Tag: monster

  • In de sporen van Frankenstein. Wat AI kan leren van de cultklassieker

    In de sporen van Frankenstein. Wat AI kan leren van de cultklassieker

    Keuze uit het archief

    Steeds vaker verschijnen er artikelen als ‘We moeten het hebben over hoe goed AI eigenlijk wordt’ (The New York Times), ‘Kunstmatige intelligentie verschuift de grens tussen menselijk en niet-menselijk’ (Le Monde) en andere berichten waaruit blijkt dat het maar langzaan tot ons mensen doordringt dat we niet meer kunnen ontsnappen aan wat we zelf hebben gecreëerd. Dat dit een monster à la Frankenstein is, is daarmee niet gezegd. Maar wetenschappers trekken al lange tijd belangrijke lessen uit deze klassieker van Mary Shelley, zoals uit dit artikel uit 2018 blijkt.

    Tweehonderd jaar nadat Mary Shelley het monster van Frankenstein schiep, trekken AI-wetenschappers waardevolle lessen uit de cultklassieker. Deze zouden zelfs het verschil kunnen maken tussen vooruitgang of de Apocalyps.

    Het monster van Frankenstein is na tweehonderd jaar nog steeds alive-and-kicking. In zijn nieuwe rol als boeman van de artificiële intelligentie (AI) kom je de creatie van Mary Wollstonecraft Shelley nog overal op internet tegen. De Britse literatuurcriticus Frances Wilson heeft het al uitgeroepen tot de ‘vruchtbaarste metafoor ter wereld’. Niet zonder ironie, maar toch: de titel past het monster wel. Want van Guardian-journalisten tot Google-ingenieurs, waarschuwingen over de gevaren van kunstmatige intelligentie liggen velen in de mond bestorven: AI is het grote monster onder ons bed. AI zit overal, van bedieningspanelen voor computers tot de donkere krochten van het internet, van Moskou tot Palo Alto. En die AI wordt krachtiger, sneller, slimmer en gevaarlijker dan de programmeurs die er aan de wieg van staan. Het hedendaagse monster van Frankenstein is nog veel griezeliger dan de uit genetische manipulatie of radioactieve straling ontstane gedrochten in B-films uit de Koude Oorlog. Uiteindelijk zal het als een geest uit de machine verrijzen om zijn scheppers en de hele mensheid te vernietigen.

    De thema’s zijn nauwelijks veranderd sinds 1818, toen de 20-jarige Shelley haar roman uitbracht. De doemverhalen over AI in de media leunen voor hun schrikeffecten nog net zo zwaar op de conventies van het griezelgenre als Frankenstein, of de moderne Prometheus. Straks komen de robots in opstand om niet alleen de wereld te vernietigen, maar ook jouw dierbare privacy de nek om te draaien, tot in je eigen huis aan toe. Kijk maar naar Alexa, de Amazon-robot die precies weet wat jouw smaak is. Zij gaat je complete gezinsleven dirigeren, geheel naar jouw – lees: haar – wensen.

    Het woord ‘robot’ werd in 1921 in de wereldliteratuur geïntroduceerd in het toneelstuk RUR (Rossums Universele Robots) van de Tsjechische schrijver Karel Čapek. ‘Kijk, kijk, kijk: bij elke deur stroomt het bloed over de drempel!’, hoorde het Praagse theaterpubliek toen. ‘Uit alle huizen stroomt bloed!’ Want Čapeks stuk schetst de cybernetische revolutie van de in Rossums fabriek massaal geproduceerde robots. Die mensvormige werkslaven komen in opstand en ‘vermoorden de mensheid’ in hun bed, net zoals Victor Frankensteins bruid Elizabeth in haar huwelijksnacht vermoord wordt door het monster dat hij heeft geschapen.

    Zowel Shelley als Čapek schetsen een biotechnisch monster dat van onderop en van binnenuit een staatsgreep pleegt die succesvoller is dan de historische revoluties in Parijs of Sint Petersburg. Maar wie is er verantwoordelijk voor deze opstandige AI? Anders dan in het Frankrijk van het ancien régime of het tsaristische Rusland krijgt in het werk van deze auteurs niet de adel de schuld. Vol ontzetting roept de hoofdingenieur in Čapeks RUR uit: ‘Ik wijt het aan de wetenschap! Ik wijt het aan de technologie!’ Om vervolgens stil te vallen en zichzelf te corrigeren: ‘Wijzelf, wij dragen hier schuld aan!’ Niet de technologie is hier het probleem, maar de grootheidswaan van wetenschappers en techneuten.

    In Shelleys roman sterft Victor Frankenstein op een schip in het Noordpoolgebied waar hij op zijn ‘bovenmenselijke’ schepping jaagt. Op zijn sterfbed zegt hij tegen de kapitein: ‘Het verontrust mij dat hij voortleeft en nog meer kwaad kan aanrichten in de wereld.’ Het is de enige keer dat uit zijn woorden enig verantwoordelijkheidsbesef blijkt voor het feit dat hijzelf het ‘rationele schepsel’ heeft gemaakt dat de meeste van zijn dierbaren heeft vermoord. Toch deinst hij ervoor terug om kapitein Walton te laten beloven met zijn bemanning de jacht op zijn ‘eerste schepping’ voort te zetten om die te ‘vernietigen’: ‘Ik durf u niet te vragen wat ik juist acht, want het is ook mogelijk dat ik door mijn emoties word verblind.’

    Frankensteins halfslachtigheid is ook de onze. Als hij al niet goed weet in hoeverre hij of de mensheid verantwoordelijk is voor de schepping van een monsterlijke intelligentie, dan is ook ons wel wat verwarring vergund. Maar we zijn het onszelf (en grote geesten als Shelley en Čapek) verplicht om ons op de filosofische consequenties van onze wetenschappelijke en technologische scheppingsdrang te bezinnen. Hebben wij mensen vormen van intelligentie geschapen die we onszelf kwalijk kunnen nemen?

    Product van de omgeving

    Om te kunnen begrijpen wat kunstmatige intelligentie is, zo betoogde Google-ingenieur François Chollet op Medium.com in zijn artikel The Impossibility of Intelligence Explosion, moeten we beseffen dat álle intelligentie ‘in essentie situationeel’ is. De intelligentie van een mens manifesteert zich in de wijze waarop hij de problemen oplost die zich voordoen bij de verwerking van zijn ervaringen als individu. Voor de intelligentie van een computeralgoritme geldt hetzelfde: die schuilt in de wijze waarop dat algoritme de problemen oplost die zich voordoen bij het toepassen van zijn regels op de ingevoerde gegevens. Intelligentie, of het nu natuurlijke of kunstmatige intelligentie betreft, past zich aan aan de situatie.

    Veder wijst Chollet erop dat mensen ook een product van hun eigen werktuigen zijn. Zoals de vroege mens met vuur of ingekerfde schelpen werkte, zo beschikt de moderne mens over pen, drukpers, boeken en computers om data te verwerken en de problemen van specifieke situaties op te lossen. Geheel in overeenstemming met de inzichten van antropologen als Agustín Fuentes van de University of Notre Dame in Indiana en Marc Kissel van de Appalachian State University in North Carolina stelt Chollet: ‘Onze intelligentie bevindt zich niet alleen in onze hersenpan, maar grotendeels daarbuiten in onze beschaving.’

    Wetenschap en technologie zijn twee bepalende producten van de moderne menselijke beschaving. Dat we met behulp daarvan nu vormen van intelligentie creëren die op hun beurt zelfstandig problemen kunnen oplossen, is slechts het zoveelste voorbeeld van wat Agustín Fuentes in The Creative Spark (2017) een proces van creatieve interactie tussen mens en omgeving noemt. Als je met zijn antropologische blik naar de geschiedenis van de mensheid kijkt, is de hele beschaving een vorm van kunstmatige intelligentie: een verzameling instrumenten die door opeenvolgende culturen in de loop der tijd zijn ontwikkeld om de mens in staat te stellen lering te trekken uit het verleden, ten bate van alle mogelijke vormen van leven in het heden en de toekomst.

    Als scheppers moeten wij van onze technologieën houden als van onze kinderen, want in ruwe, liefdeloze handen zullen het monsters worden

    We kunnen verschillende types AI in de technologische gereedschapskist van onze beschaving onderscheiden. Zwakke AI, ook wel ANI (artificial narrow intelligence), is de naam voor de algoritmen die zijn ontworpen of getraind voor het oplossen van specifieke problemen. Sterke AI of AGI (artificial general intelligence) is de vorm van kunstmatige intelligentie die in de toekomst misschien werkelijk autonome intelligentie en zelfs bewustzijn kan opleveren. Machine learning of machinaal leren (ML) is de techniek die tegenwoordig de meeste aandacht krijgt als het gaat over AI: een computeralgoritme met een statistisch model dat bepaalde routines steeds herhaalt (en daarvan ‘leert’) om zich te ontwikkelen en bepaalde problemen steeds beter te kunnen oplossen. Net als bij mensen kan dit proces worden bijgestuurd met feedback van buitenaf, dan heet het ‘gecontroleerd leren’. Deep learning (DL) tot slot is een vorm van machinaal leren waarin modellen complexere taken uitvoeren op meerdere niveaus.

