Tag: museum

  • Heropening 
van een ‘gedekoloniseerd’ museum

    Heropening 
van een ‘gedekoloniseerd’ museum

    Westerse musea van Parijs tot Leiden worstelen met hun omstreden koloniale collecties. Wat moest het AfricaMuseum in Tervuren bijvoorbeeld doen met het ‘Afrikaanse dorp’, compleet met strooien hutten en opgezette dieren?

    Toen hij probeerde het Belgische Africa-
Museum te moderniseren, zat de directeur van het instituut, Guido Gryseels, met een delicaat probleem: wat te doen met de menselijke dierentuin? Als het museum deze maand weer 
opengaat, na een verbouwing van vijftien jaar, moet het een nieuw verhaal vertellen over Belgiës nalatenschap in Congo. Niet eenvoudig om dat goed te doen. Want het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, zoals het officieel heet, speelt een centrale rol in de bloedige koloniale bezetting.

    Het museum is gebouwd door koning Leopold II, 
met geld afkomstig van de exploitatie van de rubberplantages in Congo-Vrijstaat, dat hij aanvankelijk bestuurde als privéleengoed. Het begon in 1897 met een tijdelijke tentoonstelling die bedoeld was om de regering over te halen het bestuur van de kolonie 
(en haar schulden) over te nemen. Zo’n 1,3 miljoen Belgen, eenderde van de toenmalige bevolking, kwamen de menselijke dierentuin bekijken die de koning had opgezet op zijn landgoed in Tervuren, even buiten Brussel: een kopie van een ‘Afrikaans dorp’, compleet met strooien hutten, opgezette dieren en 267 mensen die voor de gelegenheid uit de Congo waren geïmporteerd.

    De grote belangstelling voor de tentoonstelling droeg ertoe bij dat België in 1908 het beheer over de kolonie overnam, waarna 
het museum een permanent instituut werd ter 
verering van het koloniale project – een periode uit de geschiedenis die gekenmerkt werd door dwang-
arbeid, massamoorden en stelselmatige verminking. Het aantal doden dat tijdens die bezetting is gevallen, loopt naar schatting op tot 10 miljoen.

    De tijden veranderden, maar het museum bleef hetzelfde. Sinds de jaren zestig waren de uitstallingen nooit veranderd. Het museum was een symbool geworden van Belgiës verouderde en verheerlijkte versie van het koloniale verleden – en van zijn 
onvermogen om af te rekenen met de uitbuiting 
van de Congo. Aan directeur Gryseels de taak dat 
probleem op te lossen. Op een recent rondje door de nog halflege zalen van het museum wijst Gryseels naar de insignes van Leopold II – twee hoofdletters L, met de ruggen tegen elkaar – op het plafond van de grote hal van het oude gebouw. ‘Kijk, hij houdt je altijd in de gaten’, zegt hij.

    Beschavingsmissie

    Een koloniale nalatenschap aanpakken in een gebouw dat juist is opgericht om dat te verheerlijken, was een ‘enorme uitdaging’, vertelt Gryseels, die in 2001 startte als directeur en het jaar daarop plannen begon te maken voor de renovatie. ‘Alles in dat museum herinnert je aan dat koloniale verleden.’ Het paleisachtige gebouw geldt bovendien als 
monument, wat de veranderingen die Gryseels kon aanbrengen nogal beperkte.

    In een lichte, marmeren gang die twee galerijen met elkaar verbindt, gedenkt een muurschildering de zestienhonderd Belgische mannen die in de begintijd van de kolonie de dood vonden. Een aantal nog recent opgepoetste, gouden standbeelden, die in 
de muren van de voormalige ingang zijn geplaatst, bewieroken Belgiës ‘beschavingsmissie’ in de 
voormalige kolonie.

    Om de galerijen – met zalen gewijd aan biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen, taal en muziek, 
rituelen en ceremonieën, en kunsthistorie – te moderniseren heeft het museum omstreden woorden geschrapt, zoals ‘hut’, ‘oerwoud’, ‘pioniers’ en ‘ontdekt’. Elke nieuwe tekst werd onderworpen aan een gedegen en deskundige toetsing. Het museum onderzocht ook de nog niet vertelde verhalen en kamde de kolossale archieven uit om de verhalen achter anonieme Afrikaanse gezichten op talloze foto’s en videobeelden samen te voegen. Alles werd uit de kast gehaald om een compleet beeld te geven van Afrikanen in België, wier aanwezigheid in het land teruggaat tot de zestiende eeuw, iets wat grotendeels onbekend is gebleven bij het grote publiek.

    Wat betreft Leopolds menselijke dierentuin: de 
staf van het museum heeft de kinderen die speciaal daarvoor naar Brussel werden gebracht een naam kunnen geven. Ze hebben ook bewijsmateriaal 
ontdekt van kinderen van gemengd ras uit Congo, Burundi en Rwanda, die na de onafhankelijkheid 
in de jaren zestig naar België werden gestuurd. 
Velen van hen proberen nu nog steeds hun ouders 
op te sporen.

    Gryseels vertelt dat hij een poging heeft gedaan de prekoloniale Afrikaanse geschiedenis te beschrijven – ‘want veel Belgen denken dat Congo is ontdekt door (de Britse koloniaal Henry Morton) Stanley, 
terwijl het land in feite een lange, eigen geschiedenis heeft, ook op cultureel gebied’ – en het kolonialisme toe te lichten als wereldwijd fenomeen dat globalisering, slavenhandel en postkoloniaal Afrika omvat.

