Tag: Multiculturele samenleving

  • ‘Mijn Iraanse moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen’

    ‘Mijn Iraanse moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen’

    Opgegroeid in verschillende culturen met verschillende normen, raakte de Iraanse Dina Nayeri (1979) vaak in conflict met haar moeder. Nu haar dochter ouder wordt, begint ze hun relatie in een ander licht te zien.

    We woonden in 2020, toen mijn dochter Elena vier was, korte tijd in Frankrijk. Op onze eerste dag, toen onze keuken nog vol stond met dozen, gingen we samen naar de McDonald’s. Ik vertelde haar dat die in Frankrijk ‘Le Macdo’ genoemd wordt. Ik zette haar op de toonbank en las haar de Franse menukaart voor, terwijl ze giechelend tegen me aan leunde. ‘Mama, de Fransen zijn zo grappig!’ Een paar weken later kwamen we een jongen van haar school tegen. ‘Coucou, Elena!’ zei hij. Ze zwaaide koeltjes naar hem en grijnsde toen naar mij. ‘Vind je dat niet grappig?’

    Haar slinkse lach deed me denken aan de eerste keer dat ik zag hoe westerse families met elkaar omgingen. Ik was negen en we waren net gevlucht uit Iran, omdat mijn moeder zich tot het christendom had bekeerd – en dus een afvallige was. Mijn moeder, broer en ik hadden tot dan toe zonder verblijfsvergunning in onzekerheid in Dubai gewoond. Toen ons migrantenhostel onverwacht sloot, werden we opgenomen door een gezin van Australische missionarissen. We trokken ons op onze eerste avond in hun huis gedrieën terug in onze slaapkamer om het over hun gewoontes te hebben. We giechelden. We waren dankbaar dat we een comfortabele kamer en een bed hadden, maar de familie was in onze ogen zo vreemd.

    Het was ook spannend om het gedrag van witte mensen onder de loep te nemen; die kans kregen we niet vaak. Mijn moeders ogen werden zo groot als schoteltjes toen het eten werd opgediend: we kregen plakken ham, koude groenten en wat restjes. Hun zoon Nathan, een jongen van mijn leeftijd, kreeg elke avond eerst even tijd voor zichzelf om daarna met veel omhaal door zijn beide ouders te worden toegestopt. We vonden het een bizar ritueel.

    Ik had nog nooit tijd voor mezelf gekregen. Mijn moeder bemoeide zich altijd met mijn zaken. Ze had in het hostel in mijn bed geslapen. Dat de deur van Nathans slaapkamer dichtging, vond ik zo theatraal. Zo onnodig. Deden moeders in andere landen ook de deuren van hun kinderen dicht? Wachten ze ook geduldig af tot het heilige speelkwartier afgelopen was? Mijn moeder, mijn broer en ik verkeerden toen we net geëmigreerd waren in een permanente staat van verwondering en verbijstering. Alles wat die Engelsen deden vonden we vreemd. We klampten ons ’s avonds aan elkaar vast en giechelden erom tot ons lachen overging in huilen. Dan vielen we in elkaars armen in slaap. We wensten dat we hun humor op een dag zouden begrijpen, zodat we ontspannen bij ze aan tafel konden zitten.

    Psychische grenzen

    Vandaag de dag moet ik vaak weer aan Nathans gesloten slaapkamerdeur denken. Mijn moeder, mijn broer en ik leefden zo’n twintig jaar lang diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal. We leerden om van elkaar te houden in tijden van crisis, maar we werden slecht in alleen zijn, gemoedsrust voelen en elkaars privacy waarborgen. Er was haast geen ruimte voor individualiteit. Waar we ook waren – of we nu vastzaten in een vluchtelingenkamp, een luchthaven of een smerig appartement in Oklahoma – het was alsof we samenleefden in een oude, vertrouwde kamer, die volhing met wandtapijten en rook naar de maaltijden van thuis.

    We grapten en huilden en vochten in die warme bunker. We schreeuwden dingen naar elkaar die we nooit tegen iemand anders zouden zeggen. We brachten ons trauma op lelijke manieren tot uiting en wisten dat we vergeven zouden worden. Onze bloedband zorgde ervoor dat geen enkele uitbarsting te ver zou gaan. Terwijl daarbuiten oorlog, chaos en ontheemding op ons wachtten, vulden we onze kamer met gezellige familiedrama’s. Het rumoer om ons heen ging met de jaren liggen en het werd vanbinnen donkerder en onrustiger. We werden groter, de lucht werd ranzig en mijn broer en ik vertrokken, de een na de ander, op zoek naar een nieuwe horizon en een nieuw gezin.

    We kwamen enkele maanden nadat mijn partner, mijn dochter en ik in Frankrijk waren aangekomen een andere jongen van Elena’s school tegen. ‘Coucou, Benjamin!’ Deze keer initieerde Elena het contact en ze sprak zijn naam zo nasaal uit dat ik moest lachen. ‘Bah-Jamah.’ Het was alsof haar neustussenschot opeens scheef was gaan staan. Ze staarde me boos aan. ‘Houd op, mama!’ fluisterde ze. Ik kromp ineen. Elena’s francofonie werd steeds overtuigender. Iets wat ik nooit zou bereiken, omdat ik het verschil tussen ‘en’ en ‘an’ niet kon horen. Binnen de kortste keren zou ik de enige zijn die vond dat de Fransen zo dom, zo grappig zijn. ‘Houd op!’ fluisterde Elena telkens als ik Frans probeerde te spreken met haar vrienden.

    We leefden diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal

    ‘Lach jij maar, jongedame,’ zei ik tegen haar, ‘maar dit is wel mijn derde taal.’ Die woorden brachten me plotseling weer terug naar mijn eerste huis in het zuiden van de Verenigde Staten. Een klein appartement waar mijn moeder, mijn broer en ik begonnen aan een lange klus: Amerikaans worden. Ik maakte grapjes over het Engels van mijn moeder en ze zei dan: ‘Lach maar, Khanom (jongedame), maar vergeet niet dat ik een Perzisch doktersdiploma heb.’ Ik dacht altijd dat ik tien jaar lang met mijn moeder in die warme, denkbeeldige kamer verbleef. Maar misschien heb ik haar daar al een jaar of twee na onze aankomst in Oklahoma achtergelaten, toen ik snel en doelbewust assimileerde en mijn accent op honderd subtiele manieren aanpaste die mijn moeder niet kon waarnemen.

    Ik weet inmiddels dat de lekker ruikende kamer, die denkbeeldige, veilige ruimte die ik deelde met mijn broer en moeder, nooit echt veilig was voor een meisje. Het is niet de bedoeling dat een Iraanse dochter ooit vertrekt. Van een zoon wordt verwacht dat hij uiteindelijk het huis uitgaat, maar een dochter moet daarbinnen wegrotten. Ze mag nooit breken met haar moeders waarden, nooit trots zijn op een prestatie waarvoor haar moeder zich zou schamen. Ik realiseerde me dit in 2013. Ik was drie maanden ervoor gescheiden, voelde me eindelijk vrij in mijn mooie studio in de Lower East Side in New York. Twee mannelijke familieleden stelden toen voor dat mijn moeder en ik zouden gaan samenwonen, omdat we nu allebei alleen waren. Het kwam niet eens in hen op dat we privacy nodig zouden hebben.

    Engelse therapeut

    Mijn moeder en ik zitten nu, tien jaar later en met een oceaan tussen ons in, in onze keukens – ik in mijn Europese huurappartement, zij op haar Amerikaanse boerderij – en we praten via onze schermen, vergezeld door een Engelse therapeut. Het idee van alleen zijn met mijn moeder is beangstigend geworden, dus ik heb een compromis voorgesteld. ‘Dit is niet normaal,’ protesteert mijn moeder tegen mijn nieuwe grenzen: dat ik niet meer wil praten over wat ik schrijf, dat ik niet op religieuze preken zit te wachten, dat ik geen nachtmerries en paranoia meer accepteer (zoals familieleden ervan verdenken samen te zweren en bij elk beetje jeuk meteen bang zijn dat ze een hersenvliesontsteking heeft).

    IMG 9832

    Maar wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder. In Iran zorgen dochters ervoor dat er tussen hen en hun moeders een illusie van hechtheid blijft bestaan, ook al is dat voor henzelf een last. Moeders hebben kritiek. Dochters luisteren. Dat is liefde, denk ik dan maar.

