Tag: mensen

  • Kleine mensen leven langer

    Kleine mensen leven langer

    Lang zijn heeft over het algemeen onze voorkeur. Maar kleinere mensen hebben de toekomst: ze leven langer en besparen tonnen voedsel per jaar. 

    Vanuit mijn gezichtspunt – met mijn lengte van 1 meter 52 – is lang zijn een wijdverbreide superioriteitsfantasie die al lang geleden met pensioen had moeten gaan. Het was zinvol om te zwijmelen over lengte toen het ging om overleven. Eeuwen geleden, toen de noodzaak om je te verdedigen zich dagelijks, zo niet elk uur voordeed, konden lange mensen gemakkelijker hun familie beschermen en tegelijk wat steak van de wolharige neushoorn mee naar huis brengen. Wie het uithoudings-vermogen heeft om de hele dag in een kantoorstoel door te brengen, neemt tegenwoordig in plastic verpakt vlees mee naar huis.

    Er is een aanhoudend debat over de gemiddelde lengte van een bevolking en wat dat betekent voor de welvaart en status van een natie, maar ik ben meer geïnteresseerd in lengte op individueel niveau. Ons succes als individu hangt niet af van het in elkaar kunnen slaan van andere mensen of dieren. En zelfs als dat wel zo was: in dit tijdperk van wapens en drones maakt lang zijn je alleen maar een makkelijker doelwit.

    In Size Matters schreef journalist Stephen S. Hall dat Frederik Willem I van Pruisen in de achttiende eeuw exorbitante bedragen neertelde om ‘reusachtige’ soldaten uit de hele wereld te rekruteren, waarmee hij ‘voor het eerst in een grote, post-middeleeuwse samenleving de wenselijkheid van lang zijn’ institutionaliseerde en daarmee aan lengte een tastbare waarde toekende, die nog tot in de moderne tijd doorklinkt.

    50 centimeter lang

    Arne Hendriks, 1 meter 95, is initiatiefnemer van The Incredible Shrinking Man, een artistiek, prijswinnend onderzoek naar de mogelijkheden om een mens te creëren van vijftig centimeter lang, een mens die beter op aarde past.

    Er bestaat ook een Klub Lange Mensen in Nederland, alleen toegang boven de 1.80 m., waar praktische, motorische en gedragsmatige problemen onder de aandacht van de overheid, producenten en leveranciers worden gebracht. Klub Lange Mensen was bijvoorbeeld nauw betrokken bij het ontwerp van een nieuwe vliegtuigstoel.

    De echo van deze vroege menselijke verlangens en vooroordelen is in onze geest blijven hangen als een bijzonder pakkende marketingjingle, zozeer zelfs dat we onze stem uitbrengen op lange kandidaten in de veronderstelling dat zij betere leiders zijn. Ook kiezen we vaak lange mensen als partner zonder dat er doorslaggevende data zijn waaruit blijkt dat zij betere echtgenoten zijn. John Kenneth Galbraith, de ruim twee meter lange econoom en diplomaat, beschouwde onze voorkeur voor lange mensen als ‘een van de meest flagrante en algemeen geaccepteerde vooroordelen in onze samenleving’. Anderen gaan tot het uiterste voor een paar centimeter erbij – steeds meer mensen geven tot wel 150.000 dollar uit voor ondraaglijke operaties om hun ledematen te verlengen, en ouders geven gezonde kinderen behandelingen met groeihormonen waarvan de bijwerkingen onbekend zijn.

    Dat weet ik omdat ikzelf een van die kinderen was. Als tiener injecteerde ik drieënhalf jaar lang Humatrope in mijn dijen op aandringen van mijn ouders, die vreesden dat ik buiten de boot zou vallen omdat ik klein was. Ik begrijp waarom ze dat dachten, gezien de manier waarop kleine mensen in onze maatschappij worden behandeld – een liedje met de tekst ‘short people got no reason to live’ stond een paar jaar voor mijn geboorte op nummer 2 in de Billboard Hot 100.

    Nu heb ik een tweeling, en mijn twee kinderen behoren tot de kleinsten van hun kleuterschool, maar in plaats van ze medicijnen te geven vanwege een verouderd maatschappelijk vooroordeel, laat ik ze zijn zoals ze zijn: klein. Want klein is beter, en klein is de toekomst.

    Minder cellen

    We zeggen maar eens in de vier jaar iets positiefs over iemand die klein is, wanneer Simone Biles ons betovert in haar turnpakje. Daardoor blijven de vele voordelen die kleine mensen hebben, onderbelicht. Korte mensen leven gemiddeld langer en krijgen minder vaak kanker. Volgens een theorie komt dit omdat er met minder cellen een kleinere kans bestaat dat er iets fout gaat. Dat heb ik liever dan kunnen dunken bij basketbal.

    Kleine mensen zijn ook inherente natuurbeschermers, een cruciaal gegeven in deze wereld met acht miljard mensen. Thomas Samaras, die al veertig jaar onderzoek doet naar lengte – en in kleine kring bekendstaat als de ‘Godfather of Shrink Think’, een onbekende filosofie die kleinheid superieur acht – berekende dat als we alleen al in Amerika met behoud van dezelfde proporties 10 procent korter zouden zijn, we 87 miljoen ton voedsel per jaar zouden besparen (om nog maar te zwijgen van biljoenen liters water, biljarden eenheden aan energie en miljoenen tonnen afval).

    ‘Ik wil niet dat lange mensen zich slecht voelen over zichzelf,’ zegt Samaras oprecht, ‘maar de tijd is rijp om klein te zijn.’

    Ouders scheppen op over hoe hun kinderen ‘hun de oren van het hoofd eten’, en al binnen een week uit hun schoenen zijn gegroeid – alsof ze daar een medaille voor verwachten. Mijn kinderen eten als knaagdiertjes en dat is prima – ze zijn gezond. Door hun lage percentielen besparen we geld en voedsel, en ze passen een jaar lang in hetzelfde paar schoenen. Groeien als onkruid? Nee, bedankt. Ik ga voor groeien als een cactus.

    Kleine mensen besparen niet alleen grondstoffen, maar zijn misschien ook het best aangepast om op lange termijn te overleven

    Kleine mensen besparen niet alleen grondstoffen, maar omdat grondstoffen schaarser worden door de groeiende wereldbevolking en de opwarming van de aarde, zijn ze misschien ook het best aangepast om op lange termijn te overleven (en niet alleen omdat er meer van ons in een ruimteschip passen als we deze door ons vernielde planeet moeten verlaten). Yuval Noah Harari schreef in zijn boek Sapiens over een vroege menselijke soort die een eiland bewoonde dat Flores heet. Door een stijging van de zeespiegel was het eiland afgesneden van andere landmassa’s.

    ‘De grotere mensen, die veel voedsel nodig hadden, stierven als eersten’, schreef Harari. Na een evolutieproces van vele generaties was de gemiddelde lengte van de mensen op het eiland slechts anderhalve meter. Ze konden alles wat grotere mensen konden – gereedschap maken, jagen – maar ze konden ook in leven blijven in moeilijke tijden.

    Door te paren met kleinere mensen, verklein je de behoeften van volgende generaties en red je mogelijk de planeet. Door op datingsites in je profiel de gewenste minimumlengte van potentiële partners te verlagen zet je een stap in de richting van een groenere planeet.

    Compenseren

    Nancy Blaker, een onderzoeker in Nederland die sociale status heeft bestudeerd, zegt dat kleine mannen, tegen de heersende stereotypen in, hun kleine lengte mogelijk ‘compenseren’ door positieve eigenschappen te ontwikkelen. ‘Het gaat niet om agressief en gemeen zijn,’ zegt ze. ‘Kleine mannen gedragen zich slim en strategisch en dat kan ook betekenen dat ze zich prosociaal opstellen.’

    Mijn man, die 1 meter 67 is, zegt dat lang zijn een stuk makkelijker zou zijn geweest dan te moeten investeren in zijn gevoel voor humor, maar ik weet wel dat ik niet met hem zou zijn getrouwd als mijn wangen niet zo’n pijn hadden gedaan van het lachen op onze eerste date.

    Het probleem is dat we nog steeds de illusie koesteren en als stelregel hanteren dat ‘meer van iets’ altijd waarde toevoegt. Het was Alberto Hayek – mijn vroegere, inmiddels gepensioneerde endocrinoloog van het Rady Children’s Hospital in San Diego – die me hierop heeft gewezen. Ik vroeg hem waarom ouders een behandeling met groeihormonen willen voor kinderen die geen onderliggende medische aandoening hebben. Hij zei dat het streven naar lengte vanzelfsprekend is in een kapitalistische maatschappij. ‘Alles is groot – de gebouwen, de bedrijven,’ zei hij en legde uit dat het ideaalbeeld dat ouders van hun kroost hebben wordt bepaald door de gedachte dat groter beter is.

    ‘Er zijn kleine mensen die het goed doen en een fantastisch leven leiden, en er zijn lange mensen die zich ellendig voelen’

    Een andere endocrinoloog, Adda Grimberg, wetenschappelijk directeur van het Growth Center van het Children’s Hospital of Philadelphia, zegt dat lengte-discriminatie weliswaar bestaat, maar dat bezorgde ouders ten onrechte denken dat lang zijn de sleutel is tot succes en erbij horen. ‘Er zijn kleine mensen die het goed doen en een fantastisch leven leiden, en er zijn lange mensen die zich ellendig voelen,’ aldus Grimberg. ‘Het is niet de lengte op zich die het resultaat bepaalt.’

    Daar ben ik het mee eens. Als klein persoon heb ik gemerkt dat er maar één ding is wat ik niet kan: dingen uit hoge schappen pakken. Maar dat gaat prima in de supermarkt, want lange mensen reiken graag naar dingen – het geeft ze het gevoel dat hun buitensporige ledematen tenminste een doel hebben.

    In sommige delen van de wereld wordt klein zijn juist gevierd. Arne Hendriks, een docent en kunstenaar van 1 meter 95, gebruikt optredens en tentoonstellingen om mensen aan te moedigen hun kleinere lengte te omarmen. Hij heeft zelfs de hoeveelheid zuivel en suiker in het dieet van zijn zoons teruggebracht in een poging hun groei te beperken en hen te behoeden voor de nadelen van lang zijn. ‘Het is tijd voor lange mensen om hun arrogantie te laten varen,’ zegt Hendriks. ‘Wees niet overmoedig als je lang bent, want je zult waarschijnlijk jonger sterven, meer gezondheidsproblemen hebben en voor meer vervuiling zorgen.’

    De toekomst die ik voor ogen heb, is anders: ik wil dat de kinderen van mijn kinderen de waarde van klein zijn inzien. Ik wil dat ze zichzelf klein maar fijn noemen! En als de een roept: ‘Ik ben de kleinste’, hoop ik dat de ander door zijn knieën gaat om zich kleiner te maken en roept: ‘Nee, ik ben de kleinste!’ 8630c425 48f1 495f 951b 9d6f0c7612ce

  • Morgan de orka is gered, maar voor altijd gevangen

    Morgan de orka is gered, maar voor altijd gevangen

    Tien jaar geleden werd een jonge, bijna verhongerde orka aangetroffen in de Nederlandse Waddenzee. De walvis werd gered en leeft intussen in een aquarium. Sindsdien ruziën veel verschillende partijen over de vraag wat het beter voor haar is: weidse, maar gevaarlijke vrijheid, of een benauwde veiligheid tussen betonwanden?

    Keuze uit het archief

    Op 4 mei dit jaar bracht een groep orka’s een jacht tot zinken voor de kust van Gibraltar. Het voorval was een van de vele incidenten waarbij de ‘killerwhales’ schepen aanvallen in de buurt van de Spaanse en Portugese kust. Volgens The Guardian is een van de mogelijke verklaringen voor dit gedrag dat een van de orka’s een traumatische ervaring met mensen heeft gehad. Want dat de relatie tussen de orka en de mens niet altijd soepel verloopt, blijkt wel uit dit artikel van Die Zeit. Journalist Johannes Böhme onderzocht het verhaal van orka Morgan, die ‘gered’ werd uit de Waddenzee en uiteindelijk in een aquarium in Tenerife belandde. Logisch dat zijn soortgenoten besloten wraak te nemen.

