Tag: martelen

  • Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Kwaliteit produceren is niet voldoende. Je moet je ook aanpassen aan je markt, zegt de Japanse hoogleraar Technische Wetenschappen Yotaro Hatamura. Het tijdperk van Japan als technologische grootmacht lijkt ten einde.

    De industriële grootmacht Japan schudt al een tijdje op zijn grondvesten. Elektronicareuzen als Sony en Sharp kampen met financiële problemen en de halfgeleiderssector, kort geleden nog de trots van het land, wordt overvleugeld door zijn Zuid-Koreaanse en Chinese concurrenten. Wat is de oorzaak van dit debacle? Die vraag stelden we aan Yotaro Hatamura, emeritus hoogleraar Technische Wetenschappen aan de Universiteit van Tokio en verdediger van de theorie dat men door schade en schande wijs wordt.

    Na de Tweede Wereldoorlog voerde de Japanse industrie een verbeten strijd om haar achterstand op het Westen in te lopen en het vervolgens te overtroeven. Deze inspanningen hebben bijgedragen aan de economische ontwikkeling van het land; de groei bereikte zijn hoogtepunt in de jaren tachtig. Toen het technologische en kwalitatieve niveau van Japanse producten erkenning begon te vinden in het buitenland, ging de archipel er prat op een ‘technologische grootmacht’ te zijn. Maar sindsdien is de financiële situatie van de Japanse bedrijven danig verslechterd, vooral als gevolg van de prijsdaling die is veroorzaakt door de Chinese en Zuid-Koreaanse massaproductie.

    Hoe kan aan deze problemen het hoofd worden geboden? Yotaro Hatamura heeft een zeer originele kijk op deze vraag. Volgens hem kan de periode van zeventig jaar sinds 1945 worden verdeeld in twee grote tijdvakken: vijftig jaar wonderen en twintig jaar getalm. ‘Zoals schepen zich ’s nachts op hun bestemming oriënteren aan de hand van vuurtorens, hebben de Japanse ondernemingen een hoog technologisch niveau bereikt door zich op het Westen te oriënteren en alles in het werk te stellen om hun achterstand in te halen. Dat was hun bestaansreden.’ Maar nadat ze hun doel hadden bereikt, hebben ze het laten afweten. ‘De Japanse bedrijven hadden naar hun eigen bestaansredenen moeten zoeken, maar ze hebben zichzelf alleen maar gefeliciteerd.’

    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons
    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons

    Als voorbeeld noemt Hatamura de halfgeleiders. In de jaren tachtig voldeed meer dan 95 procent van de Japanse productie aan de kwaliteitsnormen, terwijl het Zuid-Koreaanse Samsung bleef steken op tussen de 60 en 70 procent. De Japanse fabrikanten staken de draak met hun Zuid-Koreaanse collega’s, die volgens hen alleen maar ‘rotzooi’ produceerden. Maar door tegen lage kosten te produceren is Samsung erin geslaagd grote hoeveelheden halfgeleiders af te zetten, waardoor het nieuwe apparatuur kon aanschaffen en daarmee de kwantiteit en de kwaliteit van zijn productie kon verbeteren, totdat het uiteindelijk de Japanse markten veroverde.

    Ongeluk

    Hatamura komt met een boodschap om de Japanse industrie te stimuleren: ‘Japan moet de illusie laten varen dat het een technologische grootmacht is.’ Dat dit nodig is werd hem duidelijk toen hij de commissie voorzat die het ongeluk in Fukushima onderzocht. Tot zijn grote verbazing bleken de verantwoordelijken voor de kerncentrale niet te weten in welke staat de brandstof in de reactoren verkeerde. Er waren diverse programma’s om die te analyseren en de resultaten daarvan spraken elkaar tegen. Bovendien waren alle programma’s van Amerikaanse makelij. ‘Met andere woorden, de Japanse centrales worden gerund door mensen die nooit rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van een ongeluk,’ aldus Hatamura. In principe moet er na een nucleair ongeluk een reconstructie plaatsvinden om er zeker van te zijn dat de uitkomsten van het gesimuleerde analyseprogramma corresponderen met de verschijnselen die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. De onderzoekscommissie had om zo’n reconstructie gevraagd, maar die werd te kostbaar bevonden.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren’

    Desondanks willen de regering en de zakenwereld de reactoren weer opstarten en hebben ze zelfs de ambitie die te exporteren. ‘Dat is ontoelaatbaar,’ zegt Hatamura met stemverheffing, en hij veroordeelt het weer opstarten van een van de reactoren op het eiland Kyushu. ‘Hoewel de eerste regel die in een nieuw reglementeringsprogramma zou moeten worden opgenomen het bestaan van een evacuatieplan voor de bevolking zou moeten zijn, is daarin niet voorzien. De regering en de elektriciteitsbedrijven zeggen “lessen te hebben getrokken uit Fukushima”, maar volgens mij hebben ze er alleen de lessen uit getrokken die ze wilden trekken.’ Volgens deze verdediger van het principe dat men door schade en schande wijs moet worden is er sprake van schrijnende onverschilligheid.