    Mijn moeder heeft zich in de loop der jaren duizenden keren uitgesloofd om overheerlijke maaltijden voor me te maken. Ze heeft mijn spijkerbroeken ingenomen, mijn wenkbrauwen geëpileerd en me aan het lachen gemaakt. Maar ze heeft ook mijn expertise niet serieus genomen, me opgedragen mijn diploma onder dat van mijn ex-man te hangen, mijn partners zwartgemaakt en rivaliserende moederfiguren ervan beschuldigd me te hersenspoelen. Voor haar weegt dat allemaal bij lange na niet op tegen de maaltijden en het epileren. Het komt nooit in haar op dat ik recht heb op mijn eigen normen en waarden, of dat ik het beledigend vind dat ze me niet in staat acht om mijn eigen mening te vormen. Ik ben in haar ogen gewoon een dom kind dat gemanipuleerd wordt door slimmere mensen: door sluwe mannen of heksachtige, rivaliserende moeders.

    Ze kunnen er niets aan doen, die overbezorgde, getraumatiseerde moeders

    Wanneer ontheemde kinderen volwassen worden, verlangen ze ernaar weer normaal te zijn. We willen niet de hele tijd alles zorgvuldig hoeven af te wegen, niet alles fout doen. We willen dikke zware deuren die onze mentale kamers scheiden van die van onze ouders – enige afstand en tastbare grenzen tussen het heden en het verleden. Soms wordt dat verleden belichaamd door een ontroostbare, buitenlandse moeder, die altijd maar aanklopt en ons blijft uitnodigen.

    Telkens als ik een harde grens afdwing, betrekt mijn moeders gezicht. Ze blijft terugkeren naar ons denkbeeldige toevluchtsoord, waar we gedrieën opgekruld tegen elkaar aan zaten. Ze wil dat haar kinderen ook weer een keer naar die bunker komen, om er samen een kopje thee te drinken en te lachen. Als ik een grap maak, denkt ze dat de deur misschien op een kiertje gaat. Haar ogen lichten op. Ik wil haar die warmte blijven geven, maar ik trek me, omdat ik gevaar bespeur, achter mijn eigen deur terug. Dus blijft ze weer alleen en verward achter.

    Mijn moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen. Maar ons grootste conflict gaat hierover: mijn moeder heeft zich toen ik een puber was voortdurend beziggehouden met het bedekken van mijn lichaam en het corrigeren van mijn manieren. Ze maakte dat ik me ervoor schaamde vrouw te worden. Mijn beklemmende, religieuze opvoeding heeft een enorme invloed gehad op wat voor ouder ik wil zijn: ik doe er alles aan om ervoor te zorgen dat Elena zich niet veroordeeld voelt.

    ‘Weirdos, geen perfectos’

    Mijn dochter, die nu zeven is, zei laatst tijdens het tv-kijken: ‘Nu gaan ze lekker zoenen.’ Ik wilde de vier seconden doorspoelen waarin er redelijk braaf gezoend werd, maar hield me in. Omdat ik haar deze vrijheid geef, deelt ze al haar diepste geheimen met me. Mijn moeder kromp toen ik een kind was ineen als televisiepersonages begonnen te flirten. Ze veranderde zelfs van zender. Als er in een programma gezoend werd, bestempelde mijn moeder het als verdorven en verbood ze ons ernaar te kijken. Ze zei dingen als: ‘Als je naar onchristelijke dingen kijkt, vertrouw ik je niet meer met de tv.’ Eerlijk is eerlijk: zij zou als kind geslagen en uit huis gezet zijn als ze romantische tv-series zou hebben gekeken.

    Eén keer, toen ik twaalf was, snauwde mijn moeder me af omdat ik een smakeloze grap had gemaakt. Mijn borstkas verkrampte, waardoor ik me in mijn maaltijd verslikte. Ze vertelde later, om mijn schaamte te verzachten, iets wat haar als jong meisje in het Teheran van voor de revolutie was overkomen. Terwijl ze haar huiswerk aan het doen was, mompelde ze achteloos drie interessante woorden die ze op de televisie had gehoord. ‘Maria, Maagdelijke Moeder.’ Dat mantra leent zich in het Farsi, met de vele zachte m-klanken, goed voor gezang. Haar vader liep langs, hoorde haar mompelen, besefte wat ze zei en gaf haar een harde klap in haar gezicht. Een jongen was dat in deze situatie niet overkomen, in geen van onze generaties, en dat maakt me boos. Maar het verhaal doet me ook grinniken: mijn moeder hield zich als kind al bezig met de moeder van alle martelaren.

    ‘Laten we weirdos zijn, mama,’ zegt Elena soms terwijl ze vrolijk danst, ‘geen perfectos!’ Ze roept in het openbaar dingen als: ‘Mama, waar eindigt mijn vagina?’ Als een vreemde ons dan afkeurend aankijkt, staar ik terug en antwoord ik luid: ‘Je vagina is via je baarmoederhals verbonden aan je baarmoeder.’ Soms laat ik op mijn telefoon een medische tekening zien. En dan, wanneer ik denk dat ik me daardoor op de een of andere manier afzet tegen mijn moeder, bedenk ik me plotseling dat zij in Iran gynaecoloog is geweest. Dat ze me ditzelfde diagram heeft laten zien. Ze heeft dan wel geprobeerd om me af te zonderen en me voor de wereld te verstoppen, zoals Iraanse moeders dat doen, maar ze is ook een rationele, wetenschappelijke volwassene geweest, een dokter in een witte jas die voor haar plezier ingewikkelde wiskundige puzzels oploste. Mijn moeder deed aan magisch denken en hing religieuze dogma’s aan, maar ze had ook sterke armen en grote hersenen, en ik aanbad haar.

    Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit

    ‘Normaal’ betekent in Iran dat er ruimte wordt overgelaten voor die tweeledigheid. Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit. Ze zijn loyaal en ze voeren een soort van toneelstukjes op voor hun moeders. Ze blijven in hun denkbeeldige kamers zitten, blijven doen alsof het logisch is dat westerlingen zo dom en zo grappig zijn. Ik ben blijkbaar geen goede Aziatische dochter meer.

    Mijn moeder en ik hadden een aantal maanden geleden – voordat we de Engelse therapeut hadden gevonden – een uitputtend gesprek van twee uur lang. Mijn moeder noemde me toen terloops een concubine, omdat ik niet getrouwd ben. Ons hele project, onze poging tot verzoening, viel meteen in duigen. Ik sms’te een vriendin van me, die ook immigrant en schrijver is, om mijn beklag erover te doen.

    ‘Ze kunnen er niets aan doen! Die overbezorgde, getraumatiseerde moeders… Het is dus echt waar, we hebben allemaal dezelfde moeder!’ Mijn vriendin vindt dat we mild moeten zijn. Dat we voor onze moeders moeten doen alsof we trouwe Aziatische dochters zijn, steeds in gedachten houdend dat we daarna weer terug kunnen naar onze eigen veilige, feministische huizen. ‘De manier waarop zij zijn opgevoed was zoveel erger,’ benadrukt ze. ‘Besef wat voor culturele bullshit zij van hun moeders hebben meegekregen. Daarvan geven ze zo weinig door aan ons… zoveel minder dan wat zij hebben gekregen.’ Het is waar, onze moeders hebben een opvoeding gehad die wij ons niet kunnen voorstellen. Pakken slaag en lange stiltes, body shaming, schaamte rondom seksualiteit, slopende werkzaamheden.

    Mijn moeder heeft koude nachten in de gevangenis moeten doorbrengen. Ze heeft haar twee kinderen mee uit huis gesleurd en een nieuw leven opgebouwd. De moeder van mijn moeder, die vorig jaar in Londen overleed, was een kindbruid in Teheran. Ze was dertien toen ze trouwde met een volwassen man – hij was gelukkig niet zestig, maar negentien, maar dat was een schrale troost voor een meisje dat geen enkele seksuele voorlichting had gehad toen ze het zelf moest ondergaan. Mijn grootmoeder wilde sindsdien niets meer weten van de Iraanse cultuur. Tot aan haar dood trok ze voor zichzelf harde, westerse grenzen. Ze wantrouwde Iraniërs in Londen.

    Wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder

    Ik vraag mijn vriendin, die zachtaardiger is dan ik, wat die Aziatische moeders toch van ons willen, waarom ze ons niet met rust kunnen laten. Ze antwoordt: ‘Ze willen dochters die hen, wanneer ze oud zijn, kunnen begrijpen en beschermen en vertalen.’ Want de wereld verandert. De regels van onze moeders leken misschien wat burgerlijk in de jaren negentig – typisch iets waar een cabaretier grappen over zou maken. Maar inmiddels zijn ze voor jongere generaties ondoorgrondelijk geworden.