    De Latijnse benaming is een toespeling op de orcus, de onderwereld. De Engelse, ‘killerwhale’, op de jachtmethode van het dier. We horen de zeven orka’s al voor we ze zien: hun ademhaling, de lange teugen lucht, als het zuchten van reusachtige blaasbalgen, en hun spookachtig hoge kreten, die echoën tegen de lege bankjes van het stadion. Het meest bezochte dierenpark van de Canarische Eilanden, het Loro Parque op Tenerife, is al maanden gesloten. De laatste bezoekers kwamen er in maart; nu is het augustus. Toch zijn de paden in het park aangeveegd, de heggen gesnoeid, de ruiten gezeemd. Wolfgang Kiessling, de 83-jarige eigenaar, heeft een huis in het midden, tussen de leeuwen, de papegaaien en de flamingo’s. Hij bezit niet alleen de dierentuin, maar ook een reusachtig waterpark, een aquarium, een vijfsterrenhotel en een steakrestaurant zo dicht bij de dierentuin dat je van daaruit een mooi uitstapje kunt maken: dieren bekijken, en dan dieren eten. Forbes schatte zijn vermogen in 2019 op 270 miljoen euro. Kiessling kwam begin jaren zeventig uit Duitsland naar de Canarische Eilanden. Sindsdien woont hij er.

    Verantwoording

    Johannes Böhme (33) stuitte toevallig op blogbijdragen over Morgan op een prozoowebsite, doorspekt met harde aanvallen op Ingrid Visser. Böhme wilde begrijpen waarom de strijd om een dier zo drastisch gevoerd wordt. Hij sprak met walvisdeskundigen en voormalig medewerkers van Loro Parque en Dolfinarium Harderwijk, en las honderden pagina’s wetenschappelijke studies.

    Ik ben naar de dierentuin gekomen om het dier te zien dat hem verreweg de meeste narigheid heeft bezorgd: een wilde orka die men Morgan heeft genoemd. Kiessling zelf begeleidt me naar het bassin. Hij draagt een wit poloshirt met een papegaaienlogo, zijn gezicht is rood van de zon. Onderweg pikt hij een blaadje op van het pad.

    Kiessling kan zijn orka’s niet uit elkaar houden. De vrouwelijke dieren zijn allemaal even groot: ongeveer vijf meter lang en iets minder dan twee ton zwaar. Maar de trainers leggen me later uit hoe je Morgan kunt herkennen: aan een klein zwart puntje, nauwelijks groter dan een knoop, dat midden in de witte, ovale vlek achter haar rechteroog is aangestipt. Aan haar rugvin, die geen kerven of littekens heeft, zoals die van de andere vrouwtjes in het bassin. Haar ogen zijn zwarte knikkers met een lichtblauwe rand.

    Tot op heden is de opvallende zwart-wittekening van de dieren een raadsel voor de biologen

    Al tien jaar is deze walvis omstreden. Het is een strijd die al zeven keer voor de rechter is geweest, en een keer voor de petitiecommissie van het Europees Parlement. Een conflict dat duidelijk maakt welke symboolwaarde een dier kan krijgen in de discussie over de vraag hoe de mens met de natuur moet omgaan.

    Wat Kiessling me wil laten zien, is de show. ‘U zult zien dat mijn dieren in blakende vorm zijn,’ zegt hij. Minstens twee keer per dag oefenen de trainers ook in het lege park met de orka’s salto’s, water spuiten, kop schudden, tong uitsteken, langs de rand van het bassin glijden, met de vinnen wuiven en de ‘alien’, een figuur waarbij de walvissen loodrecht als een raket uit het water opspringen en op het hoogste punt de kop vooruit steken.

    Er klinkt dad-rock: Phil Collins’ You’ll Be In My Heart. Het is een warme, zonnige dag, 27 graden. Achter het bassin bewegen de bananenplanten van een aangrenzende plantage traag in de wind. Morgan maakt drie snelle sprongen achter elkaar, de rug gebogen als een kerkraam. Een volwassen persoon had rechtop onder de curve van haar sprong kunnen staan. Kletterend valt ze terug in het water, een golf slaat over de rand van het bassin. De Europese Noordzee, het koude, donkere water, de scholen haring en de robbenkadavers – dat alles is duizenden kilometers ver weg. Morgan heeft een lange weg achter de rug.

    Orka’s zijn zulke buitengewone dieren dat het misschien geen wonder is dat de mens ze gebruikt als projectiescherm. Dat zie je al aan de naam die we ze gegeven hebben; de Duitse naam ‘schwertwal’ slaat op hun lange rugvinnen, tot wel twee meter lang bij de mannetjes en vaak van ver zichtbaar. 

    Tot op heden is de opvallende zwart-wittekening van de dieren een raadsel voor de biologen. Jagers proberen doorgaans zo onzichtbaar mogelijk te zijn.

    Lange tijd vonden mensen orka’s heel eng. Vissers en walvisjagers hadden keer op keer waargenomen hoe groepen orka’s grote walvissen aanvielen en doodden. Aan de Amerikaanse westkust strandden orka’s met hun buik vol dode robbenbaby’s, wel tien of meer. Er bestaan talloze horrorverhalen over deze dieren. Ze werden doorboord met lansen en harpoenen, met geweren beschoten, met artilleriegranaten en explosieven aan flarden geschoten. Nog in het jaar 1954 richtte het Amerikaanse leger met machinegeweren een slachting aan bij IJsland, waarbij honderden orka’s gedood werden.

    Later, in de jaren zestig en zeventig, toen de eerste dieren in aquariums getoond werden, begrepen miljoenen mensen hoe speels, intelligent en sociaal orka’s zijn. Vanaf dat moment veranderde alles. Angst sloeg om in bewondering. Mensen werden verliefd op de orka. De monsters veranderden in showdieren.

    Hello en bye bye

    In een van de eerste orka-shows, in 1968 in Seaworld, een pretpark in het Amerikaanse San Diego, speelde de trainer een dokter die zijn patiënt, een orka, onderzoekt met een stethoscoop. Antropomorfiseren noemen wetenschappers dat; het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan dieren. En dat was precies wat de mensen deden met de orka. De film Free Willy, waarin een jongen vriendschap sluit met een orka en hem uit een aquarium bevrijdt, was een van de succesvolste film van de jaren negentig. Meer dan 153 miljoen dollar bracht hij wereldwijd op. In een Frans aquarium leerden een paar jaar geleden wetenschappers een orka geluiden te maken die klonken als ‘hello’ en ‘bye bye’. En de Lumi, een indianenvolk in de staat Washington in de VS, noemen de orka’s ‘onze broeders en zusters onder water’.

    De bemanning van patrouilleboot De Krukel, die niet ver van Lauwersoog op de Waddenzee voer, dacht eerst dat ze gevolgd werden door een dolfijn. Het dier was klein en vermagerd. Niemand van hen had ooit een orka in de Noordzee gezien. Ze stuurden foto’s naar de wetenschapper Kees Camphuysen. ‘Ik zei tegen ze: dat is een jonge orka. Die is ver, ver afgedwaald van zijn groep. Die gaat dood. Daar valt niets aan te doen,’ vertelt Camphuysen mij via Zoom. ‘Maar ze wilden niet naar me luisteren.’

    Het was 23 juni 2010. Het enige bassin in Nederland dat groot genoeg was voor een orka, ligt in Harderwijk, 160 kilometer verderop. Het Dolfinarium is een commercieel aquarium waar dolfijnen, zeeleeuwen en bruinvissen te zien zijn. Ambtenaren van het ministerie van Landbouw en Natuurbeheer mailden foto’s van het dier naar het personeel van het Dolfinarium. Tegen twee uur ’s middags besloten ze daar dat het dier gered moest worden. De Nederlandse regering zorgde voor een speciale vergunning. 

    Het duurde meer dan zes uur tot het reddingsteam uit Harderwijk bij de orka aankwam. Het was kort na acht uur ’s avonds. Het water stond zo laag dat het de mannen in hun wetsuits maar tot net boven de heupen kwam. Het dier zwom nog net, met maar een paar handbreedtes water onder de buik.

    ‘Het was warm, zonnig en windstil. De zee was kalm, zonder golfslag,’ vertelt Steve Hearn, indertijd de hoofdtrainer van de dolfijnen in Harderwijk. ‘Ze bewoog niet toen we haar benaderden. Ze lag gewoon stil in het water. Toen we haar pakten, verweerde ze zich niet. Op een video van de redding is te zien hoe ze het dier met zeven man vastpakten. Hearn in zijn wetsuit omvatte de orka als een boomstam. Toen gingen ze aan de slag. Ze droegen het dier een beetje, en het zwom een beetje mee. Zo loodsten ze het tweehonderd meter in de richting van het schip. Hearn zegt dat hij dacht: ‘Als er nu aan de horizon een grote zwarte rugvin opduikt, dan hebben we een probleem.’ Maar daar lag alleen het eiland Schiermonnikoog en de gladde, lege Noordzee. Om de dichtstbijzijnde orkapopulatie te bereiken had je in alle richtingen meer dan zevenhonderd kilometer moeten zwemmen, naar de Hebriden, de westkust van Groot-Brittannie, de Faeröer eilanden of de Noorse kust. Het dier was heel ver van huis. Het liet zich zonder verweer in de draagbanden leggen en aan boord hijsen.

    De dierenarts Niels van Elk gaf de orka infusen, omdat het beest zo uitgedroogd was. ‘Het zag eruit als een paling, zo vermagerd was hij,’ zegt Van Elk. ‘Ik maakte me grote zorgen dat het zomaar onder onze handen kon sterven. Het was een vrouwtje, drie meter veertig lang, tussen twee en drie jaar oud. Ze woog maar 430 kilo, zoveel als een eenjarig kalf. Ze leek wekenlang vooral algen gegeten te hebben. Ze laadden haar over op een vrachtwagen, legden natte handdoeken op haar huid en besproeiden haar tijdens de meer dan twee uur durende rit met water. Onderweg begon ze plotseling geluiden te maken, hoog en piepend.

    Pas om half twee ’s nachts kwamen ze bij het aquarium aan. Men hees het dier in een leeg bassin, het oude showbad voor zeeleeuwen en dolfijnen dat iets meer dan twintig meter lang, bijna acht meter breed en maar ongeveer drie meter diep was. Ze voerden haar vissen.

    Ze was nog geen eigendom, maar dat wat juristen res nullius noemen: niemands zaak

    Orka’s kunnen kieskeurig zijn wat hun voeding betreft. Er zijn orka’s die in gevangenschap tweeënhalve maand niets anders aten dan vis. De groepen in het wild specialiseren zich vaak op een prooidier, waar ze dan in hoofdzaak op jagen, terwijl al het andere ze niet interesseert. Er zijn groepen orka’s die bijna uitsluitend roggen eten, of haaien, of zeeleeuwen. Andere zijn volledig gespecialiseerd op de jacht op andere walvissen. Ze eten vaak niet eens het hele slachtoffer op, maar alleen de tong, het weekste deel van de walvis.

    Dit dier hield van haringen, inktvissen en lodden, kleine, langwerpige visjes, iets groter dan sardines. De dure zalmfilets die een lokale onderneming had gedoneerd, spuugde ze weer uit. Het kleine walviswijfje overleefde de eerste nacht, en de tweede, en de derde. Ze werd Morgan genoemd.

    Niels van Elk, de dierenarts, probeerde dagenlang uit te vinden wat er met Morgan aan de hand was. Hij onderzocht haar met een maagsonde, met een camera in haar ademgat en nam bloed af. ‘Ik kon niks vinden. Ze had al lang niets meer gegeten, maar verder leek ze niks te mankeren,’ zegt Van Elk. Het bleef een raadsel: waarom had ze de aansluiting bij haar groep verloren, ergens daarbuiten, in het voorjaar? Was er iets gebeurd met haar familie, of kon ze zich niet meer oriënteren? En: kon ze worden teruggezet in zee? Het is nu moeilijk voor te stellen hoe open Morgans toekomst toen nog was. Dat er een moment was waarop nog niet alle meningen vaste vorm hadden aangenomen. Op dat moment werd ze nog door niemand als bezit gezien. Ze was nog geen eigendom, maar, zoals alle wilde dieren in de EU, dat wat juristen res nullius noemen: niemands zaak.

    Het dispuut rond orka’s is, zoals zoveel discussies, een strijd over wat werkelijkheid is en wat niet. Het gaat om verschillende percepties van de werkelijkheid en om de metaforen die ons helpen haar te begrijpen. Wat betekent een bassin vol water voor een walvis? Een luxehotel? Of een piepkleine gevangeniscel?

    We weten niet precies hoe de orka een zwembad beleeft. Net als voor een vleermuis bestaat de wereld voor hem vooral uit klank, resonantie, die hij met klikgeluiden aftast. Middels hoge kreten vindt hij de andere orka’s van zijn groep, zelfs als die meer dan tien kilometer ver weg zijn. Maar voor een dier dat veel tijd in diepe duisternis doorbrengt zijn ook zijn ogen verbazend goed.

