Tag: monsanto

  • Monsanto aangeklaagd door de stad Los Angeles

    Monsanto aangeklaagd door de stad Los Angeles

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Rijkste Russen verliezen gezamenlijk meer dan 83 miljard dollar

    » Moderna geeft vaccinpatenten in arme landen vrij

    Stad eist compensatie voor vervuiling

    De stad Los Angeles heeft een rechtszaak gestart tegen het agrochemische bedrijf Monsanto. Het gemeentebestuur eist ‘compensatie’ voor de kosten die zijn veroorzaakt door tientallen jaren van waterverontreiniging door chemicaliën, schrijft Los Angeles Times. Deze producten, bekend als PCB’s, werden vervaardigd door Bayer, het moederbedrijf van Monsanto, en werden gebruikt in verf, inkt, papier en smeermiddelen.

    Los Angeles vraagt ook om de oprichting van een ‘speciaal fonds voor toekomstige kosten’: de stad heeft tot nu toe ‘miljoenen en miljoenen dollars uitgegeven, en zal miljoenen en miljoenen dollars blijven uitgeven om dit probleem op te lossen’, aldus de aanklacht.

    Lees ook:

  • De Monsanto Papers

    De Monsanto Papers

    Eind vorig jaar publiceerde de Franse krant Le Monde de artikelenserie ‘De Monsanto Papers’, een onderzoek naar de oorlog die de multinational in biotechnologie Monsanto is begonnen om zijn succesproduct glyfosaat, een onkruidverdelgingsmiddel (handelsnaam: RoundUp), te behoeden voor een wereldwijd verbod. Onder meer probeert Monsanto, met hoofdvestiging in de VS, op alle mogelijke manieren het IARC kapot te maken, de VN-organisatie voor kankeronderzoek die drie jaar geleden de gevaren van glyfosaat aantoonde.

    DEEL 1: Operatie Vergiftiging

    ‘We zijn al eerder aangevallen, we hebben te maken gehad met lastercampagnes, maar dit keer zijn we het doelwit van een georkestreerde campagne waarvan de schaal en duur ongekend zijn.’ De glimlach van Christopher Wilde verdwijnt snel. Door het raam van het hoge gebouw waar het International Agency for Research on Cancer (IARC) zijn hoofdkantoor heeft, zijn de daken van de Franse stad Lyon te zien, die zich tot ver achter zijn lange gestalte uitstrekken.

    Wild is directeur van het agentschap. Hij weegt elk woord en spreekt met de ernst die bij de situatie past. Sinds twee jaar ligt zijn instituut zwaar onder vuur: de geloofwaardigheid en integriteit van het IARC worden in twijfel getrokken, de deskundigen worden belasterd en bestookt door advocaten, en de financiële situatie is ernstig verzwakt.

    Al bijna een halve eeuw is het IARC, onder auspiciën van de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, belast met het inventariseren van kankerverwekkende stoffen. Maar nu begint het eerbiedwaardige agentschap te wankelen onder de aanval.

    De vijandelijkheden begonnen op een specifieke datum: 20 maart 2015. Die dag maakte het IARC de conclusies bekend van zijn ‘Monografie 112’. De bevindingen verbijsterden de hele wereld. Anders dan de meerderheid van de regelgevende agentschappen verklaarde het IARC dat het meest gebruikte pesticide op de planeet genotoxisch is (schadelijk voor het DNA), kankerverwekkend voor dieren en ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor mensen.

    Dit pesticide is glyfosaat, het belangrijkste bestanddeel van Roundup, het kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto, een van de bekendste bedrijven ter wereld. Glyfosaat is ook het product waarmee de hele agrochemische industrie valt of staat. Het wordt al meer dan veertig jaar gebruikt en is aanwezig in maar liefst 750 producten die door ongeveer honderd bedrijven in meer dan 130 landen worden verkocht.

    Het fundament van Monsanto

    Tussen 1974, toen het op de markt kwam, en 2014 is het glyfosaatgebruik toegenomen van 3200 tot 825.000 ton per jaar. Een dramatische toename die het gevolg is van het massaal overstappen op zaden die genetisch zijn gemodificeerd om glyfosaat te kunnen verdragen – ‘Roundup Ready’-zaden.

    Van alle agrochemische bedrijven die getroffen zouden kunnen worden door een beperking van – of verbod op – de verkoop van het product, is er maar één waarvan het voortbestaan op het spel staat.

    Monsanto, dat glyfosaat heeft ontwikkeld, heeft er het fundament van zijn economische model van gemaakt. Het bedrijf verdient enorm veel geld met de verkoop van Roundup en de bijbehorende zaden.

    Toen het IARC bekendmaakte dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is, reageerde het bedrijf dus ongemeen fel. In een verklaring werd het werk van het IARC afgedaan als ‘pseudowetenschap’ – het ‘selectief verzamelen’ van data, gebaseerd op een ‘vooringenomen benadering’, dat ‘na slechts enkele uren discussie’ tot de conclusie had geleid.

    Nooit eerder trok een bedrijf de integriteit van een onder de vleugels van de Verenigde Naties opererend agentschap in zulke grove bewoordingen in twijfel. De strijd was geopend – althans in het openbaar.

    Want in zijn eigen burelen sloeg Monsanto een heel andere toon aan. Het bedrijf wist heel goed dat een groep deskundigen van het IARC een vol jaar bezig was geweest met de evaluatie van het glyfosaat en vervolgens dagenlang had overlegd in Lyon. De IARC-procedures schrijven voor dat bedrijven die door het onderzoek naar een product getroffen kunnen worden, het recht hebben bij deze slotvergadering aanwezig te zijn.

    Voor de glyfosaatevaluatie had Monsanto een ‘waarnemer’ gestuurd, de epidemioloog Tom Sorahan, hoogleraar aan de Universiteit van Birmingham, die door het bedrijf soms wordt ingeschakeld als adviseur.

    In het rapport dat Sorahan op 14 maart 2015 naar zijn bazen stuurde, verzekerde hij dat alles volgens de regels was verlopen.

    ‘Ik vond de voorzitter, de vicevoorzitters en de uitgenodigde deskundigen erg vriendelijk en bereid om te reageren op al het commentaar dat ik leverde,’ aldus Sorahan in een e-mail aan een leidinggevende van Monsanto. Deze e-mail is opgenomen in de ‘Monsanto Papers’ – een verzameling interne documenten van het bedrijf die een rechtbank in de VS begin 2017 openbaar heeft gemaakt in het kader van lopende processen.

    ‘De vergadering verliep volgens de richtlijnen van het IARC,’ vervolgde de waarnemer. ‘Dr. Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, is goed bekend met de IARC-richtlijnen en staat erop dat deze worden nageleefd.’

    RoundUp op de lopende band. Het belangrijkste bestanddeel van dit kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto is glyfosaat, volgens IARC ‘vermoedelijk kankerverwekkend’. – ©  Jasper Juinen/Bloomberg via Getty Images
    RoundUp op de lopende band. Het belangrijkste bestanddeel van dit kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto is glyfosaat, volgens IARC ‘vermoedelijk kankerverwekkend’. – © Jasper Juinen/Bloomberg via Getty Images

    Sorahan leek erg in te zitten over het idee dat zijn naam verbonden zou kunnen worden met Monsanto’s reactie op het IARC-besluit: ‘Ik wil niet dat uw pr-afdeling op enigerlei manier naar mij verwijst’, schreef hij, al voegde hij er meteen aan toe dat hij ‘met alle plezier wilde helpen bij het formuleren van verklaringen die u wilt afleggen’ voor de onvermijdelijke tegenaanval die het bedrijf op touw zette.

    Enkele maanden later ontvingen de niet-Amerikaanse wetenschappers die lid van het IARC-panel over glyfosaat waren geweest allen dezelfde brief. Daarin droeg Hollingsworth, het advocatenkantoor van Monsanto, hun op alle dossiers ter beschikking te stellen die betrekking hadden op hun werk aan ‘Monografie 112’. Concepten, commentaren, data: alles dat door het computersysteem van het IARC was gegaan. ‘Indien u verzuimt de dossiers te overleggen,’ waarschuwden de advocaten, ‘dragen wij u op alle redelijke stappen te zetten die in uw vermogen liggen om al dergelijke dossiers in ongeschonden staat te bewaren voor het geval een Amerikaanse rechtbank formeel om inzage vraagt.’

    ‘Ik vond uw brief intimiderend en kwalijk,’ reageerde een van de wetenschappers op 4 november 2016. ‘Uw toon kwam mij berispend en onhoffelijk voor, zelfs naar huidige maatstaven gemeten.’ De schrijfster, de patholoog Consolato Maria Sergi, hoogleraar aan de Universiteit van Alberta in Canada, vervolgde: ‘Ik beschouw uw brief als verwerpelijk omdat u daarin op kwaadaardige wijze een onafhankelijke groep deskundigen angst probeert in te boezemen.’

    De auteurs zijn een eskadron propagandisten die nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis

    Amerikaanse leden van de IARC-werkgroep werden met maatregelen geconfronteerd die nog ‘intimiderender’ zijn. In de VS geeft de wet op de vrijheid van informatie (FOIA) elke burger onder bepaalde omstandigheden het recht inzage te eisen in documenten van openbare instellingen en hun werknemers: memo’s, e-mails, interne rapporten et cetera.

    Volgens onze informatie hebben de advocatenkantoren Hollingsworth en Sidley Austin sinds november 2015 alleen al vijf verzoeken ingediend bij de National Institutes of Health (NIH) waar twee deskundigen van de groep werkzaam zijn. Ook bij het milieubeschermingsagentschap CalEPA in Californië, de A&M-universiteit in Texas en de Staatsuniversiteit van Mississippi zijn verzoeken ingediend met betrekking tot andere wetenschappers.

    Sommige van deze instellingen zijn door advocaten van Monsanto zelfs gedagvaard in het kader van het lopende glyfosaatproces – en daarmee gedwongen bepaalde interne documenten over te leggen.

    Zijn deze intimiderende manoeuvres bedoeld om de kritiek tot zwijgen te brengen?

    Wereldberoemde wetenschappers die gewoonlijk openstaan voor mediaverzoeken hebben niet op de verzoeken van Le Monde gereageerd – zelfs niet als het om vertrouwelijke interviews ging. Sommigen waren bereid te praten, maar alleen buiten kantooruren via een privélijn.

    Leden van het Amerikaanse Congres hebben de FOIA niet nodig om federale wetenschappelijke instellingen ter verantwoording te roepen. De Republikein Jason Chaffetz, voormalig lid van het Huis van Afgevaardigden en voormalig voorzitter van de Toezichts- en Hervormingscommissie van het Huis, schreef op 26 september 2016 aan Francis Collins, de directeur van de NIH. De IARC-besluiten hebben ‘veel controverse en paniek gezaaid’, aldus Chaffetz. En ondanks zijn verleden van ‘controverses, herroepingen en inconsistenties’ ontvangt het IARC een ‘aanzienlijke hoeveelheid belastinggeld’ van de NIH.

    Van het jaarlijkse budget van veertig miljoen euro van het IARC is inderdaad 1,2 miljoen afkomstig van de NIH. Om die reden verzocht Jason Chaffetz de NIH-directeur gedetailleerd verantwoording af te leggen voor alle NIH-betalingen aan het IARC.

    Weggelopen uit een roman van Le Carré

    Diezelfde dag werd de brief van Chaffetz met instemming begroet door de American Chemistry Council (ACC), het verbond van Amerikaanse chemiebedrijven. Als machtige lobbyorganisatie van de Amerikaanse chemische industrie, waarvan Monsanto lid is, zegt de ACC ‘te hopen dat de NIH ‘licht zal werpen op de nauwe en enigszins ondoorzichtige relatie’ tussen het IARC en Amerikaanse wetenschappelijke instellingen.

    De chemielobby had in Chaffetz een waardevolle bondgenoot gevonden. In maart schreef het voormalige Congreslid naar het hoofd van een andere federale onderzoeksorganisatie – het National Institute of Environmental Health Sciences (NIEHS) – met het verzoek verantwoording af te leggen voor het onderzoek dat de instelling had gefinancierd naar de schadelijke effecten van bisfenol A, een chemische verbinding die veel wordt gebruikt voor bepaalde plasticsoorten.

