Tag: mysterie

  • Een priester, een moord en een mysterie. De onopgeloste zaak van Shelter Island

    Een priester, een moord en een mysterie. De onopgeloste zaak van Shelter Island

    De 87-jarige kanunnik Paul Wancura leidde een stil, bevoorrecht leven. Maar na zijn akelige dood volgde er een rechtszaak omtrent seksueel misbruik. Was er een verband?

    Op Shelter Island in de staat New York valt meestal weinig te beleven. Dit eilandje van 32 vierkante kilometer, dat ingeklemd ligt tussen de North en de South Fork van Long Island, is typisch zo’n plek waar iedereen elkaar kent, waar je je auto niet op slot hoeft te doen en waar mensen al twintig jaar geen groter gevaar te duchten hebben dan een teek besmet met de ziekte van Lyme. Maar dat veranderde op slag in maart 2018, toen kanunnik Charles McCarron op het eiland het verzoek kreeg poolshoogte te gaan nemen bij een andere predikant van de Episcopaalse Kerk die daar woonde. Die priester trad sinds enige tijd op als invaller in een gemeente op Long Island, maar was die dag niet voor de dienst komen opdagen. McCarron reed dus naar zijn woning in Silver Beach, een stille wijk met veel dure vakantiehuizen. Eenmaal aangekomen bij het witte huis met de woudgroene luiken zag hij vanaf de oprit de garagedeur wijdopen staan. Hij kon zo binnenlopen en riep zijn collega.

    ‘Help! Help’ klonk het vanuit de slaapkamer. Daar hing een enorm kruis boven het bed, groot genoeg om in een kerk op te stellen. En tussen het bed en de muur lag kanunnik Paul Wancura op zijn buik op de hardhouten vloer, de polsen en enkels met tiewraps vastgebonden. De 87-jarige Wancura lag daar volgens de autoriteiten al enkele dagen en werd nu overgevlogen naar het academisch ziekenhuis van Stony Brook University, waar zijn linkerhand moest worden afgezet. In de weken daarna kreeg hij sepsis, waaraan hij half april overleed.

    De eilanders waren geschokt. Aan zware misdaad waren ze niet gewend, al sinds 1998 was er op het eiland geen moord meer gepleegd. Maar het maakte ook de tongen los: wie zou een tachtiger, een geestelijke nog wel, zo willen folteren? Welk verhaal zat hierachter? Veel eilandbewoners vragen zich dit nog steeds af. En een recente aantijging van seksueel misbruik roept alleen maar meer vragen op over deze onopgeloste moord, die zowel Wancura’s voormalige parochianen als de politie nog steeds voor een raadsel stelt.

    ‘Waar hij ook verscheen, hij zag er altijd keurig uit, piekfijn gekleed’

    De Caroline Church in Setauket, een gehuchtje op de North Shore van Long Island, dateert van 1729 en is de oudste Episcopaalse kerk met een actieve gemeente in de streek. In de witte torenspits zitten nog kogelgaten uit de Amerikaanse Revolutie. Totdat in 1863 de slavernij werd afgeschaft, zaten de slaafgemaakte gelovigen op het balkon achterin. Wancura werkte hier als predikant van halverwege de jaren zeventig tot eind jaren negentig. Hij doopte kinderen, gaf preken, zegende huwelijken in en leidde elke zondag drie erediensten. Het leek dus gepast om hem daar te begraven. Nu deelt hij een grafsteen met zijn vrouw Helena Rommel Wancura, die elf jaar eerder was gestorven en naast hem ligt op het kerkhof rondom het historische kerkgebouw met zijn rode deur, zijn puntdak en zijn witte houten wanden.

    Bij navraag schetsen verschillende huidige en voormalige gemeenteleden een beeld van Wancura als excentrieke levensgenieter. Een gezelligheidsmens die in zijn tijd als predikant graag op borrels kwam. Maar ook een emotioneel afstandelijke man, zo luidde het, met een paar opvallende eigenaardigheden, zoals een geaffecteerd Brits accent, terwijl hij toch geboren en getogen was op Long Island. Katie Harrison, die in de jaren tachtig door hem in de echt was verbonden, herinnert zich zijn voorliefde voor gin van het merk Bombay Sapphire en zijn indringende blauwe ogen. ‘Als hij je aanstaarde, voelde het alsof hij zo door je heen keek.’

    Wancura’s vrouw had veel geërfd, en met dat geld kochten ze onder meer een vakantiehuisje op Shelter Island, waar ze na zijn pensionering permanent gingen wonen. Na haar dood bleef Wancura erg op zichzelf. Ook op het eiland had hij het imago van een goedgeklede oudere man met een paar typische trekjes. Een van zijn buren zegt dat Wancura graag in de oude cabrio van zijn vrouw rondreed en altijd toeterde bij het passeren van hun huis, ook al kenden ze elkaar nauwelijks. 

    ‘Hij was een in het oog springende figuur op het eiland,’ zegt McCarron. ‘Waar hij ook verscheen, hij zag er altijd keurig uit, piekfijn gekleed.’ Hij was er de man niet naar om rond te hangen in gelegenheden als The Chequit, een oud hotel waar eilandbewoners volgens McCarron graag wat komen drinken. Als hij hem sprak, was het altijd bij Wancura thuis. McCarron wist dat de kanunnik geen volkse smaak had: hij kon daar niet komen aanzetten met een zak chips, dus nam hij toastjes, paté en cornichons mee. Hij weet nog dat Wancura hem eens ontving in een blazer met koperen knopen en een choker. Voor de meeste mensen was Wancura een traditionele maar amusante en lichtelijk excentrieke geestelijke van de oude stempel. Hij genoot respect in zijn gemeente, zonder dat de gelovigen hem echt goed kenden of begrepen.

    Achter gesloten deuren

    Maar Lew Crispin III, die van 1975 tot 1990 in Setauket opgroeide en daar een groot deel van zijn jeugd naar de kerk ging, schetst een veel zwarter beeld van de priester. Hij beweert dat hij jarenlang door Wancura is misbruikt, zowel in de kerk als daarbuiten. Zo beschrijft hij hoe de kanunnik, als hij na afloop van de dienst op het gazon buiten de kerk afscheid nam van de gelovigen, Crispin tegelijkertijd liet voelen dat hij hem in zijn macht had. ‘Hij deed dan alsof hij me de zegen gaf, maar drukte ondertussen zijn erectie tegen me aan,’ zegt hij.

    Afgelopen augustus, meer dan drie jaar na Wancura’s dood, spande Crispin een civiele rechtszaak aan tegen drie partijen, waaronder de Caroline Church en het bisdom Long Island van de Episcopaalse Kerk. Hij eist twintig miljoen dollar schadevergoeding en zegt te zijn aangemoedigd om ermee naar buiten te treden door een vriend van een vriend die zelf slachtoffer van seksueel misbruik werd als leerling op St. David’s School, een katholieke jongensschool in Manhattan. ‘Ik kan moeilijk geloven dat ik de enige ben die dit is overkomen,’ zei Crispin (51) afgelopen najaar in een interview via Zoom. Zijn advocaat Gil Santamarina nam ook deel aan het gesprek. ‘Het probleem is groter dan wat mij alleen is overkomen,’ zegt Crispin. ‘Ik wil de cultuur van de Caroline Church aan de kaak stellen.’

    Alle drie de gedaagde partijen hebben hun eigen advocaat. Philip Semprevivo Jr. vertegenwoordigt de Domestic and Foreign Missionary Society, het zendingsgenootschap van de episcopaalse kerk, en wil ‘geen commentaar geven op een lopende rechtszaak’. Dennis Perlberg, die optreedt voor het bisdom van Long Island, wil ook geen commentaar geven, en James Weller, hoofd juridische zaken van het bisdom, reageert niet op telefoontjes en mails. Ook de advocaten van de Caroline Church hebben ondanks herhaalde pogingen om contact te krijgen nooit gereageerd.

    ‘Ik had hem graag als tachtigjarige kindermisbruiker de gevangenis in zien gaan’

    Crispin, een reus van bijna een meter negentig en bijna 140 kilo met een grijzend baardje, is een indrukwekkende verschijning, zelfs op het computerscherm. Toch heeft hij een kwetsbare en zachtaardige uitstraling. Hij vindt het achteraf moeilijk te geloven dat geen enkele volwassene doorhad dat de priester herhaaldelijk nauwe contacten had met een minderjarige, en dat daar iets ernstig misging. Dit jeugdtrauma werkt door in alle facetten van zijn leven, zegt hij. Hij heeft geworsteld met verslaving, kan zijn woede slecht beheersen en heeft perioden van depressie en dakloosheid gekend. Hij is nu afgekickt en woont in North Carolina, waar hij andere ex-verslaafden bijstaat. Maar hij vertelt dat hij al in de veertig was eer het hem lukte een normale baan te houden, laat staan een relatie op te bouwen. Hij wordt panisch bij de gedachte om zelf kinderen te krijgen. Toen hij voor het eerst over de dood van Wancura hoorde, voelde hij vooral spijt. ‘Ik vind het jammer dat hij dood is,’ zegt Crispin. ‘Ik had hem graag als tachtigjarige kindermisbruiker de gevangenis in zien gaan.’