    De jacht op de walvis

    Onze kennis van de omvang van de industriële walvisvangst komt grotendeels voort uit verhalen over walvissen die met succes werden gevangen. Maar Morgana Vighi en haar team van de Universiteit van Barcelona wilden het aantal
    walvissen vaststellen dat walvisjagers hebben gedood maar niet verhandeld, schrijft Hakai Magazine.

    Vooral in de begindagen van de walvisjacht, voordat technologische vooruitgang de tactieken effectiever maakte, kwam het vaak voor dat walvisjagers walvissen ‘verloren’. Een opvallend groot aantal walvissen raakte gewond of stierf zelfs, maar ging vervolgens verloren op zee – ‘en alle arbeid was verloren, zoals al zo vaak is gebeurd’, klaagde Frederic Marten, een zeventiende-eeuwse Britse walvisvaarder.

    Uit het onderzoek van Vighi en haar team bleek dat geen enkele reis zonder verliezen verliep. In de vroege fase van de industriële walvisvangst, tussen 1775 en 1850, waren die verliezen aanzienlijk. De wetenschappers berekenden dat het verliespercentage voor potvissen 1 op 10 bedroeg; voor elke tien gevangen walvissen op zee ging er één verloren. Voor zuidelijke rechtse walvissen was dat aantal zelfs 5 op 10; voor elke tien die werden gedood en gevangen, gingen er vijf verloren.

    ‘Deze reconstructies zijn van fundamenteel belang voor de huidige herstelinspanningen, omdat ze ons vertellen hoe ver of hoe dicht de huidige populaties af zitten van de natuurlijke situatie,’ zegt Ana Rodrigues, ecoloog bij het Centre for Functional and Evolutionary Ecology in Frankrijk (niet betrokken bij het onderzoek). ‘Het negeren van deze [verloren] walvissen leidt tot onderschatting van de historische populatie en vertaalt zich in minder ambitieuze doelstellingen.’

    Weinig mensen hebben zich zo erg in orka’s geprobeerd in te leven als Ingrid Visser. Ze is walvisonderzoekster, 54 jaar oud en woont in een afgelegen huis aan de steile kust van Tutukaka in het noorden van Nieuw-Zeeland. Vaak kan ze de walvissen vanuit haar raam observeren. Gezien vanuit Harderwijk woont ze vrijwel precies aan het andere eind van de wereld. Ze heeft stroblond haar en blauwe, bijna doorzichtige ogen, die haar iets onthechts geven. We spreken elkaar via Zoom.

    Morgan hield de rechtbanken voortdurend bezig; een dierenbeschermster heeft haar geval zelfs voor een commissie van het Europese Parlement gebracht. Zolang ze zich kan herinneren is ze bezeten geweest van walvissen, vertelt Visser. Op haar veertiende had zij, een boerendochter, zo ongeveer de complete vakliteratuur over de dieren gelezen. Op haar zestiende begon ze maandenlang op zee te varen, als steward op een zeilschip. Van haar negentiende tot haar eenentwintigste jaar bracht ze bijna al haar tijd op zee door, voer de wereld rond, legde 96000 kilometer op het water af. Toen ze terugkwam, had ze driekwart van alle walvis- en dolfijnensoorten in het wild meegemaakt.

    Ze was een jonge biologiestudente toen ze bij het snorkelen voor het eerst een orka onder water zag. ‘Een groot wijfje, met een rog in de bek, zwom met haar kalf vlak langs me,’ vertelt ze. ‘Dat was een magisch, betoverend moment.’ Het materiaal voor haar proefschrift verzamelde ze door met wilde orka’s voor de kust van Nieuw-Zeeland te gaan duiken, wat tot dan toe nog vrijwel niemand had gewaagd.

    Visser heeft duizenden uren met orka’s doorgebracht, honderden daarvan onder water. Bij Nieuw-Zeeland kan ze de dieren aan hun vinnen herkennen. Ze heeft ze namen gegeven. Ze heeft gezien hoe ze jagen, wat ze eten, hoe ze spelen en hun kalfjes opvoeden. En ze heeft ze af en toe het leven gered. Vijftien keer, vertelt ze, heeft ze gestrande orka’s terug de zee in geholpen. De meeste van die dieren waren gezond en in goede conditie. Ze waren verdwaald in ondiep water en waren op een zandbank gezwommen. Of ze hadden zich verstrikt in vissersnetten en moesten bevrijd worden.

    Visser is nooit professor aan een universiteit geworden en heeft desondanks meer dan dertig wetenschappelijke artikelen gepubliceerd. Haar onderzoek heeft ze gefinancierd met donaties en bijbaantjes. ‘Ik ben sinds twintig jaar niet meer op vakantie geweest, ik ga zelden naar restaurants. Ik word niet betaald voor mijn onderzoek, dus vrienden en familie doneren af en toe geld, zodat ik mijn rekeningen kan betalen.’ Ze vertelt dat ze voor het eerst orka’s in gevangenschap heeft gezien in een bassin in Antibes, in Frankrijk. ‘Ik moest braken.’ De benauwdheid van het bad en het onnatuurlijk gedrag van de dieren kon ze nauwelijks verdragen. ‘Het was zó verkeerd,’ zegt ze.

    Ze hoorde over de redding van Morgan op televisie. In haar ogen was er voor de walvis vanaf dat moment maar één doel: de oceaan.

    De mensen die Morgan in de eerste weken in Harderwijk bezochten, verbaasden zich over hoe communicatief ze was. ‘Het leek niet helemaal normaal,’ zegt Filipa Samarra, orka-onderzoekster aan de IJslandse universiteit in Reykjavik en een van de eerste wetenschappers die bij haar waren. ‘Maar wij wisten ook niet echt wat normaal was. Ze communiceerde dag en nacht.’

    In Tenerife heb ik haar geluiden gehoord. Ze klinken als het piepen van een slecht geoliede deur, als een vogel, of als het geluid wanneer je met je vingers over een luchtballon wrijft. En dan weer klinken ze volkomen buitenaards.

    Verschillende dialecten

    Orka’s hebben verschillende dialecten. De geluiden verschillen van groep tot groep. Een orka uit Antarctica klinkt anders dan een orka uit Alaska of Noorwegen of de Salish Sea bij Vancouver. Zelfs verschillende groepen in dezelfde wateren hebben vaak een compleet eigen code die ze leren van hun verwanten. Met een beetje geluk kun je aan de hand van de geluiden vaststellen waar ze vandaan komen. Morgan piepte een onbekend, waarschijnlijk Noors dialect, zoals Samarra achterhaalde nadat ze de geluiden had vergeleken met enkele duizenden orka-roepen die wetenschappers in het wild hadden opgenomen.

    Morgan werd steeds sterker. Ze at begerig. Ze kwam aan. Na tweeënhalve maand was ze al 260 kilo aangekomen. Het bassin was snel te klein. Als ze loodrecht in het water stond, raakte ze met haar staartvin de bodem. De ramen van haar bad waren allemaal ondoorzichtig, op één na. Vaak wachtte ze achter dit ene, heldere raam, tot er iemand voorbij kwam.

    Steve Hearn, de trainer, stond voor een dilemma. ‘Het zijn intelligente dieren, ze vervelen zich snel,’ zegt hij. Maar het is eigenlijk geen goed idee om een dier dat in zee teruggezet moet worden, al te zeer aan mensen te laten wennen. Niettemin zegt Hearn dat het ‘gewoon te wreed zou zijn geweest als we niets anders hadden gedaan dan Morgan elke dag vijftien pond vis in de bek te gooien en er dan weer vandoor te gaan’.

    Hearn begon de monotonie van haar dagen in het kleine bad te doorbreken. Hij bedacht spelletjes voor haar. Hij liet een op afstand bestuurbaar autootje voor haar bassin heen en weer rijden. Hij zette een pak cornflakes voor het raam, zodat er meeuwen op af kwamen. Hij ging het water in en zwom met haar rond. Hij masseerde haar buik, haar rug, haar tong.

    Weidse, maar gevaarlijke vrijheid, of een benauwde veiligheid tussen betonwanden

    Na iets meer dan een maand lieten ze in Harderwijk toeschouwers bij Morgan toe. Enkele honderden bezoekers zagen haar elke dag in het Dolfinarium. De toekomst van Morgan vernauwde zich met de dag.

    Hearn zegt dat hij zes dagen per week zestien uur per dag met haar doorbracht. ‘Maar natuurlijk kon dat zo niet verder gaan. Ze moest terug naar andere zwart-witte dieren.’ Er waren twee mogelijkheden: een leven in een zwembad – zij het groter dan in Harderwijk – met andere orka’s. Of in het wild, met een onzeker resultaat. Weidse, maar gevaarlijke vrijheid, of een benauwde veiligheid tussen betonwanden.

    Seaworld

    Eigenlijk begon het conflict rond Morgan, het orkawijfje, lang voordat ze strandde. Het gaat decennia terug en het draait vooral om één firma, de Amerikaanse themaparkexploitant Seaworld. Seaworld heeft de orka veranderd in een merk. In een entertainmenticoon. Iets meer dan de helft van alle orka’s in gevangenschap was eind 2010 van deze firma: 24 dieren in totaal, verdeeld over drie parken in San Diego, Orlando en San Antonio, en nog vijf dieren die uitgeleend waren aan Loro Parque. Het was een kleine groep, vergeleken met de op ongeveer 50.000 geschatte orkapopulatie in het wild. De onderneming maakte in dat jaar een omzet van 1,2 miljard dollar dankzij 22,4 miljoen bezoekers. Het bedrijf is in het verleden meedogenloos te werk gegaan om aan dieren te komen.

    De eerste orka’s ving Seaworld in 1970 bij Seattle. Men spoorde de dieren met vliegtuigen op en dreef ze met explosieven in ringzegennetten. Later, toen de jacht in Amerika werd verboden, weken de jagers van Seaworld uit naar IJsland, waar de firma extra bassins liet bouwen. Daarin werden de pas gevangen dieren vastgehouden tot ze afgevoerd konden worden. Vaak stierven ze er. Om te versluieren dat het om in het wild gevangen dieren ging, sluisde de firma een deel van de orka’s eerst door Japanse aquariums, voordat ze de VS in gebracht werden. Toen ook in IJsland het tij keerde, kocht Seaworld de markt leeg.

    Een van de laatste beschikbare orka’s haalde het bedrijf in 1987 vanuit Nederland naar de VS – uit het Dolfinarium Harderwijk. Ook de orka’s in het Loro Parque in Tenerife waren tot 2017 het eigendom van Seaworld. Zij zijn de nakomelingen van de dieren die men bij Seattle en IJsland had gevangen. Die race om steeds nieuwe orka’s ligt al tientallen jaren achter ons. Maar toen Morgan gered werd, doken de oude reflexen meteen weer op. ‘Ik wist dat er problemen zouden komen,’ zegt Ingrid Visser. ‘Op dat moment waren er al dertien jaar geen wilde orka’s meer gevangen. De genenpool in de aquariums was beperkt. Morgan was nieuw bloed voor een industrie die een inteeltprobleem had – en daarmee een van de waardevolste dieren ter wereld.’

    De waarde van een orka schatten is vrijwel onmogelijk, omdat maar weinig aquariums in de wereld de gelegenheid hebben om dieren onder te brengen, en de handel door de wetgeving sterk is ingeperkt. Dennis Speigel, een deskundige op het gebied van Amerikaanse pretparken, schat desondanks dat een orka op dit moment vijf tot tien miljoen dollar waard is. Ter vergelijking: in 2011 lag de jaaromzet van het Dolfinarium in Harderwijk rond 16,4 miljoen euro.

    Maar Steve Hearn en Niels van Elk, de voormalige dierentrainer en de toenmalige dierenarts van het Dolfinarium in Harderwijk, bestrijden allebei dat het om het geld ging. Zij wilden eenvoudig een dier redden, zeggen ze. Of het Dolfinarium ooit iets in ruil voor Morgan heeft gekregen, is onduidelijk. Het Dolfinarium Harderwijk heeft al mijn vragen onbeantwoord gelaten. 

    In de loop van millennia zijn ze tot het vreeswekkendste roofdier van de zee geworden, enkel overtroffen door de mens. Onderzoekers vermoeden dat ze een hele reeks soorten hebben uitgeroeid

    Vrijwel alles wat een orka zal leren, leert hij van zijn moeder. Zij brengt hem het systeem van geluiden bij waarmee ze communiceert, de jachttechnieken, die verfijnder zijn dan die van vrijwel elk ander dier, de opvoedmethoden, de lichaamsverzorging en de spelletjes. De rest leert een orka van zijn grootmoeder en zijn tantes. De wijfjes vormen het geheugen van de groep. In sommige orkagroepen blijven de dieren een leven lang bij hun moeder en grootmoeder. De mannetjes worden daar nooit helemaal zelfstandig. Ze sterven meestal korte tijd na de dood van hun moeder.