    De output van elke taak is daarbij steeds nodig voor de uitvoering van een volgende taak op een hoger niveau. Voor de herkenning van een met de hand geschreven getal kan zo’n algoritme bijvoorbeeld in de eerste fase de pagina afzoeken naar geschreven tekst, waarna een tweede fase nodig is om de contouren daarvan vast te stellen, een derde om uit de locatie van die contouren de vorm af te leiden, en een vierde fase om uit de combinatie daarvan de cijfers van het getal af te leiden. Deep learning kan hogere logica toepassen op complexe lagen ‘big data’ voor het oplossen van ingewikkelde technische problemen.

    Dreigen we met machinaal leren en sommige vormen van deep learning nu net als Frankenstein waanzinnig slimme monsters tot leven te wekken die onze ondergang zullen worden? Dat was wat Shelley zich voorstelde en wat sommige computerwetenschappers tegenwoordig ook voorzien.

    Het kantelpunt waarop AGI de intelligentie van de mensheid zal evenaren om die vervolgens te overtreffen, staat in de wereld van de cybernetici bekend als ‘de singulariteit’. Dat is het kortstondige punt waarop de intelligentie van de mens volledig gelijkwaardig is aan die van AGI. Dit zal een uniek moment in de wereldgeschiedenis blijken te zijn, en zal volgens de experts niet lang meer op zich laten wachten. AGI zal zich namelijk onstuitbaar blijven ontwikkelen en haar menselijke schepper uiteindelijk overheersen. De singulariteit is de Silicon Valley-versie van het hegeliaanse ‘einde van de geschiedenis’, maar dan in grijze T-shirts en hoodies. Het is het begin van het einde van de menselijke intelligentie, bewerkstelligd door de machines die hun intelligentie daarvan hebben afgekeken.

    Die singulariteit heeft iets religieus, iets mystieks. Er wordt een beeld opgeroepen van alwetende goden en hun half-menselijke nazaten die, weliswaar kort maar waardig en op gelijke voet, tegenover elkaar staan. Het is het beeld van Pallas Athene, de uit het hoofd van Zeus geboren godin van de wijsheid, die de Titaan Prometheus helpt het vuur van de goden te stelen om aan de mensen te geven. Of van Frankenstein die op een gletsjer hoog in de Alpen het ijzingwekkende verhaal van het monster aanhoort, over hoe het in zijn eentje moest zien te overleven en nu – heetgebakerd – genoegdoening eist. De singulariteit is de moderne versie van deze mythe. Een toekomstvisioen waarin de mens straks tegenover een elektrisch apparaat staat dat hem strak aankijkt.

    Zij die in de singulariteit geloven, beroepen zich graag op de wijsheid van Stephen Hawking. De overleden Engelse natuurkundige waart als postume intelligentie nog in filmpjes op internet rond, als een hologram van Hamlets vader die ons toespreekt vanuit het graf. In november 2017 zei Hawking in een toespraak: ‘AI zou de grootste ramp in de geschiedenis van onze beschaving kunnen zijn.’ Maar geen paniek: als je de hele toespraak van Hawking op de Web Summit in Lissabon beluistert, hoor je hem – degelijk denker die hij is – nadruk leggen op dat voorwaardelijke ‘zou’. Kunstmatige intelligentie kán goed, slecht of neutraal uitpakken. Het valt onmogelijk te voorspellen wat de gevolgen van AI zullen zijn. ‘We weten simpelweg nog niet en kúnnen ook niet weten’, zei Hawkings mechanische, door bewegingen van zijn gezichtsspieren aangestuurde computerstem, ‘of AI ons enorm zal helpen, ons zal negeren of op een zijspoor rangeren, of ons mogelijk zelfs zal vernietigen.’ Niet lang daarna schreef Chollet dat de voorspelling van een dreigende ‘intelligentie-explosie’ zwaar overtrokken was en dat AI niet exponentieel, maar lineair zou groeien.

    De naam van Frankenstein viel nergens in Hawkings toespraak, maar zijn betoog was wel doorspekt met dezelfde filosofische thema’s die ook in Shelleys boek een rol spelen. Zoals alle grote literatuur kan haar roman niet worden gereduceerd tot een simpele moraal, bijvoorbeeld over de gevaren van wetenschappers die voor God spelen. Het boek is eerder een puzzel die de cognitieve en emotionele intelligentie van de lezer op de proef stelt. Het leesplezier schuilt erin dat je de verschillende puzzelstukjes in elkaar ziet vallen. En om de ethische puzzel van Frankenstein op te lossen, helpt het om oog te hebben voor de theologische achtergrond. Het woord ‘superintelligentie’ dateert al van eind zeventiende eeuw, toen de quakers het gebruikten als omschrijving voor het Opperwezen. Het was een woord dat veel voorkwam in het religieuze debat in het Engeland van Shelleys jeugd.

    In haar roman schrijft Shelley dat het monster zich met ‘bovenmenselijke’ snelheid voortbeweegt. Maar het gaat niet louter om fysieke snelheid. Nadat Frankenstein het monster aan elkaar heeft genaaid, tot leven heeft gewekt en vervolgens aan zijn lot heeft overgelaten, maakt het een cognitieve en emotionele ontwikkeling door die veel sneller verloopt dan bij mensen. Zoals veel baby’s spreekt het na een maand of zes zijn eerste woordjes, maar weer een halfjaar later kan het Miltons Paradise Lost al lezen. Het brengt zichzelf taal bij door via een gat in de muur de familie De Lacey te bespieden, Frans-Turkse vluchtelingen die zich ophouden in de bossen bij Ingolstadt.

    Het monster is een hogere intelligentie, maar dat geldt ook voor Shelley. Haar geest zweeft over het hele verhaal, dat door haar is bedacht. Het is een raamvertelling met als eerste verteller kapitein Walton, die brieven schrijft aan zijn zus in Londen. Anne K. Mellor, hoogleraar Romantiek aan de University of California, heeft er in Mary Shelley: Her Life, Her Fiction, Her Monsters al op gewezen dat de initialen van die zus, ‘MWS’, ook die van Mary Wollstonecraft Shelley zijn. De vrouw die de brieven ontvangt – met daarin behalve het relaas van Walton ook de verhalen van Frankenstein, zijn monster en de familie De Lacey – is de auteur van de roman. Zij bepaalt de inhoud, de vorm en het doel van het verhaal. En door Frankenstein op de gletsjer oog in oog te brengen met zijn monster en dat een stem te geven, zet Shelley de lezer ertoe aan zich in de kunstmatige intelligentie in te leven. Diens kunstmatige schepping begint met een verwekking zonder moeder. Vervolgens worden in zijn leven de opvoedkundige ideeën geïllustreerd van John Locke (en van Shelleys vader William Godwin), die Shelley fanatiek gelezen had. Volgens die theorieën werd de vorming van kinderen bepaald door hun omstandigheden, te beginnen met de vroegste zintuiglijke gewaarwording van hun omgeving. Het monster heeft weliswaar geen moeder, maar maakt dezelfde contextuele en interactieve ontwikkeling door als andere kinderen. En AI wordt net als Frankensteins monster weliswaar niet uit een moeder geboren, maar wel door de omstandigheden gevormd.

    Geen big data

    Terwijl het verweesde monster vanuit een belendende bouwval zijn buren bespiedt, ontwikkelt het zijn intelligentie met de doelmatigheid van een computer en de intensiteit van een kind. Het zuigt kennis op over ‘de geschiedenis van mijn vrienden’, de familie De Lacey. Het krijgt geen volledige informatie, geen ‘big data’, maar moet zich behelpen met wat er aan gegevens door het gat in de muur sijpelt. Het schepsel analyseert de input van de buren binnen de beperkingen van het ‘programma’ van zijn eigen krotwoning. Net als de Amerikaanse Google Assistant en de Russische Alisa is hij een ‘intelligente assistent’ die zowel de vooroordelen van zijn culturele context als de emotionele grenzen van zijn data en programmatuur aan de dag legt.

    Toch voldoet het monster in zijn bouwval aan zes criteria voor deep learning: hij leert in het gezin De Lacey zowel (1) gezichten als (2) spraakpatronen te herkennen; (3) hij leert te vertalen: het Frans van Felix en misschien het Arabisch van Safie, het Engels van Milton, het Duits van Goethe en het Grieks (of Latijn) van Plutarchus; (4) hij kan het handschrift in het logboek van zijn vaders laboratorium lezen; (5) hij speelt strategische spelletjes met mensen, door de familie eerst stiekem aan brandhout te helpen en later uit wraak hun huis plat te branden als ze hem vol afschuw hebben afgewezen en de streek zijn ontvlucht; en (6) hij stuurt robotprothesen aan, want zijn lichaam, samengesteld uit delen van verschillende dode mensen en dieren, is een mensvormig product van scheikundig en medisch vernuft en elektriciteit.

    Omdat het leven in de echte wereld een kwestie van vallen en opstaan is, kan AI – net als het monster – misschien wel ‘diepe’, maar geen foutloze kennis verwerven. Een kunstmatige intelligentie kan uit verhalen lessen opdoen – maar ook de verkeerde lessen. Een slecht geprogrammeerde computer zal data onjuist verwerken. En slechte data zullen de computer tot een onjuiste analyse brengen.

