Het ontwerp van onze huizen en steden wordt al eeuwenlang gevormd door de angst voor ziekteverwekkers. Maar volgens de auteurs van We Are Bacteria moeten we microben niet uitbannen, maar juist van ze leren.
We The Bacteria: Notes Toward Biotic Architecture, een ‘alternatieve geschiedenis van architectuur vanuit een microbenperspectief’, bundelt het onderzoek dat voorafging aan de tentoonstelling We The Bacteria in de Triennale in Milaan vorig jaar. De tentoonstelling werd gecureerd door Colomina en Wigley en onderzocht hoe microbiële ecosystemen zich verhouden tot ruimtelijk ontwerp en gezondheidsongelijkheid.
Het boek stelt dat microben niet alleen de wereldwijde biosfeer hebben opgebouwd, maar ook eeuwenlang de ware architecten achter onze huizen en steden waren. De angst die ze oproepen en de ziekten die ze veroorzaken hebben onze ruimtes en de manieren waarop we ze betreden mede vormgegeven.
Ongeveer tienduizend jaar geleden begon de mensheid zich terug te trekken naar plekken die van de buitenwereld konden worden afgesloten; planten, aarde en insecten bleven grotendeels buiten. Maar microben, waaronder ziekteverwekkers, volgden de mensen naar binnen, waar ze zich aanpasten, muteerden en nieuwe ziektebeelden ontwikkelden. Naarmate we onze onderkomens in dorpen, steden en uitgestrekte landen veranderden, veranderden de microbiële ecosystemen mee.
Microbiële uitwisseling
De auteurs beschrijven hoe gebouwen en lichamen in een constante microbiële uitwisseling verkeren en co-evolueren tot een groot, dynamisch ecosysteem. Elk huis heeft een uniek microbioom, afhankelijk van de bewoners. Zelfs het microbioom van een regelmatig schoongemaakte ziekenhuiszaal heeft veel weg van het microbioom van de vorige patiënt en begint na vierentwintig uur al op die van een nieuwe bewoner te lijken.
Architectuur kan niet bestaan zonder microben, en dus ook niet zonder ziekten. Hoewel schrobben, spuiten en desinfecteren de meeste micro-organismen elimineert, ontstaan hierdoor ook extremofielen: soorten die zo resistent zijn dat ze de ruimte domineren.
Zo hebben gezondheidscrises sinds jaar en dag gebouw- en stadsontwerpen gedicteerd. Van wc’s tot ontsmettingssystemen, van de pestziekenhuizen (‘lazaretto’s’) tot sanatoria voor tuberculosepatiënten en van rioolsystemen tot stadsparken; steden zijn constant van vorm veranderd door de risico’s die ze probeerden in te perken. Architectuur werd de frontlinie in het gevecht tegen de microben.
Colomina en Wigley noemen overgesteriliseerde omgevingen ‘antibacteriële architectuur’. Toch floreren ziekten gek genoeg in dit soort ontwerpen. Door de normale menselijke microbiële diversiteit weg te spoelen worden er resistente ziekteverwekkers gekweekt die steeds resistenter worden tegen antimicrobiële stoffen. Daardoor verzwakt ons natuurlijke verdedigingsmechanisme tegen de microben die daar gedijen. De komende 25 jaar zal het aantal sterfgevallen als gevolg van antimicrobiële resistentie naar schatting met 70 procent stijgen en mogelijk de grootste doodsoorzaak ter wereld worden.
Maar hoewel architectuur en de bouw microben de oorlog hebben verklaard, zien wetenschappers ook de vele voordelen die ze met zich meebrengen, met name in riool- en waterreinigingssystemen. Bacteriën, schimmels en microalgen wekken elektriciteit en biomassa op in bioreactoren, ze gaan vergiftiging tegen in de grond en in het water, vangen CO2 op, verteren vervuilende stoffen, breken plastic af, helpen bij de restauratie van historische bouwwerken zoals de dom van Milaan en het Alhambra in Granada, enzovoort. Ze zijn uitgegroeid tot bondgenoten van de bouw.
