Tag: May

  • May, kijk eens naar 
het Noorse model

    May, kijk eens naar 
het Noorse model

    In Downing Street wordt steeds vaker gekeken naar het Noorse model, nu het er (vooralsnog) naar uitziet dat premier Theresa May haar deal niet door het Lagerhuis zal krijgen.

    Ruim twintig jaar geleden werd Noorwegen verscheurd door een referendum dat de 
uitslag van de brexit weerspiegelt: 52 procent van de kiezers wees het lidmaatschap van de Europese Unie af. Bedrijven, politieke partijen en zelfs hele gezinnen werden in twee kampen verdeeld: 
een dat vond dat overheersing door Brussel een 
gruwel was en een dat graag deel uitmaakte van het succesverhaal van het naoorlogse West-Europa.

    ‘We besloten tot een nationaal compromis dat beide kampen als plan B hadden,’ zegt Espen Barth Eide, parlementslid van de Noorse arbeiderspartij en 
voormalig minister van Buitenlandse Zaken. 
‘Destijds zei iedereen in het [pro-Europese] ja-kamp dat het beter was dan niets, terwijl het nee-kamp zei dat het beter was dan een volledig EU-lidmaatschap.’

    Dat compromis hield in dat Noorwegen buiten de 
EU bleef, maar wel deel zou blijven uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER), een club rijke landen die toegang hebben tot de markt van de EU. De prijs: ze moeten voldoen aan de meeste EU-regels, waaronder vrij verkeer van personen en goederen. Noorwegen draagt bovendien een forse 670 miljoen euro bij aan de Europese begroting. Als Groot-
Brittannië het voorbeeld van Noorwegen zou volgen, zou het de EU naar rato een bedrag van 2,7 miljard euro betalen.

    Industrieën die van nationaal belang zijn voor 
Noorwegen, zoals landbouw en visserij, vallen niet onder de regeling. En omdat het land geen deel 
uitmaakt van de douane-unie, kan het vrijhandelsovereenkomsten met landen buiten Europa sluiten. Het betekent wel dat er wordt gecontroleerd aan de grens met EU-lidstaat Zweden, met ingewikkelde regels voor de herkomst van personen en producten. Zoiets zou onverenigbaar zijn met de Britse wens 
in de Brexit-onderhandelingen om een harde grens met Ierland te voorkomen.

    Lobbyisten en ‘wetsuitvoerders’

    Juridische kwesties worden afgehandeld door het 
hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), dat in de meeste gevallen EU-jurisprudentie volgt, maar onafhankelijk opereert van het Europese Hof van
 Justitie. Dat ‘EER/EVA-tweezuilenmodel’, in het 
Verenigd Koninkrijk bekend als het ‘Noorse model’, 
is in Londen steeds vaker onderwerp van discussie, nu Labour en het Hogerhuis er bij de regering op aandringen een oplossing voor de brexit te vinden die de impasse met Brussel doorbreekt.

    Critici zeggen dat het EER/EVA-lidmaatschap de kernleden – Noorwegen, Liechtenstein en IJsland – louter tot lobbyisten en ‘wetsuitvoerders’ reduceert, die hun tijd verdoen 
in de schaduw van de macht in plaats van zelf aan tafel te zitten. Maar Eide zegt dat de regeling Noorwegen sinds het referendum van 1994 tot een 
eenheid heeft gesmeed en het land 
tot een Scandinavisch succesverhaal heeft gemaakt. ‘Ik zou het zo weer 
verdedigen en verwacht dat we het zo zullen blijven doen.’

    ‘Als Groot-Brittannië een betere deal krijgt, dan willen wij die ook’

    Buiten Oslo neemt de onvrede over 
het EER-model echter toe. Een reeks controversiële EU-wetten op het gebied van bankieren, de bescherming van data en energie heeft geleid tot een roep om de banden met het EER-blok door te snijden. Helle Hagenau, een belangrijk lid van de 23.000 man sterke pressiegroep ‘Nee tegen de EU’ slaat haar ogen ten hemel als ze de uitspraak krijgt voorgelegd dat de EER 
de Noorse soevereiniteit intact laat. ‘Flauwekul. Onze soevereiniteit wordt bijna elke dag ondermijnd. We zijn 
in de val gelopen,’ zegt de geharde euroscepticus, die in 1994 het anti-
EU-kamp aanvoerde.

    Hoewel er zorgen bestonden dat migratie naar de EU de lonen en de werkomstandigheden zou aantasten, benadrukt Hagenau dat soevereiniteit voor de meeste Noren een veel belangrijker punt was. ‘De EER is totaal ondemocratisch,’ zegt ze. ‘Je mag niet één wet voorstellen, alleen maar ja of nee zeggen. Er wordt telkens gezegd dat het belangrijk is om aan tafel te zitten. Nou, wij staan op de gang. We houden de Brexit-onderhandelingen nauwlettend in de gaten, want als Groot-Brittannië een betere deal krijgt, dan willen wij die ook.’

    De Noorse bedrijven, die meer dan 80 procent van hun goederen naar de interne markt van de EU exporteren, kijken er heel anders tegenaan. Wat 
Tore Myhre betreft, hoofd internationale betrekkingen van de NHO, Noorwegens grootste handelsorganisatie, is minder soevereiniteit een prima prijs voor een bloeiende economie die zich mag verheugen 
in hoge lonen, een hoge levensstandaard en lage werkloosheid.

    ‘De EER-regeling is een enorm succes en van groot belang voor Noorse bedrijven,’ aldus Myhre. Volgens hem is er, anders dan bij de brexit-aanhangers, weinig animo voor vrijhandelsovereenkomsten buiten Europa, want de EU-standaard los-laten zou Noorwegens substantieel grotere aandeel in de EU-markt op het spel zetten. ‘Wij willen die hoge EU-standaard en gaan daar niet aan tornen met andere vrijhandelsovereenkomsten. Daarom zullen we nooit zo’n overeenkomst met de VS sluiten.’

    De Noorse premier Erna Solberg (l) zit naast 
de Britse premier Theresa May in de Noorse parlementszaal in Oslo, waar May eind oktober was uitgenodigd voor een congres ter bevordering van de samenwerking tussen 
de noorderlanden en hun buren. – © H
    De Noorse premier Erna Solberg (l) zit naast 
de Britse premier Theresa May in de Noorse parlementszaal in Oslo, waar May eind oktober was uitgenodigd voor een congres ter bevordering van de samenwerking tussen 
de noorderlanden en hun buren. – © H

    Myhre verwerpt de bewering van Nee tegen de EU 
dat de EER Noorwegen tot een vazalstaat heeft gedegradeerd. ‘Het is juist goed dat de EER Noorwegen 
het recht geeft zich al vroeg met het werk van de Europese Commissie te bemoeien. Daardoor hebben we invloed op de wetgeving en kunnen we belangrijke kwesties aan de Commissie voorleggen.’ Eide heeft als voormalig minister van Buitenlandse Zaken veel ervaring in het kruisen van de degens met de eurocraten en is het daarmee eens. ‘Tot op zekere hoogte voeren we onze eigen strijd,’ zegt hij. ‘Als het om citrusfruit gaat, kan de EU doen wat ze wil, want dat raakt ons niet. Maar gaat het om gas, dan willen we meepraten. Dan moeten we snel en slim opereren en aan het begin van de onderhandelingen beter beslagen ten ijs komen dan de andere partij.’

    EER-leden hebben het recht elke EU-richtlijn die ze niet bevalt af te wijzen, maar Noorwegen heeft dat nooit gedaan. Het zou anders het risico lopen de toegang tot de EU-markt te verliezen. Zou het Verenigd Koninkrijk lid worden van de EER en ruzie krijgen over bijvoorbeeld een bankenrichtlijn, dan zou 
afwijzing daarvan betekenen dat het land belangrijke voordelen zou verspelen, zoals het recht om diensten en producten in de EU te verkopen. In 2011 weigerde Noorwegen bijna een Europese richtlijn voor de 
postdienst, maar een nieuwe regering kwam op het standpunt terug.

    Het betekent allemaal dat onbekend is wat de 
gevolgen zijn van verzet tegen EU-wetgeving, en 
dat maakt de Noorse overheid argwanend over toetreding van Groot-Brittannië tot de EER. ‘De vraag is of je een olifant als Boris Johnson in de porseleinkast van de EER wilt,’ zegt Nick Sitter, hoogleraar aan de Norwegian Business School. ‘Het zou de katalysator voor een crisis kunnen zijn.’

    De verschillen tussen Groot-Brittannië en Noorwegen gaan verder dan hun houding tegenover Europese integratie. Migratie vanuit de EU naar Noorwegen is hoog, vooral vanuit Oost-Europa. In 2017 woonden 
er 97.000 Polen en 37.000 Litouwers in het land. Maar anders dan het Verenigd Koninkrijk is Noor-wegen er niet op gebrand de migratie terug te 
dringen. Als gevolg van het lage geboortecijfer van het land zijn er talloze banen te vervullen, vooral in de dienstensector.

    ‘Er bestaat geen echte antipathie tegen Polen en Litouwers,’ zegt Eide. ‘De Noren verzetten zich tegen de invloed die ze op de arbeidsmarkt uitoefenen, 
niet tegen hun aanwezigheid zelf.’ De overheid 
probeert illegale werknemers uit te bannen met een ID-kaartensysteem voor risicovolle sectoren, zoals 
de bouw.

    Vrij verkeer

    Intussen stelt een hoog minimumloon in bepaalde sectoren, zoals 197 Noorse kronen (ruim 16 euro) voor bouwvakkers, vakbonden gerust die zich zorgen maakten over goedkope arbeid. Sommige gastarbeiders in Noorwegen sturen hun toeslagen naar Oost-Europa, maar de overheid maakt zich daar niet druk om, omdat het gaat om een relatief laag bedrag.

    In theorie kan Noorwegen gebruikmaken van een vrij onbekende juridische bepaling in het EER-verdrag die het vrije verkeer van werknemers beperkt, iets wat de warme belangstelling heeft van de vele voorstanders van een ‘zachte Brexit’.

    Maar Ulf Sverdrup, directeur van het NUPI (Norwegian Institute of International Affairs), betwijfelt of Noorwegen dan wel Groot-Brittannië zich erop zal kunnen beroepen. ‘Die clausule is voor uitzonderlijke omstandigheden en er wordt nauwelijks gebruik van gemaakt,’ zegt hij. Alleen Lichtenstein heeft een keer een beroep gedaan op deze zogeheten noodremclausule, met als argument dat de 37.000 inwoners de massale immigratie niet aankonden. Volgens Sverdrup heeft Noorwegen helemaal niet de behoefte om een einde te maken aan het vrije personenverkeer, zelfs al zou dat mogen.

    ‘Migratie is hier iets 
positiefs. Buitenlandse werknemers kwamen toen de economie de pan 
uitrees en hebben de kansen voor bedrijven vergroot, terwijl de overheid toezicht houdt op de arbeidsmarkt en optreedt tegen sociale dumping.’ Eide wijst erop dat EER-leden binnen het EU-beleid van vrij verkeer zelf invloed op de arbeidsmarkt kunnen uitoefenen zolang ze zich aan de regels houden. ‘Er is best ruimte,’ zegt hij. 
‘Je kunt de wetgeving letterlijk nemen, zeggen dat het gaat om vrij verkeer 
van arbeid en niet van personen, en iemand uitzetten als hij niet binnen drie maanden een baan heeft gevonden en zichzelf financieel niet kan bedruipen.’

