Tag: Mozart

  • Bach in de Burger King

    Bach in de Burger King

    Klassieke muziek wordt vaak misbruikt, om mensen te verjagen of voor commercials. Daarmee loop je het risico dat het genre mensen gaat tegenstaan, betoogt recensent Theodore Gioia.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week werden in Duitsland voor het eerst twee muziekstukken uitgevoerd waarvan lange tijd onbekend was wie ze had geschreven. Degene die de manuscripten had onderzocht, was er vrijwel 100 procent zeker van dat Bach de componist was. Hoewel soms de indruk kan ontstaan dat de interesse voor klassieke muziek op zijn retour is, was deze ontdekking toch groot nieuws in de media.
    Klassieke muziek is niet alleen geschikt om van te genieten, ze is ook een uitstekend afschrikmiddel, zo blijkt uit dit artikel van Los Angeles Review of Books. Daar zit echter wel een schaduwkant aan: het muziekgenre komt steeds meer in een slecht blaadje te staan, aldus recensent Theodore Gioia.

    Bij de Burger King op de hoek van 8th Street 
en Market Street in San Francisco, ter hoogte van een afgesloten roltrap naar de ondergrondse, klinkt ongewone achtergrondmuziek. Uit een luidspreker in een hoog raam schalt barokke
klavecimbelmuziek. Het volume is oorverdovend.
De muziek houdt nooit op. Dag en nacht regent het vanaf het Burger King-dak Bach, Mozart en Vivaldi op de lege straten.

    Maar dit concert is ook bedoeld voor lege straten.
De playlist is speciaal samengesteld om eventuele toehoorders weg te jagen – namelijk de daklozen die vroeger bivakkeerden voor de deuren van deze eetgelegenheid, de ontmoetingsplek voor de armen uit de buurt. Bij de metro-roltrap was een kampement van winkelwagentjes, slaapzakken en stukken plastic uitgegroeid tot een ware trottoir-sloppenwijk die drommen daklozen en andere straatbewoners aantrok. ‘Vroeger hing hier altijd een hele menigte rond,’ vertelt buurtbewoner David Allen, ‘en nu zie je er hooguit een of twee mensen.’

    Het voorstel voor deze tactiek kwam van een organisatie met de cryptische naam Central Market Community Benefit District, een collectief van huiseigenaren uit de buurt. Voor het Burger King-plan heeft CMCBD zich laten inspireren door de Londense ondergrondse. In 2005 ging men daar op 65 metrostations opnames van orkestmuziek draaien, als onderdeel van een plan om ‘antisociaal’ gedrag te ontmoedigen.

    Daarvoor was er al vanaf 2003 een pilot gehouden, die een verrassend succes bleek: na anderhalf jaar klassieke muziek was het aantal berovingen in de trein met 33 procent afgenomen, verbaal geweld tegen het personeel met een kwart en vandalisme met 37 procent. Deze opmerkelijke resultaten werden opgepikt door de wereldwijde gemeenschap van wetshandhavers en een internationaal fenomeen was geboren. Sindsdien heeft het gebruik van klassieke muziek als wapen zich over heel Engeland en de rest van de wereld verspreid: politie-eenheden op de hele aardbol gebruiken nu het strijkkwartet als de nieuwste aanwinst in hun arsenaal ter bestrijding van de misdaad en hebben Johann Sebastian gerekruteerd om hun rangen te komen versterken.

    Barokmuziek schijnt het meest afschrikwekkend te werken

    Volgens deskundigen is de oorsprong van deze
praktijk terug te leiden op een miezerig filiaal van 7-Eleven in British Columbia, waar een slimme bedrijfsleider in 1985 buiten de winkel muziek van Mozart liet klinken om hangjongeren van de parkeerplaats te verdrijven. Mozart-op-de-parkeerplaats was zo succesvol in het ontmoedigen van snode tieners dat 7-Eleven het programma bij meer dan honderdvijftig winkelfilialen doorvoerde, en zo werd dit het eerste bedrijf dat vandalisme bestreed met violen. Vervolgens sloeg het idee over naar West Palm Beach in Florida, waar de politie in 2001 een van drugs vergeven straathoek aanpakte door er 
een luidspreker te installeren waaruit Beethoven en Mozart dreunden. ‘De agenten waren stomverbaasd toen er die avond om tien uur geen levende ziel te bekennen was op die hoek,’ zegt agent Dena Kimberlin. Vanaf dat moment werd de tactiek razendsnel populair bij particuliere ondernemingen en overheidsinstellingen.

