Tag: mortuarium

  • Teruggevonden in een rioolbuis

    Teruggevonden in een rioolbuis

    In de mortuaria van Zuid-Afrika blijven jaarlijks duizenden personen ongeïdentificeerd. Niet alleen uit het land zelf, maar ook uit de rest van het continent.

    Een op de tien personen die in 
de mortuaria van de provincie Gauteng belanden, blijft 
ongeïdentificeerd. Hun lichamen liggen maandenlang weg te kwijnen in overvolle en slecht geoutilleerde centra voor forensische pathologie: het vlees begint langzaamaan te rotten, omdat de koeling het onvermijdelijke verval niet tot in de eeuwigheid kan tegengaan. Uiteindelijk, als niemand hen komt ophalen en het onverantwoord 
is ze nog langer in het mortuarium te houden, worden ze en masse afgevoerd naar een openbare begraafplaats en naamloos, zonder rouwenden, begraven. Zodra ze eenmaal onder de grond liggen, slinken hun kansen om alsnog te worden opgegraven en geïdentificeerd tot nagenoeg nul. En zo ook de kans om de familie te verwittigen en de verantwoordelijke partij – als die er is – voor het gerecht te brengen.

    Dr. Ericka L’Abbé, forensisch patholoog van de Universiteit van Pretoria, houdt een schedel omhoog die voor leerdoeleinden in de collectie van de universiteit is opgenomen en al geruime tijd geen huid meer heeft. Ze wijst op de verbrijzelde plekken op de schedel, die met lijm is gerepareerd. ‘Ze hebben zijn hersenpan ingeslagen. Alleen al op zijn hoofd heeft hij minsten tien klappen gekregen, dus er is sprake van ernstig letsel, en daarnaast hebben ze zijn 
handen verbrijzeld.’ L’Abbé zucht en kijkt op. ‘Maar we zullen nooit weten wie deze persoon is. En als je niet weet wie het slachtoffer is, zul je ook nooit weten wie de dader is. In dit land kun je eenvoudig wegkomen met moord, gewoon het lijk ergens in een veld – of in dit geval een rioolbuis – dumpen en klaar. Het enige wat je nodig hebt is een baksteen. Het is hartverscheurend dat niemand naar hem op zoek is.’

    Zuid-Afrikaanse mortuaria kunnen het aantal lichamen nauwelijks aan. – © Kristen van Schie
    Zuid-Afrikaanse mortuaria kunnen het aantal lichamen nauwelijks aan. – © Kristen van Schie

    Alleen al in Gauteng worden jaarlijks 1300 tot 1600 lijken, oftewel drie per dag, bijgeschreven op de lange lijst 
van ongeïdentificeerde personen die Zuid-Afrika rijk is. En dan hebben we het nog maar over één provincie. 
‘Dit speelt niet alleen in Gauteng,’ zegt dr. Jeanine Vellema, hoofd van de afdeling Medisch Forensisch Onderzoek van Gautengs acht mortuaria. Van de andere provincies zijn alleen geen gegevens beschikbaar. ‘Ongeïdentificeerde lijken zijn een groot probleem in Zuid-Afrika. Dat geldt overigens voor het hele continent.’

    De reis naar een anoniem einde begint in een mortuarium, oftewel een ‘gerechtelijk geneeskundig laboratorium’ of een ‘centrum voor forensische pathologie’, zoals Vellema het liever noemt, om aan te geven dat ze deel uitmaken van het gerechtelijk systeem.

    In het centrum voor forensische 
pathologie in Hillbrow, Johannesburg, is het op alle maandagen even druk. 
In de schaduw van het Constitutioneel Hof, dat het recht op leven en menselijke waardigheid bewaakt, liggen dertig tot veertig lichamen op autopsie te wachten. De koelcellen, die al bijna 
uitpuilen, kunnen de hoeveelheid 
lichamen nauwelijks aan. Afgelopen jaar werden meer dan drieduizend lijken het centrum met de bladderende gele muren, een van de drukste van 
het land, binnengedragen. Dit jaar zal het waarschijnlijk niet anders zijn. 