    In december wilde het advocatenkantoor van Semprevivo de zaak niet ontvankelijk laten verklaren omdat Crispin en zijn advocaat onvoldoende bewijzen aandroegen. De advocaat van Crispin heeft daar bezwaar tegen aangetekend. Vorige maand dienden ook het bisdom en de Caroline Church een verzoek in om de zaak te seponeren, met als argument onder meer dat hun cliënten niet aansprakelijk kunnen zijn voor het vermeende seksuele misbruik door Wancura. Nu is het afwachten of de rechter de zaak toch in behandeling neemt.

    Crispin voelde zich als kind altijd een buitenstaander in het welgestelde gehuchtje Setauket, waar hij is opgegroeid. Hij had een alleenstaande moeder, die na een ongeval enkele jaren met een zware handicap kampte. Het gezin was afhankelijk van giften en liefdadigheid. De eerste en enige keer dat hij haar vertelde dat hij misbruikt was, was als tiener. Ze zei toen dat ze ‘me niet geloofde en er nooit meer over wilde praten’, zegt hij. Met als resultaat dat hij er uit schaamte jarenlang over heeft gezwegen.

    Het duurde jaren voordat hij er weer over durfde te praten. Dat was in de jaren negentig, toen hij begin twintig was en werkte als kok. Op een avond had hij een diner aan huis verzorgd bij een jeugdvriend op Long Island, en hij weet nog dat hij een beetje aangeschoten was. Na de maaltijd raakte hij in gesprek met een van de gasten, een therapeut uit Stony Brook, en ze kwamen te spreken over de Caroline Church. ‘Paul Wancura is geen goed mens,’ zei Crispin, waarop hij naar buiten liep en moest overgeven.

    Het duurde jaren voordat hij er weer over durfde te praten 

    De therapeut heeft gevraagd om haar naam niet te vermelden, aangezien ze nog steeds in de streek woont en soms naar die kerk gaat, maar zij bevestigt dit relaas. Ze zegt erbij dat een predikant in de streek die een familievriend is, de kanunnik John Davis, haar later vertelde dat het bisdom op de hoogte was van mogelijk misbruik door Wancura. Dat strookt met de beschuldigingen van Crispin op die avond en in zijn pleidooi voor de rechter jaren later. Davis is in 2005 overleden.

    Sinds een jaar of twee volgt Crispin bij een deskundige een therapievorm die hem heeft geholpen herinneringen aan het misbruik op te diepen. Vorige maand heeft hij een aantal van die herinneringen, die hij tot dan toe zegt te hebben verdrongen, aan zijn advocaat Santamarina verteld: toen hij een jaar of acht was, nam Wancura hem mee naar de kelder van de kerk en vroeg hem met zijn penis te spelen tot hij ejaculeerde. Dat misbruik bleef hij af en toe plegen tot Crispin dertien was, zegt hij. Hij werd in de kelder van de kerk tot orale seks gedwongen. En in het laatste jaar dat het misbruik plaatsvond, 1983, zegt Crispin herhaaldelijk door Wancura te zijn verkracht na de koorrepetities voor de mis op kerstavond. Hij heeft daardoor nog jarenlang last gehad van fecale incontinentie. Hij had zijn moeder beloofd dat hij bij de kerk zou blijven tot zijn confirmatie, en die belofte is hij nagekomen, maar hij stapte wel uit het koor en ging niet meer naar de zondagsdienst. Op zijn vijftiende, in 1985, trad hij voorgoed uit de gemeente. 

    Zijn civiele claim is ingediend op 13 augustus 2021, de dag voordat de tijdelijke wet afliep waarmee de verjaringstermijn van kindermisbruik in de staat New York werd opgerekt. Hij lijkt de enige te zijn die een officiële klacht over misbruik van Wancura heeft ingediend. (Voor een groot deel van Suffolk County, waar Setauket onder valt, gaan de doorzoekbare elektronische politiebestanden niet verder terug dan 1992.)

    In zijn civiele klacht heeft Crispin ook de niet met bewijzen gestaafde bewering opgenomen dat de aanslag op Wancura in maart 2018 waarschijnlijk een vergeldingsactie was. Er staat: ‘De omstandigheden van de aanslag op de predikant blijven onopgelost en in nevelen gehuld, maar er is reden om aan te nemen dat de dader er vooral op uit was om hem te folteren, niet om hem te beroven.’ Rechercheur Kevin Beyrer van de politie in Suffolk County, die leiding gaf aan het onderzoek, zegt dat de aantijgingen van seksueel misbruik niet relevant zijn voor het moordonderzoek. ‘Hij was een heel geliefde predikant,’ zegt Beyrer. ‘Uit alles wat we over hem horen, komt hij naar voren als een gerespecteerd lid van de kerk en van verschillende gemeenschappen op Long Island.’

    Moord of inbraak?

    Wancura heeft de politie nog te woord kunnen staan voordat hij in het ziekenhuis overleed, maar Beyrer wil niet zeggen of hij daarbij iets over de aanslag heeft verteld. Sinds Shelter Island in 1730 officieel een gemeente werd, zijn er maar twee moorden gepleegd. Dat de zaak uit 2018 nog steeds niet is opgelost en te boek staat als een gewelddadige moord, blijft aan de bewoners knagen. ‘Daar verloren we onze onschuld,’ aldus Ambrose Clancy, die als hoofdredacteur van The Shelter Island Reporter over de zaak heeft bericht.

    Het kan simpelweg een uit de hand gelopen inbraak zijn geweest. Beyrer zegt dat er een gouden Lucien Piccard Seashark-horloge ter waarde van 2500 dollar is ontvreemd, dat nog niet is opgedoken bij pandjeshuizen in de streek. Deze theorie wordt gestaafd door een andere inbraak in dezelfde straat een week of twee later, al werd daarbij niets gestolen. ‘Ze hadden alle kasten uitgehaald en alles op de vloer gesmeten,’ zegt Linda Brienza over het vakantiehuis dat al vijfenveertig jaar haar eigendom is. ‘Gelukkig waren wij er niet.’ (Enkele jaren geleden heeft haar dochter voor vier miljoen dollar het huis van Wancura gekocht.) 

    Vier jaar na de moord zijn er nog steeds meer vragen dan antwoorden. ‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren, op dit stille eilandje waar nooit iets gebeurt?’ aldus Deborah Endemann, wier familie hier al sinds de jaren veertig de zomers doorbrengt. En Rebecca Shafer, een makelaar die bij het voormalige huis van het echtpaar Wancura om de hoek woont, zegt dat zij als enige in de wijk ook thuis was ten tijde van de inbraak die de predikant fataal werd. ‘Ik voelde intuïtief aan dat dit geen willekeurige aanval was geweest,’ zegt ze. ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik mijn auto of mijn huis op slot moet doen. Nog steeds niet.’

    Op een persconferentie in 2018 leek dit beeld te worden bevestigd door het toenmalige waarnemend hoofd van de politie in Suffolk County, Stuart Cameron, toen hij zei dat het hier niet om willekeurig, maar om heel gericht geweld ging. McCarron krijgt er nog steeds vragen over van de eilanders. ‘Het kan prettig zijn om in zo’n hechte gemeenschap te wonen,’ zegt hij, ‘maar het betekent ook dat iedereen het meteen weet als je een keer met het verkeerde been uit bed bent gestapt, een affaire hebt of dronken bent.’ Volgens de korpschef van Shelter Island, James Read, die al vijfendertig jaar bij dit korps werkt, is het dossier nog lang niet gesloten en is hij vastbesloten het af te ronden. ‘Ik zwaai niet af voordat deze zaak is opgelost.’

  • Franse politie doet onderzoek naar mysterieuze verdwijning kleuter

    Franse politie doet onderzoek naar mysterieuze verdwijning kleuter

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Woede na dodelijke Israëlische aanval op hulpverleners

    » Taiwan schrikt op van zwaarste aardbeving in 25 jaar

    Émile verdween acht maanden geleden en werd onlangs gevonden

    De Franse politie zoekt naar aanwijzingen voor de dood van een kleuter, die acht maanden geleden verdween en wiens stoffelijke overschot dit weekend werd gevonden. Dat meldt Le Monde. Émile Soleil, een jongetje van tweeënhalf jaar oud, verdween in juli terwijl hij bij zijn grootouders verbleef in een gehucht in de Franse Alpen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Er werd destijds een grootscheepse zoekactie op touw gezet, zonder resultaat. De zoektocht werd maandag hervat, nadat een wandelaar een schedel had ontdekt op een kilometer van de plek waar de jongen voor het laatst was gezien. De politie keerde met behulp van drones en speurhonden terug om het gebied rond het kleine dorpje Le Vernet te onderzoeken op verdere resten en kleding.