    Bijna een kwart eeuw nadat Noorwegen ervoor koos om zich bij de EER aan te sluiten, zou een krappe meerderheid in het land volgens recente peilingen vóór het behoud van de EER-regeling stemmen, mocht daar morgen een referendum over worden gehouden. Dat cijfer lijkt te wijzen op een duurzaam draagvlak. Maar Nee tegen de 
EU gelooft dat wanneer de Brexitonderhandelingen Groot-Brittannië een betere deal zouden opleveren, een Noorse meerderheid voor uittreding uit de EER zou zijn, iets wat Brexit-onderhandelaar Michel Barnier en 
zijn team in Brussel niet is ontgaan.

    ‘De politieke elite wil niets liever 
dan dat we tot de EU toetreden,’ zegt Morten Harper, onderzoeksleider van Nee tegen de EU. ‘Er is een gebrek aan democratie. Tot nu toe heeft de EU 11.000 wetsartikelen aangenomen, maar er zitten er elk jaar een paar 
tussen die we niet zouden hebben gekozen als we het zelf voor het zeggen hadden.’ En met een waarschuwing aan het adres van Groot-Brittannië vergelijkt hij het Noorse model met een kaasschaaf, die de nationale 
wetgeving plakje voor plakje uitholt. ‘Eén plakje is zo erg nog niet. Maar als je alles wegsnijdt, kun je net zo goed 
in de EU blijven.’

    The Daily Telegraph
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | 
oplage 840.000

    Anti-Europees tot op het bot, 
strijdlustig en imagobewust, 
kortom: het conservatieve dagblad van Engeland op broadsheet.

  • Samaritaan Stormzy

    Samaritaan Stormzy

    Van Paul McCartney moest hij zijn kop dicht houden en luisteren. De ‘goat’ – greatest of all time – leerde de Britse rapper drie akkoorden, bruikbaar bij elk willekeurig nummer. Fenomenaal. Maar Stormzy heeft veel meer in zijn mars.

    De meeste mensen die in Stormzy’s lommerrijke straat wonen, hebben geen idee dat de rapper daar ook een huis heeft. Er staat een hek omheen en hij is nogal op zichzelf. Een van de kamers wordt geheel in beslag genomen door een speciaal voor Stormzy gemaakte pokertafel. En wat nog wel het meest in het oog springt, is de glazen vitrinekast vol prijzen: van de zes Mobo’s tot de prestigieuze Ivor Novello die hij kreeg voor zijn debuutalbum, Gang Signs & Prayer. De twee Brit Awards die hij in februari in ontvangst heeft genomen, waaronder die voor beste mannelijke soloartiest, staan waarschijnlijk ergens anders.

    We nemen plaats in de lounge en zijn vriendin Maya Jama, de tv-presentatrice, laat ons alleen. Ik zie pizzadozen en ik hoor piepjes van de magnetron – hier wonen duidelijk jonge mensen. Hij is vijfentwintig, zij vierentwintig. Stormzy’s stem galmt door een kale kamer die nog ingericht moet worden en terwijl hij het geluid van MTV op de reusachtige televisie dimt, zie ik in de gauwigheid een boek over dieren, een boek over Alex Ferguson en de Bijbel.

    Stormzy [1993] is een indrukwekkende verschijning, met zijn 1 meter 96. Vandaag draagt hij streetwear, met een petje, dat hij steeds op- en afzet, en een sigaret achter zijn oor. Hij is een geweldenaar die kan terugkijken op een hectisch jaar, dat voor de helft in het teken stond van muziek en voor de helft in het teken van filantropie. Op een bepaald moment vertelt hij heel gedreven over zijn plannen om jonge zwarte Britten te helpen, terwijl op MTV twee danseressen met hun billen schudden, aan weerszijden van zijn hoofd. Het is surrealistisch, en het is de enige keer dat ik even ben afgeleid van ons gesprek.

    Want wauw, zodra Stormzy – wiens echte naam Michael Omari luidt – begint te praten, vergeet hij bijna adem te halen. De woorden vliegen je om de oren. Hij is een rapper, dus zo gek is dat natuurlijk ook weer niet. Terwijl zijn zinnen over elkaar buitelen, buigt hij steeds naar voren, is hij met zijn volle aandacht bij het gesprek. Het is intens, als een 
Mastermind-finale, maar dan eentje waarbij hij zichzelf net zoveel vragen stelt als ik.

    We beginnen met een vrolijk onderwerp: Paul McCartney. Afgelopen zomer waren we allebei aanwezig bij een gig van de Beatle in de Abbey Road Studios. ‘Sick,’ zegt hij (voor niet-ingewijden: dat betekent ‘te gek’). Toen ik Paul McCartney een dag na het optreden sprak, zei hij dat hij Stormzy piano had leren spelen. Dus ik vraag de leerling hoe de ontmoeting met de meester hem is bevallen.

    OG

    ‘Ik vond het wel wat, hoor, om advies te krijgen van een van de echt groten – ik kan nog heel wat leren van een OG [original gangster] zoals hij,’ zegt Stormzy. ‘Ik weet heel goed dat je als rapper een bepaald stigma hebt, dus heb ik gezegd dat ik songwriter ben. “Kunt u me iets leren?” Hij liep naar de piano en het enige wat ik dacht was: Kop dicht en luisteren. Wat hij me leerde was fenomenaal. Hij zei: “Gebruik deze drie akkoorden, voor willekeurig welk nummer.” En ik had iets van “Krijg 
nou wat!”’

    We kijken elkaar glimlachend aan. Het was me de gig wel. Stormzy noemt McCartney ‘goat’ – greatest of all time. Terwijl McCartney de gelederen aanvoert binnen de popmuziek is Stormzy nu al goat binnen zijn eigen domein: grime, de snelle, Britse rapstijl. Hij heeft er een vermogen mee verdiend. Maar hij ontleent zijn status niet alleen aan zijn muziek, aan het feit dat hij rap een nieuw aanzien heeft weten te geven door met behulp van r&b en gospel de grenzen van het genre open te breken; hij heeft met name veel respect vergaard doordat hij zich de laatste tijd op het pad van de filantropie begeeft.

    Om te beginnen heeft hij laten weten dat hij zwarte studenten gaat steunen om een studie aan Cambridge te voltooien. Ten tweede heeft hij #Merky Books opgezet, een imprint van Penguin, om op zoek te gaan naar nieuw schrijftalent, voornamelijk jong en zwart. Zijn autobiografische Rise Up zal de eerste titel van Merky zijn. Stormzy’s belangstelling voor de uitgeefwereld is ingegeven door het feit dat hij in zijn jeugd geen zwarte schrijvers kende, behalve Malorie Blackman en Benjamin Zephaniah.

    Een paar jaar geleden ontmoette hij Jude Yawson, van wie hij online enkele essays had gelezen. Yawson, die uit hetzelfde deel van Zuid-Londen komt als Stormzy, maakte een verpletterende indruk op hem. Maar op de vraag of hij zijn passie als werk beschouwde, antwoordde Yawson dat dat voor mensen zoals hij niet gebruikelijk was. ‘Het was alsof de bliksem insloeg,’ zegt Stormzy. Hij vroeg Yawson mee te schrijven aan Rise Up. ‘Waarom zou je geen schrijver kunnen zijn die wordt uitgegeven? Waarom zou dat zo raar zijn? Overal in Engeland worden heel veel jonge zwarten geconfronteerd met een structurele, psychologische valse noot – ik noem het een valse noot omdat het een valstrik is.’

    Wie heeft die valstrik dan gezet, wil ik weten. ‘De wereld. Door alles wat er over ons wordt uitgestort, krijgen zwarte jongeren het idee dat er geen einddoel is. Velen weten niet dat je premier kan worden, of ingenieur. Dat is mensen echt niet duidelijk, want ze zien geen zwarten op die posities. Maar er is zonder meer een verandering gaande. Daar spelen acteurs duidelijk een rol bij – John Boyega, Daniel Kaluuya, Letitia Wright. Die vonk is ongekend krachtig, als je kijkt naar wat dat betekent voor de gemeenschap. Misschien realiseren mensen zich nog niet helemaal hoe sterk dat doorwerkt.’

    Alles grijpt in elkaar. Stormzy en Corbyn; Stormzy en May. Stormzy bij Labour Live

    Bestaat het gevaar dat mensen zullen proberen hem te imiteren? ‘Entertainment is maar één ding. We kunnen ook ingenieur worden, of arts – er is een 
heel spectrum. Dat moeten we allemaal uitdragen. We moeten het beeld zien te keren.’ Kunnen er dan ook #Merky-scholen komen? ‘Zeker weten.’ #Merky-ruimtevaart? ‘Ja! Het kan allemaal. Het lijkt me geweldig als mensen #Merky als platform gaan gebruiken. Echt sick.

    Waar ik trots op ben, ook qua muziek, zijn de dingen die ik voor vrienden of familie heb gedaan, dus stel je voor dat over drie jaar, na de Stormzy-beurzen, zo’n jongere doorpakt en een Nobelprijs voor de vrede krijgt. Dat is sicker dan alle shit die andere mensen doen.’ Hij lacht breed, met stralend witte tanden, eentje zilver. Hij is enthousiast, opgetogen. Het werkt aanstekelijk. Heeft hij zelf een rolmodel gehad? Hij denkt even na, zegt dingen als: ‘Nee, gek genoeg, nee.’ Hij glimlacht, laat vele antwoorden door zijn drukke hoofd gaan.

    Hij trommelt met zijn vingers op tafel. ‘Op een gekke manier – en ik ben huiverig om het 
te zeggen omdat het zo’n cliché is – voelt het alsof 
dit zo heeft moeten zijn. Het klinkt heel kumbaya en vrede op aarde en alles, maar ik weet gewoon wat voor muziek ik wil maken. Maar dan ben je heel erg met jezelf bezig. Dus ja, de volgende stap is dat je moet begrijpen waar je vandaan komt. En dat is lastiger voor mijn zwarte broeders en zusters. Dus dan gaat het erom dat ik iets doe met mijn succes, hè? 
Als het publiek iemand op een podium plaatst, dan…’

    Hij verontschuldigt zich. Zijn gedachten schieten een andere kant op, wat geregeld gebeurt – naar iets wat zijdelings met het onderwerp te maken heeft. Hij maakt zich heel druk over hoe hij overkomt. ‘Jezus man,’ zegt hij luidkeels lachend, ‘ik klink alsof ik de weldoener van het jaar wil worden. Maar als ik iemand zag met tien miljoen, dacht ik altijd al – wat ga je met dat geld dóén? Serieus, man.’

    Grime

    Grime is ontstaan in de arme delen van Londen en 
de teksten gaan over het harde bestaan op straat en over gefnuikte levens – een wereld die de rappers van binnenuit kennen. Het zijn het soort gewelddadige teksten die leiden tot makkelijke verontwaardiging over steekincidenten, zonder dat er voldoende maatregelen worden genomen om de problemen aan te pakken waaraan die lyrics zijn ontsproten. In Rise Up schrijft Yawson over een leraar die zijn leerlingen vertelt wat ze moeten doen als er iemand wordt neergestoken. ‘Ik heb moeite met de mentaliteit die wij allemaal hadden,’ schrijft hij. ‘We namen genoegen met minder.’ Stormzy heeft de keren dat hij werd neergestoken afgedaan als niet meer dan een ‘momentopname’ in zijn verhaal.