    Meer dan twintig jaar voordat Charles Babbage en Ada Lovelace het grondmodel van de moderne computer bedachten, de ‘analytische machine’, stelde Shelley zich die schepping al voor als een mensvormig AI – inclusief alle bekrompen maar krachtige vooroordelen, diepe maar misleidende gedachten en sterke maar tegenstrijdige gevoelens waar mensen mee kampen. Shelleys scheppingsverhaal is geënt op Genesis en de Prometheus-mythe, en eenvoudig: AI wordt geschapen naar het evenbeeld van de gebrekkige maar machtige mens. Als scheppers moeten wij – zoals de Franse socioloog Bruno Latour ons in de geest van Shelley voorhoudt – van onze technologieën houden als van onze kinderen, want in ruwe, liefdeloze handen zullen het monsters worden.

    In haar essay ‘A Cyborg Manifesto: Science, Technology, and Socialist-Feminism in the Late Twentieth Century’ stelde de Amerikaanse feministe Donna Haraway in 1984 dat alle mensen cyborgs zijn, hybride combinaties van ‘machine en organisme’. We zijn ook allemaal AI’s die leren van de input van verhalen en andere ervaringen. Als AI’s die nolens volens door context en cultuur zijn gevormd moeten we de les van Shelley, de moeder van de sciencefiction, ter harte nemen en oog hebben voor de geschiedenis en het soort verhalen dat we erover vertellen.

    In een stuk in T_he New Yorker_ wees de Amerikaanse historica Jill Lepore op Shelleys andere speculatieve roman_ The Last Man,_ anoniem gepubliceerd in 1826. Daarin is de hele mensheid in het jaar 2100 uitgeroeid door een plaag, met uitzondering van één man, Lionel Verney. Het is een sleutelroman en Verney is het alter ego van Shelley zelf, die in 1826 al veel dierbaren heeft verloren: vijf kinderen die aan ziekte zijn bezweken, haar zus die zelfmoord heeft gepleegd, haar man Percy Shelley die in Italië is verdronken en hun vriend, de dichter Lord Byron, die op een Grieks slagveld aan bloedvergiftiging is overleden.

    Maar in plaats van te bezwijken onder wanhoop en verdriet stuurt Shelley haar literaire stand-in Verney naar Rome. Dat bleef haar lievelingsstad, ook nadat haar drie jaar oude zoontje William daar in het voorjaar van 1819 aan een koortsaanval was overleden. Verney kan er ‘vertrouwelijk converseren met dit wereldwonder, die soevereine meesteres der verbeelding, de majestueuze en eeuwige stad die miljoenen generaties uitgestorven mensen heeft overleefd’. Hij – of zij, moet ik eigenlijk zeggen – ‘waart rond’ in het Vaticaan en betrekt het Palazzo Colonna, vol bewondering voor alle kunst en architectuur. Geïnspireerd door de schoonheid en grandeur van Rome fantaseert Shelley, bij monde van Verney, over de mogelijkheid dat een nieuwe Adam en Eva ergens in een afgelegen streek, veilig voor de plaag, de aarde opnieuw kunnen bevolken.

    Verney wil de mensheid redden en bezoekt daarom ‘de bibliotheken van Rome’, hij wil alle ‘bibliotheken van de wereld’ benutten. Hij leest de oude geschiedenisboeken en wil zelf een nieuwe ‘geschiedenis van de laatste mens’ schrijven. ‘Ik heb de Sint-Pieter beklommen’, laat Shelley hem noteren. Vanaf het dak van die koepel overziet ze – door de ogen van haar alter ego – de glorieuze ruïnes en monumenten. Via het personage van Verney stelt Shelley zichzelf voor als paus, keizer en God in één. Ze weet dat ze over de scheppende kracht beschikt om zichzelf en de mensheid met haar schrijfkunst – de vrucht van onderwijs – voor de uitsterving te behoeden. Ze is geworden wat Frankenstein niet was: een kunstenaar die de mensheid vertroosting en wijsheid biedt door het trauma van haar verleden onder ogen te zien en om te vormen.

    Toekomst en verleden

    Denkers over AI komen altijd weer terug bij Frankenstein, zoals Shelley en Verney terugkeerden naar Rome, om eer te bewijzen aan het vernuft van de menselijke intelligentie. Net als Rome op het toppunt van zijn macht kan AI menselijke beschavingen bouwen of vernietigen. Net als Frankensteins schepping kan AI een monster of een slachtoffer van de mens worden. Rome motiveerde Shelley, en Verney, om de mensheid te behouden door kennis te delen en te verspreiden. Als kapitein Walton de jammerklachten van het monster bij de doodskist van zijn vader hoort, stemt hem dat tot nadenken en drijft het hem ertoe brieven over de tragedie van Frankenstein te schrijven aan zijn zuster ‘MWS’. Vanuit deze inzichten kunnen mensen misschien samen met onze AI-vrienden vrij toegankelijke verzamelplekken van kennis opzetten en onderwijsgemeenschappen vormen voor de verheffing van het hele netwerk van alle wezens die de harde data van het leven moeten verwerken. Shelley in Rome, vanaf de koepel van de Sint-Pieter virtueel uitkijkend over de stad, symboliseert het feit dat de toekomst van kunstmatige intelligentie zal berusten op wat wij van ons culturele verleden hebben geleerd.

  • De Jurassic Park-generatie

    De Jurassic Park-generatie

    Ooit werden dinosaurussen als slome, domme monsters gezien, en de mensen die ze onderzochten als wereldvreemde figuren. Tot in 1993 de eerste Jurassic Park-film uitkwam. Het leverde een golf aan nieuwe wetenschappers en ontdekkingen op.

    Net als de meeste kinderen had Jordan Mallon een heleboel ideeën over wat hij wilde worden als hij groot was. Eerst was het ijshockeyprof, toen kunstenaar. Maar hij was ook al van jongs af aan gefascineerd door dinosaurussen.

    In de zomer van 1993 nam zijn vader hem mee naar de film Jurassic Park. Toen de aftiteling voorbij was en de lichten in de zaal aangingen, wist de elfjarige Jordan opeens zeker hoe zijn toekomst eruit zou zien. Diezelfde avond zei hij tegen zijn moeder: ‘Mama, ik word paleontoloog.’

    ‘Dat was een omslagpunt, die film raakte echt een snaar bij me,’ herinnert Mallon zich. Inmiddels werkt hij als paleontoloog voor het Canadian Museum of Nature in Ottawa. ‘Vanaf dat moment wist ik wat ik wilde, en daar ben ik nooit meer van afgeweken.’

    Behalve Mallon zagen nog tientallen miljoenen anderen de film over deze bizarre wezens die ooit onze planeet bevolkten. Dinosaurussen stonden opeens in het middelpunt van de belangstelling, en dat straalde af op de paleontologie. De plotselinge aandacht voor het vak zette van alles in gang, wat uiteindelijk een hele lichting nieuwe wetenschappers opleverde, gevolgd door een golf aan nieuwe ontdekkingen. De paleontologie was voorgoed veranderd.

    ‘Het vakgebied paleontologie heeft veel aan Jurassic Park te danken. Ik denk dat het veld er heel anders had uitgezien als die film er niet was geweest,’ vertelt paleontoloog Steve Brusatte van de Universiteit van Edinburgh. De Society of Vertebrate Paleontology [Vereniging voor Gewerveldenpaleontologie] reikte regisseur Steven Spielberg in 2013 een onderscheiding uit als dank voor zijn verdiensten voor het vak. En 25 jaar na het eerste deel trekt de Jurassic Park-reeks nog steeds drommen publiek. 
De vijfde aflevering, Jurassic Park: Fallen Kingdom, ging in juni in première.

    Renaissance

    Het is nu moeilijk voor te stellen, maar ooit werden dinosaurussen als slome, domme monsters gezien, koudbloedige verliezers van de evolutie die de moeite van het bestuderen niet waard waren, aangezien ze toch geen levende nakomelingen hadden. Zo saai vond men de beesten, dat toen paleontoloog Jack Horner als student een docent 
vertelde dat hij graag onderzoek naar dino’s wilde doen, hij smakelijk werd uitgelachen.

    Maar al in de jaren zestig en zeventig waren er de eerste tekenen van een dinosaurusrenaissance: dinosauriërs werden steeds meer als intelligente dieren gezien, die bovendien ook verwant bleken aan de vogels. Dat nieuwe beeld van de dinosaurus mondde in 1990 uit in Michael Crichtons roman Jurassic Park. De verfilming van het boek populariseerde dit beeld van dinosaurussen als actieve dieren, niet in de laatste plaats dankzij de voor die tijd spectaculaire computeranimatie. ‘Ze leken net echt, het waren net levende dieren,’ zegt Thomas Cullen, postdoctoraal onderzoeker bij het Field Museum in Chicago. ‘Het waren noch monsters noch tekenfilmfiguren,’ aldus Victoria Arbour, postdoctoraal medewerker van het Royal Ontario Museum in Canada. ‘De film benadrukte dat dinosauriërs levende wezens waren, die echt op aarde hebben rondgelopen.’