    De coördinatie van orka’s in het water is adembenemend. Hun waarneming van de wereld is er volledig op ingesteld om als groep te jagen. Die collectieve samenhang heeft ze in de loop van millennia tot het vreeswekkendste roofdier van de zee gemaakt, enkel overtroffen door de mens. Onderzoekers vermoeden dat ze een hele reeks soorten hebben uitgeroeid. Na het opduiken van de killerwhale tien miljoen jaar geleden nam het aantal grote walvissoorten tijdelijk af, van naar schatting 85 tot 38; het aantal robbensoorten werd gehalveerd. De meeste orka’s leven in koude wateren, in de poolzeeën, maar ze komen overal, ook in de tropen. Je kunt ze evengoed aantreffen in Hawaii als voor Moermansk. En hun honger is als die van ons: veelomvattend.

    Ze doden bijna tweehonderd soorten, in grootte variërend van 60-tonners tot rolmopsen; 37 walvissoorten, waaronder de blauwe vinvis, de potvis en dwergwalvissen, alle grote haaien- en roggensoorten, inclusief de grote witte haai, twintig soorten robben, 27 soorten zeevogels, 29 octopus- en inktvissoorten, 44 soorten vis, in het bijzonder zalmen, haringen en makrelen, evenals twee soorten zeeschildpadden. Af en toe grijpen ze ook herten en elanden die zee-engten oversteken. Het is bijna ontroerend dat ze ons tot dusver gespaard hebben. Voor zover bekend is in het wild nog nooit een mens door hen gedood. Het is onduidelijk waarom wij, die zo vaak argeloos in zee rond plonzen, nooit op hun menu zijn beland. Wel hebben de dieren zo nu en dan wel doelgericht boten geramd.

    Maar de hechte samenhang van hun groepen heeft ook nadelen. In hun eentje raken ze snel verloren. Het zijn hyperconformistische gemeenschappen, hun intelligentie is conservatief. De Canadese orka-onderzoeker Lance Barrett-Lennard heeft eens geschreven: ‘Ze kunnen bijna alles nadoen, maar ze houden niet van experimenteren en nieuwigheden.’

    Het zijn voorzichtige dieren, die vaak dagen nodig hebben voor ze in een nieuw bassin door een onbekende doorgang durven te zwemmen. Dat is fataal voor een terugplaatsing in de natuur: orka’s hebben een tendens ontwikkeld die de mens ook bekend is: xenofobie. Ze houden niet van dieren die anders jagen, anders klinken en er anders uitzien dan zijzelf. Veel orkagroepen zijn volgens genetische analyses meer dan 150.000 jaar geleden uit elkaar gegaan en hadden sindsdien nauwelijks contact met elkaar. Voor het terugplaatsen van een orka als Morgan moet je derhalve in de weidsheid van de oceaan iets heel kleins vinden: haar school, een groep van misschien twintig, dertig walvissen, waaruit ze afkomstig is. 

    Besluit

    In september 2010 vroeg Niels van Elk, de dierenarts van het Dolfinarium Harderwijk aan zeven experts – vier orka-onderzoekers, twee waddenzee-experts en een voormalige dierenarts van Seaworld – wat het Dolfinarium het beste kon doen. In november 2010 werden hun aanbevelingen in een rapport voor de Nederlandse regering gepubliceerd, bijna vijf maanden na de redding van Morgan. Alle zeven zeiden tegen terugplaatsing te zijn, zolang niemand wist waar Morgans walvisgroep was. John Ford, een van de bekendste walvisonderzoekers van de wereld, schreef in zijn rapport voor het aquarium: ‘Ze heeft al laten zien dat ze waarschijnlijk niet in staat is zelfstandig voedsel te vinden en zou waarschijnlijk lijden en in haar eentje sterven.’

    Voor het Dolfinarium was het besluit daarmee gevallen. In de maanden daarna kwamen er veel mensen op bezoek in Nederland: trainers van Marineland in Antibes kwamen langs en deden trainingssessies met de orka. Een dierenarts van Seaworld inspecteerde het dier. Steve Hearn vertelt dat hij een telefoontje kreeg van de intussen overleden eigenaar van het Marineland Park in het Canadese Niagara Falls, die hem vroeg hoeveel Beluga’s, dus witte walvissen, hij wilde hebben voor de orka. Hearn zei hem dat hij alleen maar de trainer was, en hem niet verder kon helpen. 

    Kort daarop klaagde een coalitie van zeven organisaties voor dierenrechten de Nederlandse regering en het Dolfinarium aan. Ingrid Visser werd de orka-expert van deze coalitie, die eiste dat de walvis ondanks het advies van de zeven wetenschappers in zee zou worden teruggezet – eerst in een afgeschermde zee-omgeving, waar men haar verder kon voederen en medische zorg kon geven. De dierenbeschermers wilden Morgan daar voorbereiden op terugkeer in zee.

    Wilde walvissen worden in Europa streng beschermd. Er bestaat een hele reeks internationale verdragen, EU-reguleringen en nationale wetten die verbieden ze te vangen. Ze zijn niet allemaal even streng, maar alle voorzien erin dat walvissen die gered worden uit een noodsituatie zo snel mogelijk terug in zee worden gebracht. De scherpste tekst, het ‘Verdrag tot behoud van de kleine walvissen in de Noord- en de Oostzee, de Noord-Atlantische oceaan en de Ierse Zee’, afgekort het ASCOBANS-verdrag, verbiedt het langdurig gevangen houden van kleine walvissen zonder uitzondering. De Nederlandse wet laat een klein gaatje open. Die staat toe gestrande walvissen te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek wanneer ze niet in zee terug gezet kunnen worden. Een EU-verordening verbiedt de ‘overwegend commerciële uitbating’ van wilde orka’s, evenals de handel in de dieren – maar staat wel uitzonderingen toe in bijzondere gevallen. 

    Een terugplaatsing zou niet alleen riskant zijn, maar ook duur. Heel duur. Er zijn in het verleden pas twee pogingen tot terugplaatsing met orka’s gedaan. Een daarvan was Keiko, de ster uit de film Free Willy, die na bijna twintig jaar in gevangenschap terug werd gebracht naar IJsland. Hij werd per vliegtuig van Mexico naar de VS, en later, in 1998, naar IJsland vervoerd. Een team begeleidde hem met peilzenders, boten, helikopters en vliegtuigen. De hele operatie kostte uiteindelijk ongeveer 20 miljoen dollar, gefinancierd uit donaties, waarvan meer dan 10 miljoen van de tech-miljardair Craig McCaw kwam, en twee miljoen van Warner Brothers, de productiemaatschappij die Free Willy produceerde. Desondanks werd Keiko nooit meer een echte wilde walvis. Hij stierf in 2003 in een baai in Noorwegen. Hij was vrijwel zijn hele leven door mensen begeleid en verzorgd.

    De tweede poging was goedkoper en succesvoller. In juni 2002 werd een jong wijfje, dat blijkbaar alleen en gedesoriënteerd was, gevangen in Puget Sound, in de buurt van Seattle. Wetenschappers kenden haar groep, die zich vijfhonderd kilometer noordelijker ophield. Ze werd een maand lang in een afgeschermd stukje zee verzorgd en toen per boot een paar honderd kilometer verderop naar haar verwanten gebracht, die haar weer opnamen. De kosten waren gering in vergelijking met de bedragen die voor Keiko waren opgehaald. Een paar honderdduizend dollar aan donaties was voldoende. Voor Morgan zou aanzienlijk meer uitgegeven moeten worden. Alleen al het transport naar Noorwegen zou tonnen hebben gekost. Een commercieel aquarium kostte de Nederlandse staat niets.

    In juni 2011 verleende de Nederlandse regering het Dolfinarium een exportvergunning voor Morgan. De afnemer zou Wolfgang Kiesslings Loro Parque in Tenerife zijn. Het Loro Parque is een commerciële onderneming. Tot de pandemie was het ook een heel winstgevend bedrijf. De balans van de dierentuin laat voor 2019 een winst zien van iets meer dan dertig miljoen euro.

    Het volledige gepubliceerde onderzoek aan de orka’s in het Loro Parque tot eind 2011 bestond daarentegen uit slechts twee wetenschappelijke artikelen in vaktijdschriften en een handjevol presentaties op wetenschappelijke conferenties. En de orka’s in Loro Parque waren allemaal eigendom van Seaworld. Ze waren slechts uitgeleend aan Kiessling. Morgan zou de vijfentwintigste orka worden in de collectie van een miljardenconcern.

    Het leek een duidelijke overtreding van meerdere wetten en internationale verdragen. In september 2011 bepaalde een rechter in Amsterdam daarom dat de export zes weken lang moest worden opgeschort.

    Kort daarop gebeurde er iets waarmee vrijwel niemand nog rekening had gehouden: de Duitse wetenschapper Heike Vester had in het jaar 2005 de geluiden opgenomen van een Noorse orkafamilie in de Tysfjord, terwijl ze een haringschool samendreven tot een compacte bal, de zogenaamde carousseljacht. Zij vergeleek de klanken met die van Morgan. Hun geluiden stemden verbazend nauwkeurig overeen.

    Goede kans

    ‘Het was ofwel haar eigen groep, ofwel een die er nauw verwant mee is,’ zei Vester mij. Vier van de zeven experts die aanvankelijk tegen terugplaatsing waren, veranderden daarop van mening. John Ford en Christophe Guinet, beiden internationaal bekende orka-onderzoekers, spraken zich uit voor een poging tot terugplaatsing. De twee andere orka-onderzoekers in de groep, Christina Lockyer en Fernando Ugarte, wilden zo’n poging op z’n minst overwegen. Drie van hen stelden bovendien voor om Morgan naar Noorwegen te brengen, niet naar Spanje, om haar eerst in een afgeschermd stuk zee te houden. De drie andere opstellers van het rapport die bij hun standpunt bleven, waren een voormalige dierenarts van Seaworld en twee Nederlandse Waddenzee-experts.

    Enkele weken lang zag het er naar uit dat de walvis een goede kans had in zee terug te keren. En toen viel alles uit elkaar. Op 21 november 2011 hief een rechter in Amsterdam de exportstop weer op. Het vonnis schoof de internationale verdragen en de EU-richtlijnen eenvoudig terzijde. De veranderde mening van de experts werd door de rechter niet serieus genomen. Dat het dier volgens de Nederlandse wet alleen voor onderzoek vastgehouden mocht worden, legde ze ruim uit: twee academische artikelen waren voldoende als bewijs. Het vonnis werd later in twee beroepsprocedures bevestigd.

    ‘De wet werd gewoon genegeerd als die in de weg zat. Ik heb zoiets daarvoor noch daarna ooit meer meegemaakt’

    Arie Trouwborst is professor in Tilburg, gespecialiseerd in milieurecht. Een nuchtere man die mijn vragen met kwellend lange pauzes beantwoordt om vooral niets ondoordachts te zeggen. Hij had destijds een advies opgesteld voor de coalitie van dierenbeschermers waartoe Ingrid Visser behoorde. ‘Ik kan nog steeds niet helemaal begrijpen wat er gebeurd is,’ zegt hij. ‘Ik leg mijn studenten altijd uit hoe belangrijk een precieze interpretatie van woorden voor de wet is. Maar dat deed er helemaal niet meer toe. Het was een beetje alsof we allemaal in die absurde bubbel gevangen zaten. De wet werd gewoon genegeerd als die in de weg zat. Ik heb zoiets daarvoor noch daarna nooit meer meegemaakt.’

    De Nederlandse rechters gaven in de motivatie van hun vonnis steeds weer blijk van hun zorg om de walvis niet in gevaar te brengen. Daar hadden ze beslist gelijk in. De wildernis is gevaarlijk, ook voor een alfa-roofdier, een roofdier dat geen enkel ander roofdier hoeft te vrezen. Hoe gevaarlijk het voor Morgan zou zijn, wist op dat moment niemand.

    De grote vraag is er uiteindelijk een die de mens in laatste instantie alleen voor zichzelf beantwoorden kan: is het beter om kort in het wild te leven, of lang in gevangenschap?

