Al meer dan twintig laat ontwerpster Adama Paris zien dat Afrikaanse creativiteit geen tijdelijke fascinatie was, geen voetnoot bij Europese modehuizen, maar een wereldwijde kracht.
Ontwerper Adama Ndiaye, a.k.a. Adama Paris – tevens de naam van haar label –, oprichter van Dakar Fashion Week en pleitbezorger van een zelfbewuste Afrikaanse mode-esthetiek, gebruikte de Atlantische Oceaan als catwalk en ensceneerde haar spectaculaire show op traditionele Senegalese pirogues. Deze deinende vissersboten verleenden de modellen extra elegantie terwijl ze over het water gleden.
De New Yorkse schrijver Gary Shteyngart heeft zich altijd wat onzeker gevoeld over zijn verschijning. Om hier verandering in te brengen besluit Gary dat hij een fenomenaal maatpak nodig heeft. Hij reist de wereld rond op zoek naar de mooiste stoffen en de beste kleermakers. Maar zal zijn persoon echt veranderen door het dragen van een zesdraads nachtblauw herenpak?
Een mooi pak dat speciaal voor mij is gemaakt, van de beste stof, door de beste kleermaker. Een pak waarmee ik me op mijn gemak voel en waarmee ik ook laat zien: ‘Deze man voelt zich op zijn gemak.’ Een pak waarmee ik in de chicste restaurants op mijn wenken bediend zou worden. Een pak waarmee ik rustig langs de lastigste douanes zou wandelen. Een pak dat uitstraalt dat de auteur een betere smaak heeft dan al die blokjeshemden uit Brooklyn.
Zo’n pak zou de perfect uitdossing kunnen zijn voor mijn persoonlijkheid, die zich te zeer verlaat op nerveuze humor en cynische gevatheid, de persoonlijkheid die ik al probeer te cultiveren sinds mijn puberteit, toen ik mijn vlassnorrige poremin de spiegel zag en dacht: Hoe word ik ooit gelukkig in de liefde?Zo’n pak zou mijn vorm ontstijgen en direct mijn persoonlijkheid kleden. Het zou me vergezellen naar ’s werelds grootste salons, interviews op televisie en, niet te vergeten, goedbetaalde lezingen op universiteiten in het hele land. Het pak zou een verlengde van mijzelf zijn, een bediende die mij voorgaat en deftig aankondigt: ‘Meneer Gary en zijn pak zijn gearriveerd.’ Als ik zo’n pak weet te bemachtigen, een pak van de beste stof, gemaakt door de beste kleermaker, zou ik een metamorfose ondergaan.
Wat er aan het pak voorafging
Ik ben in 1972 in de Sovjet-Unie geboren en kwam als zevenjarig jongetje in New York met slechts de kleren die ik aan had. De Hebreeuwse school waartoe ik acht jaar lang veroordeeld was, zamelde kleding voor me in, waardoor ik er, gehuld in oude Batman & Robin-shirts, uitzag als de typische Sovjetvluchteling. Ik moet hierbij opmerken dat ik nooit dacht: Ze mogen me niet vanwege mijn kleren, mijn armoede of mijn gebrekkige Engels. Dat zou ik pas veel later inzien. Lange tijd dacht ik dat ze me puur en alleen niet mochten omdat ik was wie ik was. Mijn school mocht dan joods zijn, ik kampte met een gevoel van calvinistische voorbeschikking: zolang ik mezelf was, verdiende ik deze kleren. Daarmee kwam ook voor het eerst het idee bij me op dat ik iemand anders kon worden – Hoe word ik ooit gelukkig in de liefde? Zo! –, een idee dat veertig jaar lang groeide, met als eindpunt: Het Pak.
Op de middelbare school probeerde ik erbij te horen en droeg de standaardkleding die ons inmiddels tot de middenklasse opgeklommen gezin eindelijk kon betalen, vooral surfer-T-shirts van Ocean Pacific en andere merken die je je zult herinneren als je in de jaren tachtig in suburbia bent opgegroeid: Generra, Aéropostale, Unionbay. Helaas ging ik niet naar school in suburbia maar in Manhattan, waar ik met mijn shirts meteen voor lul stond. (Dit is sindsdien vaker voorgekomen. Tegen de tijd dat ik de mode ontdek, is die alweer uit de mode.)
Na de universiteit kreeg ik een vriendengroep die bestond uit semikunstzinnige, ketamineverslaafde hipsters met wie ik eind jaren negentig flink heb bijgedragen aan de gentrificatie van enkele wijken in Brooklyn. Een modebewuste vriendin begon zich over mijn garderobe te ontfermen in de dure tweedehandswinkel Screaming Mimis. De kleren die ik van haar moest kopen, jeukten, maar ze gaven me het gevoel dat ik een rol speelde op het grotere toneel.
En later, als schrijver, was mijn bed mijn kantoor dus had ik geen pak nodig. Ik ben heel zuinig en dure dingen kopen is slecht voor mijn bloeddruk.
De droom
Op mijn vijftigste – ik was inmiddels getrouwd, had een gezin en was in redelijk goeden doen – ontmoette ik een man genaamd Mark Cho. We hadden elkaar gevonden via een gedeelde voorliefde voor horloges en ik wist dat hij de eigenaar was van de Armoury, een zaak voor klassieke herenmode, met filialen in New York en Hongkong. We gingen uit eten in het Union Square Café, en ik was meteen gecharmeerd door hem en zijn kleding. Mark droeg bijna altijd jasje-dasje, en vaak een vest en een bril van een of ander bijzonder metaal. Ik vond het mooi om te zien dat hij zich zo comfortabel voelde in zijn klassieke outfits, die hij vast en zeker zorgvuldig had uitgekozen. Toch zag het eruit alsof hij nauwelijks aandacht had besteed aan de vraag in welke ademende stoffen hij zijn afgetrainde lichaam zou hullen.
Voor deze quasiachteloze stijl gebruiken de Italianen het woord sprezzatura, ontdekte ik. En het waren de Japanners die deze Italiaanse nonchalance hadden bestudeerd en geperfectioneerd met hun versie van de Amerikaanse Ivy League-stijl. Als dertiger had ik in Italië gewoond, waar ik veel aristocraten ontmoette die een en al sprezzatura waren, maar mij grijnzend aankeken als ik ze vroeg waar ze hun kleding vandaan haalden. Het was vaak het werk van één specifieke kleermaker in Napels of Milaan. Aha, zit het zo, dacht ik bij mezelf. Een maatpak was duidelijk niet voor mij weggelegd.
Met genoeg geld, de sterkste stoffen en de beste kleermakers kon er een fantastisch pak gemaakt worden voor iedereen, zelfs voor mij
Maar onder het genot van martini’s en onglets au poivre begon ik in gesprek met Mark te begrijpen wat er allemaal bij zo’n pak komt kijken, inclusief op maat gemaakte overhemden en schoenen. Voorzichtig informeerde ik naar het financiële plaatje en kreeg te horen dat zoiets met alles erop en eraan makkelijk 10.000 dollar of meer kon kosten. Dat vond ik iets te prijzig. Een kort maar productief gesprek met de redacteuren van The Atlantic beloofde mijn droom waar te zullen maken. Het zou veel werk, onderzoek en enkele intercontinentale vluchten vereisen, maar het was mogelijk. Met genoeg geld, de mooiste, sterkste Italiaanse stoffen en de beste Japanse kleermakers kon er een fantastisch pak gemaakt worden voor iedereen, zelfs voor mij.
De aankomst van Yamamoto-San
Op 24 mei 2024 landde er in New York een vliegtuig uit Tokio met daarin een van de best geklede mannen op aarde. Zijn naam is Yuhei Yamamoto en hij is het gezicht van de Ivy League-stijl, een kledingstijl die de Amerikanen waarderen maar alleen de Japanners echt begrijpen.
Het Britse pak, met zijn serieuze uitstraling, heeft overal op de wereld verschillende vormen aangenomen. Vooral de Italianen hebben er iets bijzonders van gemaakt. In Amerika groeide het pak ondertussen uit tot een soort uniform zonder verdere opsmuk, dat het gemeenschappelijke en rechtschapene van het protestantse leven benadrukte. Dit model werd bekend onder de naam sack suit. In de jaren vijftig werkte Brooks Brothers dit concept uit en gaf er een bijna rebels nonchalante uitstraling aan: een recht vallend jasje met een natuurlijke schouderlijn en een pantalon zonder vouw.
Ik ontmoette Yamamoto-san in Mark Cho’s zaak aan de Upper East Side, en ik schrok toen ik hem zag. Niemand kon zo goed gekleed gaan. Niemand kon zo zelfverzekerd overkomen in een driedelig crèmekleurig streepjespak dat bijna verwachtingsvol om zijn brede schouders leek te zweven. En dan nog die bruine zijden stropdas die zo goed combineerde met zijn bruine, gestippelde pochet en de stevige, ietwat grijzende haardos boven zijn perfect gebeitelde gezicht. Ging deze man een pak voor mij maken? Dat was beneden zijn waardigheid.
Na me even te hebben bestudeerd, zei Yamamoto-san: ‘Sack suit.’
Die diagnose deed aanvankelijk pijn.
‘Sack suit,’ herhaalde Yamamoto. Via een tolk legde hij me vervolgens uit dat ik volgens hem ‘veel karakter’ had. Dat had ik eerder gehoord, en niet altijd als compliment, dus vroeg ik wat hij precies bedoelde. ‘U heeft karakter,’ zei hij. ‘U bent een echte New Yorker. Met de mode meegaan is niets voor u. Een echte New Yorker draagt een sack suit.’
Hij en Mark begonnen een masterplan uit te denken. Yamamoto-san zou een drape-snit maken die mijn slanke figuur accentueerde en waarin mijn borst mooi uitkwam. De broek zou ervoor zorgen dat ik langer oogde dan mijn 1,69 meter.
‘Het beste lichaam voor een pak is niet heel atletisch en ietwat krom, dan valt het beter.’ Dat ben ik! dacht ik. Kennelijk waren mijn tekortkomingen juist een pluspunt.
‘Ik ga een pak voor je maken uit de gouden eeuw van de Amerikaanse mode,’ zei de kleermaker. We bekeken indrukwekkende staalboeken met stoffen. Ik had aangegeven dat ik een pak wilde voor de lusten én de lasten; voor dronken avonden in restaurants maar ook voor lezingen en interviews. Daarmee kwamen we uit op donkere kleuren, en de keuze viel uiteindelijk op nachtblauw. ‘Zesdraads gaat langer mee, en je kan ermee reizen zonder dat het kreukt,’ zei Mark.
Dat klonk allemaal heel mooi, maar ik zat met een heleboel vragen. Wat betekende ‘zesdraads’ nou weer? Hoe werd garen überhaupt gemaakt? Mark stelde voor dat we naar de stoffenbeurs in Milaan zouden gaan. Daarna zouden we naar Hongkong vliegen voor op maat gemaakte overhemden en vervolgens naar Tokio voor de tweede sessie met Yamamoto-san.
‘Prima,’ zei ik.
Milaan
De Milano Unica-beurs vond plaats in een mistroostig congrescentrum aan de rand van de stad. We liepen naar de kraam van Vitale Barberis Canonico, de fabriek die de nobele taak had de stof voor mijn pak te produceren. Daar kreeg ik een staal te zien van de beoogde stof voor mijn pak: de 21 Micron.
‘21 Micron is een exclusieve stof,’ zei de vertegenwoordiger. ‘Het is strak gesponnen wol die goed ademt; hij kreukt niet.’ In tegenstelling tot de meeste pakken werd het mijne dus van zesdraadse wol gemaakt.
‘Zesdraads is voor de dapperen,’ zei de goedgeklede man. Ik begreep niet helemaal wat hij bedoelde, maar waardeerde de opmerking toch.
‘Het wordt een superieur pak,’ zei Mark. ‘Je kunt het tot in de kist dragen.’
Ik staarde naar de stof, diepblauw als de eeuwigheid waarin ik bij mijn verscheiden hoop te verzinken, vele vadems dieper dan de Baltische Zee waaraan mijn geboortestad ligt. Binnenkort, dacht ik, zal deze betoverende stof mij van mijn nek tot aan mijn enkels bedekken. En misschien word ik dan een ander mens.
Hongkong
Maar we waren nog maar net begonnen, en we zetten de reis voort naar Azië.
Mark en ik wandelden door de benauwde hitte van Hongkong naar een winkelcentrum waar zich een van de zaken van de beroemde kleermaker Ascot Chang bevindt. Justin Chang, de kleinzoon van de oprichter – de familie maakt al sinds 1953 overhemden in Hongkong – heette ons welkom en trok balen stof tevoorschijn (de winkel heeft ruim 7000 soorten op voorraad).
We waren daar om mijn pak van vier bijpassende overhemden te voorzien. Justin en Mark waren druk in gesprek terwijl ik aan de knisperende stoffen voelde.
Ik keek naar mezelf in de spiegel en daar stond ik: een goedgeklede man van middelbare leeftijd
We kozen stoffen uit voor de verschillende hemden: een net overhemd met wijde boord van piquékatoen, een traditioneel wit Oxford-overhemd, een katoenen overhemd met blauwe streepjes in jarenzeventigstijl en – mijn favoriet – een overhemd van chambray met een boord met knoopjes, die vanwege de gespikkelde stof een informelere uitstraling had. Aangezien ik een horlogeliefhebber ben, vroeg Mark of de linkermanchet iets wijder kon, zodat het klokje af en toe uit mijn mouw kon kijken. Een van de overhemden zou met spoed moeten worden gemaakt om op tijd klaar te zijn voor mijn tweede pasbeurt bij Yamamoto-san in Tokio.
De volgende dag was het chambray overhemd klaar. Gespannen paste ik mijn allereerste op maat gemaakte kledingstuk. In het warme, houten interieur van de Ascot Chang-winkel onderging ik mijn eerste metamorfose. Voor het eerst zat iets goed. Zat iets mooi. Zat iets perfect. Ik keek naar mezelf in de spiegel en daar stond ik: een goedgeklede man van middelbare leeftijd.
De terugkeer van Yamamoto-san
Met één Ascot Chang-overhemd in mijn koffer – en drie in de maak – vlogen we van Hongkong naar Tokio voor de laatste stap in het maatwerkproces: de tweede pasbeurt bij Yamamoto-san. Ik liep de trap op naar de eerste verdieping van zijn atelier in de hippe buurt Shibuya.
In het atelier schitterde Yamamoto-san wederom in een streepjespak, deze keer een lichtblauwe met een donkerblauw pochet voor het contrast. Op de platenspeler draaide Ella Fitzgerald, een van haar zeldzame Japanse albums getiteld Ella and Nice Guys. En ten slotte hing daar aan een houten kleerhanger het werk in uitvoering: mijn nachtblauwe pak, dat met rijggaren in elkaar was gezet.
Met trillende handen trok ik het pak aan. In dit stadium werd het nog ontsierd door het rijggaren en de knoopjes waren met stickers aangegeven, maar ik kon al een glimp opvangen van het uiteindelijke wonder.
‘De schouder is wat breder, maar zonder opvulling,’ legde Yamamoto-san via zijn tolk uit, waarmee hij erin was geslaagd om mijn afhangende rechterschouder te compenseren en tegelijkertijd die verschrikking uit de jaren tachtig te vermijden. ‘Uw borstkas is enigszins ingevallen,’ zei Yamamoto-san. Omdat ik zo’n kromme houding heb, had hij de drape-techniek gebruikt, waardoor, zoals Mark het verwoordde, ‘je borst iets meer volume krijgt’.
‘Shit, man, dit ziet er verdomd goed uit,’ zei Mark, die normaal gesproken heel ingehouden reageert.
‘U ziet eruit als een Fransman in de jaren vijftig,’ zei Yamamoto-san, ‘of Alain Delon in de jaren zestig.’
We bespraken wat er nog verbeterd moest worden. Ik tilde mijn armen op en draaide me om. ‘Wat gaan we doen met Gary’s achterste?’ vroeg Mark terwijl de twee mannen op zoek gingen naar mijn kont. ‘Blijkbaar ben je wat derrière kwijtgeraakt sinds de laatste pasbeurt.’
‘Hij moet de broek zo strak mogelijk dragen,’ zei Yamamoto-san. ‘Als de broekband boven de navel zit, is alles goed.’
‘Hij zou wat squats kunnen doen,’ zei Mark, waarop ik me niet verwaardigde te antwoorden.
Voor een mooi contrast met de sobere buitenkant kozen we een schitterende, turquoise voering, en marineblauwe knoopjes gemaakt van noten. ‘Into each life, some rain must fall,’ zong Ella op de langspeelplaat, maar ik luisterde nauwelijks.
De metamorfose
Twee maanden later kwam Yamamoto-san terug naar New York met mijn pak. Op de avond van de onthulling organiseerde Mark een feestje in zijn winkel aan de Upper East Side. Het was een warme avond, bijna zomerachtig. Voordat ik het pak aantrok, liet Yamamoto-san me met zijn eigen Panasonic reisstrijkijzer zien hoe ik het moest strijken.