    Hoe kun je een instelling beter onschadelijk maken dan door haar geldkraan dicht te draaien? In de maanden na de publicatie van ‘Monografie 112’ benaderde CropLife International, een organisatie die wereldwijd de belangen behartigt van pesticideproducenten en zaadveredelingsbedrijven, enkele vertegenwoordigers van de 25 lidstaten die de raad van bestuur van het IARC vormen om te klagen over de kwaliteit van het werk van het agentschap.

    Deze zogeheten ‘Deelnemende Staten’ financieren zo’n zeventig procent van het totale IARC-budget. Volgens het IARC zijn minstens drie daarvan – Canada, Nederland en Australië – benaderd. Geen van drieën heeft op de verzoeken van Le Monde om commentaar gereageerd.

    Heel 2016 lang maakten figuren die leken weggelopen uit een roman van John Le Carré hun opwachting in de glyfosaatsaga. In juni woonde iemand die zich voordeed als journalist maar zich niet als zodanig registreerde, de conferentie bij waarmee het IARC in Lyon zijn vijftigste verjaardag vierde. Terwijl hij zich onder wetenschappers en internationale ambtenaren bewoog, zocht de man naar details over het functioneren van het IARC, de financiering ervan, het monografieprogramma enzovoort.

    Enkele maanden later, eind oktober 2016, dook de man opnieuw op – ditmaal bij de jaarlijkse conferentie van het Ramazzini Institute, een vermaard en gerespecteerd instituut voor kankeronderzoek dat nabij de Italiaanse stad Bologna is gevestigd. Waarom in vredesnaam het Ramazzini? Misschien omdat het Italiaanse instituut enkele maanden eerder had aangekondigd zelf een carcinogeniteitsstudie naar glyfosaat te zullen verrichten.

    Christopher Watts – zo heet de man – stelde vragen over de onafhankelijkheid van het instituut en zijn financieringsbronnen. Omdat hij een e-mailadres gebruikte dat eindigde met ‘@economist.com’ trokken degenen die hij benaderde zijn banden met het prestigieuze Britse weekblad The Economist niet in twijfel. Tegen wetenschappers die om details vroegen, zei Watts dat hij voor de Economist Intelligence Unit (EIU) werkte, een adviesbureau dat een dochteronderneming is van de Britse persgroep.

    De EIU bevestigde dat Watts inderdaad enkele rapporten had geschreven, maar was ‘niet in staat te bevestigen in welke hoedanigheid hij aanwezig was’ bij de twee conferenties. ‘In die tijd werkte hij aan een verhaal voor The Economist, dat uiteindelijk niet werd gepubliceerd.’ Vreemd genoeg meldde de redactie van het weekblad dat ‘er niemand met die naam bij ons werkt’.

    Het enige dat duidelijk lijkt is de naam van een bedrijf dat Watts eind 2014 oprichtte: Corporate Intelligence Advisory Company. Volgens de bedrijfsgegevens is Watts’ privéadres in Albanië. Vragen van Le Monde wenste hij niet te beantwoorden.


    Binnen enkele maanden deden ten minste vijf figuren zich voor als journalist, onafhankelijk onderzoeker of vertegenwoordiger van een advocatenkantoor, om wetenschappers en onderzoekers te benaderen die betrokken waren bij het werk van het IARC. Alle vijf waren ze op zoek naar zeer specifieke informatie over de procedures en financiering van het agentschap.

    Een van hen, Miguel Santos-Neves, werkt voor een in New York gevestigd economisch inlichtingenbureau genaamd Ergo. Volgens een bericht in The New York Times uit juli 2016 werd Santos-Neves tijdens een justitieel onderzoek in de VS in zijn kraag gevat wegens het gebruiken van een valse identiteit.

    Namens Uber had Santos-Neves onderzoek gedaan naar iemand die een proces tegen het bedrijf had aangespannen en daarbij diens werkomgeving onder valse voorwendselen had ondervraagd. Ergo reageerde niet op verzoeken om opheldering van Le Monde.

    Net als Christopher Watts zijn twee zusterorganisaties met een bedenkelijke reputatie niet alleen in het IARC geïnteresseerd maar ook in het Ramazzini Institute. Het Energy and Environmental Legal Institute (E&E Legal) doet zich voor als een non-profitorganisatie die tot doel heeft ‘degenen ter verantwoording te roepen die excessieve en destructieve overheidsregulering nastreven gebaseerd op politieke vooringenomenheid, pseudowetenschap en hysterie’. De Free Market Environmental Law Clinic op haar beurt zegt ‘een tegenwicht te willen vormen tegen de procesbeluste milieubeweging die aanstuurt op een economisch funest reguleringsregime in de Verenigde Staten’.

    Volgens Le Monde hebben beide organisaties maar liefst zeventien FOIA-verzoeken ingediend bij de NIH en het Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA). Ze hebben tijdens hun indringende en bureaucratisch-juridische guerrillaoorlog de correspondentie van verscheidene Amerikaanse ambtenaren opgeëist waarin de termen ‘IARC’, ‘glyfosaat’ of ‘Guyton’ voorkomen. (Kathryn Guyton is de IARC-wetenschapper die verantwoordelijk is voor de ‘Monografie 112’.)

    Ze zijn op zoek naar de kleinste details op het gebied van beurzen, toelages en andere financiële en niet-financiële betrekkingen tussen deze Amerikaanse agentschappen, het IARC, enkele wetenschappers en het Ramazzini Institute.

    ‘Laat niets op zijn beloop’

    De beide organisaties worden geleid door David Schnare, een overtuigd klimaatscepticus die bekendstaat om het bestoken van klimaatwetenschappers. In november 2016 verruilde Schnare E&E Legal tijdelijk voor het transitieteam van Donald Trump. Steve Milloy, ook een van de leiders van de organisatie, is een bekende figuur in het kleine wereldje van door de tabaksindustrie gefinancierde propaganda. Toen hun gevraagd werd naar hun motieven en financieringsbronnen, antwoordde de bestuursvoorzitter van E&E Legal per e-mail: ‘Hallo, we zijn niet in deelname geïnteresseerd.’

    De aandacht voor deze FOIA-verzoeken wordt versterkt door opiniepagina’s van enkele media. Een daarvan, The Hill, is verplichte leesstof voor elke politieke speler in Washington D.C. De auteurs zijn een eskadron propagandisten die volgens de vereniging US Right to Know (USRTK) sinds lange tijd nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, zoals het Heartland Institute en het George C. Marshall Institute, beide bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis.

    In hun geschriften worden precies dezelfde argumenten gebruikt. En soms zelfs dezelfde zinnen: de ‘flutwetenschap’ van een IARC dat verscheurd wordt door belangenverstrengeling en ‘alom wordt bekritiseerd’ – maar zonder ooit te zeggen door wie.

    De advocaten die bij de Amerikaanse processen betrokken zijn, onthulden dat Monsanto zich ook van discretere middelen bedient. Toen ze onder ede op vragen moesten antwoorden die werden gesteld door advocaten van mensen die hun kanker aan Roundup wijten, openbaarden bestuurders van het bedrijf het bestaan van een vertrouwelijk programma dat erop was gericht alle kritiek te weerspreken en dat ‘Laat niets op zijn beloop’ is gedoopt.

    De transcripties van deze hoorzittingen blijven vertrouwelijk. Maar memo’s van de betrokken advocatenkantoren verschaffen iets meer duidelijkheid. Ze tonen aan dat Monsanto bedrijven van derden inschakelt die ‘mensen in dienst hebben die geen band met de bedrijfstak hebben, maar op hun beurt positieve commentaren posten bij nieuwsartikelen en op Facebook, waarin Monsanto, zijn chemische producten en zijn genetisch gemodificeerde organismen worden verdedigd’.

    Wind in de zeilen door Trump

    De afgelopen maanden is de coalitie tegen het IARC gegroeid. Eind januari 2017, een paar dagen na de inauguratie van Donald Trump in het Witte Huis, heeft het Amerikaanse chemieverbond ACC zich erbij aangesloten. Op sociale netwerken heeft de chemische lobby in de VS een nieuwe aanval geopend in de vorm van een ‘Campagne voor Accuratesse bij Gezondheidsonderzoek’, met een eigen website en Twitteraccount. Het doel daarvan heet een ‘hervorming’ van het monografieprogramma van het IARC te zijn. De machtige lobbyorganisatie heeft de fluwelen handschoenen uitgetrokken: ‘Een plak spek of een staaf plutonium? Volgens het IARC is het één pot nat.’ De tweet vervolgt met een fotomontage waarin twee fluorescerende groene staven in een bord eieren met spek worden gedoopt. In oktober 2015 had het IARC bewerkt vlees inderdaad als ‘kankerverwekkend’ aangemerkt en rood vlees als ‘vermoedelijk kankerverwekkend’, net als glyfosaat.

    Voelen deze chemische en agrochemische bedrijven zich misschien almachtig omdat ze toegang hebben tot de inner circle rond president Trump? De belangrijkste Amerikaanse lobbyist van het Amerikaanse chemieverbond, Nancy Beck, kreeg een hoge post binnen EPA, het federale bureau dat toeziet op chemische veiligheid en vervuilingspreventie en de supervisie heeft over het glyfosaatdossier.

    En werd Andrew Liveris, de baas van Dow Chemical, niet door Donald Trump persoonlijk aangesteld om diens werkgelegenheidsproject ‘Manufacturing Jobs Initiative’ te leiden?

    De machine lijkt de wind in de zeilen te krijgen door de komst van Trump.

    Eind maart richtte de Texaanse Republikein Lamar Smith, voorzitter van de Commissie Wetenschap, Ruimtevaart en Technologie van het Huis van Afgevaardigden, zich tot de inmiddels afgetreden minister van Volksgezondheid Tom Price. Smith richtte zijn pijlen op de financiële banden tussen het Nationale Instituut voor Milieu- en Gezondheidswetenschappen (NIEHS) en het Ramazzini Institute om, zo schreef hij, ‘de garantie te krijgen dat subsidieontvangers de hoogste maatstaven van wetenschappelijke integriteit hanteren’.

    Het verzoek van dit Congreslid was voldoende, zo schreven propagandisten Julie Kelly en Jeff Stier, om het Congres een officieel onderzoek te laten instellen naar de ‘obscure organisatie’ die het Ramazzini Institute is.

    In hun artikel, dat kort daarna in de National Review verscheen, vielen ze zowel NIEHS-directeur Linda Birnbaum aan omdat deze een ‘chemofobische agenda’ zou voeren, alsook haar voormalige mededirecteur Christopher Portier, die als ‘een bekende anti-glyfosa-atactivist’ werd omschreven. Beiden werden ‘Rammazini-adepten’ genoemd.

    Volgens Kelly en Stier is dit een nieuw voorbeeld van de ‘politisering van de wetenschap’. Het verhaal werd ook door anderen overgenomen, inclusief Breitbart News, de ultrarechtse website die mede is opgericht door Steve Bannon, de voormalige hoofdstrateeg van het Witte Huis.

    Dat het Institute of Collegium Ramazzini (de twee worden in de artikelen door elkaar gehaald) als een ‘obscure organisatie’ wordt omschreven of als ‘een soort Rotaryclub voor activistische wetenschappers’, getuigt in het beste geval van onwetendheid en is in het ergste geval van een leugen. Het Collegium Ramazzini, in 1982 opgericht door Irving Selikoff en Cesare Maltoni, twee zwaargewichten op het gebied van gezondheidsonderzoek, is een academie met 180 wetenschappers die gespecialiseerd zijn in arbeids- en milieugeneeskunde.

    Linda Birnbaum en Christopher Portier zijn lid van het Collegium. Hetzelfde geldt voor Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, en vier andere leden van de Monografie 112-werkgroep, stuk voor stuk toonaangevende wetenschappers op hun respectievelijke gebieden.


    De lancering van een langdurige toxicologische studie naar glyfosaat door het Ramazzini Institute in mei 2016 heeft een organisatie die vermaard is om zijn kankerexpertise tot doelwit gemaakt. Het hoofd van de onderzoeksafdeling van het instituut, Fiorella Belpoggi, is een van de weinige wetenschappers die bereid waren Le Monde te woord te staan: ‘We zijn maar met weinigen, we hebben geen geld, we zijn gewoon goede wetenschappers en we zijn niet bang.’

    Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de aanvallen op het Ramazzini en het IARC zullen stoppen. Na glyfosaat staan andere strategische chemicaliën op de ‘prioriteitenlijst’ van het IARC voor de periode 2014-2019. Daartoe behoren andere pesticiden, en ook bisfenol A (BPA) en aspartaam.