    Ja, beaam ik, er moet iets worden gedaan aan de opvatting dat het normaal zou zijn om een mes bij 
je te hebben. Stormzy knikt, en begint weer over de valse noot. Hij is het ‘honderd procent’ met me eens, zegt hij, maar hij moet erkennen dat hij zelf pas inzag dat er ook een andere manier van leven was toen hij buiten zijn gemeenschap trad om een projectmanagementopleiding te gaan volgen in de 
Midlands.

    ‘Het was in Tipton,’ zegt hij onverwacht. ‘Daar waren we naartoe gegaan om het werk te doen van de mensen die we moesten managen, lassers, en er zaten zeventien witte kinderen in het lokaal. Op een dag zetten we onze veiligheidshelm af. Ik had een litteken op mijn hoofd, en iemand zegt: “Wat is er gebeurd?” Waarop ik zeg: “O, ik ben gestoken.” Ik zal het nooit vergeten. 
Ik liet het zien: “Ik ben hier gestoken, en daar, en daar…”’ Hij wijst drie verschillende plekken op zijn lijf aan. ‘Ze keken me vol afgrijzen aan – en op dat moment begon het me te dagen. Het 
is gestoord, waar ik vandaan kom. Natuurlijk is het schokkend dat ik ben gestoken. Natuurlijk zou dat niet normaal mogen zijn.’

    Hij pakt zijn iPhone en zegt dat er elk moment een vriend kan bellen om te vertellen dat er iemand dood is. ‘We leven in een verwrongen beeld van de realiteit, en dat is niet onze schuld. 
Het is niet onze schuld,’ zegt hij, met nog meer vuur dan anders. In Rise Up schrijft hij dat de overheid het laat afweten. Hoezo? ‘Tja, hoezo?’ antwoordt hij laconiek, met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Geloof me, voor ons is die shit allemaal moeilijker. We moeten van alles en nog wat ontmantelen. Het is echt wel een strijd. Wat moet gebeuren, moet gebeuren.’

    Stormzy kreeg bekendheid in alle lagen van de bevolking toen hij rapte: ‘Theresa May, waar blijft het geld voor Grenfell?’ Dat veroorzaakte zo veel ophef dat de premier zich gedwongen zag zichzelf te verdedigen – wat duidelijk maakt hoeveel invloed Stormzy heeft. Was hij blij dat May reageerde? ‘Het liet me koud,’ zegt hij, op een toon die deels somber is en deels gelaten. ‘Het gaat om de resultaten, hè?’

    Een paar jaar eerder had Stormzy gezegd dat hij een bewonderaar was van Jeremy Corbyn, wat leidde tot de tenenkrommende #Grime4Corbyn hashtag en een handvol ongemakkelijke fotomomenten. Maar in Rise Up zegt Akua Agyemfra, de manager van de band: ‘Waarom zou Stormzy het gezicht moeten worden van een politieke beweging?’ Dat brengt mij er weer toe hem te vragen waarom hij dat níét zou willen. Wat volgt zijn met zorg gekozen woorden.

    ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’ Een citaat uit Jeremia 29:11 hangt naast de wc van Michael Omari  (Stormzy). – © HH
    ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’ Een citaat uit Jeremia 29:11 hangt naast de wc van Michael Omari (Stormzy). – © HH

    ‘Weet je wat het is met al dat gedoe?’ begint hij. Corbyn, May enzovoort? ‘Yeah. Weet je, black culture is een heel ernstige zaak, dus ik moet verstandig zijn, want mijn woorden kunnen invloed hebben. Wat ik zeg en hoe 
dat wordt gebruikt – daar heb ik geen invloed op. Alles grijpt in elkaar. Stormzy en Corbyn; Stormzy en May. Stormzy bij Labour Live. Weet je wat er is gebeurd? Ik ben heus niet zo stoer dat ik niet zou durven toegeven dat ik op het gebied van politiek misschien soms wat naïef ben.’

    Is hij nu voorzichtiger? ‘Reken maar.’ Maar in Rise Up schrijft hij dat hij het als zijn verantwoordelijkheid ziet om zich uit te spreken. Met welk doel? Zou hij zich, bijvoorbeeld, moeten uitspreken over de brexit? Daar geeft hij niet direct antwoord op. In plaats daarvan zegt hij, heel stellig: ‘Als ik heel eerlijk ben, zijn er veel dingen die me geen fuck interesseren.’ Dan dwaalt hij af, volgen zijn gedachten een zijspoor, om even later weer bij het onderwerp zelf uit te komen, af te dwalen, weer terug te keren.

    Politiek krachtenveld

    ‘Goed,’ zegt hij plompverloren, alsof het een toverwoord is om zijn onstuimige hoofd tot rust te brengen. ‘Ik kijk er op verschillende manieren tegen aan. Maar ik begrijp inmiddels ook wel dat als je op het podium staat, je er niet aan ontkomt te worden meegetrokken in een politiek krachtenveld. Je kunt niet ‘Corbyn’ scanderen en dan verbaasd zijn dat je met hem in verband wordt gebracht. Dat is naïef, Stormz. Maar goed, aan de andere kant, als ik eerlijk ben – en het klinkt misschien kinderachtig – kan het me niets schelen hoe mensen het interpreteren.

    Dus als ik zeg: ‘Yo, waar blijft het geld voor Grenfell?’, dan kan het me niet schelen wat jullie daar allemaal van maken, zoals “Stormzy vs. May” of zo. Het zal allemaal wel. Jullie doen maar. Het gaat mij om dat ene, en dat mogen mensen naïef vinden, maar nu geldt meer dan ooit dat ik het net zozeer mijn taak vind om me bepaalde dingen aan te trekken, als om me er geen reet van aan te trekken.’

    We zitten nu al meer dan een uur te praten, over de meest uiteenlopende zaken, zoals de vraag of hij gestopt is met Twitter vanwege de negatieve pers die Jama kreeg door zijn oude tweets (‘Nee, ik heb mijn account gedeactiveerd om me op mijn muziek te richten’), en over die andere belangrijke aanwezigheid in zijn leven: God. ‘God is me genadig geweest,’ zegt hij. Voelt hij zich uitverkoren? ‘Nee. We zijn allemaal uitverkoren.’

    Ondertussen zegt hij over zijn nieuwe album, de opvolger van Gang Signs & Prayer, dat gepland staat voor 2019, dat het een ‘krankzinnige mengeling van van alles en nog wat’ wordt. Naarmate de uren wegtikken en het buiten begint te schemeren, geeft de rapper, die in zichzelf gelooft zonder zelfingenomen te zijn, zich iets meer bloot. Hij wordt introspectief. Ineens lijkt hij misschien niet echt angstig, maar dan toch op zijn minst bezorgd. Het is het enige moment waarop hij lijkt samen te vallen met zijn absurd jonge leeftijd – iemand die meedoet aan een dictee en als de dood is om in de fout te gaan.

    Een zware last

    Stormzy haalt zijn vingers door zijn haar. Petje op, petje af. Het enige licht lijkt afkomstig van MTV, dat nog altijd aanstaat. ‘Al die dingen waarmee ik in verband word gebracht,’ begint hij, terwijl de wereld om ons heen steeds kleiner lijkt te worden. ‘Het is een dubbel gevoel, want ik weet dat ik een bepaalde rol op me heb genomen, en ik ben er klaar voor. Maar ik moet me ook nog heel erg ontwikkelen als mens.

    Ik heb mijn tekortkomingen. En al werk ik daaraan, vijf, zes van de zeven dagen per week, er zijn ook dagen waarop je als mens ook 
niet alles kunt. Op sommige dagen denk ik fuck 
de media. Maar op andere dagen heb ik iets van: “Stormz, we leven in een rare wereld, en de mensen hebben podia nodig.” Ik weet dat dit mijn zegen en mijn kracht is, maar het is een zware last.’ Er staat een taxi voor, dus ik ga nog snel even naar de wc, waar hij een ingelijste cd heeft hangen van zijn rap op een single van Little Mix, plus een citaat uit Jeremia 29:11: ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’

    We huggen zo’n beetje als ik wegga, en ik moet lachen dat deze zo uitgesproken, indrukwekkende man, kan worden gekenschetst door een bezoekje aan zijn wc, waar hij een muziekaward naast een Bijbelcitaat over hoop heeft hangen. Vlak voor ik de deur uit loop, stelt hij nog een retorische vraag: ‘Weet je wat het is?’ Ik zwijg en hij gaat verder. ‘Ik weet wat me te doen staat, maar tegelijkertijd weet je dat je een mens bent, en kwetsbaar. Ik moet gewoon nog een heleboel uitzoeken, denk ik.’

    Auteur: Jonathan Dean

    The Sunday Times
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | 
oplage 1.300.000

    In 1864 opgericht en* in 1981 opgekocht door mediamagnaat Rupert Murdoch,* die o.a. ook The Times bezit. Staat bekend om zijn goede research, bijlagen en bijdragen van populaire auteurs. Schotland en Ierland kennen een eigen editie.

  • Brexit breekt de Britten op

    Brexit breekt de Britten op

    Theresa May heeft nog vier maanden om een deal uit de Brexit-onderhandelingen te slepen waar de Britten achter staan. Dat lijkt een schier onmogelijke taak te worden. De Leave-stemmers willen iets wat niet kan, en de oppositie weigert met alternatieven te komen.

    Dus eindelijk hebben de onderhandelingen over de Brexit tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie een overeenkomst opgeleverd [die op 25 november is getekend door de 27 resterende Europese lidstaten]. Het is een compromis dat in de verste verte niet tegemoetkomt aan de hoge verwachtingen van juni 2016, toen de Britten ervoor kozen uit de EU te stappen. Het zal Groot-Brittannië lange tijd binden aan de douane-unie en de interne markt van de EU. Niks roemrijke vlucht naar de onafhankelijkheid: Groot-Brittannië wordt een satelliet die rondjes draait om de planeet Europa en moet gehoorzamen aan wetten waarover het niets te zeggen heeft.

    Het is een oefening in schadebeperking, geen moedige breuk met het recente verleden. Maar de vraag is of het Britse politieke stelsel met deze minst kwade uitkomst kan leven. Theresa May heeft de overeenkomst aan haar kabinet voorgelegd en zal er in Westminster een parlementaire meerderheid voor moeten zien te vinden. Zal het verdeelde politieke establishment een manier vinden om dit complexe, ambigue en teleurstellende noodzakelijke kwaad te slikken? Tot nu toe wijst niets erop dat het gemakkelijk zal worden.

    Achtbaanrit

    Lady Bracknell uit The Importance of Being Ernest van Oscar Wilde ging nog net niet zover om te zeggen dat het een kwestie van pech is wanneer een regering haar verstand verliest, maar dat het op slordigheid begint te lijken wanneer dat ook voor de oppositie geldt. Ze zou daar echter rotsvast van overtuigd zijn geweest als ze de Brexit zou hebben meegemaakt. De Brexit-route die de Britse regering tot nu toe heeft afgelegd, doet denken aan een achtbaanrit: op elke uitzinnige vlaag van optimisme volgt een ijzingwekkend steile afdaling naar de wanhoop.