    Toch ben ik daar niet zo zeker van. Ik denk dat onze gebroken moeders, hoewel ze hun dochters onder de duim houden, voor hun kleinkinderen kunnen veranderen in de gezellige grootmoeders die je in films ziet. In grootmoeders die vreselijk misplaatste dingen zeggen, maar niet bedreigend zijn, zoals een dronken oom op een familiefeest. Mijn moeder en dochter giechelen samen over lippenstift en tekeningen van vogels. Wanneer Elena net zo danst als Lizzo, geniet mijn moeder met volle teugen. Het komt niet in haar op om Elena erop aan te spreken. We zijn alleen brutaal tegen de generaties direct boven en onder ons. Er is met een generatie die verder van ons verwijderd is genoeg afstand voor verwantschap, voor gelach, zelfs voor begrip.

    ‘De slechte situatie’

    Ik geloofde mijn grootmoeder toen ze mijn grootvader een verkrachter noemde. Misschien kwam dat doordat ik zelf geen nauwe band met mijn grootvader had gehad. Ik woonde in de zomer waarin ik eenentwintig werd bij mijn oma in haar appartement in Londen. Als ik menstruatiepijn had – wat ze omschreef als ‘de slechte situatie’ – gaf ze me Kahlua en pistachenoten. Haar familie heeft altijd geweigerd de verkrachting te erkennen. Maar cijfers liegen niet. Mijn tante en moeder waren elf en negen jaar oud toen hun moeder vijfentwintig werd.

    Mijn moeder en tante wisten dat ik, direct na mijn grootmoeders dood, haar verkrachting openlijk de wereld in zou slingeren. Dus braken ze vlak nadat ze overleden was bij haar thuis in. Ze verwijderden al haar digitale bestanden en verbrandden al haar papieren, met uitzondering van een paar van haar gedichten en zeven pagina’s onschuldige, maar geweldig rare, christelijke sciencefiction die ze had geschreven. Schreef ze die verhalen om terug te keren naar de kindertijd die haar ontnomen was? Mijn oma’s laatste woorden aan mij waren: ‘Ik ben mijn autobiografie aan het schrijven. Wil je me helpen?’ Zij had de eerste regel al geschreven: ‘Ik heb een heel korte jeugd gehad.’ Die eerste regel is alles wat er van haar over is.

    Mijn moeder en ik trapten tot vorig jaar, toen mijn grootmoeder stierf en haar appartement geplunderd werd en haar nalatenschap vernietigd, nog wel eens lol samen. We assimileerden in de loop der jaren, wat ertoe leidde dat onze grappen vaker over de vreemde gewoontes van Iraniërs gingen dan over die van Amerikanen. Tijdens de pandemie was ik een kort verhaal aan het schrijven. Mijn moeder vertelde me verhalen uit haar jeugd. ‘We epileerden onze wenkbrauwen en zeiden tegen mensen dat ons haar was uitgevallen door een te traag werkende schildklier,’ vertelde ze, terwijl ze in haar vuistje lachte. ‘Alleen bij je wenkbrauwen?’ vroeg ik, giechelend. ‘Dus door een te traag werkende schildklier vielen zeker alleen de extra haren rondom jullie wenkbrauwen uit? Verder nergens?’ ‘Onze beenharen verdwenen daardoor ook,’ zei ze, en ik barstte in lachen uit. Een schildklierprobleem dat alleen ongewenst lichaamshaar aantast… Iraanser dan dat wordt het niet. ‘De grootmoeders geloofden het!’ Of ze lieten het maar voor wat het was. Of ze deden eraan mee.

    Heel even, terwijl we theedronken en grappen maakten over de vrouwen van het Iraanse platteland, waande ik me weer in de veilige bunker die we met ons meedroegen toen we net gemigreerd waren. Die heilige ruimte van waaruit we andere mensen uitlachten om hun ijdelheid, om hun persoonlijke grenzen, om hun borden met vleeswaren.

    Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan?

    ‘Ik denk dat er hier sprake is van intergenerationeel trauma,’ zei de therapeut tijdens onze tweede sessie. Er was dus meer aan de hand dan alleen een culturele kloof. Het is waar dat de vrouwen in onze familie gemigreerd zijn, mishandeld door mannen en een diepe, smeulende pijn voelen. Iedereen in mijn familie doet een beetje ongemakkelijk over seks. Nu denk ik dat dat niet alleen door de cultuur of de theocratie komt, maar ook door de verkrachtingen die mijn grootmoeder in haar kindertijd herhaaldelijk moest doorstaan en die door de gemeenschap werd goedgekeurd. Die misdaad is de reden dat wij allemaal ter wereld zijn gekomen.

    Elena gilde het uit toen ik een keer rond bedtijd zei dat de deuren ’s nachts op slot moeten. ‘Vertel me geen enge dingen! Vertel me die pas als ik twintig ben!’ Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan? Of ben ik begonnen iets aan haar door te geven dat diepgeworteld en onvermijdelijk is?

    Mijn moeder houdt echter vol dat onze problemen volledig te wijten zijn aan cultuurverschillen en botsende opvattingen over wat normaal is. ‘In mijn cultuur,’ zegt ze, ‘respecteer je je moeder. Je stelt niet zoveel muren op tussen jezelf en je moeder.’ Soms zegt ze precies wat ik denk: ‘We hadden toch een hechte band?’ Dan krijg ik een steen in mijn maag, omdat ik weet dat ik op een dag de privéruimte die ik met Elena deel zal kwijtraken. ‘Leg me eens uit,’ gaat mijn moeder verder, ‘op welke leeftijd moeders ophouden moeder te zijn.’ Ik heb geen idee, maar ik weet dat het onvermijdelijk is, dat mijn hart zal breken als ik ertegen vecht. Ik kan soms urenlang aan Elena’s nek ruiken. Ik gaf mijn moeder op de begrafenis van mijn oma met tegenzin een knuffel, en ze snoof hongerig aan mijn nek. Ik voelde me geschonden en verbijsterd, maar ik had ook met haar te doen. Ik rukte me snel los. Hoe meer ze me nodig had, hoe groter de kwelling. Ik begon na te denken over mezelf, over hoe ik over twintig jaar zou zijn. Zou ik me ook te stevig vastklampen aan mijn dochter?

    ‘Zien jullie twee wat jullie me nu aandoen?’ onderbreekt de Engelse therapeut ons, met de handen in het haar. Mijn moeder en ik hebben al een tijdje tegen elkaar zitten schreeuwen. We vallen stil. We hebben onszelf voor schut gezet ten overstaan van een witte vrouw. We hebben de gewoonte om terug te keren naar die chaotische dagen waarin elke uitbarsting vergeeflijk was. Nu hebben we het gezelschap van een Engelse vrouw nodig om ons netjes te gedragen. Hoewel we midden in een ruzie zitten, voel ik de drang om mijn moeder te vertalen tegenover de Europeaanse vrouw, want dat is mijn werk. Ik doe het al sinds ik klein ben, maar het is ook letterlijk mijn werk – ik schrijf over Iraniërs voor westerse lezers. Mijn moeder haat het dat ik openhartig schrijf over mijn onzekerheden of mislukkingen: ik onthul volgens haar te veel en doe af aan ons geromantiseerde vluchtelingenverhaal.

    Interpretaties

    De schrijver Matthew Salesses benadrukt in zijn werk vaak dat verhalen in verschillende culturen anders geïnterpreteerd worden. Hij schrijft dat een zin afhankelijk van de lezer anders begrepen wordt. ‘Ze wist honderd procent zeker dat ze hem haatte,’ kan bijvoorbeeld verschillende betekenissen hebben. Een westerse lezer zal ervan uitgaan dat de vrouw in kwestie tegen het einde van het verhaal van de man zal houden, of dat ze dat al doet. Diezelfde zin kan voor mijn grootmoeder betekenen dat de vrouw binnenkort gedwongen wordt met de man te trouwen. Dit is precies het soort zin waar mijn moeder en ik ruzie over maken. Als ik schrijf dat een fictieve Iraanse moeder een tekortkoming heeft, die later in het verhaal zou kunnen zorgen voor begrip of verbondenheid, zoekt mijn moeder er een belediging in. ‘Je vindt me gewoon een domme immigrant,’ zegt ze dan. Ik leg uit dat het saai is om alleen maar weerbaarheid en kracht te tonen, dat je op een andere plek moet beginnen dan waar je wilt eindigen. Imperfecte verhalen zijn interessanter, belonen meer dan mythische heldenverhalen. Falende personages zijn geliefder. Ze wuift het allemaal weg. Het is Amerikaanse onzin.