Gezien de belangrijke rol die microben spelen in ons immuunsysteem en onze omgeving, pleiten de schrijvers voor biotische architectuur, waarbij we leren van microben in plaats van ze uit te bannen. Ze benadrukken dat bepaalde antimicrobiële maatregelen tegen ziekteverwekkers uiteraard noodzakelijk blijven. Water- en rioolsystemen, wc’s en keukens moeten nog steeds gereinigd worden, maar daarnaast moeten schoonmaaktechnieken gecontroleerde blootstelling aan microbiële diversiteit omarmen. Zo verving microbioloog Elisabetta Caselli met collega’s tijdens de coronapandemie de gebruikelijke desinfecterende middelen van zes Italiaanse ziekenhuizen door reiniging op basis van probiotica. Het resultaat was een afname van oppervlaktepathogenen tot wel 90 procent in vergelijking met conventionele chemische reiniging, plus lagere percentages ziekenhuisinfecties en antibioticaresistentie.
We The Bacteria: Notes Toward Biotic Architecture is informatief en vermakelijk en zit vol anekdotes, archiefbeelden en fascinerende historische feiten. Daarnaast is dit het eerste boek in maanden dat mij niet alle hoop in de mensheid deed verliezen. Eindelijk is er een boek dat een visie presenteert waarbij mensen actief kunnen bijdragen aan microbiële diversiteit, samenwerken met de onzichtbare wereld om ons heen en bouwen op manieren waarmee we het milieu niet schaden, maar verzorgen. Régine Debatty
Voor de groene transitie waar Europa op inzet zijn veel metalen nodig. Het kleine Estland loopt voorop in het duurzaam recyclen van microchips en zet de eerste stap in de richting van een gezamenlijke Europese toeleveringsketen van essentiële grondstoffen.
‘Stelt u zich een goudmijn voor waarin elke ton erts een kilo goud bevat,’ zegt Priit Joers. ‘Elk mijnbouwbedrijf zou staan te popelen.’ Hij overdrijft niet: specialisten beschouwen een groeve met 10 gram goud per ton al als een schatkist. Dan moet een kilo echt een klapper zijn. Joers draagt in een kleine emmer een minuscuul deel uit zo’n wonderlijke mijn met zich mee, wanneer hij in Tartu, de tweede stad van Estland, zijn gast ontvangt. Het is restafval van elektrische apparaten in de vorm van elektrische circuits, die eerst door de shredder zijn gegaan en daarna tot een fijn poeder zijn vermalen.
Overigens is Joers geen mijnbouwkundig ingenieur, maar moleculair bioloog, en werkt hij niet in een groeve, maar in een laboratorium. Wel houdt hij zich bezig met het winnen van goud en andere edelmetalen, want zijn expertise ligt bij het zogenoemde microbiële uitlogen van erts (bioleaching). Bij dit proces wordt het metaal niet, zoals momenteel de gangbare methode is, met behulp van agressieve oplosmiddelen uit erts geïsoleerd. In plaats daarvan laat men micro-organismen het werk doen. Joers en zijn team willen onderzoeken welke bacteriën dat voor welke delfstof het best en het snelst kunnen.
Op een paar vragen hebben ze al antwoorden gevonden, maar Joers is erop bedacht die voor zich te houden. ‘We zijn in afwachting van een besluit over de octrooiaanvraag voor onze procedure, daarom kan ik niets concreets verklappen,’ zegt hij. Met ‘we’ bedoelt hij het bedrijf Biotatec, waar hij als wetenschappelijk directeur aan verbonden is.
Grote ambities
De start-up staat de laatste tijd in het centrum van de belangstelling. Prestigieuze instituties, zoals de Innovatieraad van de Europese Unie en de Estse rijksdienst voor het ondersteunen van nieuwe technologische ontwikkelingen, hebben al ettelijke miljoenen euro’s financiering toegezegd. Verder heeft PricewaterhouseCoopers Biotatec op de lijst van de belangrijkste bedrijven op het gebied van veelbelovende milieutechnologie in de regio Centraal- en Oost-Europa geplaatst.
Het jonge bedrijf koestert grote ambities: het wil binnen vijf jaar op internationaal niveau een leidende rol spelen binnen de microbiële uitloging, een sector die weliswaar niet nieuw is, maar decennialang een bestaan als muurbloempje heeft geleid.
