Tag: mijn

  • Wereldbeeld: Pissy is niet voor de poes

    Wereldbeeld: Pissy is niet voor de poes

    Het is hard werken voor vrouwen in de veertig jaar oude granietmijn in Burkina Faso.

    Vrouwen, vaak op alleen slippers, dragen eerst het graniet uit de veertig jaar oude mijn Pissy in Ouagadougou (Burkina Faso) op hun hoofd langs de steile wanden naar boven, om het daarna te vermalen tot kleine steentjes voor de verkoop. Grote blokken worden beneden in de mijn verkocht.

    Het graniet wordt gebruikt om gebouwen, straatstenen en wegen van te maken, maar mijnwerkers verdienen een schijntje – vaak maar 1 of 2 euro per dag. Bovendien is er geen enkele bescherming tegen de gevaren die in een mijn op de loer liggen, zoals de giftige rook van brandende autobanden die worden gebruikt om de enorme granietblokken te kraken.

    ANP 443417728 3
    © John Wessels / AFP

    Lees ook:

  • Heimwee naar de kolenmijn

    Heimwee naar de kolenmijn

    Amerika draait niet meer op steenkool. 
Maar de nalatenschap is onuitwisbaar in Boone County, West Virginia. Het was zwaar. Je werd er hard van. En het verdiende lekker.

    Boone County beweert de bakermat van de Amerikaanse steenkoolindustrie te zijn vanwege het vette, overvloedige zwarte gesteente dat bijna driehonderd jaar geleden 
in de groene heuvels van West Virginia werd ontdekt. Steenkool komt hier in bijna alle namen terug: de rivieren Big en Little Coal, het weekblad Coal Valley News, het wonderbaarlijke Bituminous Coal Heritage Foundation Museum en het West Virginia Coal Festival, dat dit jaar voor de vierentwintigste keer werd gehouden.

    Het festival is meer een jaarmarkt dan een viering van steenkool. Er is een kermis en een talentenjacht, en er zijn zeven missverkiezingen (variërend van Little Miss Coal Festival tot Forever West Virginia Coal Queen). Bij het standbeeld van een mijnwerker wordt ieder jaar een kleine herdenkingsbijeenkomst gehouden. Er zijn in totaal vijf slachtoffers, minder dan het aantal Miss Coals op de trap van het neoklassieke provinciehuis, die met hun koolzwarte sjerpen langzaam verpieteren in de hitte. Geen van de directieleden, noch vertegenwoordigers van de eens zo sterke vakbond, hebben de moeite genomen aanwezig te zijn.

    In plaats van de bloeiende bedrijfstak die het ooit was, en die nog altijd gevierd wordt met nepdiamanten en praalvertoningen, is de mijnbouw inmiddels eerder een blijvende erfenis. Dat is meteen ook het probleem van het kolengebied en vormt de uitdaging voor de promotors. Want de mijnbouw lijkt niet meer op de indringende beelden van fotograaf Walker Evans; een groot deel van de wereld heeft zich verder ontwikkeld. Maar Boone County niet. Nog niet.

    ‘We willen ons erfgoed levend houden. We willen niet dat het een stervende bedrijfstak is,’ zegt Delores W. Cook, algemeen directeur van het festival, maar eigenlijk de vorstin van het geheel. ‘Dit is voor de mensen in West Virginia hun leven geweest; jaar in, jaar uit hebben zij voor dit hele land het licht laten branden.’

    Cook schikt haar hoge meringuekapsel. Ze is een mijnwerkersdochter, en dat 
is een ‘onderscheiding’ die bij kennismaking wordt vermeld. Haar overleden echtgenoot Dennis ‘De’ Cook (iedere mijnwerker heeft wel een verkleinwoord) heeft ‘42 en een half jaar’ in de mijnen gewerkt, vertelt zijn weduwe.

    Voor- en tegenspoed

    Boone County kende voor- en tegenspoed dankzij de mijnen. De regio is nog altijd afhankelijk van deze industrie, omdat er weinig zicht is op een alternatieve inkomstenbron. Afgelopen jaar werkten slechts zevenhonderd inwoners van Boone County in de mijnen. Het schooldistrict is de grootste werkgever. Maar omdat de belastinginkomsten uit steenkoolwinning vorig jaar zo drastisch daalden – 
minder dan eenvijfde van de inkomsten in 2007 – moesten er honderdvijftig medewerkers worden ontslagen.