    De medewerkers van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium moeten onderzoeken hoe iemand is gestorven, niet wie de dode is – dat is de taak van politie. Maar omdat de lichamen zich blijven opstapelen, zoeken ze naar manieren om de niet-aflatende stroom te kunnen bedwingen. De forensische experts fotograferen gezichten en 
verzamelen vingerafdrukken, en dragen deze informatie over aan de verantwoordelijke rechercheur van de Zuid-Afrikaanse politiedienst (SAPS). Als niemand zich na een paar dagen meldt om het lichaam te identificeren, vergelijkt de politie de vingerafdrukken met de gegevens van plaatselijke strafregisters en de nationale database. Als dat geen resultaat oplevert, worden de vingerafdrukken naar het ministerie van 
Binnenlandse Zaken gestuurd. Iedere Zuid-Afrikaanse staatsburger boven de zestien jaar moet vingerafdrukken afstaan voor een identiteitsbewijs, dus als de database van Binnenlandse Zaken niets oplevert, gaat men ervan uit dat de overledene een buitenlander is.

    ‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest’

    ‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest,’ zegt Candice Hansmeyer, forensisch patholoog van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in Hillbrow. ‘Ze komen met lege handen, op zoek naar een beter bestaan, en vervolgens sterven ze hier – en niemand die naar hen taalt. Maar ze doen er 
wel toe: het gaat om iemands kind, iemands dochter, iemands moeder, iemands echtgenote.’

    Het is onmogelijk te schatten hoeveel buitenlanders zich onder de onbekende doden bevinden, omdat we domweg niet weten wie ze zijn. We weten niet eens hoeveel buitenlanders Zuid-Afrika telt, laat staan Gauteng. Volgens de officiële telling uit 2011 zijn er in totaal 2,2 miljoen, maar het werkelijke getal ligt waarschijnlijk vele malen hoger. Volgens de VN telt Zuid-Afrika van alle landen bezuiden de Sahara het grootste aantal buitenlanders. Wat de zaak compliceert is dat veel Afrikanen 
illegaal in Zuid-Afrika verblijven. De kwestie van het grote aantal ongeïdentificeerde lijken, en dus vermisten, omspant het hele continent. Mensen trekken grenzen over, maar data niet. Er is geen continentale of regionale database voor vermisten, of voor gevonden lichamen. In sommige 
landen is er niet eens een fatsoenlijk bevolkingsregister.

    Zuid-Afrika vormt hierop een uitzondering: het heeft een solide forensisch systeem, een Bureau Vermiste Personen, nationale databanken, zowel bij de politie als bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, universiteiten waar forensische geneeskunde wordt gedoceerd en gekwalificeerd, ervaren personeel. Maar de enorme aantallen doen het systeem in zijn voegen kraken: 
Gauteng krijgt jaarlijks te maken met 15.000 tot 16.500 personen die een onnatuurlijke dood zijn gestorven, 
en identificatie vereist onderzoek. 
Een op de tien wordt uiteindelijk nooit geïdentificeerd.

    Blamage

    De politie is zich bewust van de omvang van het probleem. Generaal-majoor Charles Johnson, districtshoofd van de recherche, vaardigde in september 2016 een strikte richtlijn uit met betrekking tot ongeïdentificeerde doden. Johnson stelde dat er ‘veel’ klachten waren binnengekomen over het feit dat ongeïdentificeerde stoffelijke overschotten zonder degelijk onderzoek werden begraven, ‘wat een blamage is, een smet op het blazoen van de politie en in het bijzonder van de recherche’.

    Hansmeyer stopt met het doorbladeren van de dossiers van die dag – in de autopsiekamer beneden liggen vier lichamen op haar te wachten – en kijkt op. Haar lippen vormen een strakke streep. ‘De politie geeft prioriteit aan de levenden. Ik wil niet met een beschuldigend vingertje wijzen, want we lopen allemaal tegen hetzelfde aan: we zijn overbelast en slecht uitgerust. De politie kampt ook met burn-outs 
en oververmoeidheid. Er zitten niet genoeg uren in een dag en niet genoeg dagen in een jaar om overal aan toe 
te komen. Je moet wel prioriteiten 
stellen,’ zegt ze.

    In 2015-2016 werden in Zuid-Afrika 18.673 moorden gepleegd, een stijging van 4,9 procent ten opzichte van 
2014-2015. In de samenleving klinkt 
de roep om maatregelen, en de politie moet simpelweg kiezen tussen 
criminelen opsporen of wegrottende lijken identificeren. Een complete en betrouwbare lijst van vermiste personen zou al een stap in de goede richting zijn, maar zo’n lijst is er niet. Familieleden willen vaak niet naar voren 
treden of iemand als vermist opgeven. Maar er zijn nog andere redenen 
waarom er drie kisten in één enkel 
graf worden neergelaten op Doornkop, de nieuwste begraafplaats waar 
ongeïdentificeerde en niet-opgeëiste doden worden begraven.