    Het was nog donker toen de trainers Morgan op 29 november 2011 in een draagbaar loodsten. Ze woog intussen bijna 1400 kilo. Sinds haar aankomst was ze iets minder dan een ton aangekomen. Het transport van een orka is een gecompliceerde, inspannende aangelegenheid. De dieren kunnen niet verdoofd worden, omdat ze hun bewustzijn nodig hebben om te ademen. Onder narcose zouden ze stikken. Ze zijn dus de hele tijd wakker. Ze worden wekenlang getraind om rustig in de draagbaar te liggen die in een met water gevulde container wordt gehangen.

    Morgan spartelde nauwelijks toen ze haar uit het bassin tilden. Maar ze ademde sneller dan anders, stootte ademwolkjes uit in het schelle licht van de schijnwerpers. In de container begon ze luid te piepen. In de dagen voor het transport hadden medewerkers van het Dolfinarium, onder wie ook Hearn, doodsbedreigingen ontvangen. Bij het aanbreken van de dag vertrok het konvooi.

    Men had de container met Morgan op een vrachtwagen geladen. Daarachter volgden auto’s van de politie. ‘We hadden een enorm politie-escorte, bijna dertig voertuigen,’ herinnert Hearn zich. ‘Elke brug op weg naar de luchthaven was afgesloten.’ Het vliegtuig was leeg, op de walviscontainer na. Hearn stond aan het hoofdeinde in het water om Morgan tijdens de vlucht gerust te stellen. Met een pollepel goot hij water over haar rug, zodat haar huid niet zou uitdrogen.

    Het was al donker toen ze in Loro Parqe aankwamen. Wolfgang Kiessling stond aan de rand van het bassin en keek toe hoe de vrachtwagen het orkastadion binnenreed. Morgan werd neergelaten in het bassin dat groter was dan dat in Harderwijk. Het grote bad is meer dan twaalf meter diep en 50,5 meter lang, iets meer dan tien keer haar lichaamslengte. In de eerste nacht bleef ze nog door een traliehek gescheiden van de andere walvissen. Wolfgang Kiessling noemde haar tegenover Spaanse journalisten ‘een geschenk van de natuur’. Hij verheugde zich over de ‘compleet nieuwe bloedlijn’. Ze was de zesde orka in Loro Parque. De vijf andere waren allemaal in gevangenschap geboren. Zij was daar het enige dier dat ooit in een arctische storm had gezwommen, levende vissen had gegeten, gezien had hoe haringscholen werden omsingeld – en dat zonder mensen had geleefd.

    Javier Almunia, directeur van de Stichting Loro Parque, die aan het commerciële dierenpark is gelieerd, zei in een interview kort na Morgans aankomst dat ze ‘onaangepast’ gedrag vertoonde. ‘Ze zwemt heel dicht tegen de anderen aan. Ze is soms heel opdringerig, probeert over de anderen heen te springen of ze te bijten in de genitale zone.’ De trainers merkten nog iets anders op, wat komisch was: ze hield de hele tijd haar kop boven water. 

    In juni 2012 kwam Ingrid Visser voor ruim drie weken naar Tenerife. Indertijd kon je de orka’s nog de hele dag bekijken als je bij het metalen hek aan de ingang van het stadion stond. Je staat daar iets meer dan tien meter bij het water vandaan. Visser kwam bijna iedere dag, met camera en notitieblokje. Ze stond er van ’s morgens tot ’s avonds en observeerde de dieren, vertelt ze me. De orkatrainers merkten haar al gauw op. Aan het eind van die drie weken werd er een hoge houten schutting gebouwd, waarover een voormalige medewerker van het park tegen me zei dat ze die maar beter de ‘Ingrid Visser-palissade’ kunnen noemen.

    De littekens die een orkagebit achterlaat zien er een beetje uit zoals het patroon dat een tuinhark in het zand achterlaat

    Toen ze weer thuis was, schreef Visser een rapport dat de hoogte van de afscheiding verklaart. In de 77 uur aan de rand van het bassin had ze 91 aanvallen op Morgan gezien door de andere orka’s. Ze telde 320 nieuwe beetwonden en vers geheelde littekens op haar lichaam. Morgan was meermalen voor haar ogen met volle kracht door een ander dier geramd.

    ‘Nooit eerder heb ik zoveel geweld tussen orka’s gezien,’ vertelt Visser me. ‘Ik heb honderden uren onder water met de dieren in het wild doorgebracht. En nooit een aanval tussen twee orka’s gezien. In het Loro Parque gebeurde het bijna ieder uur.’

    De littekens die een orkagebit achterlaat zien er een beetje uit zoals het patroon dat een tuinhark in het zand achterlaat. Je vindt ze ook bij veel wilde orka’s. Volgens een studie zelfs bij de meeste. In het wild zitten de mannetjes heel vaak onder de littekens. Maar hoe die wonden precies ontstaan, weten we niet. Gevechten binnen een orkagroep werden zo goed als nooit waargenomen. De matriarchen in het wild lijken hun leiderschap in de hiërarchie maar heel zelden – misschien wel nooit – met geweld af te dwingen. Mogelijk ontstaan ze bij confrontaties tussen verschillende groepen. Misschien verklaart dat ook waarom Morgan in het begin zo heftig werd aangevallen. Zij was de vreemde.

    Het Loro Parque bestrijdt dat de agressie buitengewoon heftig zou zijn geweest. Javier Almunia, directeur van de Stichting Loro Parque, verwijst naar een studie uit 2019, waaraan hij zelf heeft meegeschreven, volgens welke minder dan 1 procent van de interacties tussen de walvissen in het park agressief is. Als ik Wolfgang Kiessling aanspreek over Ingrid Visser en haar kritiek, is hij niet onder de indruk. Hij noemt haar – als een echte dierentuinbezitter – ‘een vals dier’.

    Morgans lichaam is nu overdekt met groeven, in wilde patronen, als een schilderij van Pollock. Lange littekens die zigzag over de lengte van haar rug lopen, en korte horizontale op haar zijkant die eruitzien als een wrede grap: alsof iemand haar heeft beschilderd met haaienkieuwen. 

    ANP 331204215 2 1
    Morgan in Harderwijk. – © Novum rs/str.Ruben Schipper

    Na haar aankomst in Loro Parque werd al snel duidelijk dat Morgan vaak niet op de trainers reageerde. Ze negeerde hen. Soms zwom ze minutenlang razendsnel rondjes door het bassin, ongecontroleerd en wild. Ten slotte kwamen ze op het idee dat ze haar verzorgers mogelijk niet kon horen. In november 2012 werden drie wetenschappers ingevlogen, een uit Nederland, twee uit de VS. Allen experts inzake het hoorvermogen van dolfijnen en kleine walvissen. Met zuignappen plaatsten ze elektroden op haar lichaam om haar hersengolven te meten. Toen lieten ze haar een luid klikgeluid horen. Bij alle andere orka’s in het Loro Parque zagen de wetenschappers een reactie op de klanken, alleen bij Morgan niet. Morgan hoorde duidelijk slechter dan de andere orka’s. Mogelijk, schreven ze, was Morgan ‘compleet doof’.

    Dat is voor een wild dier een groot probleem. ‘Deze dieren zijn op hun gehoor aangewezen,’ vertelde de Franse orkaspecialist Christophe Guinet mij. ‘Ze gebruiken echolocatie om vissen te vinden, ze coördineren de jacht middels geluiden, en via geluiden vinden ze ook hun groep terug wanneer ze die kwijt zijn. Daarmee kunnen ze zich ook oriënteren in het donker. Het is bijna onmogelijk dat een dove orka in het wild overleeft. Zonder hun gehoor zijn ze verloren.’

    Toen was het duidelijk dat Morgan nooit meer vrij in de Noordzee zou zwemmen. Ze had een handicap die een orka niet hebben mag als ze robbenschedels wil kraken en haringscholen wil opdrijven. Degenen die zich uit alle macht verzetten tegen terugplaatsing, hadden plotseling de beste argumenten.

    Visser heeft Morgans gehoorschade nooit geaccepteerd als wat het was: een catastrofale tegenvaller. Ze is gewoon doorgegaan: ze heeft nog een proces tegen de Nederlandse regering aangespannen via twee instanties. De laatste uitspraak werd gedaan op 10 juli 2019 door de Raad van State, de hoogste instantie van het Nederlandse rechtssysteem. Ook deze keer weigerden de rechters om de exportvergunning voor Morgan alsnog te casseren. De orka werd niet teruggehaald.

    Visser heeft het geval van Morgan in juni 2018 ook voorgelegd aan de petitiecommissie van het Europees Parlement in een vijftien minuten durende presentatie, waarvoor ze speciaal vanuit Nieuw-Zeeland was gekomen. De zaal was slechts voor een kwart gevuld. De petitie werd tien maanden later zonder resultaat gesloten.

    Chemisch afval

    Waarom heeft ze zoveel energie gestoken in de bevrijding van één enkel dier? Buiten in de oceaan waren al lang praktijken gaande die de belangen van een enkel dier volledig ontstegen. Orka’s staan aan de top van een voedselketen die door de mens vergiftigd is. De dieren slaan in hun lichaam toxinen op zoals het insecticide DDT en de industriële chemische stof PCB, die tientallen jaren in de zee zijn geloosd. Een paar orkagroepen brengen nauwelijks nog gezonde kalveren ter wereld. En als ze dood aanspoelen, gelden hun kadavers als zo zwaar verziekt dat ze in sommige landen als chemisch afval moeten worden behandeld.

    Voor Visser is het geval Morgan een symbool. Het staat voor iets groters: de menselijke zelfzucht. Voor het feit dat we wilde dieren nog altijd als vanzelfsprekend uitbuiten voor ons genoegen en ons profijt. Zij gelooft dat orka’s in gevangenschap zozeer lijden, dat het het beste zou zijn om onmiddellijk een einde te maken aan de shows. De aquariums waarin ze gehouden worden moeten worden geleegd, het fokken moet worden gestaakt. En de resterende orka’s moeten in zeereservaten worden gehouden: in grote baaien, achter netten waar men zich wel met hun verzorging bezig kan houden, maar in een natuurlijker omgeving waar ze bovendien meer ruimte hebben. 

    Het is vaak verbazend moeilijk om te zeggen of een dier lijdt of niet. Je moet de tekenen daarvan kunnen lezen, die openbaren zich niet meteen. Je moet ze kunnen interpreteren. Op mijn tweede middag in Loro Parque gooien de trainers twee reusachtige plastic tonnen van duizend liter in het bassin, als speelgoed. De orka’s stoeien ermee, bijten erin, drukken ze onder water. Na vijf minuten zien ze eruit als gedeukte colablikjes. Dan voederen de trainers de orka’s haringen en lodden. Ze gooien ijsblokjes in het water, sneeuwballen en gele geleiblokjes die de dieren vocht moeten bieden.

    Vijftien trainers zijn de hele dag bezig de verveling van de dieren te verdrijven en frustraties in de kiem te smoren. ‘Frustratie,’ zegt Eric Bogden, ‘is niet goed voor zo’n groot roofdier.’ Bogden (59), is de hoofdtrainer van Loro Parque. Hij is afgetraind, glad geschoren en gebruind, een Amerikaan die er twintig jaar jonger uitziet dan hij is. Bogden heeft lang voor Seaworld gewerkt, toen de trainers daar zich nog tien meter de lucht in lieten slingeren door de walvissen. Met één oor hoort hij niet heel veel meer. Het trommelvlies is bij zo’n landing gebarsten.

    Bogden heeft een bijzondere relatie met Morgan. Vaak vergezelt ze hem als een hond langs de rand van het bassin. Als hij oefeningen met haar doet, heb je soms de indruk dat ze niet meer is dan een op afstand bestuurbare automaat, zo snel en precies volgt ze de tekens die hij met zijn hand geeft. Ze draait naar links, naar rechts, wiebelt met de vin, komt uit het water en laat zich masseren. 

    Stille wereld

    Bogden vraagt zich af hoe zij de wereld ervaart. ‘Ze is altijd een beetje vreemd. De andere orka’s communiceren de hele tijd met elkaar in het bad. Dat hoort ze niet. Het moet een merkwaardige, stille wereld voor haar zijn.’ Terwijl ik hem volg bij zijn werk mag ik een gele lijn, die op ongeveer twee meter van het water is getrokken, niet overschrijden. In 2011 heeft Keto, een van de twee reusachtige orkamannetjes in het Loro Parque, bij een trainingsshow zijn trainer onder water geduwd, geramd en gebeten. De trainer overleed aan zijn inwendige verwondingen.

    Elke dag maken de trainers de tanden van de dieren schoon met apparaten die eruitzien als stoomreinigers. De orka’s leggen hun kin op de rand van het bassin en sperren de machtige kaken open. Dan spuiten de trainers hun tanden schoon. Veel dieren hebben uitgeboorde of kapotte tanden, die tweemaal per dag gedesinfecteerd moeten worden. De orka’s kauwen op de tralies en de betonwanden. Bij Morgan zijn de voorste rijen tanden deels vrijwel tot op het tandvlees versleten. 

