Obama werd gekozen op een golf van optimisme, met de belofte dat hij Amerika’s wonden zou helen. Is dat hem gelukt? Gary Younge kijkt terug op een adembenemende verkiezingsnacht in 2008 – en op wat volgde.
Toen op de avond van de verkiezingen van 2008 Ohio was binnengehaald, steeg er luid gejuich op in de President’s Lounge, een bar in de overwegend zwarte south side van Chicago. Er werd champagne ontkurkt, onbekenden vielen elkaar om de hals, agenten in patrouillewagens riepen de naam van de zojuist gekozen president door hun luidspreker: ‘Obama!’
Terwijl ik mijn blik over alle gezichten aan de bar liet glijden, keek een vrouw me stralend aan, hief haar margarita en riep: ‘Mijn man zit in Afghanistan. Nu komt hij naar huis!’ Barack Obama had nooit gezegd dat hij een einde zou maken aan de oorlog in Afghanistan. Hij had juist beloofd dat hij de inzet van het Amerikaanse leger daar zou vergroten. Het was niet zo dat deze vrouw hem verkeerd had begrepen; ze had domweg haar hoop op hem geprojecteerd.
Dat was het effect dat Obama destijds op mensen had. Meestal werd er niet al te goed geluisterd naar wát hij zei, omdat men viel voor de manier waaróp hij het zei. Weloverwogen, welbespraakt, goed geïnformeerd: dit was een politicus die sprak in volzinnen met werkwoorden. Hij zou niet alleen de opvolger worden van George W. Bush. Hij was de anti-Bush.
En dan was er nog Obama’s uiterlijk: lang, knap, zwart – een stijlvolle verschijning, een representant van een bevolkingsgroep
En dan was er nog Obama’s uiterlijk: lang, knap, zwart – een stijlvolle verschijning, een representant van een bevolkingsgroep die is ondervertegenwoordigd en gemarginaliseerd. Het idee dat deze man aan het hoofd van het land zou staan, amper drie jaar na de orkaan Katrina, vervulde velen van ontzag. De details leken ineens onbelangrijk, waar het om ging was dat deze man president zou kunnen worden.
Ik hoorde voor het eerst over Barack Obama van wijlen mijn schoonmoeder, Janet Mack, die in Chicago woonde en al in 2003 deel uitmaakte van zijn campagneteam toen hij een Senaatszetel probeerde te behalen. Dat was het jaar waarin ik als correspondent van The Guardian naar Amerika verhuisde. Ik heb eerst in New York gewoond en later in Chicago, om afgelopen augustus weer terug te keren naar Londen. Janet had Obama een paar keer op een lokale televisiezender gezien en vond dat hij zinnige dingen zei. Ze was aanwezig geweest bij een demonstratie waar hij zich, als staatssenator, uitsprak tegen de invasie in Irak. Toen hij zich net verkiesbaar had gesteld was ze bang dat hij vermoord zou worden, maar langzaam raakte ze eraan gewend dat hij in de schijnwerpers stond. ‘Vergelijk het met mensen die in Californië wonen, met de aardbevingen,’ zei ze tegen me. ‘Je kunt niet voortdurend in angst leven.’
In 2008 gingen we samen naar het zuiden van Chicago voor Obama’s nominatiespeech, en we stonden met een paar honderd anderen in het Regal Theatre, waar een groot scherm hing. Er werd gehuild en er werden vuisten in de lucht gestoken. Onderweg naar huis kneep Janet, die als zwarte vrouw in het Zuiden was opgegroeid, even in mijn arm en lachte. Gewoonlijk was ze heel spraakzaam. Maar gedurende het halfuur dat we naar huis reden zei ze alleen maar, tegen niemand in het bijzonder: ‘Ik kan het nauwelijks geloven.’
Obama’s campagne voor de presidentsverkiezingen was in veel opzichten weinig opzienbarend. In de Senaat had hij in 90 procent van de gevallen net zo gestemd als Hillary Clinton. Hij stond ergens in het midden van de partij, beloofde herzieningen van de gezondheidszorg en een iets eerlijkere verdeling van de welvaart – precies die standpunten waar de gemiddelde Democraat zich al een generatie lang sterk voor maakte. Maar hij schoot als een komeet omhoog. Zijn verhaal was zo aansprekend, zijn retoriek zo meeslepend, zijn gedrevenheid zo overduidelijk – en zijn overwinning, toen die eenmaal was behaald, zo onwaarschijnlijk.