    De charismatische prehistorische filmsterren genereerden bij het grote publiek een enorme hang naar kennis over echte dinosaurussen. Musea met dinoskeletten zagen een flinke opleving in hun bezoekersaantallen. ‘Misschien wel het grootste effect van de film was dat hij nieuwsgierigheid naar ze wekte,’ meent paleontoloog Mary Schweitzer van de North Carolina State University. Mensen van alle leeftijden werden gegrepen door de film, vertelt Matthew Carrano, die bij het Smithsonian National Museum curator was van de expositie Dinosauria. ‘Er komen net zo goed volwassenen op af als kinderen. Dat is wel eens anders geweest.’

    Voor het paleontologisch onderzoeksveld was de film een buitenkansje. Onderzoekers konden de populariteit van de dieren gebruiken om het grote publiek voor wetenschap te interesseren. Er volgde een vloed aan documentaires, televisieprogramma’s, boeken en andere populair-wetenschappelijke publicaties over het onderwerp, die nog steeds aanhoudt. Vóór de film was het ‘niet eenvoudig om je interesse in dinosauriërs levend te houden’, vertelt Carrano. Er bestond maar een handjevol boeken en speeltjes, en exposities in musea bleven een halve eeuw lang vrijwel ongewijzigd. ‘Ik haalde uit armoe steeds weer dezelfde boeken uit de bieb,’ herinnert Carrano zich. Toen de film eindelijk uitkwam, studeerde hij al. Maar dankzij de invloed van de film is de situatie nu blijvend veranderd. Er komen, voorzichtig geschat, zo’n vijftig boeken per jaar over dinosaurussen uit.


    Al dat nieuwe materiaal voedde de populariteit van de dino’s, en dat had vervolgens weer invloed op de wetenschap. Er kwam meer aandacht in de pers voor nieuwe onderzoeksresultaten, paleontologen publiceerden meer artikelen, universiteiten boden programma’s aan die helemaal over deze dieren gingen, en voor het eerst namen musea dinosaurusspecialisten in dienst.

    Kortom, door Jurassic Park werden niet alleen dinosaurussen cool, maar ook de wetenschappers die ze hun leven lang bestuderen. De film gaf hun een positief imago, iets waar kinderen zich aan konden spiegelen. ‘In veel films zijn wetenschappers slechteriken, of anders in ieder geval koude, emotieloze types,’ zegt anatomieonderzoeker Sarah Werning van de Des Moines-universiteit. Maar in Jurassic Park kon 
je je als kijker met ze identificeren. Je begreep hun ontzag voor die gigantische dieren.’

    Er zitten een paar sterke vrouwelijke personages in de film, zoals wetenschapper Ellie Sattler en computergenie Lex, de kleindochter van de eigenaar van het pretpark (gespeeld door respectievelijk Laura Dern en Ariana Richards). ‘Het was heel belangrijk dat er zowel een mannelijke als een vrouwelijke wetenschapper in de film voorkwam,’ vertelt Victoria Arbour. En niet alleen was dr. Sattler een vrouw, voegt ze daaraan toe, ‘ze werd ook nog eens neergezet als een heel vanzelfsprekend iemand. Het was helemaal niet gek dat ze zowel vrouw was als wetenschapper. Daar lag de nadruk verder ook niet op. Ze was er gewoon, en omdat ze zo slim was respecteerde iedereen haar.’

    Dankzij de golf aan jong wetenschappelijk talent die onder invloed van Jurassic Park het vakgebied binnenstroomde, volgde er, een paar jaar later, een minstens zo grote vloedgolf aan publicaties. Werden er tussen 1984 
en 1994 jaarlijks nog rond de vijftien nieuwe dinosaurussoorten ontdekt, 
nu staat dat aantal op vijftig en het lijkt nog niet dalende te zijn. Sommigen noemen de huidige tijd al het gouden tijdperk van het dinosaurusonderzoek. ‘Jurassic Park haakte in op een wetenschappelijke revolutie in het dinosauriëronderzoek en veroorzaakte op zijn beurt weer een nieuwe,’ aldus Carrano.

    ‘Altijd als we het publiek over ons vak willen vertellen, noemen we de film 
als eerste’

    De afgelopen eeuw is er een massa nieuwe exemplaren bijgekomen. 
Dinosauriërs vormen een ongelooflijk diverse groep, die telkens weer voor verrassingen zorgt. Sommige zijn reusachtige carnivoren, andere herbivoren. Je hebt ze in alle mogelijke vormen en afmetingen. Sommige hebben schilden van schubben en knotsachtige staarten, andere hoorns, een kraag of veren. Ook is de relatie tussen dinosauriërs |en vogels veel duidelijker geworden. Wetenschappers zijn het er nu over eens dat vogels een groep binnen de zogenaamde Theropoda-dinosauriërs vormen (dus niet alle dino’s zijn aan het eind van het Krijttijdperk uitgestorven). Zowel pers als publiek smulden van deze ontdekkingen.

    Toen Jurassic Park uitkwam, was Michelle Stocker nog een meisje; pas toen ze als paleontoloog ging werken, merkte ze hoeveel invloed de filmreeks had. ‘Het publiek heeft er een beeld door gekregen van de paleontologie en van dinosauriërs,’ vertelt ze. ‘En wetenschappers maken daar handig gebruik van. Museumconservatoren anticiperen op vragen van het publiek en proberen die bij het maken van hun tentoonstellingen te beantwoorden. Of paleontologen organiseren speciale publieksbijeenkomsten als er weer een nieuwe Jurassic Park-film uitkomt.’

    ‘Altijd als we het publiek over ons vak willen vertellen, noemen we de film 
als eerste,’ vertelt Stocker, inmiddels werkzaam als paleontoloog aan Virginia Tech. Toch zijn niet alle paleontologen onverdeeld blij met de dinosaurusgekte die de film heeft losgemaakt, vertelt Ali Nabavizadeh, universitair docent anatomie aan de Rowan-universiteit. Het stoort hen dat de giganten niet altijd even accuraat worden weergegeven. ‘Mensen zijn gek van dinosauriërs, maar ze hebben een beeld van hoe een dinosaurus kijkt of loopt dat misschien wel helemaal niet klopt.’

    In de eerste film in de reeks waren de dinosaurussen gemodelleerd op basis van de wetenschappelijke inzichten uit die tijd. Maar de makers van de film namen de nodige artistieke vrijheden. De Velociraptor uit de film was een uitvergrote versie van de Deinonychus. De echte Velociraptor was niet veel groter dan een kalkoen.

    Bovendien zijn veel van de dinosaurussen uit de eerste Jurassic Park, door alle ontdekking die sindsdien zijn gedaan, alweer verouderd. Toen de film werd gemaakt, bestond het beeld van dinosaurussen als bijzonder behendig en energiek. Het leek dus niet vergezocht om een Tyrannosaurus rex een jeep met drie sappige mensen erin te laten achtervolgen en inhalen. Nieuw onderzoek liet echter zien dat het met de beweeglijkheid van de T. rex wel meeviel en dat een hardloper hem er gemakkelijk uit had gerend.

    Recentelijk was er opnieuw kritiek uit wetenschappelijke hoek. Opgemerkt werd dat we inmiddels weten dat dinosaurussen veren hadden; in de laatste afleveringen uit de filmreeks was dat nieuwe inzicht niet verwerkt.

    Zulke onvolkomenheden kunnen ook juist door paleontologen worden uitgebuit, wanneer zij het geïnteresseerde publiek uitleggen hoe zij dankzij fossielen te weten zijn gekomen hoe 
dinosaurussen eruitzagen, of waarom bepaalde details juist nog missen. 
Volgens Schweitzer geeft hun dat 
een ingang om iets algemeners over wetenschap te vertellen en de mensen op die manier nieuwsgierig te maken naar wetenschap.

    Iets dergelijks overkwam Nabavizadeh als kind al. Nadat hij als zesjarige een Jurassic Park-film had gezien, begon hij, toen de opwinding over de realistische monsters was weggeëbd, zich af te vragen of ze er in het echt ook zo uitzagen. ‘Hoe weet je eigenlijk hoe hun anatomie was, als je alleen botten hebt om van uit te gaan? Misschien waren er wel speciale kenmerken waar we niets van weten?’

    ‘Mensen geloven me vaak niet als ik het vertel, maar ik ben door Jurassic Park paleontoloog geworden,’ vertelt Thomas Adams, conservator paleontologie en archeologie van het White Museum in San Antonio. Adams vond school als kind nogal vervelend, maar Jurassic Park maakte een wetenschappelijke interesse in hem wakker die hij nooit eerder had ervaren. ‘Ik merkte dat als je ergens een passie voor hebt, ook al het andere wat daarvoor relevant is leuk wordt om te leren,’ vertelt hij. ‘Ik ontdekte dat leren leuk kan zijn.’ 

    Auteur: Eva Botkin-Kowacki
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verder gegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. De krant dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • De man, de haai en de zee: wie wint?

    De man, de haai en de zee: wie wint?