    Twee voormalige dierenartsen van het Loro Parque, die beiden anoniem willen blijven, vertellen me later hoe moeilijk ze het hadden met de orkahouderij. Beiden hadden op enig moment begrepen hoe slecht de omstandigheden in het bassin voor de dieren waren, hoezeer de trainers ook hun best deden om voor afwisseling te zorgen. Een vrouwelijke arts zei dat ze bij een endoscopie stukjes verf van de bassinwand en siliconen, gebruikt voor het afdichten van het bad, in de magen van de dieren had aangetroffen. ‘De orka’s knaagden voortdurend aan de wanden,’ vertelt ze. ‘Het immuunsysteem van de orka’s was verzwakt door het steriele water en de stress van de disfunctionele groep. Ze waren vaak ziek. Ze kregen makkelijk schimmelziekte en bacteriële infecties. We moesten ze steeds weer antibiotica geven.’

    Volgens de tweede vrouwelijke arts was voor iedereen duidelijk dat de dieren niet in een dierenpark thuishoorden. ‘Het is vrijwel onmogelijk om deze grote, veeleisende roofdieren in de bassins voldoende prikkels te bieden.’ Beide dierenartsen hebben hun geloof in het houden van orka’s verloren. Javier Almunia, directeur van de Stichting Loro Parque, schreef dat de uitspraken van deze dierenartsen ‘speculatief’ waren. Er zouden geen bewijzen zijn dat de immuunsystemen van de dieren in Loro Parque zwakker waren dan die van de dieren in zee. Ook zou geen van de dierenartsen er ooit bezwaar tegen hebben gemaakt dat de dieren regelmatig medicijnen toegediend kregen. Beide dierenartsen achten de gezondheidsproblemen van de dieren zo ernstig dat ze het fokken met de orka’s nu volstrekt afwijzen.

    De orka’s hadden de daad mogelijk door de spijlen van het hek heen voltrokken

    In Morgans geval is het daarvoor nu te laat. In december 2017 maakte Loro Parque bekend dat Morgan drachtig was. Het dierenpark beweert tot op heden dat het een vergissing is geweest. Almunia zei tegen mij te vermoeden dat de orka’s de daad mogelijk door de spijlen van het hek heen hadden voltrokken. Op 22 september 2018 werd het kalf geboren. Op een video van de geboorte zie je Morgan in steeds kleinere kringen zwemmen. De kleine staartvin komt als eerste naar buiten. Morgan gaat op haar zij liggen, kromt haar lichaam en dan volgt het kalf in een golf van bloed, en zwemt weg alsof het nooit iets anders heeft gedaan.

    Niets kan je voorbereiden op hoe het voelt om tegenover een dier van drie ton te staan dat oogcontact met je maakt. Op mijn derde dag in Loro Parque komen Morgan en Ula, haar kalf, naar mij toe gezwommen. Ik leg mijn hoofd opzij, naar links. Daarop draait Morgan haar lijf ook naar links. Ik leg mijn hoofd naar rechts. Weer volgt ze me. Ik verstop me achter een metalen balk. Ze spuwt een grote waterstraal tussen haar tanden door op mijn notitieblok. Het water ruikt zoet, een beetje naar chloor en algen, naar zeedieren. Later brengt Ula mij aan het venster een blad, nauwelijks groter dan een munt van 2 euro. Ze tilt het op met haar bek, draagt het heel voorzichtig tot recht voor mijn ogen en laat het dan naar de bodem zinken. Het blad is het enige object in het bad, waarvan het water verder helemaal glad is. Ze herhaalt het spel met het blaadje meerdere keren. 

    Ik kan begrijpen waarom je dicht bij deze dieren wilt zijn. Maar misschien schuilt daar al het probleem. Het is een egoïstische behoefte. Die gaat van ons uit, niet van hen. Zij gaan alleen maar met ons om omdat ze geen andere keuze hebben.

    Apathie

    Tot op heden brengt Ula iedere nacht alleen door in het kleine medische bassin van het park, dat maar twaalf meter lang is, zeven meter breed en vier meter diep. De maten van een hotelzwembad. Eric Bogden vertelt me dat Morgan ‘soms een beetje ruw’ met haar kalf omgaat. ‘Zij is een dove moeder, en dat leidt af en toe tot frustratie. Ula is soms bang voor de grote walvissen, en dan is ze liever alleen.’

    Toen ik daar was, beleefde ik momenten die vredig oogden: Ula die zich over de rug van Morgan heen legt als een sjaal; Ula die zich door Eric Bogden laat masseren op de buik en rug, en daarbij de ogen sluit; Ula die speels een van de tonnen wegwerpt met haar bek. Maar steeds weer zijn er ook fasen van apathie.

    Orka’s in het wild zijn permanent in beweging, zelfs wanneer ze slapen, zwemmen ze heel langzaam, vlak bij elkaar. De diepste duik van een orka die wetenschappers hebben geregistreerd is 1087 meter. Veel groepen duiken regelmatig dieper dan 250 meter. Ze kunnen in 24 uur meer dan honderd kilometer afleggen. Een orka wiens bewegingen negentig dagen lang gevolgd werden, legde in die tijd meer dan 5400 kilometer af, van Baffin Island in Canada tot aan de Azoren.

    Morgan dreef soms meer dan een half uur gewoon aan de oppervlakte, vaak vlak voor de tralies van het medisch bassin waarin Uli gevangen zat, en bewoog zich niet. Van een afstand zag ze eruit als een grote zak die elke paar minuten diep in en uit ademde. Een gered en gebruikt wezen. In de verte, achter het bad, was de oceaan te zien. Schuimkoppen op een winderige, wilde zee. Onbereikbaar ver weg.

    Walvissen zijn net als wij

    James Cameron, bekend van epische films als Titanic en Avatar, maakte samen met cameraman Brian Skerry een film over een dier dat hem al lange tijd intrigeerde: de walvis. Zijn grootste ontdekking: ze zijn net als wij.

    Walvissen hebben complexe levens, familiebanden en een sterke cultuur, net als mensen, zegt Brian Skerry tegen Newsweek. Hun manier van leven deed hem denken aan de buurten van New York aan het begin van de vorige eeuw, met veel enclaves van verschillende culturen en talen. Net als wij hebben orka’s een voorkeur voor de internationale keuken: orka’s in Nieuw-Zeeland eten graag roggen, terwijl de dieren in Noorwegen vooral van haring houden.

    Moeders leren hun kalveren niet alleen de vaardigheden die ze nodig hebben om te overleven, maar ook culturele tradities. Zo houden bultruggen ‘zangwedstrijden’ en bezoeken beloegawalvissen elk jaar een ‘zomerresort’, waar ze spelletjes doen. Walvissen vieren hun identiteit en rouwen om hun doden. ‘Het zijn buitengewoon intelligente wezens die deze planeet met ons delen,’ zegt Skerry.

    De documentaire heeft onder meer tot doel om deze zienswijze over te brengen. ‘Vrijwel alles van onze beschaving is schadelijk voor de walvis,’ zegt Cameron, ‘van giftige, waterverontreinigende stoffen tot geluidsvervuiling, bijvoorbeeld door seismische tests of militaire sonar: die is zeer schadelijk voor walvissen, die hun wereld via geluiden ‘zien’ en echolocatie gebruiken om op hun prooi te jagen. Camerons ploeg filmde ook een keer een reddingsoperatie waarbij een National Geographic-duiker een ​​orka te hulp kwam die verstrikt was in een visserstouw – een manier waarop dagelijks bijna duizend van deze zoogdieren verdrinken. ‘De grote mannetjesorka had de duiker makkelijk kunnen doden, maar hij leek te begrijpen wat er gebeurde.’

    Secrets about Whales is o.a. te zien op Disney+.

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • Hoe bescherm je oogst en olifant?

    Hoe bescherm je oogst en olifant?

    In Thailand worden olifanten zo goed beschermd, dat hun aantal toeneemt. Goed nieuws, maar het betekent ook dat ze steeds vaker in conflict komen met mensen.

    Volgens de National Parks, Wildlife and Plant Conservation Department (DNP) zwerven er tussen de 3500 en 4000 wilde olifanten rond in de bossen van Thailand, en zal hun aantal toenemen door de pogingen om de soort te beschermen. Dit toont aan dat die inspanningen succesvol zijn geweest, maar veel mensen – vooral diegenen die in dorpen wonen aan de rand van beschermde gebieden – zien het als een verontrustende ontwikkeling. Naarmate het aantal dikhuiden in beschermde gebieden toeneemt, neemt de hoeveelheid water en voedsel er af. Olifanten worden daardoor gedwongen naar naburige dorpen en velden te gaan om eten te zoeken. Het is dus onvermijdelijk dat er meer conflicten zullen komen tussen mens en olifant.

    De afgelopen jaren zijn er meldingen geweest van wilde olifanten die naar landbouwgronden trokken, oogsten vernielden en soms mensen verwondden en eigendommen beschadigden. Ook zijn olifanten die hun territorium wilden uitbreiden, gewond geraakt of zelfs gedood door elektrische afrasteringen en voertuigen.

    Men verwacht dat de olifanten in de komende tien jaar hun heil buiten het woud zullen gaan zoeken

    Een geval dat veel aandacht trok, deed zich voor in het Khao Ang Rue Nai-reservaat in de provincie Chachoengsao. Daar raakte een olifant ernstig gewond door een botsing met een pick-uptruck op het twintig kilometer lange stuk van Highway 3259 dat door het reservaat loopt. De regering stelde daarop voor deze route in 2015 voorgoed te sluiten. Maar de lokale autoriteiten maakten daar bezwaar tegen omdat het te veel overlast zou opleveren voor automobilisten. Besloten werd het stuk door het reservaat alleen te sluiten tussen negen uur ’s avonds en vijf uur in de morgen.

    Decha Nilwichien, hoofd van het Khao Ang Rue Nai-reservaat, vertelde dat er jaarlijks bijna 14.000 wilde dieren omkomen op deze snelweg. De route wordt ook vaak gebruikt door olifanten.

    Het Khao Ang Rue Nai-reservaat is een van de 
zeven beschermde gebieden in Thailand die onderdak bieden aan meer dan honderd wilde olifanten. 
Het is tevens de plek waar sommige van de ergste 
conflicten tussen mens en olifant plaatsvinden.

    Het reservaat beslaat een gebied van bijna 11.000 hectare regenwoud dat zich uitstrekt over vijf oostelijke provincies: Chachoengsao, Chonburi, Rayong, Chanthaburi en Sa Kaeo. Volgens de DNP werd de 
olifantenpopulatie in Khao Ang Rue Nai tien jaar geleden geschat op 217. De olifantendichtheid was toen 0,2 dieren per vierkante kilometer. Maar de afgelopen jaren is de olifantenbevolking toegenomen met 9,83 procent. Er leven nu minstens 275 olifanten in het reservaat en de twintig jonge dieren die er per jaar geboren worden, overtreffen de sterfgevallen. Men verwacht dat de olifanten in de komende tien jaar hun heil buiten het woud zullen gaan zoeken vanwege de toename van de populatie, de afnemende voedselbronnen en de verleiding van de begroeide akkers.

    Oogstincidenten

    Uit een studie die in 2010 werd uitgevoerd door het Economy and Environment Program for Southeast Asia (EEPSEA) bleek dat er gemiddeld zo’n 25 oogstincidenten per maand plaatsvonden in dorpen in 
de buurt van het Khao Ang Rue Nai-reservaat. Huishoudens in het gebied moesten gemiddeld 212 nachten per jaar hun oogst bewaken. Het gemiddelde landbouwgebied dat door olifanten werd beschadigd was 0,96 hectare per huishouden per jaar. De gemiddelde schade die olifanten aanrichtten was 34.825 baht (ongeveer 920 euro) per huishouden per jaar, wat neerkwam op negentien procent van het gemiddelde inkomen.

    Suphan Nanam, inwoner van Ban Ang Suea Dam in het Tha Takiap-district van Chachoengsao, vertelde dat hij is gestopt met zijn boerenbedrijf en freelance is gaan werken nadat olifanten twee jaar geleden vijftienhonderd bananenbomen hadden verwoest. ‘Het is zinloos om gewassen te verbouwen die je niet kunt oogsten. Die dieren hebben alles in een oogwenk geruïneerd. Ze laten zich maar even verjagen door voetzoekers en dan komen ze weer terug, dus het was beter om te stoppen dan mijn leven te 
riskeren om ze te bestrijden,’ zei hij.