    Barokmuziek schijnt het meest afschrikwekkend te werken. ‘Afgezien van laatromantische uitzonderingen als Moessorgski en Rachmaninov,’ schrijft recensent Scott Timberg, ‘is de muziek die het meest wordt gebruikt om gespuis te verjagen preromantisch, van componisten uit de barok of de klassieke tijd, zoals Vivaldi of Mozart.’ Over de diepere redenen waarom deze muziek zo effectief is, denken ambtenaren zelden na, maar wel mogen ze graag met openlijke trots de resultaten vermelden. Zoals deze functionaris uit Cleveland: ‘Er is iets met barokmuziek waar macho’s die de gangster willen uithangen een bloedhekel aan hebben.’

    Het hoofd van de politie van Tacoma, Washington, komt met eenzelfde logica: ‘Door klassieke muziek 
te spelen hopen we een onaangename omgeving te scheppen voor criminelen en mensen die graag de gangster uithangen.’ Een geregelde reiziger met de Londense ondergrondse verwoordt het effect van deze strategie in minder parlementaire termen: ‘Die jonge criminelen zeggen gewoon: “Nou, we kunnen hier naar die rotzooi gaan staan luisteren, of we kunnen, je weet wel, ergens anders crimineel gaan wezen.’

    Ga ergens anders crimineel wezen, dat zou de ondertitel kunnen zijn bij elke melodie die wordt ingezet door de muzikale misdaadbestrijders. Deze tactiek is in wezen niet bedoeld om een einde te maken aan 
de misdaad of zelfs om die te verminderen, maar 
om haar te verplaatsen. Daar komt bij dat winkeliersacties als deze meestal gericht zijn tegen kleinere criminaliteit zoals vandalisme en hinderlijk rondhangen – misdaden die schadelijk zijn voor eigendom, niet voor mensen, en meestal voor het eigendom van de machtigen.

    Zo keert muziek terug naar haar oudste evolutionaire functie: het claimen van een territorium. Uit zoölogisch onderzoek blijkt dat vogelgezang oorspronkelijk niet alleen was bedoeld om een partner aan te trekken, maar ook om territoriale rechten vast te leggen. Uit experimenten is gebleken dat vogels meestal wegblijven uit een gebied waarin een band met vogelgezang wordt afgespeeld. Deze agressieve kant van gezang bestond ook bij de vroege mens. Zo denkt primatoloog Thomas Geissmann: ‘Muziek van vroege mensachtigen kan dezelfde functies hebben gehad als het luide roepen van apen […] waaronder het bewaken van het territorium, intimidatie van andere groepen en het afbakenen van ruimtes.’ De liedjes zijn veranderd, maar de melodie is hetzelfde gebleven – verboden toegang: privé-eigendom. Muziek hakt openbare ruimte op in privéterritoria, en markeert middels orkestrale ‘intimidatie’ bepaalde gebieden als verboden terrein voor bepaalde groepen. En geen genre heeft zoveel intimiderende associaties met de hogere klasse als klassieke muziek.

    De overwinning van deze symfonische segregatie kan echter betekenen dat de klassieke muziek een nog grotere nederlaag lijdt. Iedereen weet dat muziek mensen aanspreekt onder het niveau van bewust denken, dat muziek ‘fluistert tot onze onbewuste geest’. Wanneer klassieke muziek geassocieerd wordt met ongastvrijheid, als middel tot gentrificatie, ontstaat het risico dat de houding van het grote publiek tegenover deze kunstvorm nog verder verzuurt, van onverschilligheid tot vermijdingsgedrag. De orkestrale intimidatiestrategie zal waarschijnlijk niet alleen een menigte mogelijke misdadigers verdrijven, maar ook generaties mogelijke concertbezoekers. Zo kan het gebeuren dat klassieke muziek zowel jonge delinquenten als jonge liefhebbers afschrikt. Het werkt tegen rondhangen én tegen luisteren.