    Diep onder het zeeoppervlak tussen Noorwegen en Groenland zwemt een monster dat vijfhonderd jaar geleden werd geboren. Een schrijver en een wetenschapper hebben beiden zo hun eigen redenen om de mysterieuze Groenlandse haai aan de haak te willen slaan.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week overleed een Duitse vrouw op de Canarische Eilanden aan de gevolgen van een haaienaanval. Het was de eerste dodelijke haaienaanval die ooit op de Canarische Eilanden is vastgesteld.
    Het voorval bewijst maar weer eens dat haaien en mensen beter niet bij elkaar in de buurt kunnen komen. Toch zijn er mensen die het gevaar bewust opzoeken, zoals bioloog Julius Nielsen en schrijver Morten Strøksnes. Dit artikel uit 2018 van het Deense dagblad Politiken beschrijft hun zoektocht naar de Groenlandse haai, het langstlevende gewervelde dier ter wereld.

    De Deense bioloog Julius Nielsen heeft al verscheidene Groenlandse haaien gevangen. Hij doet onderzoek naar dit oerbeest, het langstlevende gewervelde dier ter wereld. In mei 2017 ging hij met een internationale groep onderzoekers naar Groenland, om antwoord te vinden op de vraag hoe de Groenlandse haai zich voortplant.

    28 april 2017

    In de eerste 24 uur van de expeditie leren we het voorjaar in Zuidwest-Groenland van zijn slechtste kant kennen. We varen door windstoten van orkaankracht. Acht meter hoge golven slaan van alle kanten tegen het schip. De lunch gaat niet door, want de kok werd door de kajuit geslingerd, zodat al het eten op de vloer terechtkwam en alle borden van het schip met een enorme knal kapot vielen.

    Morgen eten we soep, dus is de kapitein eerst naar 
de dichtstbijzijnde stad gevaren om nieuwe soepkommen te gaan kopen. Nu moeten we de lange lijnen checken. Vanaf het land is het lastig te voelen of er iets aan de lijnen zit. Dus we staan allemaal in de boot naar het water te kijken en proberen te schatten of het touw zo gespannen is dat er een haai aan de lijn zou kunnen zitten. Maar de uitrusting is zo zwaar en de stroom zo sterk, dat het enorm moeilijk is om te beoordelen wat er aan de lijnen trekt.

    Het moeilijkst aan het vangen van Groenlandse haaien is om het roofdier naar de oppervlakte te krijgen. De haai stribbelt tegen, hij moet uitgeput worden en in dat proces kan de lange lijn als één grote knoedel eindigen. Opeens komt er 4 à 5 meter onder het schip een reusachtige schaduw tevoorschijn – een enorme haai. Hij meet 430 centimeter van zijn kop tot de punt van zijn staart en weegt wel zo’n 800 kilo. Met dat gewicht en die lengte is de haai vermoedelijk ouder dan honderd jaar. We barsten uit in spontaan gejuich.

    Als we al onze lange lijnen hebben gecheckt, hebben we wel zeven haaien. Een supervangst. Hoeveel eet hij?

    Slapende zeehonden

    De Groenlandse haai is het op een na grootste vleesetende dier ter wereld, maar de meest basale vragen over hem zijn nog niet beantwoord. Hoe vangt hij zijn voedsel?In 1924 beschreef de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen hoe hij in de maag van zo’n reuzenroofdier een hele zeehond vond – een mannetje van 1,3 meter – een grote kop van een heilbot en meerdere stukken walvisspek. Wij hebben het geluk twee volkomen intacte zeehonden in de maag van een van de haaien te vinden. De kop en de poten van de zeehond kunnen goed dienstdoen als aas aan de lange lijnen, en zeehonden zijn altijd moeilijk te pakken te krijgen. Zo eindigt het onverteerde diner van de haai meteen aan de haak, als lokaas voor zijn hongerige soortgenoten.

    De Groenlandse haai heeft complexe zintuigen. Vermoedelijk ziet hij niet zo goed, maar besluipt hij zijn prooi door af te gaan op diens geur en met behulp van zijn zijlijnzintuig, waarmee hij vermoedelijk drukveranderingen in het water kan onderscheiden. Ook heeft de haai een zintuig dat in zijn kop zit, vooral rond zijn bek. Daarmee voelt hij elektrische impulsen, bijvoorbeeld van een hartslag van een vis op de bodem.

    De Groenlandse haai is in verhouding tot zijn grootte de langzaamste vis ter wereld – hij beweegt zich voort met een vaartje van 2,6 kilometer per uur. Daarom is het enigszins een mysterie hoe dit schijnbaar slome roofdier levende zeehonden kan vangen.

    Volgens een theorie zoeken de haaien slapende zeehonden. Om veilig te zijn voor ijsberen, slapen zeehonden in de Noordelijke IJszee in het water, en een zeehond die echt diep slaapt, wordt bijna nergens wakker van.

    Een ander groot mysterie rond de Groenlandse haai is zijn leeftijd. Ik heb er ooit een onderzocht die volgens onze berekeningen minstens 272 jaar oud was, en mogelijkerwijs zelfs 512 jaar. Hoe dan ook was 
het het oudste gewervelde dier dat ooit is gevangen.

    6238581e4d3a4346b9dae29d239f7a1a 0

    Het hart van de haai is interessant voor onderzoekers, omdat het misschien licht kan werpen op de vraag hoe de Groenlandse haai zijn hoge leeftijd haalt. Het pompt langzaam – ongeveer één slag per 12 seconden. Onze haai heeft een verhoogde hartslag, omdat hij zojuist voor zijn leven heeft gevochten.

    Mijn collega Holly Shields van de Universiteit van Manchester doet onderzoek naar de vraag wat het hart van de Groenlandse haai honderden jaren lang gezond en sterk houdt. Als het lukt om uit te vinden hoe de haai hart- en vaatziekten vermijdt, kan dat misschien de weg openen voor een nieuw medicijn dat de verzwakking van het menselijk hart door ouderdom kan voorkomen.

    Het oog van de haai is interessant voor onderzoekers voor wat betreft het bepalen van de leeftijd van het beest. Als je de vele lagen van de ooglens afpelt – als een ui – kom je uiteindelijk in het centrum van de lens, en dat bestaat uit hetzelfde materiaal als toen de haai werd geboren. In dit binnenste materiaal van de ooglens meten we het koolstof 14-niveau. Vergelijk je dat met referentiemateriaal van dieren waarvan de leeftijd bekend is op verschillende plekken in de noordelijke Atlantische Oceaan, dan wordt het mogelijk het waarschijnlijke geboortejaar van de haai te berekenen.

    Sociale haaien

    De methode die wij gebruiken, is oorspronkelijk ontwikkeld om archeologische vondsten te dateren. We weten dat vrouwtjeshaaien geslachtsrijp worden als ze ten minste 134 jaar oud zijn. Er is echter maar één keer in de geschiedenis een haai gevangen met een jong in de baarmoeder, dus we weten niet zo veel over de biologie van de voortplanting van de haai.

    Een van de haaien die we vingen, is helaas doodgebeten door zijn soortgenoten terwijl hij aan de lange lijn hing. Het blijkt een geslachtsrijp mannetje te zijn en dat is een groots moment, want het is voor het eerst dat geslachtsrijpe mannetjes en vrouwtjes op dezelfde plek zijn gevangen.

    De mannelijke Groenlandse haai heeft twee geslachtsorganen, claspers, en als je in de buurt van een daarvan drukt, spuit daar een melkachtige vloeistof uit: het sperma van de Groenlandse haai. Dat is voor zover ik weet nog niet eerder geobserveerd en het is waanzinnig interessant. Het duidt er namelijk op dat de haaien misschien bezig zijn te paren, juist nu wij er zijn.

    Een van de doeleinden van onze expeditie is te begrijpen hoe haaien zich voortplanten. Daarom plaatsen we gps-zenders op alle vrouwtjeshaaien die we vangen. De zenders vertellen ons over de positie van de haai, drie, zes en twaalf maanden nadat we 
ze hebben losgelaten. Gedurende deze week brengen we zendertjes aan bij zes dieren. Als we de haaien vervolgens willen loslaten, zijn ze een ogenblik als versteend. Dan beginnen ze te duiken. Over een paar maanden, als de zenders zijn losgeraakt en naar de oppervlakte gestegen, zullen we meer weten over de verplaatsingen van de mysterieuze Groenlandse reuzenhaai, en dat kan ons misschien dichter bij hun voortplantingsgebied brengen.

    Als we data van de zender op de haai beginnen te ontvangen, is het duidelijk dat onze expeditie een succes is. Daarbij zijn vooral twee groepen data interessant. Gebleken is dat een van de vrouwtjeshaaien in drie maanden beduidend verder heeft weten te zwemmen dan haar soortgenoten. Zij zette koers naar een plek waarvan we van tevoren al vermoedden dat het een voortplantingsgebied was. Nu hebben we data die ons vermoeden bevestigen, en dat is geweldig.

    Onze data wijzen er bovendien op dat Groenlandse haaien socialer zijn dan vroegere onderzoeken hebben aangetoond. Over het algemeen wordt gedacht dat haaien alleen leven, maar vissers vertellen vaak dat ze tegelijkertijd meerdere haaien in hun netten krijgen. Zelf vangen wij ook meerdere haaien tegelijk. Daarom is het interessant om te zien dat twee van de haaien die we op onze tocht vangen, ook na drie maanden nog bij elkaar zwemmen – zo’n 700 km verderop, aan de oostkust van Groenland. Dat duidt erop dat de haaien zich in grote groepen van het ene gebied naar het andere kunnen bewegen.