    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Als het eenmaal de illusie heeft laten varen dat het een technologische grootmacht is, wat voor toekomst heeft Japan dan nog in dit tijdperk van globalisering? Volgens Hatamura moeten de Japanse bedrijven zich ervan bewust worden dat er verschillende waarden bestaan, en drie regels in acht nemen die ook zijn eigen credo vormen: zich ter plaatse begeven, het werkelijke terrein verkennen en vervolgens in contact treden met de plaatselijke bevolking en in alle openheid met hen discussiëren. Op die manier zullen ze producten kunnen ontwikkelen die zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, met andere woorden, zullen ze de plaatselijke waarden leren begrijpen – en dat is volgens de emeritus hoogleraar de sleutel tot succes.

    Waarden

    Hatamura wijst erop dat sommige Japanse bedrijven deze drie regels inmiddels in praktijk beginnen te brengen. Zo is Nissan in China een succesvolle joint venture aangegaan met een plaatselijk bedrijf dat kleine motoren inbouwt in luxe automodellen. Veel Chinezen die hun auto als een statussymbool zien, hebben voor hetzelfde geld liever een luxueus model dan een model met goede prestaties.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren,’ aldus Hatamura. ‘In werkelijkheid zouden fabrikanten moeten proberen te beantwoorden aan de consumentenverwachtingen op het gebied van kwaliteit, prijs, ontwerp, functies, gebruiksgemak en -plezier, garantie enzovoort. Als Japan in de problemen is gekomen door de wereldwijde concurrentie, dan is het omdat het onvoldoende rekening heeft gehouden met de waarden van de lokale bevolkingen.’

    Kan men zich om die reden tevredenstellen met het verkopen van hoogwaardige technologie aan het buitenland? In 2013 leverde de East Japan Railway Company (JR East) 180 wagons van een oude serie aan Indonesië, samen met de technische ondersteuning die nodig was om het materieel te onderhouden. Het jaar daarop leverde het bedrijf er nog eens 170. De technische ondersteuning waarin het contract voorzag omvatte onderhoud, exploitatie en garantie. De afgelopen jaren was Japan ook in de strijd met China voor de aanleg van een hogesnelheidslijn in Indonesië [Jakarta heeft de opdracht op 4 september aan China gegund]. Het contract met JR East toont aan dat het niet voldoende is om de nieuwste modellen van de hogesnelheidstrein Shikansen te verkopen, maar dat je ook moet beseffen dat er gewoon behoefte kan zijn aan een regionaal netwerk, vooral als daar te weinig materieel voor is.

    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Volgens Hatamura moet Japan in staat zijn om in te spelen op de behoeften van zijn partners, ook al zijn die laatste zich daar misschien nog niet van bewust. ‘JR East verkoopt niet alleen treinstellen van een oude serie, het verkoopt ook spoorwegvoorzieningen. Door een land bekend te maken met je eigen manier van opereren draag je ook bij aan de ontwikkeling van dat land. Daarmee verzeker je je niet alleen van een markt, maar ook van plaatselijke waardering. En je kunt je manifesteren in landen waar je aanwezigheid onontbeerlijk is.’

    Niemand heeft een kant-en-klaarrecept om uit de industriële impasse te geraken. Maar om nieuwe waarden te kunnen kweken zal Japan zich allereerst moeten ontdoen van zijn trots als industriële grootmacht die, zoals we hebben gezien, alleen maar een illusie is.

    Indicatoren halfstok

    ‘Volgens recent gepubliceerde gegevens gunt de Japanse economie premier Abe nog geen rust in dit moeilijke jaar’, onthult The Economist. ‘Het bbp van Japan is in het tweede trimester met 1,2 procent gedaald, waar het eerste trimester nog een groei te zien gaf. Voor het derde trimester wordt gevreesd. De industriële productie is in augustus verder gedaald, wat op een mogelijke recessie duidt’, aldus het Britse weekblad. Toch toont premier Shinzo Abe zich optimistisch; hij mikt zelfs op een toename van het bbp met 22 procent tot 600 miljard yen [4500 miljard euro], overigens zonder aan te geven hoe hij dat wil bereiken en op welke termijn. De vertrouwensindex van de grote industriële bedrijven is in september met 3 procent gedaald.

    Auteur: Takashi Ishitsuka
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan, dagblad, oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)
    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.