    Om te vermijden dat het verhaal alleen vanuit een blank perspectief werd verteld, heeft het museum advies gevraagd aan een groep experts op het gebied van de Afrikaanse diaspora. ‘Die groep had bijvoorbeeld grote bezwaren tegen de zalen waarin dieren werden tentoongesteld’, zegt Gryseels. ‘Ze zeiden: 
“Jij laat dieren zien alsof Europa de cultuur heeft 
en Afrika de natuur, en wij moeten onze natuur in stand houden opdat de blanken hun eigen milieu niet meer hoeven te beschermen.”’

    De grootste verandering is misschien wel de verschuiving in het eigen ideologische standpunt van het museum. ‘Wij zien onszelf als een forum voor debat. We veroordelen kolonialisme als systeem. 
Dat wordt nu zeer duidelijk gemaakt.’ Het nieuwe verhaal kon niet helemaal binnen de vier muren van het museum worden uitgedragen, zegt Gryseels, terwijl hij naar een nieuwe, nog lege zaal wijst waarin hedendaagse kunst van Afrikaanse en in de diaspora levende kunstenaars tentoongesteld zal worden. Het museum zal steunen op ‘nieuwe stemmen’ om werken te creëren die ‘een contrast vormen’ met de kolonialere aspecten ervan.

    In de grote hal, onder een serie standbeelden die Leopold II bewieroken omdat hij ‘licht bracht waar slechts duisternis heerste’, staat een moderne sculptuur van een reusachtig menselijk hoofd van de Congolese kunstenaar Aimé Mpane op de marmeren vloer te wachten om aan de muur bevestigd te worden. 
‘Er zijn nog steeds veel vraagtekens’, zegt Christine Bluard, die als kunsthistoricus meewerkte aan de renovatie. ‘Het idee is om het langzaamaan te voltooien, om aandacht te schenken aan de diaspora, om informatie te corrigeren en aan te vullen.’

    Het 
is een poging die (op zijn best) gemengde reacties heeft gekregen vanuit de diaspora zelf. Het museum is ‘bereid te luisteren naar wat we te zeggen hebben, maar we hebben geen enkele beslissingsbevoegdheid’, zegt Mireille-Tsheusi Robert, activist en oprichter van de Afro-Belgische organisatie BAMKO. Zij noemt het feit dat het museum Afrikaanse kunstenaars en experts gebruikt een bewust geplande zet om het imago op te poetsen en internationale aandacht te genereren – wat niet zoveel verschilt 
van de menselijke dierentuin van Leopold II. ‘Als je mensen tentoonstelt, trek je meer bezoekers.’

    Buste van Koning Leopold II tussen een olifant en een leeuw, met achter hem drie Afrikanen in inheems tenue. 
–  © Eric Lalmand / 
Belga Photo.
    Buste van Koning Leopold II tussen een olifant en een leeuw, met achter hem drie Afrikanen in inheems tenue. 
– © Eric Lalmand / 
Belga Photo.

    In een onlangs gepubliceerde open brief bekritiseerde Robert het verzoek van een staflid dat haar 
‘off the record’ had gevraagd om advies over hoe de samenwerking met de diaspora eruit moest zien. Ze beschuldigde het museum ervan Belgisch-Afrikaanse experts niet serieus genoeg te nemen om hen te betalen voor hun advies. Voor Laura Nsengiyumva, een Belgisch-Rwandese architect en promovendus, 
is de vernieuwing van het museum ‘hetzelfde oude verhaal van gemiste kansen’. Het plan om een zaal in te richten om het verhaal van de Afrikaanse diaspora te vertellen, kwam te laat in het renovatieproces en kreeg maar een ‘belachelijk klein’ budget, zegt Nsengiyumva, die was aangesteld als adviseur maar zich terugtrok toen ze het gevoel kreeg dat haar suggesties in de wind werden geslagen.

    Een apart voorstel voor een performance waarin ze een ijssculptuur van Leopold II zou laten smelten – dat werd afgewezen – was ‘een test om te kijken hoe ver ze wilden gaan’. 
‘Ik voelde me gecensureerd. Als excuus gaven ze dat dit een etnografisch instituut was dat geen ervaring heeft met het tonen van hedendaagse kunst. Maar eigenlijk is het hetzelfde koloniale gezichtspunt, want het museum staat vol met Afrikaanse kunst.’

    ‘Zolang er nog steeds koloniale standbeelden in onze straten staan, of zelfs zolang er nog geen monument voor de slachtoffers van de kolonisatie is opgericht, hebben we geen echte vooruitgang geboekt’, vindt Nsengiyumva. ‘Alleen nog maar piepkleine stapjes.’ De verschuiving in het aandachtspunt heeft ook mensen aan de andere kant van het ideologische spectrum tegen de haren in gestreken.

    Voor de 
Belgische anciens coloniaux – die elke vrijdagmiddag 
in het museum bijeenkomen – is het een verraad aan de nalatenschap van Leopold II en het resultaat van een door de Afrikaanse diaspora geleide poging om de geschiedenis van België ‘zwart te maken’. ‘Dat dit museum vandaag nog bestaat, komt door Leopold II’, zegt Paul Vannes, voorzitter van Mémoire du Congo, die zegt dat zijn organisatie ‘Belgen hun echte koloniale geschiedenis wil laten zien’. ‘Dankzij Leopold II is Brussel nu de hoofdstad van Europa. Hij heeft België een grotere presentie gegeven, een grotere natie gemaakt wat invloed betreft.’