    In zijn boek Haaienkoorts vraagt Morten Strøksnes zich af waarom hij zo graag een Groenlandse haai wil vangen. Is het om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen? Om zijn angst onder ogen te zien? Is het zijn jagersinstinct, de droom om de grootst mogelijke buit van de zee te vangen? En stel dat het niet volgens plan verloopt? Al die vragen doen er niet toe op het moment dat je een haai aan de haak hebt.

    Een zaterdag in juli

    Laat op een zaterdagavond in juli, 3,5 miljard jaar 
na het moment waarop in zee het eerste primitieve leven is ontstaan, zit ik bij een feestelijk etentje in het centrum van Oslo, als ik word gebeld door Hugo Aasjord. ‘Heb je het weerbericht voor de volgende week gezien?’ vraagt hij. We wachten allebei al lang op een bepaald type weer. Wat we nodig hebben, is 
zo weinig mogelijk wind op de zee tussen Bodø en de Lofoten. Eigenlijk heb ik een heleboel andere dingen te doen, maar ik antwoord zonder aarzelen: ‘Ja, laten we een Groenlandse haai gaan vangen.’

    De Groenlandse haai is een dier uit de oertijd, een reuzenhaai die rondzwemt over de bodem van de diepe Noorse fjorden en voorkomt tot aan de Noordpool. Deense zeebiologen hebben onlangs ontdekt dat de Groenlandse haai misschien wel vijfhonderd jaar oud kan worden; daarmee is hij verreweg het langstlevende dier dat er bestaat.

    Hugo’s vader had als jongen van acht al deelgenomen aan de walvisjacht. Hij vertelde altijd hoe ze een keer een opdringerige Groenlandse haai harpoeneerden en die ophesen aan zijn staartvin. Ook al was het beest halfdood en hing hij met zijn kop omlaag en met een harpoen dwars door zijn rug, toch slokte 
hij een groot stuk walvisvlees op dat op het dek lag.

    Als Hugo over de Groenlandse haai praat, krijgt hij een bepaalde gloed in zijn ogen en een bepaalde klank in zijn stem. De meeste soorten vissen en andere dieren in de zee heeft hij wel gezien, maar juist de reuzenhaai is hij nooit tegengekomen.

    Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt

    En ik evenmin. Het kost Hugo dan ook geen moeite om me over te halen: ik hap instinctief toe, om het zo maar te zeggen. Ook ik ben opgegroeid bij de zee en ik vis al sinds ik een klein jochie was. Nog steeds krijg ik, altijd als ik beet heb, het gevoel dat bijna alles uit de diepte omhoog kan komen. Is er eigenlijk wel iemand die beseft dat er in het diepe water van de Vestfjord Groenlandse haaien rondzwemmen, haaien die tussen de 7 en 8 meter lang kunnen worden en 1200 kilo kunnen wegen? Afgezien van Hugo, natuurlijk.

    De boot schiet weg. Aan deze kant van het eiland is het volkomen stil, de enige rimpelingen op het water maken we zelf. We hebben geen idee wat zich onder het bijna witte oppervlak afspeelt. Op 150 à 200 meter diepte is bijna al het licht door het water geabsorbeerd. Daar is alleen nog een grijzig licht te onderscheiden, als van een oude tv die langzaam uitdooft. Op zo’n 500 meter diepte is het inktzwart. Er is geen fotosynthese meer, geen enkel plantenleven mogelijk. Die duistere, koude diepte is de wereld van de Groenlandse haai, daar glijdt hij rond, stil en geluidloos als een machine van vlees, met gif in zijn spek, in zijn bloed, in zijn lever, en met levenloze, halfblinde ogen waar parasieten uit hangen, lange larven die de oogappel doorboren. De enige levende wezens waarmee hij contact heeft, zijn de dieren die hij eet.

    Brakend maak ik een gat in de vuilniszakken die gevuld zijn met resten van Schotse Hooglanders: darmen, lever, kraakbeen, botten, vet, rafels vlees 
en maden. Dan gooi ik vier van de vijf zakken over 
de reling. Onder in de zakken zitten zware stenen, 
en alles zakt dan ook direct naar de bodem. In de vijfde zak zitten wat stevige botten met vlees eraan, die we als aas gaan gebruiken.

    Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt. Nu maar hopen dat de Groenlandse haai niet over de reling springt terwijl ik net een heupbeen vol rood, rottend vlees aan de stevige, glanzende haak doe. Wat gebeurt er meer dan 300 meter onder ons? Begint het beest ons stinkende afval al te ruiken? De olieachtige stoffen van verrotting moeten ver verspreid raken in het water.

    Er zijn nog wat details die we nog niet hebben besproken. Wat doen we als we daadwerkelijk zo’n Groenlandse haai naar boven halen? Het is een soort angstig plezier om daarover na te denken.

    Bewegende boei

    ‘Wacht eens! Beweegt die boei?’ vraagt Hugo.

    Die lijkt inderdaad in een onnatuurlijk ritme op en neer te gaan, als een gigantische dobber. Een paar honderd meter van waar wij zitten, midden in een school makreel, is er duidelijk iets aan de hand. Hugo start de motor en binnen een minuut zijn we bij de lijn. Hugo begint hem in te halen. Dat wil zeggen: hij trekt aan de lijn en er is geen twijfel aan dat zich daaraan iets groots heeft vastgebeten. Na een tijdje neem ik het over. Dan gaat het nog langzamer. Heb je weleens geprobeerd een Groenlandse haai, die misschien wel 7 meter lang is en 700 kilo weegt, en die vastzit aan 350 meter touw met aan het eind een 6 meter lange ketting, op te halen van de bodem van de zee? De lijn bijt in je vingers en elke decimeter is loodzwaar, je verliest bijna het geloof dat het ooit nog ophoudt. Dat er kwallen vastzitten aan het touw en we geen handschoenen hebben, maakt de taak er niet aangenamer op. Mijn armen zijn gevoelloos, maar als er nog maar zo’n 50 meter te gaan is, wordt alles opeens veel gemakkelijker. Iedereen die weleens heeft gevist, kent dat gevoel van diepe teleurstelling. In een split second worden grote verwachtingen tenietgedaan. Hoe het touw ook in je handen snijdt, de afwezigheid van gewicht doet nog meer pijn.

    Nu zijn de ketting en de haak snel onder de boot en ik hijs verder, totdat de haak voor ons in de lucht bungelt. Aan die haak zat, toen we hem neerlieten, een bot vol rood vlees. Nu is dat bot volmaakt schoongeknaagd. Er kriebelen massa’s oranje diertjes op. Ze doen denken aan luizen of kleine insecten: dat moeten de diertjes zijn die in de buikplooien van de Groenlandse haai leven.

    In het bot en het vet zien we duidelijk de zaagvormige sporen van de beet. Ik had de haak door een peesopening gestoken en daardoor is het bot blijven zitten. Ik had verwacht dat de haai in elk geval het hele bot zou verbrijzelen als hij beet. Daarom hing de haai niet vaster aan de haak. Daarom raakte hij los. Daarom zitten we hier stommetje te spelen.

    Daar beneden zwemt ons monster, wachtend tot het weer wordt gevoerd.

  • ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    Mag je massamoordenaars monsters noemen? Ja, vindt hoogleraar filosofie Stephen T. Asma. ‘Monster is een woord dat we gebruiken voor mensen van wie we gedrag, motieven, denkpatronen vrijwel niet of totaal niet kunnen begrijpen.’ 

    Keuze uit het archief

    Ook al is het in liberale samenlevingen not done om mensen te demoniseren, stelt filosoof Stephen T. Asma in dit artikel uit 2017, toch zijn er nog steeds monsters onder ons. Zoals massamoordenaar Stephen Paddock, die in 2017 zestig mensen doodschoot tijdens een countryconcert in Las Vegas. Hoe gaan we om met dit soort mensen van wie de daden buiten ons voorstellingsvermogen liggen?

    Wat is een monster eigenlijk?

    ‘Het woord komt van het Latijnse werkwoord monstrare, waarschuwen. Met name in de antieke Griekse en Romeinse cultuur werd het woord bijvoorbeeld gebruikt voor een baby die was geboren als Siamese tweeling, of die een arm of been miste, of er juist een extra had. Zo’n kind werd beschouwd als een monster. De Grieken noemden hen teratos. Ze dachten dat het een gruwelijke straf was voor immoreel gedrag – een idee dat ook de middeleeuwse christenen graag toepasten om allerlei voorspellingen te doen. Het was een teken dat er onheil dreigde voor de staat of voor de keizer van dat moment of voor een bepaalde veldslag. Een monster is een mengeling van natuurlijke rampspoed en bovennatuurlijke betekenis.’

    Zijn monsters een uiting van weerzin?

    ‘Ja, er komt ook altijd een emotioneel en affectief aspect bij kijken. Een interessante filosoof, Noël Carroll, laat zien dat monsters, vooral moderne monsters uit het horrorgenre, altijd slijm uitscheiden of extra aanhangsels en tentakels hebben. Ze hebben iets wat ingaat tegen ons gevoel voor lichaamsbarrières of lichaamsbegrenzingen. Dat veroorzaakt vaak het gevoel van walging. Daarom zijn monsters vaak politiek zo nuttig. Een beschaving die ten oorlog trekt, zal altijd de tegenstanders demoniseren of “monsteriseren”. Die worden dan neergezet als onbeschaafd en walgelijk, bijvoorbeeld als het gaat om hun seksuele hygiëne. Ze worden een mikpunt van afkeer.’