    Suphan, die al meer dan veertig jaar in Ban Ang Suea Dam woont, zei dat die rooftochten in het verleden slechts sporadisch voorkwamen, maar dat de incidenten de afgelopen jaren veel frequenter zijn geworden. ‘De overbevolking van wilde olifanten is misschien de hoofdoorzaak waardoor ze voedsel in de dorpen komen zoeken.’

    Huay Jaidee, een rijstboerin in het subdistrict Khlong Takrao, vertelde dat 
ze tijdens het oogstseizoen ’s nachts moest opblijven om haar rijstveld te bewaken omdat de olifanten het anders zouden vernielen. Huay, wier huis aan de twintig kilometer van Highway 3259 ligt die door het reservaat lopen, vertelde dat ze thuis nu ook krekels kweekt als tweede baan om tenminste nog wat inkomen te hebben als haar oogst wordt verwoest door 
olifanten. ‘De beste plek om krekels te verkopen is een markt in Sa Kaeo. Maar ik moet door het reservaat rijden om er te komen, dus ik zou dubbel in de moeilijkheden komen als de regering beslist om de weg permanent af te sluiten,’ zei ze.

    Een olifant op de snelweg. Sommige wegen worden ’s nachts gesloten om botsingen te voorkomen. – © Getty Images
    Een olifant op de snelweg. Sommige wegen worden ’s nachts gesloten om botsingen te voorkomen. – © Getty Images

    Lokale inwoners en regeringsinstanties hebben maatregelen getroffen, zoals het graven van sloten om de grens tussen mens en olifant duidelijk te markeren, maar die werken maar tot op zekere hoogte en hebben niet alle dieren tegengehouden. ‘Olifanten zijn intelligente wezens. Ze hebben in de loop der tijd geleerd hoe ze de hindernissen kunnen slechten die wij voor ze hebben opgetrokken,’ zei Huay.

    Een paar weken geleden brak een kudde olifanten 
’s nachts ook in bij de Ban Ang Suea Dam-school om bamboe te eten. Kanchana Dit-aim, een lerares, zei dat ze zich zorgen maakte dat de olifanten ooit 
overdag zouden komen als de leerlingen aanwezig waren. ‘De school heeft voetzoekers klaarliggen om de olifanten af te schrikken en er is een noodplan opgezet om de leerlingen te evacueren naar een 
veilige plek.’

    Kanjana Nitaya, de directeur van het Wildlife Conservation Office van de DNP, erkent dat er toenemende conflicten zijn tussen de mensen die rondom het woud wonen en de wilde olifanten, en dat er al een tijd wordt gewerkt aan een oplossing. ‘Sommige boeren nemen strenge maatregelen tegen de olifanten, zoals elektrische hekken plaatsen of op ze schieten. Dat is niet de juiste manier en wij proberen meer begrip te kweken bij de mensen en constructievere oplossingen te zoeken.’ Als je ze uiteenjaagt met 
voetzoekers kan dat de olifanten 
angstig maken en dan zouden ze 
de dorpelingen kunnen aanvallen, voegde ze er nog aan toe.

    Terugjagen naar het bos

    Als een soort voorlopige oplossing 
proberen mensen van de DNP samen met vrijwilligers wilde olifanten op te sporen en ze terug te jagen naar het bos. Een effectievere manier om te voorkomen dat de olifanten oogsten beschadigen, is het plaatsen van door bijenkorven gevormde omheiningen. Als de olifanten daar in de buurt komen, jagen de bijen ze weg zonder de dieren kwaad te doen. De DNP is 
ook van plan om in het bos voedsel voor de olifanten te gaan verbouwen.

    Maar om conflicten tussen mens en olifant te veranderen in harmonie tussen mens en olifant, moeten de mensen de aard van de dieren begrijpen en leren met hen samen te leven. ‘Wij dringen ook binnen in het woud. Daarmee bezorgen we de olifanten, 
die toch al moeite hebben om voedsel te vinden, nog meer overlast. We horen geen inbreuk te maken op hun leefgebied,’ zei Kanjana.

    De bossen in Thailand zijn, door de ontwikkeling en uitbreiding van menselijke nederzettingen, enorm gefragmenteerd. Als die verder aangetast worden, vermindert dat de kans om de afzonderlijke stukken weer met elkaar te verbinden.

    Komsan Chartputhorn van het Khao Ang Rue Nai-reservaat zei dat menselijk gedrag een aanzuigende werking kan hebben op olifanten die oogsten vernietigen. In het verleden aten de olifanten bijvoorbeeld geen papaja’s, maar verkopers lieten overrijpe vruchten op de weg achter als voedsel voor de olifanten. Die zijn papaja’s lekker gaan vinden en gaan er nu zelf achteraan. Dit toont aan dat mensen het consumptiegedrag van olifanten kunnen veranderen, zei hij nog. Daarom is het van belang om mensen te leren dat ze wilde dieren niet moeten voederen.

    Er moeten wildcorridors worden aangelegd om olifanten binnen hun natuurlijke leefomgeving te houden

    Het verbeteren van de habitat van olifanten, vrouwtjesolifanten voorbehoedsmiddelen toedienen en elektrische hekken plaatsen om olifanten weg te houden bij landbouwgronden zouden volgens EEPSEA-onderzoek conflicten tussen mens en olifant tegen kunnen gaan. Het wijst ook uit dat in sommige gebieden verplaatsing van de olifanten naar elders op de lange termijn noodzakelijk kan zijn.

    Volgens Kanjana moeten er ook wildcorridors worden aangelegd om de olifanten binnen hun natuurlijke leefomgeving te houden. Die zouden tevens kunnen dienen als verbinding tussen de gefragmenteerde stukken bos.

    De DNP en andere experts hebben een oplossing van het mens-olifantconflict voorgesteld als onderdeel van het hervormingsplan voor natuurlijke hulpbronnen en het milieu. Dat plan wordt nog bestudeerd door de overheid, maar men verwacht dat het binnenkort wordt uitgevoerd. Volgens het plan moet ook een lijst van bedreigde dieren worden opgesteld, plus de ernst van hun situatie. En hun leefomgevingen moeten worden verbeterd, met meer voedsel- en waterbronnen.

    Auteur: Dumrongkiat Mala
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Bangkok Post
    Thailand | dagblad | oplage 55.000

    In 1946 opgericht 
onafhankelijk, Engelstalig dagblad dat wordt *
gemaakt door een team internationale redacteuren.* Het richt zich op de 
stedelijke elite en expats.

  • Webdocumentaire: Ondergronds leven

    Webdocumentaire: Ondergronds leven

    Bent u ooit benieuwd geweest naar het verhaal van de persoon tegenover u in de metro? De interactieve documentaire Life Underground van filmmaker Hervé Cohen biedt kijkers de kans om kennis te maken met metropassagiers uit dertien steden over de hele wereld.

    Als kijker kiest u eerst een station en daarna een reiziger die vervolgens zijn gedachten, zorgen, herinneringen en dromen met u deelt. Op deze manier wil Cohen de overeenkomsten laten zien tussen metroreizigers over de hele wereld en tegelijkertijd benadrukken dat ieder individu interessant is.

    Cohen, die zelf afwisselend in Frankrijk en de VS woont, won met Life Underground een prijs van La Société des Auteurs en van de National Center for Cinema in France. Het project, gefinancierd door San Francisco Film Society, loopt ondertussen door: nog steeds maakt Cohen ondergrondse treinreizen om te filmen en te interviewen. Een tentoonstelling, een multimediainstallatie en een boek met tekst en fotoillustraties zijn in de maak.

    Hieronder kunt u de trailer bekijken. Klik hier om de interactieve documentaire te starten.


  • De bizarste dierenverzameling op aarde

    De bizarste dierenverzameling op aarde

    Het Duitse weekblad Der Spiegel sprak met Kees Moeliker, directeur van het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam. Over hoe één dode eend zijn leven, en de filosofie van het museum voorgoed veranderde.

    De namiddag kabbelde rustig voort naar het eind van de werkdag toen er ineens bij de glazen wand van het Natuurhistorisch Museum van Rotterdam een doffe bons te horen was. Een mannetjeseend was tegen de ruit gevlogen en dood neergestort.

    Wat er daarop gebeurde werd gefascineerd geobserveerd door Kees Moeliker – bioloog, destijds conservator, tegenwoordig directeur van het museum: een mannelijke soortgenoot ging op het kadaver af en verkrachtte het een uur lang. Ironisch voorziet hij de bizarre seksuele daad van commentaar: 
‘In het dierenrijk komt de missionarishouding nu eenmaal niet zo vaak voor.’

    De dode eend zou zijn leven voor altijd veranderen. Toen hij een wetenschappelijk artikel aan het voorval wijdde (‘Het eerste geval van necrofiele homoseksualiteit bij de eend Anas platyrhynchos), reageerden vakgenoten enthousiast. Omdat hij onderzoekersgeest aan humor paarde, kreeg de Nederlander zelfs de Ig-Nobelprijs 
(Ig staat voor ‘impropable research’), het satirische broertje van de wereldberoemde onderzoekersprijs.

    Hoe de natuurlijke leefruimte van een soort verwoest wordt, maakt Moeliker het publiek in Rotterdam duidelijk aan de hand van een schaamluis

    Sinds die tijd heeft Moeliker bij lezingen meestal een plastic zak bij zich, waaruit hij tot vreugde van zijn publiek de opgezette ongelukseend tevoorschijn haalt. Ook in het Rotterdamse museum is het dode dier publiekslieveling geworden. ‘We zagen met verbazing dat de mensen het informatiepaneel heel precies lazen,’ zegt Moeliker ‘en toen bedachten we dat we het publiek niet alleen maar preparaten moesten laten zien. We moesten onze bezoekers vertellen welk lot er achter een afzonderlijk dier schuilging.’

    Zo ontstond de idee om de stoffige natuurlijke historie op een nieuwe, ongewone wijze te presenteren. Andere musea hebben alleen skeletten van sauriërs en opgezette poolvossen – Moeliker bezit de bizarste dierenverzameling op aarde.

    In de vitrines van zijn museum liggen alleen schepsels die op een ongewone wijze aan hun eind zijn gekomen. 
Zoals de kanarie die werd onthoofd of de mummie van de rat waarvan de nek per ongeluk met een schroef werd doorboord toen het knaagdier onder een vloerplank lag te slapen.

    Veel bekijks krijgt ook de beklagenswaardige steenmarter die in november vorig jaar op het terrein van CERN, het Geneefse onderzoekscentrum naar elementaire deeltjes, in aanraking kwam met een transformator van 18.000 volt. Die ontmoeting legde een deel van de stroomvoorziening plat – en betekende ook de voortijdige dood van het roofdier.

    De dominomus. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De dominomus. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Steevast gaat het om kleine en grote drama’s die zich afspelen tussen mens en dier, waarbij onze medeschepsels doorgaans aan het kortste eind trekken. Een typisch voorbeeld: enkele jaren geleden bracht een wereldwijd opererende fastfoodketen een nieuw softijsje op de markt – met onverwachte gevolgen. Steeds weer gebeurde het dat egels zich door het gat in het plastic dekseltje van de achteloos weggegooide bekertjes persten om de ijsrestjes op te likken. Voor een paar van die dieren bleek dat dessert een galgenmaal: ze bleven met hun kop in het gat van de deksel steken en konden zich er niet meer uit losmaken. Blind rondtrippelend belandden de egels in een plas en verdronken – of ze verhongerden. Van de tragiek van hun overlevingsstrijd is de ‘McFlurry-egel’ een gruwelijke getuige. Overigens veranderde McDonald’s na protesten van Britse dierenbeschermers het ontwerp van het dekseltje.

    Hoe de natuurlijke leefruimte van een soort verwoest wordt, maakt Moeliker het publiek in Rotterdam duidelijk aan de hand van een schaamluis. Via een bevriende arts kwam hij in het bezit van een exemplaar van deze parasiet. Omdat steeds meer mensen hun schaamhaar afscheren, sterft dit ook wel als platje bekend staande insect langzaam uit, zegt Moeliker met een spijtig gezicht: ‘Hier wordt een complete habitat vernietigd.’