    Pas na 23 verzoeken in een tijdspanne van achttien maanden slaagden we erin een officieel interview met de politie te regelen. Uit de reacties, variërend van een oorverdovend stilzwijgen tot een botte, ongemotiveerde ‘nee’, bleek duidelijk dat de politie liever niets over de kwestie wilde loslaten – totdat er opeens, geheel uit het niets, groen licht werd gegeven.


    Brigadier Helena Ras staat aan het hoofd van het Slachtoffer Identificatie Centrum (VIC) van de Zuid-Afrikaanse politie in Pretoria en heeft, onder andere, de afschuwelijke taak om massadoden af te wikkelen. Een massadood betreft een incident met meer dan vijf doden. Dit soort incidenten komen in Zuid-Afrika zo vaak voor dat ze in het radionieuws niet eens onder het hoofdnieuws worden geschaard en 
zelden de voorpagina’s van nationale kranten halen: een minibustaxi botst op een personenauto, een brand breekt uit in een krottenwijk, een gebouw stort in. Zodra het stof is neergedaald moet iemand de wrakstukken en het puin doorzoeken, alle lichamen proberen te identificeren en de families op de hoogte brengen.

    Neem alleen al de N1 op het traject 
tussen Johannesburg en Beitbridge, aan de grens met Zimbabwe. In de vroege ochtend van 13 augustus 2015 botste een minibus tegen een vrachtwagen, het busje vloog in brand met aan boord twaalf passagiers, als ratten in de val; op 2 mei 2016 vielen er 
negen doden toen een taxi tegen een verongelukte vrachtwagen aanreed 
en in vlammen opging. ‘Bij zulk soort ongelukken ontploft de brandstoftank en blijven er alleen verkoolde lichamen over,’ zegt Ras in het hoofdkantoor 
in Pretoria. Eén wand van haar werkkamer gaat volledig schuil achter dozen met dossiers. ‘Anders dan bij bussen of vliegtuigen houden taxi’s geen passagierslijsten bij.’

    Op het genoemde snelwegtraject, 
dat Zimbabwe verbindt met de steden van Gauteng, vol economische kansen, reist een onevenredig groot aantal migranten. Vanwege het ernstige 
lichamelijke letsel bij zware ongelukken is het vaak lastig om een gezichtsreconstructie van het slachtoffer te maken. Het VIC neemt DNA-monsters af, maar zolang zich geen bloedverwanten melden, is er geen vergelijkingsmateriaal.

    Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden

    Azwidowi Nevondo droomt van lijken als ze lang vrij heeft. ‘Dan weet ik dat het weer tijd is om aan de slag te gaan.’ Nevondo is al tien jaar forensisch medewerker bij het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in 
Hillbrow, lang genoeg om patronen te herkennen. ‘Het soort lichamen dat wordt binnengebracht beweegt mee met de seizoenen. In de zomer komen bijna dagelijks stoffelijke overschotten in verre staat van ontbinding binnen, omdat het vlees sneller vergaat als het warm is. In de winter zie je veel verkoolde lijken, vanwege de branden die in sloppenwijken om zich heen grijpen terwijl mensen liggen te slapen.’

    Eens per maand komt een door de lokale autoriteiten aangestelde 
begrafenisondernemer langs om de lichamen op te halen die niet langer bewaard kunnen worden, soms wel zeventig in één keer. Een klein deel daarvan is ‘niet-opgeëist’, wat wil 
zeggen dat het slachtoffer bekend is, maar niet door de familie wordt opgeëist. Een kleiner aantal, dat overigens groeiende is, zijn de armlastigen: in 
dit geval kan de familie zich geen begrafenis veroorloven, zodat de staat de kosten op zich neemt. Maar het leeuwendeel van de lichamen die het centrum verlaten is ongeïdentificeerd.

    Volgens de wet moeten stoffelijke overschotten minstens een maand worden vastgehouden, maar manager Ina Botes doet haar best de lichamen zo lang mogelijk in het mortuarium te houden, in de hoop dat de familie wordt getraceerd. ‘Ik lig er ’s nachts wakker van dat mensen in een naamloos graf verdwijnen. Ergens is er een moeder; haar zoon is vermist, en zij denkt dat hij nog leeft.’

    Dit is iets wat speelt in heel Zuid-Afrika, op het hele continent. Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden. Maar in plaats daarvan is hun hersenpan 
met een baksteen ingeslagen en zijn hun handen verbrijzeld terwijl ze zich probeerden te beschermen. Ze worden gemummificeerd teruggevonden in 
een rioolbuis, en nu ligt hun schedel op een plank in de verzameling van een hoogleraar aan de universiteit.

    Auteur: Sarah Wild
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.