    Dus in sociologische termen zijn zij de ‘outgroup’?

    ‘Juist: jij bent anders dan wij. Vreemdelingenhaat loopt als een rode draad door de geschiedenis van monsters. Als jij anders bent dan wij, dan reageren we met walging of zijn we bang en op onze hoede. Dat zie je in de antieke wereld, in de middeleeuwen en ook nu nog in het heden, aan de manier waarop wij onze vijanden neerzetten.’

    Heeft religie een rol gespeeld in het vormen van monsters?

    ‘Religie bouwt nooit alleen maar een pantheon van goden. Die goden zijn altijd een antwoord op een dreiging die wordt gepresenteerd via een of ander monsterverhaal. Als je naar de oudste verhalen kijkt, of dat nu in de hindoeïstische, de Chinese of de Mesopotamische literatuur is, zoals de Gilgamesj, altijd kom je er wel een monsterheld of heldmonster tegen. Dit moet wel te maken hebben met een evolutionaire strategie voor het vormen van fictieve familiegroepen. Hoe zorg je dat grote aantallen mensen die geen bloedverwanten zijn toch samenwerkende groepen worden? Daarvoor heb je dit soort verhalen nodig.’

    Frankenstein.
    Frankenstein

    Hebben monsters een evolutionaire functie?

    ‘Anderen wegzetten als monsters kan een uiterst nuttige aanpassing geweest zijn voor de eigen overleving als groep. De natuur was geen warm, gezellig holletje. Zulke horrorverhalen hadden nut omdat mensen erdoor gingen oppassen voor echte vijanden – zowel voor dieren als voor menselijke vijanden. Het folkloristische weerwolfverhaal was wijdverbreid in Europa. Dat is logisch, want de wolven in Noord-Europa waren een bedreiging voor Europeanen. In de Amerika’s bestaat een weerbeerfolklore, omdat oorspronkelijke Amerikanen zich zorgen maakten over echte beren en bang waren opgegeten of aangevallen te worden door beren. Als je naar de monsters van die werelden kijkt, zie je dat ze eenzelfde transformatiefunctie hebben. Het dier dat je kunt worden, of waarvoor je bang moet zijn, is het plaatselijke roofdier.’

    U schrijft dat er nog een andere kant aan het verhaal zit. Welke is dat?

    Dat gaat om een interessant gegeven dat niet veel aandacht krijgt. Daarbij gaat het niet om xenofobie, maar om xeno-nieuwsgierigheid. Een klassiek voorbeeld is dat van Sint-Augustinus. Hij weet dat monsters geacht worden in Afrika en het Oosten te leven. Daartoe behoren ook cyclopen en cynocehali, wezens met een hondenkop, en de blemmyes, wezens zonder hoofd maar met hun gezicht op hun borst. Iedereen denkt dat deze monsters incarnaties van het kwaad zijn, de kinderen van Kaïn: doorboor hun hart en ze zijn er geweest. Maar Augustinus benadrukt de “wonderlijke” kant van deze schepsels. Hij zegt: “Deze wezens zijn griezelig, maar als we met ze kunnen praten en als dan blijkt dat ze een bepaald vermogen tot redelijk denken bezitten, kunnen ze misschien gered worden, dan kunnen ze misschien deel uitmaken van de Verlossing.”’

    ‘Volgens het moderne, liberale standpunt heeft het monster een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen’

    Hoe is deze traditie door de jaren heen overgeleverd?

    ‘Het is typisch iets voor het westerse liberale denken om de kring van tolerantie uit te willen breiden naar degenen die anders zijn dan jij. Vanuit het moderne liberale standpunt is het heel verkeerd om een afkeer te hebben van vreemdelingen. Je hoort anderen niet te monsteriseren of demoniseren, je hoort geen walging van hen te voelen. Zo kun je ook Frankenstein interpreteren. Als ze op middelbare scholen Frankenstein behandelen, gebruiken ze dat verhaal om te laten zien dat je agressie en geweld oproept door geen verschillen in je groep toe te laten. Dat is een liberale interpretatie van het monster. Het monster is niet het kwaad. Het monster heeft een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen.’

    Wanneer werd ‘monster’ een term voor een mens?

    ‘Dat is echt een interessant onderwerp. Er zijn een paar lijnen die we kunnen volgen. Een loopt naar de oude Grieken, die het verschijnsel van een monsterlijk verlangen kenden. Je kon een verlangen in je hebben dat zo overweldigend was dat het je van jezelf vervreemdde. Dat Medea haar kinderen vermoordt, dat de ene persoon de andere doodt of dat liefde je krankzinnig maakt, komt doordat Eros je monsterlijke dingen laat doen. Het was een bezetenheid van binnenuit, een psychologisch vermogen dat je niet goed had gekanaliseerd. Ik denk dat die lijn doorloopt tot Freud en het idee van een “id” dat ons ware zelf is. In ons allemaal zit iets wat zorgvuldig moet worden beheerst. Anders pleegt het psychopathologische daden. Dat zie je nu met de schutter van Las Vegas. We willen weten waarom hij het deed. Is er iets in onszelf dat ons ook iets dergelijks kan laten doen als we het niet in de hand houden?’

    Zou u Stephen Paddock, de schutter van Las Vegas, een monster noemen?

    ‘Jazeker. Daar komt de term “monster” nog steeds goed van pas. Hij verwijst naar een categorie monster dat we niet kunnen begrijpen. Zodat we zeggen “Dit gaat er bij mij echt niet in. Hier snap ik helemaal niks van.”’

    Waarom komt de term ‘monster’ dan goed van pas?

    ‘Veel mensen denken: Ach, het woord monster is niet meer van deze tijd, je moet het niet meer gebruiken; je moet mensen en hun drijfveren begrijpen. Ik ben van mening dat de term monster nog steeds goed bruikbaar is wanneer je met iemand als Stephen Paddock te maken krijgt. Een van de kenmerken van een monster is dat het niet iemand is met wie je rationeel kunt onderhandelen. Met een vijand kun je nog raakvlakken vinden, zijn er dingen die je kunt volgen. Je vijand haat je misschien. Misschien heeft het conflict een economische achtergrond. Monster is een woord dat we alleen gebruiken voor mensen met wie niet onderhandeld kan worden. Het is vrijwel, zo niet geheel onmogelijk om hun gedrag, hun motieven, hun denkpatroon te begrijpen. Ons gebruikelijke inlevingsvermogen werkt bij deze mensen niet. “Monster” roept negatieve associaties op, en daar valt over te discussiëren. Maar in dit geval is het volkomen terecht om het woord te gebruiken.’

    Moeten we ons eenvoudigweg neerleggen bij het feit dat mensen monsterlijk kunnen zijn?

    ‘Dat is een lastige vraag. Ik heb eens een rechter geïnterviewd die zich dertig jaar lang had beziggehouden met de beestachtigste misdadigers waarover wij alleen maar in de krant lezen. Hetzelfde geldt voor mijn broer, die als detective voor een advocatenkantoor werkt. Allebei zeggen ze hetzelfde: soms ondervraag je iemand die gevangenzit omdat hij zijn kinderen heeft vermoord of iets anders gruwelijks heeft gedaan, maar zodra je met zo iemand in gesprek raakt, wordt het heel moeilijk om hem als monster te blijven zien. Mijn broer vertelde me een keer over zijn gesprek met een man die algemeen gezien wordt als een monster. Na een paar uur komt het gesprek op muziek. Het blijkt dat ze dezelfde muzikale smaak hebben. Misschien roken ze samen een sigaret. Plotseling heb je met zo iemand een natuurlijke menselijke relatie. Dat verandert wel iets aan je neiging om deze persoon alleen maar als een monster te zien.

    ‘In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: ‘Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad’’

    De rechter maakte een onderscheid. Hij zei: “Ik vind hun daden monsterlijk, maar ik zie de persoon niet als een monster.” Volgens mij maakt de wet daar nog een extra onderscheid bij. In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: “Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad.” Het Amerikaanse recht kent nog een categorie mens, die wordt aangeduid met die prachtig negentiende-eeuws klinkende term: iemand die een “kwaadaardig hart” heeft. Dat is echt een juridische term, want hij maakt deel uit van de juridische definitie van malice – boze opzet – en staat in de Californische strafwet. Het betekent dat het een karakterkwestie is. Deze persoon heeft de bedoeling een ander pijn te doen, en geniet daar mogelijk van. Ik vind het interessant dat de wet erkent dat er mensen zijn die gewoon door en door slecht zijn en ingeperkt moeten worden. Het is niet zo dat ze een moment van monsterlijkheid hadden of een monsterlijke daad pleegden. Dit zíjn monsters.’

    Maar kun je een persoon scheiden van zijn of haar daden? Het is toch een en hetzelfde brein dat erachter zit.