Europa zet nu op ambitieuze wijze in op de groene transitie: windmolens, zonnepanelen, een waterstofeconomie, elektrische auto’s. Daar zijn hopen metaal voor nodig, onder meer edelmetalen en zeldzame aardmetalen.
Hiervoor beschikt Europa echter nog niet over een waardeketen (een eigen keten van grondstoffen tot eindproduct), waardoor het continent afhankelijk is van autoritaire regimes zoals China of Rusland. Wat zeldzame aardmetalen betreft is China momenteel bijvoorbeeld goed voor ongeveer twee derde van de winning van ertsen en ongeveer 85 procent van de verwerkte eindproducten – je kunt dus vooralsnog niet om Beijing heen. De coronacrisis en de Russische invasie in Oekraïne hebben echter laten zien hoe snel er problemen kunnen ontstaan in wereldwijde toeleveringsketens.
Oftewel: als Europa zijn groene transitie veilig wil stellen, moet het meer zelf gaan produceren in een sector die vaak op gespannen voet staat met het milieubeleid en waarvoor de benodigde installaties dus niet altijd steun vinden bij de bevolking. De technologie van microbiële uitloging biedt oplossingen voor deze problemen.
Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie
Een eerste uitweg ligt in het beter hergebruiken van elektronisch en elektrisch restafval (ook wel e-afval genoemd). Daar kun je niet alleen goud uit halen, maar ook zilver, palladium of platina – dat laatste wordt gezien als het sleutelelement voor een efficiënte waterstofproductie. Van het e-afval waar we reeds over beschikken wordt momenteel slechts ongeveer een vijfde benut, zegt Joers. Dat komt doordat de bestaande methodes voor recycling te traag en te duur zijn. Met optimale microbiële uitloging zou dit proces daarentegen zelfs al op kleine schaal winstgevend zijn, om nog maar te zwijgen over industriële schaal.
Tegelijkertijd is e-afval niet het enige afval dat Biotatec op het oog heeft. Ook fosforgips en zogenoemde rode modder zijn interessant. Beide zijn industriële restproducten uit de kunstmest- en aluminiumproductie. Alleen in Europa liggen er al miljoenen tonnen van op afvalbergen. Omdat ze giftige en radioactieve materialen bevatten, worden ze nauwelijks hergebruikt, hoewel ze van alles te bieden hebben – onder meer zeldzame aardmetalen. ‘Wat op deze afvalhopen ligt,’ zegt Joers, ‘zou Europa voor de komende decennia onafhankelijk van import kunnen maken.’
Maar waarom zijn dan niet allang overal in Europa bacteriën aan het werk gezet om de begeerde stoffen uit het industriële afval en e-afval te halen, of zelfs uit ertsvindplaatsen met lage concentraties metaal, waar exploitatie tot nu toe niet loonde? Die vraag dringt zich temeer op omdat de technologie achter microbieel uitlogen welbekend is en in bepaalde gevallen ook al op industriële schaal toegepast wordt.
Het probleem is dat deze technologie vergeleken met de traditionele aanpak voor uitloging van erts tot dusver te traag en te duur was. Mijnbouwbedrijven zagen daarom geen reden om van hun beproefde methodes over te stappen op een andere technologie of te investeren in nieuwe productielijnen.
Autarkie
Maar die redenering begint te rammelen. Om te beginnen hebben de laatste paar jaar bewezen hoe rap het raderwerk van de wereldeconomie tot stilstand kan komen. Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie. Ten tweede is het waarschijnlijk dat de vraag naar strategische grondstoffen die nodig zijn voor de ‘groene transitie’ zienderogen zal toenemen en de prijzen zal opdrijven, zolang het aanbod de vraag niet kan bijbenen.
En als Europa bovendien een bepaalde mate van autarkie wil bereiken in de waardeketen, zullen ook milieuvraagstukken een rol gaan spelen. Vergeleken met de klassieke uitlogingsmethodes heeft microbieel uitlogen wat dit betreft evidente voordelen. Ook op het gebied van de snelheid werden in het laboratorium van Biotatec al aanzienlijke vorderingen gemaakt.