    Mijn moeder vindt het angstaanjagend om in het bijzijn van westerlingen ontmaskerd te worden. Eerlijk schrijven, met mijn eigen stem, is voor mij genezend, vergelijkbaar met bidden. Mijn moeder slaat onze goede dagen op in haar geheugen. Ze maakt in haar hoofd onze kleren schoner en onze gezichten mooier; we lachen elkaar toe alsof we op een Hallmark-kaart staan. Ik sla diezelfde herinneringen op, maar dan wel met barsten en al. Wat ik het bewaren waard vind, verwerk ik in mijn schrijven. ‘Je hebt mijn dierbare herinnering verpest,’ zegt mijn moeder dan, als ze mijn werk leest. Maar waarom zouden we alleen maar misleidend geruststellende migrantenverhalen mogen vertellen? Waarom zouden we alleen maar stiekem blijven giechelen om borden vol met ham? Ik wil lezers uitnodigen om de wereld door mijn ogen te zien – het is niet mijn doel om er voor hen presentabel van af te komen.

    Ik wil dat lezers inzicht krijgen in alle specifieke, schitterende manieren waarop we ons als eikels gedragen – ik vind dat dat gevierd moet worden. Laat ik eens beroep doen op het hiërarchisch denken dat in de Iraanse cultuur zo belangrijk is. Ik word door het Europese en Amerikaanse publiek betaald om over mijn gebreken te praten – geeft dat me niet juist een hogere status? Maakt dat me geen koningin, in plaats van een miserabel iemand?

    Schijnvertoning

    Ik heb vrienden die thuis de goede Aziatische dochter spelen. Ze veranderen in een afgevlakte versie van zichzelf, die onderdanig en lief is. Mijn moeder toonde haar respect voor haar eigen moeder, serveerde haar thee, zei ‘U’ tegen haar. Door het schrijven ben ik maar al te bewust geworden van deze schijnvertoningen. Ik heb altijd mezelf willen zijn, en als iemand van me eist dat ik een toneelstukje opvoer, ben ik gelijk weg. Ben ik mijn moeder – die veel onrecht heeft geleden – een geruststellend optreden verschuldigd, als dat ritueel voor mij schadelijk is?

    We bespreken de dag dat mijn moeder me een ‘concubine’ noemde. Ze vraagt me rekening te houden met haar cultuur – te beseffen dat ze er niets aan kan doen. Ik moet denken aan hoe ik mezelf verdedig als ik mijn leerlingen niet met de juiste voornaamwoorden aanspreek. Ik wil elke keer dat ik stuntel zeggen: ‘Heb geduld met me. Ik ben het met je eens, maar zit nog vast in de gewoontes van een andere generatie. Ik doe mijn best.’ Ik wijs ze er soms op dat we in mijn moedertaal, het Farsi, überhaupt geen gendergebonden voornaamwoorden hebben. En dat ik alleen maar klungel, omdat ik veramerikaniseerd ben. Als ik mijn oorspronkelijke, Iraanse zelf was, zouden voornaamwoorden voor mij niet eens bestaan.

    Mijn studenten zijn een mysterie voor me, net als ik dat voor mijn moeder ben. We stuntelen allebei in de dialecten die we hebben aangeleerd. Mijn moeder vraagt om het voordeel van de twijfel. Misschien moet ik het haar geven, omdat ik het ook verlang van mijn studenten, en omdat ik het op een dag van Elena zal moeten krijgen. We zijn allemaal op een bepaalde manier ontheemd, verdwaald in de tijd, de buitenlandse moeders van de volgende generatie.

    Kinderen leren dat je intens van iemand kan houden zonder diegene te mogen

    Ik denk terug aan vroeger en probeer vergevingsgezind te zijn. Ik herinner me hoe mijn moeder mijn wonden heeft verzorgd. Ze masseerde mijn spieren als ik thuiskwam van taekwondotraining. Ze belde me bijna elke avond tijdens mijn scheiding. Die telefoontjes waren voor mij een troost, omdat er toen een veilige afstand tussen ons was. Ze was in Thailand, als dappere Amerikaanse vrijwilligster van het Vredeskorps. Maar toen ze terugkeerde naar de VS verscheen ze ongevraagd aan mijn deur met zakjes thee en basmati en afgeprijsde pijnstillers, als de opdringerige Iraanse moeder die weer over mijn grenzen heen ging.

    Soms, wanneer ik net enorme behoefte heb aan tijd met mijn dochter, duwt Elena me weg. Heb ik mijn moeder hetzelfde aangedaan? Ik ben vastgeroest in mijn perspectief, waardoor ik alleen nog maar kan zien wie mijn moeder in mijn tienerjaren was: een vrouw met steenkolenengels en een hooghartige houding, die erbij wilde horen, maar daar niet in slaagde. Misschien is het al genoeg om haar maar voor even te begrijpen. Om te weten dat ze (een beetje) gelijk heeft – want alles draait om taal en cultuur. Voor mij is ‘concubine’ een scheldwoord. Voor haar betekent het woord niets meer dan alle duizenden andere woorden die ze in haar leven heeft gezegd.

    Nee zeggen

    Mijn moeders cultuur schrijft voor dat jonge vrouwen dienstbaar zijn en zichzelf opofferen. Ik vroeg Elena een paar dagen geleden of ik een van haar frietjes mocht. Ze dacht erover na en zei toen: ‘Ik zou je graag een frietje geven, mama, maar het spijt me, ik denk dat ik ze allemaal zelf wil opeten.’ Ik lachte en probeerde te beslissen of dit het moment was om haar te leren delen, of om dankbaar te zijn dat mijn dochter weet hoe ze ‘nee’ moet zeggen.

    Diep vanbinnen was ik opgelucht. Mijn god, dacht ik, het is me gelukt. Dit is mijn reactie op een generatie van opdringerige immigrantenmoeders die geloven in het dogma van een dochter die zichzelf totaal wegcijfert. Dat dogma hebben ze allemaal van hun moeders geleerd, en die op hun beurt weer van hun moeders. Mijn zachtaardige vriendin, die ook schrijft en Aziatisch is, stuurde een citaat naar me van de boeddhistische monnik Thích Nhất Hạnh. Onze talenten en onze fouten, zo schrijft Nhất Hạnh, hebben we allemaal geërfd. Ze zijn niet van ons. Mijn vriendin wil dat ik accepteer dat we niet veel van onze moeders verschillen. Ze wil dat ik door blijf vechten, beter leer vechten.

    Veel kinderen leren als ze volwassen worden dat je intens van iemand kunt houden zonder diegene ook maar in de verste verte te mogen. We bereiden ons voor op het pijnlijke moment dat ook ons eigen kind dat onderscheid leert – en we hopen dat ze niet alleen van ons zullen houden, maar ons ook blijven mogen. Toch blijft de beangstigende mogelijkheid bestaan dat ze er niet eens bij zullen stilstaan en dat ze direct zullen besluiten dat alleen van ons houden meer dan genoeg is. Dus doen we hun slaapkamerdeur dicht en wachten we af. We proberen niet te luisteren naar hun speelrituelen en naar de grenzen die ze introduceren en die we op een dag zullen moeten respecteren.

    Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam

    Ik weet nu al dat ik Elena’s waarden op een dag niet meer zal kunnen doorgronden. Maar zal ik van haar verlangen dat ze tegen me liegt, zodat ik oud kan worden in een fantasiekamer? Ik rolde toen ik jonger was met mijn ogen als ik kinderen beleefdheid of zorgzaamheid zag veinzen om iets lekkers te krijgen. ‘Weet die moeder niet dat ze gemanipuleerd wordt?’ dacht ik dan. Nu, wanneer Elena een toneelstukje opvoert, is alleen al het feit dat ze de woorden uitspreekt voor mij genoeg. Haar optreden is een geschenk. Ik stel me voor hoe mijn dochter op haar dertigste liefde en toewijding uitdraagt en een lange zucht onderdrukt terwijl ik aan haar nek snuffel. En dan denk ik: ‘Weet je wat? Daar neem ik genoegen mee.’