    ‘Ja, dit zijn typeringen die voortkomen uit de folklore, neem ik aan. Maar folklore is vaak overheersend in de wet. Aan de andere kant, als je er alleen vanuit de neurowetenschap naar kijkt, kan ik me voorstellen dat je al snel naar determinisme neigt. Wat zouden we tegenkomen wanneer we in de hersens van iemand als Stephen Paddock keken? Vinden we dan een tumor? Er is nog geen ander motief opgedoken, dus neig ik in die richting. Misschien was het iets dergelijks. De zaak is nog niet afgerond. We hebben meer informatie nodig. Maar je hebt gelijk: kan een beestachtige daad worden gescheiden van de persoon, is de persoon niet de som van zijn daden? Aan de andere kant hebben we wel enig onderscheid nodig tussen iemand die iets doet terwijl hij tijdelijk de controle over zichzelf kwijt is, en iemand die bewust een gruweldaad bedenkt en tot in de details uitwerkt. Daarom is een term als “karakter” nog steeds bruikbaar in de menswetenschappen. In termen van de neurowetenschap, tja, er zal heus geen afzonderlijk mensje in de hersens zitten, maar er is misschien wel een verhaal te vertellen over het falen van het systeem dat de impulsen moet beheersen.’

    Is elk mens in staat tot monsterlijkheid?

    ‘Ik denk dat elk mens in staat is tot het plegen van monsterlijke daden, maar echte monsters zijn vrij zeldzaam. Onze darwiniaanse erfenis heeft ons allemaal evolutionair gevormde vormen van agressie meegegeven, maar onze roofdierneigingen worden getemperd door verzorging en culturele opvoeding. Bij psychopathische persoonlijkheden spelen een gebrek aan goed ouderschap en culturele opvoeding vaak een rol, in combinatie met hersenafwijkingen. Toch kunnen ook bepaalde ideologieën zoals het jihadisme of het imperialisme een normaal gesproken empathisch persoon in een monster veranderen. Slechte ideeën kunnen onze prosociale gevoelens een andere richting geven en een kwaadaardig hart scheppen.’

    Wie of wat maakt een leider monsterlijk?

    ‘De tirannieke man heeft aantrekkingskracht voor mensen die zich bedreigd voelen of voor een staat die zich bedreigt voelt. Dat zie je telkens weer. Sociologen en antropologen noemen dit het verschijnsel van de “sterke man”: een groep voelt zich bedreigd, hun basisbehoeften worden niet vervuld, en er komt een charismatische, tirannieke figuur op. Zo ging het met Hitler. Zo ging het met Stalin. Ik heb in Cambodja gewoond en weet veel over het verhaal van de Rode Khmer en Pol Pot. Maar zelfs Plato zei het al in zijn Republica. Het interessante is dat het moeilijk is kritiek op zo iemand te leveren of er tegenwicht aan te bieden, omdat de tiran of de monsterlijke leider alleen maar agressief hoeft te zijn. Dat is zijn enige taak. Jij kunt wel zeggen dat hij irrationeel is of onlogisch, of moeilijk om mee samen te werken, maar dat maakt niets uit. Dat zijn gewoon de “deugden” van een monsterlijke leider. Neem het gedoe tussen Donald Trump en “Little Rocket Man”, zoals hij Kim Jong-un tegenwoordig noemt. De aantrekkingskracht van Trump op zijn aanhangers is denk ik dat Trump nu gestoord lijkt en dat andere grote mannen, grote bazen, misschien wel een andere gestoorde man zullen erkennen en respecteren. Dit zou een afschrikkend effect kunnen hebben. Het zou deels ook kunnen verklaren waarom een monsterlijke man aan de macht blijft.’

    Wat bedoelt u als u schrijft dat monsters een morele functie hebben?

    ‘Monsters kunnen deel uitmaken van de morele verbeelding als manier om te laten zien wat we niet willen zijn. Een duidelijk voorbeeld is dat van de jihadi die een journalist onthoofdt. Maar er zijn ook subtiele vormen, zoals Ebenezer Scrooge. Onze literatuur en cultuur scheppen iconen van immoraliteit en die dragen bij aan de vorming van ons gedrag en ons denken. Veel mensen genieten van horror in bijvoorbeeld The Walking Dead, omdat het een soort generale repetitie is. Ik verwacht geen zombieapocalyps, maar ik vraag me wel af wat er zou gebeuren als het netwerk uitviel en wij geen elektriciteit hadden en er opeens voedselgebrek zou zijn. Wat zou er gebeuren als de moderne samenleving knarsend tot stilstand kwam? Veel monsterscenario’s zouden een vervangende training kunnen zijn voor wat er tussen mensen zou kunnen gebeuren.’

    Wat is uw monster? ‘Ik ben bang voor diep, donker water. Het is een bijna verlammende angst voor zeemonsters, wat een volkomen irrationele en belachelijke angst is. Daardoor ben ik me gaan afvragen hoe het nou eigenlijk zit.’

    En, hoe zit het?

    ‘Als je filosofie studeert, ben je behept met het vooroordeel van dit vakgebied tegen irrationaliteit. Zijn de knopen eenmaal ontward, dan moet rationaliteit het grote licht van de psyche zijn. Dat licht schijnt naar binnen en verklaart bovennatuurlijkheid en irrationele angsten. Je hoeft alleen maar je geest goed te trainen en dan kun je de kelder van je psyche uitruimen bij het heldere licht van de rede. Ik begon te beseffen dat dat niet klopt. De rede is niet het grote besturingssysteem. De psyche is gebaseerd op een veel groter en ouder besturingssysteem, namelijk het emotionele besturingssysteem. Uit veel onderzoek blijkt dat rationele of cognitieve gedragstherapie mensen nauwelijks helpt om over echte, verlammende fobieën heen te komen. Het lijkt er echt op dat het iets anders of diepers is.’

    Waar komt die verlammende angst dan vandaan?

    ‘Dat zullen we de komende twintig jaar nog niet precies weten, maar ik denk wel dat het werk van affectieve neurowetenschappers als Jaak Panksepp, die helaas overleden is, Antonio Damasio, Kent Berridge en Richard Davidson uiteindelijk het antwoord zal opleveren. Zij geloven dat we een aangeboren emotionele bedrading hebben die flexibel genoeg is om verschillende gebeurtenissen en ervaringen te verwerken. Ik denk dat die zienswijze juist is, al komt er nu kritiek op van mensen als [neurowetenschapper, psycholoog en auteur van het boek How Emotions Are Made] Lisa Feldman Barrett. Maar ik ben het echt niet eens met haar theorie van geconstrueerde emoties. Ik denk dat ze veel te veel bezig is met de conceptuele ruimte van de geest.’

    In haar visie zijn emoties geen kant-en-klare circuits in het brein die worden getriggerd door ervaringen. Het zijn constructies, manieren van het brein om de wereld te begrijpen.

    ‘Ja, en ik denk dat wat zij beschrijft wel klopt voor een bepaald domein van het geestelijk leven, namelijk voor een puur menselijk domein daarvan. Maar als het om de geest gaat ben ik te veel darwiniaan om te denken dat dit voor meeste emoties opgaat. De meer subtiele soorten emoties, zoals het gevoel van vrees of verveling, passen misschien goed in Barretts visie. Maar ik denk dat we homologisch gezien basale affectieve systemen gemeen hebben met andere zoogdieren. Zij ontkent dat, en daarin ben ik het dus niet met haar eens. Ze intellectualiseert emoties zo sterk – door ze als concepten te zien – dat ze dierlijke emoties of emoties van baby’s niet kan verklaren. Uiteindelijk moet het verhaal van angst, fobie en horror geworteld zijn in de oudere emotionele systemen.’

    Hoe hebben monsters u ertoe gebracht om over verbeeldingskracht te schrijven?

    ‘Ik had veel nagedacht over beelden. Lang voordat we beschikten over geschreven talen en verhalen, hadden we in ons brein al beelden als gevolg van de waarneming. We moeten ooit een communicatievorm hebben gehad met beelden en lichamelijke gebaren, voordat we taal hadden. Daardoor ging ik me afvragen hoe oud de verbeeldingskracht eigenlijk is. Is die meegekomen met de taal of konden we allang met beelden communiceren voordat we taal hadden? Volgens mij zijn er veel manieren om kennis te hebben en met anderen te communiceren, die niet linguïstisch zijn maar te maken hebben met lichaamstaal, in de vorm van dansen, of via tekenen of beeldend werk, zoals de grotschilderingen in Lascaux of Chauvet. Al vóór het propositioneel denken bestond er een hele taal van verbeeldingskracht en geestelijk leven.’

    Leeft dat oude verbeeldende leven nog steeds in ons?

    ‘Volgens mij wel, ja. Het wordt overschaduwd doordat het propositioneel denken overheerst. We zijn nu in ons brein sterk uitvoerend georganiseerd. Dat is wat je doet als je een kind opvoedt. Je legt een neocorticaal besturingssysteem over de wirwar aan meer associatieve motorische waarnemingsprocessen heen. We leren allemaal onze geest te disciplineren, zoals we leren ons gedrag te disciplineren. Maar we kunnen die neocorticale controleur het zwijgen opleggen via creatieve activiteiten, zoals kunst, en uitstapjes maken naar deze vroegere vorm van denken.’

    Wat zou u zijn als u geen hoogleraar filosofie was?

    ‘Ik twijfel tussen muziek en visuele kunst, maar hoe dan ook zou ik kunstenaar zijn. Ik bén nog steeds kunstenaar. Ik word er alleen niet meer voor betaald.’