Ik kwam uit het pashokje en keek in de spiegel. Ik werd omhuld door nachtblauw, op mijn schouders het plezierige gewicht van zesdraads Italiaans garen.
‘Yokatta!’ riep Yamamoto-san, wat zoiets betekent als ‘Godzijdank!’
‘Yokatta,’ zei Mark glimlachend.
Terwijl ik woorden van dank stamelde, merkte ik dat mijn broek ondanks de inspanningen van de kleermaker nog steeds van mijn non-existente billen gleed. Om daar iets aan te doen werd ik in bretels gehesen, en Mark knoopte liefdevol een gestippelde das om mijn nek.
Ik kwam de paskamer uit en onderwierp me aan het oordeel van het deskundige gezelschap uit de herenmodewereld. Er werd gevoeld aan de stof. Er werd gevoeld aan mijn schouders. Aan mijn armen en mijn boord.
‘Het lijkt wel op je lichaam te zijn geschilderd,’ zei een man.
‘De rug is zo elegant!’
‘Je schouders hangen een beetje en toch zit het perfect.’
‘De boord zit glad tegen de nek.’
‘Het stiksel is een visueel extraatje.’
‘Door de zware stof valt het mooi.’
‘Goede lengte voor de revers.’
‘Vanavond stel je ons allemaal in de schaduw.’
Yamamoto-san nam me apart en zei dat ik mijn pak vaak moest dragen, niet alleen bij speciale gelegenheden. ‘Als het alleen iets wordt voor speciale gelegenheden, dan heb ik gefaald,’ zei hij. Ik beloofde dat ik het pak niet in de kast zou laten hangen. Elke week zou ik een gelegenheid vinden om het te dragen.
En ik ben mijn belofte nagekomen. Ik draag het pak vaak en graag. De overhemden van Ascot Chang kunnen gecombineerd worden met de gestippelde das of een minder formele zijden das met een patroontje, en dat schept verschillende karakters. ‘Je ziet eruit als een smartlappenzanger uit de jaren vijftig,’ zei mijn vrouw Esther over een van de combinaties. Bij een andere was ik meer een Engelse pastoor, vond ze.
‘Je loopt opeens heel anders,’ zei Sara, een vriendin van me. ‘Je schrijdt bijna.’
Alleen mijn elfjarige zoon Johnny was niet onder de indruk. ‘Zoiets draag ik elke dag naar school, maar dan zit het minder lekker,’ zei hij, terwijl hij aan de kraag van zijn schooluniform trok.
Nu deed ik steeds mijn pak aan als ik buiten de deur ging eten, en ik hield bij het bestellen rekening met zijn voorkeuren. Wat zou mijn pak willen eten? vroeg ik me dan af. Het pak wilde een garnalencocktail. Ik reisde samen met mijn pak naar de Universiteit van Pennsylvania om een lezing te geven. Het was uitstekend gezelschap. Als een golden retriever sprong het mijn koffer uit, met niet het minste kreukeltje erin.
Ik ben altijd tevreden geweest over mijn geest, maar nu hou ik ook van mijn lichaam. Het roept niet langer ongemak en spot op. Ik hou van de kleine trillende spieren in mijn borst. Ik hou van mijn gebogen houding, mijn uitgekristalliseerde vorm. Zoals een personage uit een roman van James Salter hou ik van mijn figuur, mijn lichamelijkheid. Ik hou van mezelf.
360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.
100 werken van Art & Project
CONCEPTUELE KUNST | Art & Project krijgt de ruimte met ruim honderd werken uit de collectie van Jan Dibbets, Ger van Elk, Willy Ørskov, Barry Flanagan, Richard Long en Nicholas Pope. Nationale en internationale conceptuele kunstenaars met accenten op sculptuur en schilderkunst.
Art & Project, Kröller Müller Museum, 30/9
Art & Project, Kröller Müller Museum, 30/9
Mahagonny weer relevant
OPERA | In de satirische opera In Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny – voor het eerst in Nederland opgevoerd in 1930 – laten Kurt Weill en librettist Bertolt Brecht er geen twijfel over bestaan: mensen zijn slecht en worden alleen nog maar slechter in het almaar intoleranter wordende Duitsland destijds. Met dit meesterwerk keert regisseur Ivo van Hove terug naar De Nationale Opera met een maatschappelijk relevante productie die van allerlei overeenkomsten biedt met het huidige gespannen tijdsgewricht. Want ook in de stad Mahagonny loont de misdaad. Van Hove maakte er een artificiële stad van ergens in de Amerikaanse woestenij, waar een paar mensen in de illusie leven verkeren dat ‘God’ helemaal niks verboden heeft. In deze nieuwe fata morgana kiezen ze voor het individuele belang, dat meestal maar een beperkte duur heeft.
Maar bovenal is het een aanklacht tegen het idee dat geld gelukkig maakt
Mahagonny laat zien hoe individuen een groep en een massa kunnen worden die tot een revolutie kunnen leiden, met of zonder goede afloop. Maar bovenal is het een aanklacht tegen het idee dat geld gelukkig maakt.
De eerder vertoonde Dreigroschenoper in 1928 werd een groot succes. En met de volle zalen voor Mahagonny kon de reputatie van het duo Brecht en Weill niet meer stuk. Zeker ook door de geweldige soundtrack, en de Alabama Song, later onder meer gecoverd door The Doors en David Bowie. In 1933 werd de opera door de nazi’s verboden en ontvluchtten Brecht en Weill Duitsland.
Mahagonny, Nationale Opera 6-27 sep 2023
Mahagonny, Nationale Opera 6-27 sep 2023
Rebelse mode
MODE | De minirok wordt toegeschreven aan Mary Quant, die met dat kledingstuk(je) een onuitwisbaar stempel op de Britse en daarna internationale mode drukte. Quant bevrijdde de jonge generatie van de stijve confectie. Het waren de jaren zestig, waarin met wel meer keurslijven werd afgerekend. Ze was uiteraard niet de enige die de mode voorgoed veranderde. Hoe toonaangevend de Britten zijn geweest is te zien in het Haags Museum, waar een indrukwekkende league ontwerpers voorbijtrekt in de show Royals & Rebels. Om te beginnen de unieke Vivienne Westwood, aan wie een eerbetoon wordt gewijd, maar invloedrijk was ook de maatkleding van Savile Row, kostschooluniformen, hoeden, sportkleding of de Schotse ruit. Dan heb je wel een people’s princess nodig die het draagt en wereldkundig maakt.
Royals & Rebels,Kunstmuseum Den Haag
Royals & Rebels,Kunstmuseum Den Haag
Snoop Dogg in Ahoy
HIPHOP | Zeventienvoudig Grammy Award-winnaar Snoop Dogg (51) bouwde een solide carrière op met grensverleggende hiphop en werkte samen met tijdgenoten als Dr. Dre. Hij weet zichzelf als merk nog altijd goed te verkopen.
Rotterdam Ahoy, 19/9
Snoop Dogg in Rotterdam Ahoy, 19/9
Ongetemd gedrag
BEELDENDE KUNST | Janis Rafa (Athene, 1984) studeerde beeldende kunst en filosofie aan de Universiteit van Leeds en woont en werkt afwisselend in Amsterdam en Athene. Het Eye Filmmuseum vond in haar werk genoeg aanleiding om een solotentoonstelling samen te stellen. In haar films en video-installaties wordt zelden gesproken en richt Rafa zich juist op de geluidloze aanwezigheid van dieren, wat een poëtische compositie oplevert waarin ‘dierlijke instincten, ongetemd gedrag en het menselijk onvermogen’ een grote rol spelen.
Rafa eert zwerfhonden, aangereden wild, huisdieren of dieren in de bio-industrie met een woordeloze ode
Meestal kiest zij de weinige rafelranden die er nog zijn op postindustriële plekken om haar beeldtaal te laten samenwerken met verlaten gebouwen en in verval rakende natuur. Daarin staat niet de mens centraal maar eert Rafa zwerfhonden, aangereden wild, huisdieren of dieren in de bio-industrie met een woordeloze ode.
MUZIEK | Olga Pashchenko speelt piano bij de klassieke vampierfilm Nosferatu van F.W. Murnau, gebaseerd op Bram Stokers Dracula. Over afkeer van hebzucht en corruptie, de angst voor een dodelijke epidemie en de gevaren van onderdrukte erotische verlangens.
De afgelopen jaren is de kledingindustrie zich steeds bewuster geworden van de noodzaak om kleding te recyclen. Een veelbelovende ontwikkeling, maar is het genoeg om de enorme jaarlijkse hoeveelheid afgedankte kleding te verwerken?
Het bedrijf Renewcell heeft in het Zweedse kustplaatsje Sundsvall een nieuwe textielrecyclingfabriek geopend die zo groot is dat werknemers een fiets gebruiken om van de ene kant van de productielijn naar de andere te komen. Grote balen katoenafval worden op een lopende band gestort, aan flarden gescheurd en in een natte smurrie veranderd met behulp van chemicaliën. Deze smurrie, die oplossende pulp wordt genoemd, wordt vervolgens gebleekt, gedroogd en tot vellen geperst die lijken op gerecycled kraftpapier en onder de merknaam Circulose naar fabrieken worden gestuurd om tot textielsoorten als viscose te worden verwerkt voor kleding.
Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen of is ze gemaakt van waterflessen, visnetten en oude tapijten. (Er bestaat al technologie om polyester tot polyester te recyclen maar die is zo duur dat ze maar zelden wordt gebruikt.)
De fabriek van Renewcell is een van de eerste stappen naar een systeem om van oude kleding nieuwe hoogwaardige kleding te maken die geheel uit gerecyclede weefsels bestaat. Het is ook een manier om de bergen textielafval aan te pakken die zich overal op de wereld ophopen en te zorgen dat er minder bomen uit ecologisch gevoelige bossen worden opgeofferd voor de vervaardiging van kledingweefsels. (Volgens Canopy, een Canadese non-profit die zich samen met de papier- en kledingindustrie inzet voor vermindering van ontbossing, worden er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen gekapt om oplossende pulp te produceren voor uit cellulose vervaardigde vezels als rayon, viscose, modal en lyocell.)
Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen
Veel consumenten lijken zich steeds ongemakkelijker te voelen over wat er met hun oude kleren gebeurt en kledingbedrijven zoeken naar manieren om te blijven uitbreiden en zich tegelijkertijd aan hun belofte te houden om hun negatieve ecologische voetafdruk te verminderen door via een circulair systeem te voorkomen dat afgedankte kleding op de vuilstort belandt. De Europese Unie heeft al haar lidstaten verplicht hun textielinzameling voor 2025 te intensiveren, wat naar verwachting tot een aanzienlijke afname zal leiden van de hoeveelheid kledingresten waarvoor geen bestemming bestaat.
‘Heel opwindend,’ noemt Ashley Holding, consultant op het gebied van duurzaam textiel en oprichter van het Duitse duurzaamheidsadviesbureau Circuvate, de opening van de fabriek. ‘Geweldig om te zien dat ze al zo ver zijn gekomen.’
Winstoogmerk
Circulariteit op kledinggebied is niet altijd zo ingewikkeld geweest. Vóór de industrialisering maakten de meeste mensen hun eigen kleren van geheel natuurlijke materialen. De rijken gaven hun oude kleren aan hun personeel, dat ze vervolgens weer aan mensen in plattelandsgemeenten gaf door wie ze werden versteld totdat ze niet langer draagbaar waren, waarna ze bij de voddenboer belandden. Uiteindelijk werd er papier van gemaakt of kunstwol (teruggewonnen wol) voor goedkope dekens en jassen.
Als gevolg van het ontstaan van de kledingindustrie aan het eind van de negentiende eeuw begonnen mensen die voorheen al hun kleren thuis naaiden sommige kledingstukken in winkels te kopen. Adam Minter, auteur van het boek Secondhand: Travels in the New Global Garage Sale, schrijft in een e-mail: ‘Naarmate kleding in waarde daalde en meer vrouwen in fabrieken gingen werken, hadden consumenten minder reden en tijd om hun kleding te verstellen en repareren.’
De stroom aan ongewenste goederen nam toe en het Leger des Heils, dat aan het eind van de negentiende eeuw het licht zag in New York, begon geld voor liefdadige doelen te verdienen met het repareren en doorverkopen van kleding en huishoudelijke artikelen, aldus Minter. ‘Maar rond 1910 was de hoeveelheid ongewenste kleding en andere consumentenproducten in de VS zo groot dat liefdadigheidsinstellingen de reparaties staakten.’
‘Tegenwoordig eindigt de kleding van ons Amerikanen grotendeels op de vuilstort,’ zegt Maxine Bédat, die in 2021 het boek Unraveled: The Life and Death of a Garment publiceerde. ‘Het is moeilijk om aan betrouwbare cijfers te komen over hoeveel er wordt afgedankt, vooral in de Verenigde Staten. Maar we gooien onze kleding voornamelijk weg.’
Voor Europa is meer data beschikbaar. Volgens een recente studie eindigt in zes West-Europese landen 62 procent van de kleding die jaarlijks op de markt komt op de vuilstort of in een verbrandingsoven.
Wat in de VS niet wordt weggegooid komt meestal nog steeds bij liefdadigheidsinstellingen als Goodwill terecht, die alles wat onverkoopbaar is doorsluizen naar sorteerbedrijven met een winstoogmerk, aldus Maxine Bédat. Nog draagbare kleding wordt verkocht aan doorverkopers in ontwikkelingslanden en ondraagbaar textiel wordt tot lompen en laagwaardige vezels verwerkt voor bijvoorbeeld isolatie. Kleding die via inzamelingsacties bij boerenmarkten of goedkope kledingbedrijven belandt, komt meestal ook bij de eerder genoemde sorteerbedrijven met een winstoogmerk terecht.
Zo’n 40 procent van wat de westerse wereld naar een van de grootste doorverkoopmarkten in het Ghanese Accra verscheept wordt als afval beschouwd, aldus de Or Foundation die zich inzet voor een betere verwerking van kledingafval. Bergen oude kleding zijn gefotografeerd op stranden, vuilstortplaatsen en in woestijnen in Afrika en Latijns-Amerika. ‘De doorverkoopmarkt wordt in wezen verpletterd door het gewicht van de hoeveelheid afval die ze ontvangen,’ zegt Rachel Kibbe, die leiding geeft aan het kledingadviesbureau Circular Services Group. ‘We zien bedrijven die in feite afvalverwerkers aan het worden zijn.’
We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld
Op dit moment wordt van maar heel weinig textielafval nieuwe kleding gemaakt. Volgens het internationale platform Fashion for Good wordt maar 2 procent van het ingezamelde textiel – zuivere wol, zuiver katoen en acryl – mechanisch tot nieuw textiel gerecycled, voornamelijk modderkleurige dekens van kunstwol voor rampenbestrijding of goedkoop katoen dat met zuiver katoen moet worden vermengd voor nieuw textiel. Tellen we de lage inzamelingsgraad daarbij op, dan komt het erop neer dat minder dan een procent van de in West-Europa verkochte kleding tot nieuwe vezels wordt gerecycled. ‘We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld,’ zegt Kibbe.
Circulose
De nieuwe fabriek van Renewcell accepteert alleen zuiver katoenafval, en veel kleding wordt van synthetische mengsels gemaakt. Toch zal er een heleboel zuiver katoenafval kunnen worden verwerkt, meer dan 120.000 ton per jaar. Volgens een recente studie van Fashion for Good zijn West-Europese landen jaarlijks goed voor zo’n 163.000 ton laagwaardig katoenafval dat rijp is voor chemische recycling.
Van wereldwijd ingezameld katoen van denimfabrikanten en tweedehandswinkels maakt de fabriek vellen gedroogde oplossende pulp, Circulose genaamd, die worden verkocht als hoofdbestanddeel voor door mensen gemaakte synthetische vezels als viscose, rayon en modal. ‘Wij creëren circulariteit binnen de kledingindustrie,’ zegt Patrick Lundström, CEO van Renewcell. ‘Op dit moment bestaat circulariteit nog niet echt in de kledingindustrie. We praten al twintig jaar over hoe belastend de sector is voor het milieu, maar er is tot dusver maar bitter weinig vooruitgang geboekt.’
De oprichters van Renewcell, onderzoekers Mikael Lindstrom en Gunnar Henriksson van het Koninklijk Instituut voor Technologie in Stockholm, ontwikkelden de technologie voor de verwerking van katoenafval in 2012. In 2014 produceerde het bedrijf genoeg gerecyclede stof voor een jurk en in 2017 werd er een demonstratiefabriekje gebouwd. Dat wekte de belangstelling van merken als Stella McCartney, dat een levenscyclusanalyse financierde waaruit bleek dat Circulose de laagste klimaatimpact had van tien verschillende synthetische vezels. In 2017 nam H&M een minderheidsaandeel in het bedrijf.
Het bedrijf ging naar de beurs en werd in 2020 in Zweden opgenomen in de Eerste Noordelijke Groeimarkt van Nasdaq. H&M, Levi Strauss en Bestseller, een internationale kledingketen uit Denemarken, verwerken inmiddels Circulose in hun kleding. (In 2021 startte Levi’s met een capsulecollectie die 16 procent Circulose bevatte.)