    Misschien hebben we ooit de eeuwigheid gehoord
in de symfonische klassieken. ‘De Vijfde Symfonie van Beethoven,’ zo glunderde E.M. Foster, ‘is het meest sublieme geluid dat ooit is doorgedrongen tot het menselijk oor.’ Maar wanneer je Beethoven hoort op de stoep bij de Burger King, klinkt de melodie 
niet als een aankondiging van het sublieme, maar als een akelige waarschuwing om ‘weg te wezen’.

    Commercieel gebruik

    Klassieke muziek als wapen – het is een nieuwe stap in het commerciële gebruik van dit genre. De meeste jonge mensen van nu komen niet in aanraking met klassieke muziek als populaire kunstvorm, maar als een aanduiding van klasse. Decennia van cultureel conditioneren hebben het publiek geleerd om de symfonie te herkennen als geluidssteno voor sociale status – en dus ook voor het uitgesloten zijn van die status. De gemiddelde Amerikaan herkent de openingsakkoorden van ‘De Vier Jaargetijden’ niet als het geluid van de lente, maar als het geluid van snobisme. Op onze schermen is barok de achtergrondmuziek voor ‘oud geld’, voor de hogere klassen, en voor arrogantie. In de kern is die muziek er niet om gewaardeerd te worden, maar om geassocieerd te worden – en de associatie is meestal: elitair.

    Ooit was klassieke muziek een geliefd onderdeel van de populaire cultuur, maar voor het hedendaagse Hollywood is klassieke muziek de verontrustende aanduiding voor excentrieke genieën, vroegrijpe negenjarigen, en erkende psychopaten. Vioolspelen is een afwijkend trekje van bipolaire detectives en criminele meesterbreinen – geen gezonde gewoonte voor normale mensen.

    In het tijdperk van de massamedia komt het grote publiek vooral in aanraking met klassieke muziek via afzonderlijke fragmenten die uit grotere stukken zijn gehaald om hun symbolische kracht aan een commercieel doel te lenen. Kunstenaars en adverteerder ontleden klassieke werken in korte melodietjes en stellen een menu van muzikale motieven samen om hun boodschap de gewenste toon, stemming of associatie mee te geven. Als kunstmatige smaakstof voor het oor geven deze symfonische uittreksels aan scènes de synthetische emotie die ze moeten overbrengen. Een tikje Europese elegantie nodig? Mozart maakt die commercial voor een minibusje opeens aantrekkelijk. Mist je pannenkoekenreclame iets 
pittigs? Stuur Wagners ‘Walkurenrit’ van Walhalla naar het pannenkoekenhuis.

    Carmina Burana leidt een bestaan als permanent muzikaal cliché

    De artistieke gevolgen van dit soort praktijken zijn rampzalig. Als je Wagners Walkuren de rol van pannenkoekenverkoopsters geeft, zullen ze in het operatheater minder impact hebben. Sommige muziekfragmenten worden zo vaak geciteerd dat hun afgeleide associaties de oorspronkelijke muziek verdringen en goedkoop maken. Carmina Burana leidt een bestaan als permanent muzikaal cliché. ‘O Fortuna’ van Orff roept alleen maar de gedachte aan kitsch op; hoe kan een luisteraar nog een authentieke ontmoeting hebben met de koorzang van het noodlot?