Obama was zich er al lange tijd van bewust dat de kiesgerechtigden in hem zagen wat ze in hem wilden zien. ‘Ik fungeer als een leeg scherm waarop kiesgerechtigden van zeer diverse politieke pluimage hun eigen visie kunnen projecteren,’ schreef hij in 2006 in De herovering van de Amerikaanse droom. ‘Ik zal dan ook sommige van die mensen teleurstellen, zo niet allen.’ Maar hij had er deels zelf de hand in gehad. Hij beweerde te zijn gevormd door de suffragettes, de burgerrechtenbeweging en de vakbonden, haalde toespraken aan uit die traditie en positioneerde zich als een man die voor een omwenteling kon zorgen. Op de laatste avond van de voorverkiezingen, in juni 2008, beloofde hij de menigte in Saint Paul, Minnesota, letterlijk de aarde: ‘Later zullen we onze kleinkinderen kunnen vertellen dat dit het moment was … waarop de stijging van de zeespiegel werd afgeremd en onze planeet weer kans kreeg om op krachten te komen.’
Herstelwerkzaamheden
Er waren flink wat herstelwerkzaamheden nodig. Toen Obama aan de macht kwam, had Amerika net een oorlog in de Golf verloren en was het aan de verliezende hand in Afghanistan. In een peiling onder negentien landen bleek twee derde van die landen een negatieve kijk te hebben op Amerika. De Amerikanen zelf hadden ook geen al te best zelfbeeld. Door de bankencrisis was hun economie in een vrije val beland. De armoede nam hand over hand toe, de aandelen kelderden in recordtempo en slechts 13 procent van de bevolking had het idee dat het de goede kant op ging met het land.
Dit was het Amerika waarmee Obama werd opgezadeld toen hij op de verkiezingsavond van 2008 in een overwinningsroes met zijn gezin het podium betrad in Grant Park in Chicago – een visioen in het zwart voor een land dat nog niet van de schok was bekomen.
Toen de Irakoorlog nog maar net een jaar bezig was, leek de Amerikaanse samenleving meer gepolariseerd dan ooit. Maar het dieptepunt bleek nog niet te zijn bereikt
In Marshalltown, Iowa, staat op 26 januari van dit jaar een menigte urenlang in de ijzige kou te wachten op een toespraak van Donald Trump. Er worden petjes verkocht met ‘Make America Great Again’ (made in China), badges met de tekst ‘Bomb The Shit Out Of Isis’ en ‘Hillary For Prison 2016’. Een man loopt rond met een poster van Hitler die een rekening voor zorgkosten in zijn hand houdt en zegt: ‘Nu ben je te ver gegaan, Obama!’ Aan de overkant van de weg staan demonstranten, voornamelijk hispanics. In de loop van het afgelopen halfjaar heeft Trump Mexicanen uitgemaakt voor verkrachters, heeft hij beloofd alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen en heeft hij Chinezen, gehandicapten, vrouwen en joden beledigd.
Binnen neemt sheriff Joe Arpaio uit Arizona het woord. Arpaio, die fel gekant is tegen immigranten en nog altijd volhoudt dat Obama’s geboortebewijs is vervalst, kondigt Trump aan, die tevoorschijn komt vanachter een gordijn. ‘Heeeeeere’s Donald!’ De menigte zwelt aan, er zijn honderden mensen op afgekomen, en ook de onoverdekte tribunes worden opengesteld om alle mensen te kunnen herbergen. Trump kraamt allerlei nonsens uit, een beetje als een dronken oom op een barbecue. Hij pocht over zijn muur om de Mexicanen buiten de deur te houden. ‘Het wordt een prachtige, reusachtige muur. O, wat zullen jullie die muur mooi vinden.’ Na afloop zegt Brian Stevens, 37 jaar, dat Trump grote indruk op hem heeft gemaakt. ‘Ik ben het niet in alles met hem eens. Maar ik denk wel dat hij kan zorgen dat er iets verandert. Iemand moet zich sterk maken voor Amerika. We hebben hem gewoon nodig.’