    Het NIEHS is toevallig een van de grootste financiers ter wereld van onderzoek naar de toxiciteit van BPA. En de studie die de wereld waarschuwde voor de kankerverwekkende eigenschappen van de zoetstof aspartaam werd enkele jaren geleden uitgevoerd door… het Ramazzini Institute.

    ‘Ik had me niet eerder gerealiseerd dat we zo belangrijk zijn,’ fluistert Fiorella Belpoggi, ‘maar als je het IARC, het NIEHS en het Ramazzini Institute kwijtraakt, raak je drie symbolen van onafhankelijke wetenschap kwijt.’

    Een soort wetenschap die een bedreiging is geworden voor economische belangen ter waarde van honderden miljarden euro’s.

    DEEL 2: Een bittere oogst

    Veilig voor nieuwsgierige blikken stak de woede van Monsanto de Atlantische Oceaan over via optische kabels. Diezelfde dag werd een bericht dat naar een oorlogsverklaring riekt naar de directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève gestuurd, een moederinstelling van het IARC.

    Bovenaan de brief prijkte het beroemde groene takje dat wordt omlijst door een oranje rechthoek: het logo van Monsanto. ‘Wij begrijpen dat IARC-deelnemers opzettelijk tientallen studies en publiekelijk beschikbare onderzoeksresultaten hebben genegeerd die de conclusie ondersteunen dat glyfosaat geen bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid,’ aldus een beschuldigende Philip Miller, vicevoorzitter van de afdeling Globale Regelgevende en Overheidszaken van Monsanto.

    Een van de punten die hij tijdens een ‘dringend noodzakelijke ontmoeting’ besproken wilde zien, was ‘welke stappen met onmiddellijke ingang kunnen worden ondernomen om de uiterst discutabele conclusies van dit rapport te rectificeren’, en zelfs ‘een verantwoording voor alle financiering van de classificering van glyfosaat door het IARC, inclusief donoren’.

    De rollen waren omgedraaid: nu was het de internationale organisatie die verantwoording moest afleggen tegenover het bedrijf.

    In de zomer van 2015 deed CropLife International, de lobbyorganisatie voor de agrochemische sector waarvan Monsanto lid is, de intimidatie nog eens dunnetjes over in een brief. Dwingende eisen en versluierde dreigementen wisselden elkaar af.

    Bastion van onafhankelijkheid en integriteit

    Het IARC heeft het allemaal al eerder gezien. Het is niet voor het eerst het doelwit van kritiek en aanvallen – die horen nu eenmaal bij de reputatie van het agentschap. Hoewel de evaluaties van het IARC geen regelgevende waarde hebben, kunnen ze soms een bedreiging zijn voor enorme commerciële belangen.

    De best gedocumenteerde aanval betreft passief roken, waarover het IARC aan het eind van de jaren negentig een evaluatie uitbracht. Maar zelfs op het hoogtepunt van de confrontatie met de machtige tabaksindustrie waren de gebruikte wapens betrekkelijk onschuldig. ‘Ik werk al vijftien jaar bij het IARC, en zoiets als er de afgelopen twee jaar is gebeurd heb ik nog nooit gezien,’ zegt Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het agentschap.

    Het zou moeilijk zijn het IARC af te schilderen als een controversieel agentschap dat omstreden is binnen de wetenschappelijke gemeenschap en zich laat leiden door ‘anti-industriële’ vooringenomenheid. In de ogen van de overweldigende meerderheid van de wetenschappelijke wereld – kankerspecialisten en andere gezondheidsonderzoekers – is het agentschap een bastion van onafhankelijkheid en integriteit.

    ‘Ik kan me eerlijk gezegd geen rigoureuzer en objectiever manier voorstellen om tot collectieve wetenschappelijke oordelen te komen,’ zegt epidemioloog Marcel Goldberg, een onderzoeker van INSERM, het Franse nationale instituut voor gezondheidsonderzoek dat bij diverse monografieën betrokken is geweest.

    Voor al die monografieën brengt het IARC zo’n twintig onderzoekers uit verschillende landen bijeen, die niet alleen worden geselecteerd op grond van ervaring en wetenschappelijke competentie, maar ook omdat ze vrij zijn van belangenverstrengeling.

    Bovendien baseert het IARC zijn opinies op studies uit wetenschappelijke tijdschriften en sluit het vertrouwelijke, door de industrie gesponsorde studies uit. Dat geldt niet voor de meeste regelgevende agentschappen, die juist een beslissend gewicht kunnen toekennen aan studies die worden gesteund door de bedrijfstak waarvan de producten worden onderzocht. En één daarvan is EFSA, het officiële EU-agentschap dat belast is met de risicobepaling omtrent pesticiden.

    In de herfst van 2015 moest de Europese Unie beslissen of ze haar glyfosaatvergunning met ten minste tien jaar zou verlengen. Als basis voor die beslissing werd veel belang gehecht aan de opinie van EFSA over glyfosaat. In november kon Monsanto opgelucht ademhalen. De conclusies van EFSA weerspraken die van het IARC: EFSA concludeerde dat glyfosaat genotoxisch noch kankerverwekkend was.

    Maar kort daarna moest Monsanto opnieuw de adem inhouden.

    Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een “activist”, een “rat”, een “demon”, een “slungel”, een “huurling” en zelfs een “ettertje” dat zich “als een worm heeft ingevreten” in de IARC-vrucht

    Enkele weken later uitte een honderdtal wetenschappers in een gerespecteerd tijdschrift zware kritiek op de EFSA-conclusies, waarin talrijke tekortkomingen werden geconstateerd. Achter het initiatief zat een Amerikaanse wetenschapper die als ‘uitgenodigd specialist’ had meegewerkt aan de monografie van het IARC. Op hem concentreerden zich nu de aanvallen.

    In milieugezondheidskringen is Christopher Portier bepaald geen onbekende. ‘Ik heb hier en daar gelezen dat Chris Portier niet competent zou zijn, en dat is waarschijnlijk een van de belachelijkste dingen die me ooit onder ogen zijn gekomen,’ zegt Dana Loomis, adjunct-directeur van het monografieprogramma van het IARC. ‘Hij heeft veel analytische tools ontwikkeld die overal worden gebruikt om toxicologische studies te interpreteren!’

    Portier is zo’n wetenschapper wiens cv niet op minder dan dertig bladzijden past. Hij heeft meer dan tweehonderd wetenschappelijke publicaties op zijn naam en is directeur geweest van het National Center for Environmental Health, het US Agency on Toxic Substances en mededirecteur van het NIEHS en het National Toxicology Program. ‘Dat is zonder twijfel een unieke carrière,’ zegt Robert Barouki, directeur van een toxicologische onderzoeksunit van INSERM.

    De pas gepensioneerde Christopher Portier biedt momenteel zijn diensten aan als deskundige en adviseur aan verscheidene internationale organisaties, waaronder het Environmental Defense Fund (EDF), een Amerikaanse niet-gouvernementele milieuorganisatie.

    En uitgerekend deze man moest het doelwit worden van een aanval…

    Op 18 april 2016 publiceerde het nieuwsagentschap Reuters een lang artikel over het IARC, waarin het agentschap als een ‘semiautonoom’ WHO-agentschap werd omschreven dat zich schuldig maakte aan ‘het in verwarring brengen van consumenten’.

    Het artikel refereerde aan ‘zorgen over mogelijke belangenverstrengeling bij het IARC: het gaat om een adviseur van het agentschap die nauwe banden heeft met het Environmental Defense Fund, een Amerikaanse protestbeweging tegen pesticiden’.
    ‘Critici,’ schreef Reuters, ‘betogen dat het IARC hem niet bij het onderzoek naar glyfosaat had mogen betrekken.’

    Opmerkelijk detail: het nieuwsagentschap – dat niet op verzoeken van Le Monde wilde reageren – citeerde intussen drie wetenschappers die het instituut afbrandden, zonder ook maar één keer te melden dat die alle drie bekende adviseurs van de bedrijfstak zijn.

    Maar wie zijn die naamloze ‘critici’? In werkelijkheid kan de kritiek op het IARC worden herleid tot de blog van David Zaruk, een voormalige lobbyist voor de chemische industrie die op een bepaald moment voor het pr-bedrijf Burson-Marsteller werkte.

    In Brussel, waar hij woont, is Zaruk berucht om zijn beledigende taal (de auteurs van dit artikel zijn diverse keren zijn doelwit geweest). Hij was de eerste die tegen de belangenverstrengeling van Portier protesteerde, waardoor de opinie van het IARC naar zijn mening wordt ondergraven. En hij heeft de Amerikaanse wetenschapper er herhaaldelijk van langs gegeven in maar liefst twintig lange posts over glyfosaat – om nog maar te zwijgen van zijn tweets.

    Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een ‘activist’, een ‘rat’, een ‘demon’, een ‘slungel’, een ‘huurling’ en zelfs een ‘ettertje’ dat zich ‘als een worm heeft ingevreten’ in de IARC-vrucht. In Zaruks ogen is het agentschap een ‘wondkorst’, en ‘hoe meer je eraan pulkt, hoe meer pus je eruit ziet komen’, omdat het IARC ‘besmet is door overmoed, gepolitiseerde activistische wetenschap en vooringenomenheid tegen de bedrijfstak’.

    Zaruk zegt ‘drie contacten’ bij Monsanto te hebben, maar ontkent dat hij betaald is voor wat hij heeft geschreven. ‘Ik heb geen cent gekregen voor mijn blogs over glyfosaat,’ schreef hij in een e-mail aan Le Monde. In april 2017 publiceerde hij opnieuw een felle aanval op ngo’s, Christopher Portier en enkele journalisten, die hij verluchtigde met een foto van nazi’s die boeken verbrandden op het Obernplatz in Berlijn in 1933.

    Zaruks onsamenhangende verhalen hadden gemakkelijk gecontroleerd en ontkracht kunnen worden. Maar de prestigieuze garantie van een Reuters-artikel stond borg voor hun brede verspreiding.

    Binnen een paar weken werden de beschuldigingen van belangenverstrengeling geciteerd in de Londense Times, The Australian en in de VS in National Review en The Hill, ondertekend door Bruce Chassy, emeritus-hoogleraar van de door Monsanto gesubsidieerde Universiteit van Illinois – zo blijkt uit vertrouwelijke documenten waarop de vereniging US Right to Know in september 2015 de hand legde.

    Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.
    Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.

    Zaruks ‘werk’ werd ook geciteerd op de opiniepagina van het tijdschrift Forbes, ondertekend door een bioloog die banden onderhoudt met het Hoover Institution, een aan de Republikeinse Partij gelieerde denktank. Zijn naam duikt op in vrijgegeven archieven van de tabaksindustrie. Op dat moment bood deze man aan columns te schrijven of op nationale media te verschijnen om ‘te communiceren over risico’s en wetenschap’. Tarieven tussen de $ 5000 en $ 15.000.

    De aanvallen van de Brusselse blogger vonden ook weerklank bij bekende propagandawebsites, zoals American Council on Science and Health en Genetic Literacy Project. Het laatste publiceerde, met behulp van aan de fabrikanten van pesticiden en biotechnologische producten verbonden pr-mensen, een artikel over Christopher Portier en het IARC, ondertekend door Andrew Porterfield, die zichzelf heel eenvoudig omschrijft als ‘communicatieadviseur voor de biotechnologische industrie’.

    En hoe zit het met de suggestie dat er bij Portier belangenverstrengeling zou spelen? Heeft het Environmental Defense Fund – via hem – meegewerkt aan het besluit van het IARC om glyfosaat als ‘mogelijk kankerverwekkend’ te classificeren?

    ‘Omdat hij een band had met deze organisatie, had Portier de status van “uitgenodigd specialist”,’ verklaart Kathryn Guyton, die leiding gaf aan het opstellen van ‘Monografie 112’ van het IARC. Dat betekent dat hij werd geraadpleegd door de werkgroep, maar niet betrokken was bij de beslissing om de chemische stof in een bepaalde categorie te classificeren. Echte belangenverstrengeling is er wel degelijk – maar elders.

    In mei 2016, terwijl de pers en de bloggers druk bezig waren de verdenking van kwade praktijken op het IARC te laden, was het de beurt aan een andere groep VN-deskundigen om hun mening te geven. De Joint Meeting on Pesticides Residues (JMPR), een gezamenlijk initiatief van de WHO en de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, die de risico’s meet die zijn verbonden aan voedsel (en niet aan blootstelling via inademing, huidcontact et cetera), pleitte glyfosaat vrij.