    Zo’n cultuur van hapklare muziekbrokken ontkent de bepalende waarde van klassiek componeren: de lange ontwikkeling van complexe muzikale thema’s. Er is een tweetrapsmechanisme om een melodie ergens uit te halen en naar iets anders over te zetten: haal een thema van 15 seconden uit een symfonie van 45 minuten en plak dat op een heel ander onderwerp. Snij ‘O Fortuna’ los van een Latijnse cantate, zodat het op een Superbowl-spot voor Domino’s pizza’s geplakt kan worden. Deze transplantaties produceren een storend mengsel dat bovendien nóg een afschuwelijke bijwerking heeft: doordat stukjes muziek altijd zonder hun context worden geciteerd, vergeet het publiek dat ze een context hebben.

    Een schoolvoorbeeld van de benarde positie die de klassieke muziek inneemt in onze kapitalistische cultuur is Bachs ‘Prelude voor Cello Suite no. 1 in G-Majeur’. Deze twee minuten durende compositie, die door een columnist is omgedoopt tot de ‘Things Just Got Classy Song’ (het nu-wordt-het-chic-lied), is voor een verbijsterend groot scala aan doelen ingezet. In de Internet Movie Database staat het 73 keer vermeld, onder andere met optredens in primetime-series als Smallville en ER, in reclamecampagnes voor diepgevroren broccoli van Healthy Choice en voor hondenvoer van Pedigree, en in bioscoopfilms, variërend van Elysium en The Hangover Part II tot een korte cameo in Mega Shark vs. Giant Octopus. Vreemd genoeg gebruiken creatieve filmmakers en adverteerders van grote bedrijven de associatie van de Prelude met klassenstatus om twee tegenstrijdige gevoelens op
te roepen. Enerzijds dient de Prelude in films om de snobistische hypocrisie van de rijken te verbeelden en zo te benadrukken hoe misplaatst de aardige gewone man is in de hogere kringen; anderzijds citeren commercials het stuk om hun oppervlakkige verkooppraatje een elegante toon te geven, en zo het product te verbinden met het stilzwijgende verlangen bij het publiek naar een beter leven. Met andere woorden, de Prelude moet tegelijkertijd de hypocrisie van de hogere klassen aan de kaak stellen en inspelen op het verlangen van het publiek om daarbij te horen.

    In een recente commercial voor de Cadillac CTS wordt Bachs Prelude zelfs met name genoemd. In het spotje rijdt een elegant stel door een chique straat en zet de radio aan. ‘Bach Suite no. 1 in G Majeur,’ verklaart de man achter het stuur – hij is blijkbaar een kenner. Dan glijdt de camera naar het interieur van de auto en laat de elektronisch oplichtende titel van het muziekstuk op het dashboard zien. De boodschap is natuurlijk dat je niet alleen een auto koopt, maar ook lid wordt van een sociale elite. Het is een uitnodiging om bij een exclusieve club te komen, om iemand te worden die Bach-suites herkent bij hun naam en nummer. Een paar cellostreken verheffen een doodgewone autoreclame tot een groots visioen van een gelukkiger toekomst: een belofte van transformatie door de kracht van een persoonlijke aankoop.

    Wat betekent dit voor de Prelude – en dus voor de klassieke muziek? Bachs ‘Prelude voor Cello Suite no. 1’ heeft vele doelen gediend, van het tot leven wekken van megahaaien tot het verkopen van Cadillacs. Maar één doel dient het zelden: zichzelf. Door de gedwongen dienstverlening aan zo veel buitenstaanders – reclame, film, en politiewerk – verliest de Prelude zijn identiteit als onafhankelijk kunstwerk dat gehoord wil worden voor wat het is.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


    Een liefdesverklaring aan de Swinging Sixties

    DOCUMENTAIRE | 85 minuten goeie ouwe lol

    De jeugd vindt zichzelf wijs zoals een dronkenlap denkt dat ie nuchter is, schreef auteur en componist Anthony Burgess over de swingingsixtiesgeneratie in Londen. Al was wijsheid misschien niet zozeer wat ze ambieerden. ‘Toen de oorlog eenmaal voorbij was werden we naar Maleisië en Korea gestuurd om mensen te doden,’ zegt acteur Michael Caine tegen The Independent. ‘De jaren vijftig werden gedomineerd door smog en rantsoenen. En toen kwamen de sixties, en besloten we dat we plezier wilden maken.’