    De McFlurry-egel. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De McFlurry-egel. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Maar omgekeerd kan de ontmoeting met dieren ook voor de mens noodlottig uitpakken, zoals een ander museumstuk in Rotterdam laat zien. De collectie werd recentelijk verrijkt met een pantsermeerval – een schenking van een man die als gevolg van deze vis bijna het leven had verloren. Flink 
aangeschoten was de gever op een avond met vrienden op de simpele gedachte gekomen om goudvissen uit een aquarium te vissen en levend op 
te eten. Toen de voorraad glanzende siervissen op was, pakte de man de meerval – en dat had hij beter niet kunnen doen. ‘Die vent had gewoon geen benul van biologie,’ zegt Moeliker. ‘Een goudvis heeft een nogal passief karakter, maar een meerval zet, wanneer hij zich bedreigd voelt, zijn borstvinnen uit. Zo bleef de vis in zijn keel steken en vereiste het een twee uur durende spoedoperatie op de afdeling traumachirurgie om de meerval uit de slokdarm van de man te verwijderen.

    Voor de museumdirecteur onderstreept dit verhaal een trend die ook 
in zijn collectie naar voren komt: ‘Als mens en dier met elkaar in botsing komen, loopt het meestal voor geen van beiden goed af,’ zegt Moeliker.

    Als kind was hij al dol op het natuurhistorische museum in zijn geboortestad. Als beginnend leraar biologie organiseerde hij er rondleidingen om er in 1995 conservator en later directeur te worden. Het drama van de verkrachte eend werd het geboorteuur van een podiumfiguur. Moeliker presenteert zichzelf als de wat maffe bioloog die verhalen vertelt over seksuele afwijkingen bij dieren. ‘Geloof me,’ is een van zijn favoriete zinnen, ‘als er ergens op deze planeet een dier bestaat dat zich niet weet te gedragen, dan weet ik daar alles van.’

    De rat waarvan de nek met een schroef werd doorboord. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De rat waarvan de nek met een schroef werd doorboord. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Bij zijn lezingen begeeft hij zich graag onder de gordel, wat ook in de titels van zijn boeken tot uitdrukking komt. Een van zijn laatste boeken heet De kloten van de mus. Aanvankelijk vroeg hij zich nog af of er voor zijn collectie ‘Dode dieren met een verhaal’ wel genoeg dieren te vinden zouden zijn. Maar die zorg bleek ongegrond. In elk geval in eigen land is de macabere museumdirecteur inmiddels zo bekend dat hij voortdurend nieuwe stukken toegestuurd krijgt. Een keer trof hij bij de post zelfs een pakje van het ministerie van Justitie. Het bleek een margarinekuipje met daarin een dode mus. 
De vogel was in alle openbaarheid doodgeschoten.

    Het musje was binnengedrongen op 
de plek van waaruit RTL het televisieprogramma Domino Day wilde uitzenden. Medewerkers waren drukdoende met het opzetten van vier miljoen dominostenen ten behoeve van een nieuw wereldrecord. Maar de mus saboteerde de voorbereidingen door steeds weer dominostenen om te kieperen. Nadat hij al duizenden stenen had omgegooid werd de vogel met een luchtbuks neergelegd.

    Grote verontwaardiging. De autoriteiten gingen zich ermee bemoeien. Een ambtenaar van het ministerie van Justitie nam het kadaver van de spelbreker in beslag. De vogel werd aanleiding voor een principieel debat: wat is het leven van een dier waard wanneer 
het mensen hindert? Moeliker moest intussen stevig met het ministerie onderhandelen over vrijgave van de domino-mus. Pas na een jaar stonden de ambtenaren het dode diertje af.

    © Lenny Oosterwijk
    © Lenny Oosterwijk

    Die aarzeling was ongewoon, want inmiddels geldt het in Nederland als een grote eer om met de gift van een kadaver een vitrineplaats te bemachtigen in het Natuurhistorisch Museum van Rotterdam, ook al staat daar weinig meer dan het spreekwoordelijke bedankje tegenover. ‘Als mensen het hier zelf komen brengen, bieden we 
ze natuurlijk wel een kopje koffie aan,’ zegt Moeliker.

    Toch komt het voor dat kostbaarheden aan zijn neus voorbijgaan. Als een galeriehouder op zoek naar schilderijen, spit Moeliker in de dagbladen de 
rubriek Vermist door op geschikte sterfgevallen. Afgelopen winter deed hij zo een spectaculaire vondst. In het Baden-Württembergse stadje Fridingen had een vos de dichtgevroren Donau proberen over te steken, maar was daarbij door het ijs gezakt en verdronken. 
Jagers hadden hem als ijsblok uit de 
rivier gezaagd. Moeliker bedacht al plannen voor een technische installatie waardoor de vos blijvend in ijs bewaard zou kunnen blijven. Maar hij was te laat. De jagers hadden het bevroren kadaver al laten ontdooien. 
‘Een schandaal,’ windt hij zich op.

    Zo blijft een verbleekte dwergvleermuis vooralsnog het enige uit Duitsland afkomstige museumstuk. Het einde van het beest is voor de Rotterdamse expositie-inrichters een bewijs van hoe kleine foutieve beslissingen in het dierenrijk grote gevolgen kunnen hebben. De vleermuis was in een pak ontbijtvlokken gekropen en had de weg terug niet meer kunnen vinden. Omdat het diertje met deze koolhydraatrijke kost niets had weten te beginnen, was het in het pak van honger omgekomen.

    Duiven zonder kop

    Kees Moeliker mag nu dan wel in de directeurskamer van het museum zitten, zijn uitzicht is nog altijd hetzelfde als bij de crash van de eend waar alles mee begon. Ook nu nog vliegen er altijd wel weer vogels tegen de glaswand, vaak duiven. Op een dag ontdekte Moeliker op het grasveld voor het museum een aantal duiven zonder kop – een vreemde vondst.

    Door intensief te observeren wist hij uiteindelijk ook die misdaad op te 
lossen. In de bomen tegenover het museum hadden zich kraaien geposteerd in afwachting van een botsing van een argeloze duif tegen het glas. Zodra dat gebeurde schoot een aasvreter erop af om de kop van het slachtoffer weg te pikken – een handelwijze die gruwelijk lijkt, maar in werkelijkheid blijk geeft van inzicht. ‘De kop is een snelle hap en de hersenen bevatten veel vet en proteïne,’ zegt Moeliker.

    Vanzelfsprekend heeft een van de onthoofde duiven nu een vitrine in het museum gekregen. Maar Moeliker zou het niet eerlijk hebben gevonden als 
hij niet ook een plek zou hebben ingeruimd voor de slimme raafachtigen. 
En dus staat er nu voor het gebouw 
een meer dan manshoge figuur van een kraai.

    Auteur: Frank Thadeusz

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Mensen slapen minder maar beter

    Mensen slapen minder maar beter

    Uit onderzoek naar de nachtelijke gewoonten van talloze zoogdieren, blijkt dat de mens kort maar intens heeft leren slapen (rond een kampvuur) en daardoor in staat is cognitieve vermogens te ontwikkelen.

    Wij onderscheiden ons in de dierenwereld niet alleen door onze opponeerbare duim [de punt van de duim kan de punt van iedere andere vinger van dezelfde hand aanraken], maar we behoren ook tot de zoogdieren die het minst slapen, daarin slechts overtroffen door giraffen, olifanten en nog een paar andere dieren. De mens slaapt gemiddeld nauwelijks zeven uur per nacht. Tegenover de 11,5 uur slaap die een chimpansee nodig heeft, om maar een voorbeeld te noemen van een zoogdier dat evolutionair heel dicht bij ons staat. Toch is er, anders dan je misschien zou denken, geen reden tot bezorgdheid. Want we slapen weliswaar minder, maar beter. Anders gezegd: onze slaap is dieper en effectiever.

    Dat wordt gesuggereerd door een nieuw onderzoek uitgevoerd door twee Amerikaanse wetenschappers van Duke University (Durham, North Carolina), David Samson en Charlie Nunn, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in het antropologisch tijdschrift Evolutionary Anthropology.

    Onze slaap is dieper en effectiever

    Het onderzoek werd uitgevoerd in twee fasen. In de eerste fase hebben Samson en Nunn de wetenschappelijke literatuur afgestruind om een database op te stellen over de nachtelijke gewoonten van honderden zoogdieren, inclusief 21 primatensoorten. Van onder meer de orang-oetang, de West-Afrikaanse geelgroene meerkat, de baviaan en de lemuur tot de mens. Vervolgens zijn de verschillende soorten met behulp van allerlei statistische technieken ingedeeld op een stamboom. Hieruit bleek meteen dat wij vergeleken bij andere soorten veel minder tijd besteden aan slapen. De lampongaap en de dwergmuismaki slapen bijvoorbeeld maar liefst 14 tot 17 uur per etmaal.

    Kort, maar intens slapen bij het kampvuur heeft de cognitieve vermogens van de mens vergroot. © Getty
    Kort, maar intens slapen bij het kampvuur heeft de cognitieve vermogens van de mens vergroot. © Getty

    In de tweede fase van het onderzoek hebben de wetenschappers de slaapkwaliteit geanalyseerd. 
En wat vonden ze? Bij de mens duren de stadia van de lichte slaap korter en die van de diepe slaap langer. De zogenaamde remslaap (Rapid Eye Movement), oftewel de slaapfase die wordt gekenmerkt door dromen, en waarin we ons geheugen consolideren en overbodige informatie uitwissen, maakt bij de mens bovendien 25 procent van de totale slaaptijd uit. Bij veel van de onderzochte primaten beslaat deze fase amper 5 procent van de totale slaaptijd. (Overigens zijn sommige walvissoorten en dolfijnen in staat om te slapen met maar één helft van hun hersens, terwijl de andere hersenhelft wakker blijft.)

    ‘De mens is de enige soort waarbij de slaap weliswaar korter duurt maar kwalitatief beter is,’ zegt Samson, antropoloog en coauteur van het onderzoek, die ongeveer 2000 uur bezig is geweest met het observeren van slapende orang-oetangs.

    Verandering van gewoonte

    Maar waarom zijn wij op deze manier geëvolueerd? Volgens de professoren van Duke University moet deze ontwikkeling worden toegeschreven aan een verandering van gewoonten die dateert van ver vóór de enorme blootstelling van de mens aan het kunstlicht van smartphones en andere beeldschermen dat de wereld van vandaag kenmerkt. Dit was al eerder aangetoond door een onderzoek onder verschillende gemeenschappen van jagers-verzamelaars in Tanzania, Namibië en Bolivia, die zelfs nog korter bleken te slapen dan wij. ‘Als alleen de verlichting en andere aspecten van het moderne leven verantwoordelijk waren voor het feit dat wij minder slapen, zou je verwachten dat gemeenschappen die verstoken zijn van elektriciteit meer zouden slapen,’ vervolgt Samson. Dat blijkt echter niet zo te zijn.

    5964400251 8dd37a206a b

    Om te bepalen welke factor dan wél verantwoordelijk is geweest voor die verandering, zijn de onderzoekers teruggegaan in de tijd: om precies te zijn naar de periode waarin wij niet langer in bomen sliepen, zoals onze oudste voorouders waarschijnlijk deden, maar onze voeten op de grond zetten.

    De mogelijkheid om in grote groepen rondom een vuur in slaap te vallen en zo warm te blijven en roofdieren op afstand te houden, zou de eerste mensen in staat hebben gesteld zo veel mogelijk uit hun slaap te halen in zo kort mogelijke tijd. Waarin ze zich dus onderscheidden van hun voorouders. Dit zou dubbele winst hebben opgeleverd, zo lezen we in het onderzoeksverslag: ‘Door de gereduceerde rusttijd zou er meer tijd beschikbaar zijn gekomen voor activiteiten die te maken hadden met het overbrengen van behendigheid en kennis. En een betere slaapkwaliteit zou van cruciaal belang geweest kunnen zijn voor het consolideren van deze behendigheden, wat leidde tot een ontwikkeling van de cognitieve vermogens.’

    Dit zijn plausibele hypotheses. Maar er zijn ook een aantal zwakke punten, zo laat Akshat Rathi zien in onlinemagazine Quartz. Journalist Rathi bestudeerde het onderzoek van Duke en vond dat lemuren heel veel slapen, hoewel ze zo klein zijn dat ze veilig in boomholtes zouden kunnen dutten; en er zijn zoogdieren, zoals het vogelbekdier, die een nog langere remslaap hebben dan wij. ‘Niettemin,’ concludeert Rathi, ‘is het duidelijk dat minder uren slapen onze kansen om over de aarde te heersen heeft vergroot.’

    Rosita Rijtano

    Vertaler: Etta Maris

    La Repubblica
    Italië | oplage 650.000
    Sinds 1976 de krant voor de intellectuele en zakelijke elite van Italië, staat politiek dicht bij de Democratische Partij (PD). Uitte met name gedurende Berlusconi’s laatste ambtsperiode steeds meer kritiek op de regering. Qua oplage de concurrent van de Corriere della Sera.