    Het is gemakkelijk om May en haar bitter verdeelde Conservative Party er de schuld van te geven dat met nog maar vier maanden te gaan een deal is gesloten waarvan nog lang niet zeker is of die doorgaat. Gemakkelijk omdat het volledig terecht is: de Tories hebben hun land in de grootste crisis na de Tweede Wereldoorlog gestort en lijken niet in staat tot geloofwaardig, coherent en collectief leiderschap.

    Maar wat de crisis nog erger maakt, is dat het ontbreekt aan wat je normaal gesproken in een parlementaire democratie zou verwachten: dat de belangrijkste oppositiepartij een helder alternatief biedt voor de falende, zwabberende regering. De leden van Labour zijn in overgrote meerderheid tegen de Brexit: in september wees een peiling uit dat 86 procent een tweede referendum wil.

    In een recent, groot onderzoek van Channel 4 News zei 75 procent van de Labour-achterban de nauwe banden van het Koninkrijk met de EU te willen behouden. Uit onderzoek blijkt dat in het oude, industriële thuisland van de partij, waar arbeiders zich in 2016 krachtig uitspraken vóór de Brexit, de opinie verschuift in de richting van een nieuw referendum.
    Maar Labour-leider Jeremy Corbyn zei vorige week tegen de Duitse krant Der Spiegel dat Artikel 50 (de in maart 2017 door May aangehaalde bepaling in het Europese Verdrag op grond waarvan een lidstaat de Unie mag verlaten) onherroepelijk is en dat zijn partij ‘moet proberen te begrijpen waarom mensen voor een vertrek hebben gestemd’.

    Hij werd bijna onmiddellijk tegengesproken door zijn woordvoerder Buitenland, Emily Thornberry, en zijn woordvoerder Brexit, Keir Starmer, die allebei volhielden dat een tweede referendum nog steeds mogelijk is. De breuklijn binnen de partij is intussen even duidelijk zichtbaar als die binnen de Tories.

    Welk lid wil de verantwoordelijkheden en de kosten van een lidmaatschap voor zijn rekening nemen als de faciliteiten gratis toegankelijk zijn voor niet-leden?

    Labour wordt net als de Tories bijeengehouden door niet veel meer dan een fantasie. Officieel luidt het standpunt van de partij dat ze de Brexit steunt, maar zich zal verzetten tegen elke deal met de EU die niet ‘precies dezelfde voordelen oplevert als we op dit moment als lid van de interne markt en de douane-unie hebben’. Dat is óf zeer misleidend óf – en waarschijnlijker – een leugen. De EU kan een niet-lidstaat niet ‘precies dezelfde voordelen’ geven als de leden.

    In dat geval zou ze ophouden te bestaan. Welk lid wil de verantwoordelijkheden en de kosten van een lidmaatschap voor zijn rekening nemen als de faciliteiten gratis toegankelijk zijn voor niet-leden? De Labour-leiding weet dat ongetwijfeld ook, maar houdt de illusie in stand om met twee monden te kunnen spreken: de Brexit steunen, maar May veroordelen omdat ze er niet in is geslaagd een resultaat uit de onderhandeling te slepen dat praktisch onmogelijk is.

    Dus wat is hier aan de hand? Uit het recente onderzoek van Channel 4, het grootste in zijn soort sinds het Brexit-referendum, blijkt dat het Verenigd Koninkrijk er op dit moment met een meerderheid van 54 tegen 46 procent voor zou hebben gestemd om binnen de EU te blijven. Daaruit blijkt op zijn minst dat een groot aantal kiezers tegen de Brexit is, gezien de eis dat elke deal die de onderhandelingen (al dan niet) opleveren aan het volk moet worden voorgelegd. Hoe is het mogelijk dat het Britse politieke stelsel niet in staat lijkt de burgers in tijden van een nationale crisis duidelijke alternatieven te bieden?

    Je zou dat aan slecht leiderschap kunnen wijten, en daarvan is er meer dan genoeg. Maar er is veel meer aan de hand. Het grote probleem is openheid. Om twee belangrijke kwesties – allebei pijlers onder de Brexit – wordt met een grote boog heen gelopen. Ze blijven onbesproken omdat het dé grote tegenstellingen binnen de crisis zijn. De EU heeft bij herhaling haar frustratie laten blijken over het onvermogen van de Britten om precies te verwoorden wat ze willen.

    Maar het gaat hier niet om een kwestie van slecht onderhandelen. De technocraten van de Britse regering kunnen niet precies zeggen wat ze willen, omdat ze niet het achterste van hun tong willen laten zien. Achter de Brexit gaan twee kwesties schuil die niet bij naam mogen worden genoemd.

    In Noord-Ierland loopt een student langs een anti-Brexit-billboard. De grens tussen de Republiek Ierland en Noord-Ierland is een heet hangijzer in de onderhandelingen. – © Getty Images
    In Noord-Ierland loopt een student langs een anti-Brexit-billboard. De grens tussen de Republiek Ierland en Noord-Ierland is een heet hangijzer in de onderhandelingen. – © Getty Images

    De Brexit wordt treffend samengevat in de briljante slogan van de Leave-campagne van 2016, Take back control [‘Pak de zeggenschap terug’]. Die ís zo briljant omdat hij soepel langs twee bijzonder ongemakkelijke vragen manoeuvreert: wat houdt ‘zeggenschap’ eigenlijk in? En wie zou die moeten krijgen?

    Een ander woord voor ‘zeggenschap’ is ‘wetgeving’. De fundamentele aantrekkingskracht van de Brexit is dat de Britten zich daarmee bevrijden van de vele wetten die hun door Brussel zouden zijn opgelegd en voortaan zichzelf mogen besturen. Ze willen graag eigen baas zijn over milieu, voedselveiligheid, mededinging en monopolies. Inderdaad gaat de EU over veel van die kwesties, en dat de Britten er zelf over willen beslissen is heel goed verdedigbaar. Om die reden hebben de meeste mensen voor de Brexit gestemd en verwachten ze autonomie.

    Maar daar draait de Brexit helemaal niet om. De ware agenda van de harde brexiteers gaat niet over eigen wetgeving, maar over minder wetgeving. Dominic Raab, de inmiddels afgetreden Brexit-minister, droomt niet van zelfregulering, maar van de voltooiing van het deregulerende, neoliberale project dat in 1979 in gang werd gezet door Margaret Thatcher.

    De fantasie achter de Brexit is een ‘open’ en ‘geglobaliseerd’ Groot-Brittannië, bevrijd van de ketenen van EU-wetgeving, met ruimere milieu-, gezondheids- en arbeidsregels, waarmee de weg wordt geplaveid voor een nieuw, gouden tijdperk van roofzuchtig hyperkapitalisme. Ook dat is heel goed verdedigbaar, hoewel abject. Alleen vinden de meesten Leave-stemmers niet dat de Brexit daarover zou moeten gaan. En die kloof maakt het onmogelijk om te zeggen wat ‘de Britten’ willen: ze willen verschillende dingen.

    Daar komt het tweede onderwerp waarover niet mag worden gesproken om de hoek kijken: het Engelse nationalisme

    Vraag twee is wie die ‘zeggenschap’ zou moeten krijgen. Waaruit bestaat, met andere woorden, ‘het volk’ dat de macht zou moeten terugkrijgen? En daar komt het tweede onderwerp waarover niet mag worden gesproken om de hoek kijken: het Engelse nationalisme. De Brexit is deels een reactie op een ontwikkeling die al sinds de millenniumwisseling speelt. Met het Goedevrijdagakkoord uit 1998 zette Noord-Ierland een stap in de richting van bestuurlijke zelfstandigheid, terwijl Schotland hetzelfde deed met de instelling van een eigen parlement in 1999. Als gevolg daarvan zijn de Engelsen in korte tijd heel anders tegen hun nationale identiteit gaan aankijken.

    Ze voelen zich niet zozeer Brits als wel Engels. Geen enkele grote politieke partij laat zich daarover uit, terwijl onderzoek aantoont dat de Engelsen steeds meer vervreemd raken van de overheid in Londen. De Brexit, vooral een Engels verschijnsel, is voor een deel een uiting van die frustratie. Om het (bot) met Anthony Barnett te zeggen, in zijn boek T_he Lure of Greatness: England’s Brexit and America’s Trump_ uit 2017: ‘Omdat ze Groot-Brittannië niet konden verlaten, kozen de Engelsen voor het op één na beste en zeiden ze tegen de EU dat ze kon oprotten.’

    Niet de ‘onzen’

    Er is overtuigend bewijs voorhanden dat de Engelsen die voor de Brexit stemden over het algemeen niets om het Verenigd Koninkrijk geven en vooral niet om Noord-Ierland. Toen Leave-stemmers en Conservatieven onlangs in een enquête over de toekomst van Engeland werd gevraagd of ‘mislukking van het vredesproces in Noord-Ierland’ als prijs ‘de moeite van het betalen waard is’ om met de Brexit ‘de zeggenschap terug te krijgen’, was maar liefst 83 procent van de Leave-stemmers en 73 procent van de Conservatieve kiezers in Engeland het daarmee eens.

    Dat is geen hersenloze wreedheid, er spreekt een diepe overtuiging uit dat de Noord-Ieren niet ‘de onzen’ zijn, dat wat ‘daar’ gebeurt niet ‘onze’ verantwoordelijkheid is. Uit het onderzoek van Channel 4 blijkt iets vergelijkbaars. Toen Leave-stemmers werd gevraagd wat ze ervan zouden vinden als Noord-Ierland als gevolg van de Brexit ‘het Verenigd Koninkrijk zou verlaten en zich aansluit bij Ierland’, antwoordde 61 procent dat ze daar ‘niet erg bezorgd’ of ‘helemaal niet bezorgd’ over waren.

    Dat mag onthutsend zijn, het is ook een duidelijke boodschap. Het probleem is alleen dat geen van beide grote partijen die onder ogen wil zien. Een van de plaagstootjes van de geschiedenis is dat deze Engelse nationale revolutie, want dat is de Brexit, ertoe heeft geleid dat de Noord-Ierse Democratic Unionist Party, een ultra-unionistische splinterpartij, voor het machtsevenwicht in Westminster zorgt en Theresa May – nog – in het zadel houdt.

    En zo komt het dat de Leave-stemmers al afscheid van het Verenigd Koninkrijk hebben genomen terwijl May het (in dit geval met steun van Labour) in alle toonaarden de liefde verklaart: ‘Ik zal er altijd voor vechten onze kwetsbare, dierbare unie in stand te houden en te versterken.’ De toekomst van het Verenigd Koninkrijk is nu zelfs een belangrijk onderdeel geworden van de onderhandelingen met de EU. Elke einddeal wordt uiterst complex.

    Dat komt vooral doordat de Britten geen afspraken willen over een harde grens in Ierland waardoor Noord-Ierland zal afwijken van de rest van het Verenigd Koninkrijk. Er valt geen heldere Brexit te formuleren zolang het gevecht voor een kwestie waar de Leave-stemmers niets om geven tot heilig doel is verklaard. Zoals Lady Bracknell al zei: ‘De draaikonterij over de kwestie is absurd.’