    Lol, daar verlangden ze naar, en drugs, en het omverwerpen van het gezag, of van wat op school werd aangeduid als hun ‘betters’, vertelt Caine.

    De acteur, bekend van o.a. Alfie en The Italian Job en inmiddels 85, maakte een documentaire over de jaren van zijn jeugd: My Generation. Grote namen als Paul McCartney, Joan Collins, Marianne Faithfull en Twiggy werden urenlang geïnterviewd om hun herinneringen met de kijker te delen. Het beeld bestaat uitsluitend uit opnamen van toen: alleen Caine is in zijn huidige verschijning te zien. Anders zou de aandacht maar worden afgeleid van de sfeer van toen, licht Caine toe. Vanwege al die oude koppen, vult Peter Bradshaw van The Guardian aan. Hij vindt het een teleurstellende beslissing dat de acteurs niet echt in de documentaire voorkomen, en betreurt eveneens een gebrek aan aandacht voor films (de focus ligt op popsterren), tv en Cliff Richard.

    Daarnaast vindt hij niet dat Caine en zijn kringen representatief waren voor de tijd: ‘Voor de meeste mensen buiten maar ook binnen Londen sleepten de jaren zestig zich net zo goed voort als de jaren vijftig en veertig.’ Een interview met Caine in The Spectator kopt inderdaad: ‘Iedereen die ik kende werd rijk’.

    Volgens Bradshaw is de grootste waarde van de documentaire dat we eraan worden herinnerd hoe afkeurend veel mensen van de oudere generatie waren over de hoogvliegers van de jarenzestigrevolutie

    RadioTimes benoemt de ironie dat deze wildebrassen het een halve eeuw later over ‘die goede ouwe tijd’ hebben, zoals hun ouders het over de jaren voor de oorlog hadden. Maar volgens The Independent laat My Generation goed zien waarin deze tijd baandoorbrekend was: de opkomst van de arbeidersklasse, die in de woorden van McCartney ‘zo gek nog niet bleek en bovendien best talentvol’, en een gebrek aan seksisme: ‘Mary Quant, Twiggy, Jean Shrimpton waren net zo belangrijk voor deze tijd als Caine of [fotograaf David] Bailey.’

    Volgens Bradshaw is de grootste waarde van de documentaire dat we eraan worden herinnerd hoe ‘afkeurend veel mensen van de oudere generatie waren over de hoogvliegers van de jarenzestigrevolutie. (…) Ze hadden niet door hoe absurd ze klonken. Het was de eeuwenoude jaloezie en ergernis van de ouden tegenover de jongen. Tegenwoordig verbloemen we dat beter in onze schimpende verwijzingen naar “de millennials”. Maar vervang die term door “de jeugd” en die lollige commentatoren van nu lijken ineens verdacht veel op die van de opgeblazen types die vonden dat Mick Jagger zijn haar moest knippen en in het leger dienen.’

    Een recensent van de Engelse Metro, die zelf dichter bij de millennialgeneratie staat, zegt niets nieuws van My Generation te hebben geleerd. Maar ‘door de beelden en soundtrack krijgen de swingende sixties wel degelijk een relevantie voor deze tijd’. Variety noemt de documentaire een liefdesverklaring en belooft de kijker ‘85 minuten goeie ouwe lol’.

    Vanaf 31 mei in de bioscopen.