    Soms doe ik voor Elena ook alsof – de politieke geschillen van haar My Little Pony-eenhoorntjes interesseren me bijvoorbeeld eigenlijk vrij weinig. Dan moet ik denken aan alle keren dat mijn moeder zich voor mij probeerde te houden aan westerse grenzen. (Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam. Later was het te veel gevraagd om eerst op te bellen voordat ze me thuis kwam opzoeken. Maar af en toe vroeg ze me plechtig: ‘Is dit een goed moment?’) Ik veroordeelde haar, omdat ze zo stuntelig met die Amerikaanse grenzen omging. Ze hield het altijd vol tot het moment waarop iets stressvols haar deed wankelen en al haar Iraanse verwachtingen toch weer naar de oppervlakte kwamen.

    ‘Ze hebben zoveel meegemaakt,’ herhaalt mijn vriendin.

    ‘Wees aardig,’ bedoelt ze. ‘Denk aan de grappige dokter die wiskundige puzzels oploste en in een ander universum je vriendin had kunnen zijn. Stel je voor hoe ze zich als verward kind een weg moest banen door het duistere mijnenveld dat een huishouden in Teheran in het midden van de vorige eeuw moet zijn geweest. Een kind dat geslagen wordt als ze een mysterieus, nieuw woord gebruikt.’ Ik haal diep adem en stem in met een vervolgsessie met de Engelse therapeut die ons leert om ons te gedragen. Ik kijk er eventjes naar uit om mijn moeders gezicht te zien. Ik mis onze lekker ruikende bunker. Ik zet Zoom aan, we zeggen hallo. Dan doen we onze monden open en beginnen we in onze vreemde talen door elkaar heen te praten.

    Lees ook:

  • Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

    Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

    Hoe kan het dat Canadezen de multiculturele samenleving – in tegenstelling tot de inwoners van veel andere westerse landen – wél als een succes beschouwen? Volgens Jonathan Tepperman, hoofdredacteur van het blad Foreign Affairs en auteur van het boek De oplossing (The Fix), is dat het resultaat van uitgekiend beleid, waarvan wij veel kunnen opsteken.

    Halverwege de vorige eeuw was de wereld in de greep van een ongekende onrust. De verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en de chaos na de dekolonisatie brachten miljoenen mensen op de been, die op zoek gingen naar een veiliger en welvarender thuisland. Hoe graag je je oude leven in de oude wereld ook wilde inruilen voor een beter bestaan in de nieuwe, je dacht waarschijnlijk niet aan Canada – vooral niet als je een kleurtje had. In de oorlogsjaren liet Canada weinig immigranten toe (precies 7500 in 1942) en in de daaropvolgende tien jaar namen de aantallen toe, maar de mensen die werden toegelaten waren opvallend wit. Door het ‘blank Canada’-beleid mochten alleen Europeanen en Amerikanen zich er vestigen, en men vond alle andere mensen een beetje griezelig.

    Tegenwoordig gaat het anders, en op de ochtend van 10 december 2015 was dat goed te zien. Op dat moment woedde er onder politici in de Verenigde Staten en in Europa een heftig debat over de vraag of er meer Syrische vluchtelingen moesten worden opgenomen, en veel landen begonnen hekken te bouwen aan hun grenzen. Maar in Toronto stond Justin Trudeau, de kersverse jonge premier van Canada, in de aankomsthal van het vliegveld winterjassen uit te delen aan de eerste groep van de 25.000 Syrische asielzoekers die de komende maanden naar Canada mochten komen, het dubbele van het aantal dat de VS in het hele jaar zou toelaten. ‘Hier vind je een veilig thuis,’ heette Trudeau hen welkom.

    Trudeaus gebaar mag wat theatraal zijn, het is niet uitzonderlijk voor het huidige Canada. Tegenwoordig hoeven aspirant-immigranten niet lang te aarzelen over Canada. Canada zoekt hen op, vooral als ze jong zijn en hoogopgeleid. De Canadese minister van Immigratie reist de wereld af om te promoten hoe goed het is om in zijn land te leven en werken. De regering maakt zelfs reclame in het buitenland, in 2013 bijvoorbeeld betaalde ze voor een billboard in Silicon Valley, gericht op jonge buitenlandse computernerds die in de VS geen werkvergunning kregen, met de slogan ‘H-1B een probleem? Kom naar Canada.’ Met andere woorden: waar je ook vandaan komt, de Canadese regering zit op je te wachten.

    Nieuwkomers

    De burgers ook. Canada heeft nu een van de hoogste aantallen immigranten per hoofd van de bevolking, ruim het dubbele van de Verenigde Staten. In de afgelopen twintig jaar werden er jaarlijks ongeveer 250.000 nieuwkomers toegelaten, bijna 1 procent van de bevolking, en de overheid gaat ervan uit dat de jaarlijkse instroom in 2018 337.000 personen zal bedragen. Al meer dan 20 procent van de Canadese bevolking is elders geboren – wederom twee keer zoveel als in de VS, zelfs als je de illegale inwoners meerekent – en de verwachting is dat dit in 2031 zal zijn opgelopen tot een kwart van de bevolking. De laatste jaren waren de Filipijnen, China en India de top drie van herkomstlanden van nieuwe Canadezen. Het Angelsaksische ideaal is achterhaald.

    Gewone Canadezen zijn hier heel tevreden over. Peilingen wijzen uit dat twee derde van de bevolking vindt dat immigratie een van Canada’s sterkste punten is, en hetzelfde aantal is er voor om het huidige niveau aan te houden of zelfs op te hogen. Slechts een kwart van de Canadezen beschouwt immigratie als een probleem, en dat is het laagste cijfer in de geïndustrialiseerde landen. Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, wijst erop dat Canadezen zo enthousiast zijn over immigratie dat zelfs de critici van het beleid hier grotere aantallen bepleiten dan de voorstanders in andere rijke landen.

    Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty
    Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty

    Wat is het geheim van het Hoge Noorden? Waarom vinden moderne Canadezen, anders dan hun grootouders en de rest van de moderne wereld, het prima om de deuren van hun land wijd open te zetten? Dat Canada altijd een immigratieland was is geen afdoende verklaring; het is waar, maar dat geldt ook voor de meer xenofobe Verenigde Staten. De huidige instelling van de Canadezen is ook geen vreemde genetische afwijking, ook al worden Canadezen vaak geprezen (of bespot) omdat ze zulke ongelooflijk beleefde do-gooders zijn (ze zeggen zelfs sorry als ze tegen een stoel opbotsen.) Maar hun opvallende openheid is geen aangeboren trekje. Het is het product van buitengewoon goed leiderschap. De Canadese leiders creëerden een beleid dat er op een briljante wijze in slaagde om de burgers ervan te overtuigen dat immigratie noodzakelijk en goed is. De Canadese overheid ontwikkelde dit beleid niet uit altruïsme of nobele principes. Canada omarmde immigratie omdat het moest. De Canadese deugdzaamheid ontstond uit noodzaak.

    Niemand is een beter voorbeeld van de Canadese evolutie dan de vader van de huidige leider, Pierre Elliott Trudeau, die met één korte onderbreking van 1968 tot 1984 premier was.

    Tegenwoordig denkt men terug aan Trudeau als een toonbeeld van een ontwikkelde intellectueel die staatsman werd, een flitsende, kosmopolitische filosoof-koning met grote bakkebaarden, die Plato citeerde, danste op muziek van de Beatles, aan yoga deed en die de wereld liet zien dat als de woorden ‘sexy’ en ‘Canadees’ in één zin worden genoemd het niet per se een grap hoeft te zijn.

    Maar Trudeau begon niet als een verlichte premier, en daar gaat het om in dit verhaal, want het is een belangrijk punt in de ommezwaai over immigratie die hij en zijn land later maakten. Trudeau werd geboren in Montreal in een rijk gezin. Zijn vader, Charles-Emile, was een boerenzoon die hield van drank en gokken, en die een fortuin had verdiend met benzinestations. Trudeau begon zijn politieke carrière, net als veel andere leden van de onderdrukte francofone minderheid, als een reactionaire katholiek, een Franse nationalist en een blanke chauvinist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar Canada volgens hem buiten moest blijven, hield hij een toespraak voor een menigte waarin hij verkondigde dat ‘hij banger was voor de vreedzame invasie van immigranten dan voor een gewapende vijandelijke invasie van de vijand.’