Wist Sirli Sipp Kulli dat dit in het verschiet lag, toen ze ruim tien jaar geleden besloot de traditionele mijnbouw in Estland achter zich te laten en een start-up op te richten die deze weg zou inslaan? ‘Het was intuïtie,’ zegt de gepromoveerde scheikundige van midden veertig, ‘op een of andere manier wist ik gewoon dat dit groots kon worden.’ Vooralsnog moet de laatste stap – toepassing op industriële schaal – nog gezet worden. Maar met de nieuwste generatie bioreactoren staat Biotatec op het punt ook deze horde te nemen en kan het bedrijf aantonen dat hun methode binnen de sector een serieuze concurrent zal worden.
Daarvoor zou een potentiële industriepartner zowat om de hoek liggen. In het oosten van Estland staat namelijk de enige fabriek van Europa (en tegelijkertijd een van de weinige buiten China) voor het op grote schaal isoleren van zeldzame aardmetalen.
De Estse Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld
Het complex is gebouwd in de periode van de Sovjet-Unie. Die had in de provinciestad Sillamäe een uiterst geheime fabriek voor de vervaardiging van uraniumconcentraat in bedrijf. Later werden daar ook zeldzame aardmetalen gezuiverd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd de Estse fabriek aanvankelijk als staatsbedrijf onder de naam Silmet voortgezet en vervolgens geprivatiseerd.
Tegenwoordig is Silmet in het bezit van een Canadees concern, dat zowel in China als daarbuiten materialen produceert die in toenemende mate voor de nieuwe milieutechnologieën worden gebruikt. De Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld en bedient daarmee een klantenbestand dat al net zo internationaal is.
Daarnaast speelt de wens Estland als investeringsland op te waarderen. In Narva, niet ver van Sillamäe, wil het moederconcern 80 miljoen euro investeren in een fabriek voor de productie en het recyclen van sterke magneten, die in elektrische auto’s en windmolens gebruikt worden. De Estse regering gooit nog zo’n twintig miljoen euro tegen het project aan via het Just Transition Fund van de EU, een financieringsinstrument voor de economische diversificatie van zwakkere regio’s en de bevordering van milieuvriendelijke technologieën.
Voor de Ida-Viru-regio, die al jaren door industriële teloorgang wordt bedreigd, betekent dat ongeveer duizend nieuwe en zeer gewenste banen. Potentieel worden dat er zelfs nog meer, want een toekomstige uitbreiding van de magnetenfabriek wordt al uitgetekend. Volgens Kristian Järvan, de Estse minister voor Ondernemerschap en IT, komt er op deze manier een geïntegreerde productieketen voor hoogwaardige sterke magneten tot stand, die de EU momenteel nog niet heeft en goed kan gebruiken.
Kinderen in wiens leefomgeving in de eerste jaren veel ontsmettingsmiddel gebruikt is, hebben vast en zeker een ander microbioom gevormd. De vraag in dit geval is of ‘anders’ ook slecht is.
In het voorjaar van 2021 deed Brett Finlay, microbioloog aan de Universiteit van British Columbia, een gewaagde en zorgwekkende voorspelling. ‘Ik gok dat we over vijf jaar een grote groep kinderen met astma en obesitas gaan zien,’ zei hij tegen tijdschrift Wired. Hij noemt deze generatie de ‘coronakinderen’: zij die net vóór of tijdens het hoogtepunt van de crisis zijn geboren, toen het coronavirus alom aanwezig was en we collectief alles schoonmaakten om maar niet besmet te raken.
Finlays voorspelling is niet ongegrond. Zoals James Hamblin vorig jaar in The Atlantic schreef, hangt onze gezondheid af van een constante wisselwerking met triljoenen microben die op en in ons lichaam leven. De microben die tot het zogenaamde microbioom behoren, zorgen ervoor dat we ons voedsel kunnen verteren, ons immuunsysteem kunnen trainen en onze cognitieve functies optimaliseren. Die wisselwerking begint in de kindertijd, waarbij de eerste drie levensjaren cruciaal zijn: eerst moeten bacteriën zich in zogenaamde kolonies op baby’s nestelen en vervolgens moeten beide partijen fysiologisch op elkaar afgestemd raken. Als er in deze vormende periode grote verstoringen plaatsvinden, ‘kan het systeem uit balans raken’, aldus Katherine Amato, biologisch antropoloog aan de Northwestern University. En dat vergroot de kans dat een kind later allergieën, astma, obesitas en andere chronische aandoeningen ontwikkelt.