    © Concertgebouw
    © Concertgebouw

    MUZIEK | Wie durft, wint

    De dirigent die Bach naar Japan bracht

    Het plan van de Japanse dirigent Maasaki Suzuki om een Bach Collegium Japan in Kobe en Tokio op te zetten, een orkest en koor gespecialiseerd in het uitvoeren van barokmuziek op authentieke instrumenten, werd aanvankelijk met scepsis bekeken. Inderdaad liep Suzuki toen hij in 1990 aan de realisatie begon tegen aanzienlijke problemen aan, vertelt hij Erica Jeal van The Guardian: hij moest de muziekstijl in Japan introduceren, muzikanten vinden die de oorspronkelijke instrumenten bespeelden (aanvankelijk kwamen die vaak uit Europa), en dan was er nog het probleem dat Japanse koorlieden de bijbelse referenties uit de teksten van Bach niet altijd even goed konden plaatsen, zodat Suzuki, die tot de 3 procent christenen van Japan behoort, ze voor hen vertaalde: ‘Een heel karwei! Soms overdrijf ik mijn uitleg een beetje om een concept over te brengen.’ Net als Bach, die hij ‘een natuurlijk verlengde van mijn leven’ noemt, behoort hij tot de Lutherse Kerk.

    Maar de scepsis betrof vooral de ideologische kant van het plan. Na een optreden in Tel Aviv, vertelt Suzuki aan Jeal, schreef een Israëlische recensent dat hij een verband tussen Japan en Bach sowieso afkeurde. Een auteur van The Guardian sloot een positieve recensie af met de geruststellend bedoelde woorden ‘Dit is geen Bach in Komono’.

    Suzuki, die als zoon van twee muzikale ouders opgroeide in Tokio en later studeerde aan het Conservatorium in Amsterdam, kan er wel om lachen. Inmiddels is zijn Collegium ook in Europa en de Verenigde Staten bekend en won hij onder andere een Gramophone Award, de meest prestigieuze prijs binnen de klassieke muziek. ‘Zijn timing is onberispelijk en de energie op een mooie manier meedogenloos’, schrijft Presto Classical. The New York Times is in het bijzonder onder de indruk van de drie trompettisten, ‘gezien de moeilijkheid om een barokke versie van het instrument te bespelen’. ‘Wie durft, wint’, concludeert The Guardian over Suzuki’s omstreden project.

    De dirigent breidde zijn repertoire inmiddels uit tot onder meer de missen van Mozart, en hij wil ook vroeger werk gaan uitvoeren, zoals van Schütz and Monteverdi. Maar, schrijft The Spectator in een artikel met de curieuze kop ‘Denkt Maasaki Suzuki dat zijn publiek zal branden in de hel?’, ‘Hij praat nog steeds over de Hohe Messe alsof hij deze gister ontdekt heeft. (…) ‘Hij zingt de woorden “in remissionem peccatorum” aan me voor om me aan hun pracht te herinneren. Geen wonder dat in Suzuki’s vertolking van Bachs cantata’s de inspiratie in elke toon doorklinkt.’

    Het antwoord op de vraag uit de kop luidt trouwens ontkennend. Wel gelooft Suzuki dat ‘de Heer de harten via muziek kan beroeren’ – zoals ook Bach dat volgens de recensent geloofde. Een Europese dirigent was deze vraag waarschijnlijk niet gesteld.

    Op 29 mei speelt het Bach Collegium Japan Mozarts Mis in c in het Concertgebouw, Amsterdam.


    LITERATUUR | Geen literatuur, maar hekserij

    De Braziliaanse Kafka, of Beckett, of Joyce

    Twee jaar geleden verscheen een biografie over het leven van de Braziliaanse auteur Clarence Lispector (1920-1977) van Benjamin Moser. Voordat hij eraan begon was hij door een vriend gewaarschuwd dat haar werk ‘geen literatuur, maar hekserij’ was. ‘Sinds haar dood is haar betovering alleen maar toegenomen’, schrijft Moser in The New Yorker. ‘Destijds zou het overdreven zijn geweest om haar de belangrijkste moderne auteur van haar land te noemen. Nu gaat het zelfs niet langer om het artistieke aspect. Het gaat om de overweldigende aantrekkingskracht waarmee ze degenen die er ontvankelijk voor zijn inspireert. Het lezen van haar boeken is voor velen een van de emotioneelste gebeurtenissen van hun leven.’

