtig nepgouden nummerbord met daarop de woorden ‘Burgemeester Rony Colin’.
Elke wijk van Canaan had een leider aangewezen om haar te vertegenwoordigen, bijna allemaal mannen. Colin nodigde de wijkvertegenwoordigers uit voor een vergadering. In de woonkamer van de burgemeester mochten ze plaatsnemen op plastic stoelen. Sommige vertegenwoordigers droegen nette, keurig gepoetste zwarte schoenen. Colin zat onderuitgezakt in een leunstoel, met zijn schoenen uit; een scheurtje in zijn witte onderhemd accentueerde zijn buik. Hij klaagde over de overbevolking van Canaan. ‘Er is geen lapje grond of iemand wil het wel claimen,’ zei hij. ‘We kunnen niet leven in een maatschappij waar iedereen bang is voor elkaar. Ik ben een man van de staat. Ik ben hier voor jullie, en jullie zijn hier voor mij.’
Er waren maar twee problemen met het plan van Colin. Ten eerste had Canaan geen bureau waar mensen zich konden registreren om hun stem op hem of op wie dan ook uit te brengen. Ten tweede was Colin een politieke tegenstander van de president en diens kabinet, die in Haïti enorm veel zeggenschap hebben over het verkiezingsproces. De kans bestond dat de leiders verkiezingen in Canaan wilden voorkomen omdat een stem op Colin een stem tegen henzelf was. Haïti werd destijds geleid door president Jovenel Moïse. Tijdens zijn campagne omschreef Moïse zichzelf als een hardwerkende bananenboer, een man van het volk. In werkelijkheid was hij ten tijde van zijn kandidatuur een rijke eigenaar van bouwbedrijven en een grote landbouwinvesteerder voor wiens op export gerichte bananenplantage honderden kleine boeren het veld moesten ruimen.
In 2017 was hij verwikkeld in een corruptieschandaal en kreeg hij te maken met omvangrijke protesten
Veel mandaat had Moïse niet. Zijn verkiezing in 2015 werd later herroepen wegens onregelmatigheden en toen de verkiezingen het jaar daarop werden overgedaan, won hij bij een bedroevend lage opkomst van naar schatting 21 procent. In 2017 was hij verwikkeld in een corruptieschandaal en kreeg hij te maken met omvangrijke protesten, waarop zijn regering reageerde door de beruchte bendeleider Jimmy ‘Barbecue’ Chérizier van wapens te voorzien.
Eind 2018 vielen Chérizier en zijn boevenbende een wijk in Port-au-Prince binnen waar de protesten tegen Moïse heftig waren geweest, waarbij ze 71 mensen vermoorden, onder wie een aantal kinderen, minstens 11 vrouwen verkrachtten en zo’n 150 huizen plunderden.
Bob Anel
Maar Colin had nog een ander probleem, veel dichter bij huis. Jean Adler Corriélus, beter bekend onder zijn nom de guerre Bob Anel, was een man met veel politieke macht die hof hield als een ware koning. Elke ochtend vulde zijn achtertuin zich met mensen die wachtten op hun kans om hem om een gunst te vragen of te proberen hem iets te verkopen. ‘Zie je al deze mensen?’ vroeg hij, om zich heen wijzend, op de dag dat ik hem bezocht. ‘Ze komen me allemaal wat vragen, wat geld, veiligheid. Misschien hebben ze een probleem gehad met de politie. Iedereen heeft wel wat.’ Volgens Anel was Colin de politiek ingegaan uit ambitie, maar Anel zag het als zijn plicht om de handschoen tegen hem op te nemen.
Anel beweerde dat Colin zich een groot stuk grond had toegeëigend dat lang geleden aan Anels grootvader was geschonken na diens militaire dienst. Het conflict tussen de twee ging verder dan politiek en ontaardde zelfs een keer in geweld. Volgens Colin vielen Anels schutters op motorfietsen zijn radiostation aan.
Rechters en advocaten waren neergeschoten, ontvoerd, gedood
Het rechtssysteem van Haïti was een puinhoop. Rechters en advocaten waren neergeschoten, ontvoerd, gedood. In een rechtbank waar een corruptiezaak liep waarbij Moïse betrokken was, probeerden mannen twee griffiers te ontvoeren. Twee rechters die waren belast met het onderzoek naar het schandaal vluchtten het land uit na het ontvangen van doodsbedreigingen. In 2020 werd het hoofd van de orde van advocaten van Port-au-Prince doodgeschoten op weg naar zijn huis, enkele uren nadat hij op de radio tekeer was gegaan tegen een grote schare Haïtiaanse politici, variërend van parlementariërs tot mensen in het presidentieel paleis.
Een vloek
Toen de wereld begin 2020 in de ban van corona raakte, had Haïti nog wel ergere problemen. Maar in maart van dat jaar stierf Colins 21-jarige zoon, die in Florida woonde, in zijn slaap; de doodsoorzaak is nog steeds onbekend. In de ogen van Colin moet het een vloek zijn geweest. De man die twee keer de loterij had gewonnen en bijgelovig was als geen ander, stelde vast dat aan zijn geluk een eind was gekomen. Kort daarna werd een ander kind van hem op weg naar school ontvoerd – ontvoeringen waren in deze periode aan de orde van de dag, een makkelijke manier voor bendes om geld af te persen. Colin maakte vervolgens bekend dat hij zich niet opnieuw verkiesbaar zou stellen bij nieuwe verkiezingen en dat hij aan het eind van zijn termijn zou aftreden.
Op 26 juni 2021 deed Colin iets waarvan veel van zijn landgenoten dromen en wat sommigen ook echt proberen, maar zelden met succes. Hij vertrok uit Canaan en stapte op een vlucht naar Florida om een veilig onderkomen te zoeken in de Verenigde Staten. De man die had geprobeerd Haïti’s onbestuurde stad te besturen trok zijn handen ervan af. Hij ging weg zonder dat hij van Canaan een officieel erkende stad had gemaakt, waardoor het de inwoners onduidelijk was hoe ze op een dag een eigen leider zouden kunnen kiezen.
Elf dagen later werd president Moïse in zijn huis vermoord door Colombiaanse huurlingen
Elf dagen later, op de avond van 7 juli 2021, werd president Moïse in zijn huis vermoord door Colombiaanse huurlingen. Een van de opdrachtgevers was een zakenman die in juni van dit jaar in Florida tot levenslang werd veroordeeld wegens zijn aandeel in het complot. Sindsdien is het zo mogelijk nog onveiliger geworden in Haïti, met bendes die vrouwen en kinderen verkrachten en mishandelen, en straffeloos schieten en doden. Een van de beruchtste bendes, 400 Mawozo, vestigde zijn bolwerk aan de rand van Canaan. De bende viel Colins radiostation aan nadat een van zijn commentatoren hen had bekritiseerd vanwege het terroriseren van de bevolking. Volgens Colin werden twee van zijn werknemers doodgeschoten en kwam ook een hem bekende politieman om het leven. De maand daarop sloot het radiostation voorgoed.
Sindsdien worden de achterblijvers in Canaan – die daarheen zijn verhuisd in de hoop op vrede en betere vooruitzichten – onder bedreiging van wapens afgeperst of moeten ze met hun kinderen dekking zoeken terwijl er voor hun deur in het wilde weg wordt geschoten. De door Colin beloofde veiligheid is er nooit gekomen. De hoge verwachtingen van de inwoners en de beloften van Colin waren achteraf bezien te optimistisch. De afgelopen tijd is het bendegeweld – aanrandingen, berovingen, schietpartijen – alleen maar toegenomen en veel inwoners van Canaan zijn vertrokken. Sommigen zijn ingetrokken bij familie op het platteland. Anderen bivakkeren in parken en kerken, en zelfs voor de deur van de Amerikaanse ambassade, bij gebrek aan een ander onderkomen. Onlangs wist een pastoor honderden parochianen zover te krijgen dat ze in optocht door Canaan trokken om de stad te bevrijden van de bende die de stad terroriseert. Sommigen hadden stenen en machetes bij zich. Toen de agenten van een politiebureau dat ze passeerden weigerden in te grijpen, opende de bende het vuur op de menigte. De doden worden nog steeds geteld.
Interim-premier
Haïti wordt momenteel bestuurd, voor zover daar al sprake van is, door een ongekozen interim-premier die luistert naar de naam Ariel Henry, een man die banden heeft met een van de verdachten van de moord op zijn voorganger. Henry heeft de VS en andere westerse mogendheden opgeroepen militairen te sturen om de bendes een halt toe te roepen, een populair maar controversieel verzoek; het land is lange tijd bezet geweest door Amerikaanse militairen en door een VN-vredesmacht die burgers doodde, vrouwen en kinderen verkrachtte en een cholera-epidemie veroorzaakte waaraan meer dan tienduizend mensen zijn overleden. In augustus heeft Kenia, een land waarvan het leger en de politie berucht zijn om hun martelingen en massaslachtingen, aangeboden een vredesmacht te sturen om de Haïtiaanse politie bij te staan in haar strijd tegen de bendes. De VS zeiden een VN-motie te zullen indienen voor steun aan het plan om een ‘multinationale’ vredesmacht van duizend Keniaanse soldaten te leiden. De Haïtiaanse bendes hebben al gedreigd dat ze zullen terugvechten.
Colin zegt dat hij klaar is met politiek, dat hij zich nooit meer verkiesbaar zal stellen. ‘We hebben verkiezingen nodig,’ zegt hij wanhopig. ‘We hebben geen president. We hebben geen parlement. We hebben geen burgemeesters. We hebben geen land.’
Mike Mbuvi Gidion Kioko Sonko schopte het tot senator en gouverneur van Nairobi dankzij zijn populariteit en het fortuin dat hij maakte met zijn enorme wagenpark. De heersende bovenklasse stak uiteindelijk een spaak in de wielen van de politieke ambities van deze onbetwiste koning van de matatusubcultuur.
Halverwege het eerste decennium van deze eeuw nam Mike Mbuvi Gidion Kioko Sonko, die toen nog net geen veertig was, als een soort kolossus plaats in het zadel van Nairobi’s Eastlands: een koning en zijn uitpuilende leengoed. Eastlands is van alles, en niet in de laatste plaats een verzameling koloniale buitenhuizen en de vele imitaties daarvan uit de tijd van na de onafhankelijkheid. Ooit was Eastlands dé plek waar de Zwarte Afrikaanse elite zich vestigde. Maar toen die elite de macht in handen kreeg, trok ze en masse naar de buurten waar tot dan toe enkel Europeanen hadden gewoond. De wijk werd aan haar lot overgelaten en aan de randen ontstonden getto’s. Latere pogingen tot urbanisatie resulteerden in slecht ontworpen hoogbouw: flatgebouwen met krap bemeten en slecht verlichte woningen.
Maar Eastlands ging niet bij de pakken neerzitten. Op de stoffige, onverlichte straten waar soms nauwelijks nog water uit de kraan kwam, ontstond de populaire straattaal Sheng, een fascinerende mengeling van Engels en Swahili, met her en der wat invloeden van andere straattalen. Het Sheng maakte de weg vrij voor de Keniaanse rapcultuur uit de jaren negentig, een uitdagende imitatie van de Amerikaanse gangsterrap.
Matatu
Mede dankzij deze evolutie veranderden de matatu [het informele openbaar vervoer van Nairobi] van eenvoudig ogende busjes, jalopies, in manyanga: gepimpte voertuigen met een opzichtige carrosserie, versierd met avant-gardistische kunstwerken, waaruit oorverdovende muziek schalt. Matatucrews – chauffeurs, kaartjesverkopers en mensen die wat bijverdienen als chauffeur of kaartjesverkoper – maken hun naam waar als de meest modieuze inwoners van Nairobi. Piekfijn gekleed en met veel blingbling, alsof ze zo uit een videoclip van Snoop Dogg zijn gestapt – tatoeages, geverfd haar, gouden en zilveren tanden, kettingen en ringen – zijn deze deres en kanges hiphopversies van de smetteloos geklede sapeurs uit de Democratische Republiek Congo. Deze extravagante figuren, die een schamel loon verdienen dat net zo snel weer wordt uitgegeven als het wordt verdiend, zijn een soort halfgoden op de straathoeken vol werklozen in Eastlands. Ze trakteren geregeld op flessen goedkope drank en op bundels qat, de bladeren met een stimulerende werking, tot grote vreugde van hun minder draagkrachtige leeftijdsgenoten en bewonderaars.
De matatusubcultuur groeide uit tot een onlosmakelijk onderdeel van Eastlands. In 2010, toen de rest van Nairobi en Kenia Mbuvi leerde kennen, was de vijfendertigjarige al de onbetwiste koning van de matatusubcultuur. Hij bezat een aantal van de mooiste nganya – het Sheng-woord voor de versierde matatu was geëvolueerd van manyanga in de jaren negentig tot nganya rond 2000, en onlangs tot choda. Ze reden allemaal op route 58, tussen downtown Nairobi en het Buru Buru-winkelcentrum, een enorm druk gebied met cafés, gigantische supermarkten en discotheken.
Voor matatu geldt: hoe uitbundiger, hoe beter. Dus Mbuvi leefde zich helemaal uit, experimenteerde met de installatie van grote tv-schermen in zijn 32-persoonsmatatu, en gaf de busjes namen als Brown Sugar, Convict, Ferrari, Lakers en Ruff Cuts. De passagiers konden nu naar de clips kijken van de muziek die ze hoorden. Mbuvi verrijkte zijn wagenpark zelfs met een dubbeldekker, zodat de Buru Buru-passagiers een mooi uitzicht hadden terwijl ze door hun stad reden. Voor Mbuvi, die nog geen twaalf jaar eerder in een extra beveiligde gevangenis had gezeten, had het leven een opmerkelijke wending genomen. Maar weinig mensen realiseerden zich dat dit nog maar het begin was.
Mbuvi en Primrose wisten uiteindelijk een heel wagenpark te verwerven, met de meest lawaaierige en opzichtige nganya van Nairobi
Op 12 maart 1998 was Mbuvi naar de Shimo La Tewa Maximum Security Prison gestuurd. Hij was gevangene P/No. SHO/477/1998. Na een maand achter de tralies deed hij alsof hij ziek was en werd overgeplaatst naar het Coast General Hospital in Mombassa, waar hij op 16 april 1998 uit ontsnapte, om later terug te keren in Buru Buru. Samen met zijn vrouw Primrose wist Mbuvi voldoende geld bij elkaar te schrapen om een hair salon, een barber shop, een videobibliotheek, een cybercafé, een zaak in tweedehands auto-onderdelen en een kledingboetiek op te zetten.
Omdat Mbuvi voortvluchtig was, hield hij zich op de achtergrond. Primrose hield de boel draaiende en de zaken floreerden. Het stel opende een populaire nachtclub en stortte zich vervolgens in de matatu-business. In het begin kon Mbuvi zich geen nganya veroorloven. En dus nam hij genoegen met een paar aftandse matatu, die hij inzette in Dandora, diep in Eastlands: een uitgestrekte nederzetting waar zich de grootste stortplaats van Nairobi bevindt.
Mbuvi en Primrose wisten uiteindelijk een heel wagenpark te verwerven, met de meest lawaaierige en opzichtige nganya van Nairobi. Daarmee waren zij heer en meester op de Buru-route. Het geld begon binnen te stromen. Er bestaat een hiërarchie in de wereld van de nganya, die ongeveer net zo werkt als bij hitlijsten. Hoe langer een nummer op één staat, hoe meer de artiest eraan verdient. Bij de nganya geldt dat de busjes die bovenaan staan, meer verdienen op een dag: door een hogere prijs te vragen of door vaker op en neer te rijden, of beide.
Groupies
Dat men hogere prijzen durft te vragen komt voort uit het feit dat er altijd een gestage stroom passagiers is die bij de halte blijven wachten op hun favoriete nganya – je zou ze fans of groupies kunnen noemen. Deze mensen vinden het geen probleem om wat extra te betalen voor comfort, muziekkeuze of prestige als ze in hun favoriete nganya kunnen zitten. En wat nog belangrijker is: de nganya aan de top kunnen vaker op en neer rijden, omdat zij zich niet hoeven te houden aan bepaalde protocollen binnen het matatu-ecosysteem, zoals de regel dat bij de haltes het busje dat het eerst komt, het eerst maalt. Dus hoefden Mbuvi’s nganya in het centrum van Nairobi niet achter in de rij aan te sluiten, maar konden ze onmiddellijk passagiers aan boord nemen en weer terugrijden. Hetzelfde gold in het Buru-winkelcentrum, waar ze de motor niet eens uit hoefden te zetten. Zolang de nganya in beweging waren, waren Mbuvi’s geldschieters tevreden. Maar het grootste voordeel van de nganya was dat ze hun eigen wetten maakten. Om maar zo vaak mogelijk op en neer te kunnen rijden, haalden ze aan de verkeerde kant in, sneden af, drukten motoren van de weg en reden soms op de verkeerde weghelft.
Dat deze ‘matatuwaanzin’ al die tijd werd gedoogd door de inwoners van Nairobi, komt door de corruptie van de verkeerspolitie, die op de loonlijst staat van de matatubaronnen. Volgens de bestuurders van enkele van de populairste nganya van Nairobi (de routes die ze rijden moeten geheim blijven uit angst voor represailles) heeft er altijd een corruptievoedselketen bestaan. De belangrijkste agenten krijgen elke maand betaald en het bedrag daalt naarmate men lager in de rangorde zit. De verkeersagenten krijgen het minst betaald, een halve dollar per nganya per dag. Nganya moesten de verkeersregels wel breken, zo was de gedachte, want het is een geweldige investering om een gewoon minibusje om te bouwen tot een nganya.
Nog los van het feit dat Mbuvi hier een godsvermogen mee verdiende – volgens een schatting die Mbuvi zelf ooit maakte, zou hij op een gemiddelde dag al tegen het einde van de ochtend zo’n 200 dollar per nganya hebben verdiend, en dan moest het spitsuur nog komen – heeft hij het door de matatu ook geschopt tot baas.
‘Sonko’
In deze periode van zijn leven kreeg Mbuvi de bijnaam ‘Sonko’ – Sheng voor baas, of de man met het geld. Mbuvi’s andere bijnaam, die nooit hardop is uitgesproken, is Kabumba – een Sheng-term die verwijst naar zwarte magie. Mbuvi’s ster rees zo snel dat sommige mensen tovenarij vermoedden. De gefluisterde geruchten werden deels gevoed door het feit dat Mbuvi is geboren en getogen aan de kust, en ze steunden op de populaire mythe dat er een krachtige vorm van tovenarij is die haar kracht ontleent aan de Indische Oceaan. Mbuvi heeft geen moeite gedaan dit beeld weg te nemen; hij draagt aan al zijn vingers gouden ringen met merkwaardig uitziende dieren – het idee is dat er voodookrachten schuilen in blingbling.
Dus tegen de tijd dat er in april 2010 tussentijdse parlementsverkiezingen werden gehouden in Nairobi’s Makadara-kiesdistrict, was Mbuvi in Eastlands al een factor om rekening mee te houden. Mbuvi was niet langer alleen de flamboyante eigenaar van de coolste nganya, hij was bovendien uitgegroeid tot woordvoerder van alle Eastlands-matatu, die hem tot voorzitter hadden gekozen. Toen de overheid in 2007 de haltes van de Eastlands-matatu wilde verplaatsen van het centrum naar de randen van de stad, stapte Mbuvi naar de rechter en wist er een stokje voor te steken. Buiten Eastlands had Mbuvi nog altijd iets mystieks: de geheimzinnige eigenaar van beruchte Buru-matatu, die zich nergens iets aan gelegen liet liggen. Maar Nairobi zou al snel meer over hem te weten komen.
Mbuvi’s belangstelling voor de tussentijdse verkiezing was gewekt doordat hij meende dat niemand anders in het kiesdistrict beschikte over zo’n netwerk, zo veel mankracht en zo’n uitgebreide infrastructuur als hij, met het Buru-winkelcentrum als middelpunt. Als hij zou besluiten zijn uitgebreide nganyanetwerk van chauffeurs, kaartjesverkopers en losse krachten te gebruiken als campagnetool, zou hij een enorme voorsprong hebben op de andere kandidaten. Bovendien had Mbuvi dankzij zijn nganya grote hoeveelheden contant geld, waar hij kwistig mee strooide.
Hij speelde het spel niet volgens de regels van de politieke elite, en hij was dan ook niet welkom
Mbuvi zorgde onmiddellijk voor ophef in de doorgaans zo rustige politiek in Nairobi. Wie was die magere knul op dat billboard, met dat opzichtige uiterlijk? En hoezo noemde hij zichzelf Sonko? Maar al snel deed het nieuws de ronde dat Mbuvi de eigenaar was van de beruchte nganya, en toen vielen de puzzelstukken op hun plek. Door de nganya verdiende Mbuvi schatten geld – vandaar de naam Sonko – en als eigenaar genoot hij immuniteit.
Vanaf dat moment, en gedurende zijn hele theatrale decennium in de politiek, werden Mbuvi’s vele misstappen hem vergeven omdat hij de verpersoonlijking was van umatatu: een anarchistisch fenomeen dat wordt gekenmerkt door brutaliteit, vulgariteit en bravoure, en belichaamd door zorgeloze matatucrews.