Hoe vroeger die verstoringen plaatsvinden en hoe intenser en langduriger ze zijn, hoe dramatischer de gevolgen. Zware antibioticakuren kunnen bijvoorbeeld de microbiële diversiteit vernietigen – baby’s die op jonge leeftijd zo’n kuur ondergaan, lopen een groter risico op eerdergenoemde complicaties. Min of meer hetzelfde geldt voor baby’s die via een keizersnede worden geboren, flesvoeding krijgen of opgroeien in een natuurarme omgeving. Als de coronamaatregelen zelfs maar een fractie van die effecten teweeg hebben gebracht, zijn door de strijd tegen schadelijke microben een heleboel kleine kinderen ook allerlei nuttige microben misgelopen – en dat kan grote problemen veroorzaken.
Dreiging
Nu, meer dan anderhalf jaar nadat Finlay zijn oorspronkelijke voorspelling deed, zijn kinderen weer op de crèche en op school te vinden. Mensen houden geen afstand meer en mijden niet langer de grote menigten. En, afgaand op de grote golf luchtwegvirussen die het noordelijk halfrond overspoelt, kan men stellen dat kinderhandjes en -mondjes weer druk microben uitwisselen. Maar voor de coronageneratie hangt de dreiging van de chronische ziektes die Finlay vanaf pakweg 2026 verwacht, nog steeds in de lucht. Het zal nog wel even duren voordat onderzoekers met zekerheid kunnen zeggen hoeveel verschil die maanden van microbiële leegte daadwerkelijk hebben gemaakt.
Voorlopig ‘bevinden we ons in het domein van speculatie’, aldus Maria Gloria Dominguez Bello, microbioloog aan Rutgers University. Wetenschappers weten nog niet hoe de samenstelling van onze darmflora zich in de toekomst in ons lichaam zal gedragen. Bovendien duurt het lang voordat chronische ziekten zoals obesitas en astma zich manifesteren. Er is nog geen bewijs dat ze bij de huidige generatie kinderen vaker voorkomen, en als dat inderdaad het geval blijkt te zijn, kunnen onderzoekers het pas over een paar jaar of zelfs langer vaststellen.
Finlay blijft bij zijn oorspronkelijke voorspelling dat de pandemie een netto negatief microbioom zal opleveren. ‘We hebben een enorme maatschappelijke verschuiving ondergaan,’ vertelt hij. ‘Ik weet zeker dat we daarvan de gevolgen gaan zien.’ En hij is niet de enige die dat denkt. ‘Ik denk dat gevolgen haast onvermijdelijk zijn, zegt Graham Rook, medisch microbioloog aan University College London. Als zich halfweg dit decennium geen incidenten voordoen, zou Rook ‘zeer verbaasd zijn’. Andere onderzoekers zijn minder overtuigd. ‘Ik denk niet dat we een generatie kinderen de verdoemenis in hebben geholpen,’ zegt Melissa Manus, antropoloog en microbioomonderzoeker aan de Universiteit van Manitoba. Enkele wetenschappers menen zelfs dat de pandemie het microbioom van de coronakinderen wellicht ten positieve heeft beïnvloed. Martin Blaser, microbioloog aan de Rutgers University, gelooft dat het aantal astma- en obesitasgevallen de komende jaren ‘met een beetje geluk’ zelfs zou kunnen dalen.
Het is bekend dat het microbioom van mens tot mens sterk varieert: soms is er tussen individuen geen enkele overlap
Wat de mogelijke gevolgen van de pandemie betreft, zijn de onderzoekers het over één ding eens: de coronababy’s hebben een ongewone kindertijd gehad. Hun micriobioom zal er dus gemiddeld heel anders uitzien. Maar anders hoeft niet per se slecht te zijn. ‘Het is niet zo dat er één winnend microbioom is,’ zegt Efrem Lim, microbioloog aan de Arizona State University. Neem bijvoorbeeld de zonen van Liz Johnson. Die werden geboren in maart 2018, augustus 2020 en maart 2022, alle drie vaginaal, in hetzelfde ziekenhuis, met de hulp van dezelfde vroedvrouw. Vervolgens kregen ze alle drie borstvoeding, en geen van hen onderging op jonge leeftijd een zware antibioticakuur. En toch ‘begonnen ze allemaal met een ander microbioom aan hun leven,’ vertelt Lim.