    Toen Trudeau zijn rechtenstudie had afgemaakt aan de universiteit van Montreal verliet hij het benepen Quebec. In 1944 vertrok hij naar Harvard, waar hij een bordje met de tekst ‘Pierre Trudeau, wereldburger’ op de deur van zijn studentenkamer hing en een master haalde in de economie. Hij verhuisde naar Frankrijk en daarna naar Engeland, waar hij aan de London School of Economics studeerde. Zijn studie en een jaar als backpacker de wereld rondreizen hadden de jonge Franse Canadees helemaal genezen van zijn chauvinisme; Trudeau kwam in 1949 terug naar huis met een baard en een nieuwe manier van denken. Hij werd journalist, mensenrechtenadvocaat en hoogleraar rechten, en toen hij in 1965 de politiek inging was hij een weldenkende linkse intellectueel en een overtuigde Canadese federalist. Bij zijn aantreden als premier in 1968 had hij zich ontwikkeld tot een scherpzinnige, pragmatische politicus die ‘Verstand boven gevoel’ als motto voerde.

    Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: “met voorkeur”, “zonder voorkeur” en “uitgesloten”

    Trudeau had zich ontwikkeld, maar de meesten van zijn landgenoten waren nog niet zover. Het boegbeeld van Frans Canada werd een machtig man, precies op het moment dat de onvrede onder zijn francofone achterban, toen ongeveer een derde van de bevolking, het kookpunt bereikte. De inwoners van Quebec hadden in die tijd redenen te over om zich achtergesteld te voelen. Na de Canadese onafhankelijkheid in 1867 werden zij het slachtoffer van gedwongen assimilatie, van officiële en van alledaagse discriminatie. De elite, die zijn wortels had in Engeland, zag de Franstaligen als een minderwaardig en ondergeschikt volk. Hun situatie was zo beroerd dat er tussen 1840 en 1930 ongeveer een miljoen Franse Canadezen het land ontvluchtten en naar de VS vertrokken.

    Toen Trudeau aan de macht kwam, waren de ergste vormen van onderdrukking inmiddels voorbij, maar het gemiddelde inkomen in Quebec lag nog twee derde onder het landelijk gemiddelde en de Franstaligen waren ondervertegenwoordigd in de hogere echelons van het federaal bestuur en van het bedrijfsleven. Dit betekende dat Trudeau bij zijn aantreden in 1968 twee dreigende, onderling verweven problemen het hoofd moest bieden, en dat bracht hem ertoe het immigratiebeleid om te gooien.

    Probleem één was hoe hij de woede van zijn achterban in Quebec in goede banen kon leiden en de broze en losse federatie Canada bij elkaar kon houden. Trudeau was pas de derde Franstalige premier en hij zag dit als een persoonlijke uitdaging. Zijn eerste stappen waren echter verre van succesvol.

    In 1969 voerde Trudeau de Official Languages Act (OLA) in. Door deze wet werd het Frans voor het eerst in de geschiedenis van Canada een officiële taal, gelijkwaardig aan het Engels, en de overheid werd verplicht om in het hele land te communiceren in beide talen en overal tweetalig onderwijs mogelijk te maken.

    Door de OLA verminderden de spanningen niet, integendeel: ze namen juist toe. De wet was uiteraard populair bij de francofonen, maar zeker niet bij de Engelssprekende elite. En er kwam groot verzet van de ándere minderheden in Canada, met name in westelijke provincies. Onder leiding van senator Paul Yuzyk, zoon van immigranten uit Oekraïne, begonnen deze vergeten groepen zichzelf de ‘Derde macht’ te noemen. Het waren voornamelijk Oost-Europeanen, maar ook Italianen, Armeniërs, Portugezen, Grieken en Joden. Toentertijd vormden zij 26 procent van de bevolking en ze waren een belangrijk deel van de achterban van Trudeaus liberale partij. Voor hen was noch Engels noch Frans de moedertaal, en ze wilden beslist niet dat een van beide de dominante taal zou worden. Bij monde van Yuzyk wezen ze de ola en de bedenker van de wet af.

    Multicultureel land

    Hierdoor zag Trudeau zich genoodzaakt om een bredere strategie te ontwikkelen. In plaats van weer een kleine stap te zetten, besloot hij een waagstuk te proberen: hij ging de Canadese identiteit veranderen. Eén land met twee culturen moest een multicultureel land worden.

    Op 8 oktober 1971 besteeg Trudeau het spreekgestoelte in het neogotische parlementsgebouw en stak een speech af als een donderslag: ‘Cultureel pluralisme is de essentie van de Canadese identiteit.’ Hij legde uit dat het beleid van tweetaligheid hieraan weinig bijdroeg. ‘Er kan geen apart cultuurbeleid zijn voor Canadezen van Britse en van Franse komaf, een ander voor de inheemse bevolking en weer een ander voor de overige groepen. Hoewel we twee officiële talen hebben, hebben we geen officiële cultuur en is niet één etnische groep belangrijker dan de andere. Geen enkele burger of groep burgers is iets anders dan Canadees, en iedereen moet gelijk behandeld worden.’

    Om dit zeker te stellen stelde de premier een nieuw ministerie van Multiculturalisme in, het eerste ter wereld, en de Canadese adviesraad voor Multiculturalisme. In de periode dat hij aan de macht was verhoogde Trudeau het budget van deze instellingen van 3 miljoen dollar tot 23 miljoen in 1984. In 1978 stelde hij een commissie voor mensenrechten in, die moest zorgen voor antidiscriminatiecampagnes van de federale overheid in het onderwijs en klachten over ongelijke behandeling in het bedrijfsleven moest onderzoeken.

    Trudeaus motieven waren voor een deel idealistisch van aard, zoals hij graag onderstreepte voor het publiek. ‘Als Canada blijft bestaan, kan het alleen voortbestaan door wederzijds respect, liefde en begrip voor elkaar,’ zei hij later. Conservatieven dreven de spot met zijn poging om het Canadese etnische zelfbeeld om te vormen; het was een feelgoodactie die zou blijven steken in overheidssubsidies voor ‘volksdansen, festivals en zangfeesten’. Dit was niet helemaal juist; de overheid verhoogde inderdaad de uitgaven voor cultureel erfgoed, maar bevorderde ook de integratie door de media van de verschillende bevolkingsgroepen en andere initiatieven te financieren. In Quebec echter vreesde men dat het multiculturalisme ertoe zou leiden dat, in de woorden van Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, ‘de Franse cultuur slechts een van de vele zou zijn’.

    Bovendien kreeg de multiculturele samenleving al snel een slechte reputatie in andere landen, en die is de laatste jaren voortdurend toegenomen. De laatste jaren hebben politici als de Britse premier David Cameron en de Duitse bondskanselier Angela Merkel het multiculturele beleid doodverklaard. Ook in 1971 leidde Trudeaus nieuwe beleid al tot bezorgdheid; de Toronto Star schreef dat het immigranten aanspoorde om Canada te zien als een onsamenhangende ‘keten van etnische enclaves’.


    Trudeau had hierop geanticipeerd, hij had erover nagedacht hoe hij zijn nieuwe plannen vorm kon geven en hoe hij ze kon verkopen. John English, de toonaangevende biograaf van de premier, vertelde me dat Trudeau besefte dat er ‘etnische getto’s’ konden ontstaan en daar voerde hij van meet af aan strijd tegen. In de speech waarin hij het beleid van steun voor alle culturen aankondigde, ‘niet minder voor de kleine en zwakke groepen dan voor de sterke en goed georganiseerde’, noemde hij ook de voorwaarde voor deze steun: deze groepen moesten eerst laten zien dat ‘ze zich inspanden en graag een bijdrage aan Canada wilden leveren’. De onderliggende boodschap was helder: het hoofddoel was integratie. De vernieuwing was dat volgens Trudeau integratie en behoud van de eigen cultuur elkaar niet uitsloten.

    Trudeaus nieuwe koers leek utopisch, maar hij was vooral pragmatisch. Hij zei het niet in zijn grote toespraak en ook in volgende redevoeringen vermeed hij het onderwerp, maar zijn grootste prioriteit bij het instellen van het multiculturalisme was puur praktisch van aard: hij wilde zijn pas ingestelde politiek van tweetaligheid behouden, die hij had ingevoerd om de dreiging van een afscheiding door Quebec af te remmen en om Canada bij elkaar te houden.

    De federatie bijeenhouden was maar een deel van het verhaal. Zoals gezegd had Trudeau twéé grote problemen bij zijn aantreden. De culturele kloof was één probleem. Het tweede was zeker zo dringend: dat was de vraag hoe men de vloedgolf van immigranten die op dat moment het land binnenstroomde het beste kon assimileren. Dit tweede probleem was des te urgenter omdat, voor het eerst in de Canadese geschiedenis, een groot deel van deze nieuwkomers niet blank was.