Obama vergaarde in één klap landelijke roem met de woorden dat dit soort dagen tot het verleden zouden behoren. Op de Democratische conventie in 2004 zei hij dat het leek alsof de politieke tweedeling van het land van buitenaf was opgelegd, door cynische arbeiders en simplistische media. Destijds, toen de Irakoorlog nog maar net een jaar bezig was, leek de Amerikaanse samenleving meer gepolariseerd dan ooit. Maar het dieptepunt bleek nog niet te zijn bereikt.
Toen Obama in 2008 presidentskandidaat was, was een van de belangrijkste beloften van zijn campagne dat hij boven de strijdende partijen zou gaan staan en zou zoeken naar een samenwerking die de partijen oversteeg. Zo liep het echter niet. In 2010 liet de toenmalige minderheidsleider in de Senaat, Mitch McConnell, weten dat het voor de Republikeinse partijtop ‘een politieke prioriteit was om te voorkomen dat president Obama een tweede termijn zou dienen’. Republikeinse Congresleden, die zelfs weigerden samen te werken met hun eigen partijleiding, dreigden herhaaldelijk de Verenigde Staten naar de rand van de afgrond te brengen, of domweg de hele overheid lam te leggen – tenzij Obama terug zou komen op gedane beloften, of wetten zou terugdraaien die al waren aangenomen.
Een paar jaar geleden, toen het door de Republikeinen gedomineerde Huis van Afgevaardigden ervoor zorgde dat de federale overheid gedurende een korte periode ‘op slot’ ging, maakte Congreslid Marlin Stutzman duidelijk hoezeer Obama’s tegenstanders dwarslagen: ‘We moeten zien dat we hier iets uit slepen,’ zei hij. ‘Al heb ik geen idee wát.’
Wat president Obama ook zei of deed, hij zou altijd een katalysator zijn voor politieke polarisatie. Volgens sommigen is dat te wijten aan het feit dat rechts zich niet kon neerleggen bij het feit dat de president zwart was, en vermoedelijk zit daar wel wat in. Maar er zat veel meer achter dan alleen de rassenkwestie: Obama belichaamt op heel veel verschillende manieren de zorgen van een deel van blank Amerika. Hij is de zoon van een Keniaanse immigrant in een periode waarin Amerika het heel moeilijk heeft met de gevolgen van immigratie en buitenlandse handel. Hij is de zoon van een niet-praktiserende moslim die aan de macht kwam op het moment dat het land oorlogen verloor in landen met een bevolking die in meerderheid uit moslims bestaat. Hij komt voort uit een gemengd huwelijk in een periode waarin de snelst groeiende etnische groepering in het land de groep is die zich identificeert met ‘meer dan één ras’. Hij is een niet-blanke president die zijn presidentschap eindigt in een tijd waarin in Amerika de meerderheid van de kinderen onder de vijf niet blank is.
Zowel in demografische als geopolitieke zin betekent het niet meer hetzelfde als vroeger om een blanke Amerikaan te zijn. Voor wie zich niet bij die ontwikkeling kon neerleggen groeide Obama uit tot de belichaming van zowel de gevoelde dreiging als de vernedering. Trump is in veel opzichten hun antwoord.
In zijn laatste State of the Union, in januari, erkende Obama dat er niet veel was terechtgekomen van zijn droom van een politiek klimaat van consensus. ‘Een van de weinige dingen van mijn presidentschap die ik betreur,’ zei hij, ‘is dat de rancune en de argwaan tussen de partijen niet is afgenomen, maar alleen maar is verhevigd. Ik twijfel er geen seconde aan dat een president met de talenten van een Lincoln of een Roosevelt beter in staat zou zijn geweest de kloof te dichten, en ik verzeker u dat ik me zal blijven inzetten om het beter te doen zolang ik dit ambt bekleed.’ Met nog maar negen maanden te gaan in een verkiezingsjaar is het nauwelijks voorstelbaar dat de impasse nog kan worden doorbroken.
Tegen het einde van Obama’s eerste termijn, in 2012, was er een wijdverbreid gevoel dat het allemaal niet snel genoeg ging, dat hij te makkelijk zwichtte voor zijn tegenstanders. Het was alsof hij eerst met zichzelf in onderhandeling ging voordat hij een handreiking deed naar de tegenpartij, die de uitgestoken hand vervolgens laatdunkend wegsloeg. Nadat hij was verkozen op een golf van optimisme, leek hij gereserveerd en stuurloos. Nadat hij harten had beroerd met zijn toespraken, leek hij niet langer in staat de mensen te bereiken.