‘De Circulose die wordt geproduceerd is heel erg waardevol omdat het een gerecycled weefsel is met de eigenschappen van onbewerkte stof,’ zegt Paul Foulkes-Arellano, de oprichter van Circuthon, een adviesbureau voor circulaire economie.
Ook een handvol andere bedrijven nam deel aan de wedloop om op een commerciële schaal gerecyclede weefsels te produceren. Twee Finse start-ups, Spinnova en Infinited Fiber Company, hebben een patent op de technologie om van plantaardig afval weefsels te maken die aanvoelen als katoen. Spinnova zegt in 2024 op commerciële basis te zullen gaan draaien. Infinited hoopt in 2026 een fabriek te openen. De Amerikaanse start-up Evrnu zegt 31 miljoen dollar te hebben opgehaald voor zijn recyclingtechnologie en verwacht in 2024 open te gaan.
De technologie voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels loopt nog wat achter terwijl die mengsels een groot deel vormen van de oude kleding die wordt afgedankt. De Australische start-up Block Texx hoopt in 2023 de eerste recyclingfabriek voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels op commerciële basis te openen. De Britse start-up Worn Again Technologies verklaarde afgelopen oktober meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald en bouwt in Zwitserland een fabriek voor het sorteren en recyclen van textielmengsels. De Amerikaanse start-up Circ maakte afgelopen juli bekend meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald via een financieringsronde die werd geleid door Breakthrough Energy Ventures van Bill Gates en waartoe ook een investering behoorde van Inditex, het moederbedrijf van Zara.
‘Plotseling loopt het storm,’ zegt Kathleen Rademan, directeur van het innovatieplatform van Fashion for Good dat een aanjager is voor duurzame kledingtechnologie. ‘Maar ik denk dat we nog maar aan het begin staan. Er wordt in dit stadium nog gevochten om geld.’
Adviesbureau McKinsey schatte in een rapport uit 2022 dat er tot 2030 6 tot 7 miljard euro zou moeten worden geïnvesteerd om ten minste 18 procent van het in Europa gegenereerde textielafval te verwerken.
De duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken
Gloeiende plaat
Critici wijzen erop dat het de duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken, zoals in de negentiende eeuw gebeurde.
Zelfs Renewcell, dat op waterkracht draait, is niet helemaal circulair omdat het geen katoen van katoen maakt, al moet daar wel bij worden gezegd dat Levi’s bij sommige producten Circulose heeft gebruikt ter gedeeltelijke vervanging van katoen en dat laboratoriumtesten aantonen dat dit proces tot zeven keer toe kan worden herhaald, net als papierrecycling.
‘Recycling is energie-intensief,’ zegt Foulkes-Arellano. ‘Als we verstandig zouden zijn zouden we gewoon alle oude denim en T-shirts in stukken knippen en tot nieuwe kleding verwerken. Ik bedoel, er zijn een heleboel echt goede bedrijven die geupcycled denim verkopen. Maar grote bedrijven willen nu eenmaal nieuwe stoffen.’
Rademan denkt dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat iemand een versleten sweatshirt zal kunnen recyclen zoals een aluminium blikje. Volgens haar is er meer geïnvesteerd kapitaal nodig voor de bouw van recyclingfabrieken, meer bereidheid bij merken om gerecyclede vezels te kopen en meer bereidheid bij kledingfabrikanten om gerecyclede producten in hun aanvoerketen op te nemen. Volgens haar zal er ze pas over tien jaar gerust op kunnen zijn dat als ze een trui in de afvalbak gooit, die niet op een slechte plek terecht zal komen. Maar in de Verenigde Staten, zegt ze, is vooruitgang afhankelijk van het politieke landschap. ‘Het ligt er maar aan wie het voor het zeggen heeft.’
Holding voorspelt dat het nog tot 2050 zal duren voordat textiel op wereldwijde schaal tot nieuw textiel wordt gerecycled. Hoewel Renewcell een belangrijke ontwikkeling is, is het volgens hem nog maar een druppel op een gloeiende plaat vergeleken bij de bestaande hoeveelheid te verwerken textiel en de hoeveelheid materiaal die er elk jaar bij wordt geproduceerd.
De hoofdstad van Senegal is vergeven van de naaiateliers en trekt ontwerptalent uit heel Afrika, met clientèle van ver over de grens. In zekere zin is Dakar zelf één grote modeshow.
In het kleine naaiatelier van Bada Seck, in het arrondissement Ngor in Dakar, hangen aan één wand jassen. Aan een andere hangen jurken. Een stapel half afgemaakte |kledingstukken ligt op een ongebruikte naaimachine en de vloer staat vol zakken met textiel. Secks atelier, in dit voormalige vissersdorp aan de westelijke rand van de Senegalese hoofdstad, mag dan klein zijn, maar zijn clientèle reikt tot in Frankrijk.
Met het Offerfeest en het Suikerfeest komen we om in het werk. Al zouden we hele nachten doorhalen, dan nog zouden we het niet aankunnen
‘Ik combineer Europese kledingstijlen met Afrikaanse stoffen,’ vertelt hij. Ter illustratie haalt hij een bontgekleurde colbert van de muur. Rond de feestdagen, als iedereen zich wil opdoffen, heeft hij het extra druk. ‘Met het Offerfeest en het Suikerfeest komen we om in het werk. Al zouden we hele nachten doorhalen, dan nog zouden we het niet aankunnen. Het is lastig: de vraag is groot en dit is tijdrovend werk.’
Seck maakt vooral maatkleding. Klanten brengen hun eigen stof mee, op de markt gekocht, waar kleermakers als hij vervolgens kaftans, wijdvallende boubous, jurken of westerse maatpakken en bomberjacks van maken. De lokale mode-industrie wordt gevormd door de talloze kleermakers als Seck, en daarnaast heeft Dakar inmiddels grote modenamen aangetrokken: Tommy Hilfiger en Levi’s hebben onlangs winkels in de Senegalese hoofdstad geopend.
Dakar Fashion Week
Terwijl Seck in zijn atelier in het zanderige straatje zat te knippen en te naaien, vonden aan de andere kant van de stad de voorbereidingen plaats voor de twintigste Dakar Fashion Week, die werd gehouden in de eerste week van december. Voor het eerst presenteerde Chanel zijn Métier d’Art-collectie – die om het werk van gespecialiseerde ambachtslieden draait – in een Afrikaanse stad.
Behalve Adama Ndiaye, oprichter van de Dakar Fashion Week, toonden ook ontwerpers Karim Tassi uit Marokko, het Nigeriaanse merk Emmy Kasbit en Mimi Plange uit Ghana op het eiland Gorée hun collecties op de catwalks. Ondanks ‘de beladen geschiedenis’ is Gorée, ooit het centrum van de internationale slavenhandel, nu een plek waar ‘twee verschillende culturen elkaar ontmoeten’, aldus Ndiaye tijdens de persconferentie.
‘Er zit hier om de 10 meter een atelier’
‘Senegal, en vooral Dakar, ademt een en al cultuur. Zelfs moderne outfits hebben vaak nog een traditioneel randje,’ zegt Roméo Moukagny, een Gabonese ontwerper die in de Liberté 6-wijk werkt. ‘Er zit hier om de 10 meter een atelier. Als buitenlander heb je evenveel kansen als iemand van hier. Je hoeft niet uit Senegal te komen om aan een competitie mee te mogen doen. Je kunt een eigen bedrijfje beginnen. Het is allemaal heel toegankelijk.’
Aton Tsiba, een modeontwerper uit Congo die zijn collectie onlangs toonde op een modeshow voor aanstormend talent, is druk aan het werk in Moukagny’s atelier. ‘Mijn collectie is een eerbetoon aan iedereen die heeft bijgedragen aan de vooruitgang van cultuur,’ zegt Tsiba, terwijl een kleermaker in de kamer ernaast de laatste hand legt aan outfits die klaar zijn om te worden geshowd.
Stijl in opkomst
‘Het is hier in Dakar allemaal net wat makkelijker,’ vertelt hij. ‘Er is geen tekort aan stoffen. Het stikt hier van de ontwerpers. Op modegebied zijn ze hier gewoon een stuk verder. Het is een omgeving die bij me past.’
‘De Senegalese – en West-Afrikaanse – stijl is in opkomst,’ zegt de Senegalese ontwerper Selly Raby Kane, die een capsulecollectie presenteerde met haar modeontwerpen van het afgelopen decennium. ‘Senegal kent een heel sterke cultuur van mode, textiel, borduurwerk, handborduurwerk… savoir faire,’ zegt ze. ‘Daar hechten we veel waarde aan. Nigeria heeft ook een sterke mode-industrie (…) Senegal wordt enigszins beïnvloed door Lagos, vooral op gebied van traditionele kleding. Er is dus een dialoog gaande in West-Afrika.’
Het leeuwendeel van de Senegalese mode-industrie staat volledig los van de Dakar Fashion Week
In zekere zin is Dakar zelf één grote modeshow. Anseme René Carvalho staat thee te drinken bij een lunchstalletje tegenover een moskee waar gelovigen naar binnen schuifelen. Hij draagt een mosterdgele kaftan die vrijwel tot aan zijn voeten reikt. Maar hij komt hier niet om te bidden. ‘Ik ben geen moslim,’ zegt Carvalho, die tot de kleine christelijke minderheid in het land behoort. ‘Maar op vrijdagen gaan we zo gekleed. Dit is ons traditionele tenue.’
Het leeuwendeel van de Senegalese mode-industrie staat volledig los van de designwinkels of events zoals de Dakar Fashion Week. ‘Ik creëer met mijn hoofd,’ zegt Seck, die niets van de Fashion Week heeft meegekregen. Met een bbp per hoofd van de bevolking van rond de 1500 euro is een kaartje voor een modeshow à 50.000 CFA [76 euro] voor de meeste mensen ook niet weggelegd.
Nieuwe outfit
Marktverkoper Mamadieng Diallo vertelt dat hij om de drie maanden een nieuwe outfit aanschaft, feestdag of niet. ‘Als ik een mooie lap stof zie, koop ik hem en ga ik langs bij mijn kleermaker,’ zegt hij. ‘Als het even kan zelfs iedere twee maanden.’
Mame Diary Diouf, die vlak bij Moukagny’s naaiatelier een werkplaats runt, noemt Dakar ‘een goudmijn’ voor kleermakers. ‘Klanten komen in alle soorten en maten,’ zegt ze. ‘We proberen elke maand nieuwe ontwerpen aan te bieden. Maar klanten kunnen ook hun eigen stof meebrengen.’ ‘Het borduurwerk wordt met de hand gedaan. Dat is onze stijl: tradi-modern,’ voegt ze eraan toe. ‘En die kan door iedereen worden gedragen.’
Een op de acht Britten koopt elke week een nieuwe outfit. Kan het huren van kleding onze verslaving aan wegwerpmode genezen – en is het wel zo goed voor het milieu als velen beweren?
We zijn eraan gewend geraakt om in het huis van vreemden te verblijven via Airbnb, boeken te lenen via Kindle en gebruik te maken van betaal-voor-wat-je-rijdt clubjes van deelauto’s zoals Zipcar om naar Ikea te gaan, maar kleding huren was tot voor kort een relatief nieuwe ervaring.
Dat zou wel eens kunnen veranderen aangezien een groot aantal merken en verkopers kledinghuur tot een levensvatbare optie voor vaste klanten heeft gemaakt. Zo voegde H&M een huurafdeling toe aan zijn vernieuwde winkel in Regent Street in Londen, terwijl M&S onlangs aankondigde het aanbod uit te breiden op verhuurplatform Hirestreet, waar het bedrijf een jaar geleden voor het eerst kledingstukken begon te verhuren. Ook LK Bennett, John Lewis en Jigsaw bieden hun klanten de mogelijkheid om online te huren in plaats van te kopen.
Ook beroemdheden omarmen langzamerhand deze meer circulaire benadering van mode
Elders lanceerde de luxe webwinkel MatchesFashion pasgeleden een collectie feestkleding van ontwerpers: een maliënkolderjurk van Paco Rabanne die voor 2500 pond, ruim 2800 euro, te koop is, kan gedurende vier dagen voor 219 pond worden gehuurd. In plaats van een meme-waardig tasje in de vorm van een chipszakje of chocoladeverpakking van het Britse accessoiremerk Anya Hindmarch aan te schaffen voor 995 pond, kun je er een huren voor 23 pond per dag.
Ook beroemdheden omarmen langzamerhand deze meer circulaire benadering van mode. Eerder deze maand droeg Kate Middleton tijdens de Earthshot Prize in Boston een limoengroene Solace-jurk, gehuurd van het platform Hurr voor 74 pond, in plaats van die te hebben gekocht voor 350 pond. Acteur Priyanka Chopra Jonas en reality-tv-ster Kourtney Kardashian zijn fan van huurmode, net als Carrie Johnson, de vorige bewoner van Downing Street nr. 10. Haar complete garderobe voor de G7-top in 2019 was naar verluidt gehuurd, terwijl ze haar bruidsjurk van de Griekse ontwerper Christos Costarellos voor 45 pond per dag huurde bij My Wardrobe HQ.
Schadeverzekering
Tot nu toe richten de grootste spelers op de Britse verhuurmarkt voor mode – waaronder website Hurr en de app By Rotation – zich op het aanbieden van een selectie topmerken en ‘sweet-spot brands’, zoals de mode-industrie ze graag noemt – zoals Ganni en Rixo London, met verkoopprijzen van rond de 250 pond. Ging je het afgelopen jaar naar een bruiloft, dan droeg ten minste één gast gegarandeerd een bedrukte zijden jurk afkomstig uit deze groep. De huurprijs is meestal ongeveer 10 procent van de verkoopprijs, en de huurcontracten duren meestal vier dagen. Je kunt ook vaak een kleine schadeverzekering afsluiten, bijvoorbeeld voor gemorste wijn of een kapotte rits. Verhuur van grote merken begint al vanaf 7 pond per dag.
Het Verenigd Koninkrijk gaat graag kledingshoppen. Volgens milieugroep Wrap koopt een op de acht mensen elke week een nieuw kledingstuk, terwijl de kledingkasten thuis circa 1,6 miljard stuks ongedragen kleding bevatten. Een kwart van wat we bezitten, hebben we al een jaar niet gedragen.
Tot voor kort werd de huurmarkt grotendeels gevoed door Generatie Z, die over het algemeen bewust is over het milieu en de rechten van werknemers, maar die toch ook graag nieuwe kleding wil om mee te pronken op sociale media. Nu de kosten van levensonderhoud maar blijven toenemen, voelen consumenten zich steeds meer gedwongen te kiezen tussen duurzaamheid en prijs.
Met dit in het achterhoofd blijkt 2022 een keerpunt te zijn geweest wat de verhuur van mode betreft. Volgens GlobalData, een bedrijf dat data analyseert, bedraagt de Britse markt voor kledingverhuur tegen het einde van het jaar naar verwachting 142 miljoen pond, met een groei van 62 procent in 2023 en een voorspelde groei van 164 procent in de daaropvolgende jaren tot 2026. Geen wonder dat de bekende merken ook graag mee willen doen.
Cara, een dertigjarige financieel medewerker uit Londen, zegt dat ze liever grote merken huurt omdat dat voordeliger is. ‘Ik heb de duurdere verhuursites bekeken, maar voor 180 pond die ze daar vragen, kan ik een jurk kopen in plaats van huren. Het huren van bekende merken bespaart me geld.’
De verhuur werkt op verschillende manieren. Het meest gebruikelijk is persoonlijke verhuur, waarbij mensen rechtstreeks van elkaar kleding lenen tegen betaling. Voor het aanbieden van hun garderobe brengt een platform de uitlener dan een commissie in rekening, meestal zo’n 10 tot 15 procent.
Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes
Er is ook een service die bekendstaat als ‘white label’ en die steeds populairder wordt. Hierbij gebruikt een detailhandelaar, zoals Jigsaw, een verhuurplatform (in het geval van Jigsaw is dat My Wardrobe HQ) dat de logistiek verzorgt maar het doet voorkomen alsof de klant rechtstreeks van de retailer huurt. Dit is een gemakkelijke manier om klanten aan te trekken die anders misschien afgeschrikt zouden worden door een specifieke verhuursite. In plaats van een ronde te moeten maken langs allerlei merken, navigeren ze op de site van een bedrijf waarmee ze al vertrouwd zijn.
Victoria Prew, oprichter en CEO van Hurr, zegt dat haar bedrijf voor een hybride aanpak kiest. Naast het hosten van een grote persoon-tot-persooncommunity (artikelen moeten minder dan twee jaar oud zijn en meer dan 120 pond kosten) verricht Hurr alle ingewikkelde zaken zoals het organiseren van retourzendingen, het reinigen en opnieuw verzenden van elk artikel. Het bedrijf doet dat voor meer dan 130 merken, waaronder Hugo Boss. Hurr verzorgt ook de verhuur voor retailers als Selfridges, John Lewis en sinds kort ook Matches Fashion. ‘Wat inkomsten betreft groeien we met 700 procent op jaarbasis,’ zegt ze.
Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes
Met hun gelikte branding en glamoureuze reclamecampagnes verpersoonlijken deze platforms de Generatie Z-klant die ze hopen te lokken: denk aan met veren afgezette mini-jurkjes van 16 Arlington, torenhoge hakken van Prada en piepkleine tasjes van Jacquemus die zijn ontworpen om likes te krijgen op Instagram. Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes.
Populaire verhuurders zoals Hirestreet, hanteren een bescheidener aanpak. Oprichter en CEO Isabella West zegt dat ze werd geïnspireerd om het bedrijf op te zetten nadat ze zich realiseerde dat er een gat in de markt was voor goedkopere verhuur. Naast M&S zijn er ook Britse ketens als French Connection en River Island te vinden. Daarnaast zijn er ook speciale collecties voor groot, klein of plus-size, uiteenlopend van de Britse maten UK 4 tot UK 32.
‘Wij zijn niet het bedrijf waar je heengaat als je 100 pond hebt om een jurk van 1000 pond te huren,’ zegt West. ‘Ons populairste aanbod op dit moment zijn twee jurken voor 30 pond. We doen dergelijke aanbiedingen omdat onze klanten lieten weten dat dit het bedrag is dat ze normaal gesproken in een winkel als H&M zouden uitgeven voor bijvoorbeeld kerst.’
De kosten van levensonderhoud zijn duidelijk een drijvende kracht achter de populariteit van Hirestreet. Het begon in 2018 en nu heeft het bedrijf meer dan 1,5 miljoen gebruikers. Het biedt geen lopend abonnement; gebruikers kunnen kledingstukken huren van 4 tot 30 dagen. Mensen die sinds januari zijn aangesloten, huurden de afgelopen 10 maanden elk gemiddeld 10 keer.
Weekendje weg
‘Vroeger gaven mensen misschien 5 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan mode, maar nu hebben ze 3 procent extra nodig voor essentiële zaken, zoals boodschappen,’ vertelt West. ‘Toch gaan ze nog steeds naar evenveel evenementen, terwijl ze minder hebben te besteden. Duurzaam zijn wordt voor hen steeds moeilijker.’
Terwijl de meeste platforms zich richten op kleding voor evenementen zoals feesten en bruiloften, richt M&S zich met zijn nieuwste Hirestreet-aanbod op vrijetijdskleding, zoals blijkt uit de lancering van zes ‘capsulecollecties’ met namen als Autumn Warmth en Comfy Cool, bestaande uit onder meer hoodies, donzen jacks en jeans met rechte pijpen. De huurprijzen variëren van 39 pond voor 5 dagen tot 59 pond voor 30 dagen.
‘De huurmarkt wordt vaak geassocieerd met evenementen, maar we weten dat 35 procent van onze klanten ook iets eenvoudigers wil huren, zoals voor een weekendje weg,’ zegt Richard Price, managing director Clothing and Home van M&S.
Met het opnemen van bestsellers in themacollecties, wil M&S laten zien ‘hoe basisartikelen kunnen worden gebruikt om tot 10 verschillende outfits te komen – perfect dus om meer uit je besteedbare budget te halen,’ aldus Price. De City Knits-capsule, die bestaat uit een jersey broek met wijde pijpen, een fleece gilet en een Bretonse gestreepte trui, is het populairst en is al tot januari in de meeste maten volgeboekt.
Cara huurt behalve gelegenheidskleding sinds kort ook basiskleding, zoals T-shirts. ‘Momenteel moet ik beter nadenken over elke aankoop die ik doe. Ook het basics kosten veel geld en gezien de kwaliteit en de mate waarin ik ze zou dragen, zouden ze de winter niet overleven. Huren is duurzamer, maar ik heb nog wel steeds de onmiddellijke voldoening dat ik elk weekend iets nieuws aanheb.’
Hurr is een gecertificeerde B Corporation, wat betekent dat het bedrijf voldoet aan gecontroleerde normen met betrekking tot sociale en milieuprestaties. Het streven naar duurzaamheid behelst onder meer een exclusief partnerschap met Oxwash – een stomerij die geen chemicaliën gebruikt – en verpakkingen die gemiddeld 30 keer kunnen worden hergebruikt. Dit betreft echter alleen de zaken die Hurr rechtstreeks beheert.
Hoewel alle verhuursites beweren dat ze zich inzetten voor duurzame mode, valt dat moeilijk te meten
Bij persoonlijk uitlenen moeten de uitleners zelf voor het transport van het kledingstuk zorgen, wat eventuele duurzaamheidsclaims over afname van de hoeveelheid kleding in de modecyclus verder bemoeilijkt. Sommige uitleners kopen namelijk specifiek kledingstukken om te verhuren, en dat leidt tot topuitleners die tot 20.000 pond per jaar verdienen. Is verhuren dan nog een duurzame bijverdienste? Dat wordt steeds vager.
Vanessa, een schoonheidsspecialiste uit Londen, verdiende onlangs 1000 pond in een week en wil ‘dat momentum vasthouden’ in de aanloop naar de feestdagen. Ze zegt dat ze zich richt op ‘avondjurken, glitterdingen en dingen met veren – items die je één keer draagt’. Haar best presterende merken zijn The Vampire’s Wife, 16Arlington en Alessandra Rich. ‘De meeste mensen kunnen hun prijzen niet opbrengen, zegt ze, over winkelprijzen die gemiddeld rond de 1500 pond liggen. ‘Bij mij betaal je een fractie van de winkelprijs voor de huur.’
Hirestreet een eigen magazijn in Glasgow heeft, waar het naar eigen zeggen de chemische reinigingsmiddelen tot een minimum beperkt en probeert het plastic afval van bijvoorbeeld kleerhangers te verminderen. Toch denkt West dat de grootste impact van verhuur schuilt in de verandering van consumentengedrag, vooral van de mentaliteit ‘één keer kopen, één keer dragen’.
‘Negentig procent van de CO2-afdruk van een artikel ontstaat in de productiefase. Het huren van een artikel biedt de mogelijkheid om dat te verdelen over elke persoon die het artikel draagt,’ zegt ze.
In een moeilijk economisch klimaat biedt verhuur ook een enorme kans voor retailers. Cara zegt dat M&S over het hoofd zou hebben gezien voordat ze het merk via Hirestreet huurde. Een leren broek, gehuurd voor 32 pond in plaats van gekocht voor 179 pond, deed haar van gedachten veranderen. Bij Hirestreet kun je overigens ook vaak meerdere maten huren, en ongedragen kledingstukken leveren dan krediet op dat je kunt gebruiken voor toekomstige huurcontracten.
Vijftig kledingstukken
In 2020 sloot Oasis al haar winkels nadat bewindvoerders lieten weten de modeketen niet te kunnen redden. De kledingvoorraad werd verkocht aan herstructureringsbedrijf Hilco. Deze zomer groeide het merk uit tot een van de populairste op de site van Hirestreet.
‘Veel van onze klanten zoeken op gelegenheid in plaats van op merk,’ zegt West. ‘We bevelen ze een selectie van zo’n vijftig kledingstukken aan. Ze kijken eerder naar een stijl dan naar een label. Ze kozen er misschien niet voor om naar de website van een bepaald merk te gaan, dus wij kunnen fungeren als de perfecte herintroductie tot een merk.’
Kan modeverhuur een manier zijn om winkelketens toekomstbestendig te maken in een onzekere markt, gezien de berichten over leeglopende stadscentra en winkelsluitingen? Nu veel merken op verschillende locaties al wekenlang geboekt zijn, is dit misschien wel de oplossing waar de sector naar hunkert. De tijd en de sociale media zullen het uitwijzen.
In het Musée des Arts Décoratifs, gevestigd in een vleugel van het Palais du Louvre in Parijs, is tot en met januari 2023 een retrospectief te zien van de Italiaanse modeontwerpster Elsa Schiaparelli, vriendin en inspiratiebron van Salvador Dalí.
Shocking, de tentoonstelling over het werk van Elsa Schiaparelli (1890-1973), belicht voornamelijk de samenwerking die de modeontwerpster aanging met surrealistische kunstenaars zoals Salvador Dalí, Jean Cocteau en Man Ray. Vooral met Dalí deelde zij een gemeenschappelijke neiging tot grapjes maken en provoceren.
Schiaparelli plaatste het liefst accenten daar waar ze in de haute couture niet thuishoorden: handen op riemen, aspirines op halskettingen, krekels op knopen en klauwen op de vingertoppen van handschoenen. Die ‘grapjes’ veranderden overigens als dat zo uitkwam in praktische ontwerpen, zoals een jas met een borststuk dat een veldfles kon verbergen, ten tijde van de drooglegging, toen ze in New York woonde en werkte.
Schiaparelli plaatste het liefst accenten daar waar ze in de haute couture niet thuishoorden
Het beroemdste stuk uit de samenwerking met Dalí is de ‘kreeftenjurk’ uit 1937, een avondjurk van crèmekleurige zijde met daarop een grote gekookte kreeft, gedecoreerd met takjes peterselie. Het was een van de vele ontwerpen die Schiaparelli maakte ter gelegenheid van het huwelijk van de Amerikaanse Wallis Simpson en de Britse koning Edward VIII, die na zijn aftreden de titel hertog van Windsor droeg. De inspiratie voor het ontwerp kwam van Dalí’s Lobster Telephone, een werk dat de Spanjaard in 1936 had gemaakt voor de Britse dichter Edward James.
Ook te zien in Parijs is Schiaparelli’s Shoe Hat (1937-1938), een zwart-roze hoed in de vorm van een schoen met hoge hak. Die was geïnspireerd op een door Dalí’s vrouw Gala gemaakte foto waarop haar man op komische wijze één vrouwenschoen op zijn hoofd draagt en de andere op zijn schouder.
Rivaal Chanel
Tijdgenoot Coco Chanel kon Schiaparelli’s innige band met de surrealisten niet uitstaan, zo is te lezen in Schiaparelli’s biografie Shocking Life. Chanel zou haar steevast ‘die Italiaanse kunstenares die kleren maakt’ noemen en Schiaparelli noemde Chanel op haar beurt ‘die hoedenmaakster’. Het verhaal gaat zelfs dat Coco Chanel haar rivaal een keer ten dans vroeg en haar richting kandelaar bewoog, waar zij vlam vatte.
Maar Schiaparelli liet zich ook inspireren door onder meer de verzen van Ovidius, en door circus en muziek. Zonder enige terughoudendheid bedrukte en borduurde zij stoffen met wat er ook maar in haar opkwam. Ze bezat een ongebreidelde fantasie en een speelsheid die destijds niet alledaags waren.
360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.
Eigentijdse visionair
ARCHITECTUUR | Wie een idee wil hebben hoe Londen er in 2066 uit zal zien, wende zich voor het meest spectaculaire antwoord tot de Brits-Iraanse architect Zaha Hadid, een pionier op het gebied van de vrije vorm in computergestuurd ontwerpen. Dat deed het tijdschrift Vogue al in 1991, wat de wonderlijkste visioenen opleverde. Helaas stierf Hadid zes jaar geleden, op 65-jarige leeftijd, aan een hartaanval.
De toekomst zit al in haar indrukwekkende oeuvre, dat is terug te vinden van Duitsland tot Azerbeidzjan en Hongkong. Haar eerste grote opdracht was het Vitra Fire Station (1993) in het Duitse Weil am Rhein, daarna volgde het Guangzhou Opera House (2010) in de Chinese provincie Guangdong en de voetgangersbrug over de Ebro in het Spaanse Zaragoza, die uit 29.000 driehoeken bestaat. Elk jaar dook wel ergens een scheef perspectief op, een vertaling van Hadids tekeningen in verwrongen, de zwaartekracht tartende driedimensionale vormen.
Wolkenkrabbers zijn ondergronds en worden gekoeld door watervallen, bruggen tellen veertien verdiepingen
Dat zou zij zeker tot in lengte der dagen hebben volgehouden. In 2066 had de volgende generatie kluwen slagaders kunnen zien uitwaaieren over het centrum van Londen, die oostwaarts stromen en weer samenkomen in een crescendo van gekleurde scherven. Wolkenkrabbers zijn dan ondergronds en worden gekoeld door watervallen, bruggen tellen veertien verdiepingen en gebouwen vallen uit elkaar en steken het water over om aan de andere kant weer een geheel te vormen.
Reimagining London is (nog even) te zien op de begane grond van Hadids voormalige studio in een victoriaans schoolgebouw in Clerkenwell.
Clear+Vivid met Alan Alda
PODCAST | Alan Alda’s voornaamste bezigheid is tegenwoordig podcasten. Onlangs bracht hij de 200e aflevering uit van Clear+Vivid with Alan Alda, waarin hij auteurs, kunstenaars, wetenschappers en andere grootheden interviewt, onder wie Yo-Yo Ma en Madeleine Albright.
Rechtlijnige snit uit een strook stof
MODE | Het Metropolitan Museum of Art heeft ontdekt dat mode zich uitstekend leent voor tentoonstellingen, schrijft The Art Newspaper. En dat niet alleen, door ervoor te kiezen de kimono in al zijn complexiteit te laten zien, pareert het museum de al lang gehoorde kritiek dat zijn kostuumcollecties eurocentrisch zouden zijn. Deze keer dus een opmerkelijke selectie van zestig kimono’s uit de John C. Weber Collectie van Japanse kunst, die de artistieke uitwisselingen tussen de kimono en de westerse mode onderzoekt.
Voor de heersende militaire klasse en de stedelingen waren kimono’s een manier om hun gevoel voor esthetiek te tonen
De tentoonstelling laat de transformatie van de kimono zien vanaf de verfijnde Edo-periode (1615-1868) tot het begin van de twintigste eeuw, toen het T-vormige kledingstuk werd aangepast aan de levensstijl van de moderne Japanse vrouw. Voor zowel de heersende militaire klasse als voor de stedelingen waren kimono’s een manier om hun gevoel voor esthetiek te tonen. De relatief losse, omhullende vorm en de rechtlijnige snit uit één enkele strook stof hebben grote invloed gehad op westerse couturiers als Cristóbal Balenciaga en Alexander McQueen.
Kimono Style is tot en met 20 februari 2023 te zien in Metropolitan Museum of Art, New York.
Painlevé in het water
FILM | Zonder microscopen, micro- en macrofotografie, telelenzen, timelapse en slow motion zou het immens populaire genre van de natuurfilm weinig voorstellen. Maar omdat Jean Painlevé (1902-89) al het onzichtbare zichtbaar maakte en een van de eerste was die een milieubewustzijn aan de dag legde, is er nog altijd belangstelling voor zijn werk. Het Jeu de Paume in Parijs laat zijn werk daarom opnieuw zien. Zijn vermogen om onderzeese wezens van dichtbij te bekijken trok de aandacht van surrealisten, maar Painlevé bracht zijn tijd liever door in het onderzoekscentrum voor mariene biologie in Bretagne. Ook besteedt de tentoonstelling aandacht aan Geneviève Hamon, Painlevés partner, die vanaf 1928 ook aan al zijn films meewerkte, maar daar pas veel later erkenning voor kreeg.
Voeten in het water is tot en met 18 september te zien in Jeu de Paume, Parijs.
Alledaagse voorwerpen
TENTOONSTELLING | Het Museum of Brands onderzoekt de geschiedenis van de consumentencultuur van de victoriaanse tijd tot nu. Hoe alledaagse voorwerpen zoals huishoudelijke artikelen en speelgoed vormgeven aan en gevormd worden door mens, cultuur en maatschappij.
Alternatieve modellen
TENTOONSTELLING | Een kleine veertig kunstenaars buigt zich onder de titel Statecraft (and beyond) over alternatieve staatsmodellen en hedendaagse verschijnselen als massamigratie, transnationale organisatiestructuren, globalisering en toenemend nationalisme.
Statecraft (and beyond) is tot en met 30 oktober 2022 te zien in EMST, Athene.
Lelijke ontwerpen die ineens cool worden, zogenaamde ‘uglycore’, is geen nieuw fenomeen. Maar, zo schrijft Bloomberg, ‘de collectieve kater na twee jaar lang pragmatisch schoeisel’ te hebben gedragen vraagt om een nieuwe impuls: nog lelijker.
Onder de barkrukken bij Doris zien we het bewijs van een onappetijtelijke trend die van geen wijken wil weten. Een man met snor, in een jarentachtigneonjack, zit in stemmig kaarslicht op de patio van de cocktailbar in Brooklyn, zijn tenen in het volle zicht, zijn blote voeten in sandalen gestoken. Een andere man frunnikt wat aan zijn plastic muilen terwijl hij wacht op zijn gezelschap. De barvrouw, die luistert naar de naam Shivs, een 24-jarige tatoeëerder in opleiding met in plukjes geknipt donker haar en een platinakleurig gebleekte pony, zegt dat haar klanten verzot zijn op lelijk schoeisel. ’s Zomers lopen ze op veelkleurige Teva’s, Birkenstock-sandalen en Crocs met plateauzolen. Als de winter aanbreekt lopen ze op de koudweerpendanten, gevoerd met schapenvacht of bont. ‘Ik heb gemerkt dat lelijke dingen uiteindelijk altijd cool worden,’ zegt Shivs.