    Om deze grote, plotselinge verandering te begrijpen, moet je weten dat Canada in de jaren vijftig en zestig een merkwaardig land was, ‘een land opgebouwd tegen ieder gevoel voor geografie, geschiedenis, cultuur of gezond verstand in’, zoals Trudeau het ooit verwoordde.
    Aan de ene kant was het gigantisch groot, in omvang is het het op twee na grootste land van de wereld. Aan de andere kant was het zeer dunbevolkt: in 1960 woonden er minder dan achttien miljoen mensen, een tiende van wat toen de bevolking van de VS was. Jarenlang leidde dit gegeven tot grote bezorgdheid in de hoofdstad. Er waren twee redenen voor dit gevoel van urgentie. Ten eerste maakte de dunbevolktheid het moeilijk voor de federale overheid om het uitgestrekte gebied te controleren. Dat kwam vooral doordat het gros van de inwoners toen, net als nu, woont aan de smalle strook land aan de vierduizend mijl lange grens met de VS. Ten tweede maakte de Canadese economie een groeispurt door – tussen 1939 en 1962 schoot het bnp omhoog van 5,7 miljard dollar naar 36 miljard – en als er niet meer arbeidskrachten bij kwamen dreigde afvlakking en achteruitgang.

    Door de gelijktijdige groei in de VS was het voor Canada lastig om mensen te werven. Daarom had Ottawa een dringende behoefte aan meer Canadezen. De vraag was hoe ze die konden werven.

    Deze vraag was jarenlang niet gesteld. Vanaf de oprichting van de confederatie in 1867 hield de Canadese overheid er een expliciet discriminatoire immigratiepolitiek op na. (Om eerlijk te zijn deden de meeste landen dat toen.) Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: ‘met voorkeur’, ‘zonder voorkeur’ en ‘uitgesloten’. De eerste groep was afkomstig uit Engeland of Noord-Europa en werd actief benaderd. De tweede groep bestond uit Zuid- of Oost-Europeanen en werd schoorvoetend toegelaten in tijden van een nijpend gebrek aan arbeidskrachten. De derde groep bestond uit de rest van de wereld en zoals de naam zegt moest ze worden geweerd.

    De Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, de dekolonisatie en Canada’s enthousiaste deelname aan de beginnende beweging voor de mensenrechten maakten het vreemd om door te gaan met zulke openlijke discriminatie. Daarnaast begon in de jaren zestig de bron van immigranten die Canada het liefste had op te drogen, omdat Europa zich herstelde van de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. Vooral vaklui waren steeds moeilijker te vinden.

    De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur

    Dus moest Ottawa zijn koers verleggen – dit keer meer uit noodzaak dan uit principe. Canada was in 1962 het eerste land dat etniciteit als selectieprincipe afschafte. In plaats daarvan werden de aanvragers beoordeeld op opleidings-, beroeps- en technische kwalificaties, een beleidswijziging die later de succesfactor zou worden van de Canadese immigratiepolitiek. Minister van Immigratie Ellen Fairclough legde uit dat met de nieuwe regels ‘iedereen met geschikte kwalificaties uit ieder deel van de wereld’ voortaan in aanmerking kwam voor toelating en dat de regering uitsluitend zou kijken naar ‘persoonlijke verdienste, zonder aanzien van ras, kleur of land van herkomst’.

    Vijf jaar later schrapte het liberale kabinet van premier Lester Pears alle resterende etnische criteria uit het immigratiesysteem. Pearson introduceerde een vernieuwend beleid, dat in grote lijnen nog steeds bestaat. Vanaf dat moment werden alle aanvragers, ongeacht geboorteland of ras, beoordeeld volgens een puntensysteem met negen criteria, zoals opleiding, leeftijd, beheersing van het Engels of het Frans, en de vraag of hun vaardigheden aansloten bij de behoeften van de Canadese economie. Wie genoeg punten scoorde kwam erin. Dat was het enige dat telde.

    Dit beleid leidde meteen tot grote veranderingen. Tussen 1946 en 1953 was 96 procent van de immigranten in Canada afkomstig uit Europa. Dat aantal daalde tussen 1968 en 1988 naar 38 procent. In 1977 bestond meer dan de helft van de jaarlijks toegelaten immigranten uit Aziaten, mensen uit het Caribisch gebied, Latijns-Amerika en Afrika, die tot 1962 werden buitengesloten.

    Zoals te verwachten viel riep deze verandering groot verzet op, met name in Quebec. Het politieke establishment had zich uit noodzaak bekeerd tot het idee van kleurenblinde immigratie, maar de meeste Canadezen niet. Aan de vooravond van Trudeaus premierschap bleek uit een enquête dat meer dan de helft van de Canadezen tegen het kleurenblinde immigratiesysteem was.

    Dit was dus het tweede probleem dat Trudeau erfde van zijn voorgangers. Volgens zijn biograaf was dit een andere belangrijke reden om in 1971 de nieuwe multiculturele politiek te lanceren.

    Trudeaus nadruk op pluralisme en de overgang naar een systeem van immigratie dat kleurenblind was en gericht op economisch voordeel, begon de manier waarop gewone Canadezen hierover dachten te veranderen. Het bleek al snel dat de twee beleidslijnen elkaar versterkten. De selectie van immigranten op basis van hun mogelijke economische bijdrage in plaats van hun uiterlijk of de vraag of ze al familie hadden in Canada, wierp zo veel financiële vruchten af dat de nog twijfelende Canadezen ervan overtuigd raakten dat iedereen profiteerde van de opendeurpolitiek, en vooral zijzelf. De riante overheidssteun voor multicultureel beleid en integratie van nieuwkomers heeft de autochtone Canadezen langzamerhand doen inzien dat de verbreding van de etnische diversiteit hun land juist méér Canadees maakt, en niet minder.

    De kabinetten na Trudeau hebben zijn beleid op beide fronten aangepast, maar meestal om de positieve impact te versterken. De laatste jaren heeft Ottawa bijvoorbeeld meer nadruk gelegd op opleiding en is het vestigingsbeleid voor ondernemers die nieuwe banen creëren makkelijker gemaakt. In 2013 werd een start-upvisaprogramma ontwikkeld dat entrepreneurs moet aantrekken door hun een onmiddellijke verblijfsvergunning te geven als ze durfkapitaal van Canadese investeerders kunnen krijgen. Ook nam de overheidssteun voor multicultureel beleid voortdurend toe. In 1982 zorgde Trudeau ervoor dat het Handvest voor Vrijheid en Recht werd aangenomen: een progressieve wet met een grote draagwijdte, die discriminatie formeel verbiedt, gelijke kansen op de arbeidsmarkt verplicht maakt en rechters instrueert om rekening te houden met multiculturele achtergronden bij de interpretatie van nationale wetgeving. De overheid gaf steeds meer geld uit aan de bevordering van pluralisme en besteedt tegenwoordig meer dan één miljard per jaar aan een breed scala van daarbij behorende programma’s. Deze lopen uiteen van pro-migratiedocumentaires op tv en leermiddelen voor het basis- en voortgezet onderwijs tot gemeentelijke integratieprogramma’s.

    Alles bij elkaar genomen bieden deze maatregelen een verklaring voor wat wetenschappers ‘de Canadese uitzondering’ noemen: het feit dat men in Canada de protesten tegen immigratie heeft kunnen voorkomen die in vrijwel alle geïndustrialiseerde landen zijn losgebarsten. Ze verklaren waarom de Index voor Integratiebeleid (een mondiaal vergelijkend onderzoek) Canada’s immigratiesysteem bij de beste van de wereld indeelt en waarom de Canadezen zelf het waarschijnlijk nog hoger inschatten. Het is geen toeval dat tegelijk met de gestage groei van de immigratie van de laatste twintig jaar ook de steun van de Canadezen voor het ruime immigratiebeleid is toegenomen.

    De economische toelatingscriteria – 65 procent van de nieuwkomers in 2015 kwam via deze weg – zijn verantwoordelijk voor een van de succesvolste immigrantenpopulaties ter wereld. De buiten Canada geboren inwoners zijn hoger opgeleid dan die in enig ander land: de helft van de nieuwe Canadezen arriveert met een universitaire opleiding, tegen 27 procent in de VS, en tweedegeneratie-Canadezen gaan vaker naar de universiteit dan hun autochtone leeftijdgenoten. Immigranten vormen 21 procent van de bevolking, maar ze leveren 35 procent van de universitaire docenten. Canadese immigranten werken hard en maken weinig gebruik van uitkeringen, de economische immigranten maken hier zelfs minder gebruik van dan autochtone Canadezen. Het aantal werkenden onder hen is het hoogste in de OESO-landen en zonder hen zou de Canadese beroepsbevolking krimpen en vergrijzen. Niet vreemd dus dat 70 procent van de Canadezen vindt dat immigratie van belang is voor de economie. Zelfs de meeste Canadese werklozen denken er zo over.