    Auteur: Fintan O’Toole

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte bijdragen van grote schrijvers en journalisten als 
J.M. Coetzee, Orhan Pamuk en eerder 
Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

  • De laatste zilverrug van Fleet Street

    De laatste zilverrug van Fleet Street

    Paul Dacre was 26 jaar lang hoofdredacteur van de Daily Mail, de invloedrijkste krant van Groot-Brittannië. Zijn vertrekt betekent het einde van een tijdperk, schrijft voormalig Mail-redacteur Helen Lewis.

    Toen ik bij de Daily Mail werkte, begon ik de krant steeds meer te beschouwen als de chocoladefabriek van Willy Wonka. Niet dat er ‘nooit iemand naar binnen gaat en nooit iemand naar buiten komt’ – de roltrap naar het glazen atrium boven Whole Foods in Kensington vervoert tenslotte een gestage stroom werknemers – maar je voelde je er zo van de buitenwereld afgesloten. Buitenstaanders zagen het als een vreemde citadel, waar politieke reputaties gemaakt en gebroken werden en waar ons nationale debat sterk werd verlevendigd of op boosaardige wijze vergiftigd, al naargelang je gezichtspunt.

    Maar de krant werd nauwelijks blootgesteld aan kritische blikken van buitenaf, zelfs niet naar persmaatstaven. Elke dag laat de Daily Mail zijn blik over de wereld gaan, die in zijn ogen meestal tekortschiet; het gebeurt maar zelden dat de wereld terugstaart. Deze geheimzinnigheid komt, zoals zoveel bij de Mail, rechtstreeks voort uit de psyche van de hoofdredacteur. Daarom spraken, toen bekend werd dat Paul Dacre na 26 jaar zou aftreden, zo veel commentatoren van het einde van een tijdperk.

    De Daily Mail is de invloedrijkste krant in Groot-Brittannië en niemand heeft zo veel pure macht als zijn hoofdredacteur. Dacres opvolger, Georgie Greig van de Mail on Sunday, heeft nauwe banden met eigenaar Lord Rothermere, maar het is ondenkbaar dat de krant zo precies zijn eigen passies, hang-ups, obsessies en vendetta’s zal weerspiegelen. Dacre was de laatste zilverruggorilla van Fleet Street.

    Schreeuwlelijk

    Buitenstaanders zijn geneigd hem als een schreeuwlelijk te zien, een agressieve wervelwind van moeiteloze krachttermen. Maar in de vijf jaar dat ik als redacteur bij de krant heb gewerkt, ontdekte ik dat hij heel wat ingewikkelder in elkaar stak. Diep in zijn hart is Dacre een verlegen man die zich ongemakkelijk voelt in gezelschap, het tegendeel van een causeur. Hij is zo’n 1 meter 85 lang, maar loopt met gebogen hoofd, alsof hij beseft dat hij meer ruimte in beslag neemt dan andere mensen. Het geluid dat ik het meest met hem associeer, is geen geschreeuw maar een diep gegrom. Je had altijd het gevoel dat hij zich elke avond oppepte voor het in de grond boren van zijn onfortuinlijke staf.

    Die spanning tussen terughoudendheid en woede is terug te zien in de krant, die zichzelf presenteert als de voorvechter van de kleine man – de rustige huiseigenaar in de buitenwijk die een tergend gewoon leventje leidt en wiens waarden worden bepaald door het feit dat hij niet tot een glamoureuze, progressieve, kosmopolitische elite behoort.

    De lezers zijn verwikkeld in burenruzies over schuttingen en conifeerhagen (onderwerpen waarover ik elke maand wel een stuk redigeerde; buren waren soms jarenlang met elkaar in oorlog). Ze worden diep geroerd door het lot van in gevangenschap levende orang-oetans, dansende beren en verwaarloosde honden. Ze vinden het fijn om elke winter weer te lezen dat de BBC rond de Kerst te veel herhalingen uitzendt. Ze verslinden het gruwelijke gezondheidskatern, dat een redacteur ooit deed flauwvallen terwijl hij bezig was met een uitzonderlijk bloederig stuk en waarin ooit mijn favoriete Mail-kop aller tijden verscheen: ‘Chirurgen maakten een nieuwe tong voor me van een stuk uit mijn arm’. (Ja, hij was nog een beetje harig. Ja, het is al tien jaar geleden en ik ben er nog steeds niet overheen.)

    We grapten altijd dat boven elk zaterdags hoofdartikel – het belangrijkste commentaar van de krant op de stand van het land – de kop ‘Het grote verraad’ kon worden gezet. Elke necrologie over een kunstenaar of schrijver kwam in wezen neer op dezelfde vraag: ‘Genie of perverseling?’ (Vaak waren ze allebei.) Dat zijn niet de stukjes uit de krant die mensen bereiken die hem niet kopen. Voor velen van hen wordt de Mail gedefinieerd door schokkende voorpagina’s waarop rechters ‘vijanden van het volk’ worden genoemd, waarop Mick Philpott, die zes van zijn zeventien kinderen vermoordde, als ‘een wanproduct van de Britse verzorgingsstaat’ wordt beschreven, en waarop wijlen Ralph Miliband, de vader van politicus Ed Miliband die als Joodse vluchteling vrijwillig dienst nam bij de Britse marine, wordt aangevallen als een man die ‘Engeland haatte’.

    hh 79054153

    Elke poging om aan te tonen dat de Mail meer behelst dan vuige rechtse polemiek, zal onvermijdelijk als een excuus voor die polemiek worden gezien. Maar wie wil begrijpen waarom bijna 1,4 miljoen mensen de krant dagelijks lezen, van wie 15 procent in 2017 op Labour stemde, zal oog moeten hebben voor het vakmanschap waarmee die wordt gemaakt. Mensen die beweerden dat ze de Playboy lazen vanwege de interviews logen misschien, maar er zijn echt mensen die de Mail lezen vanwege de schuttingruzies.

    Om die reden wekt het geen verbazing dat bronnen bij de krant hebben gezegd dat Greig die zal ‘ontgiften’. Een minder machtige hoofdredacteur zou misschien al veel eerder tot de orde zijn geroepen, uit vrees adverteerders af te schrikken op een toch al verstoorde markt.

    Dacre spreekt niet graag in het openbaar en hij heeft maar weinig sporen achtergelaten voor buitenstaanders die hem proberen te begrijpen. Een van de weinige aanwijzingen voor zijn psychische gesteldheid komt uit een aflevering van het BBC-radioprogramma Desert Island Discs uit 2004, waarin hij van leer trok tegen The Guardian vanwege de ‘belerende, onverbloemde, schijnheilige politieke correctheid’. Dat was veelzeggend: zoals progressieven de Mail haten, haat de hoofdredacteur van de Mail progressieven. Beiden ontlenen een zekere mate van bevrediging en energie aan het campagne voeren tegen en karikaturiseren van hun opponent. Ze kunnen niet zonder elkaar, en de frictie die daar het gevolg van is, houdt de motor van het Britse openbare leven draaiend.

    De enorme angst die door de Mail wordt gezaaid, is ook fascinerend omdat daaruit een van de belangrijkste drijfveren voor de moderne politiek blijkt: de strijd om de slachtofferstatus. Progressieven wijzen op de manier waarop de Mail zich uitlaat over immigranten, uitkeringsgerechtigden, beroemde vrouwen die een beetje zijn aangekomen en voetballers die van hun geld durven te genieten. Ze begrijpen niet hoe iemand die bijna 2,5 miljoen pond per jaar verdient, regelmatig een maand op de Britse Maagdeneilanden doorbrengt, buitenhuizen in de Schotse Hooglanden en West Sussex bezit en de luidruchtigste en woedendste Britse krant leidt, zichzelf als een underdog kan beschouwen. Maar dat doet Dacre wel.

    Welsprekendheid is in Dacres ogen verdacht; een gebrek aan elegantie is een teken van ernst

    Hij werd in 1948 geboren in Enfield, in Noord-Londen, en bezocht met een beurs de particuliere University College School en studeerde daarna aan de Universiteit van Leeds. Zijn vader Peter werkte zijn leven lang voor de Sunday Express. Dacre ging na zijn afstuderen werken bij de Daily Express in Manchester en zei later in een van zijn zeldzame interviews: ‘Ik heb nooit enige behoefte gehad om iets anders te worden dan journalist.’ Zijn vrouw is toneeldocent; zijn zoon James runt een theater.

    Volgens het wereldbeeld van Dacre wordt fatsoenlijke Engelsen het zwijgen opgelegd en worden zij gekleineerd door een elite die – zij het niet uitsluitend – bestaat uit leden van het Hogerhuis, ‘steenrijke bankiers’, overijverige ambtenaren, de Europese Unie en de BBC. Onder zijn hoofdredactie waren de politieke standpunten van de Mail niet zo voorspelbaar als je misschien zou denken. De krant flirtte met UKIP, maar de relatie werd niet geconsummeerd.

    Het heeft me altijd verbaasd dat de Mail tijdens de strijd om het leiderschap van de Conservatieven in 2001 Ken Clarke steunde in plaats van Iain Duncan Smith. ‘Is het beter tot een kleine rechtse factie te behoren die wordt gekenmerkt door de zuiverheid van haar verzet tegen Europa maar jaren in de wildernis tegemoetziet?’ vroeg de krant. ‘Of kun je je beter tegen een eenheidsmunt verzetten als onderdeel van een diverse partij die op tal van punten robuuste en hoognodige tegenstand kan bieden aan het verkozen dictatorschap van Tony Blair en een geloofwaardige regering kan vormen?’

    Stockholmsyndroom

    Dacre moest een snelle jongen als Tony Blair wel haten; hij had meer op met de morele ernst van Gordon Brown en bewonderde Theresa May juist vanwege haar gebrek aan charisma. Welsprekendheid is in zijn ogen verdacht; een gebrek aan elegantie is een teken van ernst. Ik weet nog dat tijdens een avonddienst James Purnell ontslag nam [als staatssecretaris] uit het Labourkabinet, na een confrontatie met Brown. De avondploeg stond op het punt de hele krant om te gooien – wat de premier verder in het nauw zou hebben gebracht – totdat dat plotseling werd afgeblazen. Een uitzonderlijk weerzinwekkende moord behield zijn vooraanstaande plek, net als Gordon Brown.

    Daarom is het vertrek van Dacre in november een treurige dag voor May. Het zal ook een uiterst verontrustende ervaring zijn voor de staf van de Mail, die op drie verschillende manieren op zijn terreurbewind reageerde. Een klein aantal bewaarde zijn kalmte en vond de uitbarstingen op een morbide manier zelfs wel amusant; een tweede groep boog grimmig het hoofd totdat ze instortten. En de laatste groep leed aan een soort Stockholmsyndroom en redeneerde dat als ze zo vaak een ‘lul’ werden genoemd, ze dat misschien ook wel waren. Ik verwacht dat deze laatste groep dezelfde moeite zal hebben om aan het leven na Dacre te wennen als langdurige gevangenen aan hun vrijlating, overweldigd door de mogelijkheid dat ze hun eigen lunch kunnen kiezen. Misschien kunnen ze iemand inhuren om hen uit te kafferen.