Tijdens een op televisie uitgezonden bijeenkomst in een gemeentehuis, twee jaar na zijn verkiezing, richtte Velma Hart, een Afro-Amerikaanse vrouw met twee kinderen, het woord tot Obama en verwoordde de desillusie van velen. ‘Ik kan het niet langer opbrengen,’ zei ze tegen hem. ‘Ik kan het niet langer opbrengen om u te verdedigen, om uw beleid te verdedigen, om het stelsel van veranderingen te verdedigen waar ik me sterk voor heb gemaakt, en ik ben diep teleurgesteld hoe we er nu voor staan.’ In relatie tot Obama moeten mensen hun teleurstelling onder ogen zien. Vaak zegt die net zoveel over henzelf als over Obama.
Ik was voor Obama in de strijd met Hillary Clinton, omdat hij zich tegen de oorlog in Irak had gekeerd in een tijd waarin dat zijn politieke carrière had kunnen schaden; zij had de oorlog gesteund omdat dat gunstig was voor haar carrière. Naar mijn idee was hij de meest progressieve kandidaat. Al snel sloeg de teleurstelling toe.
Tweede campagne
Ik was blij met het raciaal symbolische belang van Obama’s overwinning, en ik verheugde me. Maar ik verheerlijkte het niet, omdat ik niet verwachtte dat het veel concreets zou opleveren. Als kandidaat speelde zijn ras een essentiële rol, maar in zijn boodschap kwam het niet aan de orde. Toen ik de tekst van zijn aanvaardingsspeech van 2008 doornam, viel me op dat hij Martin Luther King had geciteerd zonder hem bij naam te noemen – hij verwees naar hem als ‘de oude prediker’. Als een zwarte kandidaat niet onomwonden Martin Luther King kan citeren, dacht ik, wie kan hij dan wel citeren?
Obama heeft nooit radicale veranderingen beloofd, en gezien de structuren waarbinnen hij moest opereren had hij ook nauwelijks kans die daadwerkelijk door te voeren. Het is uitgesloten om president van Amerika te worden zonder vele miljoenen aan sponsoring te krijgen van rijke mensen en bedrijven (tenzij je zelf miljardair bent). Die mensen zullen zich allemaal tegen je keren als je niet hun belangen behartigt. Het Congres, waar Obama de strijd mee moest aanbinden, is al evenzeer gecorrumpeerd door financiële belangen.
Dat pleit Obama niet vrij. Op vele terreinen, met name op het vlak van de economie, de banken en de persoonlijke vrijheid, had hij meer kunnen doen, of het beter kunnen doen. Dat heeft hij ook zelf toegegeven; in 2011, kort voor zijn herverkiezing, heeft hij een lijst samengesteld van punten waarop hij onvoldoende heeft gepresteerd: hervormingen op het gebied van immigratie, armoede, het Midden-Oosten, Guantanamo Bay en het homohuwelijk. In 2011 zagen ook de mensen die dicht bij Obama stonden dat hij niet alleen zijn basis dreigde te verliezen, maar ook zijn bestaansrecht als de man die voor verandering zou zorgen.
Destijds zag het er niet al te rooskleurig uit voor Obama. Zijn tweede campagne was bij lange na niet zo euforisch als de eerste. De redenering van de president was kort gezegd als volgt: ‘Het land stond er belabberd voor toen ik aan de macht kwam, het gaat nu veel beter dan wanneer ik niet aan de macht zou zijn geweest, en het zal veel slechter gaan als ik de macht verlies.’ Wat begon als ‘Yes we can’ was verworden tot ‘Het had erger gekund’. Maar Obama heeft het altijd getroffen met zijn vijanden. Mitt Romney bleek een kansloze kandidaat.
Naarmate het einde van Obama’s ambtsperiode naderbij komt, hoeven we ons niet langer te beperken tot de discussie over wat zijn presidentschap betekent; we kunnen het nu ook in duidelijke bewoordingen hebben over wat Obama heeft klaargespeeld.