    Marie-Laure Pezant, een woordvoerster van de gendarmerie, zei dat het gebied vorig jaar al verschillende keren was uitgekamd. ‘Het is mogelijk dat deze botten hiernaartoe zijn gebracht door iemand of een dier of door weersomstandigheden’, aldus Pezant. De plaatselijke burgemeester, François Balique, zei: ‘Emile zou nooit alleen naar de plek zijn gegaan waar ze hem gevonden hebben.’

  • Aantekeningen van een extreem lang iemand

    Aantekeningen van een extreem lang iemand

    New York Times-journalist Nicholas Kulish is voor Amerikaanse begrippen uitzonderlijk lang. In een essay voor de website Topic beschrijft hij hoe dit zijn identiteit heeft gevormd.

    Ik was altijd een beetje huiverig voor Dick de Dwerg. In mijn favoriete bar in Hongkong, The Globe, noemde iedereen hem accountant Dick als hij in de buurt was, aangezien hij de boekhouding van de bar deed, maar hij had zijn hielen nog niet gelicht of we hadden het over Dick de Dwerg omdat hij klein was. Ik was huiverig voor Dick de Dwerg omdat ik, op mijn tweeëntwintigste, net mijn volwassen lengte had bereikt: iets meer dan twee meter. Ik ging ervan uit dat hij dat pijnlijk zou vinden. Dus toen hij op de barkruk naast me kwam zitten, me van top tot teen opnam en zei: ‘Lijkt me lastig, zo lang zijn,’ dacht ik dat hij me in de maling nam. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik aarzelend. ‘Je kunt geen schoenen vinden. Je kunt geen broek vinden. Vliegen moet een nachtmerrie zijn.’ ‘Klopt,’ beaamde ik enigszins op mijn hoede. ‘Maar wat weet jij daarvan?’ ‘Ik probeer mijn problemen altijd van de andere kant te bekijken,’ lichtte hij toe. ‘De wereld is gemaakt voor mensen van gemiddelde lengte.’

    Dit gesprek vond zo’n twintig jaar geleden plaats en terugkijkend begrijp ik wel dat Dick zo aardig tegen me was. In zijn ogen was ik jong en klunzig en zat 
ik niet lekker in mijn vel. Terwijl hij zelfvertrouwen uitstraalde. Hij vertelde verhalen over zijn leven als straatartiest, over de tijd dat hij zijn geld had verdiend als clown. ‘Je kent het wel, een beetje jongleren, wat grappen en grollen,’ zoals hij het zelf formuleerde. Hij was inmiddels getrouwd en had een goede baan als accountant. Ik geneerde me voortdurend voor mijn ellebogen, mijn knieën en mijn grote voeten die alle kanten uit staken. Ik stootte geregeld mijn hoofd tegen een lage deurpost. Ik was anders 
en de mensen in Hongkong zagen er geen been in me daar voortdurend op te wijzen. In het voorbijgaan maakten ze sprongen om de bovenkant van mijn hoofd aan te raken, of ze liepen achter me aan, met hun handen in de lucht, tot grote hilariteit van hun vrienden. De vrouwen op de groentemarkt naast mijn huis wezen soms alleen maar naar me en begonnen dan te lachen. Ik geloof niet dat ik in die periode erg gelukkig was. Ik herinner me dat ik een keer een kort verhaal schreef voor mijn vrienden, waarin ik uit een raam sprong maar met mijn enorme voeten bleef haken achter een vlaggenstok, die mijn val brak voordat ik te pletter zou slaan. Mijn lichaam 
en mijn identiteit waren nog niet versmolten. Ter 
verdediging kan ik aanvoeren dat ik geen vrienden 
of familieleden had die ook zo lang waren. Daarnaast was het ook nog eens mogelijk dat ik nog niet was uitgegroeid.

    Ideale lengte

    De gemiddelde Amerikaanse man is net iets langer dan één meter vijfenzeventig. Voor vrouwen is de norm net iets onder de één meter tweeënzestig. De grafiek van de verschillende lengtes ingedeeld naar alle staten van Amerika (gebaseerd op het National Health and Nutrition Examination Survey, een onderzoek uitgevoerd in 2007 en 2008) stopt zo’n vijf centimeter voordat ik aan de beurt ben. Een lengte van één meter achtennegentig is een afrondingsfout, die in de meeste leeftijdscategorieën nog geen tiende van een procent bedraagt.

    Gevraagd naar het aandeel van de bevolking dat langer is dan twee meter, laat een woordvoerder van het National Center for Health Statistics weten: ‘Onze statistici beschikken niet over de middelen om die gegevens te achterhalen.’ Over het algemeen wordt het als indrukwekkend en imponerend gezien wanneer iemand langer is dan gemiddeld. Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat iemand die langer is dan gemiddeld meer kan verdienen en zelfs meer kans heeft om een hoge leeftijd te bereiken. Ik loop zonder enig probleem ’s nachts door onbekende steden en word zelden lastiggevallen, er worden hooguit wat opmerkingen gemaakt over mijn lengte. Maar uit veel van die studies blijkt ook dat voor mannen de voordelen van hun lengte in de hogere regionen weer afnemen: vanaf één meter negentig neemt de kans op een langer leven weer af, de kansen op een hoger salaris keren bij één meter achtennegentig. Ik heb al die lengtes gehad en ik 
kan het weten: voor een man is één meter negentig de ideale lengte. Met elke centimeter extra neemt je aantrekkelijkheid af en schuif je op richting rariteit, om te eindigen als een spreekwoordelijke kermisattractie. Anders dan bij veel zeer lange mensen, begon ik pas op latere leeftijd te groeien. Als kind was ik al lang voor mijn leeftijd maar op de middelbare school bleef ik een paar jaar steken. Mijn klasgenoten haalden me in en ik legde me erbij neer dat ik één meter tachtig zou worden, met opmerkelijk grote voeten, schoenmaat 49. Ik was een boekenwurm 
en ik werd gepest door groepjes oudere jongens op school en in de buurt. Niet geheel onterecht, want 
ik had een grote bek en ik wist niet goed waar de grenzen lagen. Ik stopte met basketballen, hoe leuk ik dat ook vond, omdat de coaches wilden dat ik point-guard zou worden in het team van de eerstejaars, terwijl ik tot dan toe alleen center had gespeeld. Mijn laatste schooljaar schoot ik pas echt de hoogte in en in mijn eerste studiejaar was ik één meter negentig. Al was ik voor mijn gevoel nog dezelfde die ik altijd was geweest, mijn omgeving reageerde anders op me. Het is lastig precies vast te stellen maar ik had het gevoel dat ik door mijn lengte meer succes had bij de meisjes en dat ik in zijn algemeenheid iets meer aanzien genoot in de klas. Mijn vrienden vielen me nog wel altijd in de rede, namen me nog steeds in de maling en behandelden me net als alle anderen, maar toch was er een geleidelijke verschuiving merkbaar.

    Ik kan me nog levendig een studentenfeestje herinneren, de bedompte lucht van vele vaten goedkoop bier, de schemerige ruimte slechts verlicht door kerstlampjes. Een medestudent liep expres tegen een kleine, nerdy vriend van mij op, telkens wanneer die zijn wegwerkbekertje kwam vullen. Ik ging naar die student toe, keek hem indringend aan – om niet te zeggen vernietigend – en liep met hem mee naar de achterdeur, waardoor hij vertrok. Ik had een pestkop geïntimideerd en het was opwindend en tegelijkertijd angstaanjagend, intimideren bleek net zo eng als geïntimideerd worden. Vervolgens boezemde ik ook onbedoeld een paar mensen angst in, zowel vrouwen als mannen, werd een paar keer voor monster uitgemaakt, werd aangezien voor Lurch uit The Addams Family en voor Lennie uit Of Mice and Men, die, als mijn geheugen me niet bedriegt, per ongeluk een vrouw wurgde, waarna zijn vriend van normale lengte hem een kogel door het hoofd schoot, als daad van barmhartigheid. En ik bleef maar groeien, ik werd langer dan wie ook in mijn familie, zowel van vaders- als van moederskant. Mijn moeder ging met me naar een endocrinoloog. Er werd bloed afgenomen en een echo gemaakt om te kijken of ik leed aan gigantisme, of aan het syndroom van Marfan, of een andere afwijking die zou kunnen verklaren waarom ik niet was opgehouden met groeien. Ik werd op alles negatief getest, maar tegen de tijd dat ik naar Hongkong ging voor mijn eerste baan, de zomer na mijn afstuderen, was het nog altijd de vraag of ik ooit zou stoppen met groeien, of ik geheel buiten de lengtestatistieken zou komen te vallen. Als je me vraagt wat ik destijds voor iemand was, dan zou ik zeggen: een lezer en een schrijver, de zoon van een immigrant, een fervent reiziger, misschien ook nog wel iemand die te veel praatte. Maar mijn lichaam kwam altijd op de eerste plaats en pas daarna volgde mijn persoonlijkheid, wat ik vanbinnen voor iemand was. Mijn lengte was een gegeven waarmee ik me niet identificeerde, het was een extern gegeven, iets wat ik domweg had meegekregen, iets wat ik pas gaandeweg leerde internaliseren. Misschien geldt dat wel altijd, als het om identiteit gaat. Maar het overkwam mij zo laat in mijn leven dat ik het me scherp bewust was.