Deze zogeheten uglycore – mode waarbij het meer gaat om zelfexpressie dan om schoonheid – is niet nieuw, maar de collectieve kater na twee jaar lang nauwelijks nog een voet in een nette schoen, een pump, een instapper, een brogue, een oxford of zelfs maar een paar flatjes te hebben hoeven wurmen, heeft onze ongegeneerde flirt met pragmatisch schoeisel een nieuwe impuls gegeven. Opmerkelijke schoenen die ooit waren bedoeld voor surfers, pakjesbezorgers en mensen met moeilijke voeten, worden nu prominent in beeld gebracht tijdens Zoomvergaderingen en modeshows, en eigenlijk zo ongeveer overal waar de cool kids zich ophouden.
Het lijkt bijna een spel om de lelijkste schoen op de markt te brengen
Het lijkt bijna een spel om de lelijkste schoen op de markt te brengen. De Yeezy Foam Runners van Adidas, die eruitzien als geperforeerde marshmallows, gaan als warme broodjes over de toonbank. Er zijn ook zachte Koolaburra-pantoffels die je voeten omhullen met een soort kleine dekentjes van namaakvacht. De hybride sneaker-regenlaarzen van Converse zien eruit alsof iemand All-Stars in rubber heeft gedoopt. Balenciaga heeft om de een of andere reden besloten Crocs van hakken te voorzien. ‘Een kenmerk van mode is dat het, net als kunst, de essentie van schoonheid probeert te onderzoeken, in plaats van eenvoudigweg te streven naar ontwerpen die in esthetische zin aangenaam zijn,’ zegt Carolyn Mair, auteur van The Psychology of Fashion. ‘Dus als mode kunst is, is “lelijk” ook goed.’
De uglycore-aanhangers plukken de vruchten van deze trend. Aandelen Crocs zijn afgelopen jaar tot ongekende hoogten gestegen en het bedrijf verwacht dat de inkomsten de komende vier jaar zullen verdubbelen, tot maar liefst 5 miljard dollar. In april vorig jaar werd Birkenstock overgenomen door L Catterton, een private-equityfirma met steun van LVMH, het grootste luxegoederenbedrijf ter wereld. In de overnameovereenkomst wordt de waarde van het bedrijf geschat op 4,9 miljard dollar.
Maar er is een minder bekende derde partij, die ook behendig weet te manoeuvreren in deze wateren. In de afgelopen 49 jaar heeft Deckers Outdoor Corp. in alle stilte een lelijkeschoenenimperium opgebouwd dat vele miljarden waard is. Het werkpaard van dit bedrijf is Ugg, de alomtegenwoordige lompe laars van schapenvacht, die door werkelijk iedereen wordt gedragen – van jonge moeders op Long Island tot zevenvoudig Super Bowl-winnaar Tom Brady. Deckers heeft Teva aan een retrocomeback geholpen door winkelketens als Nordstrom en Anthropologie zover te krijgen dat ze de klittenbandsandalen met het image van een natuurkundeleraar uit de jaren tachtig aan de man brengen. Onlangs heeft de Koolaburra-tak de dikke, zachte sandaal met blote tenen nieuw leven ingeblazen, terwijl Sanuk de ‘superFUNKtionele’ hennepmocassin op de markt heeft gebracht.
Dit is allemaal nog niets vergeleken bij Deckers’ nieuwste succesnummer, de Hoka: een hardloopschoen die iets oubolligs heeft maar net zo goed presteert als Nikes. Het merk is inmiddels Deckers’ snelst groeiende product. Vergeleken met het laatste kwartaal van vorig jaar zijn de inkomsten met 47 procent gestegen.
Deckers, dat verwacht dit fiscale jaar 3 miljard dollar aan omzet te behalen, met winstcijfers voor alle merken, heeft nu een schoenenlijnen die leidend is in elke hoek van het lelijkheidsuniversum. In de grillige wereld van de trends is Deckers’ benadering van de zogeheten comfortwear wat minder die van Easy Spirit [winkelketen met comfortabele schoenen] en wat meer die van de luxere modehuizen. Naar de mening van het bedrijf is het de keuze tussen onopvallend of onconventioneel, en het is duidelijk voor welke weg er is gekozen. Al het andere leidt tot het zo gevreesde niemandsland: onverschilligheid.
Powers’ team lijkt meer moeite te hebben met het concept ‘lelijk’ dan Powers zelf
In het hoofdkwartier van Deckers in het rustige kustplaatsje Goleta, in het zuiden van Californië, bevinden zich meer schoenen dan mensen: bizarre kuithoge suède Uggs, Teva-sneakers van nepleer met een neerklapbare achterkant, een hele wand vol kleurrijke Hoka’s die wel iets wegheeft van psychedelische kunst. Dave Powers, die al zes jaar aan het hoofd staat van het bedrijf, geeft me een rondleiding op de ontwerpafdeling en ziet daar een Ugg-wedge staan, de hak in bruin jute gewikkeld. Hij haalt hem van de plank en bekijkt hem misprijzend – dit zal een van de vele modellen zijn die nooit in de winkel zullen belanden. Dit model lijkt te veel op een gewone schoen, zegt hij. Wat zoveel betekent als: hij is te mooi.
Powers’ team lijkt meer moeite te hebben met het concept ‘lelijk’ dan Powers zelf. Wendy Yang, die aan het hoofd staat van Hoka – en die niet hapt als ik de producten het stempel ‘lelijk’ geef – heeft als motto ‘over smaak valt niet te twisten’. Ugg-vrouw Andrea O’Donnell, die onlangs afscheid heeft genomen van het bedrijf om algemeen directeur te worden van kledingbedrijf Everlane, zegt dat haar ontwerpers niet met opzet een onaantrekkelijke schoen maken. ‘We werken vanuit eenvoud en een zuivere bedoeling.’
Van normcore …
Ooit werden we geboren als lid van een gemeenschap waarin iedereen zo’n beetje hetzelfde was. Dus moesten we ons uiterste best doen om onze individualiteit te vinden en te vieren. Na de Tweede Wereldoorlog werden de mogelijkheden daartoe steeds groter dankzij de kleding- en schoenenindustrie die opkwam, hand in hand met de popmuziek en jeugdcultuur. Zo ontstonden subculturen, clubjes en kliekjes: van beatniks en rockers tot hippies, alto’s, punkers, goths, metalheads en hipsters. Elk cultuurtje voorzien van een eigen soundtrack en van insiders die precies weten hoe het ‘moet’ binnen hun cultus. Lekker binnen je clubje individueel zitten wezen met mensen om je heen die er allemaal zo’n beetje hetzelfde uitzien. Zo bezien zou je kunnen zeggen dat we inmiddels worden geboren als individu en daar onze gemeenschap bij kunnen gaan zoeken.
Maar het is ook wel doodvermoeiend om onderscheidend te blijven in een supersnelle, 24/7 geglobaliseerde wereld. Dat bracht de Amerikaanse trendwatcher Emily Segal op de term normcore, een antimodeopvatting die haar hoogtepunt zo rond 2014-2015 beleefde. Normcore viert de vrijheid om niet bijzonder of authentiek te hoeven of willen zijn, en daar hoort niet-opmerkelijke, comfortabele kleding bij die door een meerderheid als ‘normaal’ wordt gezien. Vaak wordt daarbij verwezen naar personages in de serie Seinfeld.
Niet saai zijn
Maar Powers, die een honkbalpetje en wit-blauwe Hoka’s draagt, zegt dat het bedrijf zich één ding niet kan permitteren, en dat is saai zijn. Elk Deckers-merk heeft bepaalde succesnummers en de ontwerpers krijgen elk seizoen de vrijheid om zich eens lekker uit te leven – een deel van elke collectie is gereserveerd voor gewaagde pogingen om de volgende grote klapper te scoren. Het bedrijf gebruikt een van de 145 winkels om nieuwe items uit te proberen, zodat ze over harde cijfers beschikken wanneer ze winkelketens duidelijk moeten maken dat een of ander krankzinnig nieuw model het publiek aanspreekt.
‘Ik heb niets tegen het label lelijk,’ zegt Powers. ‘In feite laat je daarmee vooral zien dat je anders bent dan anderen. Je hebt iets wat uniek is. Het is misschien een beetje raar, maar het heeft ook iets fascinerends.’
…naar uglycore
Normcore ging over comfort en comfortabel en over aanpassing in plaats van exclusiviteit, en zette de deur open voor fleecetruien, Teva-sandalen en Crocs. Maar ja, gewoon is ook maar gewoon, en de mens blijft geneigd om uniek of uitzonderlijk te willen zijn. Dus dachten ontwerpers: wat nou als we die praktische Crocs en comfortabele Teva’s en Uggs eens gingen pimpen door er een vette schep bovenop te doen? Met wat vloekende kleurtjes hier en een bontje daar? Zo gezegd, zo gedaan en uglycore was geboren. Er was natuurlijk wel onderzocht of er een markt voor was. En ja hoor: aan de basis ervan ligt de fascinatie van Generatie Z (geboren tussen 1995 en 2010) voor de lelijke mode van de jaren negentig, meldde modemedium Fashionista vijf jaar geleden. ‘Voor het eerst voert de jongere generatie de trends aan in plaats van dat trends naar beneden doorsijpelen. Dus nu vinden tieners iets geweldig en millennials pikken het dan op, omdat ze zo graag jong en cool willen zijn,’ aldus trendvoorspeller Megan Collins in 2017.
En toen kwam corona. Zaten we allemaal thuis te zoomen. Het bovenlichaam kleedden we nog min of meer toonbaar aan, maar met de trainings- en pyjamabroeken en praktische instappertjes die buiten beeld bleven, deden we al ongemerkt mee aan de uglycore-trend die daarna keihard doorzette, tot vreugde van de modekassa’s.
De eerste schoenen die Deckers ooit verkocht waren allesbehalve interessant: een paar gestreepte slippers. Medeoprichters Doug Otto en Karl Lopker verkochten ze begin jaren zeventig in Santa Barbara, in Californië, aan surfers die op het strand net iets meer wilden dan de doorsneeslipper. Maar zelfs toen al zag het bedrijf de eerste tekenen van uglycore. Door het hele land liepen hippies op lompe sandalen met een kurken bodem, de Birkenstocks, afkomstig van een bedrijf dat teruggaat tot een Duitse schoenmaker uit 1774. Een kleine tweehonderd jaar later had de eerste sandaal – die was bedoeld om de kuitspieren te trainen doordat de drager genoodzaakt was met zijn tenen de zool vast te grijpen zodat de schoen niet van zijn voet gleed – op de een of andere manier een spirituele snaar weten te raken bij Amerikaanse hippies.
Begin jaren tachtig kregen de mensen van Deckers lucht van de Teva, een nieuwerwetse sandaal die was bedacht door een riviergids in de Grand Canyon, die een horlogebandje aan een slipper had bevestigd. Binnen een paar jaar sloot Deckers een licentieovereenkomst en begon met de productie en de verkoop van de sandalen, die goed aansloegen. In 1995, nadat de Amerikaanse olympische ploeg op Uggs was verschenen bij de Winterspelen in het Noorse Lillehammer, kocht Deckers het merk voor nog geen 15 miljoen dollar. De Ugg hobbelde zo’n beetje mee totdat hij in 2000 op de lijst belandde van Oprah Winfreys Favorite Things, waarna hij al snel uitgroeide tot de nummer 1-vrijetijdsschoen voor Hollywoodtypes. In 2002, toen de licentieovereenkomst afliep, besloot Deckers vol in te zetten op het sandalenmerk, en kocht het voor 62 miljoen van de oprichter.
Wat tot dan toe geen gezicht was geweest, werd van het ene op het andere moment cool
Die timing viel samen met de opkomst van wat een belangrijke nieuwe speler zou worden in deze opmerkelijk snel groeiende markt: Crocs, de muil van speciaal harsmateriaal die voor het eerst zijn opwachting maakte op de Florida Boat Show. Wat tot dan toe geen gezicht was geweest, werd van het ene op het andere moment cool, in de zin van: ik doe lekker wat ik wil. In 2012 ontwierp de Engelse modeontwerper Phoebe Philo een met nerts gevoerde Birkenstock-achtige sandaal voor haar Celine-show, daarna kwamen de met spijkers beslagen Birkenstocks van de Italiaanse ontwerper Giambattista Valli en de Givenchy-sandalen met dubbele bandjes. Marc Jacobs en Prada kwamen in 2014 allebei met een Teva-achtige lijn. Een kruising van stijlvol en lomp.
Lelijkste schoen aller tijden
In deze periode ging Deckers helemaal op de toer van de lelijke schoenen en kocht het ene na het andere merk op. Hoewel Sanuk, Hoka en Koolaburra veelbelovend waren, werd al snel duidelijk dat het bedrijf te hoog had ingezet. ‘We hadden een aantal merken die hun eigen broek konden ophouden,’ aldus Powers, ‘en een aantal die daar nooit toe in staat zouden zijn.’
Toen Powers werd aangesteld als algemeen directeur, verkeerde Deckers in zwaar weer. Het bedrijf had te veel winkels geopend, te veel merken opgekocht en de voorraden niet goed ingeschat, en het kostte moeite om nieuwe klanten te vinden. De leiding was laks geworden met het promoten van de Ugg, de melkkoe van weleer, en de verkoopcijfers stagneerden. In 2017 gaf Deckers meer uit dan er binnenkwam. ‘Het was een zware tijd,’ zegt Powers, die daarvoor bij Converse, Timberland en Gap had gewerkt.
‘Teva en Ugg hebben misschien wel de lelijkste schoen aller tijden gemaakt’
Assertieve investeerders drongen aan op een verkoop of een fusie, en op een nieuwe raad van bestuur. Het management werd ‘structureel onderpresteren’ aangewreven. Powers kwam met een tamelijk doorsnee-aanpak om in drie jaar het tij te keren: activiteiten consolideren, zwakkere merken van de hand doen, slecht presterende winkels sluiten.
Daarna heeft Deckers, in een wanhopige schreeuw om aandacht én een briljante marketingstunt, het concept lelijkheid naar een hoger plan getild. Het kwam met het afzichtelijkste schoeisel tot dan toe: twee kruisingen van Ugg-laarzen en Teva-sandalen. De ene kruising was een laars met open zijkanten en blote tenen, de andere een sandaal met een stukje schapenvacht aan de bovenkant. Het was niemand duidelijk waar ze voor dienden. Er zaten gaten in, dus ze konden niet voor de winter zijn. Maar ze waren ook van schapenvacht, dus in de zomer had je er niets aan. Waarom werden deze producten überhaupt gemaakt? Dat was bewust, erkent Powers. ‘Ze waren lelijker dan ik had gedacht, maar ik had zoiets van: als we maar aandacht krijgen,’ zegt hij. ‘Het was alsof we onszelf wakker probeerden te schudden.’ Er volgde een hausse aan media-aandacht, waaronder de kop in de Cosmopolitan: ‘Teva en Ugg hebben misschien wel de lelijkste schoen aller tijden gemaakt’.
Strategische experimenten
Sindsdien heeft met name Ugg geprofiteerd van de strategische experimenten van het bedrijf. De ontwerpers gaan uit van het basismodel en zoeken manieren om dat in alle mogelijke richtingen op te rekken. In 2018 kwamen de Ugg-ontwerpers met het idee van de Fluff Yeah, een donzige slipper met open tenen en een dikke, elastische hielband. Na een succesvolle, kleinschalige proef in Los Angeles liet Deckers het model in productie nemen. Inmiddels wordt de Fluff Yeah verkocht bij Nordstrom en Bloomingdale’s, maar ook bij chique labels als Stuart Weitzman en Tory Burch. Vorig jaar, toen de muil trending was, gaven de Ugg-ontwerpers een nieuwe draai aan hun bestaande variant door alle proporties uit te vergroten. Maar het eerste ontwerp – een muil met plateauzolen, een gigantisch lint om de enkel en een lachwekkende hoeveelheid foam (‘monsterlijk,’ om Ugg-ontwerper Helene Frain te citeren) – ging zelfs hen te ver. Nadat de teruggeschroefde Tazz afgelopen najaar zijn debuut had gemaakt, liep het storm bij duurdere winkels als Saks, ging het model viraal op TikTok en werden sterren als Gigi Hadid ermee gespot.
De Hoka is de Ugg voorbijgestreefd als grootste inkomstenbron
Een van de lucratiefste sprongen in deze merkwaardige diepten is de Hoka. De zachte, nogal opgeblazen ogende hardloopschoen, oorspronkelijk ontwikkeld in Frankrijk door een van de beste trailrunners en een minimalistische Franse sneakerontwerper (die inmiddels aan het hoofd staat van Deckers’ experimentele lab), is een ongekend succes geworden binnen de zeer competitieve wereld van de sportkleding, die wordt gedomineerd door Nike en Adidas. De introductie van de Hoka viel samen met de gekte rond de Balenciaga Triple S, een oversized dad sneaker van 1000 dollar die in 2018 werd omarmd door fashionista’s van Parijs tot Tokio. In plaats van te proberen de cartooneske Hoka-schoenen mooier te maken, maakte Deckers gebruik van een cultmerk dat hardcore hardlopers aansprak en zette het in de markt als de ultieme antihippe, androgyne sport- en vrijetijdssneaker. (Deckers, dat altijd op zoek is naar een vorm van kruisbestuiving, kwam zelfs met een kastanjekleurige, oversized Ugg-sneaker.) Afgelopen jaar is de Hoka de Ugg voorbijgestreefd als grootste inkomstenbron, en hij snoept nog altijd marktaandeel af van Nike.