    Lispector werd onder barre omstandigheden geboren in Oekraïne en woonde tot haar drieëntwintigste in Brazilië, waarna ze een diplomaat trouwde en vijftien jaar in het buitenland verbleef. Ze was exceptioneel mooi, intelligent en mysterieus en debuteerde op jonge leeftijd met Dicht bij het wilde hart. Dat het haar in eigen land aanvankelijk moeite kostte gepubliceerd te worden, kwam volgens vrienden niet alleen door haar ingewikkelde proza, maar ook door haar karakter. ‘Een van haar lezeressen smeekte haar om een ontmoeting omdat ze hoopte op een diepgaande band. Toen de fan arriveerde, zat Lispector daar maar naar haar te staren, zonder een woord te zeggen, net zolang tot de vrouw uiteindelijk het appartement uit vluchtte.’

    De titel van haar eerste roman is ontleend aan James Joyce, waarvan Lispector destijds niks gelezen had. (Volgens haar Amerikaanse vertaler Elizabeth Bishop was ze de ‘meest niet-literaire auteur die ze ooit ontmoette’; ze zou nooit een boek inkijken.) Meteen werd ze met de Ierse meester vergeleken. En vervolgens ook met Beckett, omdat ze net als hij het onnoembare wilde benoemen, schrijf Irish Times, met Woolf (een vergelijking die ze niet prettig vond omdat Woolf een einde maakte aan haar leven, terwijl ze zelf ondanks dat het haar zwaar viel vastbesloten was door te zetten), met Spinoza, in de manier waarop ze het individu wil ‘deheroïseren’, met Nietzsche, vanwege haar existentiële blik. Biograaf Moser noemt de vertaling van haar werk in het Amerikaans het belangrijkste vertaalproject uit Zuid-Amerika sinds het verzamelde werk van Borges. Bishop schreef in een brief aan dichter Robert Lowell dat ze Lispector zelfs béter vindt dan Borges.

    ‘Boeken als dit wijzen erop dat een onderdrukkende omgeving niet de werkelijkheid is en het nooit zal zijn’

    Bij het boek De passie volgens GH ligt een vergelijking met Kafka voor de hand. Hierin besluit een vrouw de kamer van haar vertrokken dienstmeid op te ruimen, en plet ze per ongeluk een kakkerlak tussen de deur. Vervolgens komt ze tot diepgaande inzichten over haar eigen leven. In LitHub schrijft journalist Scott Esposito: ‘Wie anders dan Lispector zou het aandurven het sap uit een stervende kakkerlak als aanzet te gebruiken voor een existentiële crisis die het hoofdpersonage doet inzien dat haar materiële leven een leugen is?’

    Volgens Electric Literature is het boek zoals haar meeste werk sterk autobiografisch. ‘Ik ben niets’, zou ze haar psychiater eens hebben geschreven. ‘Ik voel me net zo’n insect dat zich ontdoet van zijn huid. Die huid heet Clarence Lispector.’

    Esposito van LitHub beschrijft hoe De passie volgens GH ‘zijn leven redde’ toen hij zich na jaren reizen probeerde neer te leggen bij een saaie kantoorbaan. ‘Het boek herinnerde me aan de zelf waaraan ik trouw wilde zijn. En gaf me de moed dat te doen. Boeken als dit (…) wijzen erop dat een onderdrukkende omgeving niet de werkelijkheid is en het nooit zal zijn.’

    Er zijn er ook die de Lispector-devotie te ver gaat. Uitgever Alfred Knopf constateerde na het lezen van een van haar boeken dat hij er geen woord van begrepen had, schrijft Nicholas Shakespeare van The Telegraph. Zelf denkt hij dat Lispector inderdaad het soort boeken schreef waar mensen in een bepaalde fase van hun leven troost in vinden, die ze inspireert om zelf te schrijven, maar vindt hij bij nadere bestudering dat ze ‘een hoop gebazel’ bevatten. ‘Als Clarice Lispector inderdaad op de plank naast Kafka, Woolf en Joyce thuishoort (…) dan is dat om te benadrukken wat zij niet zijn.’

    De passie volgens GH verschijnt half mei bij De Arbeiderspers, in een vertaling van Harrie Lemmens.

    Auteur: Laura Weeda

    Openingsbeeld: © Literary Hub