    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty
    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty

    Vorig jaar kwam op zeker moment het nieuws naar buiten dat het toenmalige hoofd van de FBI, James Comey, die net als ik meer dan twee meter is, zich tijdens een bijeenkomst in januari 2017 achter de gordijnen van het Witte Huis had proberen te verstoppen zodat de president hem niet in het oog zou krijgen. Dit beeld van die reusachtige man die als een enorme kameleon probeert op te gaan in de plooien van de gordijnen was dermate krankzinnig, om niet te zeggen lachwekkend, dat het even iets van lucht gaf aan een land dat op de rand van een constitutionele crisis verkeerde. Maar zelf kon ik me er van alles bij voorstellen. Lange mensen proberen altijd zoveel mogelijk op te gaan in hun omgeving, we proberen 
te voorkomen dat anderen in het theater over onze enorme voeten struikelen, dat onze ellebogen op de dansvloer in iemands gezicht slaan. Een groot deel van onze tijd gaat heen met pogingen onszelf zo klein mogelijk te maken, om niet al zeer in het oog te lopen, hoewel dat haast onvermijdelijk is. Op internet gaat een meme rond van een lange man die een nieuwsgierige onbekende een visitekaartje overhandigt. ‘Ja, ik ben lang,’ staat erop te lezen. De verdere tekst is net even anders in de verschillende versies die de ronde doen. In het ene filmpje staat er: ‘Scherp gezien.’ En dan volgt er een lengte, ‘twee meter’ in het ene geval, ‘twee meter tien’ in het andere geval, gevolgd door ‘serieus, ja,’ bij de eerste lengte, en ‘Nee hoor, geintje,’ bij de tweede. Er volgen meer antwoorden op vragen die niet zijn gesteld, een soort Jeopardy, maar dan eenrichtingsverkeer. ‘Nee, ik ben geen basketballer. En ja, het is heerlijk weer, hierboven.’ De memes die ik heb gezien eindigden allemaal met een variatie op ‘Fijn dat we er even over hebben kunnen praten’. De grap van de meme zit erin dat we die vragen zo vaak hebben gepareerd dat we alle varianten kennen, elke mogelijke wending van het gesprek. Ik krijg ze geregeld opgestuurd, alsof de grap voor mij is bedoeld, terwijl hij eigenlijk juist is bedoeld voor de anderen. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik een dergelijk gesprekje voer. Meestal zijn het vragen: ‘Hoe lang ben je?’ of ‘Speel je basketbal?’ Daarnaast zijn er mensen die hun hart bij me willen uitstorten. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb ontmoet voelen de noodzaak om me te vertellen wie er binnen hun familie het langst is. Met name vrouwen vertellen graag over hun vader, hun man of hun broer, over de langste man met wie ze ooit iets hebben gehad of over hun langste collega. Vervelender zijn de discussies, wanneer bijvoorbeeld iemand me op straat staande houdt, vraagt hoe lang ik ben en vervolgens zegt dat ik het mis heb, dat ik volgens hem net even langer ben, of net even kleiner.

    In de kroeg komen de mannen van één meter negentig altijd op me af met de woorden: ‘Hé, meestal ben ik de langste.’ Het heeft iets agressiefs en tegelijkertijd iets zeurderigs, en het gebeurt ongelooflijk vaak. Tijdens het debacle van Comeys ontslag wees ik er geregeld op dat Comey meer dan twee meter was 
en dat Trump beweert één meter negentig te zijn.

    De gesprekken over lengte zijn te prefereren boven de ontmoetingen met mensen die me opnemen alsof ze amateur-antropoloog zijn: ze houden hun handen op, steken hun voeten uit, gaan met hun rug tegen mijn rug staan. Soms gaat het er echter nog grover aan toe. ‘Hoe doen jullie het?’ is me wel eens gevraagd terwijl ik met een kleinere vriendin in een kroeg stond. Maar goed, het komt natuurlijk wel vaker voor dat een of andere griezel dat soort intieme vragen stelt. Meestal zijn de vragen goedmoedig van aard. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Glimlach. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Grijns. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Prima. Het houdt domweg niet op. ‘Ik probeer mezelf keer op keer voor te houden dat deze mensen gewoon contact proberen te maken en dat dit nu eenmaal de woorden zijn die van hun lippen rollen,’ aldus de schrijfster Arianne Cohen, die één meter negentig is. In 2009 bracht ze The Tall Book uit, een gedegen verslag van de voordelen die het heeft om heel lang te zijn, en van de uitdagingen die ermee gepaard gaan. ‘De afgelopen tien jaar zijn mannen tot het inzicht gekomen dat het niet altijd gepast is om het uiterlijk van vrouwen te becommentariëren in termen van al dan niet aantrekkelijk, maar opmerkingen over iemands lengte lijken nog wel door de beugel te kunnen.’ Online dating en dating-apps hebben het liefdesleven van lange mensen makkelijker gemaakt, aldus Cohen, en dat geldt zeker voor lange vrouwen die op zoek zijn naar een man die even lang is, of langer.

    Aanvankelijk had Cohen haar ware lengte in haar profiel vermeld, waarop ze werd bedolven onder reacties van mannen ‘met een lengtefetisj, mannen die wilden weten hoeveel ik weeg en wat voor schoenmaat ik heb.’ Ze stelde het bij naar één meter tachtig en de berichtenstroom droogde op. Cohen deed er weer een schepje bovenop: één meter vijfentachtig. Ze krijgt nog wel eens een reactie van een of andere creep, maar daar kan ze 
wel mee leven. Want al zijn die constante vragen over basketballen nog zo irritant, het is wel duidelijk een verbetering. Als we Cohen mogen geloven denken de meeste mensen tegenwoordig dat uitzonderlijk lange mensen miljoenen binnenhalen als profbasketballer, terwijl vroeger werd gedacht dat we in het circus werkten, of bij een freakshow. Dat zou je een vooruitgang kunnen noemen.

    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH
    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH

    Wij, lange mensen, begeven ons in het openbare leven en krijgen ongekend veel aandacht, maar toch blijven we een mysterie. Waarom lopen we haast verend en duikend door de metrostellen in New York City, als in een merkwaardige dans? Voeren we een show op, om daarna met de pet rond te gaan? Nee, we willen gewoon ons hoofd niet stoten tegen de metalen rails waar anderen houvast bij zoeken. Bij ons dreunen ze tegen onze slaap of ons achterhoofd, als we niet oppassen. In de metrotunnels maken wij ons vermoedelijk het meeste zorgen om de roestige schroeven die uit het plafond steken en die onze schedel openhalen als we niet uitkijken. Realiseer je dat wij op regenachtige dagen extra moeten uitkijken voor de punten van jullie paraplu’s, die als wrede klauwen in onze zachte delen steken: onze ogen en oren. En in tegenstelling tot mensen van gemiddelde lengte weten wij hoe het zit met plafondventilatoren: het zijn geen helikopterbladen. Als je je hand erin steekt, loop je misschien een bult of een bloeduitstorting op, maar ze zijn niet zo gevaarlijk als je zou denken. Toch sympathiek dat je zo met ons meeleeft! Soms zijn we spionnen in jullie midden. Als jullie ons thuis uitnodigen, weten wij hoe de bovenkant van jullie koelkast eruitziet. (Die moet je nodig schoonmaken. Het is alweer een hele tijd geleden. Geloof me.) Zodra het feestje goed op gang komt, kunnen wij jullie nauwelijks meer verstaan omdat het gesprek zich zo’n dertig centimeter onder ons afspeelt en het lastig is om voortdurend voorovergebogen te staan, met gedraaid bovenlijf. Vind je dat we een rare houding hebben? Dan doen we vermoedelijk de bekkenkanteling, een extreme versie van de contraposto van Michelangelo’s David, om een paar centimeter lager te komen. We zijn ook heel handig. Het spreekt waarschijnlijk voor zich dat jullie bij een concert aan ons vragen of wij even een foto van de artiest kunnen maken, of van jullie zelf, aangezien een foto vanuit een hoger camerastandpunt flatteuzer is. Ik moet altijd grinniken als vrienden op een drukbezocht festival niet besluiten om op een bepaalde tijd bij een bepaald markeringspunt af te spreken, maar gewoon zeggen: ‘Oké, om drie uur bij Nick.’ In een menigte kun je het beste achter ons aan lopen. Wij zien de open plekken, wij zien waar de ruimte ontstaat, wij zien waar de rij voor de wc en de rij voor de drankjes samenkomen en er een menselijke opstopping ontstaat.