Op zich is dat niks zorgbarends. Het is bekend dat het microbioom van mens tot mens sterk varieert: mensen kunnen honderden bacteriesoorten op en in hun lichaam dragen en het is dus ook mogelijk dat er tussen individuen geen enkele overlap is. Bacteriële gemeenschappen lijken in zekere zin op kookrecepten: als je een ingrediënt niet bij de hand hebt, kun je het meestal door iets anders vervangen.
Lucas, Johnsons tweede zoon, kwam op een heel andere manier ter wereld dan zijn oudere broer – en in veel opzichten ook anders dan zijn jongere broer. Lucas werd geboren in een verloskamer vol gemaskerde gezichten. In de dagen na zijn geboorte kwam er geen familie op bezoek in het ziekenhuis. En terwijl zijn broers gedurende de eerste maanden van hun leven met hun moeder meegingen op werkreisjes over de hele wereld, bleef Lucas thuis. ‘Bijna niemand wist überhaupt dat hij geboren was,’ vertelt Johnson. Maar tijdens zijn eerste twee levensjaren kreeg Lucas wel borstvoeding en had hij veel contact met zijn familie thuis en met kinderen op de crèche. Bovendien was hij vaak in de natuur.
Maar Johnson en anderen weten nog niet precies in hoeverre dat alles opweegt tegen de extreme hygiëne en het weinige sociale contact tijdens Lucas’ eerste dagen. Zowel een teveel als een gebrek aan voorzichtigheid kunnen negatieve gevolgen hebben. Als het erop aankomt, weten wetenschappers gewoonweg niet hoeveel microbiële blootstelling precies goed is.
Arm en rijk
Onder coronababy’s zal het microbioom waarschijnlijk eveneens variëren, afhankelijk van wat voor beslissingen hun ouders op het hoogtepunt van de pandemie namen – wat weer afhangt van de financiële en sociale middelen waarover deze beschikten. Amato maakt zich vooral zorgen kinderen van wie de gezinnen niet alleen flink hebben ontsmet, maar wier microbiome diversiteit daarnaast ook op andere manieren is aangetast: bijvoorbeeld door keizersneden, flesvoeding en antibioticagebruik. Meghan Azad, onderzoekster op het gebied van kindergezondheid aan de Universiteit van Manitoba, legt uit dat het voor sommige nieuwe ouders tijdens de ergste fases van de pandemie aanzienlijk moeilijker kan zijn geweest om borstvoeding te geven. Bijvoorbeeld doordat het lastig was om persoonlijke begeleiding te krijgen, of door werkonzekerheid. Het microbioom kan ook zijn aangetast door een aanhoudend slecht dieet en door stress, waar veel mensen de afgelopen jaren mee te maken hebben gehad.
Volgens Rook is het probleem deels dat veel risicofactoren onevenredig veel voorkomen bij mensen die sociaaleconomisch zijn achtergesteld en daardoor vaak toch al een minder divers microbioom hebben. ‘Ik ben bang dat deze ontwikkeling de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk verder zal vergroten. Zelfs coronabesmettingen zelf lijken het microbioom te veranderen, en die komen nog steeds het meest voor onder mensen met essentiële beroepen en mensen die dicht op elkaar leven. Hoewel de verandering bij volwassenen misschien maar tijdelijk is, kan dat bij zuigelingen anders liggen, aangezien hun microbioom nog geen stabiele toestand kent.
Veel gezinnen zitten ertussenin. Het ene gezin vond het bijvoorbeeld belangrijk om het huis te ontsmetten, maar kon vanwege het thuiswerken gemakkelijker borstvoeding geven en gezonde maaltijden koken. Het andere gezin hield de kinderen weg van peuters op de crèche, maar had wel gelegenheid om ze buiten te laten spelen, wat ook contact met bijvoorbeeld honden mogelijk maakte. Wetenschappers hebben nog geen handige formule gevonden om aan de hand van de verschillende factoren de gezondheid van een kind kunnen bepalen. Momenteel wordt uitgezocht hoe zwaar elke component weegt en hoe eventuele aanvullende factoren kunnen worden geïdentificeerd.