Vanuit esthetisch oogpunt is Obama’s publieke imago altijd een beetje retro geweest
Iedereen heeft zijn eigen lijstje. Die lijstjes zijn geen van alle uitputtend. Obama heeft de Amerikaanse soldaten teruggetrokken uit Irak (om daar later weer te gaan bombarderen), hij heeft de betrekkingen met Cuba aangehaald, heeft Osama Bin Laden gedood, heeft een nucleaire overeenkomst gesloten met Iran en heeft het aanzien van Amerika in de wereld aanzienlijk vergroot. Twintig miljoen onverzekerde volwassen hebben nu een zorgverzekering dankzij Obamacare. Toen Obama aan de macht kwam, was er een werkloosheid van 7,8 procent, die ook nog eens opliep; vandaag de dag ligt het op 4,9 procent en is het dalende. Obama heeft het uitzetten van ouders van in Amerika geboren of legaal in Amerika verblijvende kinderen weten te traineren, en ook heeft hij ervoor gezorgd dat kinderen die illegaal met hun ouders het land zijn binnengekomen meer bescherming genieten (de Dream Act). De opbrengst van wind- en zonne-energie is verdriedubbeld; de auto-industrie is gered. Hij heeft zich uiteindelijk in krachtige bewoordingen uitgesproken voor maatregelen om het wapenbezit aan banden te leggen. Hij heeft twee vrouwen benoemd in het Hooggerechtshof, Elena Kagan en Sonia Sotomayor (de eerste Latina).
Er zijn natuurlijk ook feiten die een heel ander beeld schetsen. Onder Obama is de strijd in Afghanistan geëscaleerd, en de troepen zitten er nog altijd; er zijn meer mensen uitgezet dan onder welke Amerikaanse president in de geschiedenis ook; hij heeft de Espionage Act uit 1917 gebruikt om twee keer zoveel klokkenluiders te vervolgen als alle eerdere presidenten bij elkaar; onder zijn bewind is het aantal drone-aanvallen in Pakistan met 700 procent toegenomen (om nog maar te zwijgen van Jemen, Somalië en andere gebieden), waarbij tussen de 1900 en de 3000 slachtoffers zijn gevallen, onder wie meer dan honderd burgers; er zijn Amerikanen zonder proces geëxecuteerd; de ongelijkheid in welstand en de inkomensongelijkheid zijn toegenomen en de bedrijfswinsten hebben een hoge vlucht genomen; zijn partij heeft legendarische tussentijdse verkiezingsnederlagen geleden. In Syrië heeft hij een rode lijn in het zand getrokken en vervolgens ontkend dat hij dat had gedaan; hij zei dat hij geen troepen zou sturen en deed het vervolgens toch.
De discrepanties tussen Obama’s campagnebeloften en de daadwerkelijke maatregelen zijn het sterkst waar het om burgerrechten gaat. ‘Deze regering spiegelt ons een valse keuze voor tussen de vrijheden die we koesteren en de veiligheid die we kunnen bieden,’ zei hij als presidentskandidaat op 1 augustus 2007. ‘Honderd procent veiligheid en honderd procent privacy, zonder daar op wat voor manier dan ook hinder van te ondervinden, is uitgesloten,’ zei hij op 7 juni 2013, toen de Edward Snowden-affaire speelde. ‘We zullen bepaalde keuzes moeten maken.’
Tot slot zijn er de dingen die Obama heeft nagelaten. Hij heeft niet één medewerker van de geheime dienst vervolgd wegens marteling; hij heeft niet één topman uit de financiële wereld vervolgd wegens misdrijven in verband met de crash van 2007/2008; hij heeft Guantanamo Bay niet gesloten.
Maar een nalatenschap is iets anders dan een grootboek. Het is tegelijkertijd minder concreet dan een opsomming, én van diepere betekenis. Een nalatenschap gaat net zozeer om wat mensen voelen als om wat ze weten, het gaat net zozeer om het heden als om het verleden. Vanuit esthetisch oogpunt is Obama’s publieke imago altijd een beetje retro geweest – denk aan de oorspronkelijke campagneposters met ‘Hope’ en ‘Change’. Met zijn gezin aan zijn zijde straalde het merk Obama niet zozeer glamour uit, maar eerder stijl. Net als John F. Kennedy droeg hij een beeld uit dat voldoende Amerikanen nastreefden of waaraan ze behoefte hadden, of beide: een jong, aantrekkelijk gezin, een stralende toekomst.
Foto’s van Obama in het Witte Huis wekken de indruk dat zowel hij als Michelle zich deze rol moeiteloos hebben aangemeten.