    Bij een rij mensen doet zich een van de merkwaardigste fenomenen voor die ik associeer met lengte. Zodra er iemand voordringt zie ik hoofden draaien, zie ik vragende blikken. Pas na enige tijd dringt tot me door dat de meeste mensen naar mij kijken, in een onbewust besluit om mij te belasten met de 
verantwoordelijkheid, en de mensen blijven me aanstaren totdat ik voldoende moed heb verzameld om te roepen: ‘Hé, de rij begint daar, hoor.’ Ik weet niet waarom het zo is, maar in anonieme situaties, waar mensen enkel op het uiterlijk kunnen afgaan, krijgen we stilzwijgend een soort autoriteit toegedicht. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb gesproken vragen me om zware dingen te verplaatsen of iets van een hoge plank te pakken, alsof ik een soort buurtkruiwagen of -ladder ben. Zelf ben ik dan nog het liefst de buurtladder omdat ik dan iets voor anderen kan doen, maar als kruiwagen ben ik niet 
zo geschikt omdat ik, zoals veel lange mensen, last van mijn rug heb. Dit is niet objectief vastgesteld, maar ik heb het idee dat mensen mij ook vaker de weg vragen. Misschien roep ik associaties op met 
een wegwijzer. Als verslaggever die is gespecialiseerd 
in buitenlandprojecten heb ik me neergelegd bij een leven in kleine hotelkamers en krappe vliegtuigstoelen. Ik heb nauw contact met de ergonoom van mijn werk, Tom. Toen ik hem achttien jaar geleden ontmoette, in mijn vorige baan, noemde hij me een ‘onafwendbare computergerelateerde ramp’. Hij legde bakstenen onder de poten van mijn werktafel. Zijn hulpmiddelen zijn inmiddels een stuk geavanceerder, zoals een mechanisch bediende zit-statafel en een reusachtige, op maat gemaakte stoel die door tenminste een van mijn collega’s is vergeleken met de IJzeren Troon van Westeros [uit de tv-serie Game 
of Thrones]. (Hij is bijna net zo groot maar helaas met een kussen van schuim in plaats van omgesmolten metalen zwaarden.) Hoewel veel New Yorkers zich verheugen in de anonimiteit die de stad biedt, bevind ik me in een veel interactievere stad. Als je wilt weten wie dé blanke basketballer van dit moment is, moet je samen met mij door Brooklyn lopen. Kreten als ‘Yo, Nowitzki!’ zijn de opmaat geweest voor nog veel zangerige hommages 
aan de nieuwe, Litouwse forward van de Knicks: 
‘Porzingis!’ Plaats een uitzonderlijk lang iemand in het centrum van de grootsteedse anonimiteit en hij wordt bedolven onder aandacht, zegt Rosemarie Garland-Thomson, hoogleraar lichaamstudies aan Emory University, in het boek van Cohen. ‘Zet zo iemand in een kleinere plaats en op de een of andere manier trekt hij minder bekijks. Er zijn enkele reuzen geweest die min of meer ongehinderd in een klein plaatsje hebben gewoond.’

    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki
    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki

    In januari ben ik van Hudson in New York, door glibberige sneeuwbui, naar Massachusetts gereden, op zoek naar Asa Palmer, de jongste van drie broers die allemaal net zo lang zijn als ik, of zelfs langer. Toen we klein waren, woonden Palmer en ik bij elkaar om de hoek, in Arlington, Virginia. Hun gezin was beroemd, de lange ouders met de drie superlange zoons die basketbalden. Toen ik tijdens de kerst tegen mijn moeder zei dat ik in het nieuwe jaar een afspraak had met Asa, haalden mijn moeder en zus herinneringen op aan de drie jongens, waarbij ze het vooral veel hadden over de middelste broer, Crawford, de All-American topsporter, drie decennia na zijn avonturen in Arlington. Asa Palmer en ik hadden op amateurniveau gespeeld. Hij begon als center voor het Optimist-basketbalteam, en ik probeerde hem te dekken voor mijn Kiwanis Club, wat steeds moeilijker werd omdat mijn groei tijdelijk tot stilstand kwam terwijl hij gewoon verder 
de hoogte in schoot. Uiteindelijk verhuisden de Palmers en verloor ik ze uit het oog, maar mijn nieuwsgierigheid dreef me er nu toe de besneeuwde wegen van New England te trotseren tijdens de snijdende winterkoude, op zoek naar de jongste zoon van het gezin. Palmer bleek boomchirurg te zijn geworden. Hij had grote, sterke handen en zijn dikke, donkere baard zat vol grijs, de eerste vorst van de middelbare leeftijd diende zich aan. Net op het moment dat ik hem bezocht was hij aan huis gekluisterd vanwege een gebroken enkel. Een deken van januarisneeuw lag over de Berkshire Hills, waar zijn huis staat; ingeklemd tussen een moeras en een begraafplaats. Tegen de lente zal hij weer in boomstronken moeten klauteren, met behulp van een elf millimeter dik nylonkoord – tenzij de boom gekapt moet worden, dan kan hij naar boven klauteren met behulp van speciale schoenen met ijzers, omdat hij zich dan geen zorgen hoeft te maken over de beschadigingen die hij veroorzaakt in de bast en de stam. Palmer en ik dronken Sierra Nevada-bier, we aten kaas en we bekeken foto’s van zijn dochtertje van vier. We lachten om de kwinkslagen die hij had bedacht om de gesprekken over zijn lengte af te kappen. Wanneer iemand vraagt hoe lang hij is, zegt Palmer: ‘Ligt aan de luchtvochtigheid’ of: ‘Ligt eraan hoe laat het is.’ We knikten instemmend, we herkenden van alles, zoals het feit dat we ’s nachts op straat met een boogje om vrouwen heen lopen omdat het overduidelijk is dat ze ons doodeng vinden, alsof het monster van Frankenstein weer tot leven is gekomen. Hij vroeg of ik ook zo verschrikkelijk veel moeite had om schoenen en broeken te kopen in deze wereld van one-size-fits-all, en hij informeerde naar het littekenweefsel boven op mijn hoofd. We deelden ons leed over het voeteneinde van veel bedden, om nog maar te zwijgen van vliegtuigstoelen. We hadden het erover dat we niet meer in de achtbaan durfden, als de dood dat de veiligheidsbeugel niet goed sluit en dat we in een bocht of tijdens een loop uit het stoeltje geslingerd worden. (Veel achtbanen werken met een maximumlengte: wie langer is dan één meter vijfennegentig mag bij Six Flags niet in de Mind Eraser en boven de twee meter mag je niet in de Batwing Coaster. Ik heb ooit in Guatemala een tokkelbaan gedaan en kwam met een bloederige streep bij mijn slaap beneden aan; ik was te lang en de kabel brandde in mijn huid terwijl ik naar beneden scheerde. Palmer herinnerde zich de vervreemding van zijn lichaam dat maar langer en langer werd, wist nog precies hoe het voelde om in de brugklas ‘een tandenstoker te zijn met voeten die uit het niets de lengte in schoten.’ Hij herinnerde zich dat hij in zijn jeugd de verwarmingen hoorde trillen wanneer zijn vader, die één meter achtennegentig was, in de kelder met het wasgoed bezig was en zijn hoofd stootte tegen de leidingen. Ook herinnerde hij zich de gesmoorde kreten van pijn. (Palmer deed het voor me na – de kreet van een vliegend reptiel uit de prehistorie.) Hij moest lachen bij de herinnering. Palmer lachte veel om de beproevingen van lange mensen en het zal niemand verbazen dat hij een diepe, resonerende lach heeft. Zo haalde hij herinneringen op aan de keer dat hij op zijn negentiende met een vriendin naar het Foxboro Stadium ging, voor een optreden van Elton John en Billy Joel. Er kwam steeds iemand van het stadium zijn kant op, en die scheen dan met een zaklamp in Palmers ogen. Hij had geen idee wat hij verkeerd deed totdat iemand riep: ‘Ga toch zitten, man!’ En dan was er nog de familievakantie naar Peru met zijn vader, die Latijns-Amerikaanse politiek doceerde. Daar zag hij hoe de plaatselijke bevolking keurig in de rij ging staan om een voor een op de foto te gaan met Walter, zijn oudste broer – enkel en alleen omdat Walter langer was dan twee meter tien.

    Walter deed precies wat iedereen denkt dat lange mensen doen: hij speelde in de NBA, een tijdje bij de Utah Jazz en de Dallas Mavericks. De middelste zoon van de Crawfords, die twee meter vijf is, sprong er al op de middelbare school uit en ging bij de Duke Blue Devils spelen. Hij zou later het Franse kampioenschap binnenhalen als een professionele, internationale speler. Ook won hij met zijn team zilver op de Olympische Spelen van 2000 in Sydney. Palmer heeft zich, anders dan ik, nooit geschaamd voor zijn lengte. Hij heeft geen idee waarom of wanneer zijn familie de hoogte in is geschoten – ze komen niet uit Zuid-Soedan of de Balkan, zoals mijn familie, het 
is gewoon een echt blank, Amerikaans allegaartje – maar naast de één meter achtennegentig van zijn vader, was zijn moeder ook al één meter zevenentachtig. ‘Ik herinner me dat ze het er een hele tijd geleden over hadden, met mijn broer, geloof ik, en zij hadden iets van: “Het is juist iets om trots op te zijn. Je moet je rug recht houden.”’ Palmer zei ook tegen me: ‘Als je over de twee meter tien bent, dan kijkt echt iedereen naar je. Walt trekt zich daar helemaal niets van aan. Bij een concert gaat hij gewoon vooraan staan omdat hij het allemaal al eens heeft meegemaakt.