    Want ja, vergis u niet: de man is angstaanjagend en stond erom bekend dat hij mensen die hem bekritiseerden liet bestoken met sneue berichten. Zonder hem zal de krant verstoken zijn van zijn rusteloze, eeuwig onbevredigde bezielende geest – en mogelijk ook van een deel van de budgetten die hij ter beschikking had. Paul Dacre is de Daily Mail en de Daily Mail is Paul Dacre. Maar aan de andere kant, misschien zullen de lezers niet eens merken dat tegenstanders van de Brexit of progressievelingen zich sluipenderwijs meester maken van de pagina’s, zolang ze de schuttingruzies maar behouden.

    Auteur: Helen Lewis

    New Statesman
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 23.900

    Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. In de columns en andere opiniërende stukken stelt het blad zich ook open voor andere dan linkse geluiden.

  • 1. De claim op het ‘echte volk’

    1. De claim op het ‘echte volk’

    De Duitse professor Jan Werner-Müller wil het populisme precies omschrijven, zonder ‘vage anti-establishment sentimenten’. Sleutel in zijn analyse is de pretentie van populisten dat zij het ‘echte’ volk vertegenwoordigen. Ze geloven in regeren bij meerderheid, maar niet in verscheidenheid.

    Tegenwoordig lijkt de diepere betekenis van alle verkiezingen in Europa (en misschien zelfs in de wereld) zich tot één enkele 
vraag te beperken: heeft het populisme gewonnen of verloren? Tot de Nederlandse verkiezingen van maart 2017 werd het publieke debat gedomineerd door het beeld van een onstuitbare golf – of tsunami, zoals Nigel Farage het noemde – van populisme. En vooral na de grote zeges van Macron hoor je nu vaak dat we misschien al in het ‘post-populistische tijdperk’ zijn beland. 
Die diagnoses zijn allebei fout en verdienen het etiket dat het populisme zelf vaak krijgt opgeplakt: simplistisch.

    Bij het beeld van een onhoudbare golf gaat men er klakkeloos van uit dat zowel de Brexit als het presidentschap van Trump een triomf voor het populisme betekende. En natuurlijk, Farage en Trump zijn populisten, al zijn ze 
dat niet omdat ze, zoals het cliché wil, ‘afgeven op de elite’. Niet iedereen met kritiek op de elite is automatisch een populist. Een kritische houding tegenover de elite kun je net zo goed opvatten als teken van democratische betrokkenheid van de burger. Populisten in de oppositie hebben allicht kritiek op de regering. Maar belangrijker is dat ze ook beweren dat zij en zij alleen opkomen voor wat populisten vaak ‘echte mensen’ of ‘de zwijgende meerderheid’ noemen.

    Daarmee zeggen ze eigenlijk dat alle andere partijen in wezen geen recht van spreken hebben. Het gaat 
de populisten nooit om een verschil 
van mening over het beleid of zelfs over normen en waarden, het soort meningsverschil dat in een democratie natuurlijk heel normaal is (en in het beste geval ook productief). Nee, populisten spelen in ieder politiek conflict meteen op de man en maken er een morele kwestie van: de anderen zijn volgens hen simpelweg ‘slecht’ en 
‘corrupt’. Die spannen zich niet in voor ‘het volk’ maar alleen voor zichzelf (voor de gevestigde orde) of voor multinationals of voor de EU of noem maar op. 
In dat opzicht was de campagneretoriek van Trump een extreem geval, maar 
niet echt een uitzondering.

    ‘Echte mensen’

    Minder in het oog springend is de 
suggestie van populisten dat mensen die het niet eens zijn met hun opvatting van wat ‘het volk’ is, en die hen dus niet steunen, eigenlijk niet tot dat volk behoren. Denk aan Farage, die op de avond van het beslissende referendum riep dat de Brexit een ‘victory for real people’ was. Daarmee impliceerde hij dat de 48 procent die tegen een Brexit hadden gestemd geen ‘echte mensen’ zijn, ofwel: niet echt tot het Britse volk behoren. Of denk aan Trump, die op een verkiezingsbijeenkomst vorig jaar zei: ‘Het gaat erom dat we de mensen verenigen – want die andere mensen doen er niet toe.’ De populist bepaalt dus 
wie de echte mensen zijn.

    Vage ‘anti-establishment sentimenten’ vormen dus geen lakmoesproef voor 
wat populisme is: kritiek op de elite kan terecht of onterecht zijn, maar is niet per se antidemocratisch. Waar het om gaat, is het antipluralisme van de populisten. Ze doen altijd aan uitsluiting op twee niveaus. Op het niveau van de partijpolitiek presenteren ze zichzelf als de enige legitieme spreekbuis van het volk, om zo alle politieke rivalen op zijn minst moreel uit te sluiten. En iets subtieler wordt op het niveau van de mensen zelf, zo je wilt, iedereen buitengesloten die hun symbolische fictie van ‘de echte mensen’ niet onderschrijft (en dus niet achter de populisten staat). Anders gezegd: populisme maakt per definitie aanspraak op het morele alleenrecht om de wil te vertolken van de zogenaamde echte mensen – en vervalt daardoor per definitie tot een radicaal wij-zij-denken.

    Merk daarbij op dat populisten ook zonder te regeren grote schade kunnen toebrengen aan de politieke cultuur. Populistische partijen die slecht presteren bij de stembus worden immers met een evidente paradox geconfronteerd: hoe kan hun partij aanspraak maken op een rol als enige echte spreekbuis van het volk, als ze geen overweldigende meerderheid bij de stembus halen? Niet alle populisten kiezen voor de makkelijkste uitweg 
uit dit dilemma, maar velen wel: zij suggereren dat ze niet zozeer een 
zwijgende meerderheid vertegenwoordigen, als wel een meerderheid die het zwijgen is opgelegd. Als die meerderheid zich kon uiten, zouden de populisten per definitie aan de macht zijn, maar iets of iemand heeft deze meerderheid de mond gesnoerd. Anders gezegd: populisten suggereren op meer of minder subtiele wijze dat ze de verkiezingen helemaal niet echt verloren hebben, maar dat het hele proces door verdorven elites achter de schermen is gemanipuleerd. Denk weer aan Trump: toen hij in het midden liet of hij een verkiezingszege van Hillary Clinton zou accepteren, plaatste hij impliciet vraagtekens bij de deugdelijkheid van het Amerikaanse kiesstelsel. Veel van zijn kiezers begrepen die boodschap heel goed. Uit een peiling bleek dat zeventig procent van zijn aanhang dacht dat het doorgestoken kaart zou zijn als Clinton de verkiezingen won.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen

    Nu mag iedereen kritiek hebben op het Amerikaanse kiesstelsel, daar is duidelijk genoeg reden toe. Ook zulke kritiek kan een teken zijn van oprechte 
democratische betrokkenheid. Wat niet democratisch is, is de houding van populisten die in feite neerkomt op de bewering: ‘Omdat wij niet gewonnen hebben, moet het systeem wel fout 
en verrot zijn.’ Zo zullen populisten 
het vertrouwen van burgers in hun instituties systematisch ondermijnen, en daarmee het politieke klimaat 
verzieken, ook zonder zelf ooit aan de macht te komen.

    Ik wil niet beweren dat alle populisten hun gebrek aan electoraal succes afdoen met een beroep op complot-theorieën. Maar ze zullen op zijn minst geneigd zijn onderscheid te maken tussen de empirisch vastgestelde en de morele uitslag van verkiezingen. (Denk aan de Hongaarse rechtse populist Viktor Orbán, die na zijn verkiezingsnederlaag in 2002 zei dat ‘het land niet in de oppositie kan zitten’; of aan Andrés Manuel López Obrador, die na zijn nederlaag bij de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2006 zei dat ‘de zege van rechts moreel onbestaanbaar’ was en hijzelf de enige ‘legitieme president van Mexico’.) Zo blijven populisten zich beroepen op een onbestemde groep ‘echte mensen’ die een andere keuze zouden hebben gemaakt. De extreemrechtse populist Norbert Hofer zei na zijn nederlaag bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen van 2016 bijvoorbeeld dat de winnaar, de groene politicus Alexander Van der Bellen, ‘gezählt, aber nicht gewählt’ was: hij insinueerde dus dat zijn tegenstander weliswaar de meeste stemmen had gekregen, maar toch niet echt gekozen was (alsof een ‘echte keus’ op een of andere wijze tot stand kan komen bij acclamatie of zoiets, en niet in het stemhokje). In veel gevallen zullen populisten de cijfers afzetten tegen sentimenten, zonder oog voor het feit dat juist die cijfers, een correcte telling van het aantal stemmen, het enige is waar democratie uit bestaat.

    Door in te zien dat populisme een 
specifieke vorm van antipluralisme is, voorkomen we misschien dat we 
kritiekloos het beeld blijven herhalen van ‘het volk’ dat overal in opstand komt tegen ‘de gevestigde orde’. Dat is geen onschuldige, laat staan neutrale beschrijving van de politieke ontwikkelingen. Het is in feite populistisch jargon. Met zo’n omschrijving accepteer je impliciet dat de populisten 
werkelijk ‘het volk’ vertegenwoordigen. Maar types als Farage of Geert Wilders slagen er in de verste verte niet in om zelfs maar een kwart van het electoraat aan te spreken.

    populism no c

    Toch vallen politici en journalisten vreemd genoeg vaak van het ene uiterste in het andere als het om populisten gaat: van de opvatting dat het allemaal demagogen zijn die per definitie onzin uitkramen, naar de gedachte dat 
populisten in feite de ‘echte zorgen’ van de mensen vertolken. De populist een monopolie geven op de vertolking van wat mensen bezighoudt, getuigt van een diepgaand gebrek aan inzicht in hoe democratische vertegenwoordiging werkt. Die vertegenwoordiging moet niet gezien worden als een mechanische afspiegeling van objectief bestaande belangen en identiteiten. Die belangen en identiteiten krijgen dynamisch vorm naarmate politici 
(en het maatschappelijk middenveld, vrienden, buren, enz.) bepaalde stappen zetten en burgers daarop reageren. Het is dus niet dat alles wat populisten zeggen per se verzonnen is, maar het is een vergissing om te denken dat alleen zij weten wat er echt in de maatschappij leeft. Zo is Trump er zonder twijfel in geslaagd een aantal Amerikanen het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van zoiets als een blanke identiteits-
beweging. Maar het zelfbeeld van 
burgers kan ook weer veranderen.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen. Toch gaan veel 
niet-populisten daarvan uit. Denk maar aan hoe sommige socialisten 
en sociaaldemocraten in Europa 
tegenwoordig lijken te denken: ‘De arbeidersklasse heeft het gewoon niet op buitenlanders. Het succes van de rechtse populisten toont dat wel aan. Niks aan te doen.’

    Er bestaat nog een andere denkfout met betrekking tot de verkiezingswinst van populisten. Je moet er niet van uitgaan dat alle kiezers die op een populistische partij stemmen zelf 
ook populist zijn, dat wil zeggen: de antipluralistische ideeën van hun populistische leider delen.
    Een kiezer kan het bijvoorbeeld volstrekt oneens zijn met de kritiek van Marine Le Pen dat andere partijen immoreel zijn en hun land verraden, maar toch op het Front National stemmen vanwege het landbouwbeleid dat die partij voorstaat. Oké, dat is wat vergezocht, maar het punt blijft dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat iedereen die op een populistische politicus of partij stemt, per se ook het hele antipluralistische programma daarvan onderschrijft. Dat is een elementair empirisch feit, maar het heeft ook gevolgen voor de politieke strategie. Denk maar aan de desastreuze uitwerking van 
Hillary Clintons opmerking over ‘deplorables’. Ze had beter alleen genadeloze kritiek kunnen leveren op haar tegenstander, zonder te generaliseren over de kiezers die hij aanspreekt.