Elk schoenenmerk dat de Hoka is voorgegaan weet dat ook lelijke modetrends – van Toms tot Dr. Martens – onvermijdelijk overwaaien. Dus werkt Deckers aan manieren om aan de top te blijven. Voor Teva, dat de omzet afgelopen zomer met 66 procent zag stijgen, gaat niets te ver om het merk fris te houden: onlangs bracht het een sandaal-met-sokcombinatie op de markt, een tijdloze look die helemaal in is bij de Europese toerist op leeftijd. ‘Als je kijkt naar de oorspronkelijke Teva-sandaal, de oorspronkelijke Ugg-laars en de oorspronkelijke Hoka, dan zijn die stuk voor stuk lelijk,’ zegt Powers. ‘Echt heel erg lelijk.’
360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.
Antony Gormley: Ad majorem Dei gloriam
TENTOONSTELLING | In Museum Voorlinden is deze zomer de expositie Ground van de 72-jarige Britse kunstenaar Antony Gormley te zien. Een van zijn opzienbarende kunstwerken, Exposure, een man die op zijn hurken zit, staat op een strekdam vlak bij Lelystad.
Gormley maakt al decennialang fantastische sculpturen die goed passen in een tijdgeest waarin alles een ‘experience’ moet zijn. Hij nodigt de bezoeker uit om door zijn beelden heen te lopen, zoals door het twaalf meter lange staalwerk Passage, of om midden in een driedimensionale bouwtekening te gaan staan. Voor Gormley is de aanwezigheid van een bezoeker essentieel vanwege de contemplatie en de bespiegeling die ontstaan ‘wanneer kunst en het leven op elkaar inwerken’. In de tuin van het museum in Wassenaar zal het werk Critical Mass worden neergezet, zestig gietijzeren afgietsels van zijn eigen lichaam, die een relatie met de omgeving aangaan.
Later ontvluchtte hij het katholicisme en dompelde hij zich onder in de boeddhistische leer
Gormley werd als jongste van zeven kinderen geboren in een rijk katholiek gezin van een farmaceut en opgevoed door monniken op een benedictijnse kostschool. In een interview zei hij eens dat zijn ouders de initialen AMDG voor hun zoon hadden gekozen om hem ad majorem Dei gloriam (tot grotere glorie van God) op te voeden. Grote kans dat zijn belangstelling voor de mysteries van ruimte, vorm en oneindigheid te herleiden is naar zijn religieuze opvoeding. Later ontvluchtte hij het katholicisme en dompelde hij zich onder in de boeddhistische leer, die nog altijd een toetssteen voor hem is.
Antony Gormley – Ground is tot en met 25 augustus te zien in Museum Voorlinden, Wassenaar.
MUZIEK | Regisseur Nicolas Stemann en componist Philippe Manoury beloven volgens het Holland Festival een pessimistische maar tegelijkertijd humoristisch neurotische opera te hebben gemaakt met teksten van Elfriede Jelinek.
Kein Licht is te zien op 24, 35 en 26 juni in Muziekgebouw Amsterdam.
Castillo Deball ontregelt
TENTOONSTELLING | Mariana Castillo Deball is een van de vier kunstenaars die Mexico vertegenwoordigen op de Biënnale. Ze verdiept zich al langer in hoe je de (koloniale) geschiedenis kunt ontregelen en op een artistieke manier kunt herdefiniëren in de kunstwereld.
Mariana Castillo Deball, tot 27 november op de Biënnale Venetië.
Haar tijd vooruit
FOTOGRAFIE | Claude Cahun (1894-1954) werd geboren als Lucy Schwob, maar vond dat het vrouwelijke noch het mannelijke bij haar paste. Neutre, dat klonk beter, vond ze, en daarmee was ze haar tijd ver vooruit. Voor fotografen als Nan Goldin en Cindy Sherman was ze al langer een inspiratiebron, totdat ze niet zo lang geleden werd herontdekt.
Telkens stelde ze de vraag of het mogelijk is een authentieke zelf te bezitten
Cahun speelde samen met andere surrealisten met het begrip identiteit door op elke foto een andere rol aan te nemen, haar gezicht te verdubbelen of met maskers te werken. Telkens stelde ze de vraag of het mogelijk is een authentieke zelf te bezitten, of dat onze identiteit gevormd wordt door maatschappelijke omstandigheden. Dit deed ze altijd in samenwerking met haar geliefde en latere stiefzus, die onder de nom de plume ‘Marcel Moore’ werkte.
Voor hun verzetswerk in de Tweede Wereldoorlog op het eiland Jersey kregen de twee de doodstraf, die nooit werd voltrokken. Cahun overleed in 1954, Moore zeventien jaar later. Onder de huid was eerder te zien in het Cobra Museum.
Onder de huid is tot en met 28 juli te zien in de Kunsthal, Rotterdam.
Ekaterina’s Voix humaine
OPERA | De opera La voix humaine van Poulenc, gebaseerd op de monoloog van toneelschrijver Jean Cocteau (1930), geactualiseerd door Chris Koolmees en gezongen door de bejubelde mezzo-sopraan Ekaterina Levental, wordt nog een keer opgevoerd in de Muziekkamer Assen.
La voix humaine is te zien op 19 augusts in de Muziekkamer in Assen.
Zorgzame mode
MODE | De tweede editie van de State of Fashion Biënnale 2022 (thema: Ways of Caring) gaat deze zomer op zoek naar mogelijkheden om de mode-industrie duurzamer en zorgzamer te maken. Bekend is dat de kledingindustrie haar ecologische voetafdruk drastisch moet verkleinen (zie ‘Duurzame mode bestaat niet’), een verplichting die niet alleen de branche aangaat, maar ook de consument. Daarover gaan in Arnhem zeven programmaonderdelen met meer dan zeventig ontwerpers, kunstenaars en makers uit alle windstreken. ‘Fashion Open Studio’ laat bijvoorbeeld het werk van vier designers in residence zien die speciaal voor de Biënnale mode ontwerpen die ook sociale en milieuvriendelijke oplossingen kan bieden. In het onderdeel ‘Fashion as Encounters’ wordt de betekenis van mode opnieuw gedefinieerd.
State of Fashion – Ways of Caring is te zien van 3 juni tot 10 juli te in Arnhem.
Iedere consument zou moeten weten dat er 7500 liter nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek. En dat de kledingindustrie een van de vervuilendste industrieën ter wereld is. Niet de voetafdruk maar de prijs bepaalt nog altijd het dwangmatige koopgedrag van het winkelend publiek.
Onderzoek wijst uit dat de kledingindustrie haar ecologische voetafdruk moet verkleinen. Een verplichting die een ingrijpende verandering vereist van de productie- en marketingmethodes van de branche, maar ook van ons consumptiegedrag.
De cijfers over de CO2-afdruk van de mode-industrie zijn het gesprek van de dag op Instagram en TikTok. De sector is goed voor 10 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgas. Het is waarschijnlijk een van de vervuilendste industrieën ter wereld, na de energie- en de voedingsmiddelensector. Iedere consument zou moeten weten hoeveel water er nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek: 7500 liter. De stranden van Ghana zijn vervuild door tonnen gebruikte kleding, terwijl de Atacama-woestijn in Chili een treurige reputatie geniet als gigantische dumpplaats van tweedehandskleding, het niet-gerecyclede overschot van de 59.000 ton aan kledingstukken die jaarlijks in de haven van Iquique arriveert. Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand.
Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand
Het woord ‘duurzaam’ ligt tegenwoordig op ieders lippen. De Franse start-up Circle Sportswear, in 2019 opgericht door Romain Trébuil, maakt zijn kleding van ‘gerecyclede of recyclebare materialen’, waaronder lyocell, een stof die gemaakt is van cellulose. ‘Het milieu zo min mogelijk belasten, dat is de plicht van onze generatie,’ zegt Adrien Garcia, oprichter van de modesite Réuni die gespecialiseerd is in pre-orderverkoop. En om hun clientèle te behouden die haar consumptie steeds meer wil vergroenen, beginnen ook de grootste kledingfabrikanten en -distributeurs op het gebied van ‘fast fashion’ zich aan te passen.
De Amerikaanse jeansfabrikant Levi’s heeft sinds april 2021 een nieuwe slogan: ‘Buy better, wear longer’. ‘Wereldwijd is de kledingconsumptie de afgelopen vijftien jaar verdubbeld. Dat kunnen we helpen veranderen door te mikken op betere kwaliteit,’ aldus de fabrikant van de 501 in een reclamespot. ‘We hebben het nu voor het eerst openlijk over duurzaamheid. Maar daar is onze bedrijfscultuur al meer dan dertig jaar op gericht,’ verzekert Diana Dimitian, adjunct-directeur van Levi’s Zuid-Europa. Het Spaanse Inditex, het grootste kledingbedrijf ter wereld, nodigt zijn klanten uit om hun oude kleding voor recycling in te leveren bij een van zijn acht ketens, waaronder Zara. Het Zweedse H&M, ook een grote speler op de fastfashionmarkt, heeft eveneens bakken neergezet die bestemd zijn voor recycling. Geef ons uw oude spijkerbroek in ruil voor een tegoedbon, aldus de distributeur van goedkope kleding.
En alle grote merken verzekeren dat ze hun toevlucht zullen nemen tot minder vervuilende materialen. Inditex belooft vanaf 2023 in al zijn Zara-winkels alleen nog maar duurzame katoen aan te bieden en vanaf 2025 alleen nog linnen of gerecyclede polyester. H&M zal tussen nu en 2030 volledig overstappen op duurzame materialen. Het Duits-Nederlandse C&A gebruikt al meer dan tien jaar biokatoen, om ‘ons milieu, de katoenproducenten en hun leefomgeving te beschermen’. Het Japanse Fast Retailing belooft aanpassingen op het gebied van zijn beroemde gewatteerde Uniqlo-jacks; in 2020 heeft het merk een voor 100 procent gerecycled jack gelanceerd. Het moederbedrijf garandeert dat zijn CO2-uitstoot in 2050 zal zijn teruggebracht tot nul, en dat in 2030 de helft van de kleding deels van gerecyclede vezels zal worden gemaakt.
Taboeonderwerp
Het meest luxe en modieuze segment blijft niet achter. Het LIFE-programma van de Franse groep LVMH (Louis Vuitton Moët Hennessy) richt zich met name op de strijd tegen klimaatverandering en belooft een groter beroep te zullen doen op de kringloopeconomie, terwijl Kering (met onder andere Balenciaga, Brioni, Gucci en Yves Saint Laurent) zegt zich ‘vooral op de aanvoerketen te concentreren’, omdat ‘het behoud van de biodiversiteit en het verkleinen van onze ecologische voetafdruk beginnen bij het “sourcen” van grondstoffen’.
Toch gaan er steeds meer stemmen op, onder meer van Maxine Bédat van de Amerikaanse denktank New Standard Institute, die zeggen dat dit allemaal niet genoeg is. ‘Omdat duurzame mode geen kwestie van grondstoffen is,’ verduidelijkt Guillaume Declair, medeoprichter van het Franse merk Loom. ‘De hele sector geeft hoog op van de kringloopeconomie en het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Maar als je ziet hoe weinig van alles wat er wordt verkocht gerecycled is, is kringloopmode geen oplossing. Er is een paradigmaverschuiving nodig, een andere manier van produceren,’ meent Elisabeth Laville, oprichter van het adviesbureau Utopies, dat bedrijven begeleidt bij de transitie naar een duurzame toekomst.
Akkoord van Parijs
Om zich te houden aan het Akkoord van Parijs van 2015, dat bepaalt dat de gemiddelde temperatuur van de planeet ten opzichte van het pre-industriële tijdperk met niet meer dan 2 graden mag stijgen, zou de kledingproductie tot 2050 met twee derde moeten worden teruggebracht. Maar welk merk is bereid om zijn productie en verkoop te verminderen? Om zich van zijn gematigde kant te laten zien? ‘De groei van het aantal verkochte producten blijft de norm,’ zegt Dimitri Caudrelier, algemeen directeur van adviesbureau Quantis; hij pleit ervoor ‘vraagtekens te zetten bij de businessmodellen van de industrie’. Volgens deze specialist op het gebied van de klimaatstrategie van bedrijven ‘is het onderwerp volume nog altijd taboe in de bedrijfstak’.
Dat blijkt wel uit het Fashion Pact dat in 2019 werd ondertekend op instigatie van de Franse president Emmanuel Macron, na de G7-top in Biarritz. Meer dan tweehonderd internationale merken zegden toe ‘hun gebruik van milieuvriendelijke materialen tot 2025 met 25 procent te verhogen, en hun gebruik van duurzame energie tot 2025 met 50 procent en tot 2025 met 100 procent’. De overige afspraken gaan over biodiversiteit en de bescherming van de oceanen ‘door beperking van de hoeveelheid plastic verpakkingsmateriaal’. Tot de ondertekenaars behoorde een aantal luxe merken, zoals Chanel, Saint Laurent en Gucci, maar ook merken voor een groter publiek, zoals Adidas, Decathlon, Mango en H&M.
‘Maar het Fashion Pact rept met geen woord van fast fashion,’ zegt Elisabeth Laville. ‘Die term komt niet eens in de tekst voor. Dit pact is hooguit een poging om de milieu-impact van fast fashion te beperken. Het lijkt wel of ze hun economische model willen bestendigen zonder er vraagtekens bij te zetten. Dat is ontoelaatbaar,’ zegt ze, verwijzend naar ‘de grote jongens die hun businessmodel niet willen loslaten, ook al is het achterhaald’. Oftewel de grootschalige productie in lage-lonenlanden en de permanente vernieuwing van hun winkelcollecties.
Ook bij Quantis leeft ergernis. ‘Leidt het Fashion Pact tot een vermindering van de ecologische voetafdruk? Ja, dat is het voornaamste doel. Maar tot een volumeverlaging? Nee,’ zegt Dimitri Caudrelier geïrriteerd. Alma Dufour, woordvoerder van de Franse milieu- en mensenrechtenbeweging Amis de la Terre, noemt het Fashion Pact ‘de grootste grap van de sector. Wie kan geloven dat ze hun CO2-uitstoot zullen reduceren door het gebruik van meer biokatoen en meer ledlampen in hun winkels?’
Prijs bepaalt
Wat moet er dan gebeuren? De kleding-productie terugverhuizen naar Europa? ‘Door in Frankrijk te produceren in plaats van in China kunnen we de CO2-voetafdruk van de kledingindustrie halveren,’ stelt het Franse verbond van kledingproducenten. Op papier heeft ‘made in France’ alleen maar voordelen. Sommige Franse producenten hebben hun productie al terugverhuisd, in navolging van FashionCube, een groep kledingmerken van het Franse familiebedrijf Mulliez dat afgelopen februari een jeansfabriek heeft geopend in de buurt van de Noord-Franse stad Tourcoing.
Maar veel Franse merken lopen tegen aanvoerproblemen op. ‘De nationale leveranciers van onze basismaterialen blijven in gebreke,’ zegt een vertegenwoordiger van een confectiebedrijf. Bovendien bieden niet alle sectoren van de kledingmarkt ruimte voor de extra kosten van productie in eigen land. Zo kosten de jeans van FashionCube in Tourcoing 60 euro, wat tweeënhalf keer zo duur is als de gemiddelde vrouwenjeans die in Frankrijk worden verkocht.
Kunnen we nu zeggen dat de duurzame mode is aangepast aan de economische realiteit van de kledingmarkt? Want de keus van de consument wordt nog altijd bepaald door de prijs. Voor 41 procent van de Fransen is de prijs het eerste aankoopcriterium, terwijl maar 4 procent de voorkeur geeft aan het ecologische en ethische aspect. Tweedehandskleding, die vaak als een middel tegen milieukwalen wordt gezien, ontsnapt niet aan dit fenomeen: 70 procent van de Fransen koopt die om economische redenen.
Dat is niet erg, volgens Elisabeth Laville, die voorspelt dat de prijs ‘geen obstakel zal zijn voor een duurzamer aankoopgedrag’. Als we haar mogen geloven, zou in de toekomst ‘om zowel economische als ecologische redenen’ kunnen worden gekozen voor een duurzamere modeconsumptie, zoals dat op vervoersgebied met autodelen gebeurt. Alles zou in dat geval afhangen van de mate waarin het consumptiegedrag kan worden aangepast.