    Bijna een jaar eerder had een coalitie van ngo’s de WHO gewaarschuwd voor belangenverstrengeling bij de JMPR. Drie leden daarvan werken samen met het International Life Science Institute (ILSI), een wetenschappelijke lobbyorganisatie die wordt gefinancierd door grote agrarische, biotechnologische en chemische bedrijven – van Mars tot Bayer en van Kellogg tot Monsanto.

    Toxicoloog Alan Boobis van het Britse Imperial College fungeerde als co-voorzitter van de JMPR, maar ook als voorzitter van de raad van bestuur van het ILSI. Angelo Moretto van de Universiteit van Milaan was rapporteur bij de JMPR terwijl hij ook als bedrijfsadviseur werkte en lid was van de raad van de bestuur van een door het ILSI gecreëerde instelling. Vicky Dellarco, ook lid van de JMPR, was bedrijfsadviseur en lid van diverse ILSI-werkgroepen.

    JMPR-deskundigen zijn naar verluidt aan dezelfde onafhankelijkheidsregels gebonden – die tot de strengste ter wereld behoren – als die welke door het IARC worden gehanteerd, namelijk de WHO-regels. Omdat ze de geloofwaardigheid en de besluiten van een instelling kan beïnvloeden, is schijnbare belangenverstrengeling even ernstig als feitelijke belangenverstrengeling.

    Maar op een vraag van Le Monde antwoordde de WHO dat ‘geen enkele deskundige werd geacht conflicterende belangen te hebben die deelname aan de JMPR in de weg zou staan’.


    Hilal Elver en Baskut Tuncak namen geen genoegen met dit antwoord. Zij zijn respectievelijk speciale VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel en speciale VN-rapporteur voor Gevaarlijke Stoffen en Afval.

    ‘Wij verzoeken de WHO beleefd uit te leggen hoe zij precies tot de conclusie is gekomen dat de banden van de deskundigen met de bedrijfstak geen duidelijk of potentieel belangenconflict vormden volgens haar eigen regels’, luidde de reactie van deze twee deskundigen op een vraag van Le Monde. ‘Sterke, duidelijke en transparante procedures inzake belangenverstrengeling zijn essentieel voor de integriteit van het systeem’, verklaarden ze, om de VN-organisaties vervolgens ‘aan te sporen’ die procedures ‘te herzien’.

    Deze twee deskundigen schreven in hun rapport over het recht op voedsel dat er enkele ‘ernstige verdenkingen’ bestaan ‘ten aanzien van geleerden die zijn “omgekocht” om de discussie over de bedrijfstak in andere banen te leiden’.

    Dit rapport, dat in maart 2017 werd overhandigd aan de Mensenrechtenraad van de VN, benadrukte ook dat ‘inspanningen van de pesticide-industrie hervormingen hebben gedwarsboomd en de wereldwijde beperking van pesticiden hebben lamgelegd’.

    Het in diskrediet brengen van het IARC, zijn werkgroepen en de kwaliteit van zijn wetenschappelijke bevindingen – het zijn allemaal ‘inspanningen’ die van strategisch belang zijn, en zelfs van levensbelang, voor Monsanto.

    Monsanto wordt dicht op de hielen gezeten door verscheidene Amerikaanse advocatenkantoren die slachtoffers (of hun nabestaanden) vertegenwoordigen die zijn getroffen door het non-hodgkinlymfoom (NHL), een zeldzame vorm van kanker die de witte bloedlichaampjes aantast en die te wijten zou zijn aan de blootstelling aan glyfosaat.

    Voor die advocaten is ‘Monografie 112’ van het IARC een belangrijk bewijsstuk. Voor Monsanto zou ‘Monografie 112’ een grote rol kunnen spelen bij het uiteindelijke vonnis. De schadeloosstelling voor de achthonderd klagers in de VS – een aantal dat volgens Timothy Litzenburg, advocaat bij The Miller Firm, tegen het eind van het jaar ‘waarschijnlijk’ tot tweeduizend gestegen zal zijn – kan in de miljarden dollars lopen.

    Vertrouwelijke memo’s, spreadsheets en interne resumés: al met al tien miljoen pagina’s uit de archieven en computers van Monsanto heeft het bedrijf tot dusver aan de rechtbank moeten overleggen.

    Uit de massa documenten, die druppelsgewijs worden vrijgegeven en die samen de ‘Monsanto Papers’ vormen, blijkt hoe het bedrijf zich teweer wil stellen. Neem dit ‘vertrouwelijke’ PowerPoint-document, gedateerd 11 maart 2015, met afbeeldingen waarop een beïnvloedingsstrategie wordt uitgestippeld in de vorm van ‘Wetenschappelijke Projecten’. Naast andere ideeën wordt een ‘uitvoerige evaluatie van het kankerverwekkende potentieel’ van glyfosaat genoemd door ‘geloofwaardige wetenschappers’ en ‘zo mogelijk via het concept van een deskundigenpanel’. Dat zou inderdaad gebeuren.

    In september 2016 verscheen er een serie van zes artikelen in het wetenschappelijk tijdschrift Critical Reviews in Toxicology. Daarin werd glyfosaat vrijgepleit. Maar zou er een andere conclusie mogelijk zijn geweest, gezien het feit dat de publicatie openlijk werd ‘gesponsord en gesteund’ door Monsanto?

    De auteurs waren de zestien leden van het ‘glyfosaatdeskundigenpanel’ aan wie Monsanto de taak toevertrouwde de glyfosaatmonografie van het IARC te ‘herzien’. Ze werden gerekruteerd door Intertek, een adviesbureau dat is gespecialiseerd in de productie van wetenschappelijk materiaal voor bedrijven die met regelgevende of juridische problemen kampen ten aanzien van hun producten. Monsanto en zijn bondgenoten riepen ook de hulp in van Exponent en Gradient, twee andere bureaus die zich bezighouden met ‘productverdediging’.

    Het op PowerPoint geëtaleerde crisismanagement voorzag bovendien in de publicatie van een artikel over het IARC zelf: ‘Hoe is het gevormd, hoe functioneert het, ze zijn niet met hun tijd meegegaan, ze zijn archaïsch en niet meer nodig.’

    De wetenschapper die als mogelijker auteur werd geopperd, heeft tot dusver niets over de kwestie gepubliceerd. Maar een artikel dat perfect aan de vijandige specificaties beantwoordt verscheen in oktober 2016 in een klein tijdschrift.

    Het classificeringssysteem van het IARC is ‘ouderwets’ en ‘dient wetenschap noch maatschappij’, schreven de tien auteurs. ‘Zo kan het eten van bewerkt vlees in dezelfde categorie vallen als zwavelmosterdgas.’ De benadering van het IARC, zeiden ze, is de bron van ‘angst voor de gezondheid, onnodige economische kosten, het verlies van nuttige producten, het hanteren van strategieën met hogere gezondheidskosten en het besteden van publieke middelen aan onnodig onderzoek’.

    Het was een zeer ongebruikelijke toon voor een wetenschappelijk tijdschrift. Dat komt wellicht doordat Regulatory Toxicology and Pharmacology een speciaal soort publicatie is. Niet alleen telt de redactieraad talrijke vertegenwoordigers en adviseurs van het bedrijfsleven, de hoofdredacteur, Gio Gori, is een bekende figuur in de geschiedenis van de tabaksindustrie.

    Het blad, dat eigendom is van de machtige wetenschappelijke uitgeversgroep Elsevier, is het officiële orgaan van een zogenaamd wetenschappelijk genootschap, de International Society of Regulatory Toxicology & Pharmacology (ISRTP). De website van het genootschap bevat geen significante informatie en noch Gori, noch ISRTP, noch Elsevier reageerde op vragen van Le Monde. Daarom valt niet eens te achterhalen wie de leiding heeft – laat staan waar het geld vandaan komt. Maar de laatste keer dat ISRTP zijn sponsors publiceerde, in 2008, bleek Monsanto een van de zes goede gevers.

    Wat de tien auteurs van het artikel betreft, sommigen hebben gewerkt – of werken nog steeds – voor de Zwitserse groep Syngenta, een lid van de ‘glyfosaat-taskforce’ van fabrikanten van glyfosaathoudende producten. Anderen zijn zelfstandig adviseur. Weer anderen zijn geleerden die betrokken zijn bij de activiteiten van de wetenschappelijke lobbyorganisatie ILSI. Daartoe behoren Samuel Cohen, hoogleraar oncologie aan de Universiteit van Nebraska, Alan Boobis, co-voorzitter van de JMPR en Angelo Moretto, rapporteur van diezelfde JMPR.

    ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook’

    Deze drie wetenschappers zetten door. Een paar maanden later publiceerden ze op de propagandawebsite Genetic Literacy Project, die ook plaats had geboden aan de persoonlijke aanvallen op Christopher Portier, een tekst waarin werd gezegd dat het IARC moest worden ‘opgeheven’. Het agentschap werd beschuldigd van het zaaien van ‘chemofobie’ onder het publiek. Als het agentschap niet wordt hervormd, schreven ze, ‘zou het IARC in het regelgevend museum moeten worden bijgezet waar het thuishoort, tezamen met andere historische artefacten als de T-Ford en de telefoon met draaischijf’.

    In wetenschappelijke kringen is het goed gebruik dat de auteur van de eerste versie van een tekst de verantwoordelijk neemt voor alle wijzigingen die erin worden aangebracht, tot de laatste correcties aan toe. Welke van de auteurs heeft deze twee teksten geschreven – gepubliceerd door het wetenschappelijk tijdschrift en de website Genetic Literacy Project? ‘Dat kan ik me niet herinneren,’ antwoordde Alan Boobis toen Le Monde hem ernaar vroeg. Hij legde uit dat het ‘een heel proces’ was geweest, en dat er ‘in de loop van het jaar heel wat aan de tekst was geschaafd’.

    Dit is ‘wel een beetje een schoktactiek,’ erkende Boobis. Toen hem werd gevraagd waarom het artikel op deze website was gepubliceerd, gaf Boobis toe dat Genetic Literacy Project niet bekendstond om zijn accuratesse, maar hij legde uit dat de tekst was geweigerd door een wetenschappelijk tijdschrift.

    Hun argumenten zijn identiek aan die van Monsanto en zijn bondgenoten. ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook,’ antwoordde Boobis.

    En is Monsanto uit op de ‘opheffing’ van het IARC? Het bedrijf wenste de vragen van Le Monde niet te beantwoorden.

    Auteurs: Stéphane Foucart en Stéphane Horel
    Vertaler: Peter Bergsma

    Foucart en Horel werken beiden voor Le Monde. Foucart is gespecialiseerd in milieuwetenschappen, Horel in Europese beleidsvorming.

    Le Monde won met de serie de Prix Varenne Presse quotidienne nationale.

    Openingsbeeld: Een pesticide verspreidende tractor in Duitsland. – © Sean Gallup / Getty Images

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

    CONTEXT: Overname Monsanto door Bayer bijna rond

    Het Duitse chemieconcern Bayer AG onderhandelt sinds vorig jaar over de overname van het Amerikaanse Monsanto voor een bedrag van 66 miljard dollar (54 miljard euro). Tot dusver werd die aankoop vertraagd door de Europese Commissie, die beducht is voor trustvorming. Maar begin maart liet Bayer weten dat het concern in het tweede kwartaal van dit jaar de koop zal kunnen sluiten omdat het tegen die tijd aan alle voorwaarden van de Commissie zal hebben voldaan.

    Volgens Werner Baumann, de CEO van Bayer, heeft het bedrijf inmiddels de toestemming voor de aankoop verworven van meer dan de helft van de dertig antitrustinstanties die het groene licht voor de deal moeten geven. Onder meer zal Bayer daartoe een deel van de activiteiten verkopen aan BASF, de andere Duitse chemiereus. Het betreft vooral de landbouwzaadveredeling. Baumann verwacht dat Bayer nog enkele andere bedrijfsonderdelen onder licentie bij andere ondernemingen zal onderbrengen.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 99: Dossier: Hoe gevaarlijk is glyfosaat?
    1. 127: Wéér controverse rond Monsanto-middel

    Reader # 09: Is het recept van Monsanto uitgewerkt?