    Decennia na de hoogtijdagen en ondanks de beschikbaarheid van schonere en meer gebruikte energiebronnen, staat steenkool momenteel weer volop in de belangstelling. In het nationale debat speelt de mijnbouw een grotere rol dan gerechtvaardigd zou zijn als 
je kijkt naar de consumptie: met 15 procent van Amerika’s energiebronnen produceert het ongeveer 
eenderde van alle elektriciteit. Het is alsof een discussie over locomotieven opnieuw is aangezwengeld. Fracking, onlangs nog een constante in het nieuws, is naar de achtergrond verschoven. Net als olie.

    Omarmd door Donald Trump en als achterhaald weggewuifd door Hillary Clinton domineerde steenkool het energiedebat tijdens de presidentscampagne. ‘We moeten af van steenkool en alle andere fossiele brandstoffen,’ zei de Democratische kandidaat, waarmee ze voor de mensen in dit 
district meteen een paria werd.

    Amerikanen kunnen de mijnbouw moeilijk uit hun hoofd zetten, ook 
al vonden in 2015 nog geen 66.000 man werk onder de grond. Warenhuisketen Kohl’s heeft meer dan 
twee keer zoveel mensen in dienst. Maar retail werkt niet in dezelfde mate op de Amerikaanse verbeeldingskracht en levert geen verhalen op, inspireert niet tot muziek en is niet bepalend voor de identiteit. ‘Er werden hele gemeenschappen gesticht om steenkool te winnen,’ zegt Barbara Freese, auteur van Coal: A Human History. ‘Steenkool heeft zijn eigen geografische gebied en cultuur geschapen.’

    Een muurschildering van drie mijnwerkers in de lobby van een mijnbouwbedrijf in Kittanning, Pennsylvania. – © Michael S. Williamson / The Washington Post / Getty
    Een muurschildering van drie mijnwerkers in de lobby van een mijnbouwbedrijf in Kittanning, Pennsylvania. – © Michael S. Williamson / The Washington Post / Getty

    Het bergdecor van de Appalachen kwam in de schijnwerpers te staan en werd geëxploiteerd door goudzoekende journalisten die zich hadden vergist in Trumps populariteit en de cruciale rol die deze regio in deze verkiezingen zou gaan spelen. J.D. Vances autobiografie Hillbilly Elegy, die werd gezien als een decoder van de cultuur van de Appalachen, heeft bijna een jaar lang de bestsellerlijst aangevoerd.

    ‘Ik hou nou eenmaal van mijnwerkers,’ zei president Trump in juni, toen hij de Amerikaanse terugtrekking uit het klimaatakkoord van Parijs aankondigde. Trump heeft mijnwerkers en directeuren van kolenmijnen uitgenodigd om, voor het eerst in lange tijd, op de foto te gaan in het Witte Huis, en verklaarde ‘een eind te maken aan de strijd tegen steenkool’, een kreet die door een brancheorganisatie is bedacht in een tijd waarin zelfs het Kentucky Coal Museum overgaat op zonne-energie.

    Het zuiden van West Virginia is een plek waar wonderschone natuur en verwoesting naast elkaar bestaan. Dit werd maar al te duidelijk toen bedrijven bergtoppen begonnen op te blazen om met minder mensen brandstof te kunnen delven. ‘We leren nu dat we niet op één paard moeten wedden. We moeten groeien en diversifiëren,’ zegt de Democratische senator Ron Stollings bij de opening van het festival.

    Mijnbouw is een traditie die maar blijft rondspoken. ‘Het gaat niet alleen om een industrie die verloren is gegaan, maar ook om een manier van leven, een leven vol verschrikkelijke ontberingen,’ zegt componist Julia Wolfe, die ter herdenking van de mijnwerkers in Pennsylvania het oratorium Anthracite Fields schreef en daarmee de Pulitzer Prize won. ‘De truc is om het leven niet te romantiseren. Er zitten prachtige elementen in de onderlinge afhankelijkheid binnen de gemeenschap, maar is ook afschuwelijk misbruik en verwaarlozing.’ De industrie werd lange tijd gekenmerkt door overmatige wispelturigheid: vol gas tijdens een hausse, en dan weer verwaarlozing: bedrijven die ervandoor gaan onder het mom van faillissement, waardoor pensioenen werden bedreigd en de zekerheid van trotse mannen werd gesloopt. Banen verdampten, maar de heuvels bleven.