Toen Virgina McLaurin, een Afro-Amerikaanse vrouw van 106, haar droom in vervulling zag gaan en eerder dit jaar een bezoek mocht brengen aan het Witte Huis, dansten de president en zijn vrouw heel ontspannen met haar. ‘Rustig aan, niet zo snel,’ grapte Obama. Naarmate we verder in zijn tweede ambtstermijn komen, lijkt hun positie hun steeds meer te passen als een tweede huid – dat die huid zwart is, is voor velen nog altijd iets bijzonders. ‘Ik had niet gedacht ooit van mijn leven in het Witte Huis te zullen komen,’ zei McLaurin, opkijkend naar de gastheer en gastvrouw. ‘Ik ben zo gelukkig. Een zwarte president, een zwarte vrouw, en ik ben hier om het zwarte verleden eer te bewijzen.’
Een nalatenschap is geen statisch gegeven; het is aan voortdurende verandering onderhevig. Een paar jaar voor Martin Luther Kings dood moest bijna twee derde van de Amerikaanse bevolking maar weinig van hem hebben, vanwege zijn opstelling in de Vietnamoorlog en vanwege het feit dat hij een herverdeling van de welvaart voorstond. Maar nog geen generatie later werd zijn geboortedag landelijk gevierd.
Ronald Reagan wordt inmiddels bejubeld als held van de conservatieven, hoewel hij zich sterk maakte voor een pardon voor ongeregistreerde migranten en het overheidstekort gigantisch liet oplopen. Tijdens de laatste jaren van Clintons presidentschap gingen de meeste mensen ervan uit dat hij voornamelijk herinnerd zou worden om alle schandalen. Maar nee, hij werd geroemd omdat hij het land uit het financiële dal had laten klimmen. Toen zijn vrouw zich kandidaat stelde als presidentskandidaat voor de Democraten, moest hij terugkomen op wezenlijke onderdelen van die nalatenschap – de aanpak van de misdaad, de hervorming van de gezondheidszorg, de financiële deregulatie – maatregelen waardoor Afro-Amerikanen er disproportioneel op achteruitgingen en waar de banken garen bij sponnen.
‘De geschiedenis zal veel milder oordelen dan het huidige Republikeinse Huis van Afgevaardigden,’ zegt Mitch Stewart, die een belangrijke rol speelde in beide verkiezingscampagnes van Obama. ‘De geschiedenis zal stilstaan bij de onderbelichte successen die deze regering heeft geboekt. Een efficiënter gebruik van energie, het terugdraaien van de CO2-uitstoot. Hij heeft het studiefinancieringsstelsel hervormd, wat grote gevolgen heeft voor een nieuwe generatie studenten. Hij heeft de Verenigde Staten een impuls gegeven die nog lang na zijn presidentschap vruchten zal afwerpen. Zijn nalatenschap draait om al deze kleinere successen die nauwelijks aandacht hebben gekregen, maar waar een hele generatie de gevolgen van ondervindt.’
Rassengelijkheid
De ironie wil dat het aspect van Obama’s nalatenschap waar hij vooral om zal worden herinnerd – het feit dat hij de eerste zwarte president was – betrekking heeft op een terrein waarop nauwelijks echte vooruitgang is geboekt: rassengelijkheid. De inkomensongelijkheid tussen zwarte en blanke Amerikanen is alleen maar toegenomen, evenals de werkloosheid en de armoede onder zwarten; de zwarte inkomens zijn gestagneerd. Dat wil niet zeggen dat hij niets heeft bereikt. Hij heeft meer zwarte rechters benoemd dan ooit, duizenden niet-gewelddadige drugdealers in vrijheid gesteld, het verschil in strafmaat voor crack en cocaïne verkleind. Alles wat hij heeft gedaan voor de armen, zoals Obamacare, pakt disproportioneel gunstig uit voor Afro-Amerikanen.
Maar over het geheel genomen is Obama’s raciale nalatenschap eerder van een symbolische dan van een concrete orde. Het feit dat hij president kon worden dwong Afro-Amerikanen om hun eigen beeld van Amerika kritisch onder de loep te nemen. Hun eigen leven was er niet structureel beter op geworden, maar dat veranderde weinig aan hun kijk op de Amerikaanse samenleving. Toen Obama overwoog een gooi te doen naar het presidentschap, vroeg zijn vrouw hem wat hij dacht te kunnen bereiken als hij zou winnen. ‘De dag dat ik word ingezworen als president,’ antwoordde hij, ‘zal de wereld met andere ogen naar ons kijken. En miljoenen kinderen in dit land zullen een andere kijk op zichzelf krijgen. Dat alleen al is belangrijk.’