    De groep ‘vertegenwoordigt een segment van de 
Belgische maatschappij dat nostalgisch terugkijkt en te oud is om zijn opvattingen te veranderen’, volgens kunsthistoricus Bluard. De groep is niet geraadpleegd over het renovatieproces. De ‘oude kolonialen’ vormen een kleine minderheid, maar hun trouw aan de mythe van Leopold II als humanitaire koning – een heerser die de slavernij heeft afgeschaft, wegen en scholen heeft aangelegd en Congo het christendom en de democratie heeft geschonken – past in een Belgisch nationaal verhaal dat moeilijk de kop ingedrukt kan worden.

    In hun jeugd hebben veel oudere Belgen meegemaakt dat hun plaatselijke kerk donaties en kleren verzamelde voor ‘goede werken’ in de Congo. Tegenwoordig kent ongeveer een op de drie Belgen iemand die gewoond of gewerkt heeft in de voormalige kolonie. Het is een onderwerp waarover door de politiek liever niet wordt gepraat en dat geen deel uitmaakt van het officiële leerplan op scholen.

    Om de machtsdynamiek te veranderen van een belangrijk openbaar instituut als het museum, dat voor ongeveer 80 procent door de overheid wordt gefinancierd, ‘heb je een lobby nodig’, zegt Adam Hochschild, schrijver van De geest van koning Leopold II, een geschiedenis van de Belgische bezetting van de Congo. ‘Geschiedenismusea weerspiegelen de machtsdynamiek in de maatschappij waarin ze bestaan’, zegt hij. ‘Geen enkel land gaat behoorlijk om met musea of openbare ruimten die van doen hebben met pijnlijke of moeilijke perioden uit het verleden, tenzij het daartoe gedwongen wordt.’

    Gedekoloniseerd

    Samen met De moord op Lumumba van Ludo De Witte, over de rol van België bij de aanslag op Congo’s eerste, democratisch gekozen leider, veroorzaakte Hochschilds boek in de late jaren negentig protesten die leidden tot een kort openbaar onderzoek naar 
de koloniale geschiedenis van het land. Maar over het algemeen wordt het onderwerp beschouwd als behorend tot ‘het verleden’.

    Afrikanen vormen de op twee na grootste niet-
Europese gemeenschap in België, maar ze hebben erg weinig politieke macht en nauwelijks enige 
vertegenwoordiging in het parlement, ondanks hun bovengemiddelde prestaties in het middelbaar onderwijs, zegt Ilke Adam, professor migratie en diversiteit aan de Vrije Universiteit Brussel. ‘In de laatste twee tot drie jaar zie je een paar zwarte 
stemmen verschijnen’, zegt Adam. ‘Het komt nu voornamelijk van een tweede generatie, een tweede golf van antiracisme. En het is nog maar héél recent. Op politiek niveau is er helemaal geen debat, daar is niets gebeurd. Mijn tienjarige dochter leert op school nog steeds dat Afrikanen in hutten wonen.’

    Gryseels zegt dat hij en anderen zich terdege bewust zijn van de gecompliceerde relatie van het museum met het verleden, en met het heden. ‘We proberen daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Ruim honderd jaar lang heeft het museum in wezen de boodschap 
uitgedragen dat blanken superieur zijn aan zwarten. Hele generaties kregen dat beeld van blanke 
superioriteit voorgeschoteld. Dat leidt natuurlijk 
tot een bepaalde houding in de samenleving, en dat erkennen we nu.’

    Wat het werk moeilijker maakt, is dat het museum zelf daar niet immuun voor is, zegt Bluard. ‘De mensen die hier werken, vormen een weerspiegeling van de Belgische maatschappij. Sommigen zijn gevoelig voor het onderwerp, anderen willen het gewoon niet erkennen. Het museum is een symbool, maar het is niet het enige dat gedekoloniseerd moet worden. Het gaat om de hele publieke ruimte.’

    Auteur: Esther King

    Politico
    België | dagblad | oplage 28.000

    Europese editie van de Amerikaanse onlinekrant met politieke actualiteiten, voornamelijk gericht op de Europese Unie en haar lidstaten. Een papieren versie wordt wekelijks verspreid in Europese hoofdsteden.

  • Slavernijmonument verdeelt Portugezen

    Slavernijmonument verdeelt Portugezen

    In Lissabon bestaan plannen voor een slavernijmonument, maar ook voor een museum gewijd aan de ontdekkingsreizen. Vallen die twee wel te combineren?

    In 2019 zal in Lissabon een monument onthuld worden dat herinnert aan de Portugese rol bij de handel in zes miljoen slaven. Maar het plan verdeelt nu al de publieke opinie. Het monument werd voorgesteld door een vereniging van Portugezen van Afrikaanse afkomst en moet verrijzen aan de Ribeira dos Naus, het oude marinekwartier van de stad. Tegelijk wordt in het verkiezingsprogramma van burgemeester Fernando Medina gepleit voor een ambitieuzer plan: de bouw van een museum voor ontdekkingsreizen. Sommigen vinden dat de twee initiatieven verenigbaar zijn, maar dit gaat niet zonder polemiek.

    ‘Om racisme te bestrijden is het nodig om symbolische gedenkplaatsen neer te zetten. Wij voelen sterk de noodzaak om juist een monument tegen de verheerlijking van de ontdekkingsreizen op te richten,’ vertelt Beatriz Dias, president van DJASS – de vereniging van mensen van Afrikaanse afkomst die met het plan voor het monument kwam.