Zelfs in het geval van mensen die niet in aanraking kwamen met extra buitenlucht of hondenkwijl, maakt Lim zich geen zorgen over de gedragsbeperkingen waaraan ze zich moesten houden. We worden allemaal ‘voortdurend blootgesteld aan duizenden microben’, vertelt Lim, die zelf een dochtertje van anderhalf jaar oud heeft. Wat vaker handen wassen, een mondkapje dragen en wat meer tijd thuis doorbrengen verandert daar niet zoveel aan. Zelfs kinderen die behoorlijk afgezonderd waren, ‘hebben niet in een bubbel geleefd’. Mogelijk hebben ze zelfs geprofiteerd van de sociale beperkingen. Kinderen die de crèche of kleuterschool hebben overgeslagen, hebben mogelijk een hele reeks virussen kunnen omzeilen die hen anders een antiobioticakuur hadden opgeleverd en zo hun microbioom hadden beschadigd. Het antibioticagebruik daalde in de ambulante zorg in 2020 aanzienlijk ten opzichte van het jaar ervoor. Volgens Blaser is het mogelijk dat het voordeel van afgenomen antibioticagebruik zwaarder weegt dan de relatief kleine tol van de coronamaatregelen. Als antibioticakuren afnemen, daalt bijvoorbeeld ook het aantal astmagevallen.
Deskundigen hebben goede hoop dat bepaalde microbiële verliezen nog kunnen worden hersteld door een combinatie van voeding, buitenspelen en genoeg sociaal contact (met mensen die niet ziek zijn)
Finlay en anderen houden de komende jaren hun ogen open voor mogelijke signalen. Kinderen wier familie in de eerste paar maanden van hun leven in de ‘hyper-hygiënemodus’ gingen, lopen het grootste risico. Die eerste maanden zijn cruciaal, aangezien microben het immuunsysteem in die fase leren hoe het op gepaste wijze op ziekteverwekkers moet reageren. Als kinderen die kans mislopen, kunnen hun afweercellen vijanden voor bondgenoten gaan aanzien, of andersom, wat zeer ernstige infecties of auto-immuunziekten tot gevolg kan hebben. Als een kind dergelijke aanpassingen eenmaal heeft geïnternaliseerd, kunnen ze moeilijk ongedaan worden gemaakt, zo stelt Finlay. Maar andere deskundigen hebben goede hoop dat bepaalde microbiële verliezen nog kunnen worden hersteld door een combinatie van voeding, buitenspelen en genoeg sociaal contact (met mensen die niet ziek zijn). Die herstellende interventies vinden idealiter zo vroeg mogelijk plaats. ‘Hoe eerder we het oplossen, hoe beter,’ aldus Blaser.
Niemand kan kiezen aan welke microben hij of zij precies wordt blootgesteld: het tegengaan van de overdracht van bekende ziekteverwekkers kan ook de overdracht van goedaardige bacteriën stoppen. Maar de context waarin dat gebeurt, is belangrijk. Microben-gunstig gedrag, zoals buitenspelen, kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met tactieken die microben uit de weg gaan, zoals het ventileren van binnenruimtes. Tijdens de pandemie zorgden de coronamaatregelen er tevens voor dat griepgevallen en RSV afnamen. Nu die virussen weer actief zijn, herinneren deskundigen ons eraan dat we dus weten hoe we ze kunnen tegenhouden.
Coronakinderen kunnen dat concept ook onderschrijven. Zo was Koziks zevenjarige zoon een peuter toen de pandemie begon. Zelfs te midden van de algemene hygiënegekte rolde hij met plezier rond in de modder en speelde hij graag met de twee honden van het gezin. ‘Ik heb hem geleerd dat niet alle bacillen hetzelfde zijn,’ zegt Kozik. Haar zoon heeft bovendien een hygiënische gewoonte opgepakt waar zijn moeder erg trots op is: elke dag als hij uit school komt, loopt hij naar de wasbak om zijn handen te wassen. ‘Het is het eerste wat hij doet,’ vertelt Kozik, ‘zelfs zonder dat het hem gevraagd wordt.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.