Maar umatatu leverde Mbuvi niet alleen geld en roem op, het leidde ook tot opgetrokken wenkbrauwen. De gevestigde politieke partijen wilden zich niet met Mbuvi inlaten, ondanks zijn herhaaldelijke toenaderingspogingen. Hij speelde het spel niet volgens de regels van de politieke elite, en hij was dan ook niet welkom.
Parlementslid
Hoewel hij het opnam tegen lokale kandidaten, won Mbuvi de verkiezingen en daarmee had Makadara een nieuw parlementslid. Mbuvi liet er geen gras over groeien. Hij wilde zo snel mogelijk zijn stempel op de politiek drukken aangezien hij nog maar twee jaar de tijd had voor de algemene verkiezingen van 2013. Mbuvi maakte zijn naam, Sonko, waar door in het wilde weg stapeltjes knisperende bankbiljetten uit te delen zodra hij een behoeftige Nairobiaan tegenkwam en ventte zijn vrijgevigheid handig uit op social media. Om te zorgen dat er over hem werd gepraat, reed hij rond in vergulde SUVs, droeg kilo’s gouden sieraden en verfde zijn haar goud. Zo trok hij meer dan genoeg aandacht – niet allemaal even positief.
Mbuvi speelde een kat-en-muisspel met de politie
Drie maanden nadat Mbuvi was gekozen, deed de politie een inval in zijn kantoor en in zijn huis in Buru, op verdenking van betrokkenheid bij drugshandel, na een tip van de Amerikaanse ambassade (de minister van Binnenlandse Veiligheid heeft in het parlement toegegeven dat de Amerikanen dit hebben gelekt). Mbuvi speelde een kat-en-muisspel met de politie en deed in het parlement op hoge toon zijn beklag over intimidatie door de politie.
Op 10 november 2005 landden Artur Margaryan en Artur Sargasyan, twee met gouden kettingen behangen Armeniërs, in Nairobi. Door zich eerst voor te doen als zakenlieden, vervolgens als playboys en uiteindelijk als veiligheidsexperts, wist het stel connecties te leggen op het hoogste niveau van de Keniaanse samenleving. Uiteindelijk bleken de beide mannen zo nuttig voor degenen met wie ze verwikkeld waren in allerlei schimmige zaakjes, dat ze allebei werden benoemd tot adjunct-commissaris van politie.
Keniaanse journalisten brachten de beide Arturs herhaaldelijk in verband met drugshandel. En hoewel de politie niet kon bewijzen dat Mbuvi zelf was betrokken bij drugshandel, leek de politie, door nadrukkelijk te verwijzen naar de nganya die Mbuvi Artur had gedoopt – en door ARTUR zelfs in hoofdletters te schrijven – te impliceren dat hij dan misschien niet direct schuldig mocht zijn, maar dat zijn voorliefde voor vermoedelijke dealers veelzeggend was.
Terecht of niet, het stempel van drugsdealer bleef aan Mbuvi kleven (misschien dat hij daarom in 2012 besloot zijn naam te veranderen van Mbuvi Gidion Kioko in Mbuvi Gidion Kioko Mike Sonko). Niet dat dit hem schade berokkende: zijn populariteit steeg tot ongekende hoogten.
Drugshandelaanklacht
Mbuvi zag de drugshandelaanklacht als een schot voor de boeg en hij begreep dat hij politieke bescherming moest zoeken – en snel ook. Zijn succes bij de tussentijdse verkiezing was natuurlijk geen garantie voor toekomstige politieke successen, zeker niet nu hij zijn zinnen erop had gezet de eerste senator ooit te worden voor Nairobi (een functie die in 2010 in de Keniaanse grondwet was opgenomen). Hij moest aansluiting zoeken bij een van de twee politieke partijen. Dit keer was zijn timing perfect. Uhuru Kenyatta, destijds een van de twee vicepremiers, stond op het punt zich kandidaat te stellen voor het presidentschap namens de Nationale Alliantie Partij. Als zoon van Jomo Kenyatta, de grondlegger van de Keniaanse onafhankelijkheid, behoort Kenyatta tot de politieke royalty, maar hij zat in ernstige problemen en hij had alle vrienden nodig die hij maar kon vinden.
Hij ging zelfs zo ver om zijn kapper te vragen de naam Kenyatta op zijn hoofd te scheren
Kenyatta was een van de vier Kenianen die door het Internationaal Strafhof in Den Haag werden vervolgd wegens misdaden tegen de mensheid. De aanklachten houden verband met het geweld in 2007 en 2008, voorafgaand aan de verkiezingen, waarbij meer dan duizend mensen zouden zijn vermoord. Mbuvi wierp zich op als Kenyatta’s belangrijkste pleitbezorger. Hij trok Kenyatta’s situatie naar zich toe en ging zelfs zo ver om zijn kapper te vragen de naam Kenyatta op zijn hoofd te scheren. Hij vloog naar Den Haag om demonstraties vóór Kenyatta te leiden, telkens wanneer Kenyatta moest voorkomen. Dan droeg hij steevast een T-shirt met de woorden Respect our Prezzo, Takataka nyinyi ghasia! (Respect voor onze president, stelletje eikels!)
Mbuvi’s steun voor Kenyatta loonde. Tijdens de verkiezingen van 2013 wisten Kenyatta en zijn running mate William Ruto – die ook in Den Haag was aangeklaagd wegens misdaden tegen de mensheid – met een minieme marge het presidentschap in de wacht te slepen. De zaak tegen beide leiders werd vervolgens geseponeerd.
Mbuvi liftte mee op dit succes en werd de eerste senator van Nairobi, met maar liefst 808.705 stemmen: het hoogste aantal stemmen dat tot dan toe in Kenia was uitgebracht op een afzonderlijke politicus die niet opging voor het presidentschap. Mbuvi was niet te stuiten.
Misrekening
Zoals de meeste net gekozen senatoren realiseerde Mbuvi zich dat hij misschien een misrekening had gemaakt. De titel mag dan nog zo indrukwekkend zijn, de baan zelf beperkt zich tot toezicht houden. De echte macht lag bij de gouverneurs, die zeggenschap hadden over enorme budgetten en die zodoende levens en leefomstandigheden konden beïnvloeden. Dus bedacht Mbuvi een plan. Hij richtte een particulier gefinancierde, pro-bono opererende dienstverlenende instantie op, het Sonko Rescue Team, dat bestond uit ambulances, brandweerauto’s en watertanks. Hij schakelde honderden jongeren in om het geheel te bemannen, en liet ze ondertussen afval van de straat halen. Hij zorgde dat de nieuwe organisatie de ziekenhuisrekening betaalde van mensen die een gespecialiseerde behandeling moesten ondergaan in Kenia of in het buitenland. Mocht diegene onverhoopt overlijden, dan stelde Mbuvi gratis een van zijn beroemde nganya beschikbaar als lijkwagen.
Tijdens een senaatsbijeenkomst ging Mbuvi bijna op de vuist met gouverneur Kidero, de man die hij uit het zadel wilde wippen. Het had geen negatieve gevolgen voor hem. Niets kon Mbuvi raken. Voorlopig niet, in ieder geval.
Samen met enkele van de rijkste zakenlieden van Kenia werkten ze een plan uit dat bekend zou komen te staan als ‘Operatie stop Mbuvi’
Maar hoewel de doorgaans achteloze Kenyatta zich niet leek te storen aan Mbuvi’s umatatu en zijn anarchistische streken keer op keer door de vingers zag, was er een groepje hoge ambtenaren dat daar anders over dacht. Zij maakten zich zorgen over wat er zou gebeuren als Mbuvi gouverneur van Nairobi zou worden. Samen met enkele van de rijkste zakenlieden van Kenia werkten ze een plan uit dat bekend zou komen te staan als ‘Operatie stop Mbuvi’ – een operatie waar Mbuvi zich herhaaldelijk in het openbaar over beklaagde, zodra hij tegenwerking ervoer van de overheid.
Op zeker moment zag het ernaar uit dat Mbuvi naar een zijspoor was gedirigeerd. Op een avond laat vroeg hij belet aan bij Kenyatta. Naar het schijnt raakte Mbuvi overstuur en vroeg hij Kenyatta waarom die hem verloochende terwijl Mbuvi de president juist had gesteund tijdens het proces in Den Haag. De volgende ochtend om acht uur ontving Mbuvi een bewijs van goed gedrag van de politie, waarmee hij toch aan de voorverkiezingen kon meedoen. Die hij won.
Toontje lager
Nadat de president had laten zien dat hij Mbuvi dan misschien niet steunde maar wel naar hem luisterde, zagen de hoge ambtenaren en hun geldschieters zich gedwongen een toontje lager te zingen. Maar daar wilden ze dan iets voor terug: zij wilden bepalen wie Mbuvi’s running mate zou worden. Het was de bedoeling om op die manier Mbuvi’s umatatu te beteugelen, door hem te koppelen aan een ingetogener iemand. Maar vooral hoopte men op deze manier bepaalde commerciële belangen veilig te stellen. De politiek was belangrijk, maar nog belangrijker was het geld. Polycarp Igathe, een loyale protégé die ervaring had opgedaan binnen het Keniaanse bedrijfsleven, leek dé man voor deze klus.
Het plan was eenvoudig. Mbuvi zou de stemmen binnenhalen. Igathe zou regeren, met als uiteindelijke bedoeling Mbuvi uit het zadel te wippen, zodat de paar uitverkorenen Nairobi konden overnemen, met Igathe als mogelijke gouverneur. Mbuvi ging op dat moment niet de directe confrontatie aan, maar verliet zich op realpolitik. Hij gaf toe aan de eisen van zijn tegenstanders en veinsde gedurende de hele campagneperiode een vriendschappelijke band met Igathe.
De merkwaardige combinatie werkte. Mbuvi won met 871.974 stemmen – waarmee hij zijn eigen record uit 2013 brak. Het overgrote deel van de stemmen was afkomstig van het Eastlands-proletariaat.
Igathe walste het gemeentehuis binnen en foeterde het personeel uit toen hij afval zag liggen in de parkeergarage. De overname van het stadhuis door Igathe was in volle gang. Maar Mbuvi was hem een stap voor. Hij vulde het stadhuis met loyale rouwdouwers uit Eastlands. De meesten hadden nauwelijks een taakomschrijving, behalve kijken en luisteren. Dankzij hen was Mbuvi alomtegenwoordig. Er kon geen papiertje worden verplaatst zonder zijn toestemming.
Vervolgens omringde hij zich met een legertje lijfwachten, personal assistants en handlangers uit zijn matatuhoogtijdagen. De achterdocht greep om zich heen. Nairobi werd geregeerd door paranoia.
Om de chaos te vergroten had Mbuvi een handvol mobiele telefoons en hij was de enige die wist welke waarvoor was. Hij bepaalde zelf wanneer hij bereikbaar was en wanneer hij van de aardbodem verdween. Uit angst dat er een administratieve maalstroom dreigde, deed Igathe verwoede pogingen de bureaucratie op het gemeentehuis vlot te trekken. Maar het was te laat. Na zes maanden liet de man die Mbuvi in het gareel had moeten houden om hem uiteindelijk te vervangen, op Twitter weten dat hij ontslag nam.
Plaatsvervanger
Mbuvi moest een nieuwe plaatsvervanger benoemen, maar dat deed hij niet. Toen er druk op hem werd uitgeoefend om dat toch te doen, stuurde hij in het wilde weg kandidaten naar het districtsbestuur, ter goedkeuring. Die werden automatisch afgewezen. Maar met elke stap won hij tijd. Vervolgens zorgde hij dat alle telefoongesprekken werden opgenomen: kruisraketten die hij afvuurde al naargelang de hoeveelheid schade die hij wilde berokkenen, wíé hij wilde schaden en wáár. Toen Igathe ontslag nam, lekte Mbuvi hun gesprekken, waarmee Igathe in een slecht daglicht kwam te staan. Toen er een woordenwisseling ontstond met Esther Passaris, parlementslid voor Nairobi, liet Mbuvi screenshots lekken met berichten waarin zij hem vroeg haar campagnes te financieren.
Met eenzelfde machiavellistische tactiek bestuurde Mbuvi Nairobi. Zijn kabinet moest op eieren lopen omdat hij wekelijks de samenstelling veranderde. Om iedereen in het gemeentehuis scherp te houden, zorgde Mbuvi ook dat alle hoge ambtenaren een tijdelijke functie kregen, zodat hij hen zonder enig probleem kon ontslaan, overplaatsen of degraderen. Hij regeerde enerzijds door angst en corruptie; anderzijds door chaos en verwarring. Alles leek te gaan zoals hij wilde.
Toen hij de volledige controle leek te hebben, konden Mbuvi en zijn mannen doen wat ze maar wilden
Toen hij de volledige controle leek te hebben, konden Mbuvi en zijn mannen doen wat ze maar wilden. Op een zaterdagochtend in april 2018 leken ze toch te ver te gaan. Een groep stevig gebouwde kleerkasten stormde Hotel Boulevard in het centrum van Nairobi binnen en verstoorde met veel geweld een persconferentie van de ingetogen Timothy Muriuki, een voormalig hoofd van de Nairobi Central Business District Association. Muriuki werd gezien als een onbeduidende criticaster die een lesje moest leren. De mannen takelden hem toe terwijl de journalisten zich uit de voeten maakten. De knokploeg, die er enkel op was gericht Muriuki de mond te snoeren en de pers uiteen te drijven, sleurde Muriuki het terrein af. Hij werd in een modderpoel geduwd en hij viel. Muriuki wist overeind te krabbelen en wilde wegrennen, waarop de aanvallers zijn jasje grepen en weer begonnen te slaan en te trappen. Muriuki wist te ontsnappen terwijl journalisten de bewakers van een naburig gebouw wisten over te halen hem een veilig heenkomen te bieden.
Kenia’s deep state
Toen de inwoners van Nairobi dit alles op social media zagen, realiseerden velen zich dat ze een stommiteit hadden begaan door Mbuvi met zijn umatatu te kiezen.
De ambtenaren en zakenlieden die er niet in waren geslaagd hem uit het zadel te wippen, besloten een nieuwe poging te wagen. Ze probeerden gebruik te maken van Mbuvi’s paranoia. Uit angst dat het gemeentehuis werd afgeluisterd besloot Mbuvi Nairobi te besturen vanuit afwisselend een onopvallend pied-à-terre in de Upper Hill-buurt – een huis dat hij had omgebouwd tot kantoor – en zijn gigantische villa op een heuveltop in Mua Hills, vol opzichtig goud, midden in de buitenwijken van Nairobi.
Mbuvi liet zijn kabinet bijeenkomen in deze privéwoningen. Mbuvi’s tegenstanders gebruikten de pers als spion en zo kwam de ene na de andere weinig lovende krantenkop uit, totdat Mbuvi uiteindelijk liet weten slachtoffer te zijn van Kenia’s deep state, gerund vanuit het kantoor van de president. Voor de zoveelste keer noemde hij minister Karanja Kibicho een marionettenspeler. De inkt van al deze schadelijke krantenberichten – dat hij dronk tijdens het werk, dat hij het gemeentehuis bestuurde als een maffiabaas, dat hij nooit naar zijn kabinet luisterde en dat hij bijna failliet was – was nog niet droog of de landelijke anticorruptie-eenheid sloeg toe. Verschillende van Mbuvi’s banktransacties werden als verdacht aangemerkt. Mbuvi liet in niet mis te verstane bewoordingen weten dat hij weliswaar in armoede was opgegroeid, maar dat hij geen pauper was. Hij zei handenwringend: ‘Als ik al mijn eigendomsakten te gelde maak, heb ik meer geld dan het jaarlijkse budget van heel Nairobi.’ Het budget van Nairobi voor de periode 2019-2020 bedroeg 320 miljoen dollar. Hij probeerde het publiek te bespelen, maar daarmee wist hij nog niet de autoriteiten af te schudden. Eind 2019 stond zijn arrestatie gepland.
Op het moment dat Mbuvi op zijn zwakst was, besloot Kenyatta de genadeklap uit te delen
Toen hij vernam dat hem verschillende aanklachten boven het hoofd hingen, van witwassen tot corruptie, nam Mbuvi de benen en probeerde zich schuil te houden in een van zijn huizen aan de kust. Zijn konvooi werd onderschept bij Voi, tussen Nairobi en Mombassa, en Mbuvi werd in een helikopter gewerkt en teruggevlogen naar de hoofdstad. Het machtsvertoon maakte iedereen duidelijk dat de voormalige matatukoning het opnam tegen niemand minder dan Kenyatta.
Mbuvi moest een duizelingwekkende borgsom betalen, van 150.000 dollar, en de rechtbank legde hem een verbod op om het stadhuis te betreden totdat de zaak helemaal was afgehandeld. Op het moment dat Mbuvi op zijn zwakst was, besloot Kenyatta de genadeklap uit te delen.
Op de avond van 24 februari 2020 kreeg Mbuvi het bericht dat hij zich moest melden op het State House, de officiële residentie van de president. Hij kwam twee uur te laat voor zijn afspraak van 6 uur ’s ochtends. Kenyatta was er niet meer. Toen Kenyatta die middag terugkwam, droeg hij Mbuvi op een aantal functies binnen het districtsbestuur van Nairobi over te dragen aan de landelijke overheid – onder meer functies met betrekking tot planning, gezondheid, transport, openbare werken, ondersteunende diensten en belastinginning. Als troost mocht Mbuvi aanblijven als gouverneur, zij het eentje zonder werkelijke macht. Om 4 uur ’s middags verscheen een duidelijk geslagen Mbuvi op een persconferentie met de president, waar hij deemoedig een document ondertekende waarmee hij afstand deed van zijn electorale mandaat.
Afzettingsprocedure
En zo was de grootste stad van Kenia, tevens de hoofdstad, van de ene op de andere dag zijn gekozen gouverneur kwijt en werd de stad geleid door een keiharde generaal. Ondanks zijn eerdere berusting kwam Mbuvi in opstand. Als gouverneur was Mbuvi de officiële ondertekenaar geweest van de rekeningen bij Nairobi County-bank, en nu weigerde hij geld over te maken naar gemeentelijke diensten. Kenyatta sloeg terug en zette een afzettingsprocedure in gang. Mbuvi greep terug op umatatu en liet een aanzienlijke groep leden van de County Assembly overvliegen naar de kust, zodat het stadsbestuur niet de vereiste hoeveelheid stemmen kon binnenhalen om hem af te zetten. Er doken video’s op van tientallen leden van de gemeenteraad, mannen en vrouwen, die dikke pakken geld toonden terwijl ze met Mbuvi feestvierden in een van zijn vele kustresorts. De gemeenteraad besloot echter dat vanwege het covid-protocol niet alle leden van de gemeenteraad lijfelijk hun stem hoefden uit te brengen. Dus de mensen aan de kust konden digitaal stemmen.
Mbuvi werd vlak voor kerstmis 2020 afgezet. Een verbitterde en ongelovige Mbuvi, die zonder werk was komen te zitten en in ongenade was gevallen, ging in de aanval. Hij liet een telefoongesprek lekken waarin de jongere zus van de president, Christina Pratt, Mbuvi zou hebben geprobeerd over te halen haar vriend te benoemen als vicegouverneur.
Vervolgens ging Mbuvi naar bijeenkomsten door het hele land, waar hij publiekelijk allerlei corruptieschandalen in de schoenen van de presidentiële familie schoof. Zijn aanvallen sorteerden effect en Kenyatta kon niet langer de schijn ophouden. Tijdens een bijeenkomst met andere leiders in de buurt van Mount Kenya, bekende hij dat hij zelf de hand had gehad in het afzetten van Mbuvi. ‘Ik heb geprobeerd mijn vriend te helpen… uiteindelijk sloeg hij dat aanbod af omdat hij zich wilde blijven verschuilen achter zijn zonnebril, wilde blijven opscheppen en blijven stelen… dus heb ik gezegd: als dat het geval is, scheiden onze wegen. Tegenwoordig is hij druk bezig mij zwart te maken. Ik heb niets tegen hem, maar Nairobi is nu in betere handen.’
Mbuvi had ten onrechte gedacht dat hij en Kenyatta gelijken waren
Een verhitte Mbuvi ging binnen een uur in de tegenaanval en sloeg een aloud Swahili-gezegde in de wind: usishandane na ndovu kunya, utapasuka msamba – een waarschuwing dat je nooit een wedstrijdje poepen moet doen met een olifant omdat jij dan je ingewanden scheurt. Mbuvi had ten onrechte gedacht dat hij en Kenyatta gelijken waren.
In februari sprak Mbuvi tijdens een demonstratie in Machakos. Hij liet Kenyatta’s speech door de luidsprekers horen en noemde de president vervolgens een dronkenlap met wie hij nog marihuana had gerookt. ‘Ik zal zijn naam niet noemen omdat hij me anders laat oppakken of vermoorden, dat is zijn probleem,’ zei Mbuvi. ‘Maar wat mijn vriend er niet bij vertelt is dat hij me heeft aangeraden die zonnebril op te zetten toen we samen marihuana rookten. Hij heeft me geleerd mijn bloeddoorlopen ogen te verbergen achter die bril als we hadden gerookt… van hem heb ik alles geleerd over zonnebrillen, drank en marihuana.’
Mbuvi had in de ogen van de president nu dan toch eindelijk een grens overschreden met zijn umatatu. Hij werd achtenveertig uur later opgepakt en meer dan een maand vastgehouden op verdenking van terrorisme. De openbaar aanklager stelt dat Mbuvi een privéleger heeft dat een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.
Umatatu had gunstig uitgepakt voor Mbuvi, totdat alles ineens anders was. En diegenen die hij had geprobeerd te verslaan – de zakenlieden en de politici van de oude stempel – waren hem te slim af geweest. De matatukoning was geveld.
‘De nieuwe extreemrechtse regering van Israël onder Benjamin Netanyahu wil het systeem herzien dat de politieke stabiliteit in het land in stand hield. Onder protest van de oppositie en tienduizenden demonstranten buiten, is het parlement begonnen met hervorming van de wetgeving. Het belangrijkste punt is de ‘inmengingclausule’, die het parlement in staat stelt rechterlijke beslissingen te vetoën. Dat zou het gerechtelijk apparaat ondergeschikt maken aan de uitvoerende macht en aan de leider daarvan, Netanyahu.’
Neve Gordon – hoogleraar internationaal recht, Queen Mary University in Londen
‘In het mondiale noorden is het dominante verhaal dat Israël “de enige democratie in het Midden-Oosten” is. Zeker, er is democratie in Israël – maar die lijkt meer op de democratie tijdens de apartheid in Zuid-Afrika dan die in het VK of Frankrijk. Het Israëlische Hooggerechtshof is inderdaad een principiële verdediger van democratische rechten – maar alleen voor Joden. De rechtbank speelde een cruciale rol bij het faciliteren van het Israëlische koloniale project en legitimatie van geweld tegen Palestijnen.’
‘Wat er gebeurt met de poging tot herziening van het Hooggerechtshof door de Israëlische regering, is geen hervorming van het gerechtelijk apparaat, maar lijkt op een antidemocratische staatsgreep. Deze extreemrechtse coalitie vaardigt een reeks uiterst controversiële wetten uit, die samen één heel simpel ding betekenen: de regering krijgt de macht om elke wet aan te nemen die ze wil, en om bestaande wetten te interpreteren zoals ze wil, zonder controle op haar macht en zonder dat de rechten van minderheden worden beschermd.’
‘Voor de creatie van een echt apartheidsregime is onderdrukking van de Palestijnen en uitsluiting van Arabische Israëli’s niet voldoende. Ook de Hoge Raad, de media, maatschappelijke organisaties, de academische en de culturele wereld moeten eraan geloven. Een regering die illegale buitenposten toestaat, de bouw van nederzettingen aankondigt en annexatie faciliteert – met als gevolg diplomatiek, economisch, en internationaal isolement –, is een ondemocratische regering.’
Slechts 27,5 procent van de kiesgerechtigden kwam opdagen
Afgelopen maandag hebben kiezers in Tunesië in een referendum voor een nieuwe grondwet van president Kais Saied gestemd, meldt Al Jazeera. Volgens een exitpoll van Sigma Conseil stemde 92,3 procent van de kiezers voor de grondwetswijziging die ervoor zorgt dat de populistische president veel meer macht krijgt. De opkomst was echter opvallend laag: slechts 27,54 procent van de 9,3 miljoen kiesgerechtigden kwam opdagen.
Aanhangers van Saied gingen na de uitslag de straten op om de verkiezingswinst te vieren. De oppositie had daarentegen opgeroepen tot een boycot van het referendum, ‘om geen tekst te legitimeren die een terugkeer naar een dictatoriaal regime mogelijk zou maken’ in Tunesië, de bakermat van de Arabische lente, aldus Al Jazeera. Afgelopen dagen werden er in de hoofdstad al verschillende demonstraties gehouden tegen president Kais Saied, die een jaar aan de macht is.
De enige zekerheid die er momenteel is in Nicaragua is dat Ortega en zijn vrouw, tevens vicepresident, herkozen willen worden. Dit betekent dat ze de totale macht houden over de overheid, de economie, de politie en het leger.
Onlangs sprak ik via Zoom met mijn vriend de Canadese schrijver John Ralston Saul, oud-voorzitter van PEN International, die een paar jaar geleden in Nicaragua was geweest. De PEN, vroeger de PEN CLUB, werd in 1921 in Londen opgericht met niemand minder dan Joseph Conrad, George Bernard Shaw en H.G. Wells als leden van het eerste uur. De schrijversorganisatie verenigt nu schrijvers van over de hele wereld en houdt zich vooral bezig met het verdedigen van de vrijheid van meningsuiting en de mensenrechten.
John belde me omdat hij benieuwd was hoe het in Nicaragua is, waar de Nicaraguaanse PEN-afdeling onder voorzitterschap van schrijfster Gioconda Belli onlangs haar deuren moest sluiten. We spraken lang over Nicaragua en haalden herinneringen op aan toen ik hem een keer meenam om een kijkje te nemen in de krater van de actieve vulkaan Masaya. Een voor toeristen angstaanjagende diepte waaruit dikke zwaveldampen opstijgen, alsof we in dit land wonen in de bek van de hel, zoals kroniekschrijver Fernández de Oviedo de vulkaankrater omschreef.
Om te beginnen zei ik dat de ene gekozen regering van Latijns-Amerika het beter doet dan de andere en dat de ene democratischer is dan de andere maar dat de democratieën de afgelopen decennia zich hebben kunnen wortelen omdat de kiessystemen vertrouwen wekken en verhalen over fraude, stembussen vol valse stembiljetten – met name van dode mensen – en klunzig vervalste bewijsstukken tot het verleden behoren.
Niemand zal de legitimiteit van de overweldigende verkiezingszege van president Nayib Bukele in El Salvador in twijfel trekken. Of hij die absolute meerderheid die hem de totale controle over het land geeft, zal gebruiken om de democratie te bestendigen of om zeep te helpen, zal moeten blijken. De stemmen die hij heeft gekregen zijn eerlijk geteld. En als in Peru het vertrouwen in de politiek in een voortdurende crisis verkeert, komt dat niet door verkiezingsfraude maar doordat de verkozen leiders keer op keer corrupt blijken te zijn.
Anders is het in Nicaragua waar de grondwet dicteert dat er in november van dit jaar presidentsverkiezingen en parlementaire verkiezingen worden gehouden. Over een paar maanden dus, maar er worden geen voorbereidingen getroffen die de indruk wekken van een eerlijk electoraal proces om een democratische transitie mogelijk te maken.
In een resolutie van de Algemene Vergadering van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) van november vorig jaar staan de basisvoorwaarden waaraan onze verkiezingen moeten voldoen om eerlijk te verlopen: ‘deugdelijke’ onderhandelingen tussen de regering en de oppositie ‘waarvan niemand wordt uitgesloten’; ‘grondige’ electorale hervormingen die voldoen aan internationale normen; herstructurering en modernisering van de Verkiezingsraad zodat onafhankelijk, transparant en verantwoord optreden is gewaarborgd; actualiseren van het register kiesgerechtigden; aanwezigheid van nationale en internationale waarnemers.
Voorwaarden
Daarnaast staat er in de resolutie dat er sprake moet zijn van een pluriform politiek proces ‘ter waarborging van de burgerlijke en politieke rechten, inclusief de vrijheid van vreedzame vergadering en samenscholing, het recht op vrijheid van meningsuiting. Tevens moeten nieuwe politieke partijen zich kunnen registreren in het kiesregister’.
Aan deze voorwaarden had eind mei voldaan moeten zijn, maar tot nu toe heeft de regering geen vinger uitgestoken. Voorlopig weten we alleen dat Ortega en zijn vrouw, de vicepresident, zich klaarmaken om te worden herkozen, wat betekent dat ze, zoals al vijftien jaar het geval is, de totale controle houden over de burgers, de economie, de politie en het leger. Vooralsnog wijst niets erop dat er ook maar de minste politieke wil bestaat om die totale macht te onderwerpen aan vrije verkiezingen.
De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties die dit jaar in Genève vergaderde, liet weten ‘zeer bezorgd te zijn over het feit dat Nicaragua geen pogingen doet om het kiessysteem en de instituties zodanig te hervormen dat er eerlijke en transparante verkiezingen kunnen plaatsvinden’.
Hoe kun je in dit klimaat verkiezingscampagnes houden?
Ook eist de Mensenrechtenraad dat men ‘stopt met het opjagen en belagen van de oppositie‘; ‘met arbitraire arrestaties, bedreigingen en andere vormen van intimidatie om critici te onderdrukken’; ‘de gearresteerden vrijlaat die illegaal en arbitrair zijn opgepakt’. Daarnaast eist de Raad dat de wetten die een schending zijn van de mensenrechten worden ingetrokken. Denk alleen maar de wet Cybercriminaliteit, de ‘Buitenlandse Agentenwet’ (organisaties die geld krijgen uit het buitenland moeten zich laten registreren en zeggen wat ze met het geld gaan doen; ze worden uitgesloten van politieke activiteiten) en de levenslange gevangenisstraf voor ‘haat zaaien’.
Kun je een acceptabele politieke situatie creëren in een land met meer dan 120 politieke gevangenen, voornamelijk jonge mensen, en met duizenden jonge ballingen, die zijn gevlucht toen er vanaf 18 april 2018 sprake was van ongebreidelde repressie?
Hoe kun je in dit politieke klimaat verkiezingscampagnes houden? De politie patrouilleert op straat en slaat elke poging tot vreedzame manifestatie neer, sluit zonder daartoe gerechtigd te zijn oppositieleden op in hun huis en verbiedt hen naar buiten te gaan, en valt zaaltjes binnen waar politieke bijeenkomsten worden gehouden.
Van diverse media en televisiestations is de apparatuur in beslag genomen en andere media, zoals Radio Darío in León hangt hetzelfde boven het hoofd.
We staren nog steeds in de krater van de actieve vulkaan, zeg ik tegen John. Het zal heel lastig zijn om de weg te vinden die ons weg leidt van de bek van de hel, maar we houden hoop.
Op een VN-bijeenkomst kwam een team van het Chinese telecombedrijf Huawei met een voorstel voor een nieuw internetprotocol, een nieuwe infrastructuur die de macht weghaalt bij het individu en teruggeeft aan de staat. De Britse zakenkrant de Financial Times zocht het tot op de bodem uit.
Op een frisse dag in september betrad een handvol Chinese ingenieurs vorig jaar een vergaderzaal in het hartje van de VN-wijk in Genève. Ze hadden een uur de tijd om afgevaardigden uit meer dan veertig landen te overtuigen van hun visie: een ander soort internet, ter vervanging van de technische architectuur die al een halve eeuw ten grondslag ligt aan het wereldwijde web dat we kennen. Het huidige internet is van iedereen en niemand, maar zij willen iets heel anders bouwen: een nieuwe infrastructuur die de macht weghaalt bij het individu en teruggeeft aan de staat.
Het voorstel voor dit ‘Nieuwe IP’ (internetprotocol) werd gepresenteerd door een team van de Chinese telecomreus Huawei. Geen enkel ander bedrijf had zo’n grote delegatie afgevaardigd naar deze bijeenkomst van de International Telecommunication Union (ITU), een VN-organisatie die wereldwijde standaarden voor technologie vastlegt. De Chinezen gaven een simpele powerpointpresentatie, die weinig informatie bevatte over hoe die nieuwe techniek precies werkt en voor welk specifiek probleem het een oplossing is. Wel was de presentatie gelardeerd met plaatjes van futuristische technologie, van levensgrote hologrammen tot zelfrijdende auto’s. Die moesten illustreren dat het huidige internet een achterhaalde techniek is, die de grenzen van zijn mogelijkheden heeft bereikt. Het wordt tijd, zo stelde Huawei, voor een nieuw wereldwijd netwerk met een top-downontwerp, en de Chinezen willen dat maar al te graag bouwen.
Overal ter wereld lijken overheden het erover eens dat de huidige vorm van internetregulering – in feite niet meer dan wetteloze zelfregulering door merendeels Amerikaanse bedrijven – niet functioneert. Het Nieuwe IP is de recentste van een hele reeks pogingen om daar verandering in te brengen, vaak onder aanvoering van landen die vijftig jaar geleden niet bij het ontstaan van het internet waren betrokken. ‘De conflicten rond internetregulering zijn de nieuwe plaatsen waar politieke en economische macht zich in de eenentwintigste eeuw ontplooit,’ schreef Laura DeNardis in 2014 in haar boek The Global War for Internet Governance.
Censuurmodel
Vooral China beschouwt de ontwikkeling van een nieuwe infrastructuur en nieuwe standaarden voor internet als kernpunt van zijn digitale buitenlandbeleid, en het ziet zijn censuurmodel als schoolvoorbeeld van een efficiënter internet dat naar andere landen kan worden geëxporteerd. China ‘wil natuurlijk een technologische infrastructuur die de overheid net zo’n totale macht geeft als ze in de samenleving heeft, een technisch ontwerp dat tegemoetkomt aan de totalitaire drang,’ zegt Shoshana Zuboff, sociaal wetenschapper aan Harvard en auteur van The Age of Surveillance Capitalism. ‘Dat vind ik eng, en iedereen zou dat eng moeten vinden.’
Volgens Huawei wordt het Nieuwe IP alleen ontwikkeld om tegemoet te komen aan de technische eisen van een razendsnel veranderende digitale wereld en is er nog geen specifieke vorm van regulering in het ontwerp opgenomen. Het telecombedrijf leidt een ITU-studiegroep die onderzoekt welke netwerktechnologie de wereld in 2030 nodig heeft, en het Nieuwe IP moet daaraan voldoen, aldus een woordvoerder. Informatie over het voorstel is vooral afkomstig uit twee met jargon doorspekte documenten waarin de Financial Times inzage kreeg. Het zijn de teksten van de twee presentaties die afgelopen september en februari achter gesloten deuren zijn gegeven aan de afgevaardigden bij de ITU. Het betreft een voorstel voor technische standaarden en een powerpointpresentatie getiteld ‘New IP: Shaping the Future Network’.
Hoewel internet een invloedrijk medium is, kent het eigenlijk geen toezicht. De macht berust er nu grotendeels bij een handjevol Amerikaanse bedrijven: Apple, Google, Amazon, Facebook. Juist door het ontbreken van centraal toezicht heeft internet zo’n grote verandering teweeg kunnen brengen in onze manier van leven en communiceren. Maar het heeft ook geleid tot een uitvergroting van de breuklijnen in onze maatschappij, door manipulatie van het maatschappelijk debat, ondermijning van de democratie en de opkomst van massaspionage.
De machtsbalans begint te verschuiven, maar de wensen van staten lopen sterk uiteen. Zo willen de VS, Groot-Brittannië en Europa het huidige systeem aanpassen om beter toezicht te kunnen houden en inlichtingendiensten meer inzage te bieden in de gegevens van individuele gebruikers. Het Chinese Nieuwe IP is veel radicaler, want daarbij kan centraal toezicht in de technische structuur worden ingebakken. Volgens diverse aanwezigen op de ITU-bijeenkomsten viel het Chinese voorstel in goede aarde bij Saoedi-Arabië, Iran en Rusland. Ook bleek uit het voorstel dat de blauwdrukken voor deze nieuwe netwerkstructuur al klaarliggen en dat er een begin is gemaakt met de bouw. Elk ander land kan deze straks overnemen.
Wat we nodig hebben, is een westers internet dat berust op een visie van een digitale toekomst verenigbaar met democratie
‘We hebben nu twee soorten internet: een door de markt gedomineerde kapitalistische versie waarin alles draait om het volgen van gebruikers voor commercieel gewin; en een autoritaire versie waarin alles net zo goed draait om het volgen van gebruikers,’ zegt Zuboff. ‘De vraag is: slaan Europa en Noord-Amerika de handen ineen om de juridische en technologische kaders te ontwerpen voor een democratisch alternatief?’
Bij de presentatie van het Nieuwe IP wordt van de digitale wereld in 2030 een beeld geschetst waarin virtual reality, holografische communicatie en robotchirurgie aan de orde van de dag zijn. Het traditionele IP-protocol wordt ‘onstabiel’ en ‘verregaand ontoereikend’ genoemd, met ‘tal van problemen op het vlak van veiligheid, betrouwbaarheid en techniek’.
De documenten bevatten een pleidooi voor een top-downontwerp en voor de uitwisseling van data tussen landen ‘ten behoeve van artificiële intelligentie, big data en allerlei andere toepassingen’. Veel deskundigen vrezen dat internetproviders, vaak in handen van de staat, met dit nieuwe internetprotocol precies kunnen zien welke apparaten met het netwerk verbonden zijn en vervolgens de toegang van individuele gebruikers kunnen afsluiten of bespioneren. Er wordt al aan gewerkt door technici ‘van bedrijven en universiteiten’ in ‘meerdere landen’, zei Huawei’s teamleider Sheng Jiang in september, al wilde hij geen namen noemen, want dat was commercieel gevoelige informatie. Zijn gehoor bestond uit oudgedienden in de ITU, voornamelijk regeringsafgevaardigden uit Groot-Brittannië, Amerika, Nederland, Rusland, Iran, Saoedi-Arabië en China.
Sommigen van hen is dit hele idee een gruwel. Als de ITU het Nieuwe IP zou legitimeren, kunnen staten volgens hen kiezen of ze hun burgers een westers dan wel Chinees internet opleggen. In het laatste geval heeft iedere burger in zo’n land toestemming van zijn internetprovider nodig om iets op het internet te kunnen doen, van het downloaden van een app tot het bezoeken van een site – en krijgen beheerders de macht om ze dat recht zomaar te ontzeggen. In plaats van via één groot wereldwijd web moeten mensen dan contact met elkaar zoeken via een lappendeken van nationale internetten, elk met zijn eigen regels – een idee dat in China bekendstaat als ‘cybersoevereiniteit’.
Agressieve benadering
Recente gebeurtenissen in Iran en Saoedi-Arabië geven een indruk van de mogelijke gevolgen. Daar werd het internet in tijden van sociale onrust langdurig aan banden gelegd door de overheid: alleen essentiële diensten als banken en medische zorg waren nog beperkt bereikbaar. Rusland heeft in november een wet voor ‘soeverein internet’ aangenomen die de overheid het recht geeft om alle internetverkeer nauwlettend te volgen. Zo bleek hoezeer de Russen het internationale internet al buiten de deur kunnen houden – een mogelijkheid die ze met hulp van Chinese bedrijven als Huawei hebben ingebouwd. Deskundigen vragen zich nu af of China’s visie op internettoezicht verschuift van een defensieve opstelling, waarbij het de vrijheid opeist om autoritair toezicht uit te oefenen in eigen land, naar een agressievere benadering, waarbij andere landen actief worden opgeroepen om China’s voorbeeld te volgen.
Volgens de bedenkers van het nieuwe internetprotocol zijn onderdelen van hun technologie volgend jaar al klaar om te worden getest. Hun pogingen om andere ITU-delegaties van het nut te overtuigen zullen verder worden opgevoerd op de grote ITU-conferentie die in november in India plaatsvindt. Om de ITU zover te krijgen dat het voorstel binnen een jaar wordt goedgekeurd, zodat het een officiële standaard wordt, moet er consensus zijn binnen de studiegroep, ofwel instemming van een meerderheid van de afgevaardigden. Als dat niet lukt, vindt er een besloten stemming plaats onder de lidstaten, en staan het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties dus buitenspel.
Dat hoge tempo zint de westerse delegaties niet, en volgens de aan ons gegeven documenten gaan eral stemmen op om het proces te vertragen. Een lid van de Nederlandse delegatie schreef in een officiële reactie, die ons door verschillende bronnen werd toegespeeld, dat ‘de open en flexibele aard’ van het internet – zowel wat de technische structuur als het toezicht betreft – van fundamenteel belang is geweest voor het succes ervan, en dat hij ‘zich met name zorgen maakt’ dat dit nieuwe model afwijkt van die filosofie. De eveneens aan ons doorgespeelde scherpe kritiek van een Britse afgevaardigde luidde: ‘Het is verre van duidelijk of er goede technisch redenen zijn voor zo’n radicale stap.’
Een van de meest uitgesproken critici van het Nieuwe IP is Patrik Fältström, een eigenzinnige, langharige IT’er die in zijn vaderland Zweden bekendstaat als een van de vaders van het internet. Begin jaren tachtig, toen hij in Stockholm wiskunde studeerde, werd hij ingehuurd om mee te bouwen aan de infrastructuur voor een nieuwe technologie, door de Amerikaanse overheid ‘internet’ genoemd. Tegenwoordig dient hij de Zweedse regering van advies over digitale zaken en heeft hij zitting in de meeste standaardiseringsinstanties voor internet, waaronder de ITU.
Dertig jaar geleden werkte hij mee aan de ontwikkeling van de bouwstenen van het internet, en nu is hij de verpersoonlijking van de cyber-libertaire westerse idealen die in de structuur ervan verweven zijn.
‘De architectuur van het internet maakt het voor de internetprovider heel moeilijk, zo niet onmogelijk om te weten waarvoor het wordt gebruikt, of daaraan beperkingen op te leggen,’ zegt hij. ‘Dat is een probleem voor opsporingsinstanties en anderen die liever zien dat de internetprovider daar wel greep op heeft, zodat het internet niet kan worden gebruikt voor zaken als de illegale verspreiding van films of kinderporno. Maar ik ben bereid om te accepteren dat je nu eenmaal misdadigers hebt die verkeerde dingen doen en dat de politie dat niet [allemaal] kan tegengaan. Dat offer heb ik ervoor over.’
Great Firewall
Een heel andere opvatting is te horen in Wuzhen, het dorpje bij Sjanghai dat elk najaar wordt schoongeveegd om plaats te bieden aan de ondernemers, academici en beleidsmakers die daar bijeenkomen voor een evenement met de prestigieuze naam World Internet Conference. De Cyberspace Administration of China, de Chinese internetwaakhond, organiseert deze conferentie al sinds 2014, het jaar nadat Xi Jinping aantrad.
De bezoeker wordt er verwelkomd door een rij vlaggen van overal ter wereld – een verwijzing naar Xi Jinpings droom van ‘een gemeenschap met een gezamenlijke toekomst in cyberspace’. Allerlei kopstukken uit de computerwereld, van Tim Cook van Apple tot Steve Mollenkopf van Qualcomm, hebben er met hun optredens geloofwaardigheid verleend aan Xi’s ambitie om daar de internationale top van de technologiesector bijeen te brengen. Maar de laatste jaren loopt de buitenlandse deelname terug, nu de technologische oorlog tussen China en de VS is opgelaaid en ondernemers niet de indruk willen wekken dat ze al te innige banden hebben met Beijing.
Begin jaren negentig begon China met het ontwikkelen van wat bekend kwam te staan als de Great Firewall: een reeks technische maatregelen om Chinezen af te schermen van verboden buitenlandse websites (van Google tot The New York Times), politiek gevoelige binnenlandse content te censureren en te voorkomen dat burgers zich online konden organiseren. De controle van Beijing wordt uitgevoerd door grote censuurteams van de overheid en van internetbedrijven als Baidu en Tencent. Overal ter wereld heb je in principe alleen een computer en een internetverbinding nodig om je eigen website online te kunnen zetten, maar in China moet je daar een vergunning voor aanvragen. Telecomproviders en sociale media zijn ook verplicht de politie te helpen met het opsporen van ‘misdaden’, zoals dat je Xi Jinping in een besloten chatgroep een ‘gestoomd broodje’ noemt: daar heeft iemand twee jaar cel voor gekregen.
Toch lukt het nog niet om alles wat de overheid onwelgevallig is volledig van internet te weren. ‘Het lekke wereldwijde web blijft de Chinese censors frustreren. En ze steken er heel veel tijd en geld in, maar als je al die problemen in één klap kunt oplossen door er een beter geautomatiseerd en technisch proces van te maken, misschien met dat Nieuwe IP, dan zou dat voor hen natuurlijk fantastisch zijn,’ zegt James Griffiths, de schrijver van The Great Firewall of China: How to Build and Control an Alternative Version of the Internet.
Het internet is een gepolitiseerd machtsmiddel geworden
Voortrekker van de plannen voor het Nieuwe IP is Richard Li, hoofd Onderzoek bij Futurewei, de R&D-afdeling van Huawei in Californië. Hij ontwikkelt het voorstel voor de nieuwe technische specificaties en standaarden samen met ingenieurs van Huawei in China en met de staatsbedrijven China Mobile en China Unicom – met expliciete steun van de Chinese overheid. Toen onze krant hem hierover benaderde, kreeg hij van Huawei niet de gelegenheid het Nieuwe IP nader uit te leggen. Het bedrijf zei in een verklaring: ‘Het Nieuwe IP moet nieuwe technologische oplossingen bieden voor toekomstige applicaties zoals het Internet of Everything, holografische communicatie en telegeneeskunde. Wetenschappers en ingenieurs van overal ter wereld kunnen deelnemen en bijdragen aan het onderzoek en de innovatie van het Nieuwe IP.’
Critici noemen de technische beweringen over het Nieuwe IP in de documentatie onjuist of onduidelijk en zeggen dat het typisch ‘een oplossing op zoek naar een probleem’ is. Zij houden vol dat het huidige IP-systeem nog prima voldoet, ook in een wereld die in hoog tempo digitaliseert.
‘Het internet is ontworpen als een verzameling afzonderlijke modulaire bouwstenen die losjes met elkaar verbonden zijn, dat is er juist zo briljant aan,’ zegt Alissa Cooper, voorzitter van de Internet Engineering Task Force (IETF), een Amerikaanse brancheorganisatie voor de bewaking van technische standaarden. Tijdens een IETF-bijeenkomst in Singapore hield Li in november een presentatie voor een klein groepje aanwezigen, onder wie Cooper. De huidige infrastructuur, zegt zij, ‘staat in schril contrast met wat je in het voorstel voor het Nieuwe IP ziet, namelijk een monolithische top-downarchitectuur waarin applicaties gekoppeld zijn aan het netwerk. Het internet is er nu juist precies op ontworpen om dat te voorkomen.’
We maken een welhaast racistische, imperialistische karikatuur van de Chinezen
De gevolgen voor de gemiddelde gebruiker kunnen enorm zijn. ‘Je geeft alle macht aan telecombedrijven die in handen zijn van de staat,’ zegt een lid van de Britse ITU-delegatie. ‘Dan kun je dus niet alleen bepalen of iemand toegang krijgt tot bepaalde content op internet, of bijhouden wie die content bekijkt, maar je kunt apparaten compleet afsluiten van een netwerk.’ China werkt al aan een sociaalkredietsysteem voor zijn bevolking, waarin punten worden toegekend op basis van je gedrag online en in de echte wereld en van ‘misstappen’ uit het verleden, zegt de Britse afgevaardigde. ‘Dus als iemands kredietsaldo onder een bepaalde waarde zakt omdat die persoon te actief is op sociale media, kun je regelen dat de telefoon van die persoon wordt afgesloten van het netwerk.’
Chinese telecombedrijven hebben een schat aan gegevens over hun abonnees. Klanten zijn verplicht om zich te legitimeren als ze een telefoonnummer of internetaansluiting aanvragen, en die gegevens kunnen worden ingezien door andere bedrijven, zoals banken. Ook zijn alle ‘netwerkbeheerders’, waaronder telecombedrijven, bij wet verplicht om ‘internetlogs’ bij te houden – al is het niet duidelijk wat dat precies inhoudt.
De Tunesische Bilel Jamoussi, hoofd studiegroepen bij de ITU, stelt dat het niet aan de ITU is om te beoordelen of voorstellen voor een nieuwe internetarchitectuur ‘top-down’ zijn of misbruikt kunnen worden door autoritaire regimes. ‘Bij alles wat je bouwt, snijdt het zwaard aan twee kanten. Je kunt er goede en slechte dingen mee doen, en dat is de soevereine beslissing van elke lidstaat,’ zegt hij.
Het lekke wereldwijde web blijft de Chinese censors frustreren
De ambitie van Beijing om meer mogelijkheden voor toezicht in te bouwen wordt door sommigen niet zozeer als een probleem gezien, maar gewoon als het volgende hoofdstuk in de ontwikkeling van het internet. ‘Het internet was oorspronkelijk bedoeld als een neutrale infrastructuur, maar het is een gepolitiseerd machtsmiddel geworden. De internetinfrastructuur wordt steeds meer ingezet voor de uitvoering van beleid, voor de economische en fysieke onderdrukking van mensen. Dat hebben we gezien in Kasjmir, in Myanmar en bij de onthullingen van Edward Snowden,’ zegt Niels ten Oever, een voormalig lid van de Nederlandse ITU-delegatie. ‘Voor mij is de grote vraag: hoe kunnen we een openbaar netwerk bouwen op een infrastructuur die in particuliere handen is? Dat is het probleem waar we mee worstelen. Wat is de rol van de staat tegenover die van bedrijven?’
In zijn ogen ontwikkelen bedrijven vooral technologieën om er winst mee te maken. ‘Het internet wordt gedomineerd door Amerikaanse bedrijven, alle data stroomt daarheen. En die macht willen zij allicht behouden,’ zegt hij. ‘We zijn bang voor Chinese onderdrukking. We maken een welhaast racistische, imperialistische karikatuur van de Chinezen. Maar de regulering van internet zoals die nu is, werkt niet. Er is best ruimte voor een alternatief.’
Waar onze digitale toekomst op dit moment ook ontwikkeld wordt, wereldwijd lijkt men het erover eens dat het tijd is voor een betere versie van cyberspace. ‘Ik denk dat sommigen zullen zeggen dat ons huidige model van het internet grote gebreken vertoont, en misschien zelfs helemaal stuk is. Op dit moment is er maar één alomvattend en volledig uitgewerkt alternatief, en dat is het model van China,’ schreef Griffiths in The Great Firewall of China. ‘Als wij geen derde model bedenken – een model dat enerzijds gebruikers meer macht geeft en democratie en onlinetransparantie bevordert, en anderzijds de macht van grote bedrijven en veiligheidsdiensten beteugelt – bestaat het risico dat steeds meer landen zullen neigen naar het Chinese model, liever dan te blijven lijden onder het gebrekkige model van Silicon Valley.’
De ‘Onafhankelijkheidsverklaring van Cyberspace’, bedoeld als beginselverklaring voor het internet, begint steeds achterhaalder te lijken. Dat manifest, in 1996 geschreven door John Perry Barlow, medeoprichter van de Electronic Frontier Foundation en tekstschrijver voor de Grateful Dead, klonk strijdlustig. ‘Regeringen van de Industriële Wereld, vermoeide reuzen van vlees en staal, ik kom uit Cyberspace, de nieuwe zetel van de Geest,’ begint de tekst. ‘Namens de toekomst vraag ik jullie van het verleden om ons met rust te laten. Jullie zijn niet welkom in ons midden. Waar wij bijeenkomen, hebben jullie geen zeggenschap.’
Een geluid uit een tijd toen het internet nog niet gedomineerd werd door biljoenenbedrijven, zeggen critici. Maar er is nog hoop – en misschien een derde weg, een alternatief voor de twee soorten internet die er nu bestaan. ‘Wat ons nu onderscheidt van China is dat de mensen in het Westen zich nog steeds kunnen mobiliseren en kunnen meepraten. Het is nu vooral aan de politiek om de democratie te beschermen in deze tijd van massaspionage, of die nu wordt gedreven door de markt of door autoritaire regimes,’ zegt Zuboff. ‘De slapende reus van de democratie begint zich eindelijk te roeren en de wetgevers worden wakker, maar ze moeten wel de druk van de mensen in hun nek voelen. Wat we nodig hebben, is een westers internet dat berust op een visie van een digitale toekomst die verenigbaar is met democratie. Dat is de opgave voor het komende decennium.’
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. De krant wordt nu op 23 locaties gedrukt en heeft onder meer een redactie in Amsterdam.
Met elf vrouwen in het nieuwe kabinet is Spanje koploper in een wereldwijde trend. Benoem je als regeringsleider geen vrouwen, dan kun je tegenwoordig rekenen op afkeuring.
Een actief beleid voor meer gendergelijkheid bij de overheid, dus evenveel mannen als vrouwen aan het hoofd van een ministerie of op andere kabinetsposten, leek lange tijd voorbehouden aan vrouwvriendelijke Scandinavische landen en zeer vooruitstrevende landen als Canada en Costa Rica. Dat is nu verleden tijd.
De onlangs gekozen president van Mexico, Andrés Manuel López Obrador, die in december zal aantreden, heeft laten weten dat vrouwen acht posities zullen bekleden binnen zijn zestienkoppige regering – en daar valt ook de machtige positie onder van minister van Binnenlandse Zaken.
En de nieuwe premier van Spanje, Pedro Sánchez, heeft onlangs als eerste wereldleider op bijna tweederde van de kabinetsposten vrouwen benoemd. Geen enkel ander land ter wereld heeft een hoger percentage door vrouwen geleide ministeries. Dertig jaar geleden had Spanje helemaal geen vrouwelijke kabinetsleden.
In de Verenigde Staten bekleden vrouwen maar net 20 procent van alle posities binnen de regering en in het Verenigd Koninkrijk ligt dat percentage op 28. Wereldwijd is het gemiddelde 18,3 procent.
Als politicologen die onderzoek hebben gedaan naar de vertegenwoordiging van vrouwen in verschillende kabinetten, hebben wij de indruk dat de snelle opkomst van het aantal vrouwen dat in Spanje aan de macht komt, staat voor een trend die wereldwijd valt waar te nemen: zodra vrouwen eenmaal zijn doorgedrongen tot de hoogste regeringsniveaus, neemt hun aantal vrijwel altijd toe. Dit noemen we ‘de betonnen vloer’ van de politieke vertegenwoordiging van vrouwen. Wil een democratische regering tegenwoordig draagvlak hebben – met andere woorden: wil de bevolking vertrouwen hebben in de beslissingen van die regering – dan moeten er vrouwen in die regering zitten.
Spaanse doorbraak
Het is niet zo dat bij elke nieuwe regering het aantal vrouwen automatisch stijgt. Maar als je kijkt naar de samenstelling van nieuw geformeerde regeringen – dus kabinetten die vlak na een verkiezing zijn samengesteld – in Spanje, Frankrijk, Australië, de Verenigde Staten, Canada, Chili en het Verenigd Koninkrijk in de periode 1929-2016, dan zien we dat het percentage vrouwen in die landen cumulatief toeneemt, dwars door de tijd en de politieke scheidslijnen heen.
Na veertig jaar dictatuur onder generaal Francisco Franco werd Spanje in 1977 weer een democratie. Maar het zou nog ruim tien jaar duren voordat er ook vrouwen werden benoemd in de nieuw geformeerde democratische regering van Spanje. Spanjes historische doorbraak kwam in 2004, toen de socialistische premier José Luis Rodríguez Zapatero, die zichzelf als feminist bestempelt, het eerste gendergelijke kabinet van het land benoemde: acht vrouwen en acht mannen. Momenteel worden elf van de zeventien ministersposten in Spanje bekleed door vrouw. Dat geldt – voor het eerst in de geschiedenis van Spanje – ook voor de post van minister van Financiën.
De recente geschiedenis van Frankrijk laat een vergelijkbaar beeld zien. In 2007 benoemde president Nicolas Sarkozy zeven vrouwen in zijn vijftienkoppige kabinet. Zijn voorganger, de socialist François Hollande, had zeventien vrouwen in zijn 34-koppige kabinet. Toen president Emmanuel Macron in 2016 campagne voerde, beloofde hij een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen. Momenteel telt zijn kabinet elf mannen en elf vrouwen.
Ons onderzoek heeft uitgewezen dat leiders die hun macht gebruiken om het aantal vrouwen in hun kabinet te vergroten, daar nooit voor worden afgestraft door het electoraat en er zelfs wereldwijd voor worden geroemd. Nog maar een paar jaar geleden kreeg de Canadese premier Justin Trudeau vanuit de hele wereld lof toegezwaaid omdat hij een gendergelijk kabinet had samengesteld. De reden? We leven in 2015, zei hij tegen journalisten.
Leiders die beduidend minder vrouwen benoemen dan hun voorgangers, riskeren daarentegen veel kritiek van zowel de media als hun politieke tegenstanders. Het kan hun kiezers kosten.Toen de Australische premier Tony Abbott in 2013 maar één vrouw in zijn kabinet benoemde, moest hij dat ‘beschamende’ besluit verdedigen tegenover zijn kiezers, de oppositie en de media. Het kabinet van zijn voorganger telde drie vrouwelijke leden. Malcolm Turnbull nam twee jaar later Abbotts positie over en benoemde al snel vijf vrouwen in zijn team.
Een nieuwe generatie van vrouwelijke leiders.
Elk gendergelijk kabinet lijkt de verwachting te wekken dat er in een volgend kabinet minstens evenveel vrouwen zullen zitten. We hebben een aantal voorbeelden gevonden van leiders die minder vrouwen benoemden dan hun voorganger. Maar meestal zijn de verschillen marginaal.
De in 1990 gekozen president Patricio Aylwin, die de eerste Chileense regering na de dictatuur vormde, benoemde op slechts 5 procent van alle regeringsposten een vrouw. De eerste vrouwelijke president van Chili, de socialist Michelle Bachelet, vormde in 2006 een gendergelijke regering; vier jaar later benoemde haar conservatieve opvolger, Sebastián Piñera, zeven vrouwen in zijn 23-koppige kabinet.
Hoewel zijn regering niet gendergelijk was, waren vrouwen er beduidend meer in vertegenwoordigd dan in de regeringen van vóór Bachelet. Dit is een duidelijk bewijs dat het principe van de ‘betonnen vloer’ ervoor zorgt dat vrouwen deel uitmaken van de regering. In tegenstelling tot het ‘glazen plafond’ – de subtiele, onzichtbare barrière die voorkomt dat vrouwen op machtige posities komen – wordt de betonnen vloer duidelijk erkend door alle leiders die wij hebben bestudeerd.
Een vergelijkbare standaard is van toepassing op andere vormen van politieke vertegenwoordiging in enkele landen die wij hebben bestudeerd. In Canada en de Verenigde Staten is een exclusief wit kabinet nauwelijks meer denkbaar. President Lyndon Johnson benoemde in 1966 als eerste een Afro-Amerikaan in zijn kabinet: Robert C. Weaver, minister van Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling. Lincoln MacCauley Alexander werd in 1979 de allereerste zwarte minister van Canada.
De enige zwarte parlementariër in Spanje, Rita Bosaho, is pas in 2015 gekozen. In Spanje heeft nog nooit iemand uit een etnische minderheidsgroep een kabinetspost bekleed
Ondertussen zijn de regeringen in Duitsland en Spanje – landen met een steeds gevarieerdere bevolkingssamenstelling – nog altijd vrijwel exclusief wit. De enige zwarte parlementariër in Spanje, Rita Bosaho, is pas in 2015 gekozen. In Spanje heeft nog nooit iemand uit een etnische minderheidsgroep een kabinetspost bekleed.
In de zeven landen waarnaar wij hebben gekeken, was gender ons enige criterium bij het bestuderen van de verdeling van de posten. In die landen is al een kwart eeuw geen exclusief mannelijke regering meer geweest. Vrouwen maken de helft uit van de wereldbevolking. Dat gegeven wordt nu meer en meer zichtbaar binnen democratische regeringen – en dat is een duidelijk onomkeerbaar proces.
Het Britse broertje van de Australische website The Conversation, een onafhankelijke site voor nieuws en opinie, bezien vanuit overwegend academisch oogpunt. De site werd in 2011 opgericht door een groep journalisten en verwierf in korte tijd groot aanzien.
Het Westen heeft hem verwelkomd, gevoed, opgeleid en gefinancierd, in de hoop een stuk van de Chinese markt te veroveren. Met de komst van keizer Xi realiseert het Westen zich, zij het een beetje laat, dat het een tijger aan de borst heeft gedrukt.
Sinds Xi Jinping te kennen heeft gegeven dat hij de grondwet wilde wijzigen om voor onbeperkte tijd ‘keizer Xi’ te kunnen blijven, is de Chinese bevolking verontwaardigd zonder dat openlijk te durven uiten. Men ziet zich gedwongen zijn woede in te slikken en te accepteren dat de officiële pers deze ‘restauratie’, het in ere herstellen van het keizerschap, van harte onderschrijft. De internationale media daarentegen nemen geen blad voor de mond om deze maatregel te bekritiseren. De felste kritiek is waarschijnlijk afkomstig van The Economist. Het Britse blad herinnert in een hoofdartikel allereerst aan alle moeite die de westerse landen zich de afgelopen tien jaar hebben getroost om China onderdeel te laten worden van het globale politieke en economische systeem. Door Beijing te helpen bij zijn hervormingsbeleid en zijn pogingen zich meer open te stellen voor de buitenwereld, zo vervolgt het artikel, is het Westen een verkeerde weg ingeslagen, omdat het daarmee een monster heeft gecreëerd dat zijn greep op de samenleving onophoudelijk verstevigt en westerse beschavingswaarden als economische vrijheid, openheid en respect voor de mensenrechten opnieuw ter discussie stelt.
Wolf tussen schapen
Het verwijt dat men, zoals The Economist het uitdrukt, ‘een wolf tussen de schapen heeft gezet’, dekt misschien niet helemaal de lading, maar het scheelt niet veel. Ook al gaat het om een westers gezichtspunt, helemaal ongegrond is het niet. Toen Deng Xiaoping in 1979 zijn hervormingsbeleid lanceerde en naar meer openheid streefde, begaf hij zich allereerst naar de Verenigde Staten om contact te leggen met de Amerikaanse leiders; op die manier wilde hij zijn land gemakkelijker laten integreren in het internationale economische systeem dat werd gedomineerd door het Westen om zo de technologie, het kapitaal, de managementmethodes en de toegang tot de gigantische buitenlandse markt te verwerven waar China zo dringend behoefte aan had. Dat het Westen, en met name de VS, zich bereid toonde China te helpen zich open te stellen voor de markteconomie, was allereerst bedoeld om tegenwicht te bieden aan de invloed van de Sovjet-Unie en zowel het Westen als het Oosten onder druk te zetten.
Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het Oostblok begin jaren negentig hoopte het Westen, met de Verenigde Staten voorop, op een vreedzame ontwikkeling in China. Men rekende erop dat dankzij de nieuwe middenklasse, ontstaan als gevolg van de markthervormingen, China het communistische bestel zou inruilen voor een liberale markteconomie en politieke liberalisering. Om die reden ondersteunde het Westen krachtig de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO), waardoor de Chinese export een hoge vlucht heeft genomen. Als het westerse kamp de Chinese toetreding tot de WHO zou hebben belet, zou het land veel meer moeite hebben gehad om de ‘werkplaats’ van de wereld te worden.
Maar de grote westerse mogendheden hebben de snelheid van de ontwikkelingen in China onderschat, evenals de diepe politieke en sociale verankering van het autoritaire regime. De eerste jaren na zijn aansluiting bij de WHO (in 2001) respecteerde China als een gehoorzaam kind de internationale regels; het liet multinationals toe tot zijn binnenlandse markt zonder ze al te veel te dwarsbomen. Kortom, China was nog van zins een ‘goede leerling’ van het Westen te zijn en de voordelen van verwestersing en universele waarden te onderschrijven’.
Maar sinds China zich als redder van ontwikkelingslanden heeft ontpopt en van internationale financiële instellingen die waren getroffen door de bancaire tsunami van 2007, is de situatie drastisch veranderd. China is zijn plaats in de economische en politieke wereldorde gaan opeisen, wat het land met name meer stemrecht in het Internationaal Monetair Fonds heeft opgeleverd en de mogelijkheid om daarvoor mensen te nomineren. Sinds 2012, toen Xi Jinping aan de macht kwam, probeert China niet langer een plaats in de bestaande orde te bemachtigen, maar die orde juist omver te werpen en het evenwicht tussen de bestaande machten te veranderen, met de bedoeling daarvoor een andere grondslag te leggen.
De oprichting in 2001 van de Sjanghai-samenwerkingsorganisatie, die met name Rusland en diverse Centraal-Aziatische landen verenigt, was voor Beijing slechts een voorgerecht. Rond China gestructureerde projecten als de in 2013 gelanceerde implementatieplan OBOR (One Belt, One Road), dat moet voorzien in een nieuwe ‘zijderoute’, vormen de werkelijke uitdaging. Het beleid om zijn binnenlandse markt wijdopen te stellen voor buitenlandse bedrijven heeft het land snel laten varen; inmiddels worden aan die bedrijven steeds meer beperkingen opgelegd en moeten ze zich conformeren aan de regels van de Chinese overheid, op straffe van een boete of uitsluiting van de Chinese markt. Ook de beloofde openstelling van zijn financiële markten laat nog steeds op zich wachten; de greep van de regering en de Partij daarop is juist sterker dan ooit.
Politiek gezien staat het er nog slechter voor. Het op hervormingen en meer openheid gerichte beleid uit de jaren tachtig had de weg gebaand voor buitenlandse ideeën. In geletterde en universitaire kringen kon redelijk vrij worden gedebatteerd zonder dat men bang hoefde te zijn voor repercussies. Binnen de Partij konden hervormers en afwijkende stemmen zich nog laten horen. De oppositie en apolitieke verdedigers van de mensenrechten, die met name tegen de speculatieve praktijken en de corruptie van plaatselijke leiders streden, werden nog getolereerd; ook maatschappelijke organisaties konden in een grijs gebied hun activiteiten ontplooien zonder door de regering in de ban te worden gedaan.
The Economist betreurt dus terecht, zonder dat met zo veel woorden te zeggen, dat het Westen een wolf (in dit geval een tijger) tussen de schapen heeft gezet
De afgelopen vijf jaar, sinds Xi Jinping aan de macht is, kenmerken zich door een ernstige politieke teruggang: de sfeer van openheid en pluralisme is een halt toegeroepen; dissidenten hebben het zwaarder te verduren dan ooit; reformistische of progressieve stemmen binnen de Partij is het zwijgen opgelegd, want iedereen dient zich aan de richtlijnen te houden van het Centraal Comité, oftewel ‘keizer Xi’. Op de universiteiten kan niet langer vrijelijk over politieke kwesties worden gedebatteerd; universele waarden zoals mensenrechten, vrijheid en democratie zijn inmiddels taboe. Wie daar nog aan refereert dreigt ontheven te worden van zijn functie als docent en zelfs in de gevangenis te belanden.
Ondanks alle goede zorgen waarmee het China tientallen jaren heeft omringd blijkt het Westen uiteindelijk alleen maar een ‘kwaadaardige tijger’ te hebben gevoed die vrije concurrentie en politieke openheid de rug toekeert. Diezelfde tijger begint zich zelfs op te werpen als een alternatief voor de westerse waarden door overal op de wereld zijn ‘soft power’ uit te oefenen. The Economist betreurt dus terecht, zonder dat met zo veel woorden te zeggen, dat het Westen een wolf (in dit geval een tijger) tussen de schapen heeft gezet. Het probleem is dat die ‘kwaadaardige tijger’ springlevend is, en helemaal volwassen, met zijn scherpe klauwen en zijn puntige hoektanden die blinken dat het een aard heeft. Het Westen kan niet meer betreuren dat het hem heeft gevoed, en als het nog denkt hem tot economische en politieke liberalisering te kunnen verleiden, is dat een volstrekte illusie.
Krant uit Hongkong die in 1995 werd opgericht. Staat bekend om zijn anti-regeringskoers, maar ook om zijn sensationele verslaggeving.
CONTEXT I: Een nieuwe grootinquisiteur
Het Chinese parlement, in Beijing bijeen voor zijn jaarvergadering, heeft niet alleen elke wettelijke grens overschreden door het presidentiële mandaat te vernieuwen en Xi Jinping absolute macht te verschaffen, maar ook een verstrekkende reorganisatie van de regeringsorganen in gang gezet. Minder ministeries en meer concentratie van bevoegdheden, dat lijkt het belangrijkste argument voor deze reorganisatie te zijn. Vijftien ministeries en staatssecretariaten verdwijnen. Diverse daarvan zijn in een superministerie van Ecologie en Milieu ondergebracht en er is een ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen gecreëerd, dat de beslissing over het toewijzen van hulpbronnen voortaan in handen van lokale overheden zal leggen, aldus webzine The Diplomat. Ook wordt een nieuw anticorruptieorgaan in het leven geroepen dat meer macht zal krijgen dan politie en justitie.
CONTEXT II: Machtig anticorruptieorgaan
Het is vooral de oprichting van een ‘Nationale Toezichtscommissie’, belast met de strijd tegen corruptie, die de aandacht van commentatoren trekt en zelfs tot enkele kritische opmerkingen in juridische kringen leidt. De Toezichtscommissie, die rechtstreeks onder de regering ressorteert en hoger in hiërarchie is dan het opperste volksparket en volkstribunaal, zal worden geregeld bij een wet die werd bekrachtigd op 20 maart, de sluitingsdag van de parlementszitting. Ze zal de strijd tegen corruptie, die in 2012 door Xi Jinping in gang is gezet, naar een hoger plan tillen. Deze strijd, die tot dusver onder de verantwoordelijkheid van de Disciplinaire Commissie van de Communistische Partij viel, heeft sinds 2012 al tot het ontslag van tientallen hoge functionarissen geleid en tot sancties tegen honderdduizenden ambtenaren.
CONTEXT III: De openbare diensten als mikpunt
De interne disciplinaire Partijcampagne, die in de ernstigste gevallen tot gerechtelijke vervolging heeft geleid, was echter ‘beperkt’ tot Partijleden. De nieuwe commissie zal ook naar anderen een onderzoek kunnen instellen: ‘ambtenaren, leidinggevenden van staatsbedrijven, scholen en medische instellingen, plaatselijke bestuurders, kortom iedereen die een openbare functie vervult’, aldus het Singaporese dagblad Lianhe Zaobao. Bovendien zal de nieuwe wet de commissie de bevoegdheid verlenen mensen gevangen te zetten. ‘Mensen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige misdrijven of nalatigheden in de uitoefening van hun beroep, en bij wie de mogelijkheid bestaat dat ze vluchten of zelfmoord plegen, kunnen voor de duur van maximaal zes maanden in hechtenis worden genomen.’
De instelling van deze nieuwe vorm van hechtenis hangende een onderzoek is een manier om een praktijk te wettigen die al bestond maar tot nu toe in een grijze zone verkeerde, schrijft de South China Morning Post.
CONTEXT IV: Ongerustheid over het recht der verdediging
Ook al is hun de afgelopen jaren door de steeds zwaardere repressie het zwijgen opgelegd, juristen die opkomen voor de mensenrechten blijven kritiek uiten op het detentiesysteem dat buiten ieder juridisch kader wordt gehanteerd. Het wetsontwerp inzake het toezicht voorziet in maatregelen die de rechten van verdachten garanderen, maar juristen zijn van mening dat deze maatregelen tekortschieten. Zo zou het wetsontwerp niet voorzien in het recht van verdediging in de aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor van iemand naar wie een onderzoek wordt ingesteld.
CONTEXT V: Anoniem gedicht
anoniem gedicht
Ik ben tegen
Ik ben tegen de noordenwind
Ik ben tegen de smog
Ik ben tegen de bedekte en regenachtige ochtenden
Ik ben tegen de sombere en decadente schemer
Ik ben tegen de ontregelde jaargetijden
Ik ben tegen de door elkaar gegooide uren
Ik ben tegen de gordijnen voor de ramen, tegen de ijzeren deuren
En die hoge muren
Ik ben tegen de gecementeerde wegen waar geen bloem of boom kan groeien
Ik ben tegen de vijvers die zwanen gevangenhouden
En het prikkeldraad dat ze omgeeft
Tegen de schoenen die om de voeten knellen
En de uniforme kleur van hun leer
Ik ben tegen de mannen die hun vrouwen slaan
Ik ben tegen de ouders die hun kinderen mishandelen
Ik ben tegen de kille en plotselinge scheidingen
Ik ben tegen het verraad
Ik ben tegen de ondankbaarheid
Ik ben tegen het voldane gelach
Ik ben tegen de doordringende kreten
Ik ben tegen de machteloze snikken
Ik ben tegen de afstotelijke gezichten
En die vulgaire liederen die uit hun mond komen
Ik ben tegen de wind die die liederen verspreidt
Ik ben tegen het gras dat door de wind wordt platgedrukt
Ik ben ook tegen mezelf
Ik ben tegen mijn onbeholpenheid, mijn hebzucht en mijn lafheid
Maar ik ben niet tegen het schrijven van dit gedicht
Waarin ik zeg dat ik tegen ben
Ik ben tegen het geschreeuw van de wereld
Ik ben tegen de geveinsde kalmte
Ik ben tegen de grandiositeit
Ik ben tegen de onderdrukking ervan
Ik ben tegen de gecensureerde waarheid
Ik ben tegen de pure onnozelheid
Ik ben tegen de volgende dagen die zingen
Ik wil maar één ding: dat jullie samen met mij heel hard roepen
‘Ik ben tegen!’
Ondanks de censuur proberen Chinese internetgebruikers in het geweer te komen tegen de ‘zelfbenoeming’ van keizer Xi. Dit anonieme gedicht heeft veelvuldig gecirculeerd.
Net zoals zijn voorgangers laat de Chinese leider Xi Jinping een modelstad bouwen. Met één belangrijk verschil: Xiongan – vlak bij Beijing – wordt niet zozeer een centrum van economische, maar van politieke macht.
Hervormingsgezinde Chinese leiders hebben altijd graag modelsteden gebouwd. Deng Xiaoping drukte zijn stempel op Shenzhens groei van vissersdorp tot machtig productiecentrum. Jian Zeming zal voor altijd worden herinnerd om de ontwikkeling van het district Pudong in Shanghai tot het belangrijkste financiële centrum van China. En nu wil Xi Jinping zijn naam verbinden aan Xiongan, een duurzame en ‘slim’ geplande zusterstad vlak bij Beijing.
Xi is een leider die de macht opnieuw heeft gecentraliseerd en de politieke controle over de Chinese economie en samenleving heeft aangescherpt. In dat licht lijkt het logisch dat zijn stedenbouwkundige ambities zich richten op de hoofdstad van het land. In een officiële verklaring wordt Xiongan ‘een nieuwe zone van nationaal belang’ genoemd, na Shenzhen en Pudong.
En toch is Xiongan in veel opzichten een tegenpool van Shenzhen en Pudong. De laatste twee begonnen als vrijemarktexperimenten, de plannen voor Xiongan – vrij vertaald: ‘schitterende vrede’ – worden strikt volgens staatsvoorschrift verwezenlijkt. De moderne zusterstad van de voormalige keizerlijke zetel Beijing is niet bedoeld als symbool van economische ontwikkeling, maar van politieke macht.
In 1984 kon iedereen met een ondernemende geest zijn of haar geluk beproeven in Shenzhen. In het geval van Xiongan beslist de Chinese overheid welke bedrijven en instellingen zich daar mogen vestigen. Ze zal zelfs bepalen wie er in de nieuwe stad mogen wonen. Van nu af aan hebben buitenstaanders geen recht meer op een verblijfsvergunning (hukou) in Xiongan, zelfs niet via een huwelijk met een lokale inwoner. Private vastgoedtransacties zijn verboden en bedrijven uit andere delen van China hebben geen toegang tot de lokale markt.
Xiongan markeert een breuk tussen Xi en voorgaande staatshoofden en partijleiders sinds de jaren tachtig. Deng schudde veel ideologische veren af toen hij na het Mao-tijdperk de Chinese economie in een stroomversnelling wilde brengen. In de begintijd van China’s hervormingen en openstelling naar het buitenland, begon Shenzhen als een experiment aan de periferie van het land. Het was een laboratorium voor markthervormingen en de opbouw van een exportindustrie. Door de nabijheid van Hongkong bood het China een ‘venster op de wereld’.
Jiang ging door met de integratie van China in de wereldeconomie, waarbij ruimte werd gelaten voor binnenlandse experimenten. In de jaren negentig werd de wijk Pudong in Shanghai ontwikkeld als financieel centrum om de snelle economische groei van China te ondersteunen. Daarnaast was Shanghai altijd al internationaal georiënteerd geweest en wilde Jiang zijn thuisstad in oude luister herstellen.
Beijing mag dan het historische, culturele en politieke centrum van China zijn, de aantrekkelijkheid van de hoofdstad is aangetast door een opeenstapeling van problemen: overbevolking, verkeersopstoppingen, stijgende vastgoedprijzen en vervuiling
Xi heeft de macht opnieuw gecentraliseerd en de politieke controle over de Chinese economie en samenleving aangescherpt. Het plan om naast Beijing een nieuwe grootstedelijke regio te bouwen, is een van hogerhand opgelegd politiek experiment zonder weerga. Voor zover af te leiden uit officiële documenten en verklaringen, zal Xiongan fungeren als back-upsysteem voor de hoofdstad van het land en biedt het een alternatief ontwikkelingsmodel. Financiële markten en het publiek hebben hoge verwachtingen van de ‘groene’ en ‘slimme’ stad, die het Chinese leiderschap ziet als een hightech hub en een laboratorium voor intelligente stadsplanning.
Beijing mag dan het historische, culturele en politieke centrum van China zijn, de aantrekkelijkheid van de hoofdstad is aangetast door een opeenstapeling van problemen: overbevolking, verkeersopstoppingen, stijgende vastgoedprijzen en vervuiling. Daarnaast zijn er sociale spanningen, ontstaan door de groeiende inkomenskloof tussen de bevoorrechte en goed opgeleide stedelijke bevolking en het arme achterland. Anders dan bij Shanghai is het succes van Beijing nooit naar dat achterland doorgesijpeld.
Risico’s
De leiders hopen dat Xiongan een deel van de druk op Beijing zal wegnemen en de omliggende landelijke gebieden van armoede zal bevrijden. Het project heeft ook duidelijke veiligheidsimplicaties: Noord-China kampt met waterschaarste, en Xiongan zou dit probleem kunnen verlichten met het nabijgelegen Baiyang-meer, het grootste zoetwaterreservoir in Noord-China.
Er schuilt ook een militaire gedachte achter een herverdeling van de hoofdstedelijke hulpbronnen. Zoals de historicus Luo Tianhao opmerkte had overconcentratie een rampzalig effect op de voormalige Chinese hoofdstad Nanjing, toen die in de jaren dertig van de vorige eeuw werd aangevallen en bezet door Japan. En die economische verlamming had weer ernstige gevolgen voor regio’s die van Nanjing afhankelijk waren. Vandaar waarschijnlijk de speculaties dat een aantal hoog geconcentreerde technologische en culturele troeven van Beijing naar Xiongan zullen verhuizen, zoals technologiebedrijven in Zhongguancun en de wetenschappelijke en technische afdelingen van de Tsinghua-universiteit.
Xi neemt nogal wat risico in zijn pogingen een dergelijke ambitieuze visie te realiseren. De kosten zijn enorm en als het project mislukt, legt Xiongan de beperkingen bloot van de huidige top-downbenadering, van de invloed die het politiek leiderschap heeft op economische ontwikkeling.
Lukt het wel, dan kan het project uitgroeien tot symbool van Xi’s ‘Chinese droom’. Een florerend Xiongan zal een bewijs zijn dat het succes van China niet afhangt van ‘westerse’ economische, politieke of sociale ideeën, maar dat China de moderniteit op eigen wijze kan vormgeven.
Auteur: George G. Chen
George G. Chen is onderzoeksmedewerker bij het Mercator Institute for China Studies (MERICS) en expert op het gebied van gerechtelijk en juridisch beleid van China.
The Diplomat werd in 2002 opgericht als tweemaandelijks tijdschrift in Australië, maar verhuisde al snel naar Tokio en is sinds 2009 alleen nog online verkrijgbaar. Biedt analyses door academici en journalisten van het nieuws uit Azië en Oceanië, ingedeeld per geografisch gebied en thema. De focus ligt op politiek.
Data zijn het nieuwe goud. En naar big data wordt dan ook gretig geboord.
Het verzamelen van zo veel mogelijk gegevens over ons heet niet voor niets in newspeak ‘data mining’, data delven, naar gegevens graven. Met veel tijd, dus veel geld, en een enorme computercapaciteit kan men heel veel aan de weet komen, over van alles en iedereen.
Dat kan nuttig zijn. Zo lopen er omvangrijke medische onderzoeken waarin gebruik wordt gemaakt van big data. Uit de zorgvuldige analyse van gegevensbestanden hoopt men oorzaken en gevolgen te kunnen opmaken, om langs die weg het ontstaan van ziekten en andere ongewenste verschijnselen te kunnen begrijpen en zo mogelijk voorkomen. Deze onderzoeken, mogen we aannemen, worden verricht vanuit wetenschappelijke en (of) filantropische motieven. Alles (vrijwel alles) kent helaas ook zijn smerige keerzijde. Want er zullen altijd anderen zijn, met minder intellectuele en menslievende doeleinden, die voor veel geld iets af willen dwingen wat zonder die verzamelde data nooit gelukt zou zijn. Beïnvloeding is van alle tijden, denkt u misschien. En dat is ook zo. Een campagne beïnvloedt. Reclame beïnvloedt. Media beïnvloedt. Alles kan beïnvloeden. Zelfs als je denkt dat jij daar niet vatbaar voor bent. Maar dat een verkiezingsuitslag door andere krachten dan politieke wordt gestuurd, is een recent en verwerpelijk fenomeen. Het zou zich hebben voorgedaan bij twee recente volksraadplegingen: het Britse referendum over het beëindigen van het lidmaatschap van de Europese Unie, en de Amerikaanse verkiezingen voor het presidentschap.
Brexit en Trump, we hebben ze te danken aan hetzelfde groepje superrijken dat met schimmige bedrijven democratisch geachte processen heeft geïntervenieerd om de uitkomsten naar hun hand te zetten
Brexit en Trump, we hebben ze te danken aan hetzelfde groepje superrijken dat met schimmige bedrijven democratisch geachte processen heeft geïntervenieerd om de uitkomsten naar hun hand te zetten. Niet omdat ze zo politiek geëngageerd zijn, welnee, puur en alleen om allerlei financiële deals te waarborgen. Dat ze daarbij niet geheel conform de wet of de geest van de wet handelden, gebruikmaakten van overheidsinstellingen waartoe de gewone burger geen toegang heeft, kortom, dat ze zich geen fluit aantrokken van de democratische spelregels: het is te lezen in het bijna hypnotiserend benauwende rapport dat Carole Cadwalladr schreef voor de Britse zondagskrant The Observer. En wellicht het meest onthutsend van dit alles: wij, internetgebruikers, wij twitteraars, wij consumenten verstrekken zelf de data waarmee we om de tuin worden geleid.
Arme superrijken: verzamel liever alle werken van Yuval Noah Harari, dan heb je geen big data meer nodig. Weten jullie dan niet dat macht helemaal niet gelukkig maakt?
Onlangs kon u in 360 het verhaal lezen van datamiljardair Steve Mercer, die de campagnes van Trump en de Brexit probeerde te beïnvloeden. De auteur van dat verhaal, Carole Cadwalladr, spitte verder en ontdekte dat Mercers rol bij het Brexitreferendum misschien wel beslissend was. Met de verkiezingen voor de deur roept dat de vraag op: voldoet het Britse kiesstelsel nog wel?
In juni 2013 liep Sophie, een jonge Amerikaanse promovenda, door Londen, en belde de baas van een bedrijf waar ze ooit stage had gelopen. Dat bedrijf, SCL Elections, was inmiddels overgenomen door Robert Mercer, een eenzelvige hedgefundmiljardair, die het bedrijf had omgedoopt tot Cambridge Analytica. Het bedrijf zou naam maken als hét data-analysebedrijf dat een belangrijke rol speelde tijdens de campagnes van Trump en die van de Brexit. Maar zover was het allemaal nog niet. In 2013 was Londen nog aan het nagenieten van de Olympische Spelen. Er was nog geen sprake van een Brexit. De wereld stond nog niet op zijn kop.
‘Dat was voordat we uitgroeiden tot dit duistere, dystopische databedrijf dat de wereld heeft opgezadeld met Trump,’ zegt een voormalig Cambridge Analytica-medewerker. Ik noem hem Paul. ‘Het was de tijd dat we alleen nog in psychologische oorlogsvoering deden.’
Noemden jullie het echt zo, wil ik weten. Psychologische oorlogsvoering? ‘Reken maar. Dat is het ook. Psyops. Pschychological operations – dezelfde methoden die het leger gebruikt om de emoties van grote groepen mensen te beïnvloeden. Dat is wat er onder het winnen van de hearts and minds wordt verstaan. We zetten het vooral in om verkiezingen te winnen in ontwikkelingslanden waar maar weinig regels golden.’
Waarom zou iemand stage willen lopen bij een bedrijf dat zich specialiseert in psychologische oorlogsvoering, vraag ik hem. Hij kijkt me aan of ik gek ben. ‘Het was alsof je voor de Britse geheime dienst werkte. Maar dan met veel meer vrijheid. Het was heel deftig allemaal, heel Brits, met iemand van Eton aan het hoofd, en we deden allemaal te gekke dingen. Je vloog de hele wereld over. Je werkte samen met de president van landen als Kenia of Ghana. Het is heel anders dan verkiezingscampagnes in het Westen. Je moet allerlei waanzinnige dingen doen.’
Palantir
Op die dag in juni 2013 had Sophie een afspraak met de chief executive van SCL, Alexander Nix, en ze reikte hem de kiem aan van een idee. ‘Je zou echt iets met data moeten doen,’ zei ze. ‘Zij heeft Alexander daar echt van doordrongen. Ze opperde dat hij een keer moest gaan praten met een bedrijf van iemand die zij weer via haar vader kende.’
Wie is haar vader?
‘Eric Schmidt.’
Eric Schmidt – de topman van Google?
‘Ja. Ze opperde ook dat Alexander eens moest gaan praten met een ander bedrijf, Palantir.’
Ik voerde al maanden gesprekken met voormalig medewerkers van Cambridge Analytica en ik had verhalen gehoord die je de haren te berge doen rijzen, maar toch kon ik mijn oren nauwelijks geloven. Voor iedereen die zich met surveillance bezighoudt, is Palantir een begrip. Het dataminingbedrijf heeft contracten met regeringen over de hele wereld – zoals GCHQ, het Engelse Government Communications Headquarters, en de NSA. Het bedrijf is eigendom van Peter Thiel, de miljardair die medeoprichter is van eBay en PayPal, de eerste in Silicon Valley die openlijk zijn steun voor Trump uitsprak.
In zekere zin is het feit dat de dochter van Eric Schmidt voor de link met Palantir zorgt een van de vele krankzinnige details in het meest krankzinnige verhaal waar ik ooit in ben gedoken.
Een krankzinnig maar veelzeggend detail. Omdat het raakt aan de essentie – waarom het verhaal van Cambridge Analytica een van de meest verontrustende verhalen van dit moment is. Sophie Schmidt werkt inmiddels voor een ander megabedrijf in Silicon Valley: Uber. Het is duidelijk dat de macht en de dominantie van Silicon Valley – Google en Facebook en nog een handjevol andere bedrijven – de stuwende kracht is achter de wereldwijde tektonische verschuiving waarvan we momenteel getuige zijn.
Het toont tevens een cruciale, levensgrote lacune in het politieke debat in Engeland. Want de gebeurtenissen in Amerika en die in Engeland zijn verstrengeld. De banden van de regering-Trump met Rusland en Engeland zijn verstrengeld. En Cambridge Analytica is een van de gezichtspunten van waaruit we kunnen zien hoe al die banden in elkaar grijpen; dat maakt ook het probleem duidelijk waarvoor we het liefst de ogen sluiten terwijl we op verkiezingen afstevenen: Engeland verbindt zijn toekomst aan een Amerika dat onder Trump een – radicale en ingrijpende – metamorfose ondergaat.
Een van mijn bronnen liet me weten dat het adres en het telefoonnummer van AggregateIQ overeenkwamen met dat van een bedrijf dat op de website van Cambridge Analytica wordt vermeld als een overzeese vestiging: “SCL Canada”. Een dag later was die online verwijzing verdwenen
Er lopen drie lijnen door dit verhaal. Dat in de Verenigde Staten de fundamenten worden gelegd voor een surveillancemaatschappij. Dat de Britse democratie is uitgehold door een heimelijk, verstrekkend plan tot coördinatie, mogelijk gemaakt door een Amerikaanse miljardair. En dat er een verwoede strijd gaande is tussen miljardairs, met onze data als inzet. Data die in alle stilte worden verzameld, vergaard en opgeslagen. Wie die data in handen heeft, heeft de toekomst in handen.
Zoals het zo vaak gaat, kwam ik dit verhaal op het spoor via een avondje googelen. Vorig jaar december kwam ik via ‘automatische aanvullen’ van Google toevallig terecht op de zoekopdracht: ‘Heeft de Holocaust echt plaatsgevonden?’ En ik ontdekte dat er een hele pagina vol zoekresultaten was die beweerden van niet.
Googles algoritme was gemanipuleerd door extremistische sites. Jonathan Albright, professor communicatie aan Elon-universiteit, in North Carolina, hielp me om mijn bevindingen te duiden. Hij was de eerste die een compleet ‘alt-right’nieuws en informatie-ecosysteem blootlegde en in kaart bracht, en hij was degene die me op het spoor zette van Cambridge Analytica.
Hij noemde het bedrijf een spil in de ‘propagandamachine’ van rechts, een term die ik ook heb gebruikt in relatie tot de werkzaamheden die ze verrichten voor de verkiezingscampagne van Trump en het Britse Leave-kamp. Dat leidde tot een tweede artikel over Cambridge Analytica – als spil in het nepnieuws- en informatienetwerk dat volgens mij is opgezet door Robert Mercer en Steve Bannon, een van Trumps naaste medewerkers die het zelfs tot chief strategist heeft weten te schoppen. Ik stuitte op bewijzen dat het bedrijf bezig was met een strategische operatie om de mainstream media een kopje kleiner te maken en te vervangen door een systeem dat alternatieve feiten, gefingeerde geschiedkundige informatie en rechtse propaganda zou verspreiden.
Mercer is een briljant computerkundige, een pionier op het gebied van artificiële intelligentie, en mede-eigenaar van een van de meest succesvolle hedge funds ter wereld (met een jaarlijks rendement van 71,8 procent, wat alle economische wetten lijkt te tarten). Ik kwam tot de ontdekking dat hij tevens goed is bevriend met Nigel Farage.
Andy Wigmore, hoofd communicatie van Leave.EU, wist me te vertellen dat Mercer ervoor had gezorgd dat het bedrijf, Cambridge Analytica, het Leave-kamp zou ‘helpen’.
Dit tweede artikel zette twee onderzoeken in gang, die allebei nog lopen: een onderzoek van het Information Commissioner’s Office naar het mogelijk illegale gebruik van data. En een tweede onderzoek, van de kiesraad, dat zich ‘richt op de vraag of een of meerdere donaties – waaronder diensten – die zijn aangenomen door Leave.EU “ontoelaatbaar” waren.’
Wat ik toen ontdekte was dat Mercers rol bij het referendum nog veel verder ging. Veel verder dan de jurisdictie van welke Engelse wet dan ook. De sleutel om te begrijpen hoe een gedreven en vastberaden miljardair onze verkiezingswetten kan omzeilen, is te vinden bij AggregateIQ, een duister webanalysebedrijfje dat is gevestigd boven een winkel in Victoria, in Brits-Columbia.
Vote Leave (de officiële Leave-campagne) besloot 3,9 miljoen te spenderen aan AggregateIQ, dus meer dan de helft van het officiële campagnebudget van 7 miljoen. Hetzelfde geldt voor drie andere aangesloten Leave-campagnes: BeLeave, Veterans for Britain en de Democratic Unionist Party, die nog eens 757.750 pond uitgaven. ‘Coördinatie’ tussen verschillende campagnes is verboden binnen de Engelse kieswet, tenzij de campagnekosten gezamenlijk worden opgegeven. Dat was niet het geval. Volgens Vote Leave heeft de kiesraad ‘de zaak bekeken’ en een ‘gezondheidsverklaring’ afgegeven.
Hoe kan een duister Canadees bedrijf zo’n belangrijke rol hebben gespeeld bij de Brexit? Met die vraag worstelde ook Martin Moore, hoofd van het centrum voor onderzoek naar communicatie, media en macht aan King’s College, in Londen. ‘Ik heb alle facturen bekeken van de Leave-campagne, toen die in februari door de kiesraad online zijn gezet. En ik stuitte steeds maar weer op gigantische bedragen die werden overgemaakt aan een bedrijf waarvan ik niet alleen nog nooit had gehoord, maar waarvan ook op internet vrijwel niets was te vinden. Er werd meer geld betaald aan AggregateIQ dan aan welk ander bedrijf ook, of welke campagne ook, tijdens de aanloop naar het referendum. Het enige wat ik destijds kon vinden was een website van één pagina. Meer niet. Het was een groot raadsel.’
Moore leverde een bijdrage aan een rapport dat in april werd gepubliceerd, en waarin werd geconcludeerd dat de Engelse kieswet ‘krachteloos en machteloos’ was, met alle nieuwe vormen van digitaal campagnevoeren. Offshorebedrijven, geld dat in databases wordt gestoken, ongebonden derde partijen… de geldstromen waren niet zo duidelijk meer gemarkeerd. De wetten die sinds jaar en dag de Britse kieswet hadden geschraagd, waren niet langer toereikend. Wetten, zo stond te lezen in het rapport, die ‘nodig moeten worden herzien’ door het parlement.
AggregateIQ is ook de sleutel om een ander complex netwerk van invloedssferen te ontrafelen dat door Mercer in het leven is geroepen. Een van mijn bronnen liet me weten dat het adres en het telefoonnummer van AggregateIQ overeenkwamen met dat van een bedrijf dat op de website van Cambridge Analytica wordt vermeld als een overzeese vestiging: ‘SCL Canada’. Een dag later was die onlineverwijzing verdwenen.
Er moest een verband zijn tussen de twee bedrijven. Tussen de verschillende Leave-campagnes. Tussen het referendum en Mercer. Het was gewoon té toevallig. Maar iedereen – AggregateIQ, leave.EU, Vote Leave – ontkende. AggregateIQ had gewoon een kortlopende opdracht gedaan voor Cambridge Analytica. Daar was niets op tegen. Wij publiceerden de feiten. Op 29 maart trad artikel 50 in werking.
Gestoord
Dan ontmoet ik Paul, de eerste van twee bronnen die in het verleden bij Cambridge Analytica hebben gewerkt. Hij is ergens eind twintig, en getekend door zijn ervaringen bij het bedrijf. ‘Ik heb bijna posttraumatische stress. Het was zo… gestoord. Het ging allemaal zo snel. Van de ene op de andere dag bleken we te zijn veranderd in de Republikeinse fascistenpartij. Ik kan het nog altijd nauwelijks geloven.’
Hij moet lachen wanneer ik hem vertel over het frustrerende mysterie van AggregateIQ. ‘Kijk of je Chris Wylie kunt vinden,’ zegt hij.
Wie is Chris Wylie?
‘Hij is degene die Cambridge Analytica op het spoor heeft gezet van data en microtargeting [op maat gesneden politieke boodschappen]. Hij komt uit het westen van Canada. Zonder hem zou AggregateIQ niet eens hebben bestaan. Het zijn zijn vriendjes. Hij heeft ze erbij gehaald.’
Er was niet zomaar een terloopse link tussen Cambridge Analytica en AggregateIQ, vertelt Paul me. Ze waren innig verstrengeld, vervulden sleutelposities binnen Robert Mercers uitgestrekte rijk. ‘De Canadezen waren ons backoffice. Zij beheerden onze database. Als AggregateIQ erbij betrokken is, dan is Cambridge Analytica er ook bij betrokken. En als Cambridge Analytica erbij betrokken is, dan zijn Robert Mercer en Steven Bannon erbij betrokken. Kijk of je Chris Wylie kunt vinden.’
Ik wist Chris Wylie op te sporen. Hij weigerde me te woord te staan.
Om te begrijpen hoe data een bedrijf kunnen veranderen, moet je weten waar ze vandaan komen. Ik werd daarbij geholpen door een brief van de ‘Director of Defence Operations, SCL Group’. Hij is afkomstig van ‘commandant Steve Tatham, PhD, MPhil, Royal Navy (buiten dienst)’ die zijn beklag doet over het gebruik van het woord ‘desinformatie’ in mijn artikel over Mercer.
Ik schreef hem terug en wees hem erop dat hij in bepaalde artikelen zelf had geschreven over ‘misleiding’ en ‘propaganda’, wat naar mijn idee ‘min of meer hetzelfde’ was als desinformatie. Pas later dringt tot me door hoe vreemd het is dat ik correspondeer met een gepensioneerde marinecommandant, over militaire strategieën die al dan niet zouden zijn gebruikt tijdens Britse en Amerikaanse verkiezingen.
Wat uit beeld is verdwenen in de Amerikaanse kijk op dit ‘data-analyse’-bedrijf is de achtergrond van het bedrijf: het is diepgeworteld in de militair-industriële wereld. Een opmerkelijk hoekje binnen deze wereld wordt bevolkt door Tories van de oude stempel, zoals dat ook geldt voor het militaire establishment in Engeland. Geoffrey Pattie, een voormalig parlementslid dat een hoge positie bekleedde bij Defensie en dat aan het hoofd stond van Marconi Defence Systems, zat in de raad van bestuur, net als Lord Marland, David Camerons voormalige handelsgezant die pro-Brexit is, en die aandeelhouder was.
Steve Tatham stond aan het hoofd van de psychologische operaties van de Britse strijdkrachten in Afghanistan. The Observer beschikt over brieven waarin hij wordt aanbevolen door het Engelse ministerie van Defensie, Buitenlandse Zaken en de NAVO.
SCL/Cambridge Analytica is niet een of andere start-up van een stel jongens met een Mac Powerbook. Het maakt echt deel uit van het Britse defensiesysteem. En nu dus ook van het Amerikaanse defensiesysteem. Dit is meer dan een verhaal over sociale psychologie en data-analyse. Het moet gezien worden in het kader van een militaire aannemer die militaire strategieën loslaat op een burgerbevolking. David Miller, hoogleraar sociologie aan Bath-universiteit en een autoriteit op het gebied van psyops en propaganda, noemt het ‘een ongehoord schandaal dat dit mogelijk is binnen een democratie. De kiezers behoren te weten waar bepaalde informatie vandaan komt, en als dat niet helder en transparant is, moeten we ons de vraag stellen of we daadwerkelijk in een democratie leven.’
Paul en David, een andere voormalig medewerker van Cambridge Analytica, werkten bij het bedrijf in de tijd dat het op grote schaal vergaren van data deel ging uitmaken van de psychologische-oorlogsvoeringstrategie. ‘Het was een nieuwe, krachtige synergie van psychologie, propaganda en techniek,’ zegt David.
En dat alles werd mogelijk gemaakt door Facebook. Cambridge Analytica kreeg zijn immense hoeveelheid data in eerste instantie van Facebook. Al eerder hadden psychologen van Cambridge Analytica (legaal) gegevens van Facebook geanalyseerd voor onderzoeksdoeleinden, en ze hadden peer-reviewed artikelen gepubliceerd over Facebook-‘likes’, en wat daaruit valt af te leiden over iemands karaktereigenschappen, politieke voorkeuren, seksualiteit en nog veel meer. SCL/Cambridge Analytica huurde een hoogleraar in, dr Aleksandr Kogan, om nog meer Facebookdata te vergaren. Hij deed dat door mensen tegen betaling een persoonlijkheidstest te laten maken, waarbij niet alleen hun Facebookprofiel boven tafel kwam, maar ook dat van hun vrienden – ook dat maakte het sociale netwerk destijds mogelijk.
Facebook was de bron van de psychologische inzichten die het Cambridge Analytica mogelijk maakte zich specifiek te richten op individuen. Het was ook het mechanisme dat het Cambridge Analytica mogelijk maakte hier op grote schaal in te handelen.
Het bedrijf kocht ook (volkomen legaal) consumentendata – gegevens over van alles en nog wat, van tijdschriftabonnementen tot aangeschafte vliegtickets – en combineerde deze voor het eerst met psychologische gegevens en lijsten van kiesgerechtigden. Al deze informatie werd vervolgens gekoppeld aan het adres en telefoonnummer van mensen, en vaak ook aan hun e-mailadres. ‘Het doel was om alle gegevens in kaart te brengen van de informatieomgeving van alle stemgerechtigden,’ zegt David. ‘Met die persoonlijkheidsgegevens kon Cambridge Analytica op maat gesneden berichten sturen.’
De zoektocht naar ‘beïnvloedbare’ kiezers is de sleutel tot elke campagne en met zijn schat aan data was Cambridge Analytica bijvoorbeeld in staat mensen die tamelijk angstig waren aangelegd te benaderen met beelden van immigranten die het land ‘overspoelden’. De truc is om bij elke individuele kiezer de emotionele trigger te vinden.
Cambridge Analytica werkte aan campagnes voor een Republikeins actiecomité, in verschillende staten. Het voornaamste doel, blijkt uit een memo dat in handen is van The Observer, was ‘desinteressse kweken’ en ‘Democratische kiesgerechtigden zo ver zien te krijgen dat ze thuis blijven’: een ongekend verontrustende tactiek. Er is al eerder gezegd dat er ontmoedigingstechnieken werden gebruikt in de campagne, maar dit document levert de eerste echte bewijzen.
Maar werkt zo’n aanpak ook echt? Een van de kritiekpunten op de artikelen van mij en anderen, is dat de ‘specialiteit’ van Cambridge Analytica te veel is opgeblazen. De meeste politieke consultancy’s gaan toch niet zo heel anders te werk?
‘Het is geen politiek consultancybureau,’ zegt David. ‘Wat je goed moet begrijpen, is dat dit op geen enkele manier een normaal bedrijf is. Volgens mij kan het Mercer niet eens schelen of er ook maar een cent winst wordt gemaakt. Het is het product van een miljardair die een vermogen heeft gespendeerd om een experimenteel wetenschappelijk lab op te zetten, waarin hij kan kijken wat aanslaat, waarin hij op zoek kan gaan naar minieme vormen van beïnvloeding die een verkiezingsuitslag kunnen bepalen. Robert Mercer heeft pas geld in het bedrijf gestoken na een aantal pilotprojecten – gecontroleerde experimenten. We hebben het hier over een van de slimste computerkundigen ter wereld. Die gooit echt geen vijftien miljoen over de balk.’
‘Het is een huiveringwekkende gedachte dat er zo veel data in handen zijn van een groep internationale plutocraten, die ermee kunnen doen en laten wat ze willen’
Tasmin Shawn, universitair docent filosofie aan New York-universiteit, schetst een breder kader voor me. Ze heeft onderzoek gedaan naar de financiering van het Amerikaanse leger en naar het gebruik van psychologisch onderzoek bij martelingen. ‘Het is wel aangetoond dat deze wetenschap ingezet kan worden om emoties te manipuleren. Het gaat hier om technologie die oorspronkelijk afkomstig is van het leger en die nu is ingelijfd door een mondiale plutocratie, en die wordt gebruikt om verkiezingen te beïnvloeden op een manier waar mensen geen enkel zicht op hebben, en zelfs geen weet van hebben,’ zegt ze. ‘Het gaat hier om het exploiteren van bestaande fenomenen die vervolgens worden gebruikt om mensen in de marge te manipuleren. Het is een huiveringwekkende gedachte dat er zo veel data in handen zijn van een groep internationale plutocraten, die ermee kunnen doen en laten wat ze willen. We zitten midden in een informatieoorlog en deze bedrijven worden opgekocht door miljardairs, die vervolgens worden binnengehaald in het hart van de overheid. Dat is een zeer zorgwekkende situatie.’
In 2013 heeft Cambridge Analytica een project uitgevoerd in Trinidad, waarin alle verhaallijnen bij elkaar komen. Net op het moment dat Robert Mercer ging onderhandelen met Alexander Nix, de baas van SCL, werd SCL in de arm genomen door verschillende ministers in Trinidad en Tobago. De opdracht was onder meer het ontwikkelen van een zogeheten microtargetingprogramma voor de partij die op dat moment aan de macht was. En AggregateIQ – hetzelfde bedrijf dat zich voor Vote Leave had ingezet bij de Brexit – werd ingehuurd om het targetingplatform te bouwen.
David zegt hierover: ‘De standaardaanpak van SCL/CA is dat je een overheidscontract sluit met de regerende partij. Daarmee is het politieke werk gedekt. Het is vaak een of ander onzinnig gezondheidsproject, dat slechts dient als dekmantel om te zorgen dat de minister wordt herverkozen. Maar in dit geval werden de contracten niet gesloten met de overheid, maar met de nationale veiligheidsraad van Trinidad.’
Het werk voor de informatiedienst was de prijs voor het politieke werk. The Observer heeft documenten in handen waaruit blijkt dat het ging om een voorstel om de zoekgeschiedenis van de gehele bevolking te achterhalen, om telefoongesprekken vast te leggen en spraaksoftware los te laten op de verkregen data teneinde een landelijke politiedatabase aan te leggen, compleet met een inschatting per individuele burger van de waarschijnlijkheid dat hij of zij een misdaad zou plegen.
‘Het plan dat aan de minister is voorgelegd heette Minority Report. Het was Pre-Crime. En het feit dat Cambridge Analytica nu werkzaam is binnen het Pentagon, is zonder meer beangstigend, als je het mij vraagt,’ zegt David.
Deze documenten werpen licht op een belangrijk en onderbelicht aspect van de regering-Trump. Het bedrijf dat Trump in eerste instantie aan de macht heeft geholpen, is beloond met contracten binnen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken. De voormalige vicepresident van dat bedrijf zit nu in het Witte Huis. Naar verluidt speelt het bedrijf ook een rol in gesprekken over ‘militaire aangelegenheden en binnenlandse veiligheid’.
In Amerika is de overheid gebonden aan strenge wetten waar het gaat om het verzamelen van gegevens van individuele burgers. Maar particuliere bedrijven kunnen doen en laten wat ze willen. Is het irrationeel om hierin de mogelijke fundamenten te zien van een autoritaire surveillancestaat?
Een regering die bedrijfsbelangen binnenhaalt en aan de borst drukt. Er zijn documenten waaruit blijkt dat Cambridge Analytica banden heeft met vele andere miljardairs met rechtse sympathieën, onder wie Rupert Murdoch. Uit een memo blijkt dat Cambridge Analytica heeft geprobeerd een artikel geplaatst te krijgen in Murdochs Wall Street Journal. ‘RM heeft het via een andere weg aangeboden en contact gelegd met Jamie McCauley van Robert Thomson News Corp’, staat er te lezen.
Dat doet mij weer denken aan het verhaal waarin Sophie Schmidt, Cambridge Analytica en Palantir een rol spelen. Is het een veelzeggend detail, of is het een aanwijzing dat er nog iets anders speelt? Cambridge Analytica noch Palantir wilde ingaan op de vraag, in verband met dit artikel, of er sprake is van onderlinge banden. Maar getuigenverklaringen en mails bevestigen dat er in 2013 besprekingen hebben plaatsgevonden tussen Cambridge Analytica en Palantir. Een mogelijke samenwerking is in ieder geval aan de orde geweest.
The Observer beschikt ook nog over andere documenten, die bevestigen dat tenminste één senior medewerker van Palantir gesprekken heeft gevoerd met Cambridge Analytica in verband met het Trinidad-project en latere politieke werkzaamheden in de Verenigde Staten. Maar destijds heeft Palantir besloten, zo wordt me verteld, dat de kans op imagoschade te groot werd geacht om echt met elkaar in zee te gaan. Er stond te weinig tegenover. Palantir is een bedrijf dat wordt vertrouwd met grote hoeveelheden data van Engelse en Amerikaanse burgers, in dienst van zowel GCHQ en NSA, en vele andere landen.
Maar nu zijn beide bedrijven in handen van ideologisch gedreven miljardairs: Robert Mercer en Peter Thiel. De Trump-campagne heeft gezegd dat Thiel heeft geholpen met data. Een campagne die werd geleid door Steve Bannon, die destijds bij Cambridge Analytica zat.
Een hooggeplaatst iemand van QC, die veel tijd heeft doorgebracht bij het Britse onderzoekstribunaal IPT, zegt dat het grootste probleem bij deze technologie is dat het er vooral om gaat wíé de gegevens in handen heeft.
‘Aan de ene kant gaat het om bedrijven en overheden die zeggen “vertrouw ons nou maar, we hebben het hart op de goede plaats en we zijn democratisch en in het weekend bakken we gezellig koekjes”. Maar dezelfde technologie kan worden verkocht aan willekeurig welk repressief regime.’
In Engeland hebben we nog altijd vertrouwen in de overheid. We gaan ervan uit dat de autoriteiten zich aan de wet houden. We hebben vertrouwen in de wet. We geloven dat we in een vrij en democratisch land leven. En juist daarom is naar mijn gevoel het laatste deel van dit verhaal zo ongekend verontrustend.
Dominic Cummings
De details van het Trinidad-project ontsloten eindelijk het mysterie van AggregateIQ. Trinidad was het eerste project van SCL waarbij gebruik werd gemaakt van big data voor microtargeting, voordat het bedrijf werd overgenomen door Mercer. Om dit model was het Mercer te doen. Alle partijen kwamen hier samen: Aleksandr Kogan, de psycholoog van Cambridge, AggregateIQ, Chris Wylie, en de twee andere mensen die een rol zouden spelen in dit verhaal: Mark Gettleson, een focusgroupspecialist die in het verleden voor de liberalen had gewerkt, en Thomas Borwick, de zoon van Victoria Borwick, het conservatieve parlementslid uit Kensington.
Toen in februari mijn artikel verscheen waarin ik Mercer en Leuve.EU met elkaar in verband bracht, was niemand zo boos als voormalig Tory-adviseur Dominic Cummings, de campagnestrateeg van Vote Leave. Hij ging flink tekeer op Twitter. Het artikel stond ‘vol fouten & verspreidt zelf desinformatie’. Of: ‘CA speelde ~0% rol in Brexit-referendum.’
Een week later toonde The Observer het vermoedelijke verband aan tussen AggregateIQ en Cambridge Analytica. Cummings Twitteraccount zweeg in alle talen. Hij reageerde niet op mijn berichten of mijn mails.
Er speelden al langer vragen over een mogelijke coördinatie tussen de verschillende Leave-campagnes. In de week voorafgaand aan het referendum doneerde Vote Leave geld aan twee andere Leave-groeperingen – 625 duizend pond aan BeLeave, een initiatief van modestudent Darren Grimes, en 100 duizend pond aan Veterans for Britain. Beide campagnes hebben dit geld besteed aan AggregateIQ.
De kiesraad heeft AggregateIQ aangeschreven. Een bron dicht bij het onderzoek heeft gezegd dat AggregateIQ heeft gereageerd met de mededeling een geheimhoudingsverklaring te hebben getekend. En aangezien het niet onder de Engelse jurisdictie valt, was de zaak daarmee afgedaan. Dit is waar Vote Leave naar verwijst wanneer ze zeggen dat de kiesraad ‘een gezondheidsverklaring’ heeft afgegeven.
Dominic Cummings heeft op zijn blog duizenden woorden gewijd aan de referendumcampagne. Wat ontbreekt zijn details over zijn data-analisten. Het enige wat hij daarover zegt is dat hij ‘specialisten heeft ingehuurd’.
Eindelijk, na weken van berichten, krijg ik een mail van hem. We bleken het over één ding eens te zijn. Hij schreef: ‘De wetgeving/handhavende instanties zijn een lachertje, en de werkelijkheid is dat iedereen die een loopje met de wet wil nemen dat kan doen zonder dat ook maar iemand het doorheeft.’ Maar, zegt hij: ‘door de aandacht te vestigen op onzinnige verhalen als de denkbeeldige rol van Mercer bij het referendum, leid je de aandacht af van deze belangrijke kwesties’.
En om dan eindelijk antwoord te geven op de vraag hoe Vote Leave terecht is gekomen bij deze duistere firma aan de andere kant van de aardbol, schrijft hij: ‘Iemand stuitte op internet op AIQ [AggregateIQ] en belde hen op, en zei vervolgens tegen mij – laten we met die lui in zee gaan. Ze waren duidelijk veel competenter dan de mensen die we in Londen hadden gesproken.’
Het ongelukkige aan dit verhaal – voor Dominic Cummings – is dat het ongeloofwaardig is. Het is een paar minuten werk om een datumfilter in Google search te installeren en te zien dat ‘AggregateIQ’ eind 2015 of begin 2016 helemaal geen hits opleverde. Er is niets over geschreven in de media. Het bedrijf wordt nergens genoemd. De website verschijnt niet eens op mijn scherm. Ik heb Dominic Cummings betrapt op wat een alternatief feit lijkt te zijn.
Een kleine groep mensen, die zij hadden bestempeld als “te overreden”, werd bedolven onder advertenties, in totaal meer dan een miljard, waarvan verreweg de meeste in die paar laatste dagen
Een controleerbaar feit is dat Gettleson en Borwick, die voorheen werkzaam waren als consultant voor SCL en Cambridge Analytica, beiden een spilfunctie bekleedden in het Vote Leave-team. Ze staan beiden vermeld in de officiële Vote Leave-documenten die zijn gedeponeerd bij de kiesraad, al omschrijven ze hun eerdere werkzaamheden heel bescheiden als ‘microtargeting in Antigua en Trinidad’ en ‘direct communications voor verschillende politie-actiecomités, senaats- en gouverneurscampagnes’.
En Borwick was niet zomaar een medewerker. Hij was het hoofd technologie van Vote Leave.
Dit verhaal omvat een complex netwerk van verbinding, met als spin in het web Cambridge Analytica. Alle lijntjes komen uit bij Mercer. Want de banden moeten overduidelijk zijn geweest. ‘Misschien was AggregateIQ niet van Mercer, maar het speelde zich wel allemaal af binnen zijn domein,’ zegt David. ‘Bijna al hun contracten waren afkomstig van Cambridge Analytica of van Mercer. Zonder hen hadden ze geen bestaansrecht. Gedurende de hele aanloop naar het referendum werkten zij elke dag met Mercer en Cambridge Analytica aan de campagne van [Ted] Cruz. AggregateIQ bouwde en beheerde de databaseplatforms van Cambridge Analytica.’
Cummings wil niet zeggen wie voor hem de websites bouwde. Maar op facturen die zijn overhandigd aan de kiesraad zien we betalingen aan een bedrijf dat luistert naar de naam Advanced Skills Institute. Het duurt weken voordat ik het belang daarvan inzie, aangezien het bedrijf meestal wordt aangeduid als ASI Data Science, een bedrijf waar steeds roulerende data-analisten werkzaam zijn, die vervolgens aan de slag gaan bij Cambridge Analytica, en omgekeerd. Er is beeldmateriaal van ASI data-analisten die persoonlijkheidsmodellen van Cambridge Analytica presenteren, en er zijn documenten over evenementen die de twee bedrijven samen hebben georganiseerd. ASI heeft tegen The Observer gezegd geen officiële banden te onderhouden met Cambridge Analytica.
Waar het om gaat is het volgende: tijdens de Amerikaanse voorverkiezingen heeft AggregateIQ contractueel afstand gedaan van het intellectueel eigendom (IE). Het bedrijf was echter geen eigenaar van dat IE: dat was Robert Mercer. Om met een ander bedrijf in Engeland te kunnen samenwerken, moest AggregateIQ expliciet toestemming hebben van Mercer. Op de vraag of hij commentaar wil geven op de financiële of zakelijke banden tussen ‘Cambridge Analytica, Robert Mercer, Steve Bannon, AggregateIQ, Leave.EU en Vote Leave’, zegt een woordvoerder van Cambridge Analytica: ‘Cambridge Analytica heeft geen betaalde of onbetaalde werkzaamheden verricht voor Leave.EU.’
Dit verhaal gaat niet over de geslepen Dominic Cummings die een paar mazen heeft ontdekt in de regels van de kiesraad. Die her en der een paar miljoen heeft weggezet. Dit verhaal gaat ook nog niet eens om wat een heimelijke coördinatie lijkt te zijn tussen Vote Leave en Leave.EU bij het inhuren van AggregateIQ en Cambridge Analytica. Dit verhaal gaat over gedreven Amerikaanse miljardairs – Mercer en zijn voornaamste ideoloog, Bannon – die medeverantwoordelijk zijn voor de grootste constitutionele verandering in Engeland van de afgelopen eeuw.
Wie wil begrijpen hoe, en in welke mate, de Brexit is verbonden met Trump, is hier op het goede spoor. Deze lijnen, die dwars door Cambridge Analytica lopen, zijn het resultaat van een trans-Atlantisch partnerschap dat vele jaren teruggaat. Nigel Farage en Bannon werken nauw samen, zeker al sinds 2012. Bannon heeft in 2014 de Londense poot van zijn nieuwswebsite Breitbart geopend om Ukip te steunen – het nieuwste front ‘in de culturele en politieke oorlog die momenteel wordt gevoerd’, zei hij tegen The New York Times.
Engeland was altijd al een cruciaal onderdeel geweest van Bannons plannen, hoor ik van een andere ex-Cambridge-medewerker, die anoniem wil blijven. Het was een speerpunt van zijn strategie om de hele wereldorde te veranderen.
‘Hij is ervan overtuigd dat je eerst de cultuur moet omvormen voordat je de politiek kunt omvormen. En daarin speelde Engeland een sleutelrol. Hij meende dat Amerika het voorbeeld van Engeland zou volgen. De Brexit was voor hem van enorme symbolische waarde.’
Op 29 maart, de dag dat artikel 50 in werking trad, belde ik een van de kleinere campagnes, Veterans for Britain. Cummings strategie was om in de laatste dagen van de campagne mensen gericht te benaderen en de kleinere groep kreeg in de laatste week honderdduizend pond van Vote Leave. Een kleine groep mensen, die zij hadden bestempeld als ‘te overreden’, werd bedolven onder advertenties, in totaal meer dan een miljard, waarvan verreweg de meeste in die paar laatste dagen.
Ik vraag David Banks, het hoofd communicatie van Veterans for Britain, waarom ze dat geld aan AggregateIQ hebben uitgegeven.
‘Ik ben niet op AggregateIQ afgestapt, zij zijn op ons afgestapt. Ze hebben ons gebeld en een pitch gehouden. Er is geen sprake van een complot. Het was gewoon een Canadees bedrijf dat een vestiging opende in Londen, om binnen de Britse politiek te gaan werken, en zij deden dingen die geen enkel Engels bedrijf ons kon bieden. Hun targeting was gebaseerd op een aantal technologieën die nog niet tot Engeland waren doorgedrongen. Ze hadden een manier gevonden om mensen te targeten op grond van inzicht in hun gedrag. Zij benaderden ons.’
Naar mijn idee was David Banks zich er niet van bewust dat er iets niet helemaal in de haak was. Het is een vaderlandslievende man, die gelooft in de Britse soevereiniteit, Britse waarden en de Britse wetgeving. Ik denk dat hij niet wist dat er overlap was tussen de verschillende campagnes. Ik kan alleen maar concluderen dat hij om de tuin is geleid.
En dat wij, het Britse volk, om de tuin zijn geleid. In zijn blog schrijft Dominic Cummings dat de Brexit op het conto komt van ‘zo’n 600 duizend mensen – net iets meer dan 1 procent van alle geregistreerde kiezers’. Het is niet zo’n heel grote stap om te denken dat een lid van de mondiale 1 procent een manier heeft gevonden om deze beslissende 1 procent van de Britse kiezers te beïnvloeden.
Rusland
Het referendum was een open doel, onweerstaanbaar voor de Amerikaanse miljardairs. Of moet ik zeggen: de Amerikaanse miljardairs en andere geïnteresseerde spelers? Want als we inzien dat Engeland en Amerika, Brexit en Trump, nauw zijn verbonden door trans-Atlantische connecties, dan moeten we ook inzien dat Rusland een plek heeft binnen deze innige verstrengeling.
De afgelopen tijd heb ik geschreven over de banden tussen rechts in Engeland, de regering-Trump en rechts in Europa. En deze lijnen lopen op een of andere manier allemaal richting Rusland. Vanuit Nigel Farage en Donald Trump en Cambridge Analytica.
The Observer heeft een kaart te zien gekregen met daarop de vele plekken op de wereld waar SCL en Cambridge Analytica werkzaam zijn geweest: onder meer in Rusland, Litouwen, Letland, Oekraïne, Iran en Moldavië. Verschillende bronnen binnen Cambridge Analytica hebben andere banden met Rusland aan het licht gebracht, zoals reisjes naar Rusland, besprekingen met topmannen van Russische staatsbedrijven, en verklaringen van SCL-medewerkers dat ze voor Russische rechtspersonen hebben gewerkt.
Artikel 50 is in werking getreden. AggregateIQ valt niet onder de Engelse jurisdictie. De kiesraad staat machteloos. Een volgende verkiezing, met dezelfde regels, staat voor de deur. Het is niet zo dat de autoriteiten zich niet realiseren dat er reden is tot zorg. The Observer heeft gehoord dat het openbaar ministerie een speciale aanklager heeft aangesteld om vast te stellen of er grond is om over te gaan tot vervolging omdat er campagnefinancieringswetten zijn overtreden. Het openbaar ministerie heeft de zaak terugverwezen naar de kiesraad. Iemand dicht bij de commissie, die zich bezighoudt met de veiligheidsdiensten, weet me te vertellen dat ‘er wordt gewerkt’ aan een mogelijke inmenging van Rusland bij het referendum.
Gavin Miller, werkzaam bij QC en gespecialiseerd in kieswetgeving, noemt de situatie ‘hoogst verontrustend’. Hij denkt dat de waarheid alleen valt te achterhalen door een openbaar onderzoek. Maar daar moet de regering opdracht toe geven. Een regering die net verkiezingen heeft uitgeschreven om haar machtsbasis te versterken. Verkiezingen die zijn bedoeld om meer op één lijn te komen met Trumps Amerika.
Martin Moore van King’s College in Londen wijst erop dat verkiezingen tegenwoordig meer en meer worden gebruikt als middel om een autoritair bewind in het zadel te helpen. ‘Kijk naar Erdogan in Turkije. Wat Theresa May doet is in zekere zin heel antidemocratisch. Ze is doelbewust bezig haar macht te vergroten. Het gaat niet om een verschil in beleid tussen twee politieke partijen.’
Dit in Engeland in 2017. Een Engeland dat steeds meer wegheeft van een democratie die wordt ‘gemanaged’. Bekostigd door een Amerikaanse miljardair. Gebruikmakend van militaristische technologie. In kaart gebracht door Facebook. En mogelijk gemaakt door ons. Als we de uitslag van het referendum honoreren, stemmen we daar impliciet mee in. Het gaat hier niet over Remain of Leave. Dit overstijgt partijpolitiek. Het gaat over de eerste stap in een brave new world, die steeds minder democratisch is.
Kort na de aanslagen in Parijs schreef de Britse filosoof John Gray een invloedrijk essay, dat na ‘Brussel’ opnieuw de cover haalde van de Britse New Statesman. In navolging van zijn beroemde voorganger Thomas Hobbes pleit Gray voor een sterke staat om de gevaren van het mondiale terrorisme in te dammen.
De gevolgen van de wreedheden in Parijs lijken vrij duidelijk. De staat valt terug op zijn belangrijkste taak, namelijk het garanderen van veiligheid. We zien dat een essentiële waarheid wordt herontdekt: onze vrijheden zijn geen op zichzelf staande, absolute waarheden, maar wankele gedachteconstructies die alleen overeind blijven dankzij de bescherming van de staatsmacht. De geschiedenis is in de ogen van de weldenkende mens de ideale beschavende orde. De taak om de openbare veiligheid te handhaven rust op de schouders van nationale regeringen, de enige instituties die beschikken over het vermogen hun burgers te beschermen.
De vrijzinnige gedachte dat vrijheid zich over de wereld verspreidt, heeft ervoor gezorgd dat westerse samenlevingen zich niet realiseren hoe kwetsbaar ze zijn. Door in naam van de vrijheid despoten omver te werpen, zijn we in een situatie beland waarin onze eigen vrijheid op het spel staat. Volgens de vrijzinnige leer is vrijheid een heilige waarde – ondeelbaar en onaantastbaar – waar niet op valt af te dingen. In hooggestemde theorieën over mensenrechten is strenge inperking van de staatsmacht een universele voorwaarde voor rechtvaardigheid. Dat een plaatselijke uitbarsting van anarchie een veel hardnekkiger obstakel op weg naar beschaving is dan uiteenlopende soorten despotisme, wordt veronachtzaamd en over het hoofd gezien, omdat het te verontrustend is om bij stil te staan.
Moderne denker
Slechts één moderne denker begreep dat een sterke staat een voorwaarde is voor een beschaafde maatschappelijke orde. Thomas Hobbes [politiek filosoof, 1588-1679] was ervan overtuigd dat alleen staatsbestuur bescherming kon bieden tegen sektarische strijd. Iedereen die de voordelen van een ‘gerieflijk leven’ wilde genieten, moest zich onderwerpen aan een soevereine macht die beschikte over de autoriteit om te doen wat noodzakelijk was om de vrede te bewaren. Anders zouden er, zoals Hobbes het in een beroemde passage uit zijn meesterwerk Leviathan (1651) formuleerde, ‘geen kunsten, geen letteren, geen samenleving [zijn] en, het ergst van al, permanente angst voor en kans op een gewelddadige dood en een teruggetrokken, armoedig, ellendig, wreed en kort leven’.
Hobbes wordt wel bekritiseerd omdat hij de noodzaak tot bescherming tegen de staat zou negeren, die onmiskenbaar was in de twintigste eeuw, toen de ergste misdaden het werk waren van totalitaire regimes. Maar je hoeft niet de complete politieke theorie van Hobbes te omarmen om in te zien dat hij enkele blijvende inzichten onder woorden heeft gebracht die de linkse goegemeente verkiest te vergeten. De vorm van het bestuur – democratisch, despotisch, monarchistisch of republikeins – doet er minder toe dan zijn vermogen om voor vrede te zorgen. Momenteel is het niet de staat, maar de zwakte van de staat die de grootste bedreiging van de vrijheid vormt.
Hoewel het relatief eenvoudig is om een staat te vernietigen, is het heel moeilijk om hem opnieuw op te bouwen. De wederopbouw van Irak en Syrië valt niet op enige reëel voorstelbare termijn te voorzien
Neem de vluchtelingencrisis. Het eerste en meest voor de hand liggende inzicht is dat die wordt veroorzaakt doordat mensen mislukte staten ontvluchten. De grootste groep komt uit Syrië. Andere komen uit Irak, Afghanistan, Eritrea, Somalië, Soedan en elders. Het kan geen toeval zijn dat zovele van deze migranten landen ontvluchten waarvan de staten zijn ontmanteld door de westerse politiek van regimewijziging. Maar hoewel het relatief eenvoudig is om een staat te vernietigen, is het heel moeilijk om hem opnieuw op te bouwen. De wederopbouw van Irak en Syrië valt niet op enige reëel voorstelbare termijn te voorzien.
Door mislukte staten te creëren, heeft het Westen de anarchistische regio’s mogelijk gemaakt waarin IS gedijt. Daar wordt tegen ingebracht dat de Vernietigde Staten wrede dictatoriale regimes waren. Maar het Irak van Saddam Hussein was een seculiere despotische staat, net als het Syrië van Assad. Door de beide regimes omver te werpen, heeft het Westen de krachten van de theocratie ontketend en seculier bestuur in het Midden-Oosten zo goed als onmogelijk gemaakt. Erger is dat het, door te volharden in zijn pogingen Assad ten val te brengen, de kans loopt een ramp te veroorzaken van een schaal die zich niet eerder heeft voorgedaan. Als Assad met geweld zou worden afgezet, zou het Syrische leger waarschijnlijk uiteenvallen en de Syrische staat ophouden te bestaan. Het land zou een anarchistisch killing field worden waar tientallen jihadistische groeperingen om de macht strijden. Gemeenschappen die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van Assads regime, zoals de alevieten, de druzen en de christenen, zouden een reële kans lopen het slachtoffer te worden van genocide, even reëel als die van de jezidi’s in Irak. Het resultaat zou een nog grotere stroom wanhopige mensen richting Europa zijn.
Het Westen blijft zich verzetten tegen samenwerking met Rusland omdat het Vladimir Poetin en zijn cliënt Assad beschouwt als vreselijke tirannen. Vanuit hobbesiaans oogpunt bezien is dat irrelevant. De vraag waar het om draait is wat het grootste kwaad is. Hoe kan de dictatuur van Assad erger zijn dan een sekte die kinderen ontvoert en verkracht, vrouwen vermoordt die te oud worden bevonden om als seksslavin te dienen, homo’s van daken gooit, schrijvers, cartoonisten en joden vermoordt, evenals gehandicapten in rolstoelen, en onvervangbaar cultureel erfgoed met de grond gelijk maakt? Als het waar is dat Assad meer mensen heeft vermoord dan IS, dan komt dat niet doordat de jihadisten niet geprobeerd hebben hem te overtroeven. Naar elke redelijke maatstaf gemeten vormt IS een veel grotere bedreiging voor de wereldvrede dan Assad.
De impact van de aanslagen in Parijs is groot. De droom van Schengen om mensen vrij te laten reizen in een Europees continent zonder grenzen, is een fatale klap toegediend. Het ontbreekt Europese instituties aan de capaciteit om een veiligheidsprobleem van deze omvang aan te pakken. Alleen nationale regeringen beschikken over die macht, en door de controle van hun grenzen op te eisen leggen ze een fundamentele zwakte van de Europese Unie bloot. Velen vinden dat Europese leiders toegeven aan vreemdelingenhaat, terwijl ze juist zouden moeten opkomen voor openheid en menselijkheid.
Vrijheid van verkeer
Maar het is de moeite waard de situatie vanuit hobbesiaans perspectief te bezien. De mensenstroom in toom houden schakelt niet de IS-strijders uit die er al zijn. Sommigen zijn al jaren geleden Europa binnengekomen of in een Europees land geboren en naar oorlogsgebieden afgereisd, waar ze zijn gedrild in terroristische vaardigheden. Hoe het ook zij, onbeteugelde immigratie zoals die van het afgelopen jaar voorkomt niet dat zich veiligheidsrisico’s kunnen voordoen die lijken op die van een oorlog. Als IS-strijders slechts 0,1 procent van de ongeveer miljoen vluchtelingen vormen die Europa tot nu toe binnen zijn gekomen, dan zijn er ongeveer duizend nieuwe risico’s ontstaan. Een handvol mensen kan al voor grote terroristische dreiging zorgen.
De zwakte van de Europese Unie is in dit opzicht een direct resultaat van de vrijheid van verkeer, die een van haar kenmerkende eigenschappen is. Als gebied zonder grenzen kan de Unie de verplaatsing van mensen alleen aan de rand controleren. Maar wanneer de grenzen van Frankrijk in feite in Griekenland liggen, is het praktisch onmogelijk om reizigers in de gaten te houden. In plaats van een overladen superstaat, zoals veel eurosceptici zeggen, is de Europese Unie eerder een pseudostaat, een institutie die aanspraak maakt op de privileges van het staat-zijn, maar niet kan voldoen aan de voornaamste, allesoverheersende behoefte aan veiligheid waarin staten per definitie moeten voorzien. Bovendien heeft deze pseudostaat minstens één semimislukte staat binnen de gelederen. De versplinterde en vleugellamme staat België is een toevluchtsoord voor jihadisten, van waaruit ze aanslagen plegen.
Politici die beweren dat vrijheid en veiligheid niet op gespannen voet met elkaar staan, houden zichzelf en ons voor de ge
Het patroon van de aanslagen dat zich aftekent moet eveneens in aanmerking worden genomen. Onder jihadistische organisaties neemt IS in die zin een unieke positie in dat de groepering blijk heeft gegeven van het vermogen om guerrillatactieken en spectaculaire terreurdaden tot één strategie te smeden. De aanslagen in Parijs waren een reactie op nederlagen in Syrië. Lijdt IS er daar meer van, dan zal de groepering haar campagne van stadsterrorisme in westerse landen nog verder opvoeren.
Strengere veiligheidsmaatregelen kunnen dat niet voorkomen. Verdachten kunnen worden geïdentificeerd en sommige plannen verijdeld, maar er is een grens aan de mogelijkheden wanneer ieder lid van de bevolking doelwit is. Zolang IS blijft bestaan, zullen er aanslagen volgen.
Aangezien de ‘oorlog tegen terreur’ enkele van de voorwaarden heeft geschapen die tot de opkomst van het jihadisme hebben geleid, is het een afschrikwekkend vooruitzicht dat op dit moment verdere militaire actie nodig zou zijn. Maar zelfs al is het Westen bereid om op de een of andere manier op te treden, IS zal niet ten onder gaan zonder nog meer aanslagen op westerse steden te plegen. Dat is de reden waarom de macht van de staat mogelijk moet worden uitgebreid, onder andere met beperkingen van de vrijheid die veel progressieven bij voorbaat in het verkeerde keelgat zullen schieten.
Ook hier is het de moeite waard een hobbesiaans gezichtspunt te overwegen. Het progressieve deel der natie reageert geschokt op voorstellen van de regering om inlichtingendiensten toe te staan gegevens over inwoners te verzamelen. Die reactie is niet geheel onterecht, omdat waarborgen nodig zijn. Toestaan dat veiligheidsdiensten onze e-mailberichten uitpluizen leidt tot verlies van privacy, een belangrijk aspect van vrijheid. Een universele surveillancemaatschappij is geen prettig vooruitzicht. Politici die beweren dat vrijheid en veiligheid niet op gespannen voet met elkaar staan, houden zichzelf en ons voor de gek. Het conflict is even reëel als onvermijdelijk. Wie dergelijke vrijheden onaantastbaar vindt, moet zich afvragen welke prijs hij ervoor wil betalen.
Niet alleen de veiligheid is in het geding als de vrijheid van privacy als onaantastbaar wordt beschouwd. Dat geldt ook voor andere vrijheden. Massaal toezicht is geen oplossing voor de omstandigheden die mensen tot het jihadisme hebben gebracht. Zo is het leven in de banlieues kapotgemaakt door generaties lange verwaarlozing en racisme. En massaal toezicht voorkomt al evenmin toekomstige aanslagen. Aan het filteren van data komt nooit een einde; er zijn vele dreigingen en ze veranderen voortdurend. Toch kan het nuttig zijn om internetverkeer in de gaten houden, en in sommige gevallen is dat zelfs van vitaal belang. Een verbod op het verzamelen van data om de privacy te beschermen is alleen verstandig als je aanvaardt dat andere vrijheden erdoor in gevaar komen. Maar is het ook verstandig de privacy principieel te beschermen als je daardoor de vrijheid om spotprenten te publiceren opgeeft?
Vrijheid is niet ondeelbaar. Politiek is een kwestie van voortdurend keuzes maken tussen vrijheden die gepaard gaan met de alledaagse sleur van samenleven met anderen. Afgezien van de vele voordelen die pluralistische samenlevingen bieden, zijn ze een onveranderlijk gegeven van de moderne tijd. Maar ze werken alleen zolang de staat over de middelen en de bereidheid beschikt om gezamenlijke vrede af te dwingen. Als grote middenpartijen die uitdaging niet aangaan, geven ze ruim baan aan extreem-rechts.
Het gedachtegoed van Thomas Hobbes heeft zijn beperkingen, waarvan sommige relevant zijn voor het huidige tijdsgewricht. Omdat Hobbes geweld beschouwde als een middel tot lijfsbehoud, liet hij buiten beschouwing dat mensen geweld kunnen gebruiken om hun identiteit en hun opvattingen te verdedigen. Omdat hij ervan overtuigd was dat ze voor alles aan hun overleving hechten, dacht hij dat ze hun opvattingen omwille van de lieve vrede terzijde zouden schuiven. ‘De rede voorziet in passende bepalingen voor vrede,’ schreef Hobbes, ‘op grond waarvan mensen tot een overeenkomst kunnen komen.’ De geschiedenis van zijn tijd en die van de onze vertellen een ander verhaal. Veel mensen zijn bereid om te doden en te sterven voor datgene wat hun leven zin geeft.
Apocalyptische mythe
Het is een cliché geworden om de aanvallen van IS te betitelen als nihilistisch, maar ‘nihilisme’ is een begrip dat tegenwoordig niets meer betekent. Het werd oorspronkelijk gebruikt voor negentiende-eeuwse Russische radicalen die de religie afwezen ten gunste van de wetenschap en die terreur propageerden als middel om de mensheid te bevrijden van het juk van het verleden. Sindsdien wordt het woord gebruikt om iemand zonder opvattingen of waarden aan te duiden. Maar in plaats van dat ze nergens in geloven, zijn jihadisten bezeten door het geloof. Hoewel sommige berichten doen vermoeden dat ze mogelijk worden aangespoord door drugs die voor een roes van euforie zorgen, zijn de aanslagen die ze plegen geen willekeurige terreurdaden. Het zijn zetten in een systematische, wrede strategie die in dienst staat van een apocalyptische mythe. IS is bezield door fantasieën over een rampzalige, eindtijdachtige strijd en een universeel kalifaat. Niet voor niets stelt de groepering weinig tot geen concrete eisen.
Hobbes kan ons niet bevrijden uit een situatie waarin we het doelwit zijn geworden van mensen die dood en verderf verheerlijken. Anders dan een niet-aflatende vastberadenheid om onszelf te verdedigen, is er geen oplossing voor dat probleem. Wat Hobbes wel kan doen, is afrekenen met de gemakzuchtige zekerheden en de ijdele hoop van de dominante vrijzinnigheid. De les van de recente aanslagen is dat vreedzaam samenleven niet de standaardtoestand van de moderne mensheid is. We zullen eraan moeten wennen dat de realiteit van een ‘gerieflijk leven’ een hoge prijs vraagt.
Auteur: John Gray
Vertaler: Paul Bruijn
John Nicholas Gray (South Shields, 1948) is een prominente Britse politiek filosoof en schrijver. Hij was hoogleraar European Thought aan de London School of Economics and Political Science.
New Statesman
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 23.900
Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. In de columns en andere opiniërende stukken stelt het blad zich ook open voor andere dan linkse geluiden.
Waarom moest de noodtoestand worden verankerd in de grondwet? Om wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, schampert weekblad Politis.
Momenteel worden er twee artikelen van de grondwetswijziging behandeld door de leden van de Franse Nationale Vergadering, waarvan de verankering van de noodtoestand in de grondwet het belangrijkste is. Maar het debat gaat eigenlijk alleen over artikel 2 van het wetsontwerp: de ontneming van de nationaliteit.
Voorbijgegaan wordt aan artikel 1. Dat dreigt zonder slag of stoot te worden aangenomen. Dit eerste artikel is echter een vlucht naar voren op het gebied van de veiligheid, in aansluiting op de wet op de inlichtingendiensten en de toekomstige wet ‘ter versterking van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de financiering ervan, en met de doeltreffendheid en de waarborgen van de strafrechtelijke procedure’. Over het uit elkaar halen van de behandeling van die onderling samenhangende wetten heeft de regering nog amper uitleg hoeven geven.
Vraag der vragen
Waar dient deze verankering van de noodtoestand in de grondwet toe? Op deze essentiële vraag heeft premier Manuel Valls de commissie wetgeving van het Franse parlement op 27 januari drie antwoorden gegeven:
De eerste reden is van juridische aard. Het gaat er volgens de premier om ‘een onwrikbare grondwettelijke basis te verschaffen aan de noodtoestand’. Deze regeling ‘die wordt toegepast in uitzonderlijke omstandigheden en die het vaakst is toegepast in de Vijfde Republiek’, is de enige die niet is verankerd in de grondwet. Er zou dus juridische leemte worden opgevuld: ‘Vanuit het oogpunt van grondwettelijke jurisprudentie moeten dus alle tijdelijke bevoegdheden die aan de autoriteiten worden verleend in het kader van de noodtoestand kunnen worden gewettigd. Een grondwettelijke basis verschaffen aan de noodtoestand houdt in dat de maatregelen van de administratieve politie als bepaald in de wet van 1955 worden geconsolideerd.’
Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet
Het is in verband met deze leemte dat Manuel Valls op 20 november in de Senaat zei dat het ‘riskant’ zou kunnen zijn om de Grondwettelijke Raad te raadplegen over het wetsontwerp ter verlenging van de noodtoestand en ter aanscherping van de bepalingen ervan.
Met andere woorden: Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet.
Toch is dat argument zeer discutabel. Zoals de groen-linkse parlementariër Sergio Coronado al zei: ‘De Grondwettelijke Raad heeft al in 1985 erkend dat het feit dat de noodtoestand niet in de grondwet is opgenomen de wetgever niet hoeft te beletten hem af te kondigen. Ook heeft de Raad, toen hem de vraag werd gesteld of het huisarrest zoals dat wordt toegestaan door de wet op de noodtoestand van november 2015 in overeenstemming is met de grondwet, dit bevestigd. Bovendien heeft de Raad van State (Conseil d’État) in zijn advies over het voorontwerp van de wet inzake de verlenging van de noodtoestand gesteld, dat de noodtoestand niet in de grondwet hoefde te worden opgenomen. Om vervolgens het tegenovergestelde te stellen in zijn advies over de ontwerp-grondwet die nu werd ingediend. Het leek dus juridisch niet echt noodzakelijk de noodtoestand in de grondwet te verankeren.
De tweede reden is dat de gelegenheid zich voordoet. Manuel Valls stelt dat hij ‘de herziening van de wet van 1955 wil voltooien’. ‘Sommige maatregelen konden niet worden opgenomen in de wet van 20 november om redenen van jurisprudentiële aard,’ zo verklaarde hij tegenover de commissie wetgeving van de Nationale Vergadering, en hij kondigde aan op korte termijn een wetsontwerp te zullen indienen. Wat zou dus nóg een reden kunnen zijn om de noodtoestand in de grondwet te verankeren?
We weten niet wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden
Een gedachtewisseling tussen het parlementslid Alain Chrétien (Les Républicains) en de minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Cazeneuve, tijdens een debat over de noodtoestand en het strafrecht, begin januari, kan wellicht opheldering geven. De afgevaardigde beklaagde zich over het feit dat zijn amendement in november werd verworpen. Dat amendement was erop gericht bij huiszoekingen computerapparatuur in beslag te mogen nemen in plaats van alleen een kopie te maken van de gegevens.
Terloops verzekerde hij dat de voorzitter van de commissie wetgeving, Jean-Jacques Urvoas, die inmiddels is benoemd tot minister van Justitie, had ‘erkend dat dit amendement zeer zinvol geweest zou zijn’.
Hetgeen ook de opvatting was van Cazeneuve in zijn antwoord: ‘Zelf zie ik geen enkele reden om bezwaar te maken tegen een maatregel waarvan ik wel degelijk het nut en het belang inzie (…) De reden dat uw amendement door de regering is verworpen toen u het indiende, was onze overtuiging, op basis van een juridische analyse die volgens mij zeer weloverwogen was, dat het ongrondwettelijk was. Dat wij nu voorstellen de noodtoestand in de grondwet op te nemen is juist om dergelijke amendementen te kunnen aannemen.’
Artikel 36-1
In de ontwerp-grondwet werd na artikel 36 een artikel 36-1 toegevoegd: ‘Artikel 36-1. – De noodtoestand wordt afgekondigd door de ministerraad, op het gehele grondgebied van de Republiek of een deel ervan, hetzij ingeval van een onmiddellijk dreigend gevaar ten gevolge van een ernstige verstoring van de openbare orde, hetzij in geval van gebeurtenissen die door hun aard en hun ernst het karakter van een openbare calamiteit hebben.
De wet stelt de maatregelen van de administratieve politie vast die de civiele autoriteiten kunnen nemen om dit gevaar te voorkomen of deze gebeurtenissen het hoofd te bieden.
Voor verlenging van de noodtoestand voor een periode langer dan twaalf dagen kan alleen bij wet toestemming worden verleend. In de wet wordt de duur vastgesteld.’
Doel van de opneming van de noodtoestand in de grondwet is dus wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, door de grondwet te veranderen. En dat komt neer op vervanging van de rechtstaat door het recht van de staat.
De duur van de noodtoestand wordt niet beperkt
Dan de laatste reden die door Manuel Valls werd genoemd: het zou erom gaan ‘te voorkomen dat de noodtoestand wordt gebanaliseerd of dat er overmatig gebruik van wordt gemaakt’. Een lofwaardig streven, waar je echter om drie redenen een vraagteken bij kunt zetten.
In de eerste plaats: het feit dat de noodtoestand wordt ‘afgekondigd’ in de ministerraad, impliceert niet dat de ministers debatteren over de vraag of het wel zinvol is. Sommige parlementariërs, onder wie de nieuwe voorzitter van de commissie wetgeving, Dominique Raimbourg, hadden er de voorkeur aan gegeven ‘te schrijven dat er over de noodtoestand wordt “besloten”, een term die lijkt te bevorderen dat er collectief over wordt beraadslaagd.’
In de tweede plaats omdat de duur van de noodtoestand in het wetsvoorstel van de regering niet wordt beperkt. Toen hij hierop werd aangesproken toonde Manuel Valls – die recentelijk tegenover de BBC had verklaard dat ‘de noodtoestand moet worden verlengd totdat we zijn verlost van IS’ – zich niet bereid in te stemmen met amendementen die de verlenging van de noodtoestand door parlementariërs – tot bijvoorbeeld vier maanden – zouden beperken. De premier zag er een beperking van de prerogatieven van het parlement in, dat zich niet zou kunnen aanpassen aan bepaalde maatschappelijke crises.
Delicaat
Ten derde kun je alleen maar ongerust zijn wanneer je Manuel Valls tegen onze volksvertegenwoordigers hoort zeggen dat het ‘delicaat’ zou zijn in de grondwet te verbieden dat het parlement wordt ontbonden tijdens de noodtoestand, een voorzorgsmaatregel waarop met name wordt aangedrongen door Roger-Gérard Schwartzenberg (PRG) en Jean-Christophe Lagarde (UDI).
Tegen hen voerde de premier zelfs een argument aan dat wijlen [de zeer rechtse oud-minister] Charles Pasqua niet verworpen zou hebben: als de noodtoestand in mei en juni 1968 was afgekondigd, had generaal De Gaulle dan de Nationale Vergadering kunnen ontbinden? Waarop de voorzitter van de UDI antwoordde: ‘Het punt is dat we niet weten wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden.’
Dat is inderdaad de hele vraag van de verankering van de noodtoestand in de grondwet. In dit geval hadden de afgevaardigden en senatoren er goed aan gedaan het voorzorgsbeginsel toe te passen.
Politis Frankrijk, weekblad, oplage 30.000
Links weekblad, opgericht in 1988 en het eerste Franse tijdschrift met een vaste rubriek Ecologie.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.