Tag: Maung Sawyeddollah

  • De duistere kant van Facebook

    De duistere kant van Facebook

    Vanuit het vluchtelingenkamp in Cox’s Bazar in Bangladesh, waar meer dan 1 miljoen Rohingya-vluchtelingen uit Myanmar samengepakt zitten, voert Maung Sawyeddollah een strijd voor de erkenning dat Facebook verantwoordelijkheid draagt voor het ontketenen, zes jaar geleden, van de tegen zijn volk gerichte etnische zuivering.

    MAUNG SAWYEDDOLLAH, WIE IS HIJ?

    Deze 22-jarige Rohingyavluchteling is met zijn familie Myanmar ontvlucht in 2017 om te ontsnappen aan de etnische zuivering die tegen de islamitische minderheid van de Rohingya werd uitgevoerd door de veiligheidstroepen van de staat. Sindsdien leeft hij in het vluchtelingenkamp in Cox’s Bazar en eist rechtvaardigheid voor zijn gemeenschap. Hij verlangt met name een schadevergoeding van één miljoen dollar van Meta, het moederbedrijf van Facebook, dat hij beschuldigt van het publiceren van posts die opriepen tot haat tegen de moslimbevolking. Tot op heden is Meta niet ingegaan op deze eis. Facebook ‘is niet direct verplicht tot filantropische acties’, antwoordt het bedrijf.

    Wat eist Amnesty?
    De erkenning dat het bedrijf heeft bijgedragen aan de wreedheden die in Myanmar zijn begaan en toekenning van effectieve schadevergoedingen aan Maung Sawyeddollah en de betreffende Rohingya-gemeenschap.


    Toen ik een kind was, was er geen sprake van collectief geweld in Arakan,’ herinnert Maung Sawyeddollah zich in een recent forumgesprek, gepubliceerd op de website van Al Jazeera. ‘Wij hadden geen grote problemen met onze buren, terwijl wij islamitische Rohingya’s waren en zij boeddhistische Arakanezen.’ Arakan, gelegen in het westen van Myanmar, langs de grens met Bangladesh, is een regio met een gemengde bevolking; in de loop van de geschiedenis hebben de boeddhistische dorpen, waar de Arakanezen wonen, hun land steeds meer gedeeld met de islamitische Rohingya die uit het westen kwamen.

    ‘Zeker,’ vervolgt Maung Sawyeddollah, ‘de geschiedenis van de spanningen tussen de Rohingyagemeenschap en de Arakanezen in Myanmar gaat ver terug, maar in mijn persoonlijke ervaring was er geen sprake van dagelijkse vijandigheid op grote schaal tussen onze volken. Totdat de mobiele telefoons, en Facebook, in ons leven kwamen.’

    Commercieel buitenkansje

    Na meer dan veertig jaar onafgebroken dictatuur is Myanmar vanaf 2011 begonnen aan een transitie naar een democratischer bestuur. Terwijl het land steeds afgesloten was gebleven van het internet, explodeerde het aantal gebruikers in enkele jaren, en de mobiele telefoon was daarvoor verantwoordelijk. Facebook zag een commercieel buitenkansje en overspoelde de markt met goedkope abonnementen die de gebruikers dwongen om via het Californische platform het internet op te gaan. Die manoeuvre was een enorm succes. Zozeer dat het een monster creëerde: ‘Sinds 2012, toen ik pas elf was, begrijp ik dat Facebook een werktuig van haat kan zijn,’ herinnert Maung zich. ‘De hatelijke uitingen tegen mijn volk in de posts werden toen schering en inslag.’

    De dingen ontwikkelden zich razendsnel. In een onderzoek merkte The New York Times op hoe vanaf 2016 ‘de militairen de grote invloed van Facebook in Myanmar hebben geëxploiteerd. Het gebruik ervan is daar zo wijdverbreid dat het grootste deel van de 18 miljoen internetters in het land het socialemediaplatform uit Silicon Valley duidelijk verwarden met het internet.’

    En met de waarheid, want in die tijd werd Facebook overspoeld met ongeverifieerde informatie – een boeddhistische vrouw verkracht door een moslim, de onthulling van een Rohingyaplan voor een staatsgreep… Allemaal valse berichten, maar dat maakte niet uit. Hoe buitensporiger de berichten, hoe meer likes ze kregen en commentaren ze uitlokten… Evenals reclameopbrengsten voor Facebook.

    ‘Ze beweerden dat die berichten “geen inbreuk maakten op de normen van de Facebookcommunity”’

    Maung heeft toen naar Facebook geschreven om te melden dat valse informatie en berichten die tot moord opriepen massaal circuleerden. ‘Maar de verantwoordelijken hebben niets gedaan, ze beweerden dat die berichten “geen inbreuk maakten op de normen van de Facebookcommunity”. Niet lang daarna is het moorden begonnen.’ Massaslachtingen, systematisch seksueel geweld, in brand gestoken dorpen… De VN moesten snel besluiten te spreken over ‘elementen van genocide’ om de storm van geweld te beschrijven die losbarstte in augustus 2017 en die meer dan 700.000 Rohingya-dorpelingen op de vlucht dreef, over de grens met Bangladesh heen.

    De onderzoeker Azeem Ibrahim heeft onlangs voor de website van Arab News beschreven welke mechanismen er werkzaam waren: ‘De algoritmes en de aanbevelingssystemen van Facebook hebben de anti-Rohingya-propaganda verergerd door verdeeldheid zaaiende en ophitsende content te vermenigvuldigen, en zo bijgedragen aan de escalatie van het geweld en de ontheemding van honderdduizenden Rohingya.’

    Op dit moment voert Maung Sawyeddollah actie om schadevergoeding te vragen van Meta, dat inmiddels het moederbedrijf van Facebook is. Tegenover dat verzoek verschuilt de Californische gigant zich achter het idee dat het niet meer is dan een ‘doorgeefluik’, een neutraal platform dat niet verantwoordelijk is voor de door haar gebruikers gedeelde content.

    Publieke discours

    Een volkomen onhoudbaar argument, oordeelt Ibrahim: ‘Door systemen te ontwerpen die de aandacht en de betrokkenheid van gebruikers maximaliseren, zonder een adequate regulering, heeft Meta een aanzienlijke macht en invloed uitgeoefend op het publieke discours en het moet dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor de consequenties van haar handelen in kwetsbare gemeenschappen.’

    ‘Meneer Zuckerberg [de baas van Meta] kan degenen die het leven hebben verloren niet terugbrengen,’ concludeert Maung Sawyeddollah. ‘Maar hij kan wel de opleiding van jonge mensen zoals ik in Cox’s Bazar financieren en ons helpen om een betere toekomst op te bouwen. Gezien de vooroordelen die zijn bedrijf over mijn volk heeft verspreid, is dat werkelijk het minste dat hij kan doen.’