Overconsumptie
Eenvoudig zal dat niet zijn. Want de goedkope mode heeft ons gedrag ingrijpend veranderd. De marketingmethodes van de fast fashion op sociale media zetten ertoe aan om te kopen zonder rekening te houden met je behoeften, dus tot overconsumptie. En de neurowetenschap heeft aangetoond hoezeer die methodes ons zelfbeeld strelen en onze dopamine, het hormoon van de onmiddellijke behoeftebevrediging, activeren. Onze hersenen ‘zijn een vijand van de planeet’, oppert neurowetenschapper Sébastien Bohler in zijn essay Le bug humain.
Er moet een remedie komen tegen ‘dwangmatig koopgedrag’, zegt Dimitri Caudrelier. En een manier om de consumenten te genezen van de boulimie die zich van hen meester kan maken wanneer ze de Primark binnenlopen, het Ierse merk dat ‘ongelooflijke mode voor ongelooflijke prijzen’ belooft, of wanneer ze op de Chinese site Shein klikken, het walhalla voor pubers.
Diverse milieubewegingen beijveren zich ervoor de sector aan banden te leggen. Zo bepleit Greenpeace een verbod op reclame die schadelijk is voor het milieu ‘door het creëren van kunstmatige waarden, zoals het associëren van koop- en consumptiegedrag met zelfverwezenlijking en plezier’. Het collectief En Mode Climat, afkomstig uit de Franse kledingsector zelf, dringt ook aan op ‘bestraffing van strategieën die de consumptie sterk aanwakkeren’. Bijna vierhonderd Franse kledingbedrijven hebben zich aangesloten bij deze in 2021 opgerichte beweging, die ‘meer regulering’ eist en voorstelt de huidige Franse milieubijdrage van 6 cent per kledingstuk te verhogen tot 5 euro in 2025 voor de vervuilendste kledingmerken.
Zijn dit allemaal zoete dromers in een gemondialiseerde sector? De Ellen MacArthur Foundation, opgericht door en vernoemd naar de voormalige Britse zeilster, pleit voor een andere weg, die van de persoonlijke kringloopeconomie: ze roept consumenten op te dragen wat ze in hun kast hebben hangen of liggen. Vaker en langer.
De Amerikaanse sweater met capuchon is al langer het uniform van de tegencultuur. Maar verschijnt Mark Zuckerberg of Trayvon Martin erin, dan heeft de hoody weer een andere politieke zeggingskracht.
Een doodgewone katoenen stof, soms met wat polyester erdoorheen, een eenvoudige snit met weinig naden, en eventueel als enig opvallend detail een buidelzak of ritssluiting. Er is weinig luxueus of protserigs aan de sweater met capuchon, ook wel hoody: het goedkope kledingstuk dat populair is bij alle seksen en maatschappelijke klassen.
Op het eerste gezicht lijkt het een basic kledingstuk, dat nauwelijks opvalt omdat iedereen erin loopt. Maar aan het lijf van Mohamed Ali, Mark Zuckerberg of Trayvon Martin heeft de hoody opeens een complexe betekenis gekregen – zo niet een radicale politieke zeggingskracht.
Sweatshirts werden in de jaren twintig en dertig aan de Amerikaanse oostkust gedragen door magazijnbedienden in de immense loodsen in New York, als bescherming tegen de bijtende kou in de winter. Eerst werden ze populair in de sportwereld: een sweater houdt je warm, is comfortabel en je kunt er vrij in bewegen.
Later werd het sweatshirt algauw opgepikt door de Ivy League-universiteiten, bolwerken van de amateursport. Leden van hun prestigieuze roei- en footballteams gingen sweatshirts met ronde hals en later ook hoody’s dragen. Op deze sweatshirts werden in grote letters de namen van de universiteiten, teams of studentencorpsen gedrukt, zodat de drager zich ermee kon onderscheiden. De preppy look van de sportieve elitestudenten aan de Amerikaanse oostkust groeide uit tot een onvervalste Amerikaanse esthetiek, en zo bevond het van oorsprong proletarische sweatshirt zich ineens in betere kringen.
Tegenwoordig loopt zowel de elitejeugd als de arbeidersklasse erin en daarmee is het sweatshirt als verbindend element in de Amerikaanse cultuur nu even belangrijk geworden als het volkslied. Mark Zuckerberg, die zich graag associeert met de ambitieuze, innovatieve startupondernemers van Silicon Valley en Wall Street-maatpakken van 15.000 dollar verafschuwt, heeft dat goed begrepen.
Tegelijkertijd heeft de hoody echter ook een ander maatschappelijk domein bereikt: dat van de grootsteedse tegencultuur. Eerst adopteerden de skaters aan de westkust het in de jaren zeventig als must-have, in de jaren tachtig volgden de graffitikunstenaars en rappers aan de oostkust.
In deze subculturen wordt het kledingstuk vooral gewaardeerd omdat de drager er anoniem mee kan blijven. En uiteraard is ook de volkse, anti-elitaire connotatie ervan een pre. De hoody werd een signaal waarmee je kon laten zien dat je tot een subversieve subcultuur behoorde, en je kon er ook als dat nodig was je gezicht mee verbergen. Dat laatste was erg aantrekkelijk voor skaters die zich stiekem uitleefden in de lege zwembaden van de betere buurten van Californië, en voor graffitikunstenaars die ’s nachts in metroremises binnendrongen om treinen te verfraaien.
Mettertijd, en dankzij de kracht van symboliek, groeide de hoody aan weerszijden van de Atlantische oceaan uit tot een embleem van de kansloze jeugd uit ‘kwetsbare’ buurten. En een maatschappelijk fenomeen: sinds 2007 is de hoody verboden in een winkelcentrum in het Engelse Kent, met als reden dat de drager ervan alleen maar slechte bedoelingen kan hebben.
Universitair hoofddocent Frédéric Godart van de HEC in Parijs, specialist in de sociologie van de mode, vertelt dat de wens om anoniem te blijven een tweesnijdend zwaard kan worden. Nergens werd dat zo duidelijk als bij het tragische einde van de zwarte Amerikaanse tiener Trayvon Martin.
De ongewapende 17-jarige werd op 26 februari 2012 in Sanford (Florida) gedood door George Zimmerman, op wie de jongen een verdachte indruk maakte louter en alleen omdat hij een zwarte hoody droeg. Godart: ‘Dat kan je niet los zien van de centrale plek die de hoody in de hiphopcultuur heeft. Je drukt ermee uit dat je je wilt afsluiten’, zowel van het geweld in de buurt als van de maatschappij die jou uitsluit.
‘Na de dood van Trayvon Martin groeide de hoody voor zwarte Amerikanen uit tot politiek symbool tegen het politiegeweld en de vooroordelen jegens mensen uit sommige bevolkingsgroepen, die automatisch als misdadig of gevaarlijk worden gezien’, zegt Godart. Van sociaal embleem, beschermend omhulsel en middel om anoniem te blijven, werd de hoody na Martins dood meer en meer een militant symbool van een bevolkingsgroep die niet alleen aan zijn lot werd overgelaten, maar ook tot doelwit werd bestempeld.
Het is een van de eerste signalen die we naar anderen uitzenden. Onze kledingkeuzes lijken misschien triviaal, maar in werkelijkheid hebben ze veel betekenis. ‘Door een simpel T-shirt van een rockband aan te treken van niet meer dan twintig dollar, druk je al zo veel uit. Niet alleen geef je daarmee aan dat je deel uitmaakt van een bepaalde sociale klasse, van een culturele groep, maar je zegt ook welk soort mensen je leuk vindt, enzovoorts,’ vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia in de Verenigde Staten.
Met elk van die signalen geef je, onbewust of niet, zonder woorden iets prijs over je identiteit. Denk maar aan het portret van Che Guevara dat zo vaak op T-shirts van tieners prijkt. Een kledingstuk kan ons op de sociale ladder situeren, maar ook een politiek statement zijn, zonder dat we eventuele slogans nu meteen in de praktijk willen brengen.
Door de keuze voor een bepaalde stof, flanel, een snit, een sweater, of een merk, zoals Fred Perry, dat de laatste jaren een sterke politieke lading heeft gekregen, drukken we zo veel uit met onze stijl. Onze tweede huid is allesbehalve onschuldig.
Het Zwarte Blok
In het uniform van de militanten van het Zwarte Blok kreeg de capuchonsweater een nog radicalere ideologische betekenis. Het Zwarte Blok kwam in de jaren zeventig op in West-Duitsland. De naam staat voor een demonstratietactiek, waarbij groepen in het zwart geklede demonstranten met verhulde gezichten de confrontatie met de politie opzoeken.
Beeldcultuuronderzoeker Maxime Boidy van de universiteit van Straatsburg vertelt hoe de hoody, nadat sportkleding ook in Europa een rage werd, in de uitrusting van het Zwarte Blok terechtkwam. Daar waren vooral praktische redenen voor. ‘De katoenen hoody is een stuk minder stevig dan de leren jasjes die de militanten hadden geadopteerd uit de punktraditie. Maar de capuchon beschermt de nek beter tegen klappen en bovendien biedt die bescherming tegen traangas en pepperspray.’
Naast dit praktische en defensieve aspect speelt ook de symbolische lading mee: hij is zwart, de kleur van het Europese anarchisme. Onderzoeker Francis Dupuis-Déri van de universiteit van Montréal beschreef het Zwarte Blok ooit als ‘een reusachtige zwarte vlag van lichamen die bij demonstraties wordt uitgespreid’, maar Boidy benadrukt het verband tussen deze symbolische lading van kleding en politieke theorieën over zichtbaarheid.
‘De idee van anonimiteit gaat veel verder dan de simpele wens om de eigen identiteit niet prijs te geven’, zegt hij. ‘Ze weerspiegelt een veel algemenere, bijna filosofische opvatting van subjectiviteit, een wijdverspreide manier om dingen anders te zien.’ De massaal gedragen capuchonsweater geeft vorm aan die gedachte.
De hoody is in de Amerikaanse cultuur even belangrijk geworden als het volkslied
Boidy ziet dezelfde relatie tussen kledingstijl en politieke theorie in de manier waarop feministen en LGBT’ers anonimiteit gebruiken om hun punt te maken. ‘De stijl van het Zwarte Blok wordt meestal gezien als expliciet gewelddadig, een militair tenue als het ware. Maar door onder je kleding te verdwijnen en je gezicht te verhullen, verhul je ook je geslacht. Dan ben je niet meer herkenbaar als man of vrouw, omdat je een standaardsilhouet krijgt. Daarmee wijs je de identiteit af die de maatschappij je oplegt.’
Een hoody, die tegenwoordig overigens ook wel wordt vervangen voor een zwarte K-Way [een sportief jack met rits], creëert zo een alternatief beeld van de samenleving door de individuen in die samenleving te onttrekken aan de codes van de heersende hokjes. Het is een even krachtige politieke boodschap als de naaktheid van de Femen-demonstranten, al gaat het in beide gevallen maar om een klein aantal, sterk geëngageerde personen.
Hoewel, terwijl ik deze regels schrijf, zit tegenover mij aan tafel een jonge studente haar scheikundeopgaven te maken. Op haar pastelblauwe sweater met capuchon staat de waarschuwing: ‘Please don’t forget to wash your hands after killing your enemies’. (Denk eraan uw handen te wassen nadat u uw vijanden heeft gedood.) Zo groot is de macht van een trui die nog altijd uitersten in zich verenigt, van nonchalance en zeggingskracht tot onschuld en rebellie.
De nieuwe kleren van extreemrechts Polo’s en pantalons maken de nationalist
Tijdens een besloten verkoop van kledingmerk Fred Perry in Parijs werd in juni 2013 de extreemlinkse actievoerder Clément Méric gedood. Er was ruzie ontstaan tussen twee rivaliserende groepen, skinheads en antifascisten, die beide hun look kwamen perfectioneren. Later werden twee van de drie betrokkenen bij een proces veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Uit dit proces kwam naar voren hoe absurd de trieste gebeurtenis was: Clément Méric zou nog in leven zijn geweest als twee groepen die in alles van elkaar verschillen behalve een voorkeur voor hetzelfde kledingmerk, niet allebei zo dolgraag een shirt van Fred Perry hadden willen kopen.
Een Fred Perry-poloshirt met korte mouwen is een van de meest gewilde items in zowel de antifascistische als de extreemrechtse garderobe. ‘Als je teruggaat in de tijd zie je al dat Engelse mods [een culturele jongerenbeweging in Londen] in de jaren zestig veel prestige ontleenden aan het dragen van elitaire kleding, vooral tenniskleding van Fred Perry,’ legt universitair docent en onderzoeker Samuel Bouron van de universiteit Paris-Dauphine uit.
‘Uit die mod-cultuur kwam de skinheadbeweging voort, die eerst volstrekt apolitiek was. Later veranderde dat en splitste de beweging zich in twee kampen: de antifascistische redskins en de extreemrechtse boneheads. Hun politieke opvattingen zijn radicaal verschillend en je kunt ze niet over één kam scheren, maar voor beide groepen geldt dat ze zich door hun kleding willen laten gelden.’
De extreemrechtse skins gaven het Fred Perry-poloshirt een speciale betekenis door er een nieuwe symboliek aan op te hangen, vertelt Cynthia Miller-Idriss, professor in de sociologie en specialist in extreemrechtse bewegingen van de American University in Washington. ‘Sommige modellen hebben op de kraag drie fijne lijntjes, zwart, rood en wit. Voor de skinheads stonden die voor een nazivlag. Ook aan het Fred Perry-logo, een laurierkroon op borsthoogte, gaven ze een andere interpretatie. De tekening en vorm deden hun denken aan een nazi-insigne.’
‘Hun uiterlijk past helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’
De schare liefhebbers van het shirt heeft zich inmiddels vergroot en ook de Franse Identitaires [een Europese nationalistische beweging] hebben zich de Fred Perry-polo toegeëigend. ‘Zij hebben de extreemrechtse garderobe een update gegeven,’ zegt Samuel Bouron. ‘Ze hebben behouden wat ze elegant vonden, onder andere dit poloshirt, dat als bijkomend voordeel heeft dat het erg duur is. Maar omdat ze willen breken met alles wat aan de arbeidersklasse doet denken, hebben ze de bretels en de schoenen met de bolle neuzen van de skinheads weggedaan.
Ook de haardracht is anders: in plaats van een kale kop hebben ze liever een modieus kapsel.’ De viriele reflex is echter nooit ver weg: de Identitaires houden ook zo van de Fred Perry-shirts omdat die meestal strakker zitten dan andere modellen en de mouw, die tot aan de biceps komt, de spierballen goed laat uitkomen.
De Rudolf-spijkerbroek
Aandacht voor kledingstijl trekt zich van landsgrenzen niets aan. Het nieuwe extreemrechts is zich, overal waar het voet aan de grond krijgt, scherp bewust van kledingcodes. In 2017 hielden veel demonstranten in Charlottesville zich strikt aan de instructies die ze van hun alt-rightleiders hadden ontvangen: toon vooral geen tatoeages en draag in plaats van een spijkerbroek liever een beige pantalon – een klassieker in de garderobe van de Amerikaanse familievader – met daarboven een wit overhemd of poloshirt. ‘Deze jongemannen waren allemaal ongeveer hetzelfde gekleed, wat erg verwarrend was. Hun uiterlijk paste helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’, vertelt Cynthia Miller-Idriss.
De sociologe onderzocht ook de kleding van de opkomende extreemrechtse beweging in Duitsland. Deze groep houdt de kledingcodes veelal ambigu, om geen last te hebben van de strenge Duitse wetgeving tegen neonazistische symbolen. In haar boek The Extreme Gone Mainstream vertelt Miller-Idriss bijvoorbeeld dat sommige kledingmerken T-shirts verkopen met het woord ‘swastika’ erop, maar dan zonder klinkers. Iedereen begrijpt wat er bedoeld wordt, maar wettelijk is het gewoon toegestaan.
Op deze nichemarkt zijn allerlei kledingmerken actief, met namen als Thor Steinar, Ansgar Aryan en Phalanx Europa. Thor Steinar bracht de Rudolf-spijkerbroek op de markt, als ode aan de bekende nazi Rudolf Hess. Met deze – verder doodgewone – spijkerbroek kan de drager deel uitmaken van een, in zijn ogen, roemruchte geschiedenis. Phalanx Europa verkoopt T-shirts met obscure slogans, zoals ‘Versterk de grenzen, hijs de vlag, de vloedgolf komt’.
Rond de eeuwwisseling werden twee types populair. Ze vertegenwoordigden een liberale utopie en de hoop dat klassentegenstellingen voortaan tot het verleden zouden gaan behoren. [Het ene werd bobo genoemd, een samentrekking van bourgeois en bohemian; het andere was de hipster.] Ze woonden in volkswijken, en adopteerden ook de kledingstijl van de arbeidersklasse.
Zelf behoorden ze tot de ‘creatieve’ middenklasse. Ze presenteerden zichzelf als de bemiddelaars tussen de hogere en lagere klassen van de maatschappij. Hun project had zijn eigen esthetiek, waarin één stofje het bijzonder goed deed: flanel. ‘Voor de bobo staat ruwheid voor authenticiteit en deugd’, en daarom ‘draagt hij overhemden van flanel en niet van zijde’, legt de conservatieve columnist David Brooks van de New York Times uit in het boek Bobos in Paradise (2000), waarin hij de term bobo introduceerde. Hipsters, die iets later opkwamen, deelden met bobo’s deze voorkeur voor flanel. Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn.