Uiteindelijk bleek het echter nog niet zo eenvoudig dat beeld overeind te houden. Toegegeven, toen in 2012 Trayvon Martin werd doodgeschoten door George Zimmerman, kon Obama de woorden spreken die geen enkele president voor hem had kunnen spreken: ‘Trayvon Martin had mijn zoon kunnen zijn.’ Toch is het niet erg waarschijnlijk dat Zimmerman naar Trayvon keek en dacht: ‘Daar gaat de toekomstige president van Amerika.’ Dankzij Obama zijn Amerikanen anders tegen racisme gaan aankijken; ze hebben echter geen andere kijk gekregen op zwarten. Obama’s presidentschap eindigt in een periode van oplopende raciale spanningen vanwege politiegeweld.
‘Zijn presidentschap zou een periode inluiden van postracisme en kleurenblindheid,’ zegt Keeanga-Yamahtta Taylor, hoogleraar aan Princeton en schrijver van From #BlackLivesMatter To Black Liberation. ‘Tijdens zijn presidentschap is de Black Lives Matter-beweging tot grote hoogten gestegen. Het is de belangrijkste antiracistische beweging van de afgelopen veertig jaar, en die is opgekomen tijdens het bewind van een zwarte president. De ongekende opkomst van deze beweging kan worden gezien als een teleurstelling over de tekortkomingen van de regering-Obama. Voor sommige van die tekortkomingen bestaat een externe oorzaak, zoals de vijandigheid waarmee het overwegend Republikeinse Congres hem tegemoet treedt. Maar een deel van de oorzaak schuilt erin dat zijn eigen beleid tekortschiet.’
De afgelopen paar jaar is het #BlackLivesMatter-debat vrijwel zonder enige verwijzing naar Obama gevoerd. Dat wijst erop dat, op een bepaald niveau, zijn betrokkenheid bij enkele van de belangrijkste aspecten van zwarte levens haast voor de sier is. Hij is de poster die in de etalage van de kapper of de nagelstudio prijkt, de muurschildering in een metrogang – een ideaal dat niet verward moet worden met de slijtageslag van de dagelijkse realiteit. De vraag of Amerika een zwarte president kan kiezen is beantwoord; de vraag wat zwarte levens waard zijn is nog immer actueel.
Op 29 januari, in de Col Ballroom in Davenport, Iowa, is het moeilijk om niet weemoedig te worden. De Col Ballroom dateert van 1914 en staat op de lijst van het National Register of Historic Places. De kroonluchters verlichten en belichten het oude gebouw met de vorstelijke uitstraling, en de posters getuigen van alle beroemdheden die er hebben opgetreden, van Duke Ellington tot Jimi Hendrix.
Dus op het moment dat de swingband stilvalt en Bill Clinton het podium betreedt om zijn vrouw Hillary aan te kondigen, heb je helemaal het gevoel dat je bent teruggegaan in de tijd. Hillary is alleen maar gedrevener geworden sinds ze hier acht jaar geleden van Obama verloor. Maar ze kampt nog altijd met dezelfde kwetsbaarheden als in 2008. Ze wordt gezien als een insider, terwijl de mensen nu juist verandering willen. Ze wordt achtervolgd door schandalen – haar e-mails op een privéserver – en men vindt haar onbetrouwbaar. Ze belooft vooruitgang door groei, niet door verandering. Ze probeert zelfs te scoren met het feit dat haar programma weinig opwindend is. ‘Ik geloof meer in doen dan in van alles beloven,’ zegt ze tegen de aanwezigen. In feite beoogt zij Obama’s derde termijn te dienen, en ze vraagt om een kans om zijn werk af te maken.