    ‘Er zit nog steeds een hoop steenkool in deze heuvels,’ zegt Cook, voormalig staatsvertegenwoordiger en curator van het eeuwige optimisme. De brandstof raakte niet op, maar de levensvatbaarheid was wel eindig en dat heeft de gemeenschap enorm beïnvloed. De bedrijven waren vaak minder begaan met de mannen dan met hun product, zoals subtiel, zonder wrok of subjectiviteit, duidelijk wordt gemaakt door de voorwerpen in het museum. Mijnwerkers werden geacht gereedschap aan te schaffen bij de bedrijfswinkel. Veiligheid was van ondergeschikt belang. ‘We hadden geen reflecterende uitrusting toen ik in de mijn werkte,’ zegt voormalig mijnwerker (vierde generatie) Tim Spratt, wijzend naar een vitrine, als hij met zijn kleinzoon het museum bezoekt. ‘Dat hadden alleen de opzichters.’

    Vroeger waren er geen arme mensen in McDowell County. Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft

    Spratt, die zong bij de herdenkingsdienst, moest ooit kolen bikken in een gang van nog geen meter hoog. ‘Dat is heel lastig voor een dikkerd,’ zegt hij. ‘Ik vond de onderlinge camaraderie met mijn ploeggenoten fijn,’ zegt inwoner Rickey Woodrum, die tien jaar ondergronds werkte voordat hij een baan kreeg in een autowerkplaats. ‘Het verdiende lekker. Het was zwaar. Je wordt er hard van. Maar je kinderen kunnen wel studeren.’ Die hoefden de mijn nooit in.

    Het werken in een mijn was de zeldzame baan waarmee een man – altijd mannen – met hoogstens middelbare school in een goed jaar een salaris van 80.000 of 90.000 dollar verdiende, en zo kon opklimmen door af te dalen. Door de inzakkende inkomsten konden veel mannen slecht voor hun gezin zorgen, geen kostwinner meer zijn; nog zo’n hedendaags discours.

    ‘Het is al sinds de Tweede Wereldoorlog bergafwaarts gegaan met steenkool,’ zegt voormalig mijnwerker Jim Chaney. ‘In Boone County dolf of vervoerde je steenkool, een van de twee.’ Hij gelooft dat ‘het terugkomt, maar het wordt nooit zoals het was’. Dezelfde slotzin weerklinkt overal in het kolengebied.

    Opiatenverslaving

    West Virginia, dat zich in 1863 van het geconfedereerde Virginia afscheidde, 
is de enige staat die uit de Burgeroorlog is voortgekomen. (Desalniettemin zijn er nogal wat Confederatievlaggen te zien, waaronder meerdere exemplaren die aan een kermisattractie zijn vastgehecht.) In plaats van slagvelden bracht de staat een palet van mijnwerkersconflicten en rampen voort: Matewan, de Battle of Blair Mountain (van het stadje is nu niet veel meer over dan een gedenkplaat) en Upper Big Branch.

    De smerige, dramatische en gewelddadige geschiedenis van de industrie werd gedomineerd door bovenmaatse vakbondsleiders en roofondernemingen die de steenkool en daarmee de welvaart inpikten en stadjes achterlieten die veel weg hebben van filmsets voor films over de Grote Depressie, visueel aantrekkelijk voor documentairemakers en fotografen.

    Zestig jaar geleden was McDowell 
een county met 100.000 inwoners. Vandaag de dag is daar nog maar eenvijfde van over en is de county de armste van West Virginia. In 2015 kreeg het nationale aandacht dankzij de zeer twijfelachtige eer ’s lands hoogste aantal sterfgevallen voort te brengen als gevolg van opiatenverslaving.

    Net buiten Welch, een van vele arme stadjes van McDowell, zit Johnny Bishop, 65, gelooide huid, opgevouwen in een wit busje op een lege weg kleding te verkopen, inclusief mijnwerkersuitrustingen met reflecterende strepen. 
Bishop werkte zestien jaar lang in de mijnen, waarvan twee jaar op zijn knieën in gangen van iets meer dan 70 centimeter hoog. De ergste dag was toen hij een stroomstoot van 480 volt kreeg van een draad die onder spanning stond. Twee dagen later ging deze mijnwerker van de vierde generatie weer aan de slag. ‘Voor een mijnwerker zijn de ploeggenoten als broers,’ zegt hij. Maar het ging niet goed met de mijnen en Bishops gezondheid verslechterde. Hij kreeg pijnstillers voorgeschreven. Hij zegt er nooit aan verslaafd te zijn geraakt en er in één keer mee te zijn gestopt.

    Uiteindelijk heeft hij de schachten vaarwel gezegd en is in Virginia in 
de bouw gaan werken. De steenkoolbedrijven en de leiders van dit land ‘besteedden geen aandacht aan ons’, zegt hij. ‘We hadden hier vroeger zo veel. We hadden steenkool. We hadden aardgas. We hadden hout. Er waren geen arme mensen in McDowell County.’

    Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft.

    Auteur: Karen Heller

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.