    Maar zit er niet toch iets in, in dat idee van een populistische golf, al is die nu even op zijn retour? Nee, dat beeld was altijd al zeer misleidend. Nigel Farage heeft de Brexit immers niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij had hulp nodig van Conservatieven uit het 
establishment, zoals Boris Johnson en Michael Gove (die nu allebei in May’s kabinet zitten). Het was Gove die in 
het voorjaar van 2016, als reactie op 
de vele sombere voorspellingen van deskundigen over een eventuele Brexit, zei dat het Britse volk de buik vol had van deskundigen. Het grappige was 
dat Gove zelf juist lange tijd als een intellectueel binnen de Tory-gelederen gold. Het was dus niet zomaar iemand die de mensen vertelde dat deskundigheid werd overschat – er was een 
deskundige voor nodig om die conclusie te trekken.

    Trump is natuurlijk geen president geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. 
Hij vertegenwoordigde een gevestigde partij en had de zegen nodig van 
Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani, Chris Christie en Newt Gingrich. Die laatste zei tegen een verslaggever van CNN op het Republikeins partijcongres in de zomer van 2016 dat hij de misdaadcijfers niet vertrouwde, maar geloofde in de beleving van mensen. Hij flikte dus hetzelfde kunstje als Gove in Engeland, want wat je ook van Gingrich mag vinden, onder Amerikaanse conservatieven gaat hij voor een soort intellectueel door. Dus net als in het Verenigd Koninkrijk was er een deskundige nodig om de waarde van deskundigheid in twijfel te trekken.

    Polarisatie

    Wat zich op 8 november 2016 voltrok was geen op zichzelf staande 
triomf voor het populisme, maar een bevestiging van de polarisatie van de Amerikaanse politiek: 90 procent van de Republikeinse kiezers had op Trump gestemd. Ook al bleek uit peilingen dat veel Republikeinse kiezers grote bedenkingen bij deze kandidaat hadden, het was voor hen duidelijk ondenkbaar om op een Democraat te stemmen. De manier waarop Hillary Clinton door veel Republikeinen werd gedemoniseerd, had daar natuurlijk ook iets mee te maken – en die 
demonisering dateerde al van ver voor Trump. Die was al begonnen in de jaren negentig, toen Bill Clinton door rechts steevast werd aangeduid als ‘jullie president’, alsof hij niet het hele volk vertegenwoordigde. Feit is dat tot op de dag van vandaag geen enkele rechtse populist in West-Europa 
of Noord-Amerika aan de macht is 
gekomen zonder hulp van de gevestigde conservatieve elite.

    Na de verkiezingen in Frankrijk en Nederland waren commentatoren er als de kippen bij om te spreken van 
een post-populistische beweging. 
Het veronderstelde ‘nieuwe normaal’, van de ene populistische verkiezingszege na de andere, wordt alweer
 achterhaald genoemd. Maar dan wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het populisme als een moreel monopolie op 
de vertegenwoordiging van het echte volk, en anderzijds specifieke programmapunten die aan rechts populisme kunnen raken – zoals een strenger immigratiebeleid – maar op zichzelf niet populistisch zijn. Met andere woorden: antipluralisme en inhoudelijke programmapunten zijn twee 
verschillende zaken.

    Wilders, een echte populist, deed het in Nederland minder goed dan verwacht. Maar zijn officiële ‘mainstream’ rivaal, de rechts-liberale premier Rutte, sloeg veel Wilders-achtige taal uit, door onder meer tegen immigranten te zeggen dat ze maar moesten vertrekken als ze niet ‘normaal’ wilden doen. Rutte is geen populist geworden, 
hij pretendeert niet de enige echte 
vertegenwoordiger van het eigenlijke Nederlandse volk te zijn. Maar hij doet iets ongebruikelijks en volgens mij onaanvaardbaars: het is niet aan de Nederlandse premier om te bepalen wat in de Nederlandse cultuur 
‘normaal’ is (met de bijbehorende implicatie dat je enerzijds een ‘echt’ Nederlands volk hebt en anderzijds mensen die zich ‘abnormaal’ gedragen). Als gevolg van zulke opportunistische concessies aan populisten schuift de hele politieke cultuur naar rechts op, zonder behoorlijke democratische machtiging van de burger. Misschien zitten we dus niet zozeer in een post-populistische tijd, maar zijn de populisten eigenlijk aan het winnen, ook al verliezen ze nominaal. In plaats van officieel met de populisten samen te werken, kopiëren de conservatieven immers gewoon hun ideeën. Diezelfde dynamiek kon je in het voorjaar van 2017 zien in de campagne voor de 
parlementsverkiezingen van Theresa May, die erop gokte dat ze UKIP kon vermorzelen door Farage na te doen.

    Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt

    Naast samenwerking en imitatie hebben conservatieven nog een derde manier om rechts populisme te 
vergoelijken. Denk maar aan hoe de Europese Volkspartij (EVP), de mainstream partijfamilie van overwegend christendemocraten en gematigde conservatieven in het Europarlement, Viktor Orbán beschermen tegen kritiek (van onder meer de Europese Commissie). Orbán was de pionier van het populisme in Europa. Hij had zijn inmiddels in veel opzichten autoritaire bewind nooit kunnen opbouwen zonder de rugdekking van de EVP. En wederom, het is niet dat de leden van de EVP zelf populisten zijn geworden, verre van dat. Maar met hun strategische keuzes, vooral ingegeven door hun wens om de grootste partij in het Europarlement te blijven, hebben de conservatieven de opkomst van rechts populisme mogelijk gemaakt.

    In dat verband is het ook de moeite waard even terug te kijken naar een recente verkiezingsstrijd waarin veel conservatieven zich vooraf tegen samenwerking met de populisten hebben uitgesproken. Het hele beeld van een niet te stuiten golf van populisme was eigenlijk al ontkracht door dit ene tegenvoorbeeld: Oostenrijk, waar alom een zege voor Norbert Hofer was voorspeld. Veel conservatieve 
politici spraken zich expliciet tegen hem uit. Dat betrof vooral burgemeesters en andere provinciale politieke grootheden, die bij kiezers in de regio het vertrouwen genoten dat groene bobo’s uit Wenen duidelijk misten. Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt.

    De stabiliteit van democratieën in Europa heeft, zoals de politicoloog Daniel Ziblatt betoogt, altijd sterk afgehangen van het gedrag van de conservatieve elites. In het interbellum kozen die voor samenwerking met autoritaire en zelfs fascistische partijen, wat op veel plekken tot de dood van de democratie leidde. Na de oorlog besloten ze zich aan de regels van het democratische spel te houden, ook al was dat niet altijd bevorderlijk voor wat zij als conservatieve kernwaarden beschouwden. We leven in een heel andere samen-leving dan in de naoorlogse periode en de populisten van nu zijn geen fascisten, maar het is nog steeds zo dat het lot van een democratie even sterk afhangt van de keuzes van de gevestigde orde als van opstandige outsiders. Larry Bartels, een vooraanstaand 
Amerikaans politicoloog, wijst erop dat er ook weinig empirisch bewijs is voor een toename (laat staan een ‘tsunami’) van rechts populistische sentimenten. Wat uit onderzoek wel blijkt, is dat zowel politieke avonturiers als gevestigde partijen in de loop der tijd steeds weer voor de keuze hebben gestaan 
om dergelijke sentimenten te bezweren, dan wel te mobiliseren en uit te buiten. Het is van belang om ons niet uitsluitend op de populisten zelf te fixeren (waarbij we hun kracht regelmatig onder- dan wel overschatten). We moeten juist de elites ter verantwoording roepen die met populisten samenwerken of hun ideeën overnemen of hun gedrag in feite vergoelijken en ze zo uit de wind houden.

    Brexit volgens Banksy, 2017.
    Brexit volgens Banksy, 2017.

    Wat kan er tegen populisten zelf worden gedaan? Wat de laatste jaren 
in ieder geval duidelijk is geworden, 
is wat er niet werkt. Een volledig isolement bijvoorbeeld, en zeker het soort morele uitsluiting waarnaar populisten zelf vaak grijpen (in de trant van: ‘wij goede demoraten willen niet samen met populisten op tv’ of ‘als er in het parlement een populist aan het woord komt, loop ik naar buiten,’, enz.). Dat is dom, zowel in strategisch als – minder in het oog springend – in moreel opzicht. Het is als strategie tot mislukken gedoemd omdat het alleen maar bevestigt wat populisten hun aanhang steeds voorhouden: dat de corrupte elite nooit naar hen luistert of bepaalde zaken niet ter discussie durft te stellen. (En niet in de laatste plaats dat deze elites tegen de populisten samenspannen om hun onverdiende voorrechten te beschermen: ‘Eén tegen allen, allen tegen één’.)

    Ook vanuit democratisch oogpunt kleeft er een groot bezwaar aan deze aanpak: zeker als de populisten al in het parlement zitten en je sluit hun partij uit van het debat, dan sluit je 
ook al hun kiezers daarvan uit. En zoals hierboven gezegd: je mag er niet van uitgaan dat alle kiezers van populistische partijen overtuigde antipluralisten zijn die de regels van het democratische spel afwijzen.

    En dan is er het andere uiterste: in plaats van de populisten uit te sluiten of te negeren, ga je achter ze aan hollen. Maar hoe hard je ook holt, je haalt ze natuurlijk nooit in. Wat je als zogenaamde ‘politicus van het midden’ ook over immigratie zegt, het zal toch nooit genoeg zijn voor partijen als Alternative für Deutschland of de Deense Volkspartij. Maar ook hier is het probleem niet alleen strategisch van aard, ook hier speelt een normatieve kwestie mee. Het imiteren van populisten vloeit immers vaak voort 
uit de hierboven genoemde misvatting over democratische vertegenwoordiging. Dan gaat men er simpelweg van uit dat de populisten eindelijk de ware politieke voorkeuren van veel burgers blootleggen, in plaats van te beseffen dat politieke vertegenwoordiging een dynamisch proces is. Denk weer aan Trump: veel Europeanen zullen op 
8 november 2016 met enig leedvermaak hebben vastgesteld dat hun lang gekoesterde vermoeden over de VS nu officieel was bevestigd: het is een land met 63 miljoen racisten! Maar zoals enkele sociale wetenschappers al snel zeiden: er zijn genoeg racisten in de VS, maar racisme kan de zege van Trump niet volledig verklaren. Sommige 
kiezers hebben op Trump gestemd nadat ze dat eerder twee keer op Obama hadden gedaan.