Obama’s tweede termijn was overtuigender dan zijn eerste. Na de schietpartij in Sandy Hook, waar de twintigjarige Adam Lanza twintig schoolkinderen, zes leerkrachten, zijn moeder en zichzelf om het leven bracht, beloofde Obama eindelijk iets te doen aan het juridische gebrek aan daadkracht om het wapenbezit aan banden te leggen – iets waarvoor hij zich is blijven inzetten. De Republikeinen hebben laten zien dat ze niet in staat zijn compromissen te sluiten, maar ondertussen heeft Obama de ruimte gevonden om zijn stempel te drukken op de politieke toekomst. Een paar maanden na de tussentijdse verkiezingen tekende hij de Dream Act; afgelopen november heeft hij zijn veto uitgesproken over de Keystone Pipeline – een pijpleiding die van Canada naar de Mexicaanse Golf loopt – vanwege de schade aan het milieu. Terwijl andere presidenten zich de laatste maanden van hun ambtstermijn, waarin ze feitelijk aan handen en voeten zijn gebonden, voornamelijk bezighouden met de bouw van hun zogeheten presidential library, heeft Obama nog allerlei losse eindjes afgehecht.
Obama’s nalatenschap is een voorwaardelijke wijs – hoe het had kunnen zijn
Karen Sanchez, een negentienjarige Sanders-aanhanger uit Marshalltown, Iowa, zegt dat ze vindt dat Obama het geweldig heeft gedaan. ‘Hij heeft gedaan wat hij kon. Ik denk dat hij meer had kunnen doen, maar ze bleven hem maar tegenwerken.’ Een Hillary-aanhanger op een bijeenkomst in Adel, Iowa, die anoniem wil blijven, beaamt dat. ‘Hij heeft gedaan wat hij kon,’ zegt ze.
Dat is de standaardreactie op elke Democratische bijeenkomst waar ik vraag hoe mensen denken dat Obama herinnerd zal worden: niet per se om wat hij heeft bereikt, maar om wat hij bereikt had kunnen hebben als de tegenpartij zich wat inschikkelijker had opgesteld. Obama’s nalatenschap is een voorwaardelijke wijs – hoe het had kunnen zijn. Yes. We. Tried.
Maar naarmate de verkiezingen naderen lijkt de gedeeltelijke en terughoudende goedkeuring om te slaan in een onvoorwaardelijker enthousiasme. Te midden van alle politieke zwaargewichten, onheilsprofeten en showmannen lijkt Obama alleen maar te zijn gegroeid, en hij lijkt intelligenter dan ooit.
De dag na een Republikeins debat kopte CNN: ‘Trump verdedigt de afmetingen van zijn penis’. Trump had zich verweerd tegen de suggestie van Marco Rubio dat hij, omdat hij kleine handen heeft, vast ook een kleine penis zou hebben. ‘Kijk naar deze handen – zou je dit kleine handen noemen?’ vroeg Trump aan een joelende menigte. ‘Wees gerust, er is bepaald geen probleem.’
Als het politieke debat tot een dergelijk niveau daalt, als er zo weinig wordt verwacht van de kandidaten en er zo bedroevend weinig keuze is, gaat het feit dat Obama het heeft geprobeerd – en de manier waarop hij het heeft geprobeerd – haast als vanzelf zwaarder wegen dan het feit dat het hem bij lange na niet altijd is gelukt.
Nu er een einde komt aan zijn ambtstermijn, begint het langzaam tot de Amerikanen door te dringen dat Obama een volwassene in het Witte Huis was, en men realiseert zich ineens hoe prettig het is dat het Witte Huis niet voortdurend in schandalen en drama’s was verwikkeld. Terwijl de lonen werden bevroren, bedrijven over de kop gingen, de onzekerheid toenam en de hoop verflauwde, probeerde Obama iets voor elkaar te boksen. Niet veel, niet genoeg – maar beter dan niets. Men kan serieuze, morele bedenkingen hebben bij Obama en zijn nalatenschap, en toch erkennen dat hij van grote waarde is geweest, gezien de alternatieven.
Met Obama verliezen de Amerikanen een man die zowel zijn werk in dienst van het volk áls het volk zelf serieus nam; iemand die iets symboliseerde wat hemzelf oversteeg. Dit is het einde van de rit voor een leider die oprecht gelooft dat feiten van belang zijn; dat Amerikanen niet onnozel zijn; dat hun democratie een waarde vertegenwoordigt en dat de regering een bepaalde verantwoordelijkheid heeft; dat Amerika beter verdient.
Auteur: Gary Younge
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Gary Younge (46) is verslaggever van The Guardian. Na te hebben rondgereisd in Soedan, Zuid-Afrika en tal van Europse landen, vestigde hij zich in 2003 in de Verenigde Staten. Hij is de auteur van No Place Like Home, een boek over de cultuur van zwarte Amerikanen in het zuiden van de VS.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.