    De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters
    De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters

    Dankzij de multiculturele samenleving zien Canadezen immigratie als een belangrijke manier om hun nationale identiteit te versterken. Na Trudeaus lancering van het beleid is dit gevoel gestaag gegroeid. Bij een enquête uit 1985, waarin Canadezen werd gevraagd wat hen trots maakte op hun land, eindigde de multiculturele samenleving op de tiende plaats. In 2006 stond ze op de tweede plaats. Uit peilingen blijkt dat tegenwoordig 85 procent van de Canadezen de multiculturele samenleving beschouwt als enigszins tot zeer belangrijk voor de nationale identiteit. Dat verklaart waarom de meest patriottische Canadezen ook het meest voor immigratie zijn – anders dan Amerikanen, waar het precies andersom is. Dit betekent niet dat Canadezen vinden dat immigranten zich niet hoeven aan te passen. Het is meer zo dat, zoals Reitz stelt, het beleid van Trudeau heeft geleid tot een ‘open en tolerante’ visie – en tot meer geduld – op hoe integratie moet plaatsvinden en wat integratie inhoudt.

    De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur. Volgens Reitz maakt pluralisme deel uit van typisch Canadees politiek beleid, zoals toegankelijke gezondheidszorg, strenge controle op vuurwapens, en rechten voor homoseksuelen, die Canadezen trots maakt op wat ze zijn en op wat ze niet zijn.

    Wetenschappers denken dat ook andere factoren hebben bijgedragen aan de bijzondere openheid van Canada. Een van die factoren is dat Canada, anders dan de Verenigde Staten, Duitsland, Japan en andere geïndustrialiseerde landen, geen regelingen had voor gastarbeid. Uit overheidsstatistieken blijkt dat Canada de grootste mate van naturalisatie kent: 85 procent van de mensen die er permanent verblijven wordt Canadees burger. Dat is een belangrijk gegeven, omdat burgers meer dan gasten geneigd zijn om in hun nieuwe thuisland te investeren en ook meer worden uitgenodigd om dat te doen.

    Nog belangrijker is dat Canada geen illegale immigratie kent. Dankzij zijn geïsoleerde ligging met oceanen aan beide zijden, een ijsvlakte in het noorden en de grens met de Verenigde Staten in het zuiden, bestaat illegale immigratie, in de woorden van een wetenschapper, ‘slechts uit een kabbeling aan de Canadese kust en niet uit grote golven’. Dit verklaart zeker een deel van de opvallende openheid van de Canadezen, maar niet alles. Het Verenigd Koninkrijk ligt ook geïsoleerd en heeft ongeveer hetzelfde aantal illegale immigranten als Canada, maar de Britten staan veel vijandiger tegenover immigratie.

    Stephen Harper

    De laatste jaren kreeg dit verhaal een staartje, dat ik vermeld omdat het mijn argumentatie ondersteunt (het lijkt erop dat Canada bij zijn pragmatische aanpak blijft) en omdat het benadrukt waarom Canada een goed voorbeeld is voor landen die met hun immigratiebeleid worstelen.

    In 2006 werd de conservatief Stephen Harper gekozen tot premier. Hij was veel rechtser dan zijn conservatieve voorgangers en qua stijl veel meer een Amerikaanse republikein dan een ouderwetse Canadese tory. Harper was hard en arrogant. Hij was bekend geworden door de Reform-partij, een populistische protestbeweging uit het olierijke, linkse westen van Canada, die sceptisch stond tegenover immigratie en de multiculturele samenleving. Het partijprogramma van 1988 verklaarde dat immigratie niet ‘ingezet moet worden voor een plotselinge en radicale verandering van de etnische samenstelling van Canada, zoals dat steeds meer het geval lijkt te zijn’, en een herziene versie uit 1991 riep op tot verzet tegen ‘het huidige concept van de import-Canadees’ en wilde het ministerie van Multiculturalisme opheffen.

    Bij Harpers ambtsaanvaarding in 2006 vreesden veel Canadezen dat hij dit soort gevoelens in beleid ging omzetten, maar deze veronderstellingen werden niet bewaarheid. Harper paste het systeem hier en daar iets aan, maar hij zorgde er over het algemeen voor dat de structuur niet werd aangetast. In 2015 werd hij terecht bekritiseerd dat hij steun uit de nationalistische hoek probeerde te krijgen door een verbod voor moslima’s om een nikab te dragen bij de burgerschapsceremonie (dat onmiddellijk werd afgewezen door de rechter), maar zijn kabinet nam ook veel verrassend progressieve maatregelen op het gebied van immigratie en multiculturalisme, zoals het verlagen van de prijs voor visa, het instellen van herdenkingen van de Armeense en Oekraïense genocides en van een ‘programma voor de historische erkenning van gemeenschappen’ met een budget van 13,5 miljoen dollar dat de geschiedenis van etnische Canadezen moest vastleggen. Harper maakte zelfs excuses en stelde compensatie in voor de slachtoffers van de beruchte ‘hoofdelijke belasting’ die de Canadese regering tussen 1885 en 1923 had ingesteld om immigratie uit China tegen te gaan.

    Rekening houdend met Harpers stijl en achtergrond is er alle reden om aan te nemen dat dit meer calculerend gedrag was dan dat hij opeens het licht had gezien. Een paar jaar voor hij werd gekozen had Jason Kenney, een jonge conservatieve activist die onder Harper minister van Immigratie en Multiculturalisme werd, hem er in stilte van overtuigd dat hij populairder moest worden onder de immigranten, wilde hij ooit een meerderheid behalen. Volgens Kenney was dat niet moeilijk, aangezien zij doorgaans uit traditionele culturen komen, wat hen tot de natuurlijke achterban van een conservatieve partij maakt. Harper nam het advies ter harte en tussen 2006 en 2011 bezocht Kenney, met de zegen van Harper, een eindeloze reeks moskeeën, sikhtempels en centra voor immigranten, waar hij de menigte in het Punjabi of Mandarijn begroette.

    Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak

    Dit betaalde zich royaal terug. In de verkiezingscampagne van 2011 zetten de conservatieven meer kandidaten uit minderheden in dan de liberale of zelfs de uiterst linkse Nieuwe Democratische Partij. Ze plaatsten advertenties in een veelheid van vreemde talen. Toen de stemmen werden geteld, hadden de conservatieven voor het eerst meer kiezers onder nieuwe Canadezen dan de oude partij van Trudeau, een historische verschuiving.

    Was hun campagnestrategie een cynische truc? Misschien wel, maar dat doet er niet toe. Want zelfs als het cynisme was, dan nog hielden Harper en Kenney zich aan wat een Canadese traditie is geworden: het omarmen van doelmatig en vooruitstrevend beleid vanuit puur zakelijke motieven. Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak. Het gaat om het resultaat. En de Canadese resultaten zijn spectaculair: een klein, gesloten, etnisch homogeen land is veranderd in een levendig mondiaal power house en in een van de meest open en succesvolle multiculturele landen ter wereld. Dat is een topprestatie waar politici uit alle landen, en vooral uit de Verenigde Staten, veel van zouden kunnen leren.

    Auteur: Jonathan Tepperman
    Vertaling: Mieke de Vos en Albert Witteveen

    Jonathan Tepperman is sinds 2011 hoofdredacteur van Foreign Affairs, waar hij in 1998 begon als junior redacteur. In de tussentijd werkte hij bij Newsweek, waar hij leiding gaf aan de correspondenten in het Midden-Oosten, Azië en Latijns-Amerika.

    Dit is een voorpublicatie uit het boek De oplossing (The Fix) van Jonathan Tepperman dat op 20 oktober verschijnt bij Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum.

    Beeld bovenaan: Spanning in Vancouver tijdens een wedstrijd van het nationale ijshockeyteam. – © Chris Helgren / Reuters

    In zijn boek De oplossing geeft Jonathan Tepperman oplossingen voor de tien grootste problemen waarmee overheden wereldwijd worden geconfronteerd.

    Tepperman neemt de lezer mee naar Mexico om aan te tonen dat politieke patstellingen te doorbreken zijn. Hij reist naar Botswana om te laten zien hoe verantwoorde grondstoffenpolitiek mogelijk is. Hij toont hoe Singapore de corruptie bestrijdt. En Indonesië is volgens hem een gidsland als het gaat om het tegengaan van extremisme.