    Er is geen andere keuze dan met 
populisten de strijd aan te gaan. Maar praten met populisten wil nog niet zeggen dat je moet praten áls een populist. Je hoeft hun beschrijving van politieke, economische en sociale problemen niet over te nemen om in debat met hen overeind te blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat een hele reeks standpunten waar links grote moeite mee heeft, binnen een democratie niettemin toelaatbaar zijn – en dat je zulke standpunten moet bestrijden met feiten en de best mogelijke argumenten, niet met het polariserende verwijt van ‘populisme’. Anderzijds, wanneer populisten zichzelf nadrukkelijk als populist manifesteren – dat wil zeggen: als ze het recht van spreken van hun tegenstander of van bepaalde burgers in twijfel proberen te trekken of vraagtekens plaatsen bij de regels van het democratische spel – 
dan is het van groot belang dat andere politici daar een grens trekken. Denk weer even terug aan die eerste keer dat de ‘gevestigde orde’ niet voor de ‘golf’ van het populisme bezweek: Oostenrijk. De winnende kandidaat wist in zijn campagne veel kiezers te mobiliseren door duidelijk te maken dat zij niet alle programmapunten van de Groenen hoefden te onderschrijven om op hem te stemmen; ze moesten het er alleen mee eens zijn dat de extreemrechtse kandidaat een reële bedreiging voor de Oostenrijkse democratie vormde. Nog belangrijker was dat kiezers door zijn campagne werden gestimuleerd om uit hun vertrouwde kringetje te stappen, om in dialoog te gaan met mensen uit andere milieus met wie ze anders niet snel in contact kwamen – en vooral 
om dan niet al na vijf minuten met 
verwijten van ‘racisme’ en ‘fascisme’ 
te smijten.

    Ook dit is misschien alleen vrome hoop van de theoretici. Uit sociologisch onderzoek blijkt vaak dat de zogenaamde contacthypothese te mooi is om waar te zijn: contact met mensen die sterk van ons verschillen is op 
zichzelf nog niet genoeg om tolerantie en respect voor pluralisme te kweken. Maar alles wat kan helpen om de 
populistische fantasie van een volledig verenigd en homogeen volk te ontkrachten, is meegenomen. In tegenstelling tot wat links soms gelooft, is niet alles wat populisten zeggen per se leugenachtig of demagogisch, maar hun zelfgeschapen imago berust uiteindelijk wél op een leugen: dat er 
één ondeelbaar volk is waarvan alleen zij de wil vertolken. Om ze te bestrijden, is het nodig die cruciale claim 
te doorzien en te ontkrachten.

    Auteur: Jan-Werner Müller
    Vertaler: Frank Lekens

    ‘Understanding the populist turn’.
    Grote Zaal Frascati, 2 juni 15.00

    Project Syndicate
    Tsjechische Republiek | project-syndicate.org

    Het in 1994 opgerichte non-profit contentdistributiemodel voorziet lezers uit alle windstreken van originele, boeiende en tot nadenken stemmende commentaren van schrijvers en denkers die de economie, politiek, wetenschap en cultuur van de wereld vormgeven.

  • Theresa Maybe, 
de besluiteloze Britse premier

    Theresa Maybe, 
de besluiteloze Britse premier

    Vlak voor Theresa May haar speech hield over de harde Brexit, kwam The Economist met een keihard oordeel: na zes maanden is nog steeds niet duidelijk waar de nieuwe premier voor staat – en misschien weet ze het zelf niet eens.

    Een paar uur na het Brexit-referendum van vorig jaar zomer was David Cameron al afgetreden, en nog geen drie weken later volgde Theresa May hem op als premier. De snelheid waarmee zij aan de macht kwam, zonder algemene verkiezingen of volwaardige strijd om het leiderschap van de Conservatieve Partij, hield in dat het ‘mayisme’ nooit in een manifest was neergelegd of gesteund werd door de kiezers. Toch liet de nieuwe premier al snel geen twijfels bestaan over haar ambities voor Groot-Brittannië. Zij zou niet alleen een succes maken van de Brexit, maar ook een enorme verandering teweegbrengen in de sociale mobiliteit. Ze wilde het ‘schrijnende onrecht’ ongedaan maken waar de achtergeblevenen mee werden geconfronteerd, en ‘de krachten van het liberalisme en de mondialisering’ hervormen ‘die de scepter hebben gezwaaid (…) over de hele westerse wereld’. Haar bondgenoten spraken over een keerpunt, vergelijkbaar met de breuk die Margaret Thatcher in 1979 maakte met het verleden. De zwakheid van de Labour-oppositie gaf May de controle in handen over een eenpartijstaat. Wat haar mandaat aanging, verwees ze naar het referendum: een ‘stille revolutie’ van mensen die ‘niet langer bereid waren genegeerd te worden’.

    Maar nu zij een half jaar in functie is, is er nog maar opmerkelijk weinig te zien van deze May-revolutie. De strategie voor de Brexit, die over krap drie maanden van start zou moeten gaan, wordt in de vaagste termen omschreven en lijkt steeds chaotischer. In eigen land hebben de grote verhalen over het veranderen van de samenleving en het temmen van het kapitalisme plaatsgemaakt voor bescheiden voorstellen, waarvan er al vele zijn teruggeschroefd of ingetrokken. Het vermoeden wordt steeds manifester dat de sfinxachtige premier zich vooral op de vlakte houdt over haar plannen omdat ze nog steeds de nodige moeite heeft om ze op te stellen.

    May heeft tijdens haar ambtsperiode van zes jaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken – een verraderlijke post die veel politieke carrières heeft verwoest – een reputatie verworven als competente doorzetter. Ze overleefde op bedreven wijze het Brexit-referendum, ook al behoorde ze tot het kamp van de verliezers. In de korte race om het leiderschap van de Conservatieve Partij viel ze op als de enige volwassene; weinig Tories hebben er spijt van dat ze de voorkeur hebben gegeven aan haar, boven de onvoorbereide en weinig serieuze overige kandidaten. In de onderhandelingen over de Brexit, de zwaarste taak voor welke Britse premier ook na de Tweede Wereldoorlog, wordt een krachtige wissel getrokken op haar politieke kapitaal en haar bestuurlijk vermogen.

    Warrig

    Het halve land is tegen het idee en de rest zou wel eens goed kunnen schrikken als de gevolgen ervan voelbaar worden. De meeste ambtenaren die de Brexit ten uitvoer moeten leggen, denken dat het een vergissing is. Als het er de komende jaren om zal gaan valstrikken te vermijden, kan de behoedzame vasthoudendheid van May precies datgene zijn wat het land nodig heeft.

    Toch begint die behoedzaamheid eruit te zien als besluiteloosheid. Na zes maanden is het lastig één kenmerkende beleidsdaad van May te noemen, en er is vaak rechtsomkeert gemaakt. Soms was dat welkom: een domme belofte om werknemers in raden van commissarissen te zetten werd bijvoorbeeld ingetrokken, een vreselijk plan om bedrijven lijsten met buitenlandse werknemers te laten opstellen bleef nog geen week overeind, en zinspelingen op het inperken van de onafhankelijkheid van de Bank of England werden snel vergeten. Er zullen speciale ‘gymnasia’ worden opgericht – maar louter op kleine schaal, en misschien wel helemaal niet, gezien het feit dat veel Conservatieve parlementariërs zich tegen het idee verzetten. Andere U-bochten rieken naar aarzeling. De bouw van een nieuwe kerncentrale bij Hinkley Point werd eerst in twijfel getrokken maar mocht toen tóch doorgaan, een nieuwe landingsbaan op Heathrow was al nagenoeg rond maar werd toen alsnog uitgesteld tot na een stemming in het parlement later dit jaar. Huishoudens die het ‘maar net redden’ waren een week lang richtingbepalend voor de premier, en daarna niet meer. Suggesties dat Groot-Brittannië na de Brexit een overgangsregeling met de EU zou moeten treffen werden eerst ingetrokken, om een paar weken later opnieuw in omloop te worden gebracht, nadat May schijnbaar opnieuw van gedachten was veranderd.

    Theresa May in Downing Street. – © Elliott Franks / eyevine
    Theresa May in Downing Street. – © Elliott Franks / eyevine

    De oorzaak van deze verwarring kan zijn dat het mayisme zelf nogal warrig is. Hoewel ze heeft beloofd van Groot-Brittannië ‘de krachtigste mondiale pleitbezorger van de vrije markt’ te maken, heeft de premier ook gepraat over het opnieuw in leven roepen van een ‘fatsoenlijke industriële strategie’. Die mag niet gaan over het ‘steunen van verliesgevende industrieën of het kiezen van winnaars’, zo houdt zij staande. Maar de niet nader gespecificeerde ‘steun en beloften’ aan Nissan om de autoproducent ertoe over te halen na de Brexit in Sunderland te blijven, komen daar wel min of meer op neer. Haar enthousiasme voor handel staat soms op gespannen voet met haar scepsis over migratie. Neem haar recente bezoek aan India, waar haar onwil om concessies te doen op het gebied van de immigratie de vooruitgang over een vrijhandelsakkoord blokkeerde.

    Er schuilt één les in de overdreven vergelijking van May met Thatcher. De vrouw die Groot-Brittannië écht heeft veranderd kende een rommelige eerste termijn; de privatisering en de hervorming van de vakbonden, waarmee zij nu wordt geassocieerd, kwamen pas na 1983 werkelijk op gang. Angela Merkel had ook een wankele start als Duitse bondskanselier. May kan nog overeind krabbelen – en gezien de toestand van Labour zal ze daar ook de tijd voor krijgen, als de Brexit haar eigen partij geen redenen in handen geeft om haar eerder aan de dijk te zetten.

    Maar uiteindelijk zou kunnen blijken dat May op een andere, minder voor de hand liggende voorganger lijkt: op Gordon Brown. Ook hij was lichtgeraakt. Net als zij was hij in 2007 zonder verkiezingen in Downing Street beland. Hij begon ook met een ontzaglijke reputatie en grote beloften. En toen duidelijk werd dat hij eigenlijk geen idee had wat hij aan moest met de baan die hij zo had begeerd, mislukte hij. De financiële crisis legde zijn regering plat, omdat hij zich en détail met ieder besluit wilde bemoeien.

    Zolang de premier zich met ieder voorstel wil bemoeien, zullen radicale besluiten van het type dat nodig is om deze problemen op te lossen niet worden genomen

    Ook May heeft deze neiging. Eén persoon kan nog wel op eigen houtje het ministerie van Binnenlandse Zaken runnen. Maar als je premier bent, moet je kunnen delegeren – vooral als de Brexit voor de deur staat. De ouderenzorg valt uit elkaar. De National Health Service raakt door zijn geld heen. Het tekort aan (betaalbare) woningen wordt steeds groter. Schotland en Noord-Ierland roepen lastige constitutionele vragen op. Zolang de premier zich met ieder voorstel wil bemoeien, zullen radicale besluiten van het type dat nodig is om deze problemen op te lossen niet worden genomen. Om greep te krijgen op Groot-Brittannië moet May leren haar greep te versoepelen.

    Om daarin te slagen, zal ze moeten beslissen waar de grote beloften van haar regering feitelijk op neerkomen. De behoefte om zich in Downing Street over iedere beleidsdaad het hoofd te breken, de geheimzinnigheid over de Brexit en de stilte over de bredere plannen van de regering met Groot-Brittannië duiden allemaal op hetzelfde probleem: Theresa Maybe weet niet echt wat ze wil.

    Vertaler: Menno Grootveld

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.