Flanel is sindsdien hip. In een beetje garderobe mag een ruitjeshemd tegenwoordig niet ontbreken. [Met bijbehorend snobisme.] Het online merk voor duurzame kleding Asphalte gaat bijvoorbeeld prat op de superieure kwaliteit van het flanel dat het voor zijn hemden gebruikt. Het flanel is gemaakt in Oostenrijk en ‘houdt de pure traditie van geweven wol in ere’, staat vol trots vermeld op de website.
Deze hippe hang naar nostalgie past goed in een bredere tendens die sinds een jaar of tien in de mannenmode zichtbaar is. ‘De nieuwe kledingstijl voor mannen grijpt terug op ambacht. Kledingmerken leggen consumenten omstandig uit hoe elk element van het kledingstuk zorgvuldig geselecteerd is. Zo kan de klant met zijn kleding uitdrukken dat hij deel uitmaakt van een selecte groep die kwaliteit weet te waarderen.
Tegelijkertijd schuilt er een subtiele kritiek in op de huidige tijd: de moderne man heeft liever een goed jasje dat niet snel uit de mode raakt dan eentje van een snit en stof die hij een seizoen later al niet meer kan dragen’, vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia.
Tweed in de ban
Tegenover deze herwaardering van flanel staat de verguizing van tweed. Franse katholieken die strijden voor bescherming van de seksuele moraal willen ervan af. Dat lieten ze al zien in hun demonstraties tegen geregistreerd partnerschap in 1999, in hun strijd tegen het homohuwelijk, in hun steun voor de kandidatuur van Christine Boutin voor de presidentsverkiezingen van 2002 en in de Life Parade van 2005.
In 2013 gaf Frigide Barjot, een van de organisatoren van Manif pour Tous [de Franse katholieke progezinsbeweging die in 2012 spontaan ontstond in reactie op het voornemen van de Franse regering om het homohuwelijk in te voeren], zelfs strikte richtlijnen: geen tweed, geen ribfluwelen broeken, geen diademen, maar leer, jeans en push-upbeha’s. En vooral T-shirts in vrolijke kleuren.
‘Zelfs kleren als Barbour-waxjassen waren verboden. Niet zozeer omdat die voor conservatisme staan, maar omdat ze het moeilijk maken om de juiste boodschap te verkondigen door het stigma dat ze hebben gekregen’. vertelt Yann Raison du Cleuziou van de universiteit van Grenoble, die onderzoek doet naar de geschiedenis van het militante katholicisme.
Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn
De organisatoren van Manif pour Tous deden hun uiterste best om een dresscode te verzinnen die niet stond voor het cliché van het provinciale katholieke gezin, dat graag zeilt en jaagt en daarom parka’s en andere outdoorkleding draagt. ‘Hun kledingcodes zijn op zich niet religieus, maar omdat het antiabortusactivisme in dat milieu sterk vertegenwoordigd is, associeer je die manier van kleden natuurlijk snel met katholicisme.
Daarom kozen de organisatoren er juist voor om duidelijk te laten zien dat het doel waarvoor werd gestreden een zaak van iedereen was. Specifieke of onderscheidende kledingcodes dienden daarom te worden vermeden, om te laten zien dat de demonstranten uit alle gelederen van de samenleving kwamen,’ vertelt de politicoloog.
Deze strategie heeft boven verwachting goed gewerkt. Een beetje te goed misschien. Tegenwoordig herkennen veel katholieke jongeren zich niet meer in de traditionele look. Eugénie Bastié, journalist voor Le Figaro en medeoprichter en hoofdredacteur van kwartaalblad Limite, dat wordt gezien als het tijdschrift voor ultraconservatieve katholieke jongeren, draagt een leren bikerjack. En dat is geen strategische keuze.
Auteurs, resp.: Marion Dupont, Marc-Olivier Bherer
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan zijn naam (‘De Wereld’) onderhoudt Le Monde een groot netwerk van correspondenten.
Twee bekende Franse modebedrijven hebben een handvest opgesteld dat een einde moet maken aan al die ultradunne modellen op de catwalk. Maar de Duitse modejournaliste Carmen Böker betwijfelt of het gaat werken.
New York, Londen, Milaan, Parijs: september is de maand van de fashion weeks, de maand waarin op de catwalks de mode voor het nieuwe jaar wordt gepresenteerd. Parijs, de stad waar kleding graag tot kunst verheven wordt, vormt traditiegetrouw het sluitstuk van deze tour d’horizon. En natuurlijk geven ze daar maar al te graag in elk opzicht de toon aan: dus nog voor het op 26 september in Parijs echt van start ging, werd er al een thema van gemaakt en beloofd dat het nu eindelijk afgelopen zou zijn met die dunne modellen. Om ervoor te zorgen dat mode louter geassocieerd wordt met een mooie droom, hebben de luxeketens Kering en Moët Hennessy Louis Vuitton SE (beter bekend als LVMH) een handvest opgesteld ‘voor de samenwerking met modellen en hun welbevinden’. Kort samengevat komt het erop neer dat iedereen die de catwalk op wil eerst een doktersattest moet kunnen overleggen.
Dat beide Franse bedrijven zich om het welzijn van de zelfstandig voor hen werkende modellen bekommeren, wordt door de branche graag gepresenteerd als een moedige doorbraak. Invloedrijk zijn deze bedrijfsconglomeraten in elk geval genoeg: onder Kering vallen merken als Gucci, Saint Laurent, Balenciaga en Alexander McQueen; onder LVMH bijvoorbeeld Marc Jacobs, Céline, Givenchy en Fendi. Al die merken kennen confectiekleding.
Maar moedig is dit gewichtig op papier gezette communiqué absoluut niet: Frankrijk had sinds 2015 wetgeving op dit terrein in voorbereiding; afgelopen voorjaar is ze in werking getreden. De wet verplicht modeagentschappen om alleen nog maar te werken met vrouwen die minimaal maat 34 en een body-mass index van 19 hebben, terwijl voor mannen ten minste maat 44 en een BMI van 20 geldt. Ook schrijft de wet voor dat het backstage uit moet zijn met alcohol en vel over been, en dat er gezorgd wordt voor gezond eten en een psycholoog.
Volgens Karl Lagerfeld is de bewering dat dunne modellen lelijk zijn afkomstig van “dikke moeders die met hun zakken chips voor de televisie zitten”
Vóór Frankrijk voerden landen als Spanje en Israël al vergelijkbare regels in. Heeft dat de branche veranderd? Dat kun je niet zeggen. Voor de modeontwerpers is deze discussie net zo hinderlijk als polyester dat zich maar niet glad laat strijken. Vaak hebben ze geprobeerd om uit te leggen waarom een model dun moet zijn. Die pogingen klinken eerst logisch, maar daarna gemeen. Dat kleren bij dunne mensen gewoon mooier vallen? Maar het is niet echt in overeenstemming met de gemiddelde cupgrootte – in Duitsland is dat 75 C – dat kleding gewoon langs het lichaam omlaag valt. Dat met een groeiend gewicht elk lichaam anders is, er bij de een wat aan de heupen bij komt en bij de ander weer aan de taille, en dat de modelsnit dus alleen bij kleine maten tot zijn recht komt? Dat geeft weinig vertrouwen dat zoiets rond het eigen lichaam kan flatteren. De graag met aforismen strooiende modeontwerper Karl Lagerfeld heeft ooit gezegd dat de bewering dat dunne modellen lelijk zijn afkomstig is van ‘dikke moeders die met hun zakken chips voor de televisie zitten’.
Op de New Yorkse fashionweek van vorige maand maakte Kaia Gerber een succesvol debuut. De dochter van Cindy Crawford, het supermodel van de jaren negentig, ‘mocht’ met haar zestien jaar nu eindelijk de catwalk op en maakte hierbij zo’n broze indruk dat je over haar BMI liever maar helemaal niet nadacht. Er waren transseksuele modellen, zwarte modellen en een enkele vrouw met een BMI die zeker boven de 24 lag. Dat geldt als licht overgewicht: Ashley Graham liep bijvoorbeeld in de show van ontwerper Michael Kors, en dat gold ook voor Kate Upton. Over haar werd na afloop geschreven dat haar dijen slanker leken dan vroeger.
Wie niet maat 34 combineert met minimaal 1.80 meter, zal in de mode nog lang exotisch blijven.
Wekelijkse bijlage bij Die Zeit, de krant van de Duitse intelligentsia. Sinds 2013 bestaat er ook een internationale versie,Zeitmagazin International, waarvoor een selectie van artikelen uit de bijlage in het Engels wordt vertaald.
Het evenement werd alweer voor de vijftiende keer gehouden en is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een groot succes. Zowel Braziliaanse als internationale merken tonen er hun laatste collecties op de catwalk. Een van de redenen dat de grotematenshow zo aanslaat, is de toenemende vraag: naar schatting de helft van de Braziliaanse bevolking leidt aan overgewicht.
Het Spaanse modemerk Zara werkt sneller dan welke concurrent ook. Tussen het ontwerp van een jas in Spanje en het moment dat deze in de winkel hangt in New York, liggen slechts 25 dagen. The Wall Street Journal volgde dit proces.
Op een ochtend wordt bij de Zara-flagshipstore in New York een zwarte wikkeljas met een hoge kraag en een metalen ring als sluiting aan een kledingrek gehangen. ‘Klanten vroegen dit seizoen naar metalen details,’ vertelt de manager, terwijl hij de ring omhooghoudt. Dat soort informatie, voegt hij eraan toe, kan het begin zijn van een heel nieuwe stijl, die dan binnen een paar weken in zijn winkel hangt.
Bij deze jas heeft dat vijfentwintig dagen geduurd.
The Wall Street Journal volgde de reis die de jas maakte van het ontwerpatelier in Spanje naar het kledingrek in Manhattan, en biedt zo een kijkje in het ‘fastmode’-model waarmee Zara’s moederbedrijf, Inditex SA, qua omzet de grootste moderetailer ter wereld is geworden.
Modewensen
Die reis begint op het Spaanse hoofdkwartier van het bedrijf in de kleine industriestad Arteixo. Een ontwerper en een patroontekenaar maken daar in vijf dagen tijd een prototype voor de wijde winterjas, op basis van gesprekken met Zara-winkelmanagers, die de modewensen van hun klanten doorgeven. Een tweede patroontekenaar, snijders en naaisters maken in dertien dagen tijd achtduizend van deze jassen. In de zes dagen daarna worden de jassen gestreken, gelabeld, geëtiketteerd, op kwaliteit gecontroleerd, per vrachtwagen naar het logistieke centrum van Zara in Zaragoza vervoerd en vandaar naar het vliegveld van Barcelona. De volgende dag rijdt de jas in een vrachtwagen van John F. Kennedy Airport naar de winkel aan Fifth Avenue, om daar voor 189 dollar in de verkoop te gaan.
De rest van de bedrijfstak doet al een tijdlang zijn best om te analyseren hoe Inditex zo snel kan inspelen op de smaak van de klant. Enkele Amerikaanse concurrenten hebben inmiddels een paar van de oplossingen overgenomen waarmee Inditex is gegroeid naar meer dan 7000 winkels in 92 landen en in 2015 een winst van 33,1 miljard dollar behaalde, twee keer zo veel als in 2008.
Een Zara-filiaal in New York.
Een van de factoren die het productieproces bij Inditex zo kort maken, is dat het bedrijf 60 procent van zijn kleding in Spanje en de omringende landen fabriceert. Inmiddels hebben retailers als J.C. Penney Co ook fabrikanten dichter bij huis, in Midden-Amerika, gezocht en leunen ze minder op Azië als producent. Dankzij die omschakeling, in combinatie met enige stroomlijning van ontwerpproces en logistiek, is de aflevertijd van sommige merkartikelen van J.C. Penney van bijna tien maanden verkort tot een maand of acht, volgens het bedrijf zelf. De vroegere koploper van de bedrijfstak, Gap Inc., die qua omzet al tien jaar op hetzelfde niveau blijft steken, brengt een deel van de fabricage over van Azië naar het Caribisch gebied. Gap is ook bezig de ontwerptijd van sommige kledingstukken te verkorten, zodat nieuwe ontwerpen soms al binnen vierentwintig uur goedgekeurd worden.
Een woordvoerder van J.C. Penney zegt dat het bedrijf geen commentaar geeft op andere modeketens. Gap weigerde iets over Inditex te zeggen.
Maar volgens deskundigen is het voor concurrenten van de Spaanse modegigant lastig om het Inditex-model over te nemen, als ze niet grondig de bezem halen door hun gehele proces van ontwerpen, fabriceren en distribueren. Die concurrenten kunnen hun productie ook wel dichter bij huis halen, maar hun organisatie is er gewoonweg niet op ingericht om snel te reageren op nieuwe trends, volgens Liz Dunn, oprichter van Talmage Advisors, een adviesbureau voor de retailsector.
‘Eenvoudig gezegd is het succes van Inditex te danken aan hun korte levertijd: het vermogen om de klanten ontwerpen aan te bieden die andere winkels nog niet hebben,’ zegt Anne Critchlow, analist bij de bank Société Générale. Volgens haar kan het bedrijf hierdoor ook hogere prijzen vragen dan de concurrentie. ‘Je moet Zara niet zien als een merk, maar als een heel snelle kameleon die zich onmiddellijk aanpast aan modetrends.’
Om de koopsters een gevoel van exclusiviteit te geven zullen er volgens Inditex nooit meer dan 25.000 van deze jassen worden gemaakt
Elk creatief besluit over de wikkeljas – en over alle andere Zara-kleding – wordt snel genomen tijdens informele besprekingen op het Inditex-hoofdkwartier, een open werkvloer die iets groter is dan een voetbalveld. Daar zitten ontwerpers en commerciële medewerkers naast elkaar, en zij onderhouden continu telefonisch en elektronisch contact met winkelmanagers van Zara-shops over de hele wereld. Winkelmanagers, die vaak worden ingevlogen om hun visie te geven, hebben een prototype van de jas bekeken en met hun commentaar een bijdrage geleverd aan het ontwerp. Daar is geen officiële vergadering aan te pas gekomen.
Dankzij dat snelle ontwerpproces en de fabricage dichtbij, kan Inditex nu in twee weken tijd een nieuw kledingstuk in de winkels hebben. Ter vergelijking: bij het Zweedse Hennes & Mauritz wordt 80 procent van de kleding een aantal maanden van tevoren besteld, volgens de Société Générale. H&M weigerde commentaar.
Volgens Inditex garandeert het gecentraliseerde distributiesysteem van het bedrijf dat elk geproduceerde kledingstuk daadwerkelijk terechtkomt bij de winkel die het heeft besteld. Andere retailers sturen hun producten vaak in grote hoeveelheiden naar pakhuizen en van daaruit worden ze dan over de winkels gedistribueerd. Daardoor is er een grotere kans dat artikelen ergens onverkocht blijven liggen, volgens retailanalisten. Inditex maakt alleen voor de onlineverkoop gebruik van pakhuizen.
‘Vanaf het begin is het er bij ons om gegaan eerst te willen weten wat de klanten willen en dan een geïntegreerd fabricageproces en logistiek systeem te hebben om ze dat snel te kunnen leveren,’ zei bestuursvoorzitter en CEO van Inditex Pablo Isla in een interview.
Volgens analisten zal het Inditex-model onder druk komen te staan wanneer het bedrijf zich verder over de wereld uitbreidt, met name als het zich op de groeiende Chinese retailmarkt begeeft. ‘Je zult niet altijd zo dicht bij je bevoorradingsbronnen kunnen zitten,’ aldus Dun. Maar volgens Isla zal Inditex blijven zoeken naar manieren om nog efficiënter te worden en nooit afstappen van het gecentraliseerde voorraadsysteem.
De wikkeljas is een van de meer dan vijftig exemplaren die afgelopen najaar in kleine hoeveelheden naar de winkel aan Fifth Avenue zijn gestuurd. Ze gaan snel over de toonbank, vertelt de winkelmanager. Zijn ze op, dan bestelt hij bij het hoofdkwartier nieuwe. Om de koopsters een gevoel van exclusiviteit te geven zullen er volgens Inditex nooit meer dan 25.000 van deze jassen worden gemaakt, ook niet als ze uitverkocht zijn. Trouwens, de winkels hebben ook weer plek nodig voor de nieuwe artikelen die het hele jaar door twee keer per week uit Spanje aankomen.
Bij de winkel aan Fifth Avenue wijst de manager op het nieuwste van het nieuwste: een rood met zwart geruite flanellen blouse met ‘pussy bowl’, oftewel grote strik bij de hals. ‘Klanten zeiden dat ze de rockerlook wilden, met een vrouwelijke touch.’
Eigendom van Dow Jones & Company. Lezerspubliek bestaat voor 60 procent uit topmanagement, met een gemiddeld inkomen van 191.000 dollar en een leeftijd van 55 jaar.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.