    Zelfs bij mij werkt het zo, ik vind hem ook lang. Maar ik vind het heerlijk om omhoog te kijken wanneer ik met iemand praat. Dat gebeurt me echt zelden.’ Tijdens ons gesprek rende zijn dochtertje door het huis, een en al energie, nu al lang voor haar leeftijd. Ik herhaalde het grapje dat ik vaker maak, dat als ik ooit kinderen krijg, mijn dochter één meter vijfennegentig wordt en mijn zoon één meter vijfenzestig en dat ze me allebei zullen verafschuwen. Maar bij Palmer thuis speelde dat helemaal niet. ‘In deze familie zie je dan bijvoorbeeld zijn nichtjes van één meter negentig en één meter drieënnegentig, prachtige lange vrouwen die zich op geen enkele manier druk maken om hun lengte,’ zei Asa’s vrouw Wenonah. Zelf is ze één meter zeventig, net iets langer dan gemiddeld maar ruim binnen de gebruikelijke marges. ‘Het is een wonder, het is fantastisch, en ik ben er enorm blij om.’ In mijn familie is niemand zo lang als ik. Als je afwijkt, heb je mensen in je omgeving nodig die dat begrijpen, die de problemen zien maar die er ook om kunnen lachen. Zo’n voorbeeld heb ik nooit gehad, ik heb nooit een Walter gehad om me duidelijk te maken dat ‘lange mensen heel normaal zijn en dat iedereen het prima vindt en dat er echt niets raars aan is,’ zoals Asa zei. ‘Het is iets om trots op te zijn,’ hielp hij me herinneren.

    Auteur: Nicholas Kulish
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Anna Peisl / Getty Images

    Topic
    Verenigde Staten | topic.com

    In 2017 opgerichte foto-, video- en 
verhalensite van First Look Media, het mediabedrijf van journalist Glenn Greenwald en documentairemaker Laura Poitras. 
De verhalen op topic.com gaan altijd 
over één thema, dat maandelijks wisselt.

  • De getekende vrouw

    De getekende vrouw

    In het begin van de vorige eeuw werden de leden van de Osage-indianenstam plotseling schatrijk, toen er olie werd ontdekt onder hun reservaat in Oklahoma. Niet lang daarna werden tientallen van hen op mysterieuze wijze vermoord. In 1923 kreeg de voorloper van de FBI opdracht om de zaak te onderzoeken. Bijna een eeuw later ontdekte New Yorker-journalist David Grann dat de moorden nog veel omvangrijker waren dan de FBI destijds naar buiten bracht. In deze voorpublicatie uit zijn boek De maand van de bloemendoder maken we kennis met de Osage-vrouw en haar familie, die de belangrijkste slachtoffers werden van de samenzwering.

    In april raken de heuvels en de uitgestrekte vlakten van het deel van Oklahoma waar de Osage-indianen wonen overdekt met miljoenen kleine bloemen: viooltjes en winterpostelein en kleine korenbloemen. De schrijver John Joseph Mathews (1894-1979), zelf een Osage, moest bij deze oceaan van kleuren denken aan ‘goden die confetti hadden uitgestrooid’. Als in mei de coyotes huilen onder een verontrustend grote maan, komen grotere planten, zoals eendagsbloem en suzanne-met-de-mooie-ogen op en beroven de plantjes van hun licht en water. De steeltjes van de bloemen knakken, de bloemblaadjes dwarrelen weg en kort daarna zijn de plantjes alleen nog onder de grond aanwezig. Daarom wordt de maand mei door de Osage-indianen betiteld als ‘tijd van de bloemendodende maan’.

    Op 24 mei 1921 begon Mollie Burkhart, een bewoner van de Osage-nederzetting Gray Horse, te vermoeden dat Anna Brown, een van haar drie zusters, iets was overkomen. Anna, vierendertig, minder dan een jaar ouder dan Mollie, was drie dagen daarvoor verdwenen. Ze was wel vaker ‘de hort op gegaan’, zoals haar familie het afkeurend aanduidde. Dan ging ze tot het eind van de nacht met vrienden dansen en drinken. Maar dit keer was ze helemaal niet thuisgekomen, en de dag daarop stond Anna ook niet zoals ze anders altijd deed op de veranda van Mollies huis, haar lange haar een beetje in de war en haar donkere ogen glanzend als glas. Binnen deed Anna graag haar schoenen uit, en Mollie miste het vertrouwde geluid van haar ongehaaste tred door het huis. Daar heerste nu een even diepe stilte als op de prairie. Drie jaar daarvoor was Mollie al haar zuster Minnie kwijtgeraakt. Die was choquerend snel verzwakt en toen overleden.

    De artsen hadden het over ‘een ziekte waardoor ze snel was weggekwijnd’, maar Mollie had zo haar twijfels. Minnie was pas zevenentwintig, en altijd kerngezond geweest.

    Het kan verkeren

    Net als hun ouders waren de namen van Minnie en haar zusters opgenomen in de Osage Roll, en daardoor waren ze officieel geregistreerd als lid van de stam. Het betekende ook dat ze een enorm bedrag bezaten. Kort na 1870 waren de Osage uit hun woongebied in Kansas verdreven en ondergebracht in een rotsachtig, naar iedereen dacht waardeloos reservaat in het noordoosten van Oklahoma. Maar tientallen jaren later ontdekte men dat onder dat land een van de grootste olievoorraden van de Verenigde Staten lag. Om die olie te mogen winnen, moesten bedrijven de Osage betalen: eerst een exploitatievergunning en daarna royalty’s. In het begin van de twintigste eeuw kreeg iedereen die als lid van de stam geregistreerd stond voor het eerst elk kwartaal een bedrag. In eerste instantie was dat maar een paar dollar, maar later, toen er steeds meer olie werd gewonnen, werden dat honderden en nog later duizenden dollars. Vrijwel elk jaar liep het bedrag verder op, als de prairiebeekjes die samen de brede, modderige Cimarro vormen, tot de stamleden vele miljoenen dollars aan inkomsten genoten. Alleen in 1923 al kwam er meer dan dertig miljoen binnen, qua koopkracht het equivalent van meer dan vierhonderd miljoen dollar nu. De Osage waren per hoofd van de bevolking het rijkste volk ter wereld.

    ‘Het kan verkeren!’ schreef Outlook, een weekblad in New York. ‘In plaats van honger te lijden geniet de indiaan een royaal inkomen, dat bankiers groen doet zien van jaloezie.’

    Het Amerikaanse publiek raakte gefascineerd door de voorspoed van de stam, die in schril contrast stond met de gebruikelijke beelden van indianen na de eerste gewelddadige contacten met blanken – de oerzonde waaruit het land was ontstaan. Journalisten kwamen met spannende reportages over de ‘plutocratische Osage’ en de ‘rode miljonairs’ met hun uit baksteen opgetrokken landhuizen, kristallen kroonluchters, diamanten ringen, bontjassen en auto’s, mét chauffeur. Een van hen verbaasde zich over de meisjes van de Osage, die naar de chicste kostscholen gingen en de mooiste mode uit Parijs droegen, ‘alsof une très jolie mademoiselle van de Parijse boulevards per ongeluk in dit plaatsje in een indiaans reservaat was beland’.

    Journalisten schreven ook over alles wat aan het traditionele bestaan van de Osage deed denken, en bij de lezers een beeld kon oproepen van ‘wilde’ indianen. In een artikel stond: ‘Dure auto’s staan in een kring om een open kampvuur heen, waarop de gebronsde, in kleurige dekens gehulde eigenaars op primitieve wijze vlees bereiden.’ In een ander meldde de journalist dat een groep Osage in een privévliegtuig arriveerde om deel te nemen aan een dansceremonie – ‘een voorval dat een romanschrijver nog niet zou kunnen verzinnen’.

    De verwarring die de Osage opriepen bij het algemene publiek werd puntig verwoord door de Washington Star, die schreef: ‘In plaats van “Ach, arme indiaan”, kunnen we beter zeggen “Lach, rijke indiaan”.’

    Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images
    Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images

    Gray Horse was een van de oudste nederzettingen van het reservaat. Samen met Fairfax, niet ver daar vandaan en met bijna vijftienhonderd inwoners wat groter, en Pawhuska, de hoofdstad, met meer dan zesduizend inwoners, bood het een wonderlijk en kakelbont beeld. Op straat liep van alles door elkaar: cowboys, gelukszoekers, stokers van illegale drank, waarzeggers, medicijnmannen, outlaws, U.S. Marshals, financiers uit New York en oliebaronnen. Waar eerst paarden hadden gelopen, reden nu auto’s over verharde wegen, en de geur van benzine overstemde die van de prairie. Rijen kraaien tuurden omlaag van telefoondraden. Er waren koffiehuizen en operatheaters en polovelden.

