Tag: Marías

  • Shakespeare leeft

    Shakespeare leeft

    Javier Marías, gelauwerd schrijver van deze tijd, is openlijk schatplichtig aan het werk van Shakespeare. Het ontmoedigt hem niet om ‘de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis’ binnen te stappen. Het is één grote inspiratiebron. El País vroeg hem naar zijn verhouding met de oude meester.

    Ik ken talloze auteurs die in hun jonge jaren – toen ze misschien alleen nog maar lezers waren – 
de allergrootste schrijvers lazen en 
zich daarna nooit meer aan hun werk waagden. Deels begrijp ik dat: je wordt moedeloos, bang of zelfs gedeprimeerd als je de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis binnenstapt. ‘Als dit bestaat’, zeg je dan tegen jezelf (ik als eerste), ‘wat voor zin heeft het dan dat ik vellen volschrijf met mijn flauwekul? Zo’n grote hoogte of zoveel diepgang ligt niet alleen buiten mijn bereik, eigenlijk is het onnodig om hier nog een letter aan toe te voegen. Bijna alles is al gezegd, en ook nog eens op de best mogelijke manier.’

    Dat verklaart waarom er schrijvers zijn die, om niet kopje onder te gaan en om de kracht 
te vinden om maanden of jaren achter de computer of schrijfmachine te gaan zitten, moeten doen alsof Cervantes, Dante, Proust, Faulkner, Montaigne, Conrad, Hölderin, Flaubert, James, 
Dickens, Baudelaire, Eliot, Melville, Rilke en ongetwijfeld nog vele anderen nooit hebben bestaan. Het laatste wat in hen opkomt, is hun teksten weer gaan lezen, althans niet als ze aan het werk zijn, want de gedachte die daar vaak uit voortvloeit is: Ik kan er beter het zwijgen toe doen en de overbelaste drukpersen niet met nog een literair werk opzadelen: er zijn er al te veel, 
en het overgrote deel is overbodig. Het is zeer waarschijnlijk dat dit ook voor mijn werken geldt.

    Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels

    Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels; en gelooft u me, er is geen romanschrijver of dichter, behalve wanneer ze een enorm hoge dunk van zichzelf hebben – ze bestaan, echt waar –, die daar voor, tijdens of na het schrijven geen last van heeft.

    Superioriteit

    Met het oog op deze wijdverbreide schroom verbaast het misschien enigszins – wie weet hebben ze me daarom gevraagd om dit stuk te schrijven – dat ik, min of meer een schrijver van deze tijd, voortdurend in contact sta (‘in gesprek ben’ zou pretentieus klinken) met Shakespeare, de ontzagwekkendste van allemaal, zozeer zelfs dat ik hem vaak in mijn teksten citeer, parafraseer, bespreek. Ik heb veel aan hem te danken, zeven van mijn boektitels zijn Shakespeare-citaten of ‘bewerkte versies’ daarvan.

    Niet dat die ontmoedigende bewondering me vreemd is, die angstaanjagende verbijstering die de allergrootste schrijvers bij je teweegbrengen, in wier nabijheid je je een illusionist of een ijdeltuit voelt. We leven in een tijd waarin ontzag voor je tijdgenoten haast niet voorkomt, want 
de oude, als ik me niet vergis middeleeuwse spreuk ‘iedereen is gelijk’ doet meer dan ooit opgeld. Welk gebied het ook betreft (met uitzondering van de sport), overal is het gebruikelijk om iemands ‘superioriteit’ niet te erkennen.

    shakespeare first folio title page introduction

    Het is nu nauwelijks voorstelbaar dat iemand zou reageren als de verteller in Der Untergeher van Thomas Bernard, die zijn pianistenloopbaan eraan geeft wanneer Glenn Gould zijn pad kruist, omdat hij beseft dat hij, hoe vakkundig hij ook zou worden, nimmer in de buurt zou komen van het talent en de virtuositeit van de Canadese vertolker. Een hedendaagse kunstenaar moet zijn bewondering voor zijn tijdgenoten de kop indrukken – of in elk geval verzwijgen –, en al helemaal wanneer het landgenoten betreft of wanneer ze in zijn taal schrijven. Het gaat zelfs zover dat we voor ons zelfbehoud ook onze doden in diskrediet moeten brengen – wat zijn ze irritant, wat zijn ze lastig, hoe klein maken ze ons, hoezeer benadrukken ze onze tekortkomingen en middelmatigheid –, of ze in elk geval negeren en uiteraard uit de weg gaan. Nogal wat auteurs verkondigen tegenwoordig dat ze nauwelijks iets hebben gelezen – ze vinden het de moeite niet – en dat film, televisie, stripboeken of videospelletjes hun enige referentiekader is. Het taaltalent dat je mogelijk hebt, is niet in het geding als je niet weet wat anderen met taal voor elkaar hebben gekregen.

    Mysterie

    Ik neem zonder meer aan dat in deze laffe, benepen wereld mijn houding anachronistisch is. Ik lees Shakespeare vaak omdat hij een vruchtbare bron voor me is, een schrijver die me prikkelt. In plaats van mij te ontmoedigen, nodigen zijn grootsheid en mysterie me uit om te schrijven, ze stimuleren me, geven me zelfs ideeën; de ideeën die hij alleen maar schetste en liet liggen, die hij slechts suggereerde of terloops formuleerde en besloot niet verder uit te denken of te onderzoeken. Ideeën die er niet met zoveel woorden staan en waarnaar je ‘op zoek moet gaan’. Daarom had ik het over mysterie: Shakespeare heeft, naast een hoop andere, één merkwaardige eigenschap: als je hem leest of naar hem luistert, begrijp je hem zonder al te veel inspanning, of anders dwingt de betovering waarmee hij ons omhult wel om verder te lezen. Maar kijk je nauwkeuriger of analyseer je de zinnen die je in eerste instantie meende te begrijpen, dan merk je dat je ze niet altijd begrijpt, dat ze raadselachtig zijn, dat ze meer betekenen dan ze zeggen, dat ze, behalve 
te zeggen wat ze zeggen, een nevel van betekenissen en mogelijkheden, resonanties en echo’s, ambiguïteiten en contradicties achterlaten; dat ze meer behelzen dan de woorden die er staan.

    In mijn romans heb ik voorbeelden gegeven: ‘It is the cause, it is the cause, my soul’. Zo begint Othello zijn beroemde monoloog alvorens hij Desdemona om het leven brengt. De lezer of toeschouwer leest of hoort deze woorden keer op keer en begrijpt ze. Maar wat betekenen ze verdorie toch? Othello zegt niet ‘She is the cause’ of ‘This is the cause’, wat duidelijker en makkelijker te begrijpen is. Of wanneer Macbeth te horen krijgt dat Lady Macbeth dood is en hij murmelt: ‘She should have died hereafter’. Wat betekent die beroemde zin, als alles reddeloos verloren is en Macbeth meteen daarna zal sterven? Maar ook Lady Macbeth, haar handen besmeurd met het bloed van de door haar man vermoorde koning Duncan, draait zich om naar Duncan en zegt: ‘My hands are of your colour; but I shame to wear a heart so white’ Het is niet helemaal te begrijpen wat ‘white’ hier betekent: onschuldig en onbezoedeld, bleek en geschrokken, of bang? Hoe graag zij ook Macbeths lot wil delen door haar handen in bloed te drenken, feit is dat niet zij de moordenares is, of dat ze hoogstens tot moorden heeft aangesticht, aangezet of verleid. Alleen haar echtgenoot heeft zijn hart werkelijk bezoedeld.

    Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen

    Het zijn voorbeelden waar ik me vroeger van heb bediend. Maar er zijn nog honderden andere. ‘That I was as great as is my grief, or lesser than my name! Or that I could forget what I have been, or not remember what I must be now!’, zegt Richard II op het dieptepunt in zijn leven. Shakespeares verhalen zijn zelden origineel, zelden door hem bedacht. Dat bewijst maar weer eens hoe ondergeschikt plots zijn en hoe belangrijk vorm is. Het is zijn taal, zijn stijl 
die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen. Hij wijst naar verborgen paden die hij niet grondig heeft verkend en verleidt ons daar op avontuur te gaan. Misschien is hij daarom de levendigste klassieke schrijver, die onophoudelijk wordt bewerkt en opgevoerd; die zweeft boven immense films en series als The Lord of the Rings, The Sopranos, The Godfather of Game of Thrones, of, minder prominent, House 
of Cards. Aan hem durven we ons wel 
te wagen. Niet alleen ik natuurlijk, al 
is er in mijn geval geen sprake van ook maar de minste verhulling. Of andere schrijvers het nu willen toegeven of niet: Shakespeare is en blijft de schrijver die het meest door onze aderen stroomt en de grootste inspirator is van ons gestamel.

    Auteur: Javier Marías
    Vertaler: Henriëtte Arons

    Javier Marías (Madrid, 1951) geldt al jarenlang als serieuze kandidaat voor de Nobelprijs.
    Zijn werk, vertaald in drieënveertig talen, is veelvuldig bekroond met nationale en internationale prijzen. Hij schreef onder meer Allerzielen, Een hart zo blank, De verliefden en Zo begint het slechte. Zijn drieluik Jouw gezicht morgen verschijnt in juni bij uitgeverij Meulenhoff.
    Hij schrijft wekelijks een column voor El País.

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • Deze verkiezingen zouden anders zijn

    Deze verkiezingen zouden anders zijn

    De uitslag van de Spaanse verkiezingen bevestigt de complexe situatie waarin de politiek zich bevindt. Een met alleen maar ijdele winnaars die zich een mandaat toe-eigenen, volgens schrijver Javier Marías.

    Ik schrijf dit nog geen week na de verkiezingen in Spanje van 20 december, en weet daarom niet hoe de zaken ervoor staan wanneer deze column wordt gelezen. Of er is meer duidelijkheid en de partijen zijn er min of meer uit wie er mag gaan regeren, of we kunnen over een paar maanden een oproep verwachten om opnieuw naar de stembus te gaan. Zo kort na de verkiezingen bespeur ik echter al een fenomeen waar ik niet van opkijk, maar dat ik wel zorgelijk vind: veel mensen hebben een beetje of een heleboel spijt van de stem die ze na veel wikken en wegen hebben uitgebracht. Verwacht had ik dat wel, en wel hierom: volgens de peilingen waren er vlak voor 20 december zo’n 40 procent zwevende kiezers, en velen maakten de ene week een keuze om daar de volgende week weer op terug te komen. Vreemd is het niet dat je, nadat je hebt gestemd omdat dat nu eenmaal moet op die ene dag, blijft twijfelen, van mening verandert en het betreurt dat je uiteindelijk dan toch maar het stembiljet hebt ingevuld. Ik reken mezelf tot de halve spijtoptanten, al weet ik niet op wie ik zou stemmen als ik op mijn schreden kon terugkeren. (Niet stemmen of blanco stemmen heb ik altijd de slechtst mogelijke oplossing gevonden: dan beslissen anderen voor jou.)

    Meeblazen

    Naast wat vanzelfsprekend en te verwachten was – de niet-aflatende twijfel nadat je hebt gestemd – heeft zich volgens mij een diepe teleurstelling meester gemaakt van het land. Deze verkiezingen zouden anders zijn, zo hoopte men. Voor het eerst in tientallen jaren zouden er meer dan twee partijen zijn die konden rekenen op een verkiezingszege of in elk geval op genoeg stemmen om een stevig partijtje mee te blazen bij het vormen van een regering. Er zouden ‘frisse winden waaien’, zoals nooit eerder was gebeurd. Maar alle partijen reageerden zoals we gewend zijn, maar dan nog erger, en de nieuwkomers deden daarin niet onder voor de oude garde. 
Zoals te doen gebruikelijk gaf bijna niemand toe dat hij verloren had en trok niemand dan toch op zijn minst het boetekleed aan; iedereen probeerde zo goed mogelijk voor de dag 
te komen om zonder gezichtsverlies zijn wonden te kunnen likken, hoezeer hij de waarheid daarbij ook geweld moest aandoen. Deze keer zijn 
de partijen nog een stapje verder gegaan: bijna allemaal hebben ze zich uitgeroepen tot onherroepelijke winnaar en vonden hun lijsttrekkers dat ze in de positie waren om eisen te kunnen stellen. Patent hierop heeft de antisysteempartij CUP, die zich sinds de regionale verkiezingen in Catalonië in september deze houding aanmeet (uiteraard met de kruiperige zegen van Mas, Junqueras, Romeva en Forcadell). Met maar tien zetels doen ze alsof zij de dienst uitmaken (deels omdat het eerder genoemde gezelschap hun dat mogelijk heeft gemaakt). Als je ondemocratisch bent en de boel chanteert vind je vanzelf navolging, dat heeft Podemos duidelijk laten zien. Hun ijdele leider Pablo Iglesias wist niet hoe gauw hij voorwaarden moest stellen aan de rest toen niemand hem nog had uitgenodigd om samen te gaan werken. Maar zo ook Pedro Sánchez van de PSOE en, in mindere mate, Albert Rivera van Ciudadanos en niet te vergeten Mariano Rajoy, op wie het meest is gestemd. Misschien is het die hooghartige en irreële opstelling waardoor veel kiezers spijt hebben gekregen. Is er dan niemand bij machte te beseffen wat zijn werkelijke positie is? Ligt de oorzaak wellicht in de regionale ‘volksraadpleging’ in Catalonië van nog maar 
een paar maanden geleden: als je bij 47 procent van de stemmen zonder blikken of blozen victorie kraait, waarom zou je dat dan niet doen als je 20 procent haalt? Als ze het pikken, waarom dan niet? En verbazingwekkend genoeg pikken en slikken ze hier de grootste onwaarschijnlijkheden, de flagrantste ontkenningen van wat de cijfers en de werkelijkheid laten zien.

    Wie zich op het ‘mandaat’ beroept, laat alleen maar blijken dat hij ‘sans gêne’ zal regeren

    De Catalaanse politici zijn ook de eersten geweest die een woord hebben gebruikt en misbruikt dat onze politiek niet kende, en dat een ieder die het gebruikt ontmaskert als gevaarlijk 
en autoritair. Het gaat om het woord ‘mandaat’. We hebben een duidelijk 
en democratisch mandaat gekregen, 
zo herhaalden Mas, Junqueras & co eindeloos, daarbij doelend op die 47 procent die allesbehalve evident 
en democratisch was. En zie, het 
verachtelijke woord ligt nu op ieders lippen, met name op die van Pablo Iglesias en Pedro Sánchez. En van 
wie krijgen ze dat ‘mandaat’? Van het volk natuurlijk, dat alles rechtvaardigt. Juist bij democratische verkiezingen zijn er geen homogene ‘mandaten’ – een bij uitstek dictatoriale en angstaanjagende term. Mensen stemmen meestal op het minst slechte, niet meer en niet minder. Met gematigd enthousiasme, met gespleten ziel en met pijn in het hart. Instemmend met sommige maatregelen en niet met andere, van zins om de gekozen politici goed in de gaten te houden. Het gebruik van het woord is een botte manier om jezelf de vrije hand te geven en te zeggen: wat wij willen doen, daarvoor heeft het volk ons mandaat gegeven; wij zijn slechts het instrument van een hogere wil waaraan wij gehoor moeten geven; daarom doen we waar we zin in hebben, want in feite voeren wij alleen maar de opdracht uit van de meerderheid of van onze eigen minderheid (de enige die ertoe doet), wat kan het schelen. CUP en Podemos zijn nog erger: het 
zijn massavergadertijgers die om de haverklap referenda willen houden (uiteraard met de media erbij), om dat mandaat keer op keer te bestendigen en te claimen. Je vraagt je af waarom 
ze dan eigenlijk willen regeren, want regeren heeft altijd betekend: beslissingen nemen – die soms, mocht dat nodig zijn, impopulair zijn – en er meer visie op nahouden dan de gewone burger, die je niet onophoudelijk kunt ‘raadplegen’. Laat hierover geen misverstand bestaan: wie zich op het ‘mandaat’ beroept, laat alleen maar blijken dat hij ‘sans gêne’ zal regeren, zoals oud-premier Aznar graag zei als hij ‘zonder scrupules’ bedoelde, oftewel naar eigen goeddunken en willekeur.

    Auteur: Javier Marías

    Javier Marías (Spanje, 1951) is de belangrijkste Spaanse schrijver van zijn generatie. 
Hij won ontelbare literaire prijzen en wordt alom gezien als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur.

    El País
    Spanje | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.