  • Wéér controverse rond  Monsanto-middel

    Wéér controverse rond Monsanto-middel

    Terwijl bestrijdingsmiddelengigant Monsanto in Europa volop verwikkeld is in de strijd om glyfosaat (Frankrijk gaat het middel verbieden), zijn er in de VS alweer problemen met de opvolger, dicamba.

    Een onverhard weggetje in Blytheville, Arkansas. Clay Mayes trapt op de rem van zijn Chevy Silverado en springt uit de auto. Terwijl de motor blijft draaien, begint hij tegen een boom 
te tieren alsof die hem beledigd heeft. De bladeren van de kornoelje krullen omlaag als kleine kaduke parapluutjes. Een teken dat de boom is blootgesteld aan het omstreden bestrijdingsmiddel dicamba. ‘Krankzinnig. Dit is krankzinnig!’ roept Mayes, 
gebarend naar de verschrompelde bladerkronen langs dit zijweggetje van Highway 61. ‘Als dit zo doorgaat denk ik echt…’

    ‘Dat alles afsterft,’ zegt Brian Smith, die met hem in de auto zit. De schade hier in het noordoosten van Arkansas en in het hele Midwesten – wegkwijnende bomen, sojabonen en andere gewassen – is symptomatisch voor een aanzwellende crisis in de Amerikaanse landbouw. De boeren zijn verwikkeld in een wapenwedloop tussen steeds sterker onkruid en steeds krachtiger pesticiden. De dicambamethode, die dit voorjaar is goedgekeurd voor gebruik, moest die spiraal doorbreken en katoen- en sojabonentelers in staat stellen weer greep te krijgen op het onkruid. Door een genetisch gemodificeerde sojaboon te zaaien die resistent is tegen de pesticide dicamba, kunnen ze die onkruidverdelger vervolgens inzetten tegen ongewenste indringers als papegaaienkruid, dat resistent is geworden tegen gewone bestrijdingsmiddelen.

    Maar volgens boeren en deskundigen is het probleem dat dicamba zich ook verspreidt buiten de akkers waarop het gespoten wordt. Miljoenen hectaren niet-resistente sojabonen en andere gewassen zouden daardoor al zijn aangetast. Sommigen spreken van een geregisseerde ramp. Het besluit tot goedkeuring zou genomen zijn op basis van onvoldoende data, vooral wat betreft de cruciale vraag of het middel zich ook buiten het sproeigebied kan verspreiden. Overheidsfunctionarissen en de fabrikanten Monsanto en BASF bestrijden dit. Volgens hen werkt het systeem precies zoals het Congres wil. Maar ondertussen vormt de onvrede aanleiding tot rechtszaken en nader onderzoek van federale en loka le autoriteiten, en is er al iemand aangeklaagd wegens moord nadat een boze boer werd neergeschoten. ‘Dit moet iedereen wakker schudden,’ zegt David Mortensen, een onkruidspecialist van Pennsylvania State University.

    Zoveelste tegenslag voor boeren

    Resistent onkruid kost de Amerikaanse landbouw naar schatting miljoenen dollars per jaar. Toen begin dit jaar de vernieuwde versie van dicamba werd goedgekeurd, hebben boeren in het hele land volgens Monsanto meer dan acht miljoen hectare met hun resistente sojabonen ingezaaid. Maar naarmate er meer dicamba wordt gebruikt, groeit ook de stroom berichten dat het middel ‘vervluchtigt’ en door de lucht naar andere akkers wordt geblazen. Dat is niet alleen schadelijk voor bomen in de omgeving, zoals die kornoelje bij Blytheville, maar ook voor niet-resistente sojabonen, fruit en groenten. En voor planten die de habitat vormen van bijen en andere insecten die belangrijk zijn voor de bestuiving.

    Volgens een onderzoek uit 2004 is dicamba zelfs in 
heel lage doses nog 75 tot 400 keer zo gevaarlijk voor onschadelijke planten als het meer gangbare glyfosaat. Dicamba is vooral bijzonder schadelijk voor sojabonen zonder genetisch gemodificeerde resistentie – juist voor het gewas dat het moet beschermen dus. Kevin Bradley van de Universiteit van Missouri schat dat meer dan 1,2 miljoen hectare sojabonen door dicamba is aangetast, in minstens zestien staten, waaronder grote sojaproducenten als Iowa, Illinois en Minnesota. Die schatting (volgens andere onderzoekers waarschijnlijk aan de lage kant) komt al neer op 4 procent van de sojabonenteelt in heel Amerika. ‘Het is heel lastig om de schade precies in beeld te krijgen,’ zegt Bob Hartzler, hoogleraar Landbouwkunde aan Iowa State University.

    ‘Maar ik moet concluderen dat dicamba gewoon niet te handhaven is.’ De dicambacrisis is de zoveelste tegenslag, na de tegenvallende prijs van de sojabonen en de al veertien kwartalen durende daling van het boereninkomen. De boeren staan enorm onder druk. In Arkansas is al iemand opgepakt die een boer zou hebben doodgeschoten toen die hem aansprak op 
de ongewenste verspreiding van zijn dicamba.

    Wally Smith in Blytheville weet ook niet hoeveel 
hij nog kan hebben. Hij heeft een boerderij met vijf werknemers, waaronder zijn zoon Hughes, zijn neef Brian en bedrijfsleider Mayes. Ze zouden allemaal niet weten wat voor werk ze in deze uithoek van Mississippi County anders moeten doen. En dicamba heeft dit stadje zwaar getroffen. Tot kilometers in 
de omtrek strekken zich de velden vol zieltogende, onvolgroeide sojabonen uit. Een biologische boerderij in de omgeving heeft de handel moeten stilleggen toen er dicamba in de gewassen was aangetroffen. Ook de paar duizend hectare sojabonen van Smith groeien te traag. Op een investering van twee miljoen kan dat een gevoelig verlies opleveren. ‘Dat kun je wel zeggen,’ zegt Smith. ‘Als de opbrengst te klein is, kunnen we wel opdoeken.’

    Sojaboer Brian Smith en zijn neef Hughes in hun sojavelden, die zijn aangetast door dicamba. – © The Washington Post / Getty Images
    Sojaboer Brian Smith en zijn neef Hughes in hun sojavelden, die zijn aangetast door dicamba. – © The Washington Post / Getty Images

    Dicamba is toegelaten op grond van de belofte dat het in zijn nieuwe samenstelling minder riskant is en minder snel vervluchtigt dan eerdere versies. 
Critici zeggen dat het besluit is genomen op basis van onvoldoende data en onder grote druk van ministeries, lobbygroepen en belangenorganisaties van boeren. Volgens die laatste hadden de boeren het nieuwe middel hard nodig in de strijd tegen resistent onkruid, dat hele akkers kan overwoekeren en de sojabonen zo berooft van zonlicht en voedingsstoffen. Dat er de afgelopen twintig jaar zoveel meer en sterker onkruid is gekomen, is overigens een gevolg van de overmatige inzet van bestrijdingsmiddelen. Door altijd scheutig met glyfosaat te sproeien hebben boeren de ontwikkeling van resistent onkruid onbedoeld bevorderd.

    Tijdens een overleg met toezichthouder EPA op 29 juli toonde een tiental deskundigen zich bezorgd dat dicamba, zoals onderzoek van enkele aanwezige wetenschappers had uitgewezen, gemakkelijker vervluchtigt dan de fabrikanten beweren. Uit veldonderzoek door de universiteiten van Missouri, Tennessee en Arkansas is sindsdien gebleken dat het nieuwe verdelgingsmiddel tot 72 uur na het sproeien nog kan vervluchtigen en door de lucht naar andere akkers kan worden gedragen. Tijdens de besluitvorming waren veel van deze data nog niet voorhanden. Monsanto en BASF hebben de EPA honderden studies overlegd, maar het leeuwendeel daarvan betrof onderzoek in kassen 
of laboratoriumsituaties. Slechts een handjevol 
rapporten betroffen daadwerkelijk veldonderzoek.

    Volgens de regelgeving van de EPA zijn fabrikanten zelf verantwoordelijk voor de financiering en uitvoering van het veiligheidsonderzoek op basis waarvan hun producten worden beoordeeld. En fabrikanten verstrekken weliswaar vaak nieuwe producten aan wetenschappers voor onafhankelijk veldonderzoek, maar Monsanto erkent zelf dat het de commerciële dicambavariant niet heeft vrijgegeven, om de goedkeuringsprocedure niet te vertragen. Volgens wetenschappers stelde BASF het middel ook maar mondjesmaat beschikbaar. Op die manier konden fabrikanten het onderzoek in een richting sturen 
die hun welgevallig was. ‘Vooral Monsanto heeft heel weinig veldonderzoek naar vervluchtiging gedaan,’ zegt Jason Norsworthy, een hoogleraar van de Universiteit van Arkansas die geen monsters kreeg om te testen.

    De EPA en de fabrikanten ontkennen dat er iets aan de registratieprocedure schort. ‘De aanvrager moet de benodigde data aanleveren om de registratie te staven’, stelt het agentschap in een verklaring. ‘Het Congres heeft die verplichting aan fabrikanten opgelegd om andere partijen niet met de ontwikkeling en financiering van dergelijk onderzoek te belasten.’
    En volgens de fabrikanten is vervluchtiging niet het probleem. BASF liet bij monde van woordvoerster Odessa Patricia Hines weten dat het dit dicambaproduct op de markt heeft gebracht ‘na jarenlang onderzoek, praktijkproeven en rapporten van universiteiten en toezichthouders’. Scott Partridge, Monsanto’s onderdirecteur voor globale strategie, vermoedt dat sommige boeren oudere en vluchtigere dicambaversies of ongeschikte sproeiapparatuur hebben gebruikt. Het bedrijf, dat vorig jaar besloot om over drie jaar 1 miljard dollar in zijn dicambafabriek te investeren, heeft nu een legertje landbouwkundigen en klimaatwetenschappers ingeschakeld om uit te zoeken wat er is misgegaan. ‘We gaan bij elke boer langs en kijken op elke akker,’ zegt Partridge. ‘Als we aan dit product nog iets kunnen verbeteren, gaan we dat doen.’

    In de zwaarst getroffen staten hebben ook de wetgevers inmiddels ingegrepen. In juli is in Arkansas voor de rest van het seizoen een sproeiverbod afgekondigd en zijn de straffen voor overtreding daarvan verhoogd. Missouri en Tennessee hebben hun regels voor dicambagebruik aangescherpt en een tiental staten heeft aan de bel getrokken bij de EPA. Uit hun contacten met dat agentschap maakten verschillende wetenschappers begin augustus op dat het nieuwe bestrijdingsmiddel misschien weer van de markt wordt genomen. De EPA wil daar nu niet op reageren. ‘De EPA is zeer bezorgd over de berichten van schade aan gewassen als gevolg van de inzet 
van dicamba in Arkansas en elders,’ is alles wat de woordvoerder wil zeggen. Ondertussen is er al een collectieve rechtszaak tegen de fabrikanten aangespannen omdat die de risico’s te rooskleurig zouden hebben voorgesteld. Boer Smith overweegt zich daarbij aan te sluiten. Volgens Monsanto ontbeert de klacht iedere grond.

    Ook zijn er tekenen dat de effectiviteit van dicamba van beperkte duur is. Onderzoekers hebben aangetoond dat papegaaienkruid binnen drie jaar resistentie tegen dicamba kan ontwikkelen. In Tennessee en Arkansas zijn al voorbeelden van mogelijk resistent papegaaienkruid aangetroffen. Monsanto zijn volgens een woordvoerster ‘geen onomstotelijke voorbeelden van resistent papegaaienkruid bekend’.

    ‘Straks krijg 
je onkruid dat resistent is tegen de derde gifstof, en daarna tegen de vierde – je hoeft geen wetenschapper te zijn om te snappen waar dat eindigt’

    Sommige critici van het conventionele, zwaar op chemische pesticiden leunende boerenbedrijf zien deze crisis als een les, een waarschuwing voor de toekomst van de Amerikaanse landbouw. Voor Scott Faber, vicevoorzitter van milieuorganisatie Environmental Working Group, zitten de boeren ‘gevangen in de chemische tredmolen’ van de biochemische industrie. Ze denken vaak dat ze zonder de nieuwe bestrijdingsmiddelen niet verder kunnen boeren. ‘Dit is een doodlopende weg,’ zegt Nathan Donley van het Center for Biological Diversity. ‘Straks krijg 
je onkruid dat resistent is tegen de derde gifstof, en daarna tegen de vierde – je hoeft geen wetenschapper te zijn om te snappen waar dat eindigt. Het echte probleem is dat mensen steeds complexere combinaties van gifstoffen op hun gewassen sproeien en dat de gevolgen navenant complexer worden.’

    In Blytheville is één gevolg in ieder geval steeds duidelijker: een klein, miezerig plantje met schrompelige blaadjes en een paar lege peulen bij de steel. Rond deze tijd zou zo’n plant volgens Mayes twee decimeter hoger moeten staan en veel meer peulen moeten bevatten. ‘Hier kampen wij nou mee,’ zegt hij, en loopt hoofdschuddend terug naar zijn auto. ‘Elke dag gaan we naar ons werk met in ons achterhoofd de vraag of we volgend jaar nog werk hebben.’

    Auteur: Caitlin Dewey

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • 1. Is glyfosaat kankerverwekkend?

    1. Is glyfosaat kankerverwekkend?

    Glyfosaat is het succesvolste en meest verkochte pesticide ter wereld. Na een grondige beoordeling van wetenschappelijke onderzoeken kan de conclusie worden getrokken dat de pesticide ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is. Fabrikanten en producenten zoals Monsanto proberen linksom dan wel rechtsom het tegendeel te bewijzen. Op de volgende pagina’s het hoe, wat en waarom.

    Van de eerste signalen tot het besef ‘Sven, er is iets mis met je kudde’ was een sluipend proces. De 34-jarige Sven Krey, blozend, vol gezicht, zit in zijn keuken. Naast de hoekbank staat een kinderstoel, aan de muur hangen foto’s van zijn bruiloft. Door het raam valt zacht zonlicht, maar Krey huivert. Hij krijgt kippenvel als hij terugdenkt aan de horrortaferelen op zijn boerderij.

    De bakstenen boerderij van Krey heeft een rieten dak en ligt vlak achter de dijk langs de Elbe, in de buurt van de Noordzee. Een idyllische plek, waar horrortaferelen ver te zoeken lijken te zijn. De oprit houden de Kreys zo schoon dat hun twee kinderen met gewone schoenen naar de koeienstal kunnen lopen. De afgelopen vijf jaar bezochten dierenartsen en adviseurs het rundvee en de landbouw langs dezelfde weg. Eerst liep de melkproductie van zijn 150 koeien terug, vertelt Krey. Toen vielen de dieren af, 30, 40 kilo, kregen ze diarree en zweren aan de uiers zo groot als een handpalm, en ze hadden last van lamme poten.

    2014 was het dieptepunt. Zes noodslachtingen. De rest van de kudde was dermate aangeslagen dat Krey lijsten moest gaan bijhouden om het overzicht over het leed te behouden. Een dode koe was hem haast liever dan een levende, want een levende kost geld.

    Schaamte

    Geen enkele boer praat graag over dood en ziekte in zijn stal. Behalve de zorg om de dieren is er de schaamte: ‘Je denkt dat je als boer tekort bent geschoten,’ zegt Sven Krey.

    Krey heeft lang overwogen of hij met zijn verhaal naar buiten zou treden. Hij wil, zo zegt hij, zijn ‘hart eens goed luchten’. De diepe vertwijfeling, maar ook de enorme opluchting toen iemand eindelijk een mogelijke oorzaak voor de horrortaferelen gaf.

    Iets meer dan een jaar geleden bracht dierenarts Achim Gerlach uit Burg in Sleeswijk-Holstein voor de eerste keer een bezoek aan de boerderij van de Kreys. Gerlach bespeurde tekenen van een chronische vergiftiging bij de koeien: afstervend weefsel bij tepels, staarten, oren. Problemen met de maag en de hoeven. Symptomen die de dierenarts in de maanden daarvoor vaker was tegenkomen. Een of andere substantie in het voer leek de dieren ziek te maken. Hij liet de urine van de koeien onderzoeken. In alle monsters werden hoge concentraties van de stof glyfosaat aangetroffen.

    Een conflict tussen milieuactivisten en landbouwlobbyisten heeft zich ontwikkeld tot een controverse tussen wetenschappers en wetenschappers

    We wanen ons in het tijdperk van de digitalisering en ook in het tijdperk van de terreur en de vluchtelingen. Maar vrijwel ongemerkt is enkele tientallen jaren geleden nog een tijdperk op aarde begonnen. Het tijdperk van het glyfosaat. Glyfosaat is het succesvolste en meest verkochte pesticide ter wereld. In 1974 is het door het Amerikaanse concern Monsanto onder de naam Roundup in de Verenigde Staten op de markt gebracht, en tegenwoordig wordt het wereldwijd gebruikt. Het pesticide heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste aanjagers van de conventionele landbouw. Amerikaanse maisfarmers, Indiase katoenboeren, Argentijnse sojamagnaten en Duitse graanbouwers, allemaal besproeien ze hun akkers met glyfosaat. Het middel doodt namelijk de vogelmuur, het beemdgras, de melganzenvoet en de akkervederdistel. Het doodt nagenoeg elke soort van onkruid, overal ter wereld.

    En mogelijk niet alleen onkruid.

    Sinds lange tijd gaan er geruchten, zijn er aanwijzingen en worden er in meer of mindere mate serieus te nemen verdenkingen geuit dat glyfosaat niet alleen gewassen vernietigt, maar ook schadelijk is voor mens en dier. Aanknopingspunten zijn bijvoorbeeld de zieke koeien op de boerderij van Sven Krey. Het zijn allemaal twistpunten in een ideologische strijd die rond dit pesticide is ontbrand. ‘Glyfosaat is dodelijk, het moet ogenblikkelijk worden verboden!’ zeggen milieubeschermers. ‘Glyfosaat redt levens, verhoogt de landbouwopbrengsten en waarborgt de wereldvoedselvoorziening!’ antwoorden landbouwfunctionarissen en ondernemersverbonden. Waar het lange tijd aan heeft ontbroken in deze strijd tussen ecologische en conventionele landbouw was het oordeel van een wetenschappelijke instantie waardoor de waarheid van de propaganda zou worden gescheiden.

    © Giorgio Cravero
    © Giorgio Cravero

    In maart van dit jaar meldde zich het Internationale Instituut voor Kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Na een grondige beoordeling van wetenschappelijke onderzoeken was het tot de conclusie gekomen dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ was.

    Code donkeroranje dus, en ook nog precies op het juiste moment. De komende maanden moet de Europese Commissie namelijk een besluit nemen of het gebruik van glyfosaat in Europa toegestaan blijft.

    Met de uitspraak van de WHO leek het besluit in het nadeel van glyfosaat uit te gaan pakken. Maar niet veel later kwam ook het Bundesinstitut für Risikobewertung in Berlijn met zijn oordeel: glyfosaat was ‘niet carcinogeen’. Half november sloot de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, die in het Italiaanse Parma zetelt, zich hierbij aan: glyfosaat was ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’.

    Waarschijnlijk kankerverwekkend. Waarschijnlijk niet kankerverwekkend. Een conflict tussen milieuactivisten en landbouwlobbyisten heeft zich ontwikkeld tot een controverse tussen wetenschappers en wetenschappers. Daartussenin staan politici en consumenten, die zich afvragen: Wie heeft er gelijk? Is glyfosaat werkelijk een gevaar voor onze gezondheid? Veroorzaakt het echt kanker? Of is het toch onschadelijk? En in welke mate worden we eigenlijk blootgesteld aan die stof?

    De ontdekker van dichloordifenyltrichloorethaan kreeg in 1948 de Nobelprijs voor de Geneeskunde. Inmiddels is het geclassificeerd als “waarschijnlijk kankerverwekkend”

    Een eerste antwoord wordt gegeven achter een gevel van bakstenen, glas en staal: in het Medizinisches Labor Bremen. Bij dit particuliere instituut werkt scheikundige Hans-Wolfgang Hoppe, een boekhouder van de chemische stoffen die ons omgeven. Ze bevinden zich in ons eten, in onze meubels, in onze kleding, in vershoudfolie, muurverf en kinderspeelgoed. En bijna allemaal zijn ze ook terug te vinden in ons lichaam. Momenteel houdt Hoppe zich bezig met de vraag in welke hoeveelheden Duitsers glyfosaat binnen krijgen.

    Hoppe loopt langs glimmende, zachtjes brommende apparaten die eruitzien als koelkasten, maar even duur zijn als een eengezinswoning. Elk van deze dure apparaten is gebouwd voor de opsporing – in bloed of urine – en de analyse van een bepaalde stof.
    Zoals polychloorbifenyl, kortweg pcb. ‘Dat was een megakwestie,’ zegt Hoppe. Pcb’s deden decennialang dienst als weekmakers en brandvertragers in verven, lakken en kunststoffen. Kleine hoeveelheden kunnen al ernstige schade toebrengen aan de lever en de groei van kinderen vertragen. Sinds 2001 zijn pcb’s wereldwijd verboden, maar nog altijd bevinden ze zich in het milieu, in de voedselketen, en treft Hoppe ze in menselijk bloed aan.

    Of dichloordifenyltrichloorethaan, kortweg ddt, het ooit meest gebruikte insecticide ter wereld, waarvan de ontdekker in 1948 de Nobelprijs voor de Geneeskunde kreeg. Inmiddels is het geclassificeerd als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ en sinds de jaren zeventig in de meeste industrielanden verboden.

    © Giorgio Cravero
    © Giorgio Cravero

    Of lindaan, een insecticide en houtbeschermingsmiddel waarvan al lange tijd werd vermoed dat het ernstige ziekten veroorzaakte en dat in juni van dit jaar door de WHO als ‘kankerverwekkend’ werd bestempeld.

    Het zijn korte verhalen over het kalf en de put die Hans-Wolfgang Hoppe vandaag in zijn laboratorium vertelt. Chemische substanties kwamen in de wereld terecht. Vroege waarschuwingssignalen werden genegeerd. Pas toen mensen ernstig ziek werden, startten wetenschappers een grondig onderzoek naar de werkingsmechanismen. Uiteindelijk kwam het tot verboden, die al veel eerder opgelegd hadden kunnen worden.

    Als de kankeronderzoekers van de WHO het bij het rechte eind hebben, dan herhaalt dit patroon zich in het geval van glyfosaat.

    Bij officieel levensmiddelenonderzoek is glyfosaat opgedoken in oesterzwammen, bloemkool, aardbeien, grapefruits, citroenen, pinda’s, vijgen, linzen, bosuien, kievietsbonen, aardappels, tarwe, rogge, gerst en haver. Drie jaar geleden onderzocht het tijdschrift Öko-Test verschillende graanproducten op glyfosaat. In 14 van de 20 producten werden sporen aangetroffen, onder andere in tarwemeel, havervlokken en broodjes. In voedingsmiddelen die vrijwel iedereen dagelijks eet. Hoppe vindt het verbazingwekkend dat de stof zelfs het bakproces doorstaat.

    Hoe zwaar de Duitse bevolking met glyfosaat wordt belast, is nog niet door de autoriteiten onderzocht. Dat is opvallend als je bedenkt dat geen enkel ander pesticide meer in het milieu terechtkomt. Hans-Wolfgang Hoppe heeft de urine van negentig medewerkers van zijn laboratorium op glyfosaat getest. In circa 70 procent van de monsters werden concentraties aangetroffen. Hij gaat ervan uit dat dit resultaat ongeveer overeenkomt met het Duitse gemiddelde.

    In plaats van de ploeg

    In Duitsland belandt glyfosaat op bijna 40 procent van het totale landbouwoppervlak, ongeveer 6000 ton per jaar. Biologische boeren maken geen gebruik van het pesticide, maar bij conventionele landbouwers neemt het de plaats in van de ploeg. In plaats van het onkruid vóór de zaai machinaal te verwijderen, doden ze het langs chemische weg. Het meest wordt glyfosaat echter in landen gebruikt waar de teelt van gengewassen is toegestaan, zoals in de Verenigde Staten, Brazilië en Argentinië. Daar planten de boeren genetisch gemodificeerde graansoorten die glyfosaat weliswaar opnemen, maar er niet dood aan gaan. Zo kunnen de boeren hun akkers na de zaai met het pesticide besproeien en weer opgekomen onkruid vernietigen. De tarwehalmen, mais en sojaplanten blijven gewoon staan. Alleen al het teeltoppervlak voor gensoja is in de afgelopen twintig jaar van 0 naar wereldwijd ruim 90 miljoen hectare gestegen. Zo’n 22 miljoen hectare daarvan, twee derde van de oppervlakte van Duitsland, strekt zich uit in Argentinië.

    Argentinië is een glyfosaatland, en daarom is Avila Vazquez deze herfst naar Duitsland gekomen.

    Een zachte novemberavond in Berlijn. De Argentijnse kinderarts Avila Vazquez heeft zijn jasje uitgetrokken en plaatsgenomen in een conferentiezaal van de organisatie Brot für die Welt. Vazquez is hier omdat hij weet dat de Europese Commissie weldra een besluit zal nemen over de hernieuwde toelating van glyfosaat. Hij hoopt daar invloed op uit te kunnen oefenen. Hij wil de Europeanen waarschuwen.

    Avila Vazquez is hoofd van de intensive care voor pasgeborenen in een kliniek in de Argentijnse provinciehoofdstad Córdoba. Eerst viel hem op dat steeds meer baby’s met misvormingen ter wereld kwamen. Vervolgens stelde hij vast dat de moeders van die kinderen vaak uit landelijke gebieden kwamen, uit dorpen als Monte Maíz.


    In Berlijn drukt Vazquez op een toets van zijn laptop. Op het scherm verschijnen de witgepleisterde huizen van een dorp: Monte Maíz, 8000 inwoners, omgeven door een grote groene zee van miljoenen sojaplanten.

    Vazquez spreekt Spaans, een tolk vertaalt in het Duits. De duidelijkste taal spreken echter de beelden. Een bloederig gezwel aan de borst van een vrouw. Een zuigeling met een open ruggetje. Ten slotte een foto die een relatie moet leggen tussen een agrarisch landschap en menselijk leed: een opslagplaats met jerrycans pesticide.

    ‘Glifosato,’ zegt Avila Vazquez.

    In oktober 2014 ging Vazquez samen met andere wetenschappers de deuren langs in Monte Maíz. Ze vroegen de bewoners naar leefgewoonten en ziekten. Ze kwamen erachter dat in dit dorp drie keer zo veel mensen kanker kregen als gemiddeld in Argentinië. En dat de vrouwen twee keer zo veel misvormde baby’s ter wereld brachten als statistisch kon worden verwacht. Er zijn geen grootschalige onderzoeken uitgevoerd die een relatie aantonen tussen glyfosaat en misvormingen of kanker. Maar Avila Vazquez laat vanavond in Berlijn twee landkaarten zien. Op de ene zijn de gebieden gemarkeerd waar in Argentinië heel veel soja wordt verbouwd en heel veel glyfosaat wordt gesproeid. Op de andere de gebieden waar bovengemiddeld veel mensen aan kanker overlijden. De kaarten zien er nagenoeg identiek uit.

    Jaarlijks wordt er 35 tot 40 miljoen ton gensoja uit Noord- en Zuid-Amerika naar de EU geëxporteerd. De teelt van gengewassen is hier weliswaar vrijwel geheel verboden, maar de invoer ervan niet. De gensoja belandt als meel of tot sojaschroot geperst in de troggen van Europese runderen, varkens en kippen. Ook de koeien op de boerderij van Sven Krey in Sleeswijk-Holstein hebben jarenlang dit voer gegeten. Was het dus inderdaad het glyfosaat dat zijn dieren ziek maakte?

    Schrikbeeld

    Twee kantooretages in het Düsseldorfse stadsdeel Rath: het Duitse hoofdkantoor van het Amerikaanse concern Monsanto. Buiten duwt de storm tegen de ramen, binnen stralen twee mannen een geruststellend optimisme uit. ‘We kennen het middel glyfosaat al heel erg lang en we kennen het heel erg goed,’ zegt Holger Ophoff, manager van de afdeling Wet- en Regelgeving van Monsanto Duitsland. ‘Glyfosaat is al meer dan veertig jaar op de markt en wordt wereldwijd voortdurend gecontroleerd en toegelaten,’ zegt Thoralf Küchler, woordvoerder van Monsanto Duitsland.

    Inderdaad hebben wetenschappers van het Amerikaanse concern al decennia geleden ontdekt hoe glyfosaat ingrijpt in de stofwisseling van gewassen: het gaat de vorming van een enzym tegen dat verantwoordelijk is voor de opbouw van vitale aminozuren. Zonder dat enzym gaan gewassen binnen enkele dagen dood. Een glyfosaatmolecule bestaat uit glycine, een aminozuur en fosfonzuren, een verbinding die Monsanto begin jaren zeventig liet patenteren. Inmiddels is het patent bijna overal verlopen. Naast het Monsanto-product Roundup zijn er alleen al in Duitsland circa tachtig andere middelen met glyfosaat op de markt, met namen als Taifun forte, Dominator ultra en Dr. Stähler Unkraut-frei. De producten zijn er in grote jerrycans voor boeren en in kleine flessen voor hobbytuinierders.

    In Europa fabriceren momenteel veertien ondernemingen glyfosaat. Maar voor geen van deze ondernemingen is de stof ook maar bij benadering zo belangrijk als voor Monsanto. Monsanto levert namelijk niet alleen maar glyfosaat, het verkoopt ook het genetisch gemodificeerde zaaigoed dat bestand is tegen het pesticide – onder de naam Roundup Ready, klaar voor Roundup. Als het gebruik van glyfosaat niet langer werd toegestaan, dan zou Monsanto niet alleen maar geen Roundup meer kunnen afzetten. De boeren zouden dan ook geen reden meer hebben om genmais, gengraan en gensoja te kopen. Het businessmodel van Monsanto zou ineenstorten.

    Zieke koeien. Misvormde kinderen. Een concern dat om financiële redenen alles in het werk moet stellen om zijn product op de markt te houden

    In Europa is de omzet van het concern relatief gering, maar als de Europese Commissie besluit om het pesticide niet langer toe te laten, dan zouden andere landen kunnen volgen, niet in de laatste plaats vanwege de toenemende druk van consumenten. Dat is het schrikbeeld van Monsanto. Op het Duitse hoofdkantoor van het concern in Düsseldorf nemen de Monsanto-werknemers Ophoff en Küchler vandaag om beurten het woord. Ze variëren hun woordkeuze. Maar eigenlijk zeggen ze met vrijwel elke zin hetzelfde, ongeacht de vraag.

    Küchler: ‘We hebben er alle vertrouwen in dat glyfosaat opnieuw wordt toegelaten.’

    Ophoff: ‘De onschadelijkheid van glyfosaat is door een ongekende hoeveelheid informatie en onderzoeken aangetoond.’

    Zieke koeien. Misvormde kinderen. Een concern dat om financiële redenen alles in het werk moet stellen om zijn product op de markt te houden. Dat zijn de elementen van vrijwel elk verhaal over het gevaarlijke, giftige glyfosaat. Maar het zijn geen wetenschappelijke bewijzen. De koeien op de boerderij van Sven Krey zouden in theorie ook door andere stoffen ziek kunnen zijn geworden. De inwoners van het Argentijnse dorp Monte Maíz worden niet alleen blootgesteld aan glyfosaat. De sojaboeren daar gebruiken ook insecticiden, misschien zijn die en niet glyfosaat schadelijk voor de afwijkingen en ziekten.

    Daarom is het nu de hoogste tijd om de strijd tussen de wetenschappers eens te belichten – en als eerste naar Lyon te rijden, naar een kantoortoren die ver uitsteekt boven de andere gebouwen in het zuidoosten van de Franse stad. Beneden, bij de hoofdingang, hangt een bordje: IARC. International Agency for Research on Cancer. Het Instituut voor Kankeronderzoek van de WHO.

    © Giorgio Cravero
    © Giorgio Cravero

    Op de vijfde verdieping werkt de Amerikaanse Kathryn Guyton, hoofd toxicologie van het IARC. Op haar bureau ligt het 92 pagina’s tellende rapport over glyfosaat, waaraan 17 wetenschappers uit 11 landen hun medewerking hebben verleend. Het team stond onder haar leiding. Drie uur lang zal ze uit de doeken doen hoe de kankeronderzoekers steeds meer tot het oordeel kwamen dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is.

    Het IARC heeft sinds begin jaren zeventig tegen de duizend chemicaliën, levens- en genotsmiddelen en milieufactoren zoals uv-straling en fijnstof onderzocht. Telkens werd dezelfde procedure gehanteerd. Ook bij glyfosaat. ‘We maken geen uitzonderingen,’ zegt Guyton.

    Voor hun beoordeling hebben de wetenschappers van het IARC alle onderzoeken naar glyfosaat bestudeerd die tot nog toe in vaktijdschriften zijn gepubliceerd. Zoals epidemiologische onderzoeken, die een relatie leggen tussen bepaalde ziekten en mogelijke invloeden. Volgens Guyton bleek uit drie onderzoeken dat boeren en landarbeiders die aan het pesticide blootgesteld waren geweest een licht verhoogd risico hadden om kanker aan het lymfestelsel te krijgen, het zogenaamde non-Hodgkinlymfoom. In dit geval beoordeelden de IARC-onderzoekers de relatie tussen oorzaak – glyfosaat – en effect – kanker – slechts als ‘aannemelijk’ en niet als ‘vaststaand’. Maar, zegt Kathryn Guyton erbij, ‘we zien sterke, gezonde mannen die het land opgaan en vervolgens kanker krijgen’. Het risico voor ouderen, zieken en kinderen zou veel groter kunnen zijn. Die bevolkingsgroepen zou je bij de beoordeling in het achterhoofd moeten houden.

    Er zijn ook gegevens uit Colombia. Daar heeft de regering herhaaldelijk glyfosaat laten gebruiken om op grote schaal cocaïneplantages te vernietigen. Uit onderzoek onder bewoners van de betreffende gebieden kwamen veranderingen in de erfmassa van hun bloedcellen aan het licht. Dergelijke schade kan ertoe leiden dat een cel zich ongecontroleerd gaat delen – en er uiteindelijk een tumor ontstaat.

    P = 0,001

    Een andere aanwijzing zijn de dierproeven. Kathryn Guyton slaat de betreffende pagina van het rapport op. In een langdurig experiment waarbij muizen voer met glyfosaat kregen, ontwikkelden de mannetjes een niertumor. Kathryn Guyton omcirkelt een afkorting aan het eind van het onderzoek: P = 0,001. P staat voor probability, waarschijnlijkheid, 0,001 betekent dat de kans dat de groei van de tumoren niet door glyfosaat is veroorzaakt 1 op 1000 is. Hoe de onderzoekers dat weten? Net als mensen krijgen ook muizen vaker kanker naarmate ze ouder worden. Maar de geconstateerde niertumor is bij muizen zo zeldzaam dat hij naar alle waarschijnlijkheid alleen maar door glyfosaat kan zijn veroorzaakt. Bij een ander experiment ontwikkelden muizen die glyfosaat kregen toegediend eveneens een kwaadaardige, ongebruikelijke tumor, dit keer in het bindweefsel. Twee onderzoeken die onafhankelijk van elkaar een relatie tussen glyfosaat en de vorming van tumoren aantonen: volgens de criteria van het IARC ten aanzien van dierproeven is daarmee de carcinogeniteit van een stof voldoende bewezen.

    Vandaar ook het oordeel van het IARC: ‘Waarschijnlijk kankerverwekkend.’

    De vraag is nu hoe het mogelijk is dat het Bundesinstitut für Risikobewertung, kortweg BfR, en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, kortweg EFSA, tot een heel andere conclusie komen.

    Allereerst moet worden opgemerkt dat de EFSA in haar oordeel vrijwel volledig is afgegaan op een rapport van het BfR. Het oordeel werd dus geveld door het Duitse instituut in Berlijn.

    Wanneer we echter de voorlichtingsdienst van het BfR bellen met het verzoek om een gesprek, wordt dat geweigerd. Het BfR verwijst ons naar de rubriek ‘vragen en antwoorden over de beoordeling van gezondheidsrisico’s van glyfosaat’ op zijn website. Daar heeft het BfR de conclusies van zijn rapport samengevat.

    Nadat de EFSA in november haar beoordeling van glyfosaat had afgegeven, twitterde Fraley: “Science wins!” Dat het vooral zijn eigen onderzoeken waren waarop hij zich daarmee beriep, zei hij niet

    Dat rapport over de mogelijke giftige uitwerking van glyfosaat is maar liefst 947 pagina’s lang. Op het eerste gezicht wekt het de indruk van een enorme zorgvuldigheid, maar bij nadere inspectie blijkt dat het BfR het rapport helemaal niet zelf heeft opgesteld. Dat is het werk van de Glyphosate Task Force, de werkgroep glyfosaat. Dat klinkt op zijn beurt als een interdisciplinair gremium, maar ook dat is een misvatting. Het Glyphosate Task Force is een samenwerkingsverband van de fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen, of beter gezegd de ondernemingen die verzocht hebben glyfosaat binnen de EU te mogen verkopen.

    Het 947 pagina’s tellende rapport bestaat in essentie uit samenvattingen van onderzoeken naar de effecten van glyfosaat op de gezondheid waarvoor de ondernemingen zelf opdracht hebben gegeven.

    Nu hoeven onderzoeken naar pesticide die door fabrikanten van pesticide zijn gefinancierd niet per definitie onbetrouwbaar te zijn. Je zou je alleen graag zelf een beeld ervan willen vormen. Maar dat is vrijwel niet mogelijk, want de onderzoeken zijn nooit openbaar gemaakt. En veel gegevens erover – opstellers, uitvoerend laboratorium – zijn in het rapport van het BfR zelfs zwart gemaakt.

    Wel heel goed leesbaar is de conclusie: niet kankerverwekkend.

    Tegen deze achtergrond krijgt een uitspraak van Robert Fraley, de plaatsvervangend bestuursvoorzitter van Monsanto, een heel eigen betekenis. Nadat de EFSA in november haar beoordeling van glyfosaat had afgegeven, die grotendeels berustte op de onderzoeken van de fabrikant, twitterde Fraley: ‘Science wins!’ De wetenschap heeft gewonnen! Dat het vooral zijn eigen onderzoeken waren waarop hij zich daarmee beriep, zei hij niet.

    hh 45596603

    Het glyfosaatrapport van de Task Force dat het BfR overnam, was al voor het oordeel van het Instituut voor Kankeronderzoek verschenen. Toen het IARC tot de conclusie was gekomen dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ was, voegde het BfR een addendum toe, een aanvulling op het oorspronkelijke rapport. Hierin ging het BfR ook uitvoeriger in op onderzoeken die niet door de industrie gefinancierd waren en die het in de wetenschap gebruikelijke publicatieproces hadden doorlopen. Ze waren door vakmensen beoordeeld en publicatiewaardig bevonden. Het waren de onderzoeken waarop het oordeel van de IARC berust. De epidemiologische onderzoeken waaruit de wetenschappers rond Kathryn Guyton een ‘aannemelijke’ relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van kanker bij mensen afleiden, dicht het BfR slechts ‘geringe bewijskracht’ toe.

    Wat betreft de twee experimenten met muizen, die volgens de IARC-onderzoekers het kankerpotentieel van glyfosaat aantonen, is het BfR van mening dat de tumoren niet zijn terug te voeren op het glyfosaat. Als motivatie haalt het BfR andere experimenten aan waarbij muizen zonder toediening van glyfosaat vergelijkbare tumoren ontwikkelden. Maar die experimenten vonden niet in een vergelijkbaar tijdsbestek, niet met dezelfde muizensoort en niet in hetzelfde laboratorium plaats. De argumentatie van het BfR druist daarmee in tegen wetenschappelijke richtlijnen. En juist op deze argumentatie berust het nog altijd geldende oordeel van het BfR: ‘niet kankerverwekkend’, wat de EFSA met ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’ ietwat voorzichtiger formuleerde.

    Je zou graag van de medewerkers van het BfR willen weten waarom ze een deel van de onderzoeken nauwelijks bewijskrachtig vinden en het andere deel met behulp van een twijfelachtige argumentatie verwerpen. Maar ondanks een nieuwe poging weigert het BfR commentaar te geven op het thema glyfosaat.

    De wind

    Afgelopen week kwam het tot protest. Er werd een open brief aan de pers gestuurd. De geadresseerde: Eurocommissaris Vytenis Andriukaitis van Gezondheid en Voedselveiligheid. De afzender: 96 wetenschappers, onder wie epidemiologen, toxicologen, moleculair biologen en statistici van centra voor kankeronderzoek en universiteiten in vijfentwintig landen. De boodschap: de aanpak van de Europese autoriteiten met betrekking tot glyfosaat is ‘wetenschappelijk onacceptabel’; de beoordeling wordt niet gedekt door de beschikbare gegevens en is bovendien niet op een transparante manier tot stand gekomen.

    Er valt niet zoveel in te brengen tegen de mening van deze wetenschappers. En daarom valt er ook niet zoveel in te brengen tegen het oordeel van het IARC dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is. Is het verhaal van het gevaarlijke, giftige glyfosaat dan inderdaad waar?

    Laten we nog eens goed kijken naar wat het IARC precies doet. De kankeronderzoekers van het instituut houden zich alleen maar bezig met de vraag of een bepaalde stof in staat is kanker te verwekken. Ook als ze die vraag met ‘waarschijnlijk wel’ beantwoorden, zoals in het geval van glyfosaat, wordt daarmee nog niets gezegd over de waarschijnlijkheid dat de ziekte daadwerkelijk optreedt. Hoe hoog het risico is, hangt vooral af van hoe sterk en hoe lang iemand blootgesteld is aan de betreffende stof en hoeveel hij ervan binnenkrijgt.

    Zo nemen de mensen in het Argentijnse dorp Monte Maíz het pesticide niet alleen tot zich via voedingsmiddelen. De sojaboeren besproeien hun velden vanuit vliegtuigjes, keer op keer. De wind voert de gifwolken naar de dorpen, de bewoners ademen met de lucht ook het pesticide in. Aangenomen mag worden dat ze veel meer glyfosaat binnenkrijgen dan een Duitser die ’s ochtends een of twee broodjes van conventioneel geproduceerd meel eet. Enkele weken geleden heeft het IARC ook voor heel iets anders de beoordeling ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ afgegeven: rood vlees. Ook varkenslapjes, runderbraadworsten en kookham hebben vanuit wetenschappelijk oogpunt het potentieel om tumoren te veroorzaken. Maar de deskundigen zijn het erover eens dat iemand bij beperkte consumptie geen groot risico loopt daadwerkelijk ziek te worden.


    Zelfs IARC-onderzoekster Kathryn Guyton, die van mening is dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is, schat het daadwerkelijke bedreigingspotentieel van het pesticide laag in. Zo bekeken zou je het middel niet per se hoeven verbieden, zoals ook de consumptie van rood vlees geoorloofd blijft. De classificatie door het IARC hoeft niet noodzakelijkerwijs het einde van glyfosaat in Europa te betekenen. Het zou mogelijk volstaan om bindende grenswaarden vast te stellen.

    Wonderlijk genoeg zijn die er al. Hoewel het BfR van mening is dat glyfosaat niet in staat is kanker te verwekken, beschouwt men het middel niet als volkomen ongevaarlijk. Mogelijk veroorzaakt het andere ziekten. Daarom zijn er maximale waarden gedefinieerd – maar op basis van niet altijd even logische criteria. Zo mag een kilo tarwe met tien milligram glyfosaat zijn belast, maar een kilo rijst met slechts een honderdste van die hoeveelheid. Dat verschil kan ermee te maken hebben dat er in Europa niet zo veel rijstboeren, maar wel heel veel tarwevelden zijn. En sommige boeren besproeien de halmen nog vlak voor de oogst met glyfosaat. Ze doden de gewassen om ze sneller te kunnen verwerken.

    Toch zou je de grenswaarden opnieuw kunnen vaststellen en daarbij ook rekening houden met het gevaar van kanker.

    Dat zou een oplossing kunnen zijn. Als de EU-verordening 1107/2009 er niet al was.

    Deze verordening regelt de beschikbaarstelling van gewassenbeschermingsmiddelen. Volgens de verordening mag een stof alleen worden toegelaten als hij niet in de categorieën ‘bekendstaand als kankerverwekkend’ of ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ valt. Als bewijs volstaan volgens EU-verordening 1272/2008 twee onderzoeken met dierproeven die onafhankelijk van elkaar een oorzakelijk verband tussen een bepaalde stof en een verhoogde tumorfrequentie aantonen.

    En dat is nu precies het geval bij glyfosaat, namelijk de twee experimenten met muizen.

    Wel of niet verdedigbaar

    De gedachte achter deze strenge bepaling is dat de individuele consument zelf kan bepalen hoeveel rood vlees hij eet, hoeveel alcohol hij drinkt en hoeveel sigaretten hij rookt. Maar bij een gewassenbeschermingsmiddel als glyfosaat ligt dat anders. Behalve mensen die uitsluitend biologische producten tot zich nemen, kan niemand bij benadering overzien welke hoeveelheid pesticide hij of zij binnenkrijgt.

    Omdat de Europese Commissie moeilijk EU-verordeningen naast zich neer kan leggen, heeft ze de keuze uit slechts twee mogelijkheden. Of de Commissie beweert dat de beoordelingen van het BfR en de EFSA wetenschappelijk verdedigbaar zijn en glyfosaat dus onschadelijk is, of ze trekt de toelating van het pesticide in en ontneemt de conventionele landbouw daarmee een van haar belangrijkste productiemiddelen.

    Auteur: Anke Sparmann
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: © Giorgio Cravero

    Achter het verhaal

    Centrale vragen: Is glyfosaat daadwerkelijk kankerverwekkend? Hoe komen de wetenschappers tot hun conclusies?

    Duur van het onderzoek: Twee maanden.

    Uitgangspunt: Onze verslaggeefster stuitte op internet op een seminar van de Landwirtschaftskammer, met als thema ‘Glyfosaat – heeft het invloed op de gezondheid van dieren?’ De organisator verwees Anke Sparmann naar dierenarts Achim Gerlach. Toen ze hem vroeg of hij boeren kende van wie dieren mogelijk ziek waren geworden door het eten van voer met glyfosaat, kwam hij meteen met een heel rij namen. De raadselachtige vergiftigingen zijn een wijdverbreid fenomeen, aldus Gerlach.
    Voor dit artikel heeft Die Zeit contact gezocht met tal van kankerexperts, toxicologen en ambtenaren van federale instanties en ministeries. De meesten wilden niet met naam en toenaam worden geciteerd, maar waren alleen bereid tot achtergrondgesprekken. De meest gebruikte zin tijdens deze gesprekken was ‘ik benijd niemand die in de kwestie glyfosaat een besluit moet nemen’, of iets soortgelijks.

    Melkveehouder Sven Krey uit Sleeswijk-Holstein heeft een besluit genomen. Hij gebruikt geen overzees voer meer. Zijn koeien zullen geen glyfosaat meer binnenkrijgen.
    Krey verbouwt nu zelf eiwitrijk veevoer, zoals erwten en bonen. Geen grammetje gensoja komt er bij hem nog de stal in, zegt hij. De boer staat tussen zijn koeien, waarvan enkele er eng mager uitzien. Krey ziet echter tekenen van herstel. Hij wijst naar een vrijwel wit dier. ‘Vroeger was die koe nauwelijks te zien in het donker, zo grauw en dof was het vel. Nu glanst ze weer.’ En hij voegt eraan toe dat hij weer trots is om boer te zijn.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    Het is opvallend dat in de Britse bezettingszone in Duitsland al in 1946 twee weekbladen werden opgericht, beide in Hamburg, die van grote politieke en culturele invloed zijn geweest in het naoorlogse Duitsland en nog altijd een florerend bestaan leiden: Der Spiegel en Die Zeit.

    Het laatste blad heeft in deze tijd de charme van het formaat: nog altijd broadsheet. En nog een opvallend trekje: jarenlang werd het blad geleid door een vrouw, telg uit een adellijk Pruisisch geslacht: gravin Marion Dönhoff, vrijwel sinds de oprichting bij het blad betrokken, hoofdredacteur van 1968 tot 1972 en tot aan haar dood in 2002 uitgever. Die laatste functie vervulde zij vanaf 1983 samen met oud-bondskanselier Helmuth Schmidt (die ook tot aan zijn dood in 2015 aanbleef ). Die Zeit heeft vanaf de oprichting een liberale koers gevaren, met soms een lichtelijk rechtse, maar vaker een wat linkse inslag. Het blad heeft de laatste jaren een oplage van een half miljoen exemplaren.