    Al gaf Mollie haar geld wat minder royaal uit dan sommige van haar buren, ze had toch een mooi, ruim, houten huis laten bouwen, niet ver van de oude hut van de familie, die nog was opgetrokken uit met touw aan elkaar gebonden palen, geweven matten en boombast. Ze had een aantal auto’s en ook het nodige personeel. ‘Pottenlikkers van de indianen’, dat was de denigrerende term die veel kolonisten gebruikten voor dat personeel. Meestal waren het migranten: zwarten of Mexicanen, hoewel in het begin van de jaren twintig een bezoeker van het reservaat ontsteld meldde dat ‘zelfs blanken alle huishoudelijke taken vervullen waartoe een Osage zich niet wenst te verlagen’.

    ‘Squaw man’

    Mollie was een van de laatsten die Anna voor haar verdwijning hadden gezien. Die dag, 21 mei, was Mollie kort nadat het licht was geworden opgestaan, een gewoonte die ze had overgehouden aan de tijd waarin haar vader elke ochtend bad tot de zon. Ze was gewend aan het koor van veldleeuweriken en oeverlopers en prairiehoenders, nu doorschoten door het pok-pok van boren die zich door de aarde groeven. Anders dan veel vriendinnen, die Osage-kleding hadden afgezworen en hun haar kort droegen, naar de mode van die tijd, sloeg Mollie een deken om haar schouders en liet haar lange haar over haar rug vallen. Daardoor was haar markante gezicht, met zijn hoge jukbeenderen en bruine ogen, goed te zien.

    Haar man, Ernest Burkhart, stond tegelijk met haar op. Burkhart, een blanke man van achtentwintig, had het wat clichématig knappe voorkomen van een figurant in een western: kort bruin haar, leisteenblauwe ogen en een vierkante kin. Alleen zijn neus speelde het spel niet mee; die zag eruit alsof hij bij een vechtpartij een paar klappen had gekregen. Hij was opgegroeid in Texas, waar zijn vader een arme katoenboer was geweest en was in de ban geraakt van de verhalen over de Osage Hills, een laatste restant van het Wilde Westen, waar, zei men, nog steeds cowboys en indianen rondzwierven.

    In 1912, toen hij negentien was, had hij wat spullen bij elkaar gepakt, net als Huckleberry Finn die op avontuur gaat in het Territory, en was hij in Fairfax gaan wonen, bij zijn oom William K. Hale, een dominante veehouder. ‘Die was niet het soort man dat je vroeg of je iets wilde doen, maar je gewoon iets opdroeg,’ zei Burkhart een keer over Hale. Toch werd die zijn tweede vader. Burkhart deed vooral klussen voor Hale, maar werkte ook weleens als chauffeur. Zo had hij Mollie ontmoet.

    Hij greep iets te vaak naar een fles illegale drank en pokerde graag met mannen die een twijfelachtige reputatie genoten, maar onder dat ruige uiterlijk leek ook tederheid en een zweem onzekerheid te zitten, en Mollie werd verliefd op hem. Mollies moedertaal was Osage, al had ze later op school ook wat Engels geleerd, maar Burkhart studeerde net zo lang op haar taal tot hij erin kon communiceren.

    Mollie had diabetes en hij zorgde voor haar als haar gewrichten pijn deden en ze rammelde van de honger. Toen hij hoorde dat een ander een oogje op haar had, mompelde hij dat hij niet zonder haar kon. Toch viel het hun niet gemakkelijk om te trouwen. Burkharts ruige vrienden lachten hem uit omdat hij een ‘squaw man’ was geworden. En al waren de drie zussen van Mollie met blanke mannen getrouwd, zij was principieel voor een gearrangeerd huwelijk, zoals haar ouders hadden gehad.

    Toch vond Mollie, wier familie een geloof beleed dat een mix was van Osage-tradities en katholieke overtuigingen, dat God haar niet eerst liefde kon geven om die daarna weer af te pakken, en dus werden in 1917 ringen uitgewisseld en beloofden zij en Ernest elkaar tot in eeuwigheid lief te hebben.

    In 1921 hadden ze een dochter van twee, Elizabeth, en een zoon van acht maanden, James, die ze Cowboy noemden. Mollie zorgde ook voor haar oude moeder Lizzie, die bij haar dochter was ingetrokken nadat haar man was overleden. Omdat Mollie diabetes had, was Lizzie bang dat ze jong zou komen te overlijden, en dus smeekte ze haar andere kinderen om dan de zorg over te nemen. Maar in werkelijkheid zorgde Mollie voor iedereen.

    Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan

    21 mei had een mooie dag moeten worden voor MoIlie. Ze had een bescheiden lunch georganiseerd, omdat ze graag gasten ontving. Nadat ze zich had aangekleed, gaf ze de kinderen te eten. Cowboy had vaak ernstige oorpijn, en dan blies ze in zijn oren tot hij ophield met huilen. Mollie zorgde dat haar huis keurig op orde was en dus instrueerde ze het personeel tot iedereen druk bezig was en het hele huis net zo rumoerig was als een schip dat net heeft aangelegd – op Lizzie na, die ziek was en in bed was gebleven. Mollie vroeg Ernest om Anna te bellen en te vragen of ze voor de verandering zin had om te helpen met het verzorgen van Lizzie. Anna was het oudste kind en haar moeder had een bijzonder plekje in haar hart voor haar. Ook al zorgde Mollie voor Lizzie, Anna was de dochter die door haar moeder werd verwend, ondanks haar vaak stormachtige leven.

    Toen Ernest Anna opbelde met de mededeling dat haar moeder haar nodig had, beloofde die meteen een taxi te bellen en kort daarop was ze er al. Ze had een rok aan met daarop een indiaanse deken in een bijpassende kleur, en rode schoenen. In haar hand had ze een tas van alligatorleer. Voordat ze het huis betrad, had ze haastig haar verwaaide haar gekamd en haar gezicht gepoederd. Maar Mollie zag dat ze onvast op haar benen stond en met dubbele tong praatte. Anna was dronken.

    Mollie maakte geen geheim van haar misnoegen. Een aantal gasten was er al. Onder hen waren twee broers van Ernest, Bryan en Horace Burkhart, die, aangetrokken door het zwarte goud, naar Osage County waren verhuisd en Hale vaak hielpen op diens ranch. Een tante van Ernest, die maar al te vaak racistische dingen zei over indianen, was ook op bezoek, en het laatste wat Mollie wilde, was wel dat Anna de oude dragonder reden tot gemopper zou geven.

    Anna deed haar schoenen uit en begon meteen een scène te maken. Ze haalde een flacon uit haar tas en schroefde de dop eraf, zodat de scherpe lucht van illegaal gestookte whisky vrijkwam. Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan.

    Mollie wist dat Anna het de laatste tijd erg moeilijk had gehad. Ze was kort daarvoor gescheiden van haar echtgenoot, Oda Brown, die een stalhouderij had. Daarna was ze steeds vaker te vinden in de rumoerige boomtowns van het reservaat die meteen na de ontdekking van de olie waren ontstaan. Plaatsen als Whizbang, waar, werd gezegd, de hele dag werd besteed aan ‘whizzen’ (zuipen) en de hele nacht aan ‘bangen’ (neuken). ‘Hier zijn alle mogelijke soorten losbandigheid en zedelijk verderf aan aan te treffen,’ meldde een overheidsrapport. ‘Gokken, drinken, overspel, leugens, diefstal en moord.’ Anna was in de ban geraakt van de panden aan het donkerste eind van de straten. Vanbuiten oogden ze keurig, maar er zaten verborgen kamers in met tientallen flessen moonshine, zoals illegale drank werd genoemd. Een van haar bedienden vertelde de autoriteiten later dat Anna heel veel whisky dronk en ‘zich tegenover blanke mannen zeer lichtzinnig gedroeg’.

    In het huis van Mollie begon Anna te flirten met Ernests jongste broer Bryan, met wie ze wel eens was uitgegaan. Hij was wat somberder van aard dan Ernest en had ondoorgrondelijke ogen met gele vlekjes erin en dunner wordend haar, dat hij met pommade achterover kamde. Een sheriff die hem kende, beschreef hem als een kleine rouwdouw. Toen Bryan een van de meisjes die bij de lunch bedienden vroeg of ze zin had om die avond met hem mee te gaan naar een dansfeest, zei Anna dat ze hem zou vermoorden als hij wat uithaalde met een andere vrouw.

    Ondertussen zei de tante van Ernest, zo hard dat iedereen het kon horen, hoe vreselijk ze het vond dat haar neef met een roodhuid was getrouwd. Daar kon Mollie niet meteen iets tegen inbrengen, omdat de tante door een blank meisje werd bediend, een allesbehalve subtiele verwijzing naar de maatschappelijke verhoudingen binnen het stadje.