    Lissabons cultuurwethouder Catarina Vaz Pinto vertelt dat de gemeenteraad van het monument een ‘plek van erkenning en hommage wil maken, maar ook van reflectie over mensenrechten en educatie over dit thema’. Verder wordt het volgens haar ‘een symbolische veroordeling van alle huidige vormen van onderdrukking, bevooroordeling en discriminatie, vooral wanneer die ook nu nog een erfenis van de slavernij vormen.’ Maar als haar gevraagd wordt of het oprichten van een monument niet in tegenspraak is met het stichten van een museum voor ontdekkingsreizen, geeft ze geen direct antwoord. Ze verzekert slechts dat de raad ‘de geschiedenis van slavernij in de stad Lissabon wil onderkennen en belichten’.

    Een tegelafbeelding van een kokende slaaf in het stadsmuseum van Lissabon. – © Maurizio Borgese / HH
    Een tegelafbeelding van een kokende slaaf in het stadsmuseum van Lissabon. – © Maurizio Borgese / HH

    Nadat duizend inwoners van Lissabon stemden voor de oprichting van een slavernijmonument en het plan werd aangenomen, kwam er 100.000 euro beschikbaar voor de verwezenlijking ervan. Beatriz Dias erkent dat er met deze som niet veel meer dan een beeldhouwwerk kan komen, al was de ambitie van de DJASS oorspronkelijk om een ruimte te creëren om ‘de dialoog te stimuleren en zichtbaarheid te geven aan dat deel van de bevolking dat nu naar de rand van de stad gedrukt wordt’.

    Voordat zij met het plan voor een monument kwam, bezocht Beatriz Dias andere steden waar de slavernij herdacht wordt. In Amsterdam en Liverpool bestaan bijvoorbeeld al slavernijmusea [dit klopt niet, Amsterdam onderzoekt momenteel de mogelijkheden van zo’n museum]. ‘Het is onze wens dat dit monument een eerste van een serie herdenkingsplaatsen wordt waar de nationale verbeelding van het Portugese koloniale project bevraagd kan worden,’ legt zij uit.

    ‘De viering van de afschaffing van de slavernij en het daarbij horende verzet van tot slaaf gemaakte volken berust grotendeels op fictie’

    João Pedro Marques, een historicus die meerdere boeken over de koloniale tijdperk schreef, is het niet helemaal met haar eens. Op zich vindt hij het een goed idee om de door de Portugezen vanuit Afrika over de hele wereld verscheepte slaven eer te bewijzen. Wat hem betreft zou het ideaal zijn om een museum voor ontdekkingsreizen te creëren met daarin ‘een zaal, vleugel of ruimte waar de slavernij in objecten zichtbaar wordt gemaakt’. Volgens hem berust echter ‘de viering van de afschaffing van de slavernij en het daarbij horende verzet van tot slaaf gemaakte volken grotendeels op fictie. Het is een verdraaiing van de geschiedenis, omdat er tijdens het abolitionisme in de Afrikaanse Portugese koloniën geen openlijk verzet tegen de slavernij bestond.’

    De eerste groep Afrikaanse slaven stapte in 1444 in Portugal van boord. Na een decreet van koning Manuel I in 1512 kreeg Lissabon het monopolie op de slavenhandel in het hele rijk, waarna het land kon uitgroeien tot de belangrijkste steunpilaar van deze handel ter wereld. Vijf eeuwen later zorgt het thema nog steeds voor polemiek, zoals bleek uit een stuk op de Amerikaanse site Politico van vorige maand. Onder de titel ‘Portugal confronts its slave trade past’ vertelt het over de reis van Marcelo Rebelo de Sousa naar het eiland Gorée bij Senegal, van waaruit de slavenschepen vertrokken. Het herinnert er fijntjes aan dat de Portugese president ervoor koos om geen excuses te maken voor de rol van zijn land in de slavenhandel.

    Auteur: Christiana Martins
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Expresso
    Portugal | weekblad | oplage 71.465

    Het eerste weekblad voor de moderne Portugees kwam uit in 1973. Het wist direct lezers aan zich te binden door zijn kwaliteit, onafhankelijkheid en het originele, grote formaat. Tegenwoordig verschijnt de krant op Berliner.

  • Wereldbeeld: ijspret

    Wereldbeeld: ijspret

    Stephanie Cruz, tot vorige week presentatrice van Fox News Florida, wordt op de bananenschommel gefotografeerd in The Museum of Ice Cream, een pop-upmuseum dat tijdelijk, voor de duur van de kunstbeurs Art Basel, is neergestreken in Miami Beach.

    Het is de vierde locatie van het ‘museum’, dat eerder zijn tenten opsloeg in New York, San Francisco en Los Angeles. Op die drie plekken samen trok de attractie een half miljoen bezoekers (toegangskaartjes à raison van $ 38). Een grote aantrekkingskracht heeft ook het ‘zwembad’ in het museum, dat is gevuld met (synthetische) vruchtenhagelslag.

    © Lynne Sladky / HH
    © Lynne Sladky / HH
  • Louvre Abu Dhabi toont universaliteit van de kunst

    Louvre Abu Dhabi toont universaliteit van de kunst

    Het nieuwe Louvre Abu Dhabi wil laten zien dat mensen overal en altijd dezelfde verlangens, angsten en behoeften hebben. Missie volbracht, oordeelt Le Monde.

    De vestibule zet de toon: op de lichte marmeren vloer is een denkbeeldige kaart getekend met, in symbolische wanorde, steden langs een kust. De Chinese, Indische, Arabische, Europese en Amerikaanse namen zijn in de oorspronkelijke taal geschreven. Lijnen en een windroos geven de kompaskaarten van de eerste zeevaarders aan. Deze lijnen bepalen de vorm van hoekige glazen huizen. Elk huis bevat drie werken. Zoals een net bevallen Yombe-moeder (Congo), een bronzen Egyptische Iris die de borst geeft en een ivoren gotische Maagd met kind. Of drie figuren in aanbidding: een neolithisch beeldje van de Cycladen, een uit Mari in Syrië en een Byeri Fang uit Gabon. Andere trio’s hebben weer andere onderwerpen: paard, zon, moord.

    De werken die de trio’s vormen zijn volstrekt onbewust van elkaar gecreëerd, maar hebben een gemeenschappelijk onderwerp. Dat is het doel van het Louvre Abu Dhabi, aldus wetenschappelijk directeur Jean-François Charnier: laten zien dat mensen, op welke plaats of in welke tijd dan ook, dezelfde verlangens, angsten en behoeften hebben. De universaliteit van de mensheid, kortom, een gemeenschappelijke geschiedenis. Een uiterst eenvoudig voornemen, maar vreselijk ingewikkeld om uit te voeren als je aan het heden en verleden van de mensheid denkt, aan alle haat en oorlog. Dit museum lijkt een humanistische utopie.

    Meestal vormt het Westen het middelpunt, van de klassieke oudheid tot de moderne tijd, en komt de rest van de wereld aan bod vanaf het moment dat die is ontdekt en veroverd door Europa, alsof hij voordien niet bestond. Zo niet in Abu Dhabi

    Maar eigenlijk is het geen museum, maar een collectie voorwerpen die in de loop van de tijd zijn verzameld, zonder logica. In het Parijse Louvre en elders zijn duizenden stukken gerangschikt naar herkomst en periode: Griekenland aan de ene kant, het quattrocento aan de andere, en Oceanië of Cambodja aan de derde. Meestal vormt het Westen het middelpunt, van de klassieke oudheid tot de moderne tijd, en komt de rest van de wereld aan bod vanaf het moment dat die is ontdekt en veroverd door Europa, alsof hij voordien niet bestond.

    Zo niet in Abu Dhabi. Ook al wordt de chronologie gerespecteerd, vergelijking en decentralisering zijn wet. Altijd de verschillende beschavingen onder de aandacht brengen zonder het Westen als belangrijkste ijkpunt te nemen; een beschavingsgeschiedenis schrijven die niemand bevoorrecht of vergeet; overeenkomsten, correlaties, uitwisselingen en hybridisering laten zien; een nieuw museaal voorbeeld stellen, niets minder dan dat. Een reusachtige ambitie.

    Een ambitie die wonderwel is geslaagd dankzij zeshonderd werken, waarvan ongeveer de helft is aangekocht en de helft geleend. De aankopen zijn heel divers, omdat het project met niets is gestart. Een compositie van Mondriaan uit 1922, verworven in 2009 tijdens een veiling van Bergé, trok de aandacht. Maar dat is slechts een van de vele aankopen, waarvan sommige zelfs opmerkelijker zijn: een beeld van een vrouw in een wollen jurk uit de landstreek Baktrië (± 2300-1700 v.Chr.), de bewonderenswaardige sarcofaag van de Egyptische prinses Henoettaoey (± 950-900 v.Chr.), een niet minder bewonderenswaardige madonna tegen een zwarte achtergrond van Giovanni Bellini (±1480) en een vreemde tulbandhelm van staal die is getatoeëerd met zilveren letters (± 450) of, recenter, een veelluik van Cy Twombly (2008) en twee werken in opdracht, beide op hun eigen manier zeer geslaagd, van Jenny Holzer en Giuseppe Penone. Je kunt onmogelijk zien welke beschaving aan het aankoopbeleid van Agence France-Muséums is ontsnapt.

    Bezoekers voor het uit negen panelen bestaande Untitled I-IX van schilder Cy Twombly. – © Kamran Jebreili
    Bezoekers voor het uit negen panelen bestaande Untitled I-IX van schilder Cy Twombly. – © Kamran Jebreili

    De geleende werken zijn afkomstig uit dertien musea, voornamelijk uit Frankrijk maar ook uit Jordanië en Oman. De meeste uit het Louvre, maar ook de Bibliothèque nationale, Cluny, Orsay, Guimet, Rodin en Beaubourg hebben zich buitengewoon gul betoond. De aandacht wordt vooral getrokken door Portret van een jonge vrouw van Da Vinci uit het Louvre en de Manet en Van Gogh uit Orsay, maar het gaat niet om het exposeren van een bloemlezing van meesterwerken – temeer omdat de meeste geleende werken binnen een jaar weer ‘naar huis’ zullen gaan –, maar om het construeren van een globaal correlatiesysteem waarbinnen de getoonde elementen veranderen zonder dat de algehele strekking verloren gaat.

    Dit systeem komt in twaalf zalen tot uitdrukking. De eerste helft van het parcours is bedoeld om te laten zien hoeveel attitudes en ontwikkelingen verwant zijn zonder dat de volkeren weet van elkaar hebben. Mensen verzamelen zich in dorpen, koninkrijken, keizerrijken. Keramiek en metallurgie worden geperfectioneerd in Egypte en Iran. Vruchtbaarheidscultussen ontwikkelen zich in Jordanië, Pakistan en Ecuador, getuige de in deze landen gevonden figuren die dateren van tussen het zesde en derde millennium. Enzovoort: bij elk thema zijn werken naast elkaar tentoongesteld die zich goed tot elkaar verhouden, ook al komen ze overal vandaan. Ze suggereren dat de verbeelding weinig verschilt, Romeinse sfinx en Chinese draak, leeuwen en gehoornde monsters uit alle hoeken van de wereld. Godsdiensthistorici zijn zich al eeuwen van deze overeenkomsten bewust en hebben erover geschreven. Hier worden ze zichtbaar gemaakt.

    Men observeert elkaar, vecht met elkaar, handelt met elkaar, imiteert elkaar, en soms begrijpt men elkaar

    Vanaf het moment dat de contacten toenemen, verspreiden zich de proeven van bekwaamheid en de verhalen. Materialen, voorwerpen en stijlen vermengen zich. Een zilveren relikwieënkast met kostbare edelstenen uit een Germaans atelier uit de achttiende eeuw staat tussen gepolijste en gebeeldhouwde plakken rotskristal uit Egypte van drie eeuwen eerder. In de zestiende eeuw ciseleerden ivoorwerkers uit Benin zoutvaatjes met christelijke motieven die waren overgebracht door Portugese handelaren. En zo kun je eindeloos doorgaan. Bij de onderlinge relaties tussen karavanen en schepen in Azië, op de Indische Oceaan en langs de Afrikaanse kust voegen zich vanaf 1492 de trans-Atlantische reizen.

    Men observeert elkaar, vecht met elkaar, handelt met elkaar, imiteert elkaar, en soms begrijpt men elkaar. Slavernij, kolonisering: vanaf de zeventiende eeuw globaliseert de wereld – met alle tragische gevolgen van dien. Dit geweld komt tot uitdrukking in de verbazingwekkende zaal over de negentiende eeuw, een van de grootste: oosterse fantasmen en de plundering van Afrika en Oceanië, weelderige decoratieve kunst en zware industrie, impressionisme en symbolisme. Visuele botsingen, de chaos van de wereld in beeld gebracht. Nooit eerder is er zo’n keiharde presentatie geweest van de kunstgeschiedenis en haar tegenstrijdigheden.

    Auteur: Philippe Dagen

    Openingsbeeld: Buitenaanzicht van het nieuwe museum. – © Louvre Abu Dhabi, Mohamed Somji

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

    ARCHITECTUUR

    Het Louvre Abu Dhabi is zonder meer een van de hoogtepunten in het werk van de Franse architect Jean Nouvel. De harmonie tussen gebouw en omgeving is perfect, een immens koepeldak, van waaronder fragmenten ontsnappen van een hagelwitte architectuur, kenmerkend voor de Arabische medina.

    Het 40 meter hoge stalen koepeldak heeft een doorsnede van 180 meter en weegt 7500 ton, net zo veel als de Eiffeltoren. Het bestaat uit 10.000 elementen die tot 85 grotere elementen van elk 50 ton zijn geassembleerd, welke samen een plafond van 8000 metalen sterren vormen, dat slechts 1,8 procent van het buitenlicht doorlaat. Door de constructie van deze stalen hemelboog wordt een fijne regen van witte stralen gevormd, zoals het zonlicht in oases wordt gefilterd door de palmbladeren. De bijzondere constructie houdt bovendien de warmte buiten.

    Het kunstmatige eiland Saadiyat, waarop het museum is gebouwd, moet het culturele centrum van Abu Dhabi (en van het geheel van de Verenigde Arabische Emiraten) worden. Op het programma staan (voor 2030) een Guggenheim Museum van Frank Gehry zoals in Bilbao, het Zayed National Museum van Norman Foster en een maritiem museum van de Japanse architect Tadao Ando.

    (Le Monde)

    Het plafond van 8000 metalen sterren dat een fijne regen van witte stralen vormt. – © Louvre Abu Dhabi, Mohamed Somji
    Het plafond van 8000 metalen sterren dat een fijne regen van witte stralen vormt. – © Louvre Abu Dhabi, Mohamed Somji

    CONTEXT: 1 miljard voor Franse musea

    De ‘bruikleen’ van de merknaam ‘Louvre’ aan Abu Dhabi legt de Franse staat, in het bijzonder het Agence France-Muséums, geen windeieren. Het agentschap is speciaal voor deze gelegenheid in het leven geroepen. Voor het gebruik van de naam alleen al betaalt het emiraat 400 miljoen euro. In totaal levert de hele operatie Frankrijk bijna een miljard euro op.

    Niet iedereen in Frankrijk is overigens blij met de nauwe samenwerking. De website La Tribune de l’Art heeft ernstige kritiek op de overhaaste opening van ‘het filiaal’ aan de Perzische Golf. Het museum is volgens de Tribune te snel ingericht, omdat de opening moest samenvallen met de grote internationale beurs voor moderne kunst begin november. De website spreekt van ‘amateurisme’ en heeft ook ernstige kritiek op de kwaliteit van de Franse staf van het nieuwe museum.

    Politicoloog Alexandre Kazerouni zegt in het blad Le Journal des Arts: ‘De voornaamste kwaliteit van de betrokken westerse organisaties is niet hun expertise, maar hun grote volgzaamheid en cliëntelisme jegens de heersende families in de Golfstaten.’

    (Le Monde)

  • 1. We moeten besmette monumenten niet vernietigen, maar verplaatsen

    1. We moeten besmette monumenten niet vernietigen, maar verplaatsen

    In het Amerikaanse Charlottesville leidde een demonstratie tegen een standbeeld van de Zuidelijke generaal Robert E. Lee tot een geweldsexplosie. En de vraag: wat moeten we met dit soort monumenten? Volgens (kunst)historicus Holland Cotter is het het beste ze in musea te bewaren. ‘Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten.’

    Dit is een zomer van herhalingen. De cultuuroorlogen zijn terug. Evenals de burgerrechtenbeweging. En de Burgeroorlog. Op 12 augustus deden die zich allemaal gelden in Charlottesville, Virginia, toen een demonstratie tegen de voorgenomen verwijdering uit een stadspark van een standbeeld van generaal Robert E. Lee, een generaal van het zuidelijke leger, tot een geweldsexplosie leidde. Twee groepen demonstranten kwamen samen en gingen met elkaar op de vuist: een bataljon blanke nationalisten, neonazi’s en Ku Klux Klan-aanhangers enerzijds, en een groep tegendemonstranten, van wie sommigen met Black Lives Matter-borden liepen.

    Vervolgens was er een tweede uitbarsting, nu op internet, toen president Donald J. Trump zich er, na een betekenisvolle stilte, vanaf maakte door beide partijen de schuld te geven van al het geweld. (‘Hoe zit het dan met het geweld van alt-links?’) Hij plaatste Robert E. Lee op één lijn met George Washington. Hij roemde de ‘schoonheid’ van het standbeeld van Lee en betreurde het verlies van andere standbeelden van geconfedereerden.

    Het is waar dat ook andere standbeelden gevaar lopen. Door de gebeurtenissen in Charlottesville en door de opmerkingen van de president, is er een zekere bewustwording op gang gekomen, een roep om alle standbeelden die herinneringen oproepen aan de Burgeroorlog weg te halen – of er juist voor te vechten. Er dient zich een verhitte ideologische strijd aan. Voor de demonstrerende blank-nationalisten is Lee een held, en symboliseert zijn standbeeld de blanke overheersing die, in een Amerika dat gestaag van kleur verandert, terrein verliest.

    Voor de raciaal gemengde contraprotestanten is hetzelfde standbeeld een herinnering aan de tijd dat de Zuidelijke Staten het land in tweeën wilde verdelen teneinde de zwarten als slaven te kunnen houden.

    Het standbeeld van geconfedereerde generaal Robert E. Lee in het Emancipation-park in Charlottesville wordt op 23 aug. neergehaald nadat Heather Heyer eerder die maand tijdens een rally tegen witte nationalisten werd vermoord. – © AP / Steve Helber
    Het standbeeld van geconfedereerde generaal Robert E. Lee in het Emancipation-park in Charlottesville wordt op 23 aug. neergehaald nadat Heather Heyer eerder die maand tijdens een rally tegen witte nationalisten werd vermoord. – © AP / Steve Helber

    Het gaat er niet bepaald netjes aan toe – de strijd kan niet worden beslecht met een opgestoken of naar beneden gekeerd duimpje. De standbeelden die het slachtoffer worden van deze strijd kunnen geheel verloren gaan, mogelijk voorgoed. De dag na de protesten gaan er beelden rond van demonstranten in Durham, North Carolina, waar een bronzen beeld van een Zuidelijke soldaat van zijn sokkel wordt getrokken. In Baltimore worden die woensdag, in het holst van de nacht, vier monumentale beelden die verwijzen naar de geconfedereerden in bestelwagens geladen en weggereden.

    Overal in het land klinkt de roep om dergelijke acties – in Annapolis, Maryland; in Jacksonville, Florida; in Memphis; in Washington; in New York, waar burgemeester Bill de Blasio opdracht heeft gegeven om alle ‘symbolen van haat’ in de stad in kaart te brengen. (Eentje was snel gevonden: een muur in de subway van Times Square, met tegeltjes die, daar waren de onderzoekers het al snel over eens, het patroon van de vlag van de Zuidelijke Staten vormden.)

    Niets nieuws

    Het vernielen van standbeelden uit sociale, politieke of religieuze motieven is niets nieuws. In het oude Egypte was het gebruikelijk dat de farao afbeeldingen van voorgangers schond of voor andere doeleinden gebruikte. In Noord-Europa werd tijdens de protestantse reformatie kunst uit katholieke kerken gehaald. De nazi’s zuiverden Europa van ‘ontaarde’ moderne schilderkunst. Mao Zedong scheurde, in zijn ‘Vier Oude Dingen’-campagne, klassieke landschappen aan flarden.

    Van recenter datum zijn de reusachtige Boeddha’s van Bamyan in Afghanistan, die de taliban in 2001 heeft opgeblazen. De beelden hiervan zijn de hele wereld over gegaan. Datzelfde geldt voor de opnamen van twee jaar later, van het reusachtige beeld van Saddam Hoessein dat in Bagdad omver werd getrokken. Eerder dit jaar heeft een Engelse kunstenares, Hannah Black, de curatoren van de Whitney Biënnale verzocht om een schilderij te verwijderen – een schilderij van een blanke kunstenares, Dana Schutz, waarop de tot martelaar uitgegroeide Emmett Till staat afgebeeld [een veertienjarige Afro-Amerikaanse jongen die in 1955 werd gelyncht in Mississippi nadat een blanke vrouw aanstoot aan hen nam].


    In principe lijkt het me heel gezond om beelden van geconfedereerde nationalisten in kaart te brengen en weg te halen. De burger in mij – die, net als elke Amerikaan dagelijks getuige is van racisme, het virus dat door ons land waart – is verheugd over de mogelijkheid om bepaalde sporen van de geschiedenis van ons land uit te wissen. De kunsthistoricus in mij is verheugd daarmee te kunnen afrekenen, maar om een andere reden.

    In tegenstelling tot president Trump kan ik weinig schoonheid ontwaren in het standbeeld van Robert E. Lee, met zijn gladde, neoklassieke nietszeggendheid. In Lee zelf zie ik een verrader die oorlog voerde tegen de Verenigde Staten, in een strijd voor een systeem van slavernij dat niet valt te verdedigen.

    Ook zie ik een werk dat niet helemaal is wat het lijkt, een reliek uit de Burgeroorlog. Zoals geldt voor veel militaire monumenten van de geconfedereerden, dateert ook dit standbeeld van ver na de oorlog – uit 1924 om precies te zijn, en het is vervaardigd in New York, voor het grootste deel door Henry Merwin Shrady, die met name bekend is geworden door zijn standbeeld van Ulysses S. Grant dat voor het United States Capitol in Washington staat. Na Shrady’s dood is het standbeeld voltooid door de Italiaanse beeldhouwer Leo Lentelli.

    In de decennia tussen 1890 en 1920 namen dit soort opdrachten een hoge vlucht. In die jaren na de wederopbouw kwam de politieke macht weer in handen van blanke zuiderlingen, en kwam de Lost Cause-beweging op. Die laatste verwijst naar een collectieve fantasie van een geïdealiseerde antebellumwereld waarin de behandeling van slaven dermate zachtaardig was dat dit onmogelijk een belangrijke factor kon zijn geweest voor het uitbreken van de Burgeroorlog.

    Om kort te gaan: het Charlottesville-Lee-standbeeld heeft veel minder van doen met het gedenken van zowel een held als een cultuur die weliswaar verloren is gegaan maar niet vergeten, dan met gevoelens van weemoed die worden aangewend om de werkelijkheid te verzachten van een heden waarin heimelijk van alles broeit. Het zal geen verbazing wekken dat in de jaren waarin dit beeld het licht zag, een sterke toename was te zien van blank-nationalistisch activisme en racistisch geweld.

    Musea zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen

    Het is belangrijk om het conceptuele mechanisme van een dergelijk beeld te doorgronden: hoe het door middel van stijl en bedrog boodschappen uitzendt die door verschillende soorten publiek op verschillende manieren kunnen worden gelezen. En die boodschappen worden heel duidelijk, en gevaarlijk, verspreid in het heden. De gewelddadige verdediging van het Lee-standbeeld in Charlottesville bewijst dat eens te meer en maakt ook dat ik, als historicus, die beelden wil behouden in plaats van ze te vernietigen.

    Zoals gezegd zijn mijn redenen pragmatisch. Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten. Het moet bewaard blijven voor het openbaar ministerie. In het geval van dit soort beelden is de officier van justitie de geschiedenis en kan het proces lang duren, tot ver in de toekomst voortslepen, en kunnen talloze getuigen worden opgeroepen. Men moet waken voor een overhaast oordeel en drastische beslissingen.

    Dus wat te doen met deze beelden, die nu evenzeer symbool staan voor racisme als de vlag van de Geconfedereerden? Een conservator zou kunnen zeggen: voorzie ze van een toelichting en behoud ze binnen de bedoelde context. Maar waar het mij om gaat is die context veranderen, de magie doorbreken, het stof van een vals soort nostalgie eraf kloppen, onszelf wakker schudden. Bovendien, als je de beelden verplaatst, kan er iets anders voor terugkomen, kun je nieuwe verhalen introduceren.

    En waar moeten ze dan naartoe? Naar al bestaande of nog te bouwen musea, in of buiten de stad. Daar kunnen ze in zekere zin worden bewaard, toegankelijk maar onder gecontroleerde omstandigheden, en kunnen ze worden getoond als de propaganda die ze zijn. Om dat mogelijk te maken zullen musea afstand moeten doen van hun vermeende ideologische neutraliteit. Ze zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen.

    Oefenterrein

    Onze encyclopedische musea, zoals het Met, zijn reusachtige pakhuizen vol voorwerpen van over de hele wereld die zijn bedoeld om precies dat te doen wat de beelden van de Geconfedereerden beoogden: om een ideologische boodschap uit te dragen, met ethische beelden die we stuitend zouden kunnen vinden als we in staat zouden zijn de visuele symbolen te duiden – de taal die taal overstijgt. We moeten leren symbolen te lezen met wijd open ogen, in onze eigen politieke realiteit van vandaag de dag, in een tijd van razendsnelle tweets en elektronische afleiding.

    Musea kunnen fungeren als oefenterrein voor een dergelijke manier van lezen, maar om echt effectief te zijn zullen ze eerst moeten onderkennen dat ze in historisch opzicht niet alleen een hall of fame zijn, maar ook een hall of shame.

    In reactie op de voorgenomen verwijdering van het standbeeld in Charlottesville, en andere standbeelden, twitterde president Trump: ‘Robert E. Lee, Stonewall Jackson – wie is de volgende? Jefferson? Washington? Zo dom! Je kunt de geschiedenis niet veranderen, maar je kunt er wel van leren.’

    Mis. Je kunt de geschiedenis wel veranderen, omdat je je kijk op de geschiedenis kunt veranderen. Die ligt nooit vast, al willen de Lost Cause-gedachte en de hedendaagse blank-nationalisten ons anders doen geloven. Door te graven naar beelden en woorden in dat wat we het verleden noemen, hebben wetenschappers het verleden veranderd, de cycli in kaart gebracht, er nieuwe informatie aan ontleend. Wat wij kunnen doen is bewijsmateriaal vergaren, of we er blij mee zijn of niet, en dat doorgeven.

    Auteur: Holland Cotter
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.