    Anna bleef stennis schoppen. Ze maakte ruzie met de gasten, met haar moeder, met Mollie. ‘Ze liep alleen maar te drinken en ruzie te maken,’ zei een bediende later tegen de autoriteiten. ‘Ik kon haar taal niet verstaan, maar ze had steeds mot.’ En ze voegde eraan toe: ‘Het gedrag van Anna was bar en boos. Ik werd er bang van.’

    Die avond wilde Mollie voor haar moeder zorgen. Ernest zou met de gasten naar Fairfax rijden, acht kilometer naar het noordwesten. Daar zouden ze samen met Hale naar Bringing Up Father gaan, een rondreizende musical over een arme Ierse immigrant, die miljoenen wint in een loterij en daarna probeert om chique kringen binnen te komen. Bryan had een cowboyhoed opgezet, en zijn katachtige ogen keken vanonder de brede rand naar buiten. Hij bood Anna aan om haar bij haar huis af te zetten.
    Voor ze vertrokken, waste Mollie Anna’s kleren, gaf haar iets te eten en vergewiste zich ervan dat haar zuster voldoende was ontnuchterd om weer herkenbaar te zijn als haar zus, opgewekt en aardig. Zo konden ze even plezierig samen zijn. Toen nam Anna afscheid. Door haar lach schitterde het goud van een vulling.

    gettyimages 120317028

    Met elke nacht die verstreek, werd de onrust van Mollie groter. Bryan zei dat hij Anna meteen bij haar huis had afgezet voor hij was doorgereden naar de voorstelling. Na de derde nacht zette Mollie op haar kalme, maar resolute manier iedereen aan het werk. Ze stuurde Ernest naar Anna’s huis. Hij probeerde de voordeur. Die zat op slot. Toen hij door een raam keek, leek het huis donker en verlaten.

    Daar stond hij dan, in de hitte. Een paar dagen daarvoor was er een verkoelende regenbui gevallen, maar daarna straalde de hitte van de zon weer meedogenloos tussen de takken van de zwarte eiken door. In deze tijd van het jaar trilde de lucht boven de prairie van de warmte en kraakte het gras als je eroverheen liep. In de verte, door het sidderende licht, kon je de skeletachtige vormen van boortorens onderscheiden.

    Anna’s hoofd van de huishouding, die naast haar woonde, kwam naar buiten en Ernest vroeg: ‘Weet jij waar Anna is?’ Voor de regenbui, zei de vrouw, was ze naar Anna’s huis gelopen om openstaande ramen dicht te doen. ‘De regen zou naar binnen kunnen slaan,’ zei ze ter verklaring. Maar de deur was op slot en van Anna was geen spoor te bekennen. Ze was verdwenen.

    Het nieuws van haar verdwijning deed snel de ronde in de boomtowns, van huis tot huis, van winkel tot winkel. Wat de onrust nog versterkte, waren verhalen dat nog een Osage, Charles Whitehorn, een week eerder was verdwenen. Whitehorn, een man van dertig, sympathiek en geestig, was getrouwd met een vrouw die voor een deel blank en voor een deel Cheyenne was. Een plaatselijke krant meldde ‘dat hij populair was bij de blanken én de leden van zijn stam’. Op 14 mei vertrok hij uit zijn huis, in het zuidwesten van het reservaat, om naar Pawhuska te gaan. Hij was niet meer thuisgekomen.

    Toch was er nog geen reden tot paniek. Het was denkbaar dat Anna haar huis weer was uitgelopen nadat Bryan haar daar had afgezet en naar Oklahoma City was gegaan, of zelfs de staatsgrens was overgestoken, naar het bruisende Kansas City. Misschien was ze wel aan het dansen in een van de jazzclubs waar ze graag kwam, en was ze onwetend van de chaos die door haar verdwijning was ontstaan. En ook al was ze in de problemen gekomen, ze was niet voor een kleintje vervaard: vaak had ze een klein pistool in haar tas. Nog even geduld, dan is ze weer thuis, zei Ernest geruststellend tegen Mollie.

    Opeens gilde hij: “Pap!” Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: “Daar ligt een dode”

    Een week nadat Anna was verdwenen liep een oliearbeider anderhalve kilometer van Pawhuska over een heuvel toen hij bij de onderkant van een boortoren iets tussen de struiken uit zag steken. Hij liep erheen. Het was een rottend lijk, met twee kogelgaten tussen de ogen. Het slachtoffer was van dichtbij neergeschoten.

    Het was warm en nat en lawaaierig op de heuvel. De grond schokte van het geweld waarmee boren zich door het leisteensediment vraten, en jaknikkers zwaaiden hun grote koppen op en neer. Andere mensen kwamen ook kijken bij het lichaam, dat in zo verregaande staat van ontbinding was dat het niet meer kon worden geïdentificeerd. In een van de zakken zat een brief. Iemand haalde hem eruit, streek hem glad en las hem. Hij was gericht aan Charles Whitehorn, en daardoor wisten ze dat hij het was.

    Rond dezelfde tijd was een man bij Three Mile Creek, niet ver van Fairfax, op eekhoorns aan het jagen, samen met zijn zoon, een tiener, en een vriend. Terwijl de twee mannen uit een beek dronken zag de jongen een eekhoorn en haalde de trekker over. Een felle, hete flits en de jongen zag het dier levenloos uit de boom vallen, in een dal. Hij rende erheen en klauterde langs de helling omlaag, het dal in, waar de lucht zwaarder was en hij het fluisteren van een stroompje kon horen. Hij vond de eekhoorn en raapte hem op. Opeens gilde hij: ‘Pap!’ Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: ‘Daar ligt een dode.’

    Het was het opgezwollen, in staat van ontbinding verkerende lichaam van zo te zien een indiaanse vrouw. Ze lag op haar rug, met haar haar in de modder en haar lege ogen op de hemel gericht. Insecten hadden het lichaam aangevreten.

    De mannen en de jongen haastten zich naar hun kar en gaven de paarden de vrije teugel. Het stof van de prairie kolkte om hen heen. Toen ze de hoofdstraat van Fairfax hadden bereikt, konden ze daar geen lawman* vinden, en dus gingen ze naar de Big Hill Trading Company, een grote winkel die tevens begrafenissen verzorgde. Tegen de eigenaar, Scott Mathis, vertelden ze wat ze hadden gezien en die liet de man komen die de begrafenissen deed. Met een aantal anderen reed deze naar het dal. Daar bonden ze het lijk op een plank en sleepten het naar boven. Daarna legden ze het in een kist, in de schaduw van een zwarte eik. Toen het opgezwollen lijk werd bedekt met zout en ijs, begon het te slinken, alsof het laatste beetje leven eruit lekte. De begrafenisman probeerde vast te stellen of het om Anna Brown ging, want die had hij gekend. ‘Het lichaam was in verregaande staat van ontbinding, zo sterk opgezwollen dat het op barsten stond en rook zeer kwalijk,’ herinnerde hij zich later. ‘Het was zo zwart als een nikker.’

    Duisternis

    Hij en de andere mannen konden het niet identificeren. Maar Mathis, die Anna’s financiën regelde, nam contact op met Mollie en die ging naar het bos, aan het hoofd van een sombere groep, waarvan ook Ernest, Bryan, Mollies zus Rita en Rita’s man Bill Smith deel uitmaakten. Veel mensen die Anna hadden gekend, kwamen achter hen aan, en ook de nodige ramptoeristen. Kelsie Morrison, een van de beruchtste drankstokers en drugshandelaren van het district, nam zijn vrouw, een Osage, mee.

    Mollie en Rita bleven vlak naast het lijk staan. De stank was adembenemend. Boven hen draaiden gieren obsceen rondjes. Het viel de twee vrouwen niet gemakkelijk om vast te stellen of het om Anna ging – het gezicht was goeddeels weggevreten – maar ze herkenden haar indiaanse deken en de kleren die Mollie voor haar had gewassen. Toen pakte Rita’s man een stok en duwde de mond open. Daardoor konden ze Anna’s gouden vullingen zien. ‘Dat is Anna, zeker weten,’ zei Bill.

    Rita begon te huilen en haar man nam haar mee. Uiteindelijk mimede Mollie het woord ‘ja’. Het was Anna. Binnen de familie was Mollie altijd degene die haar zelfbeheersing wist te bewaren en ook nu liep ze samen met Ernest bij het lichaam weg. Wat daar achterbleef, was de eerste aanzet van een duisternis die niet alleen haar familie zou dreigen te verslinden, maar ook haar stam.

    • In deze tijd was er in het zuidwesten van de Verenigde Staten nog geen echte politie. Het gezag werd gehandhaafd door sheriffs, deputy’s, town marshals en Texas Rangers, gezamenlijk ‘lawmen’ genoemd.

    Auteur: David Grann
    Vertaler: Pon Ruiter

    Openingsbeeld: Een kamp van de Osage-indianen in Oklahoma in het begin van de 20ste eeuw. Tegenwoordig woont de stam op reservaten in Kentucky. – © Getty Images

    Dit is een fragment uit De maand van de bloemendoder van David Grann, dat onlangs verscheen bij Uitgeverij Q.